Deel A: Gezamenlijk
1 Inleiding
1.3 Parkeernorm en parkeereis
1.3.1 Van parkeernorm naar parkeerplaats
Er is een verschil tussen de parkeernorm, de parkeerbehoefte en de parkeereis. De parkeernorm geeft per functie aan hoeveel (fiets)parkeerplaatsen er per eenheid gemaakt moeten worden. De parkeerbehoefte van een ontwikkeling wordt eerst per functie binnen een ontwikkeling berekend aan de hand van de omvang van de functie (hoeveel eenheden) en de aanwezigheidspercentages per dagdeel van de week. Dat levert per functie het aantal parkeerplaatsen op dat er per dagdeel van de week voor deze functie benodigd is (de parkeerbehoefte van deze functie). Bij een ontwikkeling met slechts 1 functie hebben we dan meteen de parkeerbehoefte van de ontwikkeling. Als er meerdere functies binnen een ontwikkeling zijn, dan moeten we de parkeerbehoeften van alle functies (per dagdeel van de week) bij elkaar optellen. De totale som is dan de parkeerbehoefte van de ontwikkeling per dagdeel van de week. Daarbij is verondersteld dat alle functies te allen tijde gebruik kunnen maken van dezelfde parkeerplaatsen (maximaal dubbelgebruik).
Vervolgens kan de parkeerbehoefte per functie nog beïnvloed worden, bij woningen bijvoorbeeld door de inzet van deelmobiliteit. Dat geeft dan een reductie op de parkeerbehoefte van die functie.
Na de verwerking van alle mogelijke beïnvloedingsfactoren wordt de parkeereis van een ontwikkeling gelijk gesteld aan de maximale parkeerbehoefte van die ontwikkeling over de hele week.
Van parkeernorm naar parkeerplaats
Van fietsparkeernorm naar fietsparkeerplaats
2 Juridisch kader
2.2 Juridisch kader
2.2.1 Uitwerking eis uit Omgevingsplan Tilburg
In diverse tijdelijke delen van het Omgevingsplan Tilburg waaronder voor een groot deel in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Tilburg “Tilburg, Parkeerregeling 2017” is opgenomen dat grond alleen bebouwd mag worden wanneer er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen. Dit betekent dat op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeervoorzieningen voor motorvoertuigen, (brom)fietsen, scooters, et cetera.
Om te bepalen wat voldoende parkeervoorzieningen voor (motor)voertuigen zijn, wordt in het omgevingsplan aangegeven dat moet worden voldaan aan de parkeernormen en rekenmethode zoals neergelegd in de nota Parkeernormen Tilburg 2017, ofwel diens meeste recente opvolger. Onderhavige Nota Parkeernormen 2026 is de meest recente opvolger. Randvoorwaarde is dat de parkeercapaciteit op eigen terrein ook in stand wordt gehouden en niet mag worden opgeofferd voor andere doeleinden. Eveneens dienen de bedoelde parkeerplaatsen afmetingen te hebben die afgestemd zijn op gangbare (motor)voertuigen. Wat de gemeente Tilburg ‘voldoende’ acht voor motorvoertuigen, (brom)fietsen, scooters, e.d., staat in deze Nota Parkeernormen 2026 omschreven. Daarbij moet onder ‘parkeernormen en rekenmethode’ worden verstaan de parkeernorm waarbij rekening wordt gehouden met de rekenmethode dubbelgebruik, de regeling ‘oud’ voor ‘nieuw’ en (wanneer van toepassing) deelmobiliteit te weten de parkeerbehoefte (zie verder hoofdstuk 3 en 4).
2.2.2 Vrijstelling
De nota parkeernormen omvat ook een aantal standaard vrijstellingsregels. Wanneer een ontwikkeling niet kan voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein (om in de parkeerbehoefte te voorzien), is er een vrijstelling op de parkeereis mogelijk. Het basisprincipe bij deze vrijstellingsregels blijft dat de ontwikkeling niet zorgt voor parkeeroverlast in de omgeving.
2.2.3 Eisen Besluit bouwwerken leefomgeving fietsenbergingen
De aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt door de gemeente getoetst aan het Bbl. In het Bbl is bepaald dat bij nieuw te bouwen woningen een berging gerealiseerd moet worden voor het opbergen van fietsen en/of scootmobielen.
De gemeente Tilburg geeft bij appartementen de voorkeur aan een of meerdere gezamenlijke fietsenberging(en), waarbij het aantal fietsparkeerplaatsen gelijk is aan het desbetreffende fietsparkeerkencijfer van CROW. Gemeenschappelijke fietsparkeervoorzieningen voor bewoners worden bij een appartementencomplex namelijk vaak beter benut dan individuele fietsenbergingen. Daarbij geldt een belangrijke randvoorwaarde: de gemeenschappelijke fietsenberging moet goed bereikbaar, veilig en comfortabel zijn. In bijlage 4 staan ontwerprichtlijnen voor een kwalitatief goede fietsparkeervoorziening.
Aanvullend op een gemeenschappelijke fietsenberging, moeten bij appartementen (conform het Bbl) een individuele berging van minimaal 2,7 m2 voor overige spullen van bewoners worden gerealiseerd. Daarnaast zijn ook fietsparkeervoorzieningen voor bezoekers nodig.
3 Vaststellen parkeerbehoefte fiets en auto
3.1 Berekening parkeerbehoefte
3.1.1 Parkeernorm (normatieve parkeerbehoefte)
Bij iedere ontwikkeling bepalen we eerst de normatieve parkeerbehoefte. Per functie wordt het normatieve aantal parkeerplaatsen van de ontwikkeling berekend. Dit gebeurt op basis van de parkeernorm per functie. Dit aantal parkeerplaatsen is de parkeerbehoefte die bij het plan hoort. De parkeernorm en parkeerbehoefte worden niet tussendoor afgerond. Alleen bij de uiteindelijke parkeereis vindt afronding op gehele getallen plaats (op basis van de standaard rekenregels voor afronding: alles tot 0,5 naar beneden en alles vanaf 0,5 naar boven).
Rekenvoorbeeld: Normatieve parkeerbehoefte
In dit voorbeeld ligt de ontwikkeling in zone B. De normatieve parkeerbehoefte is in dit geval 127 voor auto en 546 voor fiets.
Parkeernorm en normatieve parkeerbehoefte auto
Functie
Aantal
Eenheid
Norm
Eenheid
Aantal pp
Appartement 50 m2
40
Stuks
0,5
Woning
20
Grondgebonden woning 100 m2
60
Stuks
0,9
Woning
54
Kantoor
1.000
m2 bvo
0,9
100m2 bvo
9
Supermarkt
1.300
m2 bvo
2,2
100m2 bvo
28,6
Bezoek bewoners
100
Stuks
0,15
Woning
15
Totaal
126,6
Normatieve parkeerbehoefte auto
127
Parkeernorm en normatieve parkeerbehoefte fiets
Functie
Aantal
Eenheid
Norm
Eenheid
Aantal pp
Appartementen 50m2
(met fietsenberging)
40
Stuks
2,0
Woning
80
Grondgebonden woning
60
Stuks
6,0
Woning
360
Kantoor
1.000
m2 bvo
2,0
100m2 bvo
20
Supermarkt
2.000
m2 bvo
4,3
100m2 bvo
55,9
Bezoek bewoners
100
Stuks
0,3
Woning
30
Totaal
545,9
Normatieve parkeerbehoefte fiets
546
3.1.2 Dubbelgebruik
De parkeernorm houdt geen rekening met mogelijk dubbelgebruik als verschillende functies ook verschillende doelgroepen aantrekken. Zij kunnen op andere tijden gebruik maken van dezelfde parkeerplaatsen. Door dubbelgebruik toe te passen wordt de beschikbare parkeercapaciteit optimaal ingezet. Door na berekenen van de parkeerbehoefte per functie rekening te houden met dubbelgebruik, de regeling ‘oud’ voor ‘nieuw’ en eventueel inzet van deelmobiliteit (hoofdstuk 4.2) wordt de parkeerbehoefte van de ontwikkeling bepaald.
Op basis van de aanwezigheidspercentages (deze zijn gelijk voor auto en fiets) van verschillende functies wordt berekend op welk moment er een piekvraag is voor de gehele ontwikkeling. Dit is het maatgevende moment. Tabel 1 geeft de aanwezigheidspercentages per doelgroep weer. Voor de wonen geldt een onderscheid tussen de aanwezigheidspercentages van bewoners en bezoekers. Dit zijn dus verschillende functies. Voor andere functies is hier geen onderscheid in.
Dubbelgebruik kan alleen worden toegepast als de parkeerplaatsen voor iedere doelgroep die er gebruik van mag maken openbaar toegankelijk zijn. Privé/afgesloten parkeerplaatsen mogen daarom niet zomaar meegenomen worden in de dubbelgebruik berekening. In de praktijk betekent dat niet openbare parkeerplaatsen voor bewoners of een afgesloten personeelsparkeerplaats of -stalling niet mee worden genomen in het doorrekenen van dubbelgebruik tussen de verschillende functies. De uitwisselbaarheid tussen functies moet hard gemaakt kunnen worden.
Opmerking: Voor functies die niet voorkomen in deze tabel zal een zo nauwkeurig mogelijk inschatting worden gemaakt van aanwezigheidspercentages, bij voorkeur op basis van informatie vanuit de CROW-kennisbank.
