Aanhef
De raad van de gemeente Terneuzen;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2018;
Besluit:
Het definitief Water- en Rioleringsplan 2019-2023 inclusief bijbehorende bijlagen vast te stellen.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 13 december 2018.
Griffier, voorzitter,
mr.J.H.P. (Joost) de Jong, J.A.H. (Jan) Lonink
2. Evaluatie
2.4 Financiële middelen
2.4.1 Rioolheffing
De kostendekking van de uitgevoerde taken is de afgelopen jaren deels gevonden in de rioolheffing. Gemeenten kunnen via rioolheffing lasten doorberekenen aan hun burgers en bedrijven (paragraaf 3.2.1) De dekking van de lasten vindt daarnaast plaats ten laste van de in de begroting beschikbare middelen.
De gemeente Terneuzen heft rioolheffing van eigenaren over de waarde in het economisch verkeer van hun perceel. Een perceel is een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan. Indien het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economisch verkeer gelijkgesteld aan de Waardering Onroerende Zaken (WOZ)-waarde van de panden die worden aangeslagen. Een overzicht van de belastingtarieven van de rioolheffing is weergegeven in Tabel 2.
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
Rioolheffing o.b.v. percentage WOZ-waarde
0,051 %
0,063 %
0,080 %
0,085 %
0,088 %
0,091 %
0,094 %
0,096 %
Tabel 2 Rioolheffing
Op basis van het Coalitieakkoord 2014-2018 Samen verder was het uitgangspunt voor de tariefbepaling van de rioolheffing maximaal 100% kostendekkendheid. Aangezien 100% kostendekkendheid nog niet was bereikt, werd de afgelopen jaren een trendmatige verhoging van 3% toegepast. De mate van kostendekkendheid van de rioolheffing is weergegeven in Tabel 3.
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
Kostendekkendheid percