Aanhef
1.Voorwoord
De aanpak van ondermijnende criminaliteit is een belangrijk speerpunt in de gemeente Teylingen. Ondermijnende criminaliteit is in belangrijke mate drugsgerelateerd. Vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid, het beschermen van het woon- werk- en leefklimaat en de volksgezondheid, treedt de burgemeester streng op tegen illegale handel in drugs, hennepteelt en drugsproductie.
Het is belangrijk dat de overheid zichtbaar optreedt tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor deze vormen van ondermijnende criminaliteit. Naast strafrechtelijke sancties kunnen ook bestuursrechtelijke maatregelen worden ingezet om drugshandel, drugsproductie en hennepteelt en de voorbereidingen daarvan te beëindigen, te voorkomen en de openbare orde te herstellen. De burgemeester heeft de bevoegdheid tot het tijdelijk sluiten van woningen en lokalen op grond van artikel 13b van de Opiumwet, ook wel de Wet Damocles genoemd. Met een tijdelijke sluiting wordt de locatie weggenomen waar drugsgerelateerde criminele activiteiten plaatsvinden. Hiermee wordt een barrière opgeworpen voor criminele activiteiten en wordt het proces van drugshandel verstoord. Bovendien wordt met een dergelijke sluiting een sterk signaal naar de omgeving afgegeven.
In deze beleidsregel staat beschreven onder welke omstandigheden, op welke wijze en waarom de burgemeester gebruik maakt van de mogelijkheid om een bestuurlijke maatregel op te leggen op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Dit beleid ziet op alle woningen en lokalen.
3. Uitgangspunten
3.3. Onderscheid (sociale huur)woningen en lokalen
3.3.1. Onderscheid woningen, onbewoonde woningen en lokalen
Bij de toepassing van de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen wordt onderscheid gemaakt tussen bewoonde woningen, onbewoonde woningen en lokalen. De toepasselijke sluitingstermijnen staan vermeld in hoofdstuk 4 en 5 van deze beleidsregel.
De tijdelijke sluiting van bewoonde woningen grijpt zwaarder in op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) dan de sluiting van onbewoonde woningen en lokalen. De essentie ligt daarin dat bij ruimtes die feitelijk worden gebruikt om te wonen, het woonrecht en de bescherming van privé, familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een rol speelt. Een tijdelijke sluiting van een bewoonde woning kan immers inbreuk maken op deze rechten en kan tevens ingrijpende gevolgen hebben voor de bewoners. Bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik kan maken en, zo ja, op welke wijze, komt hieraan daarom zwaar gewicht toe. Bij de sluiting van onbewoonde woningen en lokalen is het grondrecht van artikel 8 EVRM niet in het geding.
Daarnaast is van belang dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet volgt dat in algemene zin bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de (bewoonde) woning dient te worden overgegaan en moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Anderzijds is de impact van drugshandel op de omgeving en de omwonenden juist groot als het om woningen gaat. In ernstige gevallen kan daarom bij een eerste overtreding wel tot het tijdelijk sluiten van een woning worden overgegaan
6Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006,07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2.
. Hierbij wordt opgemerkt dat van belang is dat hiermee het woonrecht wordt beschermd, niet de woning.
Bij (on)bewoonde woningen speelt de krapte op de woningmarkt een rol. Een tijdelijke sluiting van een (on)bewoonde woning heeft immers tot gevolg dat deze gedurende de sluitingstermijn niet voor bewoning beschikbaar is of kan worden gesteld, terwijl deze woning dus wel een voor bewoning geschikte en bestemde ruimte is. Dit in tegenstelling tot de gevolgen van een tijdelijke sluiting van een lokaal.
3.3.2. Sociale huurwoningen
Bij de uitoefening van de bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet, weegt de burgemeester alle belangen die aan de orde zijn mee. Daarbij hecht de burgemeester - gelet op de huidige krapte op de woningmarkt - grote waarde aan het belang om (betaalbare) sociale huurwoningen zo min mogelijk aan de woningmarkt te onttrekken. Het sluiten van een woning betekent immers dat deze gedurende een bepaalde periode niet beschikbaar is voor bewoning. Daar staat echter tegenover dat de invloed van drugshandel op onder andere de leefomgeving niet moet worden onderschat. Daarom is de signaalfunctie die van een sluiting uitgaat in de sociale huursector even belangrijk als bij andere (particuliere) woningen.
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
7ABRvS 29 april 2020, ECI:NL:RVS:2020:1147
volgt echter dat de burgemeester bij de belangenafweging om over te gaan tot het al dan niet sluiten van een woning, niet alleen belangen die gediend zijn bij het zichtbaar optreden tegen drugshandel hoeft te betrekken. Dit belang mag ook worden afgewogen tegen andere belangen, zoals het belang bij de volkshuisvesting. Hierbij mag betekenis worden toegekend aan de wettelijke waarborgen die gelden voor woningcorporaties en het transparante toewijzingsbeleid. Anders dan particuliere verhuurders mogen zij niet elk willekeurig persoon huisvesten. Er bestaan over het algemeen lange wachttijden en meer mensen hebben een urgent woonprobleem, waardoor het belangrijk is dat woningen weer snel vrijkomen om de doorstroom in de sociale huursector te kunnen bevorderen en de specifieke doelgroepen te kunnen huisvesten. Particuliere verhuurders hebben niet een dergelijke plicht en zijn ook in die zin dus niet gelijk te stellen met een woningcorporatie. Aannemelijk is verder dat particuliere verhuurders doorgaans een voorkeur hebben voor andere doelgroepen en dat zij ook op een andere manier tot verdeling van woonruimte zullen overgaan omdat zij doorgaans een commercieel motief zullen hebben. Particuliere verhuurders kunnen daarom niet geacht worden in dezelfde mate het belang van de volkshuisvesting te dienen als woningcorporaties.
Daarom wordt er bij sociale huurwoningen van woningcorporaties in beginsel alleen de handhavingsmatrix gehanteerd zoals die wordt toegepast op woningen bij een eerste overtreding van de Opiumwet; namelijk een waarschuwing of een soortgelijke maatregel of drie maanden sluiting (eerste kolom van de handhavingsmatrix). Feitelijk betekent dit dat de bepalingen over recidive
8Zie hiervoor hoofdstuk 8 en de sluitingstermijnen bij recidive zoals weergegeven in de handhavingsmatrixen in hoofdstuk 4 van deze beleidsregel
dus niet voor woningcorporaties gelden. Een langere sluitingsduur dan drie maanden kan wel noodzakelijk zijn indien er sprake is van omstandigheden die een zwaardere maatregel (langere sluitingsduur) rechtvaardigen, zoals omschreven in paragraaf 7.1. van deze beleidsregel.