Tabel 1: Aanwezigheidspercentages
Functie
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
woningen bewoners
50%
50%
90%
80%
100%
60%
80%
70%
woningen bezoekers
10%
20%
80%
70%
0%
60%
100%
70%
kantoor/bedrijven
100%
100%
5%
5%
0%
0%
0%
0%
commerciële dienstverlening
100%
100%
5%
40%
0%
100%
0%
0%
detailhandel
30%
60%
10%
50%
0%
100%
70%
100%
detailhandel binnenstad
30%
60%
10%
50%
0%
100%
70%
100%
grootschalige detailhandel
30%
60%
70%
70%
0%
100%
70%
100%
supermarkt
30%
60%
40%
40%
0%
100%
40%
70%
restaurant, café, bar
30%
40%
90%
90%
0%
70%
100%
50%
sportfuncties binnen
50%
50%
100%
100%
0%
100%
100%
75%
sportfuncties buiten
25%
25%
50%
50%
0%
100%
25%
100%
bioscoop/ theater/ podium/ etc.
5%
25%
90%
90%
0%
40%
100%
40%
sociaal medisch: arts/ maatschap/ therapeut/ consultatiebureau/ etc.
100%
75%
10%
10%
0%
10%
10%
10%
verpleeg-/verzorgingstehuis/ aanleunwoning/ verzorgingsflat
100%
100%
50%
50%
25%
100%
100%
100%
ziekenhuis patiënten incl. bezoekers
60%
100%
60%
60%
5%
60%
60%
60%
ziekenhuis medewerkers
75%
100%
40%
40%
25%
40%
40%
40%
dagonderwijs
100%
100%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
Avondonderwijs
0%
0%
100%
100%
0%
0%
0%
0%
Openbaar vervoer
100%
100%
45%
50%
10%
50%
35%
15%
Indien een functie standaard op een meetmoment gesloten is, geldt een aanwezigheidspercentage van 0% voor dat meetmoment
3.1.3 Regeling ‘oud’ voor ‘nieuw’
Bij functiewijzigingen of sloop is er niet alleen sprake van een nieuwe parkeerbehoefte, maar ook van een parkeerbehoefte van de oude functie. Het is niet nodig om een eventueel parkeertekort uit het verleden, dat in de openbare ruimte werd opgelost, te compenseren. Het uitgangspunt is dat de bouwontwikkeling de parkeerdruk op het maatgevende moment in de directe omgeving niet nadelig beïnvloedt.
Om de parkeereis te bepalen trekken we de parkeerbehoefte van de oude functie af van de parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkeling. Hierdoor wordt op het maatgevende moment het verschil in parkeerbehoefte tussen de oude en nieuwe functie inzichtelijk.
De voorwaarde om deze verrekensystematiek toe te passen is dat de bestaande of voorgaande functie tenminste 3 jaar geleden nog actief is geweest, waarbij de meest recente actieve functie leidend is.
Rekenvoorbeeld: Dubbelgebruik en oud voor nieuw
In dit voorbeeld ligt de ontwikkeling in zone B. Er worden 100 woningen gebouwd, deels (kleine) appartementen en deels (middelgrote) grondgebonden woningen, er verdwijnt een supermarkt van 1.300 m2 bvo. De parkeereis is in dit geval 74 openbare autoparkeerplaatsen, 8 openbare fietsparkeerplaatsen en 440 privé fietsparkeerplaatsen. Het maatgevende moment voor de auto is op de werkdagnacht, voor de fiets op zaterdagavond.
Parkeernorm auto
Functie
Aantal
Eenheid
Norm
Eenheid
Aantal pp
Appartement 50 m2
40
Stuks
0,5
Woning
20
Grondgebonden woning 100 m2
60
Stuks
0,9
Woning
54
Bezoek bewoners
100
Stuks
0,15
Woning
15
Supermarkt (oud)
1.300
m2 bvo
2,2
100m2 bvo
28,6
Parkeernorm fiets
Functie
Aantal
Eenheid
Norm
Eenheid
Aantal pp
Appartementen 50 m2
40
Stuks
2,0
Woning
80
Grondgebonden 100 m2
60
Stuks
6,0
Woning
360
Bezoek bewoners
100
Stuks
0,3
Woning
30
Supermarkt (oud)
1.300
m2 bvo
4,3
100m2 bvo
55,9
Aanwezigheidspercentages
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Woningen bewoners
50%
50%
90%
80%
100%
60%
80%
70%
Woningen bezoek
10%
20%
80%
70%
0%
60%
100%
70%
Supermarkt
30%
60%
40%
40%
0%
100%
40%
70%
Parkeereis auto
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Appartement 50 m2
10
10
18
16
20
12
16
14
Grondgebonden woning 100 m2
27
27
48,6
43,2
54
32,4
43,2
37,8
Bezoek bewoners
1,5
3
12
10,5
0
9
15
10,5
Supermarkt (oud)
-8,58
-17,16
-11,44
-11,44
0
-28,6
-11,44
-20,02
Totaal
29,92
22,84
67,16
58,26
74
24,8
62,76
42,28
Vervolg rekenvoorbeeld: Dubbelgebruik en oud voor nieuw
Parkeereis fiets
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Appartementen 50 m2
40
40
72
64
80
48
64
56
Grondgebonden woning 100 m2
180
180
324
288
360
216
288
252
Bezoek bewoners
3
6
24
21
0
18
30
21
Supermarkt (oud)*
-16,77
-33,54
-22,36
-22,36
0
-55,9
-22,36
-39,13
Totaal niet openbaar toegankelijk **
220
220
396
352
440
264
352
308
Totaal openbaar toegankelijk
-13,77
-27,54
1,64
-1,36
0
-37,9
7,64
-18,13
* = bij de regeling oud voor nieuw dient indien nodig onderscheid gemaakt te worden tussen bezoekersparkeren (openbaar) en personeelsparkeren indien dit in het verleden al afgesloten was. In dit voorbeeld was geen sprake van een afgesloten personeelsstalling. Daarmee vervalt het onderscheid tussen bezoekers- en personeelsparkeren.
** = let op; hier geldt geen dubbelgebruik, voor deze fietsparkeerplaatsen geldt het uitgangspunt dat het afgesloten privé plekken zijn en daarmee is dubbelgebruik niet mogelijk. In de invulling van de parkeereis dient de ontwikkelaar hier rekening mee te houden.
Voor de invulling van autoparkeren, zie hoofdstuk 5. Voor de invulling van fietsparkeren, zie hoofdstuk 7.
Deel B: Auto Bron: Joris Buijs
4 Beïnvloeden parkeerbehoefte auto
4.2 Deelmobiliteit
4.2.1 Voorwaarden reductie parkeerplaatsen bij woningen (bijdrage Bestedingsrichting Deelmobiliteit)
Aan de reductie op de autoparkeerbehoefte voor bewoners zijn een aantal voorwaarden verbonden. Een hoogwaardig en betaalbaar aanbod aan deelmobiliteit is namelijk alleen haalbaar als alle deeloplossingen per ontwikkeling integraal onderdeel vormen van het grotere aanbod op stadsniveau (openbare ruimte). Daarom dient de ontwikkelaar op eigen terrein parkeercapaciteit aan te leggen voor de deelauto’s en stelt de ontwikkelaar deze kosteloos beschikbaar voor het aanbod deelmobiliteit. De gemeente stemt vervolgens met aanbieders van deelmobiliteitsoplossingen af over het invullen van deelmobiliteit op deze plekken.
De systematiek die we hanteren is daarbij als volgt: een ontwikkelaar die met behulp van de inzet van deelmobiliteit in aanmerking wil komen voor een reductie op de parkeerbehoefte voldoet aan de volgende eisen:
•De ontwikkelaar legt op eigen terrein volwaardige en volledig ingerichte parkeercapaciteit aan voor (elektrische) deelauto's, dus inclusief oplaadvoorzieningen.
•Per 25 gerealiseerde woningen wordt tenminste één parkeerplaats aangelegd, gereserveerd voor deelauto’s. Bij 1-25 woningen worden minimaal 1 parkeerplaats aangelegd, bij 26-50 woningen minimaal 2 parkeerplaatsen, et cetera.
•De ontwikkelaar levert een bijdrage aan de Bestedingsrichting Deelmobiliteit in de vorm van een vaste bijdrage plus een bedrag per te realiseren woning
2Prijspeil 2026: vaste bijdrage van €10.000 (excl. btw) plus een bijdrage van €1000 (excl. btw) per woning
. Deze tarieven kunnen jaarlijks door het college worden bijgesteld.
•De ontwikkelaar zorgt ervoor dat, vanaf oplevering de parkeerplaatsen kosteloos beschikbaar zijn voor de gemeente, dan wel voor de provider met wie de gemeente een overeenkomst hierover heeft gesloten, voor het plaatsen van deelauto's. De deelauto's hebben gratis toegang tot de parkeerplaatsen. Deze deelauto's zijn primair beschikbaar voor de bewoners van het wooncomplex. De gemeente borgt met een voorschrift, die aan de omgevingsvergunning voor het project wordt verbonden, dat de parkeercapaciteit voor deelmobiliteit wordt gerealiseerd en in stand worden gehouden. Ook wordt met een dergelijk voorschrift verplicht dat een overeenkomst is gesloten (door de gemeente) met een provider van deelmobiliteit over het leveren van voldoende deelauto's, gelet op de parkeercapaciteit voor dergelijke voertuigen. Dit voorschrift dient te gelden voor een periode van ten minste tien jaar. Eerst na 12 maanden vanaf de realiseren en oplevering van de parkeer- en stalcapaciteit voor deelmobiliteit kan het voorschrift ten aanzien van het aantal beschikbare deelvoertuigen naar beneden bijgesteld worden aan de hand van de werkelijke, objectief te verantwoorden, vraag.
•Het weghalen van een deelauto vindt plaats volgens de regels voor afschaling uit bijlage 6.
•De gemeente is verplicht, op het moment van oplevering van de ontwikkeling, zorg te dragen voor de volledige aanwezigheid van de deelmobiliteit die nodig is om de reductie op de parkeerbehoefte te verkrijgen. Hiertoe moeten ook de daarvoor benodigde parkeerplaatsen tijdig door de ontwikkelaar gerealiseerd en opgeleverd worden.
