Gemeentelijke regelgeving

Handboek kabels en leidingen gemeente Tytsjerksteradiel

Gemeente Tytsjerksteradiel · geldt sinds 19 februari 2025

5. Zorgvuldigheid, schade, verzekeringen en veiligheid

5.2. Schade en kosten

5.2.1. Algemeen

1De grondroerder zal alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat schade wordt toegebracht aan eigendommen van de gemeente of derden.

2Wordt desondanks schade aan eigendommen van de gemeente of derden (bijvoorbeeld: kabels en leidingen van andere netbeheerders, verkeersborden, eigendommen van particulieren, bodemverontreiniging tijdens het werk enzovoort) toegebracht dan dient de grondroerder dit zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur, schriftelijk door te geven aan de toezichthouder en/of aan betrokken derden.

3Schade die de gemeente als gevolg van kabel- en/of leidingwerkzaamheden lijdt of de kosten die de gemeente daarvoor moet maken, dienen door de netbeheerder hersteld c.q. vergoed te worden. Bij schade aan eigendommen van de gemeente beslissen burgemeester en wethouders of zij de schade laten herstellen op kosten van de netbeheerder, of dat de netbeheerder de schade voor eigen rekening zelf mag herstellen, of dat de netbeheerder de schade aan de gemeente dient te vergoed

5.2.2. Herstel van schade en vergoeding van kosten

1Het uitgangspunt is dat de situatie van de ondergrond, de verharding (inclusief bijzondere (sier)bestrating) en groenvoorzieningen teruggebracht dient te worden in de oude staat. Burgemeester en wethouders accepteren geen vermindering van kwaliteit.

2Indien vooraf tussen burgemeester en wethouders en de netbeheerder de afspraak is gemaakt dat de gemeente zelf zorg draagt voor de herstelwerkzaamheden zal de gemeente de marktconforme kosten in rekening brengen bij de netbeheerder. In die gevallen geldt er voor de netbeheerder geen onderhoudstermijn.

3De netbeheerder draagt de kosten voor herstel van schade en degeneratie- en beheerskosten. Voor de tarieven en onderhoudstermijn gelden de afspraken zoals vastgelegd in Deel C van dit Handboek.

4Burgemeester en wethouders zullen bij in gebreke blijven van de grondroerder (als de voorgeschreven hersteltermijnen verstreken zijn en/of als herstel onvoldoende is) zelf noodzakelijke (herstel)werkzaamheden uit laten voeren door een door burgemeester en wethouders geselecteerde aannemer. Dit zal dit tegen marktconforme tarieven geschieden. Burgemeester en wethouders zullen de netbeheerder er vooraf (schriftelijk) van in kennis stellen dat zij het herstel zullen laten verrichten.

5Alle (extra) kosten

2Onder andere kosten van : specifiek herstel van bijzondere (sier)bestrating; extra werkzaamheden ten behoeve van het herstel van straatwerk jonger dan drie jaar; de uitvoering van het Bouwprocesbesluit Arbeidsomstandigheden; verwijderen van uit gebruik genomen kabels en/of leidingen op verzoek van burgemeester en wethouders; verwijderen van aanstootgevende graffiti, posters enzovoort, van bovengrondse voorzieningen; het aanbrengen van anti graffitivoorzieningen op bovengrondse voorzieningen; extra aan te planten groen nabij bovengrondse voorzieningen ten behoeve van inpassing in de omgeving; noodzakelijke werkzaamheden aan groenvoorzieningen en bomen; vervanging en herplanten van groenvoorzieningen en bomen; het afvoeren, tijdelijke opslag en terugplaatsen van bouwstoffen; inboet en het leveren van extra bouwstoffen; afvoeren inclusief de stortingskosten van (vervuilde) grond, puin, vrijgekomen asfaltmaterialen; definitief herstel asfaltverhardingen; leveren, aanbrengen en opruimen van tijdelijke (verkeers-)voorzieningen en verkeersmaatregelen en bronbemaling; herstel van verborgen gebreken; het opnieuw aanbrengen c.q. aanwijzen van peilen en hoofdafmetingen; het nemen van maatregelen ten aanzien van de bereikbaarheid van andere kabels en/of leidingen of percelen; het tijdelijk verwijderen en terugplaatsen van bovengrondse obstakels (lichtmasten, verkeersborden); gevolgen voortvloeiend uit het breekverbod.

die door de grondroerder (of de gemeente) gemaakt moeten worden vanwege door de netbeheerder geïnitieerde werkzaamheden met betrekking tot kabels en/of leidingen en/of een gevolg zijn van de voorwaarden en eisen die zijn opgenomen in de Verordening, het instemmingsbesluit of de vergunning en dit Handboek komen in principe voor rekening van de grondroerder c.q. de netbeheerder. Over de eventuele verrekening van kosten zullen nadere afspraken worden gemaakt.

6Niet alle schades die de gemeente als gevolg van kabel- en/of leidingwerkzaamheden lijdt kunnen door de vastgestelde hersteltarieven worden gedekt. Dit is het geval bij:

Schade bij groenwerkzaamheden:

•werkzaamheden waarbij de overlevingskans van de aanwezige beplanting gering is en deze dus moet worden vervangen;

•werkzaamheden waarbij dicht in de buurt van bomen moet worden gewerkt;

•achteruitgang van de (beeldbepalende) groenkwaliteit;

•aantasting van de (ecologische) kwaliteit van de groeiplaats.

