Gemeentelijke regelgeving

Bodemenergieplan Kenniskwartier

Gemeente Tilburg · geldt sinds 9 augustus 2025

3 Algemene toelichting

3.1 PRINCIPE BODEMENERGIE

3.1.1 Open systemen

Open systemen, ook wel warmte-/koudeopslag (WKO) genoemd, bestaan uit bronnen die grondwater onttrekken en infiltreren. Energie in de vorm van warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse watervoerende laag. Deze energie wordt vervolgens onttrokken om te verwarmen (in combinatie met warmtepompen) of te koelen. In de zomer wordt gekoeld met winterkoude en in de winter wordt verwarmd met zomerwarmte. Open systemen worden meestal toegepast op dieptes tussen de 20 tot 250 meter beneden maaiveld. In Noord-Brabant gelden dieptebeperkingen door de Omgevingsverordening Brabant, waardoor open bodemenergiesystemen in een groot deel van de provincie toegepast worden tot een diepte van circa 80 m-mv. Dit geldt ook voor gesloten systemen. Een open systeem is met name rendabel bij de grotere ontwikkelingen vanaf circa 50 woningen, kantoren en andere utiliteitgebouwen.

3.1.2 Indeling open systemen

De categorie van open systemen kan nader onderscheiden worden naar concepten met één of meer bronnen en met wél of géén opslag van de warmte of koude.

Doublet

Open systemen zijn onderverdeeld in doubletten en monobronnen. Bij een doubletsysteem worden twee bronnen horizontaal ten opzichte van elkaar geplaatst, zodat de warme en koude bellen zich naast elkaar vormen.

Opslagsystemen en recirculatiesystemen

Bij een opslagsysteem wordt de warmte en koude opgeslagen bij de bronnen. Eén bron is de zogenoemde warme bron, de andere bron de koude bron. Deze bronnen onttrekken en infiltreren afwisselend, afhankelijk van het seizoen. Een recirculatiesysteem is een alternatief systeem dat bestaat uit een onttrekkings- en een infiltratiebron. Er is geen sprake van opslag. Er wordt namelijk continu grondwater onttrokken uit de ene bron en geïnfiltreerd in de andere bron. Met het onttrokken grondwater, met een temperatuur gelijk aan de natuurlijke grondwatertemperatuur, wordt in de zomer gekoeld en in de winter verwarmd. In dit plangebied zijn recirculatiesystemen niet toegestaan.

In Figuur 3.2 zijn de hierboven beschreven concepten schematisch weergegeven.

Figuur 3.2 | Schematische weergave verschillende varianten van bodemenergie

3.2 BODEMEIGENSCHAPPEN

3.2.1 Bodemopbouw

De bodemopbouw in de directe omgeving van het Kenniskwartier is beschreven op basis van de volgende gegevens:

•Grondwaterkaart van Nederland;

•Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem (REGIS);

•boorbeschrijvingen uit het archief van TNO Bouw en Ondergrond via DINOLoket;

•boorbeschrijvingen van gerealiseerde open bodemenergiesystemen in de omgeving;

•Proefboring van het OZC Tilburg

Op basis van deze gegevens is de bodemopbouw geschematiseerd in een aantal watervoerende pakketten en scheidende lagen. Tabel 3.1 geeft de globale bodemopbouw in het plangebied weer. Lokaal kan de bodemopbouw variëren. De lokale bodemopbouw dient bij de vergunningaanvraag voor elk individueel systeem nader te worden beschouwd.

Tabel 3.1 | Schematisatie van de bodem

diepte [m-mv]*

lithologie

formatie

geohydrologie

0- 10

matig fijn tot matig grof zand met ondiep klei, veen en leem

Boxtel

deklaag

10- 45

matig grof tot zeer grof zand met lokale kleilaagjes

Sterksel

1ewatervoerende pakket

45– 65

klei met enkele laagjes matig fijn tot matig grof zand

Stramproy (kleiige en zandige eenheid) en Waalre­ (eerste kleiige eenheid)

1escheidende laag

65- 85

matig fijn tot matig grof zand

Peize/Waalre

2ewatervoerende pakket

> 85

klei en fijn zand

Maassluis

hydrologische basis

* het maaiveld bevindt zich op circa 14 m+NAP

3.2.2 Bodemgeschiktheid open bodemenergiesystemen

Eerste watervoerende pakket

Het eerste watervoerende pakket bestaat uit overwegend grof zand en is daarmee goed geschikt voor de toepassing van open bodemenergiesystemen. De meeste bestaande open bodemenergiesystemen in Tilburg maken ook gebruik van dit pakket. De maximaal haalbare broncapaciteit bedraagt globaal voor dit gebied circa 60 m3/uur. Ten noorden van de Rueckertbaan zijn de systemen van het TweeSteden Ziekenhuis en het Verbeeten instituut gerealiseerd. Beide systemen hebben een broncapaciteit van 90 m3/uur en draaien al meerdere jaren naar behoren. Hierdoor is het mogelijk dat in dit deel van het plangebied een hoger debiet dan 60 m3/uur haalbaar is.

Tweede watervoerende pakket

De bodemopbouw van het tweede watervoerende pakket is ook geschikt voor de toepassing van bodemenergie. De bronnen van het open bodemenergiesysteem van Tilburg University zijn in dit pakket gerealiseerd. Op basis van bestaande informatie bedraagt de maximale capaciteit in dit pakket circa 50 m3/uur.

Volgens het algemene beleid van de provincie Noord-Brabant mogen de bronfilters van open bodemenergiesystemen binnen de provincie niet dieper dan 80 m-mv geplaatst worden, tenzij de scheidende kleilaag dieper is gelegen. Deze grens ligt binnen het plangebied Kenniskwartier in het tweede watervoerende pakket.

Op basis van het gebiedsgerichte grondwaterbeheer geldt dat in de milieuzone grondwater (waarbinnen het plangebied is gelegen) de gemeente adviseert om de bronnen van een open bodemenergiesysteem niet dieper dan 50 m –mv en niet in bekende zaklagen aan te leggen.

3.2.3 Bodemgeschiktheid gesloten bodemenergiesystemen

De bodem is in principe geschikt voor het toepassen van gesloten bodemenergiesystemen, waarbij de bodem tot aan de hydrologische basis het meest geschikt is. De provincie Noord-Brabant geeft aan dat gesloten bodemenergiesystemen alleen boven de beschermende kleilagen mogen worden aangelegd. Binnen het plangebied mogen echter geen gesloten bodemenergiesystemen aangelegd worden (gebruiksregel 1).

3.2.4 Overige geohydrologische eigenschappen

De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.2.

Tabel 3.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een open bodemenergiesysteem

parameter

toelichting

grondwaterstand

3,5 m-mv (3,2 – 3,8 m-mv) (bron: peilbuis B50F1659 & B50F0653)

stijghoogten

1ewatervoerende pakket: 2,7 m-mv (2,2 – 3,1 m-mv) (bron: peilbuis B50F0551)

2ewatervoerende pakket: 7 – 8 m-mv (bron:REGIS)

stromingssnelheid- en richting

1ewatervoerende pakket: 15 m/jaar in noordwestelijke richting

2ewatervoerende pakket: 15 m/jaar in noordnoordwestelijke richting

temperatuur

10- 11°C (20 – 80 m-mv)

redox

redoxovergang mogelijk aanwezig in 1e watervoerende pakket. Afhankelijk van aanwezigheid deklaag

bodemsplijting

risico aanwezig vanwege ondiepe ligging

gas

mogelijk verhoogde gasdruk aanwezig

zoet/brak/zoutgrensvlak

zoet/brak- en brak/zoutgrensvlak: > 200 m-mv

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

Redox

Binnen de deklaag en het eerste watervoerende pakket komen diverse waterkwaliteiten voor. Water dat vanaf het maaiveld of vanuit het oppervlaktewater in de bodem infiltreert bevat hoge concentraties aan oxidatoren. Gedurende het verblijf in de ondergrond komt het water in aanraking met reducerende stoffen en worden de oxidatoren geleidelijk verbruikt. Doordat de sterkste oxida-toren daarbij als eerste worden verbruikt, ontwikkelt de grondwaterkwaliteit zich gedurende dit proces volgens een karakteristieke volgorde. Deze volgorde is schematisch weergegeven in Figuur 3.3.

Figuur 3.3 | Schematische weergave van de ontwikkeling van de watersamenstelling naarmate het grondwater steeds verder gereduceerd raakt (bron grafiek link: Appelo en Postma, 1993,; indeling redoxtoestanden gebaseerd op Griffioen et. Al, 1997)

Een redoxgrens is een overgang van (sub)oxisch grondwater naar gereduceerd grondwater. Bij menging van (sub)oxisch grondwater met gereduceerd grondwater vinden redoxreacties plaats, waarbij neerslag wordt gevormd. Deze neerslag zet zich af in de bronnen, het verbindend leidingwerk en de warmtewisselaars. Dit leidt tot verstopping van de bronnen, wat grote nadelige gevolgen heeft voor de werking van het open bodemenergiesysteem. Deze problematiek is vaak moeilijk beheersbaar en onomkeerbaar. Om verstopping te voorkomen worden open energieopslagsystemen daarom vaak zo ontworpen dat alleen gereduceerd grondwater verpompt wordt (met systemen in oxisch grondwater is maar weinig ervaring). Daarom is het belangrijk om de diepte van de redoxgrens te onderzoeken en daar in het ontwerp rekening mee te houden. De bronfilters worden dan bij voorkeur op voldoende afstand van de redoxgrens, zodat aantrekken van (sub)oxisch grondwater wordt voorkomen. In overleg met de gemeente kan eventueel uitgeweken worden naar het tweede watervoerende pakket (zie paragraaf 3.3 Bodembelangen, onderdeel verontreinigingen).

Binnen het eerste watervoerende pakket van het Kenniskwartier bevinden zich mogelijk meerdere waterkwaliteitsovergangen. De bodemopbouw kan lokaal sterk variëren. De aan-/afwezigheid en dikte van de deklaag zijn van belang voor de diepteligging van de waterkwaliteitsovergang. Hierdoor blijft het per project van belang om de lokale waterkwaliteit en bodemopbouw in kaart te brengen, om zo een inschatting te kunnen maken van de redoxrisico’s.

Bodemsplijting

Bij de infiltratie in een bron neemt de waterdruk toe. Wanneer de tegendruk van de bodem lager is kan de bodem splijten, ook wel opbarsten genoemd. Dit zorgt voor onherstelbare schade aan de bron. Daarom moet dit voorkomen worden. Dit kan door de bron dusdanig te ontwerpen dat de infiltratiedruk niet te hoog kan worden. Dit vormt ook een aandachtspunt bij de hoeveelheid bronnen die bij elkaar geplaatst kunnen worden.

Gas

Rond het projectgebied zijn bij meerdere open bodemenergiesystemen een relatief hoge gasdruk aangetroffen. Het gaat hierbij om het systeem van de spoorzone deelgebied – Lochtstraat (2,3 atmosfeer), het systeem van de Bankier (2,3 atmosfeer) en het systeem van Groeseind (2,6 atmosfeer).

Wanneer een open bodemenergiesysteem niet op voldoende overdruk wordt gehouden kan ontgassing optreden. Wanneer ontgassing optreedt, kunnen de vrijgekomen gasbellen verstoppingen veroorzaken tussen de zandkorrels, wat verlies van broncapaciteit tot gevolg heeft. Geadviseerd wordt om rekening te houden met een mogelijk hogere gasdruk in het plangebied door voor nieuwe bronnen uit te gaan van de aangehouden overdruk die gehanteerd wordt bij de bestaande bronnen. Een andere beheersmaatregel om meer inzicht in de gasdruk te plaatse te krijgen, is het uitvoeren van een gasdrukmeting na realisatie van de bron. Het beschreven risico vormt geen belemmering voor de realisatie van een open bodemenergiesysteem.

3.4 WETTELIJKE KADERS

3.4.1 Open systemen

Het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem is onder het regime van de Omgevingswet een zogeheten milieubelastende activiteit. Op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is hiervoor een omgevingsvergunning vereist (artikel 3.19). Het Bal is een uitvoeringsbesluit onder de Omgevingswet. Op grond van het Bal gelden een aantal algemene regels (artikel 4.1148 t/m artikel 4.1157a). Dit betekent dat deze regels op rijksniveau niet als voorschriften aan de Omgevingsvergunning hoeven te worden verbonden. De provincie (Gedeputeerde Staten) is op grond van artikel 5.10, eerste lid, onder c van de Omgevingswet juncto artikel 4.6, eerste lid, onder c en tweede lid, van het Omgevingsbesluit het bevoegd gezag voor de verlenen van de omgevingsvergunning open bodemenergiesystemen.

Op grond van het Bal (artikel 2.16) kan in de provinciale omgevingsverordening worden bepaald dat van de hiervoor vermelde vergunningplicht voor open bodemenergiesystemen wordt afgeweken als:

•het doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer dit toelaat, en

•het systeem niet meer dan 10 m3/uur onttrekt.

In het geval de provincie deze afwijkingsmogelijkheid toepast in de omgevingsverordening, moet het plaatsen van een open bodemenergiesysteem op grond van het Bal (artikel 4.1149) worden gemeld.

Als bijlage bij de vergunningaanvraag dienen de effecten van het systeem in een effectenstudie te worden gekwantificeerd. De belangrijkste aspecten bij een vergunningaanvraag zijn samengevat in Tabel 3.7.

Tabel 3.7 | Belangrijkste aspecten vergunning open systemen

aspect

toelichting

bevoegd gezag

provincie Noord-Brabant (taken gedelegeerd aan Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)

vergunningplicht

alle open bodemenergiesystemen > 10 m3/uur of > 30 m-mv

doorlooptijd

reguliere procedure (beslistermijn 8 weken) of in bepaalde gevallen de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (beslistermijn 6 maanden)

leges/publicatiekosten

De provincie rekent leges voor open bodemenergiesystemen

Het provinciaal beleid voor bodemenergie is opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Een aanvraag voor een bodemenergiesysteem moet worden getoetst aan de eisen van een gemeentelijke bodemenergieplan, dit is door de Provincie Noord-Brabant verankerd in artikel 6.14, onder i van de Beleidsregel Omgevingsrecht Noord-Brabant.

Procedure vergunning i.h.k.v. de Omgevingswet

Voor het aanvragen van een vergunning voor een open bodemenergiesysteem geldt in principe de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Voor deze procedure geldt een beslistermijn van 8 weken. In aantal uitzonderingsgevallen zal de provincie op de aanvraag moeten beslissen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht). Deze uitzonderingsgevallen betreffen:

•als een milieueffectrapportage nodig is;

•in aangewezen gevallen (artikel 10.24 Omgevingsbesluit);

•op verzoek of met instemming van de aanvrager (de provincie mag niet zelf beslissen om uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing te verklaren).

Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt een beslistermijn van 6 maanden. Binnen deze procedure wordt, afwijkend van de reguliere procedure, eerst een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, voordat het definitieve besluit tot stand komt.

Milieueffectrapportage (MER)

Voor open bodemenergiesystemen geldt in het kader van de Omgevingswet, in het bijzonder het Omgevingsbesluit, bijlage V, categorie K1 een MER-plicht als er sprake is van een grondwateronttrekking van 10.000.000 m3/jaar of meer.

3.4.2 Gesloten systemen

Binnen het plangebied mogen geen gesloten bodemenergiesystemen aangelegd worden.

3.4.3 Lozingen

Er zijn verschillende momenten waarop lozingen, en daarmee de wettelijke kaders voor lozingsactiviteiten, aan de orde zijn.

Boren van de bronnen (boorspoelwater)

Voor de aanleg van de bronnen van open bodemenergiesystemen moet worden geboord. Tijdens het boren komt spoelwater vrij (boorspoelwater). De hoeveelheid water die hierbij vrijkomt is beperkt, maar bevat vaak boorspoeling (bentoniet en polymeren) en vrijgekomen grond (zand, klei).

Ontwikkelen van open bronnen (ontwikkelwater)

Direct na het boren worden de bronnen van een open systeem eenmalig schoon gepompt (ontwikkelen). Het doel hiervan is om resten van het geboorde materiaal uit de bronnen te verwijderen (zand en slibdeeltjes), zodat deze niet voor verstoppingen kunnen zorgen. Tijdens het ontwikkelen komt grondwater vrij met een debiet tot maximaal 130% van het ontwerpdebiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Om de lozingshoeveelheid en het lozingsdebiet te verlagen kan gebruik worden gemaakt van filtertechnieken om vaste bestanddelen te verwijderen, waarbij het water grotendeels weer geïnfiltreerd wordt in de bodem. Het blijft echter noodzakelijk dat een gedeelte van het vrijkomende grondwater geloosd kan worden, om onder andere de filterunits terug te spoelen. Door deze manier van ontwikkelen kan het lozingsdebiet beperkt worden.

Onderhoud van open bronnen (spuiwater)

In verband met preventief onderhoud van de bronnen worden deze een aantal keer per jaar gespoeld. Bij deze actie wordt uit de bronnen enige tijd grondwater onttrokken met het maximale debiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Middels een onderhoudsfilter in de technische ruimte kan ervoor gezorgd worden dat er geen grondwater geloosd hoeft te worden. Bij een onderhoudsfilter wordt het vuil afgevangen met een zogenaamd kaarsenfilter met zeer kleine poriën. Het grondwater wordt uit de bronfilters opgepompt en wordt via het onderhoudsfilter in de bypass van het leidingcircuit in een andere bron geïnjecteerd.

Regulering van lozingen en voorkeursroutes

Voor open bodemenergiesystemen geldt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een omgevingsvergunningplicht voor het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater. Het waterschap geldt op grond van het Bal als bevoegd gezag. De voorkeursvolgorde voor lozingsroutes zal als voorschrift aan de omgevingsvergunning worden verbonden. In het Bal is op dit punt t.a.v. open bodemenergiesystemen geen algemeen geldend voorschrift opgenomen.

De lozingen van het water voor het ontwikkelen van bronnen voor een open bodemenergiesysteem geeft de grootste lozingsvolumes. Volgens de voorkeursvolgorde voor lozingen heeft het terugbrengen van het grondwater de voorkeur. Dit is echter een kostbare en inefficiënte methode, omdat aanvullende voorzieningen voor filtering en infiltratie aangelegd moeten worden en het ontwikkeldebiet verlaagd moet worden om te kunnen infiltreren. Hierdoor kost het meer tijd om te bronnen te ontwikkelen en is de kans groter dat niet alle restverstoppingen verwijderd worden. Daarnaast is het nog steeds nodig om een kleine waterhoeveelheid te lozen. Het lozen van het ontwikkelwater op het oppervlaktewater heeft daarom de voorkeur. Mocht dit niet mogelijk zijn, moet het grondwater geloosd worden op een vuilwaterriool of gemengd rioolstelsel. Aanbevolen wordt om in een vroeg stadium in overleg te treden met het bevoegd gezag om de mogelijkheden voor lozen te bespreken.

Ten aanzien van het lozen op oppervlaktewater is het Waterschap Brabantse Delta bevoegd gezag. Het beleid en informatie over het indienen van een vergunning of doen van een melding staat beschreven op de website van het Waterschap.

Ten aanzien van het lozen op het vuilwaterriool of gemengd rioolstelsel is Provincie Noord-Brabant bevoegd gezag. Voor het lozen op het riool gelden de algemene regels uit de Omgevingsregeling artikel 7.23 (module: lozen van afvalwater) en 7.36 (lozingsactiviteit: open bodemenergiesysteem). Daarin staat welke gegevens minimaal verstrekt moeten worden. Daarnaast moet voor het lozen op het riool ook voldaan worden aan algemene regels van paragraaf 4.112 uit het Bal (voorschriften open bodemenergiesysteem). Er worden lozingsvoorschriften aan de vergunning omgevingswet voor het open bodemenergiesysteem verbonden (op basis van advies van de Gemeente Tilburg). Bij elke vergunningaanvraag moet het lozen van grondwater in de effectenstudie dan wel in een aanvullende lozingsnotitie beschreven worden.

4 Inventarisatie vraag en aanbod

4.1 FOCUSGEBIEDEN

4.1.1 Kenniskwartier

Het eerste gebied betreft het Kenniskwartier in Tilburg. De gemeente Tilburg heeft hiervoor informatie met betrekking tot de omvang van de toekomstige ontwikkelingen in de negen deelgebieden aangeleverd. In Figuur 4.1 zijn de deelgebieden weergegeven. (De Dionysiusbuurt wordt ook wel de Koolenlaanbuurt genoemd.)

Figuur 4.1 | Deelgebieden binnen Kenniskwartier in Tilburg

4.1.2 Het Zand en De Reit

Onderstaand figuur toont het tweede gebied ‘Het Zand en De Reit’ (in het zuidelijke van de twee rode kaders). Het noordelijker gelegen kader met het Tweestedenhuis wordt hierbij expliciet buiten beschouwing gelaten.

Figuur 4.2 | Het Zand en De Reit

Aangezien het Kenniskwartier tevens binnen de grenzen van Het Zand en De Reit vallen, is in overleg met de gemeente afgestemd dat bij de inventarisatie van Het Zand en De Reit de negen deelgebieden van het Kenniskwartier uitgesloten worden (om te voorkomen dat die dubbelop meegenomen worden). In diverse tabellen wordt daarom gesproken van ‘Het Zand en De Reit minus 9 deelgebieden’.

4.2 WARMTE- EN KOUDEVRAAG

4.2.1 Kenniskwartier

Voor de negen deelgebieden in het Kenniskwartier zijn de oppervlaktes van zowel de nieuw te ontwikkelen woningen en voorzieningen, als de te handhaven woningen en voorzieningen door de gemeente aangeleverd in de vorm van het ontwikkelprogramma.

Op basis van deze oppervlakten is per deelgebied de gebouwzijdige energie- en vermogensvraag bepaald. Hierbij zijn:

1Voor nieuwbouw energetische kentallen uit de BENG-normering gebruikt.

2Voor te handhaven bebouwing:

a.De warmtevraag voor woningen is gebaseerd op de gemiddelde warmtevraag per vierkante meter van huidige label-B woningen in Het Zand en De Reit (conform het ‘overzicht aardgasverbruik kleinverbruikers’ van de netbeheerder).

b.Voor voorzieningen is volgens dezelfde logica de gemiddelde warmtevraag per vierkante meter van label-C voorzieningen gebruikt.

De ingeschatte warmtevraag voor de bestaande bouw is vervolgens gebruikt om op basis van BENG-kentallen ook de vermogensvraag voor warmte en de energie- en vermogensvraag voor koude te bepalen.

Aangezien bestaande bouw normaliter relatief gezien minder koudevraag heeft dan nieuwbouw, is hiermee de verwachte koudevraag van de bestaande bouw hoog ingeschat. Dit heeft echter geen impact op de ingeschatte grondwaterzijdige vraag aangezien de warmtevraag overal overheerst en er grondwaterzijdig wordt uitgegaan van een balans tussen warmte en koude.

4.2.2 Het Zand en De Reit

De bebouwing binnen het Zand en De Reit kan opgedeeld worden in twee categorieën:

1Bestaande bebouwing. Hiervoor zijn vierkante meters uit het BAG-register gehaald, en is voor de gebouwzijdige energie- en vermogensvraag dezelfde methodiek gevolgd als voor de te handhaven bouw in de negen deelgebieden binnen het Kenniskwartier.

2Verwachte nieuwbouw van 2.000 woningen met een gemiddeld woningoppervlak van 90 vierkante meter. Hiervoor is voor de gebouwzijdige energie- en vermogensvraag dezelfde methodiek gevolgd als voor de nieuwbouw in de negen deelgebieden binnen het Kenniskwartier.

4.2.3 Conclusie warmte- en koudevraag

De gehanteerde gebouwzijdige energie en vermogensvragen zijn weergegeven in Tabel 4.1.

Tabel 4.1 | Energie- en vermogensvraag per deelgebied

Ruimteverwarming

Warm tapwater

Koeling

Deelgebied

Vermogen (kW)

Verbruik (MWh)

Vermogen (kW)

Verbruik (MWh)

Vermogen (kW)

Verbruik (MWh)

Westermarkt

4.321

4.081

500

1.829

2.990

2.225

Reitse campus

10.437

9.857

1.500

4.478

7.092

5.290

P&R (Middenbuurt)

1.782

1.681

250

920

869

680

Meerkoldreef

1.478

1.397

175

798

1.208

882

Torenbuurt

2.784

2.631

350

1.523

2.246

1.643

Koolenlaanbuurt

2.890

2.728

350

1.300

1.832

1.379

Abdijbuurt

4.920

4.644

600

2.250

3.037

2.294

Taxandriëbaan

2.984

2.815

400

1.504

1.534

1.190

Schipholkwartier

483

458

30

87

654

458

Subtotaal

32.078

30.291

4.155

14.688

21.461

16.041

Het Zand en de Reit minus 9 deelgebieden

101.976

96.347

6.000

19.327

76.926

56.682

Totaal

134.054

126.638

10.155

34.015

98.387

72.722

Op basis van deze energie- en vermogensvragen is met behulp van diverse kentallen en energetische uitgangspunten de grondwaterzijdige vraag per (deel)gebied bepaald. Deze resultaten zijn hieronder weergegeven. Daarbij is ook aangegeven hoeveel doubletten er nodig zijn bij een verwachte haalbare broncapaciteit van 60 m3/uur/doublet (in het eerste watervoerende pakket).

Tabel 4.2 | Benodigde waterverplaatsing, debiet en aantal doubletten

(Deel)gebied

Waterverplaatsing warmtelevering [m3/jaar]

Waterverplaatsing koeling [m3/jaar]

Debiet warmte­levering [m3/uur]

Debiet koeling [m3/uur]

Benodigde doublet­ten

Westermarkt

914.000

914.000

660

610

11

Reitse campus

2.347.000

2.347.000

1.700

1.560

29

P&R (Middenbuurt)

336.000

336.000

230

180

4

Meerkoldreef

284.000

284.000

190

180

4

Torenbuurt

538.000

538.000

360

340

6

Koolenlaanbuurt

526.000

526.000

370

310

7

Abdijbuurt

914.000

914.000

640

550

11

Taxandriëbaan

612.000

612.000

410

330

7

Schipholkwartier

128.000

128.000

100

120

2

Subtotaal

6.599.000

6.599.000

4.660

4.180

81

Het Zand en de Reit minus 9 deelgebieden

14.814.000

14.814.000

11.740

9.900

196

Totaal

21.413.000

21.413.000

16.400

14.080

277

Bij het bepalen van de grondwaterzijdige vraag is uitgegaan van een bodemzijdige energiebalans per deelgebied, waardoor de waterverplaatsing voor verwarming en koeling steeds gelijk is.

Overigens geldt in elk van de deelgebieden dat de warmtevraag groter is dan de koudevraag, en dat er in de zomer dus additionele warmte in de bodem geladen moet worden om de bronnen in balans te houden. Omdat dit voor elk deelgebied geldt, is er op dat vlak geen voordeel te behalen uit het uitwisselen van warmte en/of koude tussen en eventueel het samentrekken van deelgebieden.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.