•Voor ontwikkelingen die in een eigen parkeervoorziening gebruik maken van deelmobiliteit voor reductie op de parkeereis geldt dat de gemeente de intentie heeft na 2 jaar de verantwoordelijkheid voor de organisatie van die deelmobiliteit over te dragen aan VVE of belegger. Bij een gebiedsgericht aanbod zal gemeente de regie houden.
Opmerkingen:
•Een ontwikkelaar mag binnen de gegeven marges zelf kiezen voor de hoogte van de reductie, zolang het aantal gereduceerde parkeerplaatsen per deelauto niet hoger is dan de Auto vervangingsratio (AVR) uit bovenstaande tabel. Onderbouwing voor de AVR staat in bijlage 7.
•De gemeente kan na een periode van 12 maanden vanaf oplevering van de ontwikkeling op verzoek van de eigenaar of de aanbieder dan wel wanneer zij zelf belang heeft bij afschaling de omvang van het aanbod aanpassen aan de vraag door een wijziging van het in de omgevingsvergunning opgenomen voorschrift dat hierop ziet. Regels over wanneer afgeschaald mag worden staan beschreven in bijlage 6.
•Als het voor de ontwikkelaar niet mogelijk is om de benodigde parkeercapaciteit voor deelvoertuigen op eigen terrein aan te leggen, dan wordt per geval gekeken of er een praktische oplossing mogelijk is in de directe omgeving. Alle eventuele kosten, ook structurele, worden doorbelast naar de ontwikkelaar (eenmalige kosten) en/of vastgoedeigenaar (structurele kosten).
•De verdere uitwerking van de Bestedingsrichting Deelmobiliteit volgt in een apart voorstel. Hierin leggen we vast aan welke doelen de bijdrage wordt besteed en hoe hierover verantwoording wordt afgelegd.
•De aangeboden deelmobiliteit staat op korte afstand (maximaal 400m) van de betreffende ontwikkeling.
Rekenvoorbeeld: Inzet deelmobiliteit woningen
In dit voorbeeld ligt de ontwikkeling in zone B, er is betaald parkeren in de omgeving. Er worden 50 grondgebonden woningen gebouwd, er verdwijnt een supermarkt van 2.000 m2 bvo.
De initiatiefnemer wil deelmobiliteit inzetten voor bewoners en kiest voor een reductie van 40%.
De parkeereis is in dit geval 20 parkeerplaatsen waarvan 2 parkeerplaatsen exclusief voor deelmobiliteit.
Alle parkeerplaatsen zijn openbaar toegankelijk.
Het maatgevende moment is op de werkdagnacht.
De initiatiefnemer betaalt €50.000 aan de Bestedingsrichting Deelmobiliteit
Functie
Aantal
Eenheid
Norm
Eenheid
Aantal pp
Grondgebonden woning 70 m2 (nieuw)
50
Stuks
0,6
Woning
30
Supermarkt (oud)
2.000
m2 bvo
2,2
100m2 bvo
44
Bezoek bewoners (nieuw)
50
Stuks
0,15
Woning
7,5
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Woningen bewoners
50%
50%
90%
80%
100%
60%
80%
70%
Woningen bezoek
10%
20%
80%
70%
0%
60%
100%
70%
Supermarkt
30%
60%
40%
40%
0%
100%
40%
70%
Parkeereis auto
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Woningen bewoners
15
15
27
24
30
18
24
21
Inzet deelmobiliteit
-6
-6
-10,8
-9,6
-12
-7,2
-9,6
-8,4
Parkeerplaatsen deelauto’s
2
2
2
2
2
2
2
2
Woningen bezoek
0,75
1,5
6
5,25
0
4,5
7,5
5,25
Supermarkt
-13,2
-26,4
-17,6
-17,6
0
-44
-17,6
-30,8
Totaal
-1,45
-13,9
6,6
4,05
20
-26,7
6,3
-10,95
4.2.2 Bedrijven: mobiliteitsplan
Door het bieden en stimuleren van alternatieve vervoerwijzen kan een bedrijf/organisatie het mobiliteitsgedrag van medewerkers en hun parkeerbehoefte beïnvloeden. Te denken valt aan:
•Inzetten op stimuleren fiets, lopen en/of het openbaar vervoer;
•Samenwerken met andere werkgevers op het gebied van de mobiliteit van medewerkers (community);
•Inzetten op poolauto's/deelauto's, carsharing door medewerkers;
Met een uitgewerkt, onderbouwd en uitvoerbaar mobiliteitsplan kan de ontwikkelaar invloed hebben op de parkeerbehoefte (reductie). Het mobiliteitsplan bestaat uit één of meerdere maatregelen. Per maatregel staat weergeven wat de te verwachten invloed van de maatregel is op het autogebruik en op de parkeerbehoefte van werknemers, en hoe de maatregel wordt uitgevoerd. De initiatiefnemer komt met concrete maatregelen die in de tijd zijn uitgezet. Ook staat in het mobiliteitsplan hoe de initiatiefnemer overlast in de omgeving voorkomt. Het mobiliteitsplan maakt onderdeel uit van de vergunningaanvraag. De gemeente beoordeelt of het mobiliteitsplan (inclusief de voorgestelde reductie) akkoord is.
De bereikbaarheid van een bedrijf zonder auto is afhankelijk van de alternatieve vervoersmogelijkheden om het bedrijf te bereiken. De reductie op de parkeerbehoefte verschilt daarom in de verschillende zones. In gereguleerd gebied kunnen we daarnaast een reductie van het autogebruik afdwingen. In niet gereguleerd gebied is dit niet mogelijk. Daarom is de maximale reductie in niet gereguleerd gebied lager dan in gereguleerd (of te reguleren) gebied.
Kijkend naar de verschillende zones in Tilburg betekent dit het volgende:
Zone A en B: hier zijn voldoende alternatieven om het bedrijf te bereiken (OV, deelvervoer, fiets). Daarnaast geldt in het overgrote deel van deze zones betaald parkeren. De reductie op de parkeerbehoefte bedraagt daarom in ieder geval 20%. Een hogere reductie is mogelijk als initiatiefnemer dit SMART onderbouwt in een mobiliteitsplan. De maximale reductie is 50%. Wanneer binnen een straal van 250 meter van de ontwikkeling geen betaald parkeren is op het moment dat de ontwikkeling wordt opgeleverd
3Bij het verstrekken van de omgevingsvergunning moet het besluit zijn genomen dat er in dit gebied parkeerregulering komt, wil de ontwikkeling voor de hogere reductie in aanmerking komen.
, is de reductie maximaal 20%.
Zone C en D: hier zijn minder alternatieven om het bedrijf te bereiken. De reductie op de parkeerbehoefte is daarom minimaal 10% en maximaal 20%. Wanneer binnen een straal van 250 meter van de ontwikkeling geen betaald parkeren is op het moment dat de ontwikkeling wordt opgeleverd2, is de reductie maximaal 10%.
Opmerking: Een bedrijf/organisatie die haar medewerkers stimuleert om niet met de eigen auto naar het werk te komen heeft vaak dienstauto’s beschikbaar voor werk-gerelateerde verplaatsingen. Deze dienstauto’s buiten werktijden als deelauto beschikbaar stellen voor de omgeving is een sterke pré. De gemeente is bereid over een dergelijke samenwerking in gesprek te gaan.
5 Invullen parkeereis auto
5.1 Parkeren op eigen terrein
5.1.1 Rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen
Bij grondgebonden woningen is parkeren op eigen terrein regelmatig aanwezig in de vorm van een garage of oprit. Deze voorzieningen worden niet altijd voor parkeren gebruikt. Daarom telt hier niet het volledig aantal parkeerplaatsen mee voor het berekenen van de parkeercapaciteit.
In onderstaande tabel staat per parkeervoorziening de mate waarin parkeren op eigen terrein voor de functie wonen meetelt. Op basis hiervan wordt de gecorrigeerde parkeercapaciteit van parkeren op eigen terrein bepaald.
Tabel 2: correctiefactor bij parkeerplaatsen op eigen terrein
Parkeervoorzieningen
Theoretisch aantal
Rekenaantal
Opmerkingen
Enkele oprit zonder garage
1of 2
1,0
Lengte oprit min. 5 m
Garage met enkele oprit
2
1,0
Lengte oprit min. 5 m
Garage zonder oprit (bij woning)
1
0,5
Dubbele oprit met/zonder garage
2-4
2,0
Breedte oprit min. 5 m
Garagebox niet bij woning
1
0
5.5 Afkoopregeling (vrijstellingsregel)
5.5.1 Afkoopsom
De gemeente kan besluiten dat afkoop van de parkeereis mogelijk is wanneer een ontwikkelaar daar niet zelf in kan voorzien. Het college brengt het afkoopbedrag in rekening bij de aanvrager bij verlening van de omgevingsvergunning voor de betreffende planontwikkeling. De afkoop van parkeerplaatsen is alleen mogelijk als de afkoopsom reëel kan worden besteed. De omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat het verschuldigde afkoopbedrag door de aanvrager van de vergunning is voldaan.
De bijdragen van derden in kader van deelmobiliteit en aankoop parkeerrecht worden vervolgens gestort in een reserve. De middelen worden aangewend om te voorzien in de parkeerrechten van ontwikkelende partijen (voorzieningen om te kunnen parkeren: binnen bestaande parkeervoorzieningen, nieuwe voorzieningen, faciliteren van plekken van particulieren etc.). De ontwikkelaar krijgt het recht op een parkeeroplossing en niet het recht op een specifieke voorziening.
Per afgekochte parkeerplaats geeft de gemeente een parkeerrecht uit, waarmee in de omgeving van de ontwikkeling kan worden geparkeerd. Dit parkeerrecht is meteen beschikbaar bij ingebruikname van de ontwikkeling. De kosten voor een dergelijk parkeerrecht zijn afhankelijk van het specifieke parkeerproduct dat daarbij hoort. De kosten van deze parkeerproducten staan in de ‘Tarieven en Abonnementen Parkeergarages’. Het betalen van de afkoopsom geeft gedurende tenminste 10 jaar het recht op het bijbehorende parkeerproduct.
De hoogte van de afkoopsom is afhankelijk van verschillende variabelen. De variabelen die van invloed zijn op de uiteindelijke bijdrage van de ontwikkelaar om tot een kostendekkende investering en exploitatie te kunnen komen, zijn:
•Soort garage (bovengronds / ondergronds)
•Locatie
•Gebruik
•Beeldkwaliteit van de garage
•Hoogte van de abonnementen voor gebruikers en tarief bezoekersparkeren
•Mogelijkheden van dubbelgebruik
•Eventuele bijdragen van derden in de stichtingskosten (bijvoorbeeld subsidies)
De verdere uitwerking van de afkoopregeling volgt in een apart voorstel. Het is ook mogelijk dat de gemeente samen met de ontwikkelende partij in een specifiek gebied tot een passende en kostendekkende oplossing komt.
Deel C: Fiets Bron: Ton van Rooij
7 Invulling parkeereis fiets
7.2 Fietsparkeren (deels) in de openbare ruimte (vrijstellingsregel)
7.2.1 Invulling fietsparkeereis transformatie of functiewijziging
Bij transformatie of functiewijziging is het toegestaan de fietsparkeerbehoefte van bezoekers te salderen met de oude bestaande functies. Het gaat hierbij om de berekende fietsparkeerbehoefte (conform de huidige fietsparkeernormen uit bijlage 3) op het maatgevende moment (op basis van de aanwezigheidspercentages uit tabel 1). Het is niet nodig om een eventueel parkeertekort uit het verleden te compenseren.
Rekenvoorbeeld: Invulling parkeereis transformatie of functiewijziging
In dit voorbeeld ligt de ontwikkeling in zone B. Er worden 100 woningen gebouwd en een supermarkt van 1.300 m2 bvo verdwijnt. Deze supermarkt had in het verleden nog geen onderscheid tussen bezoekersparkeren en personeelsparkeren. De parkeereis is in dit geval 440 privé fietsparkeerplaatsen er zijn 8 extra openbare fietsparkeerplaatsen nodig. Het maatgevende moment is de zaterdagavond.
Parkeernorm en normatieve parkeerbehoefte
Functie
Aantal
Eenheid
Norm
Eenheid
Aantal pp
Appartementen 50 m2 (met fietsenberging)
40
Stuks
2,0
Woning
80
Grondgebonden woningen
60
Stuks
6,0
Woning
360
Bezoek bewoners
100
Stuks
0,3
Woning
30
Supermarkt (oud)
1.300
m2 bvo
4,3
100m2 bvo
55,9
Totaal
525,9
Normatieve parkeerbehoefte fiets
526
Aanwezigheidspercentages
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Woningen
50%
50%
90%
80%
100%
60%
80%
70%
Supermarkt
30%
60%
40%
40%
0%
100%
40%
70%
Bezoek bewoners
10%
20%
80%
70%
0%
60%
100%
70%
Parkeerbehoefte
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Appartementen 50 m2
40
40
72
64
80
48
64
56
Grondgebonden woning
180
180
324
288
360
216
288
252
Bezoek bewoners
3
6
24
21
0
18
30
21
Supermarkt (oud)*
-16,77
-33,54
-22,36
-22,36
0
-55,9
-22,36
-39,13
Parkeereis en uitwerking in de openbare ruimte
Werkdag ochtend
Werkdag middag
Werkdag avond
Koop avond
Werkdag nacht
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Appartementen 50 m2
40
40
72
64
80
48
64
56
Grondgebonden woning
180
180
324
288
360
216
288
252
Bezoek bewoners
3
6
24
21
0
18
30
21
Supermarkt (oud)*
-16,77
-33,54
-22,36
-22,36
0
-55,9
-22,36
-39,13
Totaal niet openbaar toegankelijk **
220
220
396
352
440
264
352
308
Totaal openbaar toegankelijk
-13,77
-27,54
1,64
-1,36
0
-37,9
7,64
-18,13
Vervolg rekenvoorbeeld: Invulling parkeereis transformatie of functiewijziging
* = bij de regeling oud voor nieuw dient indien nodig onderscheid gemaakt te worden tussen bezoekersparkeren (openbaar) en personeelsparkeren indien dit in het verleden al afgesloten was. In dit voorbeeld was geen sprake van een afgesloten personeelsstalling. Daarmee vervalt het onderscheid tussen bezoekers- en personeelsparkeren.
** = hier geldt geen dubbelgebruik, voor deze fietsparkeerplaatsen geldt het uitgangspunt dat het afgesloten privé plekken zijn en daarmee is dubbelgebruik niet mogelijk.
De 440 fietsparkeerplaatsen voor de woningen dienen ook bij de woningen gerealiseerd te worden. Dit gebeurt op eigen terrein. Voor de 8 openbare fietsparkeerplaatsen dient de ontwikkelaar in eerste instantie dit ook op eigen terrein te realiseren. Indien de ontwikkelaar aantoont dat het realiseren op eigen terrein niet mogelijk is kan de gemeente zoeken naar geschikte bestaande locaties voor fietsparkeren in de buurt of indien niet aanwezig kijken naar een nieuwe locatie voor fietsparkeren. De gemeente geeft aan of er wel of niet een passende oplossing in het gebied is.
8 Uitvoeringsregels
8.1 Acceptabele loopafstanden
8.1.1 Aanvullende voorschriften fietsparkeren bij woningen
De invulling van deze fietsparkeervoorzieningen is verschillend voor grondgebonden woningen en appartementen. Bij grondgebonden woningen is het uitgangspunt dat bezoekers hun fiets zonder hinder van het overige verkeer (voetgangers) nabij de woning kunnen parkeren, bijvoorbeeld in de voor- of achtertuin of tegen de voorgevel. Bij appartementen parkeren meerdere bezoekers op kleiner oppervlak, waardoor fietsparkeervoorzieningen als nietjes of rekken benodigd zijn. In bijlage 4 staan de ontwerprichtlijnen voor kwaliteit van fietsparkeervoorzieningen verder toegelicht.
8.2 Ontwerprichtlijnen kwaliteitseisen fietsparkeervoorzieningen
8.2.1 De fiets staat op de best mogelijke locatie
Om actieve mobiliteit te stimuleren moet de fiets de eerste vervoerskeuze zijn die gebruikers tegenkomen bij vertrek en kan de fiets op de beste plek staan bij aankomst ten opzichte van andere vervoersmiddelen. In de situatie dat de fietsparkeervoorziening niet direct voor de entree geplaatst kan worden, is de voorziening eenvoudig vindbaar en bereikbaar voor alle gebruikers.
Dit kan worden bereikt door fietsparkeervoorzieningen dichter bij de entree van de functie te plaatsen dan parkeervoorzieningen voor andere voertuigen. Het is belangrijk dat de fietsparkeervoorziening op een logische locatie ligt ten opzichte van de aanrijroute(s) voor fietsers. Dat betekent ook dat fietsers zo min mogelijk moeten omlopen om van- en naar de fietsparkeervoorziening te komen. Met name bij bezoekersfuncties draagt een goede zichtbaarheid en herkenbaarheid van de voorziening bij aan het gebruik. Ook kan met duidelijke bewegwijzering op de loop- en fietsroutes van- en naar de voorziening het gebruik worden gestimuleerd.
8.2.2 Een eenvoudig toegankelijke voorziening voor alle doelgroepen
Fietsparkeervoorzieningen zijn voor alle mogelijke gebruikers zeer eenvoudig en veilig toegankelijk. Fietsparkeervoorzieningen voor bezoekers en voor bakfietsen of aangepaste fietsen (voor mindervaliden) zijn altijd op maaiveldniveau. Ook voor vaste gebruikers zijn fietsparkeervoorzieningen in principe op maaiveldniveau, zeker als de specifieke doelgroep anders geen of weinig gebruik zal maken van de voorziening (bijvoorbeeld ouderen). Waar het overbruggen van een hoogteverschil met een fiets onvermijdelijk is, is het belangrijk dat dit zo comfortabel mogelijk wordt ingericht.
In de praktijk is het overbruggen van een hoogteverschil altijd oncomfortabel met de fiets. Daarom is het belangrijk dat een eventuele hellingbaan of fietstrap voldoende breed is en niet te steil. Bij een fietstrap zijn fietsgoten met de juiste afmetingen aanwezig, eventueel voorzien van elektrische ondersteuning om het gebruik van de fietstrap te vereenvoudigen. Leidraad fietsparkeren van CROW bevat uitgebreide informatie over maatvoering en ontwerprichtlijnen voor fietsparkeervoorzieningen.
Een ander aandachtspunt voor ontwerp is het aantal deuren, de draairichting en het type deur dat wordt toegepast bij afgesloten fietsparkeervoorzieningen. Deuren zorgen namelijk voor een drempel en vertragen het stallingsproces. Deze vertraging kan worden verminderd door zo min mogelijk deuren toe te passen, deuren met de juiste draairichting te plaatsen of gebruik te maken van een automatische toegangsdeur. Deuren zijn met name een aandachtspunt onder- en bovenaan een fietstrap of hellingbaan.
Verder is het voor een veilige toegang van belang dat bij alle fietsparkeervoorzieningen een veilige plek is om op- en af te kunnen stappen.