In deze gevallen kunnen al vóór aanvraag van het instemmingsbesluit of de vergunning specifieke afspraken tussen burgemeester en wethouders en de netbeheerder worden gemaakt. Afhankelijk van de omvang van het werk kan in de voorwaarden "het 1e jaar garantie op groen" en/of "inboet beplanting na het 1e groeiseizoen (week 13 tot en met 45)" tegen een marktconform tarief worden voorgeschreven. De gemaakte afspraken worden vastgelegd in het instemmingsbesluit of in de vergunning.

Als bomen worden beschadigd of zonder toestemming van burgemeester en wethouders worden gerooid, kan de netbeheerder aansprakelijk worden gesteld voor de schade. De schade wordt bepaald conform artikel 10.4, eerste lid.

Schade die ontstaat buiten de werkomgeving:

Van schade die ontstaat buiten de werkomgeving van de grondroerder is sprake als ten gevolge van werkzaamheden schade ontstaat aan materialen, lichtmasten, verkeersregelinstallaties (VRI’s), geparkeerde auto's, en dergelijke. Voor zover het gemeentelijke eigendommen betreft, kan de gemeente deze schade verhalen op de netbeheerder. Afhankelijk van de specifieke situatie kan het wenselijk zijn dat voorafgaand aan de werkzaamheden een gezamenlijke (toezichthouder en grondroerder) schouw van de werkomgeving plaatsvindt. De bevindingen dienen vastgelegd te worden.

Verborgen gebreken:

Verborgen gebreken zijn buitenproportionele oneffenheden van opgeleverd en goedgekeurd hersteld straatwerk. In dergelijke gevallen heeft de grondroerder een werkweek na eerste aanzegging van burgemeester en wethouders de tijd om de verharding opnieuw te herstellen. Indien de grondroerder niet tijdig voor herstel zorgt zullen burgemeester en wethouders dit zelf (laten) doen.

Als norm voor "buitenproportioneel" wordt een oneffenheid aangehouden van meer dan 0,03 m, die zich binnen een jaar na het eerste herstel voordoet (= CROW-norm voor "ernstige schade").

5.2.3. Onderhoud kabels en/of leidingen en bovengrondse voorzieningen

1Bovengrondse voorzieningen die eigendom zijn van netbeheerders en zich bevinden in de openbare ruimte dienen door de netbeheerder onderhouden te worden. Aanstootgevende graffiti, leuzen, posters en dergelijke die aangebracht zijn op voornoemde bovengrondse voorzieningen dienen in overleg met burgemeester en wethouders, in beginsel binnen 24 uur na eerste aanzegging door burgemeester en wethouders, door of in opdracht van de netbeheerder te worden verwijderd.

2Verharding die is aangebracht ten behoeve van de bereikbaarheid van bovengrondse voorzieningen dient door de netbeheerder onderhouden te worden. Indien de verharding in de loop der tijd niet meer voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet deze op eerste aanzegging van burgemeester en wethouders worden hersteld.

3Markeringen die ten behoeve van de maatvoering van kabels en/of leidingen of ter aanduiding van kruisingen van watergangen (zinkers) worden aangebracht dienen op een deugdelijke wijze geplaatst en/of bevestigd te worden en altijd goed zichtbaar te zijn. Indien de markeringen in de loop der tijd niet meer voldoen aan de bij plaatsing gestelde eisen moeten deze op eerste aanzegging van burgemeester en wethouders worden hersteld of op initiatief van de netbeheerder worden verwijderd.

5.4. Veiligheid en calamiteiten

5.4.1. Bodemverontreiniging

1Voor werkzaamheden in of met verontreinigde grond is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Het toepassen van grond/baggerspecie en bouwstoffen is geregeld in het Besluit Bodemkwaliteit. Ten behoeve van het bepalen van veiligheids- en gezondheidsrisco’s en de bijbehorende beschermende maatregelen geldt de door de CROW uitgebrachte richtlijn “Werken in en met verontreinigde bodem” (publicatie 400). Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet van toepassing. Voor thema bodem zullen een aantal wijzigingen van de bestaande wet- en regelgeving plaatsvinden. De grondroerder dient altijd te werken volgens de meest recente versie van deze richtlijnen.

2De initiatiefnemer van een project dient vooraf te inventariseren of er sprake is van verdachte locaties ten aanzien van bodemverontreiniging binnen het werkgebied. De grondroerwerkzaamheden mogen namelijk niet zorgen voor verslechtering van de bodemkwaliteit (standstill-principe). Onder andere via de websites www.bodemloket.nl (initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk) en www.rwsleefomgeving.nl (Rijkswaterstaat) is te achterhalen waar zich verontreinigde of verdachte locaties bevinden. Indien de grondroerder initiatiefnemer is kan hij voor de meest recente informatie en/of detailinformatie contact opnemen met burgemeester en wethouders.

3Indien een grondroerder een kabel- c.q. leidingtracé wil aanleggen in een gebied waarvan vooraf is vastgesteld dat de bodem sterk verontreinigd is ligt een eventuele saneringsplicht bij de grondroerder. Als de netbeheerder daarom verzoekt, kan in overleg met de toezichthouder een alternatief tracé worden gekozen, of waarbij de werkzaamheden middels ‘sleufloze technieken’ (bijvoorbeeld een gestuurde boring) worden uitgevoerd. Hiermee wordt grondroering in sterk verontreinigde vermeden en bestaat er geen formeel geen saneringsplicht.

4Behalve de inventarisatie als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zorgt de grondroerder er conform het bepaalde in artikel 5.4 voor dat de juiste noodzakelijke (beschermings-)maatregelen in acht worden genomen en legt daarvoor voorwaarden vast in een VG&M-plan. De opdrachtgever is verantwoordelijk een VGM-plan op te stellen in de voorbereidingsfase, de uitvoerende partij (grondroerder) stel het VGM-plan uitvoeringsfase op.

5Indien de gemeente initiatiefnemer is zal zij die maatregelen nemen die noodzakelijk zijn vanwege wetgeving en eventueel aanvullende eisen die de gemeente zelf of het bevoegd gezag stelt in het kader van het betreffende project. De gemeente is niet gehouden te voldoen en geeft geen invulling aan kwaliteitseisen die netbeheerders zelf stellen ten aanzien van hun netstructuur in (voormalig) verontreinigde grond.

7. Richtlijnen ten behoeve van de (tracé)engineering en ondergrondse ordening

7.1. Tracé-inspectie t.b.v. de aanleg van kabels en/of leidingen

7.1.1. Archeologie

1Conform de Monumentenwet 1988 en de daarin in 2007 opgenomen Wet archeologische monumentenzorg dient rekening te worden gehouden met archeologische waarden in de ondergrond. De wet is gericht op het behoud van archeologische waarden op de plek zelf. Indien dit niet mogelijk is, kan onderzoek verplicht gesteld worden.

2Bij vervanging of de verwijdering van kabels en/of leidingen binnen een bestaand tracé, met inachtneming van de bestaande aanlegdiepte en -breedte, is geen archeologisch onderzoek nodig en geldt op voorhand een vrijstelling.

3Bij aanleg buiten het bestaande kabel- en leidingtracé of bij verdiepte aanleg kan een aanvullende omgevingsvergunning vereist zijn, afhankelijk van de trefkans. In de regel is burgemeester en wethouders daarvoor het bevoegd gezag.

4Of een omgevingsvergunning vereist is, is geregeld in het geldende bestemmingsplan of – indien het bestemmingsplan hier niets over bepaalt – in de gemeentelijke erfgoedverordening. Deze zijn gebaseerd op de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) te raadplegen op www.fryslan.nl.

5De vergunningverlener kan archeologisch onderzoek verplicht stellen bij een aanvraag voor een nieuw tracé of een nieuwe aansluiting voor kabels en/of leidingen of bij een verbreding of verdieping van een bestaand tracé. Een archeologisch vooronderzoek bestaat uit een bureau onderzoek en een inventariserend veldonderzoek.

6De kosten voor archeologische onderzoek – vooronderzoek, eventueel vervolgonderzoek en mogelijk definitief onderzoek – liggen conform het in de Monumentenwet vastgestelde veroorzakersprincipe bij de vergunningsaanvrager. De vergunningverlener ontvangt het onderzoek te goedkeuring en ter (gemandateerde) besluitvorming door burgemeester en wethouders.

7Afhankelijk van de omstandigheden kunnen aanvullende eisen worden gesteld aan het verlenen van een omgevingsvergunning, zoals:

•de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

•de verplichting tot het doen van opgravingen;

•de verplichting de werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.

7.2. Ondergrondse ordening bij de aanleg van kabels en/of leidingen

7.2.1. Horizontale ligging

1Het kabel- en leidingtracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd. burgemeester en wethouders zorgen ervoor dat het kabel- en leidingtracé vrij wordt gehouden van bomen, diep wortelende beplanting of andere obstakels (zoals bijvoorbeeld straatmeubilair of trottoirkolken). Bij reconstructies of herontwikkeling dient de initiatiefnemer (bijvoorbeeld de projectontwikkelaar of de gemeente) een geschikt tracé aan te bieden voor de (her)aanleg van kabels en/of leidingen.

2In het overig deel van de openbare weg worden de riolering en de transportleidingen gesitueerd.

3De minimale afstand tussen de grens van het kabel- en leidingtracé en

•de perceelgrens (is tevens de grens van het kabel- en leidingtracé) is 0,00 m, de eerste discipline ligt op 0,35 m uit de perceelgrens;

•het rioleringsstelsel is 1,00 m.

4Bij de plaatsbepaling van kabels en/of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingtracé en de stam van de boom bepaald door de leidraad minimale graafafstanden in de onderstaande tabel:

Stamdiameter

Minimale graafafstand (1)

Minimale graafafstand aan trekzijde (2)

0,20 m

1,25 m

2,00 m

0,40 m

1,50 m

2,50 m

0,60 m

1,75 m

3,00 m

0,80 m

2,25 m

3,50 m

1,00 m

2,50 m

4,00 m

1,50 m

3,50 m

5,00 m

(1) Normaal ontwikkelde boom

(2) Scheefstaande of trekzijde belaste boom

5Binnen het kabel- en leidingtracé worden de kabels en/of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat de afstand tussen leidingen en kabels ten minste 0,25 m bedraagt. De horizontale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie bijlage 1.

6In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels en/of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.

7Het bovengenoemde basisprincipe moet zoveel mogelijk worden nagestreefd. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven.

8Distributie- en/of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, fietspaden, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 3,00 m vanaf bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- en/of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften.

9De grondroerder dient vooraf aan burgemeester en wethouders schriftelijk toestemming te vragen om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of in een kunstwerk (bijvoorbeeld bruggen, tunnels, viaducten en dergelijke) van de gemeente aanwezig zijn.

7.2.2. Aanvullende eisen horizontale ligging

1Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen dienen zoveel mogelijk vermeden te worden. Hiermee moet bij de engineering terdege rekening gehouden worden en waar mogelijk dienen bij voorkeur alternatieve routes gekozen te worden. Is het werken aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan dient er eerst overleg met de coördinator gevoerd te worden.

2Voorafgaand aan de engineering dient door de grondroerder bij burgemeester en wethouders de lijst waardevolle bomen opgevraagd te worden. Indien zich in het tracé (monumentale) bomen bevinden dienen die (inclusief de kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven te worden.

3Wegkruisingen die door middel van een persing (of gestuurde boring) worden gerealiseerd dienen op minimaal 3,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd te worden, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.

4Bij wegen met gescheiden rijbanen en/of fietspaden met tussenliggende groenstroken moet bij de realisatie van een wegkruising de mantelbuis (zo mogelijk) uit een lengte bestaan. De mantelbuis mag alleen worden aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen.

5Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen en/of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, moet de grondroerder er rekening mee houden dat er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen dient te worden (Hoofdstuk 9) die schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel en/of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1, vierde lid, dienen er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast te worden of er moeten (gestuurde) boringen worden gemaakt.

7.2.3. Verticale ligging

1Binnen het kabel- en leidingtracé worden de kabels en/of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel.

2Burgemeester en wethouders melden aan de netbeheerders of er door of vanwege de gemeente werkzaamheden zullen plaatsvinden (of hebben plaatsgevonden) waardoor de maaiveldhoogte significant (0,20 m of meer verhogen of 0,10 m of meer verlagen) wordt of is gewijzigd.

3Uitgangspunten bij verticale ligging:

•distributiekabels en/of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;

•vrijverval -leidingen hebben voorrang boven drukleidingen;

•kabels en/of leidingen mogen niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd worden. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente;

•bij kruisingen van kabels en/of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m;

•er moet een strook tussen 0,70 m -mv en 0,80 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrijverval rioolaansluitingen.

4Het bovengenoemde basisprincipe moet zoveel mogelijk worden nagestreefd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een andere verticale ligging toestaan c.q. voorschrijven.

7.2.4. Aanvullende eisen voor verticale ligging

1Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels en/of leidingen bedraagt bij voorkeur ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding dient te worden gevoerd. Om knelpunten tijdens de uitvoering te voorkomen dient hiervoor vooraf onderzoek plaats te vinden.

2Bij het kruisen van watergangen die in eigendom en beheer zijn van de gemeente dient een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de vaste bodem van de watergang te worden aangehouden.

3Indien de aanwezige vaste bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte dient een gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de aanwezige vaste bodem te worden aangehouden.

4Indien het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening (behoudens wegbermen) wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst dient de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m te bedragen.

5Kabels en/of leidingen mogen alleen onder een overbouwing (balkon enzovoort) van de openbare ruimte worden gesitueerd indien een goede bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen blijvend gewaarborgd is. Bij calamiteiten is het noodzakelijk dat er snel gehandeld kan worden. Het verdient de voorkeur om als minimale verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m te hanteren, zodat er altijd voldoende werkruimte is voor mechanisch- en ander materieel.

6Kabels en/of leidingen mogen alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker, koppelbalken van funderingen enzovoort) van de openbare ruimte worden gesitueerd indien er voldoende gronddekking boven de kabels en/of leidingen en voldoende tussenruimte tussen de bovenkant van de onderbouwing en de kabels en/of leidingen blijvend gewaarborgd is. Het verdient de voorkeur om als minimale verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil ten minste 2,00 m te hanteren.

1. Algemeen

1.1. Inleidende bepalingen

Artikel 1 Werkingssfeer

De begripsbepalingen van de Verordening zijn op deze regeling van toepassing tenzij daarvan nadrukkelijk wordt afgeweken door het bepaalde in artikel 2.

Artikel 2 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.vergunning: een vergunning als bedoeld in de Verordening;

b.kabels en/of leidingen: kabels en/of leidingen als bedoeld in de Verordening, met uitzondering van kabels als bedoeld in de Telecommunicatiewet;

c.nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen: het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen, waaronder het verplaatsen;

d.aanvraag: een aanvraag voor het nemen van een besluit aangaande nadeelcompensatie;

e.belanghebbende: netbeheerder als bedoeld in de Verordening;

f.schadebedrag: financieel nadeel dat de belanghebbende lijdt als gevolg van een besluit van burgemeester en wethouders tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen (inclusief eventueel door belanghebbende aan derden verschuldigde BTW);

g.financieel nadeel: de totale projectkosten minus de kosten die buiten de initiële noodzakelijke maatregelen vallen;

h.nadeelcompensatie: het bedrag dat op basis van deze regeling als schadevergoeding wordt toegekend aan de belanghebbende;

i.aanwijzing: aanwijzing ingevolge artikel 10, lid 2, van de Verordening;

j.NKL'99: vigerende nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999).

Artikel 3 Instandhouding gemeentelijk eigendom en vrijhouden leidingtracé

1In geval van voorgenomen vervreemding (verkoop, verhuur of uitgifte in erfpacht) van onroerend goed door burgemeester en wethouders, zullen burgemeester en wethouders onderzoek doen naar de aanwezigheid van kabels en of leidingen. Burgemeester en wethouders kunnen daartoe een oriëntatiemelding doen bij KLIC/Kadaster en informeert de betrokken netbeheerder indien zij tot vervreemding wil overgaan en eventueel de vergunning wil intrekken.

2Indien er kabels en/of leidingen in grond liggen die verkocht of verhuurd gaat worden of in erfpacht wordt uitgegeven, dan zijn er in beginsel drie keuzemogelijkheden:

•verleggen van de kabels en/of leidingen;

•vestigen van een zakelijk recht voor de kabels en/of leidingen;

•afzien van de voorgenomen vervreemding.

3Bij verkoop, verhuur of vestiging van erfpacht van gemeentelijke grond aan derden, zijn grofweg twee situaties te onderscheiden:

a.uitgifte ten behoeve van stads- of stedelijke ontwikkeling / projectontwikkeling (“nieuwe situaties”). Hierbij is verleggen vaak een reële optie. In dit geval geldt de verleggingsregeling;

b.uitgifte van relatief kleine stukken grond (snippergroen e.d.) aan particulieren (“bestaande situaties”). In bestaande situaties kan verleggen in een afweging van betrokken belangen een te zwaar middel blijken te zijn. In dat geval zal het vestigen van een zakelijk recht eerder voor de hand liggen. Maar ingeval vanuit technische noodzaak een verlegging nodig is, zullen burgemeester en wethouders deze kosten bij de koper neerleggen door dit in de koopovereenkomst op te nemen.

4In eerste instantie wordt de beoordeling of verlegging noodzakelijk is voorgelegd aan de netbeheerder. Burgemeester en wethouders wegen na overleg met de netbeheerder of verleggen een (maatschappelijk) wenselijke keuze is ten opzichte van de andere bovengenoemde keuzemogelijkheden. Het is daarbij aan de netbeheerder om af te wegen of hij voor de ligging uitgaat van de oriëntatie-melding (zie lid 1) of dat hij een proefsleuf wil graven om de werkelijke ligging van de kabels en leidingen vast te stellen.

5Verhuur van openbare ruimte kan kortlopend of langlopend zijn. In beide gevallen wordt een tijdelijke situatie geschapen. Bij verhuur moeten kabels en leidingen in geval van een calamiteit direct bereikbaar zijn voor de netbeheerder. Ook moet schade aan de ondergrondse infrastructuur voorkomen worden. Bij situaties van jarenlange verhuur moet rekening worden gehouden met noodzakelijk (spoedeisend) onderhoud aan kabels en leidingen. Deze onderwerpen kunnen worden geregeld in een huurovereenkomst of in voorschriften.

2. Nadeelcompensatie

2.1. Nadeelcompensatie algemeen

Artikel 4 Nadeelcompensatie

Indien een netbeheerder, als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Verordening, schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale maatschappelijke risico kan worden gerekend en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kennen burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een vergoeding toe.

Artikel 5 Schadebedrag

Het schadebedrag wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 2 van deze regeling. Bij die berekening worden uitsluitend de kosten van uit en in bedrijf stellen, ontwerp & begeleiding, uitvoering en materiaal betrokken.

2.2. Nadeelcompensatie ingeval de kabel en/of leiding van de belanghebbende ligt in de openbare ruimte

Artikel 6 Nadeelcompensatie binnen 5 jaar na aanleg

Indien de netbeheerder binnen vijf jaren na de datum van inwerkingtreding van de vergunning maatregelen moet nemen ten aanzien van kabels en/of leidingen op grond van een aanwijzing, bedraagt de nadeelcompensatie 100% van het schadebedrag.

Artikel 7 Nadeelcompensatie met ingang van het 6e jaar tot einde technische levensduur

Indien de netbeheerder maatregelen moet nemen ten aanzien van kabels en/of leidingen op grond van een aanwijzing in de periode gelegen van het 6e jaar tot aan het einde van hun technische levensduur, gerekend vanaf de datum van de inwerkingtreding van de betrokken vergunning, zullen burgemeester en wethouders het schadebedrag vergoeden conform of analoog aan het "overzicht technische levensduur" bij de vigerende NKL'99, zie bijlage 9. Het schadebedrag bestaat dan uit de kosten van de te nemen maatregelen minus de afschrijving als gevolg van het verlopen van de technische levensduur van de kabels en/of leidingen. Van het resterende schadebedrag wordt door burgemeester en wethouders 75% vergoed.

