Gemeentelijke regelgeving

beleidsregel Externe veiligheid bij bestemmingsplan Spoorzone 2019

Gemeente Tilburg · geldt sinds 23 april 2020

Aanhef

Collegebesluit van 18 februari 2020 - 24

Besluit

Het college stelt de beleidsregel "Externe veiligheid Spoorzone 2019" vast.

Inhoud

Voorwoord 3

1Samenhang met bestemmingsplan 5

1.1 Introductie beleidsregel 5

1.2 Bestemmingsplan Spoorzone 2019 5

2Verantwoorde groepsrisicowaarde 6

2.1 Verantwoorde groepsrisicowaarde 7

2.2 Aan te houden rekenmethodiek 7

3Een voldoende beschermingsniveau 7

3.1 Toepassing scherfvrij glas 8

3.1.1 Toepassing van brandwerend- en scherfvrij glas 9

3.1.2 Aan te houden ontwerpafstand bij scherfvrij glas 9

3.1.3 Welk soort glas moet worden toegepast ter voorkoming van scherfwerking? 10

3.1.4 Aan te houden rekenmethodiek 10

3.1.5 Afstand waarop geen glasmaatregelen meer nodig zijn 10

3.1.6 Inpandige explosies 11

3.2 Toepassing van dakbedekkingsmaatregelen 11

3.3 Vluchten onder de externe veiligheidsomstandigheden 11

3.4 Schuilen in gebouwen 12

3.5 Gebiedsinrichting en ontwerp van de openbare ruimte 12

3.6 Organisatorische aspecten 13

4Voldoende bluswater 14

Deel 2: Beleidsregels 15

1Toepassingsbereik 15

2Open normen in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte 15

3Invullen open normen 15

3.1 Verantwoorde groepsrisicowaarde 15

3.2 Voldoende beschermingsniveau 15

3.3 Voldoende bluswater 18

Deel 2: Beleidsregels

1 Toepassingsbereik

Aanvragen om een omgevingsvergunning of melding, voor zover betrekking hebbende op de gronden gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan Spoorzone 2019 worden aan deze beleidsregels getoetst.

2 Open normen in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte

De beleidsregel geeft een nadere uitwerking van de open normen uit het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte:

1een verantwoorde groepsrisicowaarde;

2een voldoende beschermingsniveau;

3voorzien wordt in voldoende bluswatervoorzieningen, met dien verstande dat in alle gevallen (ook gedurende de ontwikkeling) voldaan wordt aan de vereiste dekkingsgraad.

3 Invullen open normen 3.1 Verantwoorde groepsrisicowaarde

1Het groepsrisico voor het plangebied van het bestemmingsplan Spoorzone Tilburg 2019 mag niet meer bedragen dan 5,5 maal de oriëntatiewaarde, met dien verstande dat voor iedere ontwikkeling geldt dat die betreffende ontwikkeling geen hogere bijdrage aan het groepsrisico mag veroorzaken dan op grond van de functietoedeling en de toegekende bruto vloeroppervlakken per deelgebied mogelijk is, zoals opgenomen in het bestemmingsplan Spoorzone 2019.

2De berekening van het groepsrisico vindt plaats met toepassing van:

•de wettelijk voorgeschreven rekenmethode RBM;

•het rekenmodel zoals is vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan Spoorzone 2019 en dat wordt beheerd door de gemeente Tilburg of een namens de gemeente aan te wijzen deskundige dan wel een actuelere versie van dat rekenmodel met door de gemeente Tilburg geaccordeerde mutaties;

•de kengetallen voor de personendichtheid, zoals gehanteerd in het rekenmodel;

Nieuwe kengetallen zijn toelaatbaar indien deze representatief zijn onderbouwd en door burgemeester en wethouders van Tilburg aanvaard zijn.

3.2 Voldoende beschermingsniveau

Scherfvrij glas

1Vanwege de hoogte van het groepsrisico moet binnen het explosieaandachtsgebied (0-200 meter vanaf het buitenste spoor) bij nieuwbouw, voor de volgende functies, scherfvrij glas worden toegepast:

i.Woonfuncties

ii.Bijeenkomstfuncties

iii.Celfunctie

iv.Gezondheidsfunctie

v.Andere industriefuncties

vi.Kantoorfuncties

vii.Logiesfuncties

viii.Onderwijsfunctie

ix.Sportfuncties

x.Winkelfuncties

En dus niet bij:

xi.Lichte industriefuncties

xii.Overige gebruiksfuncties

xiii.Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2In het uitzonderlijke geval dat in het brandaandachtsgebied (0-30 meter vanuit de buitenste spoorstaaf) beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd dient ook scherfvrij glas te worden toegepast waarbij:

i.scherfwerking niet mag worden voorkomen door aan de buitenzijde van het glas aangebrachte folies;

ii.aangetoond moet worden dat de brandwerende eigenschappen niet de scherfwerking van het glas nadelig beïnvloeden en omgekeerd;

iii.beglazing moet voldoen aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

3Het toe te passen scherfvrij glas moet bij een explosie letsel door scherfwerking voorkomen, rekening moet worden gehouden met;

i.een overdruk van 10 kPa;

ii.een ontwerpafstand van 80 meter; of zoveel meer als het gebouw is gelegen op een afstand meer dan 80 meter en minder dan 200 meter, gemeten loodrecht vanaf de buitenste spoorstaaf.

4Voor de weerstand tegen explosies wordt aangesloten bij de NEN-EN 13541 “Veiligheidsglas – Beproeving en klasse-indeling van weerstand tegen explosiedruk” in de klasse ER1. Een gelijkwaardige alternatieve toepassing is eveneens toegestaan mits de initiatiefnemer aantoont dat het alternatief voldoet aan het beschermingsdoel zoals nagestreefd met klasse ER1 en de onderbouwing is goedgekeurd door burgemeester en wethouders van Tilburg.

5Voor het berekenen van de luchtdruk op de beglazing wordt gebruik gemaakt van het rekenprogramma Safeti-NL dan wel Phast, waarbij:

i.voor transportdoeleinden wordt uitgegaan van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart);

ii.bij inrichtingen en aangewezen buisleidingen wordt uitgegaan van de Handleiding risicoberekeningen Bevi (Hrb);

iii.bij een ontwerpafstand van 80 meter de overdruk 0,17 Bar (= 17 kPa) bedraagt;

iv.omgevingsreflecties van drukgolven bij de berekening niet beschouwd hoeven te worden en voor geveldelen die ‘zicht hebben’ op het spoor, moet de overdruk met een factor 2,5 verhoogd worden.

6In afwijking van het bepaalde onder 1 hoeft scherfvrij glas niet te worden toegepast indien initiatiefnemer aantoont dat:

i.ter plaatse van de beglazing de overdruk minder bedraagt dan 10 kPa;

ii.het glas bij een incident geen scherfwerking in de achterliggende ruimte heeft;

iii.de achterliggende ruimte geen bescherming behoeft tegen scherfwerking omdat

iv.personen er slechts zeer kortstondige verblijven en er geen sprake is van een

v.vluchtroute;

7Bij het toepassen van scherfvrij glas is de toepassing van aardgas niet toegestaan.

8De informatie van de in de buitengevel toe te passen beglazing bevat een certificaat waaruit blijkt dat aan deze beleidsregels wordt voldaan.

Dakbedekking

9In het explosieaandachtsgebied (afstand van 0 - 200 meter vanaf de buitenste spoorstaaf) mag op platte daken geen gebruik worden gemaakt van losliggend hard dakbedekkingsmateriaal, zoals grind als afdeklaag. Aaneengesloten tegelverharding, sedumdaken of vergelijkbare toepassingen zijn wel toegestaan.

10Toepassing van losliggend hard afdekkingsmateriaal is wel toelaatbaar mits is aangetoond dat de grindlaag op het dak voldoende is afgeschermd tegen de drukgolf.

Vluchten

11Vluchttrappen worden inpandig geplaatst.

12In afwijking van het bepaalde onder 11 zijn vluchttrappen uitpandig toegestaan, mits:

i.de gevel van het spoor is afgekeerd;

ii.de vluchtroute van het spoor wordt afgeschermd door de gevel van het gebouw.

13De capaciteit van vluchtroutes en vluchtdeuren aan de spoorzijde van een gebouw moet gecompenseerd worden aan een van het spoor afgeschermde zijde van het gebouw.

14Verzamelplaatsen moeten:

i.aan de van het spoor afschermde zijde van het gebouw gelegen zijn;

ii.de capaciteit hebben om de gehele populatie van het gebouw te verzamelen.

Schuilen in gebouwen

15Mechanische ventilatie dient centraal afschakelbaar te zijn.

Inrichting openbare ruimte

16Bij de (her)inrichting van de openbare ruimte langs het spoor dienen onderstaande maatregelen getroffen te worden om verspreiding van vloeistoffen tegengaan, of andere maatregelen met een aantoonbaar vergelijkbaar effect:

i.de openbare ruimte op afschot leggen, naar een afvangvoorziening;

ii.bij de voet van het hoogspoor een geul met ballast realiseren waarin de vrijkomende vloeistof geborgen wordt;

iii.de vloeistof in de riolering terecht te laten komen, waarbij een incidentplan voor de riolering opgesteld dient te worden waarin de mogelijke scenario’s voor verdere verspreiding via het rioolsysteem zijn beschreven en beheersmaatregelen zijn opgenomen.

Organisatorische aspecten

17De instructies van de BHV-organisatie tevens instructies bevatten omtrent de volgende scenario’s:

i.brand buiten het gebouw (op een afstand van 0 tot 50 meter);

ii.explosie (Bleve) buiten het gebouw (op een afstand van 30 tot 300 meter);

iii.gifwolk

18De instructies moeten ingaan op:

i.de organisatie, taakverdeling en onderlinge communicatie van de BHV bij dit type scenario’s;

ii.de wijze van communicatie met hulpdiensten;

iii.de criteria wanneer te vluchten dan wel te schuilen bij een (dreigend) incident;

iv.de wijze waarop aanwezigen in het gebouw geïnformeerd worden over de van hun verlangde handelswijze;

v.de vluchtroutes die bij een (dreigend) incident met gevaarlijke stoffen beschikbaar zijn;

vi.de locaties van verzamelplaatsen buiten het gebouw die geschikt zijn om te verzamelen na een incident met gevaarlijke stoffen;

vii.de wijze waarop de mechanische ventilatie bij een brand- en gifwolkscenario wordt afgezet, ramen en deuren worden gesloten en de luchtcirculatie binnen het gebouw wordt geoptimaliseerd;

viii.het beleid bij buitendeuren om bij een incident personen naar binnen of buiten te laten gaan;

ix.de wijze van samenwerking met BHV-organisaties van naastliggende panden ten tijde van een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen;

x.het moment van activeren van de mechanische ventilatie na het incident met gevaarlijke stoffen en – indien de personen uit een gebouw geëvacueerd zijn – het moment van betreden en herstart van het gebruik van het gebouw door het personeel.

19De instructies moeten binnen drie maanden na ingebruikname van het gebouw, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Eventuele op- en aanmerkingen door het bevoegd gezag moeten binnen een maand zijn verwerkt, waarna de instructies geïmplementeerd moeten zijn. Burgemeester en wethouders kunnen de Veiligheidsregio om advies vragen ten aanzien van de beoordeling van de instructies.

3.3 Voldoende bluswater

1Bij nieuwbouw en verbouw dient toepassing te worden gegeven aan de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening, VR Midden- en West-Brabant 2016, dan wel een geactualiseerde versie van deze beleidsregel.

2Van de beleidsregel genoemd onder 1 kan worden afgeweken indien:

a.de veiligheidsregio specifieke eisen noodzakelijk acht;

b.de veiligheidsregio positief geadviseerd heeft over de afwijking.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.