8.2.3 Passende, kwalitatieve fietsparkeervoorzieningen voor iedereen
De fietsparkeervoorziening is passend bij de doelgroepen die gebruik maken van de fietsparkeervoorziening en het type fiets dat deze doelgroep gebruikt. Dat betekent in de eerste plaats dat de fietsparkeervoorzieningen voldoen aan het kwaliteitsniveau gesteld door Fietsparkeur. Ook is het type fietsparkeervoorziening afgestemd op de doelgroep en worden indien nodig meerdere soorten voorzieningen toegepast. Zodat bijvoorbeeld rekening wordt gehouden met voldoende, passende voorzieningen voor buitenmodelfietsen.
Bij het ontwerpen van de fietsparkeervoorzieningen op de doelgroepen is het belangrijk om twee vragen te stellen: wie gaat hier mogelijk stallen en is het realistisch dat zij met genoegen gebruik gaan maken van deze fietsparkeervoorziening. Voor ouderen, kinderen en gebruikers van zware fietsen is een etagerek bijvoorbeeld geen optie. En bij gezinnen, scholen of winkels is de kans groot dat er plek nodig is voor fietsen met krat voorop of een bakfiets. Daar moeten passende voorzieningen voor worden gerealiseerd. Indien bij gezamenlijke fietsparkeervoorzieningen voor bewoners etagerekken worden toegepast, is het wenselijk om de plekken te nummeren en te koppelen aan een woning. Zo worden de gunstige plekken onderin eerlijk verdeeld. Hierbij is per woning tenminste één van de plekken onderin beschikbaar. Naast de etagerekken dient er ook ruimte te zijn voor fietsen met andere maten.
In sommige situaties zijn aanvullende voorzieningen nodig om fietsgebruik goed te faciliteren, zoals stroompunten of kluisjes voor het opladen van accu’s van elektrische fietsen (en scooters) in een gemeenschappelijke fietsparkeervoorziening. Bij zakelijke functies neemt de aanwezigheid van omkleedmogelijkheid en/of douches een drempel weg voor werknemers om met de fiets van en naar werk te gaan.
Een ander belangrijk aandachtspunt bij het ontwerp van de fietsparkeervoorziening is de verwachte parkeerduur van de doelgroep. Met name voor kortparkeerders (< 60 minuten) mag de actie van de fiets in het rek plaatsen hooguit enkele seconden in beslag nemen, voordat zij het hinderlijk vinden. Voor veel bezoekers is bovenin een etagerek parkeren dus geen (aantrekkelijke) optie. Op de website van Stichting Fietsparkeur (https://www.fietsparkeur.nl/) staat de laatste versie van het normstellende document met geschikte systemen. Deze website bevat een keuzewijzer ( https://www.fietsparkeur.nl/ keuzewijzer) waarmee de juiste fietsparkeervoorziening geselecteerd kan worden voor een specifieke situatie en doelgroep.
8.2.4 Een aantrekkelijke en sociaal veilige fietsparkeervoorziening.
De inrichting en locatie van fietsparkeervoorzieningen is zodanig dat de sociale veiligheid van stallers is gewaarborgd. De sociale veiligheid kan worden bevorderd door te zorgen voor een goed overzichtelijke, verlichte, schone en onderhouden fietsparkeervoorziening.
Een aantrekkelijke en sociaal veilige fietsparkeervoorziening komt niet alleen voort uit een kwalitatief hoogstaand ontwerp. Even belangrijk zijn adequate afspraken over schoonmaak, beheer en onderhoud. Kapotte verlichting dient snel te worden vervangen en een defecte automatische toegangsdeur moet zo snel mogelijk worden gerepareerd.
Of een fietsparkeervoorziening aantrekkelijk en sociaal veilig wordt gevonden, hangt ook af van de locatie en de doelgroep. Voor bezoekers die lang op een plek stallen heeft een afgesloten, of ten minste een overdekte voorziening vaak de voorkeur. Ook is het van belang dat de route in de stalling logisch en prettig is, bijvoorbeeld door doodlopende paden en verborgen hoeken te voorkomen. Evengoed speelt de route van en naar de fietsparkeervoorziening een rol bij hoe gebruikers de voorziening ervaren. Daarom is ook de directe omgeving van de fietsparkeervoorziening bij voorkeur goed verlicht, overzichtelijk en schoon.
Indien de fietsparkeervoorziening enige vorm van toezicht of bewaking geniet, kan het bevorderlijk werken voor het veiligheidsgevoel om dit buiten de fietsparkeervoorziening zichtbaar en duidelijk aan te gegeven.
Voorbeelden invulling ontwerpprincipes kwaliteit
Per ontwerpprincipe zijn enkele voorbeelden opgenomen voor een invulling van de ontwerprichtlijnen voor kwaliteit. Deze dienen ter inspiratie en verduidelijking van de richtlijnen. Daarbij geldt dat fietsparkeervoorzieningen altijd afgestemd moeten worden op de situatie en doelgroep: een voorbeeld van een oplossing is dus niet altijd een goede oplossing voor een andere situatie. De voorbeelden zijn opgenomen in bijlage 4.
Bijlage 2: Parkeernormen auto
Wonen
De normen in deze tabel bepalen het aantal parkeerplaatsen dat per woning gerealiseerd moet worden voor bewoners. Het aantal parkeerplaatsen voor bezoek aan bewoners (parkeernorm bezoek woningen) moet hierbij worden opgeteld.
Hoofdgroep Wonen
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Opmerkingen
Grondgebonden woning (groot)
> 120 m2 bvo
0,9*
1,0
1,3
1,4
per woning
Appartement (groot)
> 100 m2 bvo
0,8*
0,9
1,2
1,3
per woning
Grondgebonden woning (midden)
80– 120 m2 bvo
0,8*
0,9
1,1
1,3
per woning
Appartement (midden)
70– 100 m2 bvo
0,7*
0,8
1,0
1,2
per woning
Grondgebonden woning (klein)
50– 80 m2 bvo
0,5*
0,6
0,7
0,8
per woning
Appartement (klein)
50– 70 m2 bvo
0,4*
0,5
0,7
0,7
Sociale woningbouw (appartementen sociale huur)
0,4*
0,4
0,6
0,6
per woning
Sociale woningbouw (grondgebonden woningen sociale huur)
0,6*
0,6
0,7
0,8
per woning
Serviceflat/aanleunwoning
0,1*
0,3
0,6
0,7
per woning
Zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen
Wooneenheid <50 m² bvo zelfstandig wonen
0,2*
0,2
0,4
0,4
per wooneenheid
Wooneenheid <50 m² bvo voor niet zelfstandig wonen
0,0*
0,0
0,0
0,0
per wooneenheid
bijvoorbeeld studentenwoningen
Beschermde woonvorm/ verpleeg- en verzorgingstehuis
0,3*
0,3
0,3
0,3
per wooneenheid
Parkeernorm bezoek woningen
0,1
0,15
0,2
0,3
per woning
*Dit is de minimumnorm, in zone A is het in overleg met de gemeente mogelijk per eenheid 0,1 parkeerplaats extra aan te leggen
Werken
Hoofdgroep Werken
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel
bezoek
Opmerkingen
Commerciële dienstverlening met baliefunctie
0,9
1,1
2,0
3,3
per 100 m2 bvo
20%
Commerciële dienstverlening zonder baliefunctie (kantoren)
0,6
0,9
1,4
2,3
per 100 m2 bvo
5%
Bedrijf arbeidsintensief
1,0
1,3
1,9
2,1
per 100 m2 bvo
5%
bijvoorbeeld industrie, laboratorium, werkplaats
Bedrijf arbeidsextensief
0,3
0,5
0,7
0,8
per 100 m2 bvo
5%
bijvoorbeeld loods, opslag, transportbedrijf
Bedrijfsverzamelgebouw
0,6
0,9
1,3
1,7
per 100 m2 bvo
5%
gelijkwaardige mix van kantoren (zonder baliefunctie), arbeidsextensieve en -intensieve bedrijven
Winkelen en boodschappen
Hoofdgroep Winkelen en boodschappen
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Winkels binnenstad Tilburg (zone A)
2,7
nvt
nvt
nvt
per 100 m2 bvo
95%
Winkels wijkcentrum
nvt
2,9
4,1
nvt
per 100 m2 bvo
80%
Vb. Heijhoef, Blaak, Westermarkt, Wagnerplein.
Winkels buurtcentrum (incl. linten en solitaire winkels)
nvt
1,8
2,7
nvt
per 100 m2 bvo
70%
Vb. Bredaseweg, Korvelseweg, Berkel-Enschot
Supermarkt
1,5
2,2
3,9
nvt
per 100 m2 bvo
90%
Supermarkt XL
4,1
4,8
6,7
nvt
per 100 m2 bvo
85%
verkoopvloeroppervlak > 2.500 m2
Bouwmarkt
nvt
1,2
2,0
2,2
per 100 m2 bvo
90%
verkoopruimte buiten dient te worden meegerekend.