Artikel 8 Nadeelcompensatie na einde technische levensduur

Indien de netbeheerder maatregelen moet nemen ten aanzien van kabels en/of leidingen op grond van een aanwijzing na einde van de technische levensduur als weergegeven in bijlage 9, gerekend vanaf de datum van de inwerkingtreding van zijn vergunning, wordt er geen nadeelcompensatie uitgekeerd.

2.3. Nadeelcompensatie ingeval de kabel en/of leiding van de belanghebbende niet ligt in de openbare ruimte

Artikel 9 Nadeelcompensatie tot einde technische levensduur

Indien de netbeheerder maatregelen moet nemen ten aanzien van kabels en/of leidingen op grond van een aanwijzing tot aan het einde van hun technische levensduur, gerekend vanaf de datum van de inwerkingtreding van de betrokken vergunning, zullen burgemeester en wethouders het schadebedrag vergoeden conform of analoog aan het "overzicht technische levensduur" bij de vigerende NKL'99, zie bijlage 9. Het schadebedrag bestaat dan uit de kosten van de te nemen maatregelen minus de afschrijving als gevolg van het verlopen van de technische levensduur van de kabels en/of leidingen. Van het resterende schadebedrag wordt door burgemeester en wethouders 100% vergoed.

Artikel 10 Nadeelcompensatie na einde technische levensduur

Indien de netbeheerder maatregelen moet nemen ten aanzien van kabels en/of leidingen op grond van een aanwijzing na einde van de technische levensduur als weergegeven in bijlage 9, gerekend vanaf de datum van de inwerkingtreding van zijn vergunning, wordt er geen nadeelcompensatie uitgekeerd.

2.4. Algemene bepalingen bij vaststelling van nadeelcompensatie

Artikel 11 Schadebeperking

Burgemeester en wethouders en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken.

Artikel 12 Hardheidsclausule

Indien in bijzondere omstandigheden gronden aanwezig zijn om te concluderen dat redelijkerwijs een groter of kleiner gedeelte van het schadebedrag ten laste van de netbeheerder moet blijven dan uit de toepassing van de paragrafen 2.2. of 2.3. voortvloeit, kunnen burgemeester en wethouders van de bepalingen van die paragrafen gemotiveerd afwijken.

Artikel 13 Meerdere verleggingen op dezelfde locatie

1Indien vanwege het werk sprake is van meerdere (tijdelijke) maatregelen, ten aanzien van dezelfde kabel en/of leiding, is op de eerste maatregel deze regeling (zoals aangegeven in paragraaf 2.2) van toepassing en komen de kosten van de overige maatregelen ten laste van burgemeester en wethouders. Bedoeld worden meerdere verleggingen op dezelfde locatie van dezelfde kabel en/of leiding binnen een periode van 5 jaar.

2Lid 1 is niet van toepassing op tijdelijke voorzieningen van fysieke aard, zoals extra kabel- en leidingvoorzieningen die worden opgeheven zodra de definitieve maatregelen zijn gerealiseerd in samenhang met de voortgang van het infrastructuurproject. Dit wordt niet gezien als (tijdelijke) maatregelen, maar als een noodzakelijke uitvoeringswijze.

Artikel 14 Geen nadeelcompensatie

1Als blijkt dat een kabel of leiding niet in overeenstemming met de daarvoor verleende vergunning is aangelegd, kan worden besloten geen compensatie toe te kennen.

2Geen nadeelcompensatie vindt plaats als in de vergunning een bepaling is opgenomen dat binnen een periode van vijf jaren na de datum van inwerkingtreding van de vergunning, het nemen van maatregelen ten aanzien van de desbetreffende kabel en/of leiding is te voorzien in verband met binnen die periode uit te voeren werkzaamheden in de openbare ruimte waarin, of waarop de kabel en/of leiding is gelegen en in deze periode daadwerkelijk een aanwijzing wordt gegeven.

Artikel 15 Aanwijzing

Als de aanwijzing niet wordt gegeven binnen de periode bedoeld in artikel 14 dan geldt het toepasselijke vergoedingsregime zoals in de paragrafen 2.2. of 2.3. van deze regeling is opgenomen.

3. Bepalingen van procedurele aard

Artikel 16 Vooroverleg

Burgemeester en wethouders streven naar overeenstemming met de netbeheerder over het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen (een technisch adequate oplossing tegen de maatschappelijk laagste kosten), uitvoering en planning. Burgemeester en wethouders voeren hiertoe vooroverleg met de netbeheerder.

Artikel 17 Nemen van maatregelen

Burgemeester en wethouders nemen het besluit tot een schriftelijke aanwijzing voor het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen, op grond van de Verordening, zo mogelijk op basis van overeenstemming zoals bereikt in het vooroverleg, als bedoeld in artikel 16. In het besluit is een omschrijving van het werk opgenomen met vermelding van het nemen van noodzakelijke maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen.

Artikel 18 Termijn indienen verzoek

Belanghebbende dient zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen een termijn van vijf jaar nadat hij een aanwijzing heeft gekregen tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen bij burgemeester en wethouders een verzoek in om vaststelling van nadeelcompensatie.

Artikel 19 Datum vergunning aanleg kabel en/of leiding

voor het bepalen van het moment van aanleg is de datum van de vergunning voor het aanleggen van de kabel of leiding bepalend. Bij gebreke van een vergunning wordt door de netbeheerder opgave gedaan van de vermoedelijke datum van aanleg en wordt door de netbeheerder onderbouwd hoe die datum is vastgesteld.

