Gemeentelijke regelgeving

Nota financiële positie gemeente Tilburg 2023

Gemeente Tilburg · geldt sinds 4 november 2023

Aanhef

De raad van de gemeente Tilburg;

-gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

Besluit

1de Nota financiële positie gemeente Tilburg 2023 vast te stellen, waarin is opgenomen:

-de te hanteren kengetallen in de paragraaf ‘Weerstandsvermogen en risicobeheersing’ voor de programmabegroting en jaarrekening;

-de hierbij toe te passen signaalwaarden;

-de wijze van periodieke bespreking tussen college en raad;

2de Nota financiële positie gemeente Tilburg 2019 in te trekken.

Bijlage 1

Financiële positie

Voor de beoordeling van de financiële positie is het belangrijk dat zowel naar de exploitatie als naar de balanspositie wordt gekeken. De kengetallen netto schuldquote, solvabiliteitsratio, grondexploitatie en weerstandsvermogen hebben betrekking op de balans. De kengetallen EMU-saldo, structurele exploitatieruimte, belastingcapaciteit, kapitaallastenratio en rentelasten op de exploitatie. De kasgeldlimiet en renterisiconorm betreffen tenslotte wettelijk eisen/normen op gebied van financiering van de gemeente.

Onderstaande kengetallen geven in samenhang informatie over de financiële positie van de gemeente. De kengetallen zijn een weerspiegeling van het gevoerde beleid binnen een gemeente. De kengetallen moeten in samenhang worden beoordeeld, wat ook de onderlinge vergelijkbaarheid met andere gemeenten bemoeilijkt.

Verloop kengetallen

2019 (R)

2020 (R)

2021 (R)

2022 (B)

2023 (B)

2024 (B)

2025 (B)

2026 (B)

BBV kengetallen

Netto schuldquote

14%

21%

23%

38%

54%

67%

70%

79%

Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

11%

17%

19%

34%

50%

63%

67%

75%

Solvabiliteitsratio

73%

67%

67%

58%

51%

46%

45%

44%

Structurele exploitatieruimte

2%

2%

0,1%

4,5%

2%

4,0%

4,2%

-1,3%

Grondexploitatie

6%

2%

3%

3%

4%

5%

4%

3%

Belastingcapaciteit

80%

78%

73%

69%

72%

73%

74%

74%

Overige kengetallen

EMU-saldo (x € 1 mln.)

-41

-52

-29

-159

-159

-124

-46

-35

Rentelasten (x € 1 mln.)

1,5

1,5

1,0

1,5

2,6

5,4

9,4

13,0

Kapitaallastenratio

ntb

ntb

ntb

ntb

ntb

ntb

ntb

ntb

Weerstandsratio

nb

2,1

2,7

2,2

2,7

nnb

nnb

nnb

Kasgeldlimiet realisatie* (x € 1 mln.)

33

27

73

56

nnb

nnb

nnb

nnb

Renterisiconorm* (x € 1 mln.)

186

163

153

190

231

nnb

nnb

nnb

* ruimte (+) / overschrijding (-)

Beschouwing

Schuldpositie

Onze financieringsstructuur is zodanig dat we veel met eigen vermogen financieren en daardoor weinig schulden hebben. Dit is ook zichtbaar aan de relatief grote ruimte binnen de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. We beschikken over een gezonde financieringspositie. Hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de weerbaarheid. Doorrekening van ons huidige ambitieniveau in combinatie met het geprognosticeerde moment van realisatie laat een flinke daling zien van de solvabiliteitsratio van 67% in 2021 aflopend naar 44% in 2026. In lijn hiermee stijgt ook de netto schuldquote oplopend van 23% in 2021 naar 79% in 2026. Ondanks de ervaring dat de prognoses in de tijd gedeeltelijk naar latere jaren verschuiven, waardoor de kengetallen aan het einde van het jaar op basis van werkelijke realisatie afwijken van deze geprognosticeerde kengetallen, zijn bovenstaande kengetallen op basis van ons huidige ambitieniveau wel het toekomstbeeld van onze gemeente.