Tuincentrum
nvt
1,8
2,3
2,6
per 100 m2 bvo
90%
Meubelboulevard, woonboulevard, woonwinkels
nvt
1,2
2,0
nvt
per 100 m2 bvo
95%
Sport, cultuur en ontspanning
Hoofdgroep Sport, cultuur en ontspanning
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Sporthal/sportzaal (binnen)
zonder wedstrijdfunctie
1,2
1,8
2,4
3,2
per 100 m2 bvo
95%
sporthal voor (uitsluitend) een schoolfunctie heeft geen extra parkeervraag
Sporthal (binnen)
met wedstrijdfunctie
+ 0,1
+ 0,1
+ 0,2
+ 0,2
per zitplaats
100%
totale parkeervraag is dan de parkeervraag sporthal + de component voor het aantal zitplaatsen
Sportvelden
nvt
13,0
13,0
13,0
per hectare netto terrein
95%
betreft een globale indicatie van de parkeerbehoefte
Sportschool/dansstudio
0,7
2,3
4,2
6,0
per 100 m2 bvo
90%
Museum
0,3
0,5
0,9
1,0
per 100 m2 bvo
95%
Bibliotheek
0,2
0,5
0,8
1,1
per 100 m2 bvo
95%
Bioscoop
1,6
5,5
8,1
12,7
per 100 m2 bvo
95%
Theater
5,2
5,7
8,3
10,5
per 100 m2 bvo
90%
Casino
4,8
5,2
6,0
7,5
per 100 m2 bvo
85%
Welnesscentrum/sauna
1,6
3,3
8,8
9,8
per 100 m2 bvo
95%
Tennishal/tennisbanen
0,2
0,3
0,4
0,4
per 100 m2 bvo
90%
Zwembad (overdekt en openlucht)
nvt
8,4
10,5
13,6
per 100 m2 bassin
95%
IJsbaan
nvt
1,8
2,1
2,5
per 100 m2 bvo
95%
Indoor speeltuin
1,0
1,8
2,8
3,6
per 100 m2 bvo
95%
Volkstuin
nvt
0,9
1,2
1,3
per 10 tuinen
100%
Horeca
Hoofdgroep Horeca
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Cafe, bar, cafetaria
4,0
4,0
5,0
5,0
per 100 m2 bvo
90%
Restaurant
6,0
8,0
12,0
12,0
per 100 m2 bvo
80%
Hotel
1,5
2,6
4,2
6,3
per 10 kamers
80%
gebaseerd op 3* hotel
Hostel
0,3
0,7
2,2
4,4
per 10 kamers
80%
Gezondheidszorg
Hoofdgroep Gezondheidszorg
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Huisarts (praktijk)
1,4
1,7
2,7
3,0
per behandelkamer
60%
Apotheek
1,8
2,3
2,9
3,0
per apotheek
45%
Fysiotherapiepraktijk/consultatiebureau
0,8
1,0
1,5
1,7
per behandelkamer
60%
Tandartsenpraktijk/Gezondheidscentrum
1,1
1,3
1,9
2,2
per behandelkamer
50%
Ziekenhuis
1,1
1,2
1,6
1,9
per 100 m2 bvo
30%
Crematorium/begraafplaats
nvt
nvt
26,0
26,0
per gelijktijdige plechtigheid
95%
Religiegebouw
0,1
0,1
0,1
0,1
per bezoekersplaats
95%
Onderwijs
Hoofdgroep Onderwijs
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Kinderdagverblijf (Crèche)
0,7
0,9
1,1
1,4
per 100 m2 bvo
0%
exclusief parkeren bezoekers (Kiss&Ride*)
Basisonderwijs
0,5
0,5
0,5
0,5
per leslokaal
0%
exclusief parkeren bezoekers (Kiss&Ride*)
Middelbare school
2,0
2,6
3,3
3,9
per 100 leerlingen
10%
Middelbaar Beroepsonderwijs (ROC)
2,8
3,3
4,2
4,9
per 100 leerlingen
10%
Hogeschool
5,5
6,1
7,5
8,9
per 100 studenten
70%
Universiteit
8,6
10,2
12,7
14,8
per 100 studenten
50%
Avondonderwijs
2,7
3,5
5,0
9,5
per 10 studenten
95%
* Behoefte Kiss&Ride wordt aangevuld met berekening halen en brengen volgens rekenmethode gemeente Tilburg
Bijlage 3: Parkeernormen fiets
Wonen
Hoofdgroep Wonen
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Opmerkingen
Grondgebonden woning
6,0
6,0
5,0
5,0
per woning
Appartement ≤ 60 m2
(met fietsenberging)
2,0
2,0
2,0
2,0
per woning
Appartement > 60 m2
(met fietsenberging)
3,0
3,0
3,0
3,0
per woning
Appartement
(zonder fietsenberging)
1,0
1,0
0,5
0,5
per appartement
heeft niet de voorkeur (gaat om situaties t.b.v. buurtstallingen en/of fietstrommels.)
Studentenhuis
1
1
1
1
per kamer
Bezoekersparkeren*
0,3
0,3
0,2
0,2
per woning
*Bij bezoekersparkeren bij appartement is het uitgangspunt dat bewoners eerst de eigen fietsparkeerplekken tegenkomen voordat ze de bezoekersparkeerplekken tegenkomen en dat de bewonersstalling weinig barrières telt (zie ook bijlage 4). Dit in verband met het ongewenst stallen van bewonersfietsen bij bezoekersparkeerplekken.
Werken
Hoofdgroep Werken
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Opmerkingen
Kantoor (personeel)
3,0
3,0
2,0
2,0
per 100 m2 bvo
hoe meer gespecialiseerde functies, hoe lager het fietsgebruik. Ook de cultuur en mobiliteitsbeleid van de werkgever heeft invloed. Maatwerk is hierbij van toepassing.
Bezoekersparkeren bij kantoor met balie
5,0
5,0
3,0
3,0
per balie
minimaal 6
Kantoor bij NS-station
1,5
1,5
1,1
n.v.t.
Winkelen en boodschappen
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Winkelcentrum
4,0
4,0
2,5
2,5
per 100 m2 bvo
90%
Supermarkt
4,3
4,3
2,7
2,7
per 100 m2 bvo
90%
Bouwmarkt
0,4
0,4
0,25
0,25
per 100 m2 bvo
90%
verkoopruimte buiten dient te worden meegerekend.
Tuincentrum
0,4
0,4
0,25
0,25
per 100 m2 bvo
90%
Meubelboulevard / woonboulevard
0,6
0,6
0,4
0,4
per 100 m2 bvo
90%
Sport, cultuur en ontspanning
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Sporthal
3,9
3,9
2,5
2,5
per 100 m2 bvo
95%
Sportvelden
85,0
85,0
50,0
50,0
per hectare netto terrein
95%
Sportzaal
6,2
6,2
4,0
4,0
per 100 m2 bvo
95%
Fitness
8,5
5,8
2,0
2,0
per 100 m2 bvo
95%
Museum
1,4
1,4
0,9
0,9
per 100 m2 bvo
95%
Bibliotheek
5,0
5,0
3,0
3,0
per 100 m2 bvo
95%
Bioscoop
12,0
7,0
2,2
2,2
per 100 m2 bvo
95%
Theater
38,0
33,0
18,0
18,0
per 100 zitplaatsen
90%
Zwembad (overdekt)
32,0
32,0
20,0
20,0
per 100 m2 bassin
95%
Zwembad (openlucht)
43,0
43,0
28,0
28,0
per 100 m2 bassin
95%
Stedelijk evenement
50,0
50,0
32,0
32,0
per 100 bezoekers
n.v.t.
Horeca
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Café of bar
10,0
10,0
7,0
7,0
per 100 m2 bvo
90%
Friettent, lunchroom, koffie/theehuis, ijssalon etc.
10,0
10,0
5,0
5,0
per 100 m2 bvo
90%
Restaurant (eenvoudig)
10,0
10,0
7,0
7,0
per 100 m2 bvo
80%
terras meetellen
Restaurant (luxe)
4,0
4,0
2,0
2,0
per 100 m2 bvo
80%
Fastfoodrestaurant
45,0
45,0
10,0
10,0
per locatie
90%
Indien de locatie een regionale functie heeft en daarmee ook meer bezoekers aantrekt is maatwerk noodzakelijk.
Gezondheidszorg en sociale voorzieningen
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Apotheek (bezoekers)
10,0
10,0
7,0
7,0
per locatie
n.v.t
Apotheek (medewerkers)
7,0
7,0
4,0
4,0
per locatie
n.v.t
Gezondheidscentrum
2,7
2,7
2,0
2,0
per behandelkamer
50%
Ziekenhuis (bezoekers)
0,6
0,6
0,4
0,4
per 100 m2 bvo
n.v.t
Ziekenhuis (medewerkers)
0,8
0,8
0,6
0,6
per 100 m2 bvo
n.v.t
Crematorium/begraafplaats
8,0
8,0
5,0
5,0
per (gedeeltelijk) gelijktijdige plechtigheid
95%
Religiegebouw
62,0
62,0
30,0
30,0
per 100 zitplaatsen
95%
Onderwijs
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Kinderdagverblijf/crèche/peuterspeelzaal/ buitenschoolse opvang
1,0
1,0
0,8
0,8
per 100 m2 bvo
20%
Basisonderwijs (<250 leerlingen)
0,5
0,5
0,4
0,4
per leerling
n.v.t.
Bij een groter verzorgingsgebied meer fietsen en ook auto's
Basisonderwijs (250 – 500 leerlingen)
0,6
0,6
0,5
0,5
per leerling
n.v.t.
Bij een groter verzorgingsgebied meer fietsen en ook auto's
Basisonderwijs (>500 leerlingen)
0,7
0,7
0,6
0,6
per leerling
n.v.t.
Bij een groter verzorgingsgebied meer fietsen en ook auto's
Basisschool (medewerkers)
0,3
0,3
0,2
0,2
per medewerker
n.v.t.
Middelbare school (leerlingen)
1,0
1,0
1,0
1,0
per leerling
n.v.t.
Middelbare school (medewerkers)
0,3
0,3
0,2
0,2
per medewerker
n.v.t.
Middelbaar Beroepsonderwijs (leerlingen)
0,8
0,8
0,7
0,7
per leerling
n.v.t.
Middelbaar Beroepsonderwijs (medewerkers)
0,3
0,3
0,2
0,2
per medewerker
n.v.t.