Artikel 20 Verzoek

Het verzoek bevat – onverminderd het bepaalde in artikel 4:2 en artikel 4:127 van de Algemene wet bestuursrecht – ten minste:

a.een verwijzing naar de aanwijzing van burgemeester en wethouders aan de netbeheerder tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen;

b.een naar kostensoort gespecificeerde opgave van het schadebedrag aan de hand van het bepaalde in bijlage 10;

c.de hoogte van de nadeelcompensatie waarop belanghebbende aanspraak maakt;

d.het rekeningnummer van de netbeheerder ten behoeve van de betaling.

Artikel 21 Besluit vaststelling nadeelcompensatie

1Burgemeester en wethouders nemen binnen acht weken na indiening van het verzoek een besluit:

a.om het verzoek buiten behandeling te laten indien dit is ingediend na de termijn genoemd in artikel 18;

b.om het verzoek buiten behandeling te laten indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet of onvoldoende is onderbouwd en nadat de netbeheerder in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen binnen een termijn van vier weken nadat het verzuim is kenbaar gemaakt aan netbeheerder;

c.om het verzoek om nadeelcompensatie geheel of gedeeltelijk toe te kennen;

d.om het verzoek af te wijzen.

2Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn eenmalig met acht weken verdagen.

Artikel 22 Betaling nadeelcompensatie

1Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het vaststellen van de keuze voor een vaste prijs of op basis van voor- en nacalculatie.

2Indien nadeelcompensatie is bepaald op basis van een vaste prijs dient de belanghebbende na gereedkomen van de werkzaamheden en nadat burgemeester en wethouders hebben besloten op het verzoek om nadeelcompensatie een factuur in ter hoogte van het bedrag aan nadeelcompensatie en vindt uitbetaling plaats binnen 30 dagen nadat de factuur is ingediend.

3Indien nadeelcompensatie is bepaald op basis van voor- en nacalculatie dient na vaststelling van de definitieve nadeelcompensatie en nadat burgemeester en wethouders hebben besloten op het verzoek om nadeelcompensatie de belanghebbende een factuur in ter hoogte van het bedrag aan nadeelcompensatie en vindt uitbetaling plaats binnen 30 dagen nadat de factuur is ingediend.

4. Kostentechnische bepalingen

Artikel 23 Algemeen

De hoogte van de kosten voor het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen wordt vastgesteld op basis van de hierna volgende bepalingen. De kosten worden vastgesteld aan de hand van en werkelijke kosten voor het nemen van de maatregelen. De kosten worden onderscheiden in:

•kosten van ontwerp en begeleiding;

•kosten van uit en in bedrijfstellen;

•kosten van uitvoering;

•kosten van materiaal.

Artikel 24 Kosten van ontwerp en begeleiding

Onder kosten van ontwerp en begeleiding worden verstaan de kosten van werkzaamheden voorafgaand aan en tijdens de uitvoering. Het gaat om kosten van:

•overleg en correspondentie;

•directievoering en toezicht houden;

•detailengineering en daaruit voortvloeiende uitvoerende werkzaamheden;

•verplichtingen vanuit wet- en regelgeving;

•juridisch vrij maken van tracé;

•kosten ten behoeve van aanbesteden werk;

•kosten van benodigde vergunningen en leges.

Artikel 25 Kosten van uit en in bedrijfstellen

1Onder de kosten van het uit en in bedrijfstellen worden verstaan:

•kosten van het spannings- of productloos maken van de kabel en/of leiding alsmede de kosten van het weer in bedrijf stellen van de kabel en/of leiding;

•kosten samenhangend met tijdelijke voorzieningen van operationele aard rechtstreeks verband houdende met het uit- en in bedrijfstellen.

2Het eerste lid is alleen van toepassing op de initiële kosten van het uit en in bedrijfstellen. Alle extra kosten die voortkomen uit het uit en in bedrijfstellen, bijvoorbeeld na het afkeuren van een waterleiding, komen voor rekening van de netbeheerder.

Artikel 26 Uitvoeringskosten

Onder uitvoeringskosten worden verstaan:

•kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaamheden;

•kosten samenhangend met het verwijderen van verlaten kabels en/of leidingen;

•kosten van constructieve en bijzondere voorzieningen;

•kosten van tijdelijke voorzieningen van fysieke aard.

Artikel 27 Materiaalkosten

Onder materiaalkosten worden verstaan de kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de kabel en/of leiding en daarvoor noodzakelijke beschermingsconstructies.

Artikel 28 Bundeling werkzaamheden

Indien sprake is van het bundelen van werkzaamheden van verschillende netbeheerders geeft de belanghebbende burgemeester en wethouders inzicht in de verdeling van het gezamenlijke financiële nadeel.

5. Overige en slotbepalingen

Artikel 29 Overgangsregeling en uitsluitingen

1Deze regeling is van toepassing op werken en werkzaamheden waarover op het moment van in werking treden nog geen overeenkomsten zijn aangegaan tussen burgemeester en wethouders en belanghebbende.

2Deze regeling is niet van toepassing op gemeentelijke kabels en/of leidingen.

