Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepaling
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van gegevens gericht op het verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Tilburg en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.
b.afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie die als zodanig een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan de directie heeft.
c.doelmatigheid: de mate waarin de gewenste prestaties en doelen/effecten worden gerealiseerd met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen, of de mate waarin met de beschikbare middelen zo veel mogelijk resultaat wordt bereikt.
d.doeltreffendheid: de mate waarin de gemeente erin slaagt met de geleverde prestaties de gestelde doelen of effecten te bereiken.
e.inkomsten: totaal van de baten voor onttrekking reserves.
f.financiële administratie: de financiële administratie is een onderdeel van de administratie en omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Tilburg, teneinde te komen tot een goed inzicht in:
1de financieel-economische positie;
2het beheren van vermogenswaarden;
3de uitvoering van de programmabegroting;
4het afwikkelen van vorderingen en schulden;
5het afleggen van rekening en verantwoording.
g.financieel beheer: het geheel van maatregelen en regels voor het opstellen, verwerken, vastleggen en controleren van de uitgaven, ontvangsten, baten en lasten.
h.planning en control (P&C): ontwikkelen, invoeren en beheren van beleids- en beheersingsinstrumentarium met betrekking tot het (strategisch) beleid alsmede het middelenbeleid.
i.rechtmatigheid: het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving, waaronder gemeentelijke verordeningen, raadsbesluiten.
j.weerstandsvermogen: mate waarin de risico's worden afgedekt binnen de weerstandscapaciteit.
k.rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.
l.technische budgetoverhevelingen: verstrekte externe opdrachten, waarvan de uitvoering op 31 december nog niet is gestart of afgerond, maar die we niet meer ongedaan kunnen maken zonder financiële gevolgen en interne exploitatiebijdragen aan meerjarige projecten.
Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording
Artikel 2. Programmabegroting
1Jaarlijks wordt door het college de programmabegroting aangeboden aan de gemeenteraad. De raad stelt de programmabegroting vast. De programmabegroting is het contract tussen raad en college. De jaarstukken jaar t-1, de tussenrapportage jaar t, de najaarsbijstelling jaar t en de perspectiefnota gemaakt in jaar t (over de periode t +1 tot en met t + 4) vormen de basis voor de programmabegroting jaar t +1. Daarbij worden ook de wensen en verlangens betrokken die de raad uit bij de behandeling/vaststelling van deze Jaarstukken en de perspectiefnota. Dan wordt namelijk op integrale wijze verantwoording afgelegd aan de raad over de bereikte resultaten van het afgelopen jaar en de bijstelling naar de toekomst. De programmabegroting gaat vergezeld van de meerjarenraming.
2De raad stelt tenminste bij de aanvang van elke nieuwe raadsperiode een indeling naar programma voor de eerstvolgende raadsperiode vast.
3De raad stelt tenminste bij aanvang van elke nieuwe raadsperiode op voorstel van het college de velden per programma vast.
4Het budgetrecht van de raad is gekoppeld aan de velden die onderdeel zijn van de programma's; een overzicht met programma's, velden en bijbehorende budgetten wordt in de programmabegroting opgenomen.
5De raad stelt per programma vast:
o de te bereiken effecten en doelen (outcome);
o de te leveren goederen en diensten (output);
o de beschikbare middelen (input).
De raad stelt, op voorstel van het college, de indicatoren vast over de hierboven bedoelde informatie zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
6Voorafgaand aan de programmabegroting wordt de perspectiefnota samengesteld. Hierin worden inhoudelijke en financiële kaders voor de programmabegroting uitgewerkt. In het jaar waarin een nieuwe coalitie is gevormd start het nieuwe college met een coalitie/bestuursakkoord en stelt een eerste perspectiefnota op. Als het coalitieakkoord zelf al in een debat met de raad is besproken of indien de vorming van een coalitie meer tijd in beslag heeft genomen, dan kan er voor worden gekozen om de vertaling van het akkoord op te nemen in de eerste programmabegroting en wordt er geen perspectiefnota gemaakt.
Artikel 3. Programma´s
1Bij iedere programmabegroting wordt een overzicht gegeven van de programma´s.
2De onderverdeling van de programma´s in velden staat voor de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen tot wijzigen zijn; dit wordt dan bij de programmabegroting expliciet besloten.
Artikel 4. Uitvoering programmabegroting
1Het college draagt zorg voor regels die bewerkstelligen dat de uitvoering van de programmabegroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt.
2Het college draagt er zorg voor dat:
a.de budgetten uit de programmaramingen en voor investeringen eenduidig worden toegewezen aan de programma´s en de bijbehorende onderverdeling in velden;
b.de lasten per veld niet worden overschreden;
c.jaarlijks de budgetten worden geïndexeerd; hierbij is er een onderscheid tussen nominale en (semi) autonome ontwikkelingen.
Artikel 5. Tussenrapportage/najaarsbijstelling
1Het college informeert de raad door middel van een tussenrapportage en een najaarsbijstelling over de realisatie van de programmabegroting van de gemeente in het lopende boekjaar.
2De tussenrapportage bevat een uiteenzetting van de afwijkingen in de uitvoering en de bijstelling van het beleid, de bestuurlijke doelen en de daarmee samenhangende baten en lasten per veld.
3De najaarsbijstelling bevat uitsluitend de bijstellingen van de baten en lasten als gevolg van afwijkingen in de uitvoering en bijstelling van beleid.
4Bij de behandeling en vaststelling van de tussenrapportage en de najaarsbijstelling in de raad doet het college voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde budgetten en investeringskredieten en bijstelling van het beleid.
Artikel 6. De jaarstukken
1Jaarlijks worden door het college de jaarstukken aangeboden aan de gemeenteraad.
2De gemeenteraad stelt de jaarstukken vast.
3De jaarstukken bestaan uit de jaarrekening en het jaarverslag. Dit is de integrale verantwoording van het college van de realisatie van de doelen en activiteiten en de middelen die daarvoor zijn ingezet ten opzichte van de voornemens uit de programmabegroting.
Artikel 7. EMU-saldo
Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de programmabegroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de programmabegroting.
Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording
Artikel 8. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording
1De raad heeft twee minimale elementen vastgesteld die opgenomen dienen te worden in de paragraaf bedrijfsvoering in het kader van de rechtmatigheidsverantwoording, te weten: a) Bevindingen boven rapportagegrens; b) Welke acties het college onderneemt om de gerapporteerde bevindingen in de toekomst te voorkomen.
2In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves.
3In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan 1‰ nader toegelicht.
Artikel 9. Voorwaardencriterium
1Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.
2Burgemeester en wethouders bieden de auditcommissie jaarlijks uiterlijk op 31 december ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante door de raad vastgestelde interne regelgeving en overige wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.
Artikel 10. Begrotingscriterium
1Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.
2De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 2.
3Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:
a.Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren;
b.Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling;
c.De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage.
4Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.
Artikel 11. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
1Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.
2Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
Hoofdstuk 4. Financieel beleid
Artikel 12. Financiële positie
1Het college draagt er zorg voor, dat al het beleid waartoe de raad heeft besloten, in de uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen in de Planning & Control producties is opgenomen.
2De raad is verantwoordelijk voor een structureel sluitende begroting, in lijn met hetgeen als structureel sluitend is gedefinieerd, alsook de randvoorwaarde dat structurele lasten uit structurele baten dienen te worden bekostigd.
Artikel 13. Reserves en voorzieningen
1Het college geeft jaarlijks bij de programmabegroting een overzicht van de reserves en voorzieningen en bijbehorende bestedingsplannen.
2Het college neemt daarbij de volgende richtlijnen in acht:
a.Een reserve wordt ingesteld of opgeheven door een raadbesluit;
b.Een voorziening wordt alleen ingesteld of opgeheven door een raadsbesluit, indien sprake is van een keuzemogelijkheid voor de raad. De meeste voorzieningen worden namelijk van rechtswege gevormd;
c.In het raadsbesluit bij het instellen van een reserve of voorziening worden spelregels vastgelegd over:
i.de voeding en onttrekking van/aan de reserve of voorziening;
ii.de normering en bandbreedte;
iii.de looptijd.
3In de programmabegroting en de jaarrekening wordt een overzicht opgenomen van de weerstandscapaciteit in relatie tot de risico's; de definiëring van het weerstandscapaciteit is het totaal van:
a.De reservecapaciteit bestaande uit de vrije ruimte
1Onder vrije ruimte wordt verstaan dat deel van de reserve waarvoor meerjarig (4 jaren vooruit) nog geen bestedingen zijn voorzien.
in:
i.de Algemene Reserve;
ii.de Reserve Incidentele Opgaven;
iii.egalisatiereserves Rioolheffing, Afvalstoffenheffing;
iv.bestemmingsreserve verkoop Essent en Gaswinstuitkering.
b.De onbenutte belastingcapaciteit;
c.Een eventueel begrotingsoverschot (alleen bij begroting).
Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa
1Materiële vaste activa met een meerjarig nut en waarvan de aanschafwaarde minus bijdragen van derden € 25.000 of meer is, worden onder aftrek van die bijdragen van derden geactiveerd.
2Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de Bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.
3Afwijkingen van deze richtlijnen (termijnen en methode van afschrijving) moeten vooraf separaat of via de P&C producties aan de raad worden voorgelegd. Wanneer er geen keuzemogelijkheid bestaat dan wordt de afwijking in de eerstvolgende P&C productie gemeld.
4Investeringskredieten ten behoeve van activa die over meerdere jaarschijven zijn begroot kunnen, inclusief de eventuele dekking uit reserves, in een eerdere jaarschijf worden ingezet, mits het totale investeringskrediet en de totale begrote onttrekking aan de reserve(s) ten behoeve van het betreffende activum niet worden overschreden. Bij jaarlijks terugkerende investeringskredieten, zoals het meerjarenprogramma openbare ruimte, is het verschuiven gelimiteerd tot maximaal de huidige meerjarenraming (4 jaar vooruit).
5Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.
6Een toename van het kapitaallastenbudget als gevolg van nieuwe investeringen wordt behandeld als nieuw beleid. Een toename of afname van het kapitaallastenbudget als gevolg van vervangingsinvesteringen wordt gemeld als herijking, m.u.v. vervangingsinvesteringen die oorspronkelijk met incidentele middelen zijn afgedekt. Deze worden ook behandeld als nieuw beleid.
7De kapitaallasten (die samenhangen met investeringskredieten) moeten volledig in de begrotingsramingen zijn opgenomen.
8Als bijlage bij de jaarrekening wordt een lijst opgenomen waarin per veld is opgenomen: totaalbedrag van het beschikbare investeringskrediet, de uitgaven over het afgelopen boekjaar, het restantkrediet aan het einde van het boekjaar, de vrijval van investeringskredieten en de over te hevelen investeringskredieten.
9Het toerekenen van rente tijdens de realisatieperiode vindt alleen plaats bij materiële vaste activa met economisch nut, waarbij sprake is van (voorgenomen) verhuur van het actief. In deze situatie zijn rentekosten namelijk onderdeel van de kostprijs, die de basis vormt voor de berekening van de kostendekkende huur. Dit is voornamelijk het geval bij nieuwbouw of grootschalige renovatie van gebouwen.
Artikel 15. Grondslagen kostentoerekening
1Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.
2Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van reserves en voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.
3De toerekening van de overheadkosten aan de activiteiten vindt plaats op basis van urenbegrotingen.
4Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.
Artikel 16. Financieringsfunctie
1Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:
a.voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en
b.er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.
2Het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal is een bevoegdheid van het college en is alleen mogelijk op grond van de uitvoering van de publieke taak. De raad bepaalt wat tot de publieke taak behoort en kan kaders stellen; dit betekent dat het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal een expliciet raadsbesluit vergt omdat alleen de raad de uitspraak kan doen wat tot de publieke taak van de gemeente hoort.
3Bij het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal wordt een terughoudend beleid gevoerd.
4Bij het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Dit betekent dat er bijvoorbeeld recht van hypotheek wordt gevestigd op een onroerend goed of een pandrecht op een roerend goed. In het raadsbesluit wordt toegelicht op welke wijze hieraan invulling wordt gegeven.
5Garanties aan instellingen worden alleen verstrekt als deze garantie noodzakelijk is om een geldlening te kunnen afsluiten.
6Leningen worden alleen verstrekt aan instellingen als die ook met een gemeentegarantie geen geldlening kunnen afsluiten op de kapitaalmarkt.
7Bij het bepalen van de voorwaarden voor het verstrekken van een garantie of lening moeten de regels rondom Staatssteun en de Wet markt en overheid in acht worden genomen.
8Voor de door de gemeente verrichte diensten en ter dekking van het risico dat de gemeente loopt, wordt voor garanties aan de aanvrager een provisie in rekening gebracht.
9Conform BBV worden de rentelasten op basis van de omslagrente toegerekend aan de individuele activa. Deze toerekening wordt bij de jaarrekening gecorrigeerd wanneer de afwijking tussen de begrote en werkelijk toe te rekenen rentelasten groter is dan 25% van de werkelijk toe te rekenen rentelasten en de afwijking minimaal € 2 miljoen (materialiteit) bedraagt.
Artikel 17. Verbonden Partijen
Voor het deelnemen in een verbonden partij dienen de volgende kaderstellende regels in acht te worden genomen:
1de gemeente gaat niet over tot de oprichting van of de deelneming in een privaatrechtelijke rechtspersoon, tenzij op deze wijze een publiek belang wordt behartigd dat niet op een andere wijze tot stand kan worden gebracht;
2Het oprichten van of deelnemen in een verbonden partij is een bevoegdheid van het college, echter is alleen mogelijk op grond van de uitvoering van de publieke taak. De raad bepaalt wat tot de publieke taak behoort en kan kaders stellen; dit betekent dat de oprichting van of deelname in een verbonden partij een expliciet raadsbesluit vergt omdat alleen de raad de uitspraak kan doen wat tot de publieke taak van de gemeente hoort;
3binnen de gemeente worden de rol van bestuurder/eigenaar en de rol van klant/opdrachtgever indien mogelijk bij verschillende collegeleden belegd. Dit wordt per individuele verbonden partij beoordeeld waarbij de gemaakte keuze deugdelijk onderbouwd wordt;
4vooraf worden concreet afspraken gemaakt over de doelen, prestaties, kosten en risico´s en beheersinstrumenten;
5raadsleden en ambtenaren nemen niet als vertegenwoordiger van de gemeente plaats in het bestuur van een verbonden partij.
Artikel 18. Voorziening verliesgevende grondexploitaties
De waardering van de voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen nominale waarde.
Artikel 19. Technische budgetoverhevelingen
Budgetoverhevelingen waar aangegane verplichtingen tegenover staan, echter waarvan de uitvoering op 31 december van het lopende jaar nog niet is gestart of afgerond, maar die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt zonder financiële gevolgen, alsook interne exploitatiebijdragen aan meerjarige projecten, worden voorafgaand aan de jaarrekening gestort in de overhevelingsreserve, waardoor deze geen onderdeel uitmaken van het jaarrekening resultaat.
Hoofdstuk 5. Paragrafen in begroting en jaarstukken
Artikel 20. Lokale heffingen
Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf lokale heffingen ten minste verslag van de opbrengsten per lokale heffing, het kwijtscheldingsbeleid en de ontwikkeling van de lokale lastendruk. Daarnaast wordt in deze paragraaf uiteengezet met welke beleidsuitgangspunten en op welke manier de berekening van de tarieven tot stand is gekomen.
Artikel 21. Weerstandsvermogen en risicobeheersing.
1Het college geeft bij de programmabegroting en jaarstukken inzicht in de belangrijkste risico´s van materieel belang en een weergave van alle risico´s in een risicomatrix; de risicomatrix geeft inzicht in de omvang van het risico en de kans dat een bepaald risico zich daadwerkelijk voordoet; Bij de tussenrapportage worden alleen nieuwe en substantieel gewijzigde risico's opgenomen.
2De risicomatrix wordt gekoppeld aan het aanwezige weerstandscapaciteit zoals dat door de raad is gedefinieerd, zie artikel 13 lid 3.
Artikel 22. Onderhoud Kapitaalgoederen
Bij de programmabegroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen verslag over de voortgang van het geplande onderhoud en het eventuele achterstallige onderhoud aan openbaar groen, wegen, speelvoorzieningen, civiele kunstwerken, openbare verlichting, verkeersregelinstallaties, wegmeubilair, riolering en waterhuishouding, gebouwen, sportaccommodaties en terreinen etc.
Artikel 23. Financiering
1Het college geeft in de paragraaf Financiering de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille, evenals actuele informatie over het dagelijks beheer van de financieringsfunctie.
2Bij de programmabegroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf Financiering verslag van:
o de kasgeldlimiet;
o de renterisiconorm;
o het renteomslag-percentrage;
o de omvang en samenstelling van de opgenomen en uitgezette langlopende leningen;
o de huidige liquiditeitspositie;
o de toekomstige financieringsbehoefte;
o de rentevisie;
o de rentekosten en de renteopbrengsten verbonden aan de financieringsfunctie;
o Schatkistbankieren.