Onderstaande grafiek (links) laat zien hoe de schuldpositie zich in de afgelopen jaren (2019-2021) heeft ontwikkeld en hoe de verwachte ontwikkeling in de periode 2022 tot en met 2026 op basis van de Begroting 2023 is. In de afgelopen jaren was sprake van een relatief beperkte toename van de schuldpositie hetgeen zich vertaalt in een beperkt negatief EMU-saldo en een beperkte oploop van de schuldquote. In de jaren 2022-2026 lopen het EMU-tekort en de schuldquote op. In de laatste jaren vlakt de oploop af. Eind 2026 blijft de schuldquote daardoor binnen de signaleringswaarde van 90%.

De geprognosticeerde groei van de schuldpositie is ook terug te zien in de oploop van de rentelasten in tabel 1. Dit zorgt ervoor dat een groter deel van de gemeentelijke inkomsten nodig is om rente te kunnen betalen. Daardoor zijn minder middelen beschikbaar voor overige uitgaven. Daarnaast zorgt de toename van rentelasten voor een stijging van het renterisico. Dit is het risico dat de werkelijke rente afwijkt van de rente waarmee in de begroting is gerekend. Dit kan zowel een positief risico (lagere rente) als een negatief risico (hogere rente) zijn. In de paragraaf Weerstandsvermogen is de financiële impact van dit risico aangegeven.

Onderstaande grafiek laat zien hoe de schuldquote zich (cijfers op basis van resp. begrotingen) ontwikkelt ten opzichte van de overige 100.000+ gemeenten. De grafiek laat zien dat Tilburg richting het gemiddelde van de referentiegemeenten groeit.

Solvabiliteit

Onderstaande grafieken laten zien hoe de solvabiliteit zich in de periode 2019-2026 naar verwachting ontwikkelt en hoe zich dit verhoudt tot de ontwikkeling bij de 100.000+ gemeenten (op basis van resp. begrotingen). De afname van de solvabiliteit is niet zo zeer het gevolg van een daling van de vermogenspositie, maar komt vooral door een toename van de investeringen en schulden. Zie hiervoor ook de geprognosticeerde balans.

Structurele exploitatieruimte

Voor de beoordeling van de financiële positie is het ook van belang te kijken naar de structurele baten en structurele lasten. Structurele baten zijn bijvoorbeeld de algemene uitkering en de opbrengst OZB. Een negatief percentage bij de structurele exploitatieruimte betekent dat onze structurele baten niet toereikend zijn om de structurele lasten (waaronder de rente en aflossing van leningen) te dekken. Een positief percentage betekent dat we structureel niet meer uitgeven dan wat er structureel binnenkomt.

In de nota Financiële positie geldt dan ook als uitgangspunt voor duurzaam financieel beleid dat er structureel niet meer geld wordt uitgegeven dan dat er binnenkomt. We zien dat onze structurele exploitatieruimte op grond van onze huidige prognoses over de komende jaren positief is. In 2026 is sprake van een tekort. Dit tekort moet in samenhang worden gezien met de discussie over de financiële verhouding met het Rijk.

Grondexploitatie

Onze grondpositie, hier gedefinieerd als de waarde van de grond ten opzichte van onze baten, is met 4% in 2023 beperkt, waardoor we ook een beperkt risico lopen.

Belastingcapaciteit

De belastingcapaciteit geeft de mate aan waarin de lokale lasten, en hiermee de gemeentelijke baten, eventueel kunnen worden verhoogd om financiële tegenvallers op te kunnen vangen of om ruimte voor nieuw beleid te creëren. Onze woonlasten van meerpersoonshuishoudens bedragen in 2023 72% van het landelijk gemiddelde. Ten opzichte van het landelijk gemiddelde hebben we dus nog voldoende ruimte om de woonlasten te verhogen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat feitelijk alleen het onderdeel OZB verhoogd kan worden, omdat wij bij de tariefstelling voor riool- en afvalstoffenheffing uitgaan van 100% kostendekkendheid.