Openbaar vervoer
Zone
A
Zone
B
Zone
C
Zone
D
Eenheid
Aandeel bezoek
Opmerkingen
Busstation
61,0
61,0
42,0
42,0
per halterende buslijn
n.v.t
Bushalte
4,0
4,0
10,0
10,0
n.v.t.
Vanaf 50 instapers per halte en afhankelijk van het verzorgingsgebied van de halte en frequentie van de buslijn.
Bijlage 4: Voorbeelden invulling kwaliteitsrichtlijnen
In deze bijlage staan voorbeelden van een invulling van de ontwerprichtlijnen voor de kwaliteit van fietsparkeervoorzieningen op eigen terrein. Deze voorbeelden zijn gecategoriseerd op de locatie/vindbaarheid, toegankelijkheid, geschiktheid en sociale veiligheid.
Locatie en vindbaarheid
De fietsparkeervoorziening is eenvoudig vindbaar en goed zichtbaar.
Figuur 1 voorbeeld van een herkenbare overkapte fietsparkeervoorziening
Voor een goede vindbaarheid is vaak niet meer nodig dan een herkenbare fietsparkeervoorziening op een logische plek, zoals in het bovenstaande voorbeeld. Extra symbolen en bewegwijzering zijn pas nodig als de voorziening niet direct als een fietsparkeervoorziening herkend zal worden, of als de locatie onlogisch is.
Figuur 2 voorbeelden van fietsparkeervoorzieningen voor bezoekers op eigen terrein
Waar ruimte schaars is, moet gezocht worden naar een oplossing om voor alle gebruikers een fietsparkeervoorziening op de juiste plek te vinden. Met name voor bezoekers kan dit uitdagend zijn, aangezien deze doelgroep het liefst op het maaiveld en zo dicht mogelijk bij de bestemming parkeert. Een van de oplossingen is om de gevel terug te zetten en deze ruimte gebruiken voor een openbaar toegankelijke fietsparkeervoorziening, zoals is gedaan in de bovenstaande voorbeelden.
Figuur 3 bewoners gebruiken fietsparkeervoorzieningen bij woningen voor bezoekers
De meest dichtstbijzijnde fietsparkeervoorziening op het maaiveld heeft vaak de eerste keus. Soms wordt daardoor een afgesloten voorziening voor vaste gebruikers niet of minder gebruikt, zoals in het bovenstaande voorbeeld waarin bewoners gebruik maken van fietsparkeervoorzieningen voor bezoekers. Ook bij wijkwinkelcentra komt het voor dat werknemers een laagdrempelige maaiveldvoorziening verkiezen boven een afgesloten fietsparkeervoorziening die verder weg ligt. Let daarom bij het inrichten van de ruimte op voor wie de voorziening in de praktijk het meest aantrekkelijk is.
Toegankelijkheid
De fietsparkeervoorziening is eenvoudig toegankelijk voor de beoogde doelgroep.
Figuur 4 een automatische toegangsdeur te openen via kaartlezer (links) en automatische speedgates (rechts), uit: Fietsberaadpublicatie 36: Fietsparkeren bij grootschalige wooncomplexen’
Een automatische toegangsdeur kan de fietsparkeer-ervaring vereenvoudigen en versnellen. Aandachtspunten daarbij zijn de locatie van de schakelaar of sensor en de vertraging waarmee de deur reageert. Ook is het gewenst dat een dergelijk systeem niet storingsgevoelig is en afspraken zijn gemaakt over het beheer van het systeem, zodat de voorziening ten alle tijden afgesloten kan blijven.
Figuur 5 (links) een fietsgoot met (elektrische) ondersteuning (rechts) een voorziening op maaiveld voor bezoekers bij een ziekenhuis
Fietsers parkeren het liefst zo dicht mogelijk bij hun bestemming. Een fietsparkeervoorziening voor bezoekers recht voor de deur, zoals in het bovenstaande voorbeeld bij een ziekenhuis, is dus prettig. Ook is er in dit voorbeeld op gelet dat gebruikers met een bakfiets liever geen hoogteverschil of drempel tegenkomen op weg naar hun fietsparkeerplek. Indien het onvermijdelijk is dat een hoogteverschil overbrugd moet worden om bij de fietsparkeervoorziening te komen, is het prettig als dit zo comfortabel mogelijk kan. Een hulpmiddel is een trapgoot die een fiets op de weg naar beneden afremt en op de weg naar boven ondersteunt, zoals in het bovenstaande voorbeeld.
Passende, kwalitatieve fietsparkeervoorziening
De stalling en stallingsvoorzieningen zijn passend bij de doelgroepen en het type fiets dat deze doelgroep gebruikt.
Figuur 6 Coffee and bikes campus van de TU Delft, foto’s: Riccardo de Vecchi
In het bovenstaande voorbeeld is een centrale openbare fietsparkeervoorziening bewust gecombineerd met enkele voorzieningen, zoals een koffiebar en een fietsservicepunt. Een goed geplaatste fietsparkeervoorziening nabij functies waar mensen graag met de fiets komen, heeft een aantrekkende werking. Etagerekken en een hoogteverschil is voor de doelgroep studenten geen groot obstakel.
Figuur 7 een individuele (fietsen)berging (links) en een gemeenschappelijke fietsenberging bij een appartementengebouw (rechts, Helix in Arnhem)
Een gemeenschappelijke berging is bij appartementen vaak eenvoudiger te bereiken, overzichtelijker, gebruiksvriendelijker en meer ruimte-efficiënt dan een individuele fietsenberging. Zeker voor een studentencomplex, zoals in de rechter figuur hierboven, biedt een gemeenschappelijke fietsenberging voldoende kwaliteit. Een gemeenschappelijke fietsenberging kan ook worden gecombineerd met een gemeenschappelijke reparatieruimte, waar bewoners hun fiets kunnen repareren of kunnen klussen.
Figuur 8 een individuele (fietsen)berging (links) en een gemeenschappelijke fietsenberging bij een appartementengebouw (rechts, Helix in Arnhem)
Voor sommige doelgroepen is het voldoende om een duidelijke locatie voor het parkeren van de fiets te bieden, zonder dat daadwerkelijk rekken benodigd zijn. Een overkapping is bij fietsparkeervoorzieningen in de buitenlucht wel wenselijk.
Figuur 9 een hangsysteem voor fietsen in een gezamenlijke fietsparkeervoorziening
Het type gebruiker beïnvloedt voor een groot deel wat voor fietsparkeervoorzieningen passend zijn. Een hangsysteem, zoals in het voorbeeld linksboven, vergt over het algemeen wat meer moeite dan een regulier rek. Bij vaste gebruikers kan dat een passende oplossing zijn, ook al zie je dat (ook in het voorbeeld) over het algemeen niet iedereen gebruik wilt maken van dit type voorziening.
Sociale veiligheid
De inrichting en locatie van fietsparkeervoorzieningen is zodanig dat de sociale veiligheid van stallers is gewaarborgd.
Figuur 10 verschillende verlichting en kleurgebruik in fietsparkeervoorzieningen. uit: Inspiratieboek fietsparkeren: Een frisse kijk op fietsparkeren in de binnenstad van Utrecht
In de bovenstaande figuren is te zien wat het effect is van goede verlichting en kleur- en materiaalgebruik op de uitstaling van de fietsparkeervoorziening.
Figuur 11 verschillende verlichting en kleurgebruik in fietsparkeervoorzieningen. uit: Inspiratieboek fietsparkeren: Een frisse kijk op fietsparkeren in de binnenstad van Utrecht
Het zichtbaar maken van toezicht of bewaking bij een fietsparkeervoorziening schrikt niet alleen potentiële fietsendieven af, maar beïnvloedt ook het veiligheidsgevoel van gebruikers en de manier waarop zij de fietsparkeervoorziening in gebruik nemen. Ook bij niet-bewaakte voorzieningen staan soms bordjes met het doel de lezer bewust te maken van het feit dat goed omgegaan dient te worden met de voorziening en de aanwezige fietsen.
Bijlage 5: Richtlijn laadpunten bij nieuwbouw
Deze richtlijn heeft als doel om in de pas te blijven met de opgave die voor ons ligt, namelijk het realiseren van afdoende laadvoorzieningen in de stad om elektrisch vervoer mogelijk te maken en houden. We onderscheiden twee stappen om dat te bereiken; realisatie vanaf heden en het eindbeeld in 2030 voor nieuw- en verbouw van parkeervoorzieningen. De richtlijn is daarmee in lijn met de sterke groei die wordt voorzien, zonder direct bij de aanleg een overmatige hoeveelheid voorzieningen te realiseren.
Tabel 5: Percentage laadpunten per parkeervoorziening
Doelgroep
Percentage laadpunten
Vanaf heden
Percentage laadpunten
Vanaf 2030
Bewoners wisselplek
10%
20%
Bewoners vaste plek
30%
100%
Forenzen wisselplek
15%
35%
Forenzen vaste plek
30%
100%
Bezoekers
5%
15%
Ontwikkelaar van de parkeervoorziening houdt rekening met de toekomstige laadbehoefte in 2030 door middel van het aanleggen van extra mantelbuizen in lijn met de regeling van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het is daardoor nog niet verplicht om direct de hoeveelheid laadvoorziening vanaf 2030 te realiseren, maar het is een voorbereiding om op een later tijdstip met slechts een beperkte inspanning deze extra laadinfra te kunnen realiseren.
Naast de richtlijn blijft het Bbl van kracht voor nieuwbouw van parkeervoorzieningen. Ontwikkelaar dient rekening te houden met de strengste norm die van toepassing is bij aanvraag van de omgevingsvergunning en bij realisatie.
