Gemeentelijke regelgeving

Landelijke Richtlijn Bouw- Sloopveiligheid 2018

Gemeente Tilburg · geldt sinds 6 april 2023

Aanhef

Besluit

Het college hanteert de Landelijke Richtlijn Bouw- Sloopveiligheid 2018 als beleidsregel voor het verlenen van omgevingsvergunningen waarbij een bouwveiligheidsplan nodig is.

“Het doel van een bouw- en sloopveiligheidsplan is het vooraf inzichtelijk maken of een beoogd initiatief veilig en verantwoord, in zijn relatie tot de directe omgeving en de openbare ruimte, gerealiseerd wordt”

Het huidige en gewenste speelveld in de praktijk

Algemeen

In dit hoofdstuk gaat de richtlijn in op het speelveld in de huidige praktijk. Wij schetsen de rollen, taken en werkzaamheden in een bouwproces van de opdrachtgever, de architect, de aannemer/opdrachtgever, de gemeente en de wetgever. Daarna geven wij een gewenste situatie. In de volgende paragraaf schetsen wij de praktijk waar wij naar toe willen met deze richtlijn.

Het speelveld in de huidige praktijk

Opdrachtgever

De opdrachtgever reserveert zelden op voorhand (extra) budget voor bouw- en sloopveiligheid, ook niet voor projecten in dichtbebouwd stedelijk gebied. Hij ziet zorg voor bouw- en sloopveiligheid in veel gevallen niet als zijn taak en verantwoordelijkheid, of is zich hiervan onvoldoende bewust. Het zijn realisatiekosten die niet bijdragen aan de waarde van het gebouw en als verliespost op de balans drukken. Dit wordt zeker zo ervaren als deze kosten tijdens de realisatiefase pas duidelijk worden.

Architect

De architect ontwerpt op basis van een Programma van Eisen (PVE). Het is niet gebruikelijk dat het bestek en het PVE iets regelen omtrent bouw- en sloopveiligheid, laat staan dit afdoende regelen. Projecten worden met een UAV of UAV GC tender aan de markt aangeboden voor inschrijving. Een risicoanalyse van de realisatiefase is zelden onderdeel van de aanbesteding en gunning.

Adviseur

De voor het project ingeschakelde adviseurs krijgen te weinig ruimte/opdracht om invulling te geven aan de veiligheidsaspecten van het project. Hiermee kan hun kennis onvoldoende worden ingezet, waardoor hun specifieke expertise, om te komen tot veilig bouwen en slopen onvoldoende wordt benut.

Aannemer / opdrachtnemer

De aannemer moet in concurrentie de opdracht zien te bemachtigen. Als de aanbestedingsvoorwaarden niet voorzien in een risicoanalyse uitvoeringsfase en een bieding met veiligheidsvoorzieningen zal de aannemer vanuit concurrentieoverweging de kosten i.v.m. bouw- en sloopveiligheid niet (toereikend) in de bieding opnemen. Dit om het risico het werk niet gegund te krijgen te reduceren.

De aannemer zal na gunning binnen de begroting alsnog ruimte moeten zoeken voor de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen om überhaupt te kunnen bouwen of slopen. Pas na gunning zal hij worden geconfronteerd met de situatie op en rond de bouwplaats. Gepoogd zal worden een deel van de maatregelen contractueel af te wentelen op de onderaannemers, of alsnog bij de opdrachtgever te claimen.

Deze opdrachtgever zal met beroep op de UAV de claim afwijzen, onder verwijzing naar bepaling(en) m.b.t. locatieonderzoek vóór bieding.

Uit onderzoek van Aboma is gebleken dat verreweg het grootste aantal incidenten op de bouwplaats te relateren zijn aan het niet werken volgens de Arbo- regelgeving. Duidelijk is dan ook dat als deze regels worden gehandhaafd, dit de bouw- en sloopveiligheid al enorm verhoogd.

Bevoegd gezag

Het bevoegd gezag (veelal de gemeente) heeft vaak een maatschappelijk of economisch belang bij het eindresultaat (het project).

Er kunnen echter ook andere maatschappelijke belangen spelen zoals toegankelijkheid, bereikbaarheid, voorkomen van hinder, openbaar vervoer dat tijdens de uitvoering niet (onevenredig) mag worden belemmerd. Deze belangen conflicteren vaak met een te accepteren risico.

Bouw- en sloopveiligheid staat vaak op gespannen voet met bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Immers ruimtebeslag vanwege het bouwterrein heeft consequenties voor het gebruik van de openbare weg en zijn verkeersdeelnemers. De belangen en de veiligheid van derden, in relatie tot het bouwen en een veilige verkeersafwikkeling staat voor het bevoegd gezag voorop en zijn en blijven te allen tijde één van zijn kerntaken, maar het borgen van deze taak heeft vaak te weinig aandacht. Bij de vergunningaanvraag is zelden nagedacht over een verantwoorde en een veilige manier van realisatie. Het in korte termijn binnen de reguliere procedure regelen van een bouwveiligheidsplan lukt dan ook vaak niet.

1Het bevoegd gezag kan het indienen van een veiligheidsplan de laatste drie weken voor de start bouw als voorwaarde opnemen in de vergunning en daarbij zo concreet mogelijk aangeven welke overige informatie zij nodig achten om het veiligheidsplan goed te beoordelen.

Als het mis gaat tijdens de uitvoering of in het verkeer en derden daarvan slachtoffer zijn, staat niet de verantwoordelijk opdrachtgever of aannemer als eerste voor de camera, maar in de regel de burgemeester.

Als de gemeente ook nog een privaat belang heeft (grondpositie of zelf opdrachtgever) is dit extra complex. Het private en het publieke belang conflicteren niet zelden als het gaat om bouw- en sloopveiligheid.

Vroegtijdige interne afstemming met bijbehorende escalatiemodellen en afspraken kan veel oplossen.

Wetgever

In het Bouwbesluit is nu in hoofdstuk 8 gedetailleerd opgenomen waar een veiligheidsplan aan moet voldoen. Op welke wijze bouw- en sloopveiligheid onder de toekomstige Omgevingswet in het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt opgenomen is nog niet geheel duidelijk, maar het streven is om dit conform de huidige wettelijke borging ook terug te laten keren in deze nieuwe wetgeving. Hierover vindt tot vaststelling van het Besluit bouwwerken leefomgeving overleg plaats met het ministerie van BZK.

Het speelveld in de gewenste praktijk

Opdrachtgever

Een opdrachtgever die zich al aan het begin van het ontwerpproces bewust is van de impact van het realiseren van zijn project op de omgeving, en een opdrachtgever die al op voorhand goed calculeert en onderzoekt welke kosten bouw- en sloopveiligheid voor zijn project gaan betekenen.

Architect

Een architect die bouw- en sloopveiligheid meeneemt in zijn opdracht en bij het ontwerpen van het project voldoende rekening houdt met de omgevingsfactoren tijdens de uitvoeringsfase. En een architect die in het bestek duidelijk beschrijft wie, waar en voor welke onderdelen van de bouw- en sloopveiligheid verantwoordelijk is.

Adviseur

Afhankelijk van de complexiteit en risico’s worden specifieke adviseurs ingeschakeld die voldoende invloed hebben op de integrale veiligheidsaspecten van het bouw- of sloopproces. Zij hebben bij zowel ontwerp als realisatie een belangrijke rol om deze veiligheid te borgen en worden binnen de contractvormen hier ook toe in staat gesteld.

Aannemer / opdrachtnemer

Een aannemer die al bij het calculeren van de aanneemsom de bouw- en sloopveiligheid meeneemt en die onderzoekt in samenspraak met andere partners in het proces, zoals de gemeente, welke maatregelen hij nodig acht om het project op een verantwoord veilige wijze te kunnen uitvoeren.

Bevoegd gezag

Het bevoegd gezag (veelal de gemeente) dat zich bewust is van zijn verantwoordelijkheden en op een integrale wijze kijkt naar alle aspecten die een relatie hebben met bouw- en sloopveiligheid. Een gemeente die dus vroegtijdig de partijen die betrokken zijn bij het project aan tafel vraagt en hier ook duidelijk haar rol in neemt. Het is tenslotte het bevoegd gezag dat moet kunnen beoordelen of een gebouw in zijn specifieke situatie veilig en verantwoord gerealiseerd kan worden. Je hebt immers niets aan een omgevingsvergunning voor een gebouw dat je vervolgens niet kunt realiseren.

Wetgever

Een wetgever die bouw- en sloopveiligheid als verantwoordelijkheid blijft zien om het doel, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, te bereiken.

Waar willen wij met de richtlijn naar toe?

Om inzicht te krijgen in hoe de bouwwereld in het echt functioneert is het aanbevelenswaardig om kennis te nemen van de rapporten van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (hierna: Onderzoeksraad).

Onderstaande rapporten geven inzicht in de huidige, in de bouwwereld heersende veiligheidscultuur:

•Ingestorte betonvloer Rotterdam 21-10-2010

•Ingestort dak tribune Grolsch Veste 7-7-2011

2Onderzoeksraad 3 juli 2012: https://www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/1048/ingestort‐dak‐tribune‐ grolsch‐veste‐7‐juli‐2011

•Hijsongeval Alphen aan de Rijn 29-6-2016 en

•Hijsen in het hart van de Stad Den Haag 26-4-2017

Deze rapporten geven inzicht in en duidelijkheid over de toedracht van de ongevallen en de rol hierin van alle betrokken partijen. Uit de adviezen en de aanbevelingen van de Onderzoeksraad kunnen alle betrokkenen lering trekken. Voor gemeenten bieden de rapporten handvatten om de taken op het gebied van de publieke veiligheid nog beter uit te voeren. De Onderzoeksraad is in deze rapporten uitgesproken over de rol van de gemeente op het gebied van veiligheid, zowel vanuit haar rol als opdrachtgever, als vanuit haar rol als vergunningverlener/toezichthouder. De Onderzoeksraad is bovendien van oordeel dat er meer bewustzijn en integrale verantwoordelijkheid moet zijn bij alle betrokken partijen.

Kort gezegd wordt in de aanbevelingen uit de hierboven genoemde rapporten met name gewezen op de verantwoordelijkheid voor risicobeheersing, waarbij de Onderzoeksraad het van groot belang acht dat bij bouwprojecten vooraf invulling moet worden gegeven aan die verantwoordelijkheid.

Wat betreft het ingestorte dak van de Grolsch Veste. Door de aard van het bouwwerk bleef de calamiteit “binnen” de bouwplaats en kwam vooral de Arbokant in the picture, maar qua oorzaken past deze calamiteit in dit rijtje.

De Onderzoeksraad heeft in het rapport “Hijsongeval Alphen aan den Rijn” de aanbeveling gegeven, om een risicogestuurd afwegingskader in het Bouwbesluit te verankeren. Dit kader bepaalt onder welke omstandigheden een bouwveiligheidsplan als voorwaarde voor de verlening van een omgevingsvergunning is geboden.

3In de RvS‐versie van het Bbl (juni 2017) is er toch iets met de kritiek op de IC‐versie gedaan. In artikel 7.8 onder b wordt nu tussen haakjes het bouwveiligheidsplan genoemd, in artikel7.11 onder f het sloopveiligheidsplan (ook tussen haakjes) en in de artikelsgewijze toelichting op artikel 7.8 wordt de inhoudsopgave van het veiligheidsplan vermeld. Bij artikel 7.11 wordt daarnaar verwezen.

De Onderzoeksraad heeft benadrukt dat zorg voor veiligheid een kerntaak is van de overheid. Indien risicovolle bouwprojecten worden voorgedragen voor vergunningverlening, dient de gemeente zich ervan te verzekeren dat de veiligheid van de omgeving van een bouwwerk is gewaarborgd. Aangezien het wettelijke instrument (het bouwveiligheidsplan) facultatief is en de Onderzoeksraad van oordeel is dat het bouwveiligheidsplan vaker en intensiever kan worden gebruikt om de (omgevings-) veiligheid van bouwprojecten te verzekeren, acht de Onderzoeksraad het van belang dat de gemeenten hierin worden ondersteund door een wettelijk vastgelegd afwegingskader. De risicoafweging of een bouwveiligheidsplan geboden is, wordt hierdoor onderbouwd en transparant. In het rapport “Hijsen in het hart van de stad Den Haag” is deze aanbeveling verder uitgewerkt. Aan de Minister voor Wonen en Rijksdienst is de aanbeveling gedaan om in samenwerking met de bouwsector, het inzicht in de omvang en aard van bouwrisico’s voor de omgeving van een bouwplaats te verbeteren. De Onderzoeksraad heeft geadviseerd om hiervoor gestructureerd kenmerken, oorzaken, gevolgen en frequentie van incidenten bij te houden en deze gegevens als open data te publiceren. Daarnaast heeft de Onderzoeksraad geadviseerd om het valgedrag van objecten, die uit hijskranen kunnen vallen te onderzoeken en de resultaten hiervan te publiceren. Deze resultaten moeten worden gebruikt om een veiligheidsniveau, vast te stellen voor de omgeving van bouwplaatsen. Aan de Vereniging BWT Nederland heeft de Onderzoeksraad de aanbeveling gedaan om de data, de resultaten van het onderzoek en het vastgestelde veiligheidsniveau als genoemd in de aanbevelingen aan de Minister voor Wonen en Rijksdienst in de landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid te gebruiken.

Gelet op deze aanbevelingen hebben wij in deze richtlijn de lessen van deze rapporten vertaald naar de rol van de gemeentelijke organisatie en andere betrokken partijen en deze vertaald in de verschillende hoofdstukken.

Voorwoord

Deze richtlijn is tot stand gekomen op initiatief van de Vereniging BWT Nederland en samengesteld door de Werkgroep Bouw- en sloopveiligheid in samenwerking met het expertpanel Veiligheidsafstand bestaande uit afvaardiging vanuit diverse partijen.

Deze richtlijn bevat alle ingrediënten voor het veilig borgen van de “bouw- en sloopveiligheid”. Het format is gaandeweg het totstandkomingsproces, echter omgebouwd van handreiking tot ‘richtlijn’ door een aantal incidenten dat heeft plaatsgevonden, door adviezen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid én door het veranderen van de regels over dit onderwerp in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daar zijn wij als Vereniging BWT Nederland blij mee. Deze landelijke richtlijn wordt aangewezen in de Omgevingsregeling onder de Omgevingswet en de Nota van Toelichting van het Bbl.

Met inzet en ondersteuning van een groot aantal personen is de richtlijn samengesteld. De samenstelling van de richtlijn is gerealiseerd door een projectgroep bestaande uit de personen:

–Wico Ankersmit, Vereniging BWT Nederland

–Vincent Hilhorst, gemeente Den Haag

–Hans in ’t Veld, gemeente Utrecht

–Rob Jense, Omgevingsdienst Regio Arnhem

–Theo van Kampen. Aboma BV

–Sandra Habets, gemeente Alphen aan de Rijn

–Jan Middeljans, gemeente Amsterdam

–Gert Ploeg, gemeente Utrecht

–Mohammed Al-Saadi, gemeente Rotterdam

–Henry de Roo, RooBeek Advies (projectleiding namens de Vereniging BWT Nederland)

Een klankbordgroep bestaande uit de personen werkzaam in de bovengenoemde gemeenten, heeft tevens bijgedragen aan de realisering van de landelijke richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid. Een commentaarversie van juni 2017 is breed uitgezet en heeft uit verschillende hoeken van de markt en brancheverenigingen waaronder Rijksvastgoedbedrijf, BNA, NL-ingenieurs, NVAF, Neprom, BAM, Dura Vermeer, J.P. Van Eesteren, M.J. de Nijs, Xaro-Consult, Veras, VSB, VVT en ROA veel reacties en feedback gegeven. Wij zijn alle betrokkenen dankbaar voor hun inzet en bijdrage.

6 Bouwveiligheidszone, hijszone en hijsgebied

6.2 Veiligheidsafstanden (Bouwveiligheidszone, hijszone en hijsgebied)

6.2.1 Kleine vallende voorwerpen

Het risico van kleine vallende voorwerpen doet zich voor in de bouwveiligheidszone. Zoals eerder is omschreven, is deze zone afhankelijk van de objecthoogte (zie tabel 1 en tabel 2). De zone dient op de situatietekening te worden geprojecteerd. Hieruit kan worden afgeleid binnen welke openbare ruimten zich risico’s voordoen en waarvoor in elk geval maatregelen nodig zijn tegen kleine vallende voorwerpen.

Een kleine nuancering is mogelijk: het is mogelijk om te bepalen tot welke hoogte de bouwveiligheidszone binnen de contouren van het bouwterrein valt. Deze hoogte wordt bijvoorbeeld op een aanzicht (bijv. een geveltekening) verwerkt. Aan de hand van deze lijn kan worden bepaald welke werkzaamheden worden uitgevoerd, terwijl de risico’s zich voordoen binnen de grenzen van het bouwterrein. Voor deze werkzaamheden zijn voorzieningen nodig, in elk geval tegen kleine vallende voorwerpen.

Tijdens de ontwerpfase dient het gevaar van kleine vallende voorwerpen te zijn bepaald en de bouwveiligheidszone op (situatie-) tekening te zijn aangegeven. Vóór aanvang van de uitvoeringsfase dient de bouwveiligheidszone nauwkeurig op tekening te staan.

6.2.2 Zware vallende voorwerpen

Het gevaar van zware vallende voorwerpen doet zich voor tijdens het lossen, hijsen en monteren van grote elementen aan de buitenzijde van het gebouw / object. Dit risico doet zich voor in het hijsgebied en in de hijszone. Belangrijk daarbij is de omvang van het object. Als bijvoorbeeld een vloerelement met een lengte van 8 meter wordt gehesen tot een hoogte van 20 meter (de bouwveiligheidszone is 4 meter) is het hijsgebied voor dit element 8 plus 4 plus 1/3 van 4 meter is 1,3 m1is 13,3 meter vanaf de gevel van het bouwwerk. In deze zone kan geen publiek aanwezig zijn. Er wordt rekening gehouden met het draaien van een element door de wind; de lengte (maar niet de breedte) van een langwerpig voorwerp is hierbij bepalend.

12Het hijsen van een last over de openbare straat en/of in gebruik zijnde belendingen is niet toegestaan.

13Het hijsgebied kan een hijsroute zijn of een gebied waarin grote of zware onderdelen worden bewerkt.

14Mocht een hijsgebied boven een belending zijn geprojecteerd (de projectie van bouwveiligheidszone op maaiveld is maatgevend) dan mogen zich binnen deze projectie geen derden bevinden. Wanneer zich binnen de projectie van de bouwveiligheidszone noodtrappenhuizen bevinden, moeten de vloervelden, welke voor ontvluchting op deze trappenhuizen zijn aangewezen, aanvullend ook vrij van publiek zijn / worden gemaakt. Dit zal veelal tot het instellen van een alternatieve vluchtroute (bypass) leiden.

6.2.3 Bouwveiligheidszone

De bouwveiligheidszone is afhankelijk van de objecthoogte en volgt de contouren van het object, zie het volgende hoofdstuk voor details. Het is mogelijk dat het bouwproces in fasen met een verschillende hoogte wordt uitgevoerd; in dat geval wordt de bouwveiligheidszone voor elke fase bepaald. De bouwveiligheidszone heeft betrekking op kleine en relatief lichte voorwerpen (tot 5 kg). Voor zwaardere voorwerpen gelden de hijszone en het hijsgebied.

De bouwveiligheidszone geldt voor de duur van het gehele project omdat het gevaar van kleine vallende voorwerpen zich voordoet in elke uitvoeringsfase van het project. Het kan gaan om voorwerpen als sloopafval, onderdelen van bouwmachines, bouwmaterialen en gereedschap. Als het nodig is kan voor een specifiek gevaar een bijzondere maatregel worden getroffen.

Geef op de situatietekening de hoogten van de bouwdelen aan. Bepaal aan de hand van tabel 1 de bouwveiligheidszone van elk bouwdeel, die de contouren volgt van het object.

Figuur 6.1

In het bovenstaande figuur is te zien dat de bouwveiligheidszone de contouren volgt van het object. Doordat personen zich bevinden buiten de bouwveiligheidszone, worden zij beschermd tegen uiteenlopende gevaren die zich voordoen in elke uitvoeringsfase.

6.2.4 Hijszone en hijsgebied

Het is niet toegestaan dat personen zich kunnen bevinden in het gebied dat invloed kan ondervinden door hijswerk; dit wordt bepaald door de hijszone en het hijsgebied. Zie het volgende hoofdstuk voor details.

Figuur 6.2

Het bepalen van dit gebied begint met de inschatting van de mogelijke losplaats. Elementen kunnen draaien in de wind en daarom wordt de draaicirkel van het grootste element geprojecteerd in de hijszone. Vanaf dit element kunnen onderdelen vallen en daarom wordt tweemaal de omvang van de bouwveiligheidszone erbij opgeteld: dit is het hijsgebied.

Als bijvoorbeeld een vloerelement met een lengte van 8 meter wordt gehesen tot een hoogte van 40 meter (de bouwveiligheidszone is 6 meter) is het hijsgebied voor dit element 8 plus 6 plus 1/3x6 = is 16 meter. In deze zone kan geen publiek aanwezig zijn.

In veel gevallen is het mogelijk om de hijszone en het hijsgebied te projecteren aan tenminste één zijde van het object. Geef aan welke zijde de voorkeur verdient. Als de ruimte aan de buitenzijde van het object ontbreekt, kan het nodig zijn dat vanaf de bouwplaats wordt gelost en gehesen of zelfs binnendoor het object wordt gehesen.

Nadat de laad- of losplaats en de verticale hijsbeweging is bepaald, kan het nodig zijn om de hijsroute vast te leggen. Dit is nodig als personen zich in het object kunnen bevinden (dit moet blijken uit stap 1). Voor de omvang van de hijsroute geldt hetzelfde als het hijsgebied.

Inmiddels zijn de technische mogelijkheden van de kranen, die gebruikt worden in Nederland, zover ontwikkeld dat het mogelijk is kranen door middel van software te begrenzen voor wat betreft de hijshoogte en het draaibereik. Als het bouwveiligheidsplan gebruikmaakt van specifiek benoemde hijszones en/of zones waarin een hoogte-beperking en/of een verbod geldt voor het hijsen, dient de kraan gebruik te maken van softwarematig ingeregelde begrenzingen voor de hijshoogte en het draaibereik. Deze softwarematige begrenzingen moeten overeenkomstig de uitgangspunten van datzelfde bouwveiligheidsplan zijn ingeregeld. De softwarematige begrenzing van de hijshoogte en het draaibereik van de kraan kunnen als een gelijkwaardige oplossing worden aangemerkt voor de vergroting van de bouwveiligheidszone. De maatregelen volgens de Richtlijn Torenkranen zijn verplicht.

6.2.5 Hijsgebied als gevolg van werkzaamheden

Het hijsgebied wordt eveneens aangehouden tijdens werkzaamheden waarbij grote onderdelen worden verwerkt aan de buitenzijde van het object. In een vroeg stadium van de ontwerpfase is een beperkt aantal onderdelen bekend; op dat moment wordt gefocust op de mogelijke omvang van de grote elementen. In de uitvoeringsfase wordt de hijszone voor elk onderdeel en de betreffende veiligheidsmaatregel bepaald.

Ook voor deze werkzaamheden wordt het hijsgebied bepaald door de omvang van een voorwerp (de grootste afmeting: de lengte, breedte of hoogte) plus de bouwveiligheidszone rondom het tijdelijke hijsgebied.

Figuur 6.3

6.2.6 Benodigde extra bouwveiligheidsruimte ruimte tussen hijsgebied en bouwwerk en /of steiger.

Uit de praktijk is gebleken dat het voor een kraanmachinist niet mogelijk en gewenst is om een hijslast dicht langs een bouwwerk/steiger verticaal omhoog te transporteren. Onder invloed van wind zal een hijslast mogelijk zijdelings onverwacht kunnen gaan bewegen. Hierdoor kan er een risico ontstaan dat de hijslast onderweg naar boven ergens achter blijft haken. Uit het expertpanel kwam ook naar voren dat in de praktijk veel incidenten hebben plaatsgevonden doordat een hijslast het gebouw raakte. Om de kraanmachinist de ruimte te geven verticale bewegingen verantwoord uit te voeren moet er extra aanvullende bouwveiligheidsruimte worden gecreëerd tussen het hijsgebied en het bouwwerk en/of steiger. Deze ruimte is op basis van de resultaten uit het expertpanel bepaald op 1/3 deel van de waarde, zoals die vermeldt staat bij de betreffende hijslast hoogte die van toepassing is. Bijvoorbeeld bij een hijslasthoogte van 100m staat een waarde in tabel 1 van 12 meter bouwveiligheidsruimte. 1/3 Deel van deze waarde is 4 meter. De hijszone dient in dat geval minimaal 4 meter van het gebouw af te liggen.

Figuur 6.4

6.2.7 Invulplannen en overbouwingen

Voor te bouwen objecten, welke direct aan een belending grenzen, gelden dezelfde uitgangspunten. Het betreft zowel horizontale als verticale ontmoetingen van bestaande bouw en bouwactiviteiten.

1Een dak van een belending, welke aan een nieuw te bouwen object grenst, dient als bouwveiligheidszone te worden ingericht. Ook hier geldt de tabel 1 voor klein vallend materiaal respectievelijk materieel.

2Bij invulplannen zal de aan de op maaiveldniveau gerelateerde projectie van de bouwveiligheidszone mogelijk aanleiding zijn voor ontruiming van de belending. Zie afbeelding 6.2.7.1 en 6.2.7.2.

3Een alternatieve oplossing kan zijn dat alleen de bovenste verdiepingen worden ontruimd. Het instellen van deze "veiligheidsbuffers" zal vanuit de logistiek, welke voortvloeit uit de gekozen bouwmethode, door de hoofdconstructeur van het werk vooraf moeten worden beoordeeld / berekend en ter goedkeuring bij het bevoegd gezag ingediend moeten worden.

4Ingeval er zich kelders onder het maaiveld bevinden geldt de oppervlakte van de projectie op maaiveldniveau ook voor de onder maaiveld gelegen bouwlagen.

5Bij aanwezigheid van derden in de bouwveiligheidszone (onder constructies of hulpconstructies boven of ondergronds), bij belendingen dient altijd via een constructief dynamische berekening te worden aangetoond dat de constructie waarop een object terecht kan komen dat dit verantwoord mogelijk is.

Figuur 6.5

Figuur 6.6

Voor overbouwingen / overkluizingen zoals bijvoorbeeld het bouwen boven een weg ligt de moeilijkheidsgraad nog hoger. Een logistiek plan zal ook hier onderdeel uit moeten maken van de uitvoering. Alle fasen eisen hun eigen voorzieningen m.b.t. bouwveiligheid. Een uitgewerkt stappenplan geeft inzicht in de risico's / gevaarzettingen per bouwfase.

6.2.8 Vergroten bouwveiligheidszone in verband met weg kaatsende voorwerpen

Bij enkele incidenten op bouwplaatsen zijn binnen de bouwveiligheidszone voorwerpen uit hijstransportmiddelen gevallen. Deze zijn afgeketst op, in de bouwveiligheidszone aanwezige objecten, zoals een hefsteiger en een bouwlift en daardoor buiten het bouwterrein terecht gekomen.

Inmiddels zijn de technische mogelijkheden van de kranen, die worden gebruikt in Nederland, zover ontwikkeld dat het mogelijk is kranen door middel van software te begrenzen voor wat betreft de hijshoogte en het draaibereik. Dit is een goed middel om in voorkomende gevallen de bouwveiligheid en veiligheid in de omgeving te borgen.

Vallende voorwerpen kunnen wegkaatsen. Om rekening te houden met het risico op wegkaatsen van objecten tot buiten de bouwveiligheidszone zijn de volgende aanvullende regels van toepassing.

De afmetingen van de bouwveiligheidszone worden in eerste instantie bepaald door de hoogte van het te bouwen object conform het huidige Bouwveiligheidsbeleid.

Indien zich binnen de bouwveiligheidszone objecten bevinden die de valrichting van een vallende hijslast kunnen beïnvloeden, dient de bouwveiligheidszone te worden vergroot.

Deze is op tekening 6.7 aangegeven als de BVZ+.

Figuur 6.7 (weg kaatsende vallende objecten)

Objecten die de val kunnen beïnvloeden zijn onder meer:

–hefsteigers;

–bouwliften;

–containers;

–hulpconstructies;

–rekken / voorraden bouwmateriaal.

Het vergroten van de bouwveiligheidszone is afhankelijk van:

–de maximale hoogte van de hijslast;

–de plaats van het object ten opzichte van de grens van de bouwveiligheidszone;

–de maat die uit tabel 1 voortvloeit.

Indien de bouwveiligheidszone niet kan worden vergroot, dient het object, waardoor het risico op wegkaatsen ontstaat, uit de bouwveiligheidszone te worden verwijderd, in ieder geval tijdelijk, zolang de betreffende werkzaamheden voortduren.

6.2.9 Vergroten BVZ bij het hijsen van lange delen (damplanken, prefab heipalen, wapeningselementen en andere lange in de grond achterblijvende onderdelen).

Bij het aanbrengen van lange verticale objecten dient er altijd rekening mee gehouden te worden dat deze objecten uit het hijsmiddel kunnen vallen. Dit betekent dat ten tijde van de hijsbeweging tot aan het moment van stand zekerheid (fixeren) er voor gezorgd moet worden dat er indien nodig extra bouwveiligheid ruimte wordt gecreëerd. Tijdens het verwerken van deze lange delen dient dan ook een bouwveiligheidszone aanwezig te zijn gelijk aan de lengte van het lange deel. Dit kan inhouden afhankelijk hoe dicht aan de rand van het bouwproject wordt gewerkt dat tijdelijk een zeer grote bouwveiligheidszone aanwezig is. Is dit onmogelijk dan dient een maatwerkoplossing te worden voorgelegd in het bouwveiligheidsplan en dient het bevoegd gezag dit te beoordelen. Dat kan door het tijdelijk beschikbaar hebben van een extra bouwveilgheidzone dan wel door aanvullende hulpconstructies die het vallende object kunnen stoppen in de val en de richting van die val.

Figuur 6.8

6.2.10 Hardheidsclausule (gelijkwaardigheid)

Voor elke bouw- en slooplocatie kunnen specifieke, plaatselijke werkgerelateerde omstandigheden van toepassing zijn. Dit kan voor het lokaal bevoegd gezag een aanleiding zijn om op basis van gelijkwaardigheid een alternatieve oplossing ("maatwerk") te accorderen die mogelijk in afwijking zijn van het gestelde zoals verwoordt in de Landelijke richtlijn. Daarmee heeft het bevoegd gezag altijd zelf de keuze voor maatwerkvoorschriften. Uitgangspunt hierbij is echter wel dat er geen verhoogd risico voor derden mag ontstaan t.o.v. de reguliere werkwijze.

7 Omschrijving van gevaren, hinder en maatregelen

7.1 Gevaren (Schade aan belendingen)

7.1.1 De belendingen

Wanneer bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden een risico bestaat dat belendingen beschadigd kunnen raken, wordt van alle binnen het risicogebied (de bouwveiligheidszone) aanwezige belendingen een opnamerapportage gemaakt. In deze rapportage zijn ten minste de volgende aspecten vastgelegd:

•de bouwkundige staat van het pand;

•een beschrijving van de hoofddraagstructuur van het pand;

•de aanlegdiepte en -breedte van de fundering;

•de soort en inheidiepte van funderingspalen;

•een beschrijving van reeds aanwezige schade of vervorming;

•toelichtende foto’s.

Van de belendingen wordt de constructieve opbouw en de aard van de fundering onderzocht en vastgelegd aan de hand van een omschrijving, tekeningen en foto's. Op basis van dit onderzoek worden de belendingen ingedeeld in één van de gebouwcategorieën, zoals omschreven in de SBR-richtlijn A: Schade aan bouwwerken. Op basis hiervan worden de toelaatbare trillingswaarden per belending vastgelegd.