Bijlage 2

Scenario’s

Hieronder zijn een drietal scenario's uitgewerkt:

•Eenmalige impuls (dekking vanuit reserve)

•Investering met meerjarig nut

•Oprichting revolverend fonds

In alle scenario's wordt uitgegaan van een uitgave van € 50 miljoen, een rente op leningen van 2%, een looptijd/gebruiksduur van 20 jaar en een exploitatiesaldo van € 0 (sluitende begroting). Omvang eigen vermogen is € 750 miljoen en het vreemd vermogen is € 250 miljoen. Dit houdt in dat de solvabiliteit in de uitgangspositie 75% bedraagt. Per scenario zijn meerdere varianten uitgerekend. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen het financieren met eigen geld of geleend geld en het dekken van de last vanuit de exploitatie of een dekkingsreserve.

1Eenmalige impuls

Een eenmalige impuls betekent dat er incidenteel een last van € 50 miljoen ontstaat. Bijvoorbeeld door eenmalig subsidies te verstrekken voor de energietransitie. Dit wordt niet uitgegeven aan een investering met meerjarig nut, althans niet aan gemeentelijke eigendommen.

Eenmalige impuls (dekking vanuit reserve) betaald met eigen middelen

In deze variant wordt de eenmalige impuls betaald met eigen middelen. Er hoeft dus geen lening te worden aangetrokken om deze uitgaven te kunnen doen.

Effect op

Toelichting

Eigen vermogen

Doordat de eenmalige impuls wordt gedekt vanuit een reserve, neemt het eigen vermogen met € 50 miljoen af. Dit is een eenmalig effect en heeft in de jaren erna geen invloed meer.

Vreemd vermogen

Er is geen effect op het vreemd vermogen omdat de eenmalige impuls met eigen geld wordt betaald.

Solvabiliteit

De solvabiliteit neemt af doordat het eigen vermogen is gedaald ten opzichte van het vreemd vermogen. De solvabiliteit wordt 74%.

Meerjarige kasstromen

In jaar één is sprake van een uitgaande kasstroom van € 50 miljoen. In de jaren erna heeft dit geen effect meer.

Exploitatiesaldo

Het exploitatiesaldo wordt niet beïnvloedt door deze impuls, omdat tegenover de incidentele last een incidentele baat staat. Deze baat bestaat uit de onttrekking aan de reserve.

Beschouwing

In dit scenario is er een positief saldo van € 50 miljoen op de bankrekening, waardoor voor de eenmalige impuls geen lening aangetrokken hoeft te worden. Uit de jaarrekening 2016 blijkt dat er € 9,8 miljoen direct beschikbare liquiditeit is. Dit is echter onderdeel van het werkkapitaal en wordt gebruikt voor de reguliere betalingen.

Eenmalige impuls (dekking vanuit reserve) betaald met geleend geld

In deze variant moet er wel een lening worden aangetrokken.

Effect op

Toelichting

Eigen vermogen

Doordat de eenmalige impuls wordt gedekt vanuit een reserve, neemt het eigen vermogen met € 50 miljoen af. Dit is een eenmalig effect en heeft in de jaren erna geen invloed meer.

Vreemd vermogen

De impuls wordt gefinancierd door geld te lenen. Dit betekent dat het vreemd vermogen met € 50 miljoen toeneemt.

Solvabiliteit

De solvabiliteit daalt harder doordat naast de daling van het eigen vermogen, er sprake is van een toename van het vreemd vermogen. De solvabiliteit na de impuls bedraagt 70%.

Meerjarige kasstromen

In jaar één is per saldo geen kasstroom: de uitgaande kasstroom van € 50 miljoen wordt gecompenseerd door de aangetrokken geldlening. Aangezien het primair surplus 0 is, is er geen ruimte om de lening af te lossen. De lening blijft daardoor op € 50 miljoen staan.

Exploitatiesaldo

Het exploitatiesaldo wordt lager doordat er een rentelast van € 1 miljoen per jaar ontstaat. Aangezien de begroting meerjarig sluitend moet zijn, betekent dit een bezuiniging van € 1 miljoen per jaar. De bezuiniging levert in de kasstromen een financiële ruimte op van € 1 miljoen, waarmee de rentelast kan worden betaald. Per saldo is er daardoor geen effect op de kasstromen.

Beschouwing

In dit scenario wordt de impuls gefinancierd met geleend geld. Er is echter geen financiële ruimte om de aflossing te betalen. Het primair surplus is namelijk 0. Dit betekent dat na afloop van de looptijd er sprake is van herfinanciering. De gemeente loopt daarbij een renterisico: het risico dat door een wijziging van de marktrente de rentekosten van de lening oplopen.

In het scenario wordt de rentelast betaald doordat er voor € 1 miljoen structureel wordt bezuinigd. Dat levert financiële ruimte op om de rentelast te kunnen betalen. Het is geen optie om in plaats van te bezuinigen, de rentelast te dekken vanuit een reserve. Dat zou namelijk betekenen dat er geen geld beschikbaar is om de rente te betalen. Hierdoor kan de verplichting niet worden nagekomen. Of er moet een nieuwe financiering voor de rente worden aangetrokken. Dit levert een sneeuwbaleffect op waardoor de omvang van de schulden en rentekosten steeds verder zullen stijgen.

Uit dit scenario blijkt dat door de beschikbaarheid van eigen geld, dezelfde beslissing (eenmalige impuls dekken vanuit een reserve) kan leiden tot een andere uitwerking.

2Investering met meerjarig nut

Een investering met meerjarig nut, bijvoorbeeld de bouw van een school of bibliotheek, moet worden geactiveerd als materieel vast actief. Dit houdt in dat de uitgave niet leidt tot een eenmalige last, maar dat het wordt toegerekend aan de gebruiksduur van het actief. Hierdoor ontstaan afschrijvingslasten.

Investering met meerjarig nut betaald met eigen middelen en structurele dekking van de afschrijving uit een reserve

In deze variant wordt de investering betaald met eigen middelen en worden de afschrijvingslasten structureel gedekt vanuit een reserve (dekkingsreserve kapitaallasten).

Effect op

Toelichting

Eigen vermogen

Op het moment van investeren is er geen effect op het eigen vermogen. Er is alleen een mutatie aan de activazijde van de balans: de liquide middelen nemen af en de materiële vaste activa nemen toe. Het eigen vermogen neemt in de jaren erna af doordat de afschrijvingslasten worden gedekt vanuit een reserve. Hierdoor is het eigen vermogen na de gebruiksduur van 20 jaar afgenomen met € 50 miljoen.

Vreemd vermogen

Er is geen effect op het vreemd vermogen omdat de investering wordt betaald met eigen middelen.

Solvabiliteit

De solvabiliteit neemt geleidelijk af van 75% naar 74%.

Meerjarige kasstromen

In het eerste jaar is sprake van een uitgaande kasstroom van € 50 miljoen. In de jaren erna zijn er geen kasstromen meer.

Exploitatiesaldo

Het exploitatiesaldo wijzigt niet. De afschrijving wordt namelijk gedekt vanuit een reserve. Hierdoor is de investering resultaatneutraal.

Beschouwing

Doordat het geld voor de investering beschikbaar is en de afschrijvingslasten worden gedekt vanuit een reserve, heeft deze transactie nauwelijks invloed op de financiële positie.

Er is in dit scenario geen structureel kapitaallastenbudget. Dit betekent dat als de gebruiksduur is verstreken en er vervanging moet plaatsvinden, hiervoor opnieuw naar middelen moet worden gezocht. Dit betreft zowel de dekking van de afschrijvingslasten van de vervangingsinvestering als de liquide middelen die daarvoor benodigd zijn.

Investering met meerjarig nut betaald met eigen middelen en structurele dekking van de afschrijving in de exploitatie

In deze variant wordt de investering betaald met eigen middelen en worden de afschrijvingslasten structureel gedekt in de exploitatie.

Effect op

Toelichting

Eigen vermogen

Op het moment van investeren is er geen effect op het eigen vermogen. Er is alleen een mutatie aan de activazijde van de balans: de liquide middelen nemen af en de materiële vaste activa nemen toe. Ook in de jaren erna is er geen effect op het eigen vermogen omdat de afschrijvingslasten structureel worden gedekt in de exploitatie.

Vreemd vermogen

Er is geen effect op het vreemd vermogen omdat de investering wordt betaald met eigen middelen en de afschrijving niet wordt gedekt uit een reserve.

Solvabiliteit

De solvabiliteit blijft gelijk.

Meerjarige kasstromen

In het eerste jaar is sprake van een uitgaande kasstroom van € 50 miljoen. In de jaren erna ontstaat een positieve kasstroom omdat de afschrijvingslasten in de exploitatie 'kasstroomvrij' zijn. Na de gebruiksduur van de investering is de oorspronkelijke uitgave van € 50 miljoen daardoor weer gespaard.

Exploitatiesaldo

Het exploitatiesaldo wordt negatief doordat de afschrijvingslast in de exploitatie terecht komt. Om deze te dekken zal een bezuiniging van € 2,5 miljoen per jaar nodig zijn.

Beschouwing

In dit scenario wordt er door de bezuiniging van € 2,5 miljoen een structureel kapitaallastenbudget gecreëerd. Dit betekent dat als de gebruiksduur is verstreken en er vervanging moet plaatsvinden, er zowel kapitaallastenbudget als liquide middelen beschikbaar zijn. Vervanging is daarmee eenvoudig.

Investering met meerjarig nut betaald met geleend geld en structurele dekking van de afschrijving uit een reserve

In deze variant wordt de investering betaald door een geldlening aan te gaan en worden de afschrijvingslasten structureel gedekt vanuit een reserve (dekkingsreserve kapitaallasten).

Effect op

Toelichting

Eigen vermogen

Op het moment van investeren is er geen effect op het eigen vermogen. In de jaren erna neemt het eigen vermogen geleidelijk af omdat de afschrijvingslasten worden gedekt door een onttrekking aan de reserve.

Vreemd vermogen

Het vreemd vermogen neemt toe omdat de investering wordt betaald met een lening. Vervolgens blijft de lening gelijk omdat er geen ruimte is om af te lossen.

Solvabiliteit

De solvabiliteit daalt van 75% naar 71%. Daarna neemt de solvabiliteit verder af naar 70% omdat de lening niet wordt afgelost, maar het eigen vermogen geleidelijk afneemt.

Meerjarige kasstromen

In het eerste jaar is er per saldo geen kasstroom. De uitgaande kasstroom van € 50 miljoen wordt gecompenseerd door de aangetrokken geldlening. Aangezien het primair surplus 0 is, is er geen financiële ruimte om de lening af te lossen. De lening blijft daardoor op € 50 miljoen staan.

Exploitatiesaldo

De afschrijving wordt gedekt vanuit een reserve. Hierdoor heeft de investering zelf geen invloed op het resultaat. Het exploitatiesaldo wordt wel lager doordat er een rentelast van € 1 miljoen per jaar ontstaat. Aangezien de begroting meerjarig sluitend moet zijn, betekent dit een bezuiniging van € 1 miljoen per jaar. De bezuiniging levert in de kasstromen een financiële ruimte op van € 1 miljoen, waarmee de rentelast kan worden betaald. Per saldo is er daardoor geen effect op de kasstromen.

Beschouwing

In dit scenario wordt de investering gefinancierd met geleend geld. Er is echter geen financiële ruimte om de aflossing te betalen. Het primair surplus is namelijk 0. Dit betekent dat na afloop van de looptijd er sprake is van herfinanciering. De gemeente loopt daarbij een renterisico: het risico dat door een wijziging van de marktrente de rentekosten van de lening oplopen.

In het scenario kan de rentelast worden betaald doordat er voor € 1 miljoen structureel wordt bezuinigd. Dat levert financiële ruimte op om de rentelast te kunnen betalen. Het is geen optie om in plaats van te bezuinigen, de rentelast te dekken vanuit een reserve. Dat zou namelijk betekenen dat er geen geld beschikbaar is om de rente te betalen. Hierdoor kan de verplichting niet worden nagekomen. Of er moet een nieuwe financiering voor de rente worden aangetrokken. Dit levert een sneeuwbaleffect op waardoor de omvang van de schulden en rentekosten steeds verder zullen stijgen.

Er is in dit scenario geen structureel kapitaallastenbudget. Dit betekent dat als de gebruiksduur is verstreken en er vervanging moet plaatsvinden, hiervoor opnieuw naar middelen moet worden gezocht. Dit betreft zowel de dekking van de afschrijvingslasten van de vervangingsinvestering als de liquide middelen die daarvoor benodigd zijn. Daarnaast is de lening niet afgelost. Een nieuwe lening voor de vervanging leidt tot een stapeling van leningen.

Investering met meerjarig nut betaald met geleend geld en structurele dekking van de afschrijving in de exploitatie

In deze variant wordt de investering betaald door een geldlening aan te gaan en worden de afschrijvingslasten structureel gedekt in de exploitatie.

Effect op

Toelichting

Eigen vermogen

Op het moment van investeren is er geen effect op het eigen vermogen. Er is alleen een mutatie aan de activazijde van de balans: de liquide middelen nemen af en de materiële vaste activa nemen toe. Ook in de jaren erna is er geen effect op het eigen vermogen omdat de afschrijvingslasten structureel worden gedekt in de exploitatie.

Vreemd vermogen

Het vreemd vermogen neemt toe omdat de investering wordt betaald met een lening. Vervolgens neemt het vreemd vermogen weer af door de aflossingen.

Solvabiliteit

De solvabiliteit neemt eerst af van 75% naar 71%. In de jaren erna stijgt de solvabiliteit omdat de lening wordt afgelost. Aan het einde van de gebruiksduur is deze weer gestegen naar 75%.

Meerjarige kasstromen

In het eerste jaar is er per saldo geen kasstroom. De uitgaande kasstroom van € 50 miljoen wordt gecompenseerd door de aangetrokken geldlening. Doordat de afschrijving wordt gedekt in de exploitatie is er ruimte om jaarlijks de lening af te lossen.

Exploitatiesaldo

Het exploitatiesaldo wordt negatief doordat de afschrijvingslast in de exploitatie terecht komt. Tevens drukt de rentelast van € 1 miljoen (wordt jaarlijks minder) op de exploitatie. Om de begroting sluitend te houden is een bezuiniging van € 3,5 miljoen in het eerste jaar nodig. Dit bedrag loopt in 20 jaar terug naar € 2,5 miljoen omdat de rente jaarlijks minder wordt.

Beschouwing

In dit scenario wordt er door de bezuiniging een structureel kapitaallastenbudget van € 2,5 miljoen gecreëerd. Dit betekent dat als de gebruiksduur is verstreken en er vervanging moet plaatsvinden, er kapitaallastenbudget beschikbaar is. Er moet op dat moment wel opnieuw worden geleend, maar er is geen sprake van stapeling van leningen (de vorige is immers afgelost).

3Oprichting revolverend fonds

Vanuit een revolverend fonds worden leningen verstrekt aan particulieren, bedrijven en/of instellingen om bijvoorbeeld duurzaamheidsinvesteringen te doen. Rentebetalingen en aflossingen vloeien terug in het fonds. Dit wordt gebruikt om nieuwe leningen te verstrekken. Bij een dergelijk fonds worden alle risico's die ermee gepaard gaan, verwerkt in het rentetarief. Hiermee is het fonds over de hele looptijd in principe neutraal en is er aan het einde net zoveel geld beschikbaar als bij het begin.

Oprichting revolverend fonds vanuit eigen middelen

In deze variant wordt het fonds gefinancierd vanuit eigen middelen. In de uitwerking wordt er vanuit gegaan dat het gehele bedrag in één keer wordt uitgeleend en dat dit in de jaren erna gelijkmatig wordt terugbetaald. De renteopbrengst compenseert eventuele wanbetaling, waardoor dit per saldo geen effect heeft.

Effect op

Toelichting

Eigen vermogen

Er is geen effect op het eigen vermogen.

Vreemd vermogen

Er is geen effect op het vreemd vermogen.

Solvabiliteit

Er is geen effect op de solvabiliteit.

Meerjarige kasstromen

Bij oprichting van het fonds wordt € 50 miljoen gestort. Dit is een uitgaande geldstroom. In de jaren erna is er sprake van een inkomende kasstroom van € 2,5 miljoen per jaar.

Exploitatiesaldo

Het exploitatiesaldo verandert niet.

Beschouwing

Door de oprichting van het fonds worden liquide middelen omgezet in een financieel vast actief. Dit is een mutatie die alleen van invloed is op de activazijde van de balans. Zolang de renteopbrengst en wanbetaling in evenwicht zijn, is er geen effect op de exploitatie en op het eigen vermogen. Aan het einde van de looptijd is het banksaldo weer aangevuld tot € 50 miljoen.

Het grootste risico is dat het aantal particulieren, bedrijven en/of instellingen die niet aan de betalingsverplichtingen kan voldoen, groter is dan vooraf is ingecalculeerd. Dit risico uit zich in een afwaardering van het financieel vast actief (de uitgezette leningen) en heeft daardoor effect op het resultaat en het eigen vermogen.

Oprichting revolverend fonds vanuit geleend geld

In deze variant wordt het fonds gefinancierd met geleend geld. In de uitwerking wordt er vanuit gegaan dat het gehele bedrag in één keer wordt uitgeleend en dat dit in de jaren erna gelijkmatig wordt terugbetaald. De renteopbrengst moet niet alleen eventuele wanbetaling compenseren, maar ook de rente die de gemeente betaald op de aangetrokken geldlening. Het rentetarief zal dus een stuk hoger zijn dan wanneer het fonds wordt gefinancierd met eigen geld.

Effect op

Toelichting

Eigen vermogen

Er is geen effect op het eigen vermogen.

Vreemd vermogen

Het vreemd vermogen neemt met € 50 miljoen toe doordat er een lening wordt aangetrokken. Deze neemt in de jaren erna weer af doordat er wordt afgelost.

Solvabiliteit

De solvabiliteit neemt eerst af naar 71%. Door de aflossingen neemt dit weer geleidelijk toe naar 75%.

Meerjarige kasstromen

De inkomende geldstroom is steeds gelijk aan de uitgaande geldstoom. De aangetrokken lening wordt namelijk doorgestort en de ontvangen aflossingen worden gebruikt om de aangetrokken lening af te lossen.

Exploitatiesaldo

De rentelast van de aangetrokken lening bedraagt € 1 miljoen. Dit betekent dat het minimaal vereiste rendement op het fonds € 1 miljoen bedraagt. Anders is de begroting namelijk niet sluitend.

Beschouwing

De oprichting van het fonds heeft ook in dit scenario in beginsel geen effect op het eigen vermogen. Doordat het fonds wordt gefinancierd met geleend geld, is het vereiste rendement hoger. De rente die wordt betaald op de aangetrokken lening moet worden terugverdiend.

Het grootste risico is dat het aantal particulieren, bedrijven en/of instellingen die niet aan de betalingsverplichtingen kan voldoen, groter is dan vooraf is ingecalculeerd. Dit risico uit zich in een afwaardering van het financieel vast actief (de uitgezette leningen) en heeft daardoor effect op het resultaat en het eigen vermogen.

Samenvatting scenario’s

Legenda

•Rood = risicovol

•Oranje = neutraal

•Groen = behoudend

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.