Bijlage 6: Afschalen deelmobiliteit
Na afloop van het eerste jaar mag het afschalen van een deelauto plaatsvinden als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
•Indien in twee voorafgaande kwartalen meer dan 95% van de tijd (tussen 9.00 en 24.00 uur) een deelauto vrij beschikbaar is geweest
•Indien op basis van gebruiksdata (verkregen via de aanbieder) kan worden verwacht dat na afschaling in meer dan 50% van de tijd nog steeds een deelauto vrij beschikbaar zal zijn.
Toelichting
Een beschikbaarheid van tenminste 95% betekent dat minder dan 5% van de tijd alle deelauto’s tegelijkertijd bezet zijn. Daarmee is er een zekere zin bijna altijd een overaanbod, wat in de regel leidt tot een niet rendabele exploitatie. Afschaling is echter niet wenselijk als blijkt dat een serieus deel van de tijd (meer dan 50%) de overcapaciteit slechts één deelauto bedraagt. In dat geval is er ook minder noodzaak tot afschaling, omdat in dat geval de kans op een rendabele exploitatie van de deelauto’s bijzonder groot is. Alle andere deelauto’s hebben dan namelijk een bezetting van tenminste 50%.
Overigens is deze voorzichtige vorm van afschaling geen garantie dat er sprake is van een kostendekkende exploitatie. Bij een zeer onevenwichtig gebruik van de deelauto’s, bijvoorbeeld alleen in het weekend, kan er nog steeds sprake zijn van een te lage omzet. In dat soort gevallen zal gezocht moeten worden naar andere aanvullende maatregelen om de exploitatie kostendekkend te krijgen. Een betere spreiding van de vraag, bijvoorbeeld door middel van gedifferentieerde tarieven, kan dan aantrekkelijk zijn.
Voorbeeld
Stel een situatie met een aanbod van 2 deelauto’s. Als de afgelopen zes maanden in meer dan 95% van de tijd tussen 09:00 en 24:00 uur, er maximaal 1 deelauto werd gebruikt dan mag er één van de auto’s worden weggehaald. Uitzondering is het geval als uit de bezettingscijfers blijkt dat we dan in meer dan 50% van de tijd geen beschikbaarheid hebben van een deelauto. In feite betekent dit dat de vraag naar 1 deelauto groot is (meer dan 50%), maar naar twee deelauto’s zeer klein (minder dan 5%). Het niet weghalen van de tweede deelauto is in dat geval economisch gezien ook minder een probleem, omdat het gemiddelde gebruik van de twee deelauto’s tezamen dan boven de 25% ligt. De tweede auto kan in dat geval nog een rol hebben in een gedifferentieerd aanbod (verschillende type auto’s).
Als we dit voorbeeld uitbreiden naar drie deelauto’s, dan is het eventueel niet weghalen van de laatste auto, die in minder dan 5% van de tijd iets toevoegt aan een goede beschikbaarheid, economisch gezien zeker geen probleem. In dat geval zijn er namelijk twee deelauto’s die een bezetting hebben van meer dan 50%., waarmee het gemiddelde gebruik dan boven de 33% komt. Dit percentage is voor verschillende aanbieders commercieel voldoende voor een kostendekkende exploitatie met een zekere marge.
Bijlage 7: Onderbouwing deelmobiliteit
Onderdeel van deze nota parkeernormen is een reductie op de parkeernorm door middel van de inzet van deelauto’s. Deze bijlage onderbouwt waarom de gehanteerde reducties reëel zijn.
Mobiliteitsbeleid
Het mobiliteitsbeleid in de gemeente Tilburg is vastgesteld in verschillende documenten. Overkoepelend geldt de Mobiliteitsaanpak 2040, die is uitgewerkt in een Netwerkanalyse 2040, Fietsagenda, Loopagenda en Parkeer- en deelmobiliteitsbeleid. In de geactualiseerde Netwerkanalyse wordt benoemd op welke manier we met mobiliteit omgaan in Tilburg.
“Voor mobiliteit die past bij een stad die streeft naar brede welvaart, werken we aan het optimaliseren van het autonetwerk en aan een transitie naar meer actief en duurzaam vervoer (lopen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit). De basis hiervoor ligt in de Mobiliteitsaanpak van 2016 en de daaropvolgende agenda's voor fietsen en lopen. Gecombineerd met de eerder vastgestelde (H)OV-agenda bevorderen we het gebruik van openbaar vervoer, lopen en fietsen om de stad goed bereikbaar te houden.”
Daarnaast zetten we in op het autoluwer maken van specifieke plekken, waarmee de vrijgekomen ruimte beschikbaar komt voor andere modaliteiten.
Onderzoek Auto Vervangingsratio deelmobiliteit
Autodelen is een innovatief concept. Dat betekent dat de ervaringscijfers zich naar mate de toepassing vordert uitbreiden en het inzicht wordt vergroot. Onder andere voor wat betreft de reductiefactor voor een deelauto. Momenteel voert het landelijke samenwerkingsprogramma Natuurlijk!Deelmobiliteit onderzoek uit naar de auto vervangingsratio (AVR) per deelauto. Daarnaast zijn er verschillende onderzoeken bekend die hier uitspraken over doen.
CROW 2018
Uit de Handreiking parkeernormen CROW 2018 volgt dat 1 deelauto 4 tot 8 auto’s kan vervangen.
Greenwheels 2019 en 2023
Greenwheels is als aanbieder actief op de deelautomarkt sinds 1995.
Dit bedrijf heeft in 2019
4Greenwheels 2019
een onderzoek onder haar gebruikers laten uitvoeren door Goudappel Coffeng. Daaruit bleek dat 30% van de Greenwheels gebruikers de eigen auto heeft ingeleverd. Ook is op basis van het onderzoek geconcludeerd dat één geplaatste Greenwheels auto betekent dat er 11 auto’s minder in de buurt zijn.
Ook in 2023
5Greenwheels 2023
heeft Greenwheels een onderzoek onder haar gebruikers laten uitvoeren door Goudappel Coffeng. Wederom bleek dat bijna 30% de eigen auto inleverde. 38% van de Greenwheels-gebruikers zou, indien Greenwheels niet bestond, een auto hebben aangeschaft. Het onderzoek concludeert dat per geplaatste Greenwheels-deelauto er 14 minder privéauto’s op straat staan.
CROW/TU Eindhoven 2021
Uit onderzoek van CROW en de TU Eindhoven (2021
6CROW/TU Eindhoven 2021
) blijkt dat in ideale situaties - alternatieven op orde (toegankelijk, betaalbaar) én restrictief parkeerbeleid - tot wel 70% van de nieuwe inwoners bereid is geen auto mee te nemen bij verhuizing naar een binnenstedelijke omgeving. Vooral een hoogwaardig (divers, beschikbaarheidsgarantie, gebruiksgemak, nabij en betaalbaar) aanbod van deelmobiliteit en goed openbaar vervoer en fietsnetwerk blijken sleutels tot succes.
Kennis Instituut Mobiliteit (KIM) 2021
In het onderzoek naar de ontwikkeling en potenties van deelmobiliteit van het KIM (2021
7KIM 2021
) is aangegeven dat Shaheen et al. (2019) in Europese studies van round-trip autodelen zien dat tussen de 15% en 67% van de autodelers een auto wegdoet, en dat tussen de 14% en 34% de aankoop van een auto voorkomt. Samen leidt dit tot een reductie van het autobezit van 4 à 11 auto’s per deelauto.
Rebel Group 2023
Rebel Group onderzoekt de AVR in de gemeente Amsterdam en concludeert dat deze in grote mate afhankelijk is van flankerend parkeerbeleid en autodeelbeleid
8Rebel - Gemeente Amsterdam 2023
. Reguleren van parkeren en het bieden van voldoende alternatieve vervoersopties (zoals deelauto’s) bevorderen de AVR. In dit onderzoek is naar 4 specifieke casusgebieden gekeken, in deze gebieden lag de AVR tussen de 2 en 7,4. De mogelijke AVR in de rest van de stad lag tussen de 0 (geen aanbod, geen flankerend beleid, geen doelgroep die deelmobiliteit gebruikt) en 10.
Ipsos I&O 2024
Het ‘Landelijk gebruikersonderzoek deelmobiliteit
9Ipsos I&O 2024
’ geeft geen informatie over de vervangingsratio, maar wel over het autobezit bij deelmobiliteitsgebruikers. Als gevolg van het gebruik van deelvervoer heeft 20% van de respondenten de aankoop van een auto uitgesteld, is 25% van plan geen auto meer te kopen en heeft 20% de eigen auto weggedaan. Daarnaast bleek dat ongeveer 7 op de 10 respondenten geen auto bezit.
Deelauto’s in Tilburg
Op basis van bovenstaande bronnen blijkt dat de auto vervangingsratio (AVR) per doelgroep en situatie verschilt. Belangrijke voorspeller voor de AVR is de mate van (flankerend) beleid. Zo zorgt beleid gericht op het vergroten van het deelmobiliteitsaanbod voor een hogere AVR. Evenals strenger parkeerbeleid. Aanwezigheid van alternatieven voor de eigen auto en bereikbaarheid van voorzieningen zorgen ook voor een hogere AVR. Dit is in lijn met de reductiepercentages uit paragraaf 4.2. Waarbij de reductiepercentages in hoogstedelijke omgeving (veel alternatieven, goede bereikbaarheid OV, gereguleerd parkeren) hoger zijn dan de reductiepercentages aan de randen van de stad/gemeente. Daarnaast zorgt de aanwezigheid van parkeerregulering ervoor dat nieuwe bewoners geen parkeeroverlast in de bestaande omgeving kunnen veroorzaken. Zij krijgen immers geen parkeervergunning. Tot slot is, met de genoemde reductiepercentages, de maximale AVR 8. Dat is niet hoger dan de vervangingsratio’s die in bovenstaande literatuur worden genoemd.