3Deze regeling is niet van toepassing op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen in niet-openbare grond van de gemeente door of in verband met haar eigen aansluitingen (als afnemer van elektriciteit of gas). Alsdan geldt het reguliere regime voor afnemers.

1. Bijlage Standaarddwarsprofiel

De uitgangspunten en functionele eisen voor de ordening van ondergrondse netwerken die zijn opgenomen in de NEN 7171-1 Criteria en NPR 7171-2 Procesbeschrijving dienen te worden nagestreefd.

4. Bijlage Overzicht technische levensduur NKL’99

Overzicht technische levensduur

Dit overzicht is niet uitputtend zodat de technische levensduur van een kabel of leiding die niet in dit overzicht is opgenomen naar redelijkheid en billijkheid bepaald dient te worden.

Waterleidingen

Materiaal

Diameterrange [mm]

Verwachte technische levensduur (jaar)

Transportleidingen

Staal

> 300

> 100

Beton

> 300

> 100

Asbestcement

> 300

70

Nodulair GIJ

> 300

> 100

Laminair GIJ

> 300

> 100

Aansluitleidingen

Kleinere leidingen (tot 50 mm) niet relevant, grotere conform de distributieleidingen.

PVC vóór 1975

> 315

40

PVC van

en na 1975

> 315

70

PE

> 300

70

GVK

> 300

> 100

Distributieleidingen

Asbestcement

50-300

70

Nodulair GIJ

80-300

>100

Laminair GIJ

80-300

80

PVC vóór 1975

32-315

40

PVC van

en na 1975

32-315

70

PE

60-300

70

Staal

60-300

80

Gasleidingen

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Transportleidingen (8, 4 en 1 bar)

Staal

> 100

Nodulair GIJ

> 100

PE 1 e en

2egeneratie

70

PE 3e generatie

> 100

Distributieleidingen (100 en 30 mbar)

Asbestcement

70

Staal

80

Nodulair GIJ

> 100

Laminair GIJ

> 100

PE 1 e en

2egeneratie

70

PE 3e generatie

> 100

Slv PVC

> 100

HPVC

70

Elektriciteitskabels

Materiaal

Verwachte technische levensduur [jaar]

Hoogspanningsmasten

Stalen masten

> 100

Transportkabels (>30 kV)

Oliedruk kabel < 1970

55

Oliedruk kabel >1970

70

Gasdrukpijpkabel

Gepantserd papier lood kabel

70

(GPLK)

60

(XL)PE kabel, gegrafiteerd, niet waterdicht of voorzien van

waterboombestendige solatie

20

(XL)PE kabel, niet gegrafiteerd,

Niet waterdicht of voorzien van

Waterboombestendige isolatie

40

(XL)PE kabel, waterdicht of voorzien

van waterboombestendige isolatie

70

Distributiekabel middenspanning (tot 30 kV)

Gepantserd papier lood kabel (GPLK)

60

(XL)PE kabel, gegrafiteerd, niet

waterdicht of voorzien van

waterboombestendige isolatie

20

(XL)PE kabel, niet gegrafiteerd, niet

waterdicht of voorzien van

waterboombestendige isolatie

(XL)PE kabel, waterdicht of voorzien

40

van waterboombestendige isolatie

70

Distributiekabels laagspanning (0,4 kV)

GPLK

100

PVC

100

Aardgas. Kl, K2 EN K3 transportleidin-gen ( > 8 bar)

Materiaal

Diameter [mm]

verwachte technische levensduur (jaar)

Staal

>100

>100

5. Bijlage Rekenvoorbeeld kostenspecificatie

(als bedoeld in de artikelen 20 van onderdeel D Nadeelcompensatie regeling kabels en leidingen

Netbeheerder:

Leiding (kenmerk):

Materiaal, medium, leeftijd, diameter:

Prijspeil kostenraming (dd-mm-jjjj):

Onnauwkeurigheidsmarge (%):

Omschrijving

Eenheid

Prijs per eenheid

Aantal

Geraamd / begroot bedrag

1materiaalkosten

……………………………………

……………………………………

Subtotaal

Totaal materiaalkosten

2kosten van uit en in bedrijf stellen

……………………………………

……………………………………

Subtotaal

Totaal uit en in bedrijf stellen

3kosten van ontwerp en begeleiding

…………………………………..

…………………………………..

Subtotaal

Totaal ontwerp en begeleiding

4uitvoeringskosten

………………………………….

………………………………….

Subtotaal

Totaal uitvoeringskosten

Totaal raming / begroting

Opmerkingen bij dit tabel:

•Indien werkzaamheden voor meerdere leidingen van netbeheerders worden verricht, moet worden aangegeven welke verdeelsleutel voor de verdeling van kosten naar kostensoorten per leiding wordt gehanteerd.

•Ingeval sprake is van gecombineerde werkzaamheden dient de netbeheerder zijn deel van de geraamde kosten weer te geven in de kostenraming. De onderbouwing (verdeelsleutel tussen leidingbeheerders en het totaal geraamde bedrag dient te worden bijgevoegd bij de kostenraming).

Indien de gemeente op verzoek van netbeheerder werkzaamheden verricht in het kader van de aanpassing, waarvan de kosten voor rekening van netbeheerder zijn (bijv. mechanisch grondonderzoek), dan dienen deze kosten zichtbaar te zijn verwerkt in deze raming / begroting.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.