Artikel 24. Bedrijfsvoering
In het onderdeel bedrijfsvoering van de programmabegroting wordt ingegaan op de onder artikel 8, lid 1 genoemde minimale elementen in het kader van de rechtmatigheidsverantwoording. Daarnaast wordt hier gerapporteerd over de organisatiekosten.
Artikel 25. Verbonden Partijen
In de programmabegroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden partijen ingegaan op nieuwe participaties, het beëindigen van bestaande participaties, het wijzigen van bestaande belangen en het aanwezig zijn van problemen bij bestaande participaties. Van elk van de verbonden partijen wordt bij de programmabegroting en jaarstukken een opgave verstrekt van:
o het openbaar belang;
o het eigen en vreemd vermogen en het resultaat, voor zover bekend;
o het financieel belang.
Artikel 26. Grondbeleid
In de paragraaf grondbeleid wordt aandacht geschonken aan de geraamde meerjarige resultaten van de grondexploitatie en belangrijke beleidsmatige ontwikkelingen op het gebied van gemeentelijke grondverwervingen, de grondprijzen, de manier van samenwerking met marktpartijen e.d. Tevens worden de belangrijkste wettelijke ontwikkelingen op het terrein van de grondexploitatie geschetst.
Grondexploitatieprojecten die over meerdere jaarschijven zijn begroot kunnen, inclusief de eventuele dekking uit reserves, in een eerdere jaarschijf worden ingezet, mits het totale planresultaat en de totale begrote onttrekking aan de reserve(s) ten behoeve van het betreffende grondexploitatieplan niet worden overschreden.
Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer
Artikel 27. De financiële administratie
Het college zorgt er voor dat:
1De inrichting en de werking van de (financiële) administratie voldoet aan het Besluit begroting en verantwoording en andere relevante wetgeving;
2De administratie is zodanig van opzet en werking dat zij dienstbaar is voor:
a.het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en binnen de afzonderlijke afdelingen;
b.het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van vorderingen, schulden, voorraden etc;
c.het verschaffen van informatie aan de budgethouders;
d.het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de programmabegroting en de geldende wet- en regelgeving.
Artikel 28. De financiële organisatie
Het college zorgt er voor dat er:
1een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen is zoals vastgelegd in het Organisatiebesluit;
2een adequate scheiding van taken, functies en bevoegdheden, verantwoordelijkheden is, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie is gewaarborgd, en legt dit in besluiten vast;
3uitvoeringsregels en richtlijnen worden vastgelegd voor:
a.de totstandkoming van de begrotings- en de verantwoordingsdocumenten;
b.het binnen de door de raad vastgestelde kaders, voor zover noodzakelijk uitwerken van het financiële beleid, zoals in de nota financieel beleid en de uitvoeringsregels treasury, reserves en voorzieningen, verbonden partijen en activa.
Artikel 29. Interne controle
1Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 25, onder f. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de auditcommissie over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.
2Burgemeester en wethouders zorgen voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 30. Intrekken oude verordening en overgangsrecht
1De Financiële beheersverordening gemeente Tilburg 2023 wordt ingetrokken.
Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2025. De afschrijvingspercentages gelden voor het hele boekjaar 2025.
2Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële beheersverordening gemeente Tilburg 2025.
Bijlage bij artikel 14: afschrijvingsbeleid immateriële en materiële vaste activa
Activa met een verkrijgingsprijs, minus verkregen bijdragen van derden, van minder dan € 25.000 hoeven niet te worden geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. De kapitaallasten (rente en afschrijving) worden in het eerste jaar na ingebruikname van het kapitaalgoed doorberekend (per 1 januari).
Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.
De volgende vaste activa worden lineair afgeschreven in:
Jaar
1.
Immateriële vaste activa
1.1
Kosten van onderzoek en ontwikkeling (productontwikkeling)
5
1.2
Bijdragen in activa van derden worden maximaal afgeschreven tegen de termijn die de derde partij hanteert.
2
Materiële vaste activa - economisch nut
2.1
Infrastructurele voorzieningen
2.1.1
Riolering: vrijverval, persleidingen, drukriolering, blauwe aders, investeringen afvalwater- akkoord en Kaderrichtlijn Water, waterparken, hydraulische maatregelen e.d.
60
2.1.2
Rioolaansluitingen, investeringen Stedelijke wateropgave en klimaatadaptatie e.d.
30
2.1.3
Drukrioolunits, gemalen, individuele behandeling van afvalwater (IBA) e.d.
20
2.2
Parkeren
2.2.1
Parkeergarages
40
2.2.2
Openbaar parkeerterrein
20
2.2.3
Parkeermeters en automaten
5
2.3
Gebouwen
2.3.1
Gebouwen, ondergrond, geen afschrijving
n.v.t.
2.3.2
Gebouwen, opstal nieuwbouw
40
2.3.3
Gebouwen, semi-permanent
20
2.3.4
Grootschalige renovaties, aan, en verbouw
20
2.3.5
Gebouw, technische installaties
15
2.3.6
Kleinschalige verbouwingen en renovaties
10
2.3.7
Onderwijsgebouwen, (ver)nieuwbouw
50
2.3.8
Onderwijsgebouwen, renovatie
25
2.4
Afvalinzameling, reiniging en gladheidsbestrijding
2.4.1
Putten ondergrondse containers
30
2.4.2
Ondergrondse laadinfrastructuur
30
2.4.3
Ondergrondse containers
15
2.4.4
Duo/minicontainers, perscontainers, rolcontainers
12
2.4.5
Afzetcontainers, bovengrondse containers
10
2.4.6
Bovengrondse laadinfrastructuur
10
2.4.7
Inzamelvoertuigen, haakarmvoertuigen
10
2.4.8
Elektrische voertuigen
8
2.4.9
Bestelwagens, bakwagens BAT
5
2.4.10
Loader, kraan, heftruck, rollpacker, aanhangwagens, meetpunten, toegangscontrolesystemen e.d.
5
2.4.11
Wintermaterieel gladheidsbestrijding
10
2.5
Vervoermiddelen
2.5.1
Auto's, scooters, fietsen, aanhangwagens
5
2.5.2
Tractoren
10
2.6
ICT voorzieningen
2.6.1
Glasvezelverbindingen
10
2.6.2
Servers, vaste telefonie, netwerkcomponenten, software, audio visuele apparatuur
5
2.6.3
Kasregisters, foto- en videoapparatuur
4
2.6.4
Smartphone, tablet
2,5
2.6.5
Laptop
3,5
2.6.6
Thincliënt en monitor
5
2.6.7
Firewalls
3
2.7
Sportvoorzieningen
2.7.1
Aanleg sportterrein
25
2.7.2
Kunstgrasveld, onderlaag
30
2.7.3
Kunstgrasveld, bovenlaag
10
2.8
Overig
2.8.1
Machines (waaronder: couverteermachine, stemmachines)
10
2.8.2
Gereedschappen
5
2.8.3
Vaste inrichting, stoffering
10
2.8.4
Meubilair, inventaris
10
2.8.5
Monumenten
30
2.8.6
Begraafplaatsen
30
2.8.7
De afschrijving van civieltechnische kunstwerken wordt per individueel kunstwerk bepaald en dient vooraf ter goedkeuring aan de raad te worden voorgelegd, hetzij afzonderlijk, hetzij via de reguliere P&C-producties.
3
Materiële vast activa - maatschappelijk nut
3.1
Infrastructuur
3.1.1
Grond- en sloopwerken
30
3.1.21
Wegen, straten en pleinen
30
3.1.3
Straatmeubilair
20
3.1.4
Wegmeubilair
10
3.1.5
Ondergrondse infra
30
3.1.6
Openbare verlichting
20
3.1.7
Installaties m.b.t. verkeersbeheersing en verkeersregeltechniek
15
3.1.8
Digitale bewegwijzering
10
3.2
Groen
3.2.1
Bomen
50
3.2.2
Openbaar groen en groen om de stad
20
3.2.3
Speelvoorzieningen (waaronder: Cruijff Court en Krajicek Playground)
15
3.3
Havens
3.3.1
Binnenhavens
30
3.3.2
Recreatieve voorzieningen binnenhavens
20
N.B. Bij investeringen in gemeentegebouwen op verzoek van de huurder en met doorberekening in de huur, dient de afschrijvingstermijn afgestemd te zijn op de duur van het huurcontract; de terugverdienperiode zal daarbij meestal korter zijn dan de in de tabel opgenomen afschrijvingstermijnen. De voorgestelde termijnen maken onderdeel uit van het voor te leggen investeringsvoorstel.