In overleg met de eigenaren wordt onderzocht of er constructieve maatregelen aan de belendingen mogelijk zijn om (gevaarlijke) schade te voorkomen.

7.1.2 Vervormingsmetingen

Om eventuele vervormingen (zettingen en relatieve rotaties) bij belendingen tijdig te detecteren, worden aan de belendingen die binnen de bouwveiligheidszone liggen tijdens de uitvoering vervormingsmetingen uitgevoerd.

Vooronderzoek

•Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot de diverse risicoaspecten liggen.

•Op basis van de draagstructuur van de belendingen wordt bepaald wat de toelaatbare zettingen en relatieve rotaties voor de belendingen zijn. Deze vervormingsgrenzen worden in overleg met het bevoegd gezag vastgesteld.

•Er wordt bepaald of er alleen verticale metingen (meetboutjes) of 3D-metingen (x, y, en z-vervormingen) worden uitgevoerd.

•Op basis van de structuur van de belendingen worden meetpunten aangebracht.

•Er wordt een meetprotocol voor vervormingsmetingen opgesteld, waarin ten minste de meetfrequenties zijn vastgelegd.

•Er wordt een deskundige partij gekozen voor het uitvoeren van de metingen.

•Er wordt een procedure vastgesteld bij overschrijding van de vervormingsgrenzen.

Metingen

•Ten behoeve van uit te voeren vervormingsmetingen wordt van ieder pand een 0-meting uitgevoerd. De resultaten hiervan worden vastgelegd in een meetrapport.

•Vervolgmetingen worden systematisch vergeleken met de resultaten van de 0-meting.

•De meetresultaten worden volgens het protocol naar alle betrokkenen verzonden.

Calamiteiten

•De vastgestelde zettingsgrenzen worden overschreden.

•De vastgestelde maximale relatieve rotaties worden overschreden.

•Er ontstaat onvoorziene scheurvorming in belendingen.

•Door maaiveldzakkingen is de veiligheid van het openbaar gebied in gevaar of het openbaar gebied is niet meer op een normale wijze toegankelijk.

•De meetapparatuur faalt.

Maatregelen

•De vervorming-veroorzakende werkzaamheden worden gestaakt.

•Er worden (in overleg met de betreffende belending-eigenaren) maatregelen aan de belendingen getroffen ten einde verdere vervorming te voorkomen.

•De uitvoeringsmethoden worden aangepast, zodat geen verdere vervorming aan belendingen meer kan optreden.

•Maatregelen worden voorbereid in overleg met het bevoegd gezag.

•Maatregelen worden voorbereid en uitgevoerd door de vergunninghouder, zijn gemachtigde of degene die de omgevingsvergunning uitvoert.

7.1.3 Trillingen

Trillingen kunnen schade aan belendingen veroorzaken. Daarom moeten deze trillingen tijdens de uitvoering gemeten worden.

Vooronderzoek

•Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot trillingen liggen.

•Trillingen tijdens bouwwerkzaamheden, zoals inbrengen van funderingspalen of damwanden, worden beperkt overeenkomstig het gestelde in de SBR-richtlijn A: Schade aan bouwwerken.

•Er wordt vastgesteld welke soort trillingen op zal treden, afhankelijk van de trillingsbron (kortdurend, herhaald kortdurend of continu).

•Er wordt een protocol opgesteld voor het uitvoeren van trillingsmetingen.

•Hierin wordt onder andere vastgelegd welke meetmethode zal worden toegepast (indicatief, beperkt of uitgebreid) en wat de meetfrequentie wordt.

•Er worden op de belendingen meetpunten aangebracht conform de vastgestelde meetmethode.

•Er wordt een procedure vastgesteld bij overschrijding van de trillingsgrenzen.

•Er wordt een deskundige partij gekozen voor het uitvoeren van de metingen.

Metingen tijdens de uitvoering:

•Tijdens het uitvoeren van trillingveroorzakende werkzaamheden worden de trillingen continu of volgens de in het protocol vastgelegde frequenties gemeten.

•Er wordt een alarmsignalering ingesteld (ca. 90% van de grenswaarde).

•Een bemande meting met een alarmlamp heeft hierbij de voorkeur.

•De meetresultaten worden volgens het protocol naar alle betrokkenen verzonden.

Calamiteiten:

•De grenswaarde wordt overschreden.

•Er ontstaat (ernstige) schade aan belendingen.

•Er treedt verdichting van de bodem op waardoor zakkingen van paden en wegen optreden.

Maatregelen:

•De trillingveroorzakende werkzaamheden worden gestaakt.

•De meetmethode wordt aangepast (de grenswaarde van uitgebreide metingen is hoger dan indicatief of beperkt).

•De uitvoeringsmethode wordt aangepast, zodat geen verdere vervorming aan belendingen meer kan optreden, zoals bijvoorbeeld:

o Het heiblok, de valhoogte, of de trilfrequentie wordt aangepast.

o Er wordt een sleuf gegraven tussen de trilbron en de belendingen om oppervlakte-trillingen te verminderen.

o Er wordt overgegaan op voorboren en/of fluïderen (niet in de vaste zandlaag) tot een bepaalde diepte (in overleg met geotechnisch adviseur en de hoofdconstructeur).

o De uitvoeringsvolgorde wordt aangepast.

o Er wordt overgaan op een andere uitvoeringstechniek (trillingvrij- systeem).

7.1.4 Bemalingen

Overeenkomstig Bouwbesluit 2012, artikel 8.6, mag de grondwaterstand buiten de bouwput niet zover worden verlaagd, dat gevaar kan ontstaan voor de veiligheid van belendingen.

Vooronderzoek

•Er wordt een bemalingsplan opgesteld.

•Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot grondwaterstandsverlaging liggen.

•De actuele en historische grondwaterstanden van het freatische oppervlaktewater en ook van de diepere watervoerende lagen worden gemeten en/of verzameld.

•Er wordt bepaald wat de te bemalen hoeveelheid water per tijdseenheid wordt en wat de totale bemalingsduur gaat worden.

•Op basis hiervan worden de bijbehorende meldingen gedaan of vergunningen aangevraagd.

•Het invloedsgebied van de bemaling wordt vastgesteld volgens het bemalingsadvies

•Er wordt een inschatting gemaakt van de te verwachten neerslag.

•Er wordt een inschatting gemaakt van te verwachten lekkage door de keerwanden en bouwputbodem.

•Er worden peilbuizen geplaatst volgens het bemalingsplan.

•De mogelijkheid van retourbemaling wordt onderzocht.

•Er wordt een maximaal toelaatbare grondwaterstandverlaging buiten de bouwput vastgesteld (grenswaarde).

Metingen tijdens de uitvoering

•Peilbuizen worden zodanig geplaatst en beschermd dat er geen regenwater (oppervlaktewater) in de peilbuis gaat stromen.

•Er wordt een bemalingsproef uitgevoerd.

•De afgelezen metingen per peilbuis worden vergeleken met de grenswaarde. Het vaststellen van een alarmwaarde (90% van de grenswaarde) is hier erg belangrijk, gezien het feit dat grondwater enige tijd nodig heeft om te stromen en op een bepaald peil te komen.

•Afgelezen waterstanden in de peilbuizen worden door een deskundige geanalyseerd en vergeleken met de te verwachten waarden.

•Metingen en analyse van grondwaterstanden worden met betrokkenen gecommuniceerd.

Calamiteiten

•De grenswaarde voor verlaging wordt overschreden.

•De bemaling of retourbemaling faalt.

•Er treden lekkages in de bouwputwand en/of –bodem op.

•Er moet langer worden bemalen dan de vooraf ingeschatte periode.

Maatregelen

•De bemalingscapaciteit wordt aangepast.

•Lekkages worden gedicht.

•Er worden aanpassingen aan de bouwputwanden en/of –bodem uitgevoerd.

•De bemalingsinstallatie wordt hersteld.

•Er wordt toch retourbemaling toegepast.

•Er worden reservepompen ingezet.

•Er worden (in overleg met de eigenaren) aanpassingen aan de grondwatergevoelige belendingen uitgevoerd.

7.1.5 Ontgravingen naast belendingen

Open bouwputten worden meestal niet naast belendingen gegraven. Daarom blijft deze bouwputmethode hier verder buiten beschouwing. Bij de verdere beschouwing zal worden uitgegaan van een bouwput met kunstmatig aangebrachte bouwputwanden en een eventueel kunstmatig aangebrachte bouwputbodem.

Vooronderzoek

•Er wordt een zodanig bouwputontwerp gemaakt, dat er tijdens uitvoering geen gevaar voor de veiligheid van belendingen ontstaat.

•Uitgangspunt hierbij is, dat verticale bouwputbegrenzingen niet zodanig vervormen, dat de veiligheid van belendende bouwwerken of in de weg gelegen kabels en leidingen geschaad wordt of dat hieraan ontoelaatbare vervormingen optreden.

•Er wordt vastgesteld welke belendingen binnen de bouwveiligheidszone met betrekking tot vervorming van bouwputwanden liggen.

•Er wordt bij het ontwerp van de bouwput rekening gehouden met uitval van stempels, gordingen of ankers, zoals omschreven in CUR-rapport 166.

•Er wordt een berekening gemaakt van de te verwachten vervormingen van de bouwput en de daarmee samenhangende vervormingen van belendingen.

•Er wordt een zodanige uitvoeringsfasering gekozen, dat er zo min mogelijk vervormingen buiten de bouwput optreden.

Metingen

•Tijdens het uitvoeren van de bouwput worden de metingen verricht, zoals omschreven artikel 7.1.2.

•Wanneer de bouwput dicht langs begrenzingen ligt, worden in de bouwputwanden inclino-metingen uitgevoerd.

•De resultaten van deze metingen worden continu vergeleken met de vervormingsmetingen aan de aangrenzende belendingen.

Calamiteiten

•Er treden tijdens de ontgraving van de bouwput te grote vervormingen op bij belendingen.

•Er treedt een onvoorziene uitval van stempels, gordingen of ankers op.

•Er ontstaan onvoorziene lekkages in de bouwputwand en/of –bodem.

o Lekkages kunnen ontstaan door problemen met de grondkerende elementen (damwanden, boorpalen), maar ook door discontinuïteit in de horizontale afsluitende laag van de bouwput. Lekkages kunnen ook ontstaan door slechte uitvoering van onderwaterbeton of opbarsten van een bouwput. Dit laatste kan optreden door het onvoorzien falen van spanningsbemaling.

•Er treedt opbarsten van de bouwputbodem op.

o Bij een gesloten bouwput (verticaal door grondkerende elementen tot onder de afsluitende laag en horizontaal door de aanwezigheid van een slecht of niet doorlatende laag op grotere diepte) kan zich dat voordoen door verlies van verticaal evenwicht van de bouwputbodem. Door het stijgen van overdruk van grondwater onder de afsluitende laag en/of een kleine dikte van de aanwezige grond boven deze laag, kan de putbodem openbarsten. Het optreden van opbarsten kan tijdens de uitvoering worden gecontroleerd door het plaatsen en voortdurend meten van diepe peilbuizen. Door het meten van peilbuizen (waterdruk) in combinatie met grondonderzoek kan worden berekend of de afsluitende laag, samen met de erboven gelegen grondlagen, voldoende gewicht geeft om weerstand te bieden aan de opwaarts gerichte druk van het grondwater. Dit is een onderdeel van het ontwerp van de bouwput. Wijkt de werkelijke situatie af van de ontwerpuitgangspunten, dan moeten tijdens de uitvoering maatregelen worden getroffen, zoals een diep-bemaling, om de waterdruk in de diepere lagen te verlagen waardoor evenwicht van de bouwputbodem wordt bereikt. Een andere maatregel is het toepassen van verticale verankering van de bouwputbodem. De uitvoering van de diep-bemaling is nodig totdat er een bepaalde bouwfase bereikt wordt waarbij het verticale evenwicht zonder bemaling is gegarandeerd.

Maatregelen

•De bouwput wordt aangevuld om contragewicht op de bouwputwanden en/of –bodem te creëren.

•De ontgravingsfasering wordt verder verfijnd.

•De bouwputconstructie wordt aangepast (zie onder opbarsten van de bouwputbodem);

•Er worden (in overleg met de eigenaren) aanpassingen aan de belendingen uitgevoerd.

7.1.6 Instabiliteit als gevolg van (gedeeltelijk) slopen

Bij sloopwerkzaamheden kan het te slopen pand en mogelijk de belending instabiel worden, doordat stabiliserende elementen worden verwijderd of de samenhang van het bouwwerk verloren gaat.

Vooronderzoek

•Er wordt onderzoek gedaan naar de constructieopbouw van het (gedeeltelijk) te slopen object.

•Er wordt onderzoek gedaan naar de staat van niet te slopen andere constructieve elementen en ook van de belendingen, indien deze nadelig worden beïnvloed door de sloop.

•Archieftekeningen worden vergeleken met de werkelijke constructie.

•Er wordt een asbestinventarisatierapport opgesteld.

•Er wordt onderzocht of er een (tijdelijke) hulpconstructie nodig is, ter voorkoming van instabiliteit van nog niet gesloopte gedeelten of belendingen.

•De slooptechnieken en sloopvolgorde worden op basis van bovengenoemde onderzoeken vastgesteld.

•Er wordt een methode vastgesteld om sloopafval af te voeren.

Meten en uitvoeren van sloopwerkzaamheden

•Er wordt gecontroleerd op naleving van de sloopvolgorde.

•Er wordt een visuele controle uitgevoerd van niet te slopen bestaande elementen (wanden, vloeren, balken).

•Er worden (eventueel) benodigde metingen uitgevoerd in geval van het genereren van trillingen.

Calamiteit

•Er treedt instabiliteit op van dragende wanden.

•Er ontstaat schade aan belendingen of gedeelten die nog in gebruik zijn.

•Er treedt gedeeltelijke instorting op van dragende elementen door verlies van evenwicht.

Maatregelen

•De slooptechnieken worden aangepast om schade te voorkomen.

•Er wordt een hulpconstructie toegepast ter voorkoming van instabiliteit en/of instorting door verlies van evenwicht.

•Omwonenden worden gewaarschuwd en, indien nodig, geëvacueerd.

7.1.7 Beschadigingen van objecten in de ondergrond

Tijdens het werken aan ondergrondse kabels en leidingen dient onder meer te worden voorkomen: het valgevaar voor publiek, elektrocutie en het niet- beschikbaar zijn van nutsvoorzieningen. De betreffende instanties dienen te zijn benaderd en de betreffende procedures dienen daarbij te worden opgevolgd.

Mocht dit aannemelijk zijn, dan dient tijdens de ontwerpfase een inventarisatie uitgevoerd te worden naar bijzondere ondergrondse objecten. Dit kan betrekking hebben op een ondergrondse (olie-) tank, ondergrondse infrastructuur, niet- geëxplodeerde explosieven e.d. In het bouwveiligheidsplan dienen de

veiligheidsmaatregelen te worden omschreven die betrekking hebben om het publiek en de omgeving.

7.1.8 Bijzondere gevaren

Instabiliteit van een nog niet gereed bouwobject

•Bouwwerken moeten tijdens de bouwfase ook stabiel zijn en dus voorzien zijn van de nodige stabiliteitselementen.

•Dit geldt voor de globale stabiliteit (tegen windbelasting en initiële scheefstand) maar ook voor de lokale stabiliteit zoals kip- of knik.

•Daarom worden soms extra berekeningen uitgevoerd om de stabiliteit tijdens de bouwfase te garanderen en worden er (indien nodig) tijdelijke hulpconstructies toegepast.

Tijdelijke hulpconstructies en bouwmaterieel

•Ten behoeve van de uitvoering worden vaak tijdelijke (hulp)constructies aangebracht, zoals steigers, hangsteiger e.d. Ook worden er bouwliften en bouwkranen toegepast.

•Deze constructies moeten ook zodanig worden ontworpen, dat zij geen gevaar opleveren voor publiek en belendingen buiten de bouwput.

•Met name kraanfundaties en kraanbanen moeten zijn ontworpen op uiterste omstandigheden (lasten bij in gebruik zijnde toestand en wind bij buiten gebruik zijnde toestand). Ook kranen op drijvende pontons moeten voldoende stabiel zijn ontworpen.

7.1.9 Risico’s door aanwezig asbest

In het Bouwbesluit 2012 is in artikel 1.26 aangegeven in welke gevallen een sloopmelding moet worden gedaan bij het Bevoegd Gezag (meestal gemeente). Indien asbest aanwezig is, valt de verwijdering van het asbest ook onder de sloopmelding.

In wet- en regelgeving is vastgelegd dat uit een bouwwerk eerst het aanwezige asbest moet worden verwijderd, alvorens tot sloop kan worden overgegaan.

Bij bouwwerken, gebouwd voor 1 januari 1994, zal middels een asbestinventarisatie moeten worden bepaald waar het asbest zich bevindt en onder welke risicoklasse dit dient te worden verwijderd.

Asbestverwijdering is aan strenge regels gebonden en zal, indien deze regels op juiste wijze worden toegepast, zelden tot onaanvaardbare risico’s voor de omgeving leiden.

Ondanks de uitgevoerde asbestinventarisatie en het voorafgaand aan de sloop saneren van asbest uit het bouwwerk, bestaat er een kans dat toch nog asbest in het bouwwerk aanwezig is. Dit wordt niet gerapporteerd asbest genoemd.

Tijdens de sloop van het bouwwerk kan dit asbest aan het licht komen, beschadigd raken en daarmee risico’s veroorzaken binnen het sloopproject, maar ook in de directe omgeving van de slooplocatie.

Een sloper is bij het aantreffen van asbestverdacht materiaal verplicht de werkzaamheden geheel of gedeeltelijk te staken en de vondst van niet gerapporteerd asbest direct te melden bij het Bevoegd Gezag.

Het gaat in deze Richtlijn te ver om het gehele proces na het aantreffen van niet gerapporteerd asbest te beschrijven. Hiervoor willen wij verwijzen naar de Handreiking Slopen van de VBWTN, welke op basis van aanpassingen in wet- en regelgeving indien nodig wordt geactualiseerd.

In relatie tot asbest dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten:

–asbest kan ook worden aangetroffen bij het zgn. strippen van een bouwwerk (denk ook aan anti-kraak-maatregelen);

–voor het verwijderen van asbest en het slopen kunnen hulpconstructies, stempels en stutten noodzakelijk zijn;

–zorg voor de aanwezigheid van het rapport van eindbeoordeling na asbestsanering op de slooplocatie (de zgn. vrijgave);

–wees bedacht op bewust niet gesaneerd asbest bij gedeeltelijke sloop;

–voor het maken van hulpconstructies in of aan belendingen, kan het noodzakelijk zijn dat voor deze belendingen een asbestinventarisatie wordt uitgevoerd;

–bij een instabiel belendend pand zal, als de situatie dat vereist, een asbestinventarisatie uitgevoerd moeten worden. Instabiel kan inhouden dat het pand er zo slecht voor staat dat het of gesloopt moet worden of dat het spontaan in zou kunnen storten;

–het sloopplan van de sloopaannemer moet onderdeel zijn van het (sloop)veiligheidsplan, zodat beoordeeld kan worden of de omgevingsveiligheid tijdens sloop is gewaarborgd;

–decontaminatievoertuigen mogen in het openbaar gebied geen belemmering opleveren voor de openbare orde en veiligheid;

–een steigerconstructie, ten behoeve van de uitvoering van de asbestverwijdering, mag geen belemmering opleveren voor de openbare orde en veiligheid.

7.1.10 Ruimte voor de werkzaamheden

Voor het realiseren is een bouwterrein nodig voor onder meer machines, werktuigen, materieel, hulpmaterialen, keten, opslag, depots, parkeren etc. Dit bouwterrein dient op schaal te worden weergegeven op tekening als onderdeel van het bouwveiligheidsplan.

In een vroeg stadium van de ontwerpfase volstaat een globale inschatting van het benodigde terrein. Bijzondere aandacht vraagt de veelal omvangrijke ruimte voor materieel, parkeren en depots. Gedurende de ontwerpfase dient deze inschatting steeds nauwkeuriger te worden en uiteindelijk uit te monden in een bouwplaatstekening waarop de benodigde ruimte ten behoeve van alle uit te voeren werkzaamheden inzichtelijk is.

De toegang tot de bouwplaats dient zodanig te worden gekozen dat aanrijdgevaar dient te worden voorkomen. De omvang van de terreinen is zodanig dat vluchtwegen, verzamelplaatsen, brandkranen, blusleidingen, routes en opstelplaatsen van hulpdiensten etc. toegankelijk blijven.

De laad-, los- en hijszones zijn zodanig geprojecteerd dat risico’s van vallende voorwerpen wordt voorkomen. In het geval dergelijke zones zich bevinden dichtbij publiek, dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen.

Indien nodig dient in een parkeerplan de carpooling, de locatie van de voertuigen, de eventuele pendeldiensten, de locatie van bezoekers etc. te zijn uitgewerkt.

Kennis van uitvoeringstechniek dient te worden ingebracht over de omvang van bouwkranen, bezinkbassins, bouwwegen, hijsroutes, een ketenpark etc.

7.1.11 Hulpverlening / brandveiligheid

Tijdens de uitvoering van een project kan brandgevaar ontstaan voor de omgeving. Ook kan een aantal voorzieningen voor de hulpverlening een tijdelijk karakter hebben. Hierover beslist het bevoegd gezag al dan niet in overleg met de veiligheidsregio.

Aandachtspunten zijn: het voorkomen van brandgevaar door werkzaamheden elders uit te voeren (te prefabriceren), het in stand houden van blusvoorzieningen / opstelplaatsen van blus- en hulpverleningsvoertuigen, het overkluizen van en in stand houden van vluchtwegen, etc.

Het Bouwbesluit 2012 stelt in hoofdstuk 7 gebruiksvoorschriften voor (bestaande) bouwwerken. Deze direct werkende - en dus handhaafbare - voorschriften zijn te allen tijde van toepassing op bouw- of sloopwerkzaamheden waarbij het gebruik van bouwwerken in stand blijft. Bij een dreigende calamiteit of gevaar kan het bevoegd gezag direct handhavend optreden.

7.1.12 Afscheidingen

Een afscheiding geeft de omvang van een bouwterrein aan waarvoor een opdrachtgever en aannemer verantwoordelijk zijn voor de veiligheidsmaatregelen, volgens onder meer het Arbobesluit. Buiten een afscheiding gelden wetgeving als de Wegenverkeerswet en is naast een opdrachtgever en aannemer bijvoorbeeld ook een wegbeheerder verantwoordelijk. Een afscheiding wijst zodoende verantwoordelijke en bevoegde partijen aan.

Een tweede functie van een afscheiding is het afschermen van publiek voor de gevaren. Een afscheiding dient doeltreffend te zijn tegen gevaren als aanrijdgevaar, vallende voorwerpen, asbest etc.

Het gevaar van een onjuiste of onduidelijke afscheiding is dat publiek er vanuit kan gaan dat een ruimte veilig toegankelijk is, terwijl dit niet het geval is: men is zich niet bewust van de gevaren. In elke bouwfase zijn er specifieke gevaren die voortkomen uit stof, putten en sleuven, hijswerk, laswerk etc. Het type afscheiding dient dusdanig te worden gekozen dat het publiek in voldoende mate wordt beschermd.

Er is weinig regelgeving over een afscheiding van bouwprojecten. Er worden weinig eisen gesteld in Arbowettelijke bepalingen; een bouwplaats moet zijn afgebakend en gemarkeerd. In het Bouwbesluit 2012 zijn er geen specifieke bepalingen opgenomen over afscheidingen in de bouwfase. Uit het Bouwbesluit 2012, artikel 8.2 sub a, kan worden geconcludeerd dat moet worden voorkomen dat personen het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden en dat het terrein dus moet zijn afgesloten.

Niet in het Bouwbesluit 2012 maar in de voormalige (Model)bouwverordening stond in artikel 4.9 het volgende over “Afscheiding van het bouwterrein”.

1Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is.

2De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.

3Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordtgewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.

Bij het bepalen van de omvang van een bouwlocatie is de eerste vraag: wat is de erfgrens? Het kost veelal weinig moeite om op deze grens een afscheiding te plaatsen. Een volgende vraag is: welke ruimte kan in overleg aan de bouwlocatie worden toegevoegd? Maak indien nodig van elke bouwfase een aparte situatietekening met de afscheiding.

Aanbevolen wordt om uit te gaan van de grootst mogelijke bouwlocatie en de afscheiding zoveel mogelijk intact te laten in elke bouwfase. Indien mogelijk worden in één keer afspraken gemaakt met de betrokken belendende partijen over de ruimte die zij nodig hebben voor een goede bereikbaarheid, exploitatie, beheer e.d.

Neem in de situatie- of de bouwplaatstekening een renvooi op met de codering voor de verschillende typen afscheidingen (bouwhekken, schuttingen, bakens, barriër etc.). Geef op een situatietekening aan wat de locatie is van de afscheidingen inclusief de waarschuwings- en informatieborden e.d.

7.2 Hinder

7.2.1 Geluidshinder

Bouwlawaai als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden heeft in tegenstelling tot industrie-, weg-, spoorweg- en luchtvaartlawaai een tijdelijk karakter. Echter bouwlawaai kan veel geluidshinder veroorzaken en daardoor gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen die in de omgeving verblijven.

Bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden kunnen geluidsoverlast veroorzaken. In artikel 8.3 Bouwbesluit 2012 staan voorschriften om de hinder te beperken. Deze voorschriften hebben echter alleen betrekking op bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden die worden uitgevoerd op werkdagen tussen 07.00 en 19.00 uur (de dagperiode).

Figuur 7.1: Tabel 8.3 van het Bouwbesluit 2012

Ontheffingsmogelijkheid

Op grond van artikel 8.3, lid 3 Bouwbesluit 2012 kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen voor bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden in de avond- en nachtperiode.

Hierbij is het gebruikelijk om onderscheid te maken tussen avond (19.00 – 23.00 uur) en nacht (23.00 – 07.00 uur). Ook voor werkzaamheden op zondag en feestdagen kan ontheffing worden verleend.

Omdat het doel is om hinder “zoveel mogelijk” te beperken, is de aanbevolen strategie voor het verlenen van ontheffingen “Nee, tenzij….”

Acceptabele argumenten om toch toestemming te verlenen kunnen zijn:

1Zwaarwegend maatschappelijk belang (dus geen commercieel belang).

2Beperken of voorkomen van grote negatieve effecten op bereikbaarheid overdag.

3Bevorderen van de veiligheid van mens en dier.

4Verkorten van de blootstellingsduur.

5Geen interval in werkzaamheden mogelijk.

6Onevenredige kosten als overdag wordt gewerkt.

Altijd dient te worden aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken en werkwijze. Geluidhinder bij de bron beperken is het meest effectief.

In geval van het verlenen van ontheffingen is het tijdig en juist informeren van alle betrokkenen (omwonenden, politie, aannemer/onderaannemers, toezichthouders) van groot belang.

Als voorwaarde in de ontheffing wordt sterk aanbevolen om de opdrachtnemer (veroorzaker van het lawaai) te verplichten een onafhankelijke, continue akoestische registratie van het optredende geluidsniveau uit te voeren op de daarvoor aangewezen locaties (zie ook Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 2004).

Figuur 7.2: Weergave voorwaarden ontheffingen uit “Handhaafinstructie geluidhinder”, gemeente Utrecht.

Bij overschrijding van de grenswaarden dient opdrachtnemer onmiddellijk passende maatregelen te treffen alle betrokkenen hiervan op de hoogte te stellen.

Voorbeelden van mogelijke ontheffing:

•Technische noodzaak als onderdeel van een bouwproces.

o Bijvoorbeeld: het vlinderen van betonvloeren.

•Grote bouwwerken in stedelijke gebieden waarbij de bereikbaarheid en de veiligheid voor derden(publiek) en de omgeving behouden moet blijven.

o Bijvoorbeeld: In- en uithijsen van staalconstructies/roltrappen enz. (grote winkelketens/warenhuizen, bouwputten/werken nieuwbouw in stedelijk gebied.)

•Maatschappelijke noodzaak/infrastructurele werkzaamheden.

o Bijvoorbeeld: bouw- of sloopwerkzaamheden aan wegen, viaducten, spoor, en trambanen.

o Werkzaamheden die niet overdag kunnen plaatsvinden, met als voornaamste reden doorstroom van het verkeer in het kader van de bereikbaarheid. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt tussen hinder en maatschappelijke noodzaak om (met name in nachten) door te werken.

•Bijzondere evenementen.

o Bijvoorbeeld: kermissen, podia, jaarmarkten, etc.

Belangrijk hierbij is dat in een vroeg stadium hierover overleg en communicatie (hoofdstuk 8) plaatsvindt met diverse diensten en omwonenden.

7.2.2 Trillingen

Het gaat hierbij dus om hinder en niet om schade en eventuele onveilige situaties veroorzaakt door trillingen, dat staat beschreven in par. 6.1.3

In het Bouwbesluit (8.4) wordt verwezen naar de SBR-richtlijn deel B (hinder voor personen in gebouwen), figuur 7.3, die is bedoeld voor trillingen veroorzaakt door bouw- en sloopwerkzaamheden. Omdat het hier vaak om tijdelijke, kortdurende trillingen gaat biedt de richtlijn de ruimte om de hinder te “accepteren”.

Figuur 7.3: NB: het gaat hierbij om streefwaarden en niet om grenswaarden, zoals bij deel A, schade aan gebouwen. De normen gelden voor geluidsgevoelige ruimten (Wet geluidhinder) en verblijfsruimten.

Ook hier wordt (in lid 2) de mogelijkheid gegeven dat het bevoegd gezag ontheffing kan verlenen.

Trillinghinder door (spoor)verkeer heeft volop aandacht, maar valt buiten deze richtlijn.

7.2.3 Stofhinder

Letterlijk in Bouwbesluit (8.4): Tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- of sloopterrein te voorkomen.

Maatregelen: afdekken, filteren, schermen, nathouden en sproeien.

7.2.4 Verkeer

Bouwverkeer onderscheidt zich van regulier verkeer door bijzonder gedrag en het uitvoeren van ‘bijzondere manoeuvres’. Deze manoeuvres zijn alleen toegestaan als geen hinder ontstaat.

Als de frequentie van de manoeuvres hoog is, zijn verkeersmaatregelen nodig. Het kan gaan om het in- en uitrijden van terreinen, het keren of het achteruitrijden op de openbare weg, het stoppen op de openbare weg als gevolg van het laden en lossen. Daarnaast kan bouwverkeer de openbare weg vervuilen of beschadigen. Dergelijke gebeurtenissen kunnen in strijd zijn met de Wegenverkeerswet. Ook kan dergelijk gedrag hinderlijk zijn of onveilig gedrag bij andere weggebruikers in de hand werken. De risico’s die daarmee samenhangen dienen te worden voorkomen.

Een geheel ander type risico wordt veroorzaakt door bijzondere kenmerken van het vervoermiddel. Hijswerk of materieel dichtbij een tramleiding kan elektrocutie veroorzaken en kan een tramleiding beschadigen. Voorkomen dient te worden dat een tram- of bushalte wordt gehinderd.

Te allen tijde moet worden voorkomen dat hulpdiensten worden gehinderd door eventuele verkeersmaatregelen.

Een voorbeeld. Aan de overzijde van een bouwproject dient de toegang tot een belendend terrein voor autoverkeer te worden gegarandeerd. Op de schets is te zien dat tijdens het inrijden van een trailer een gedeelte van de rechterrijstrook wordt geblokkeerd en dat de draaicirkel buiten de verkeersruimte van het afslaande verkeer ligt. Aandacht vraagt het vertragen van het tegemoetkomende verkeer, zodat de remafstand groter is dan de zichtafstand: auto’s kunnen tijdig anticiperen op een obstakel (in de vorm van een inrijdende trailer). Ook uit andere informatie blijkt dat deze verkeersmaatregel nauwelijks invloed zal hebben op de verkeerssituatie op stedelijk niveau. Daarom is besluitvorming op stedelijk niveau waarschijnlijk niet nodig en zal het project geenvertraging oplopen door een ontbrekende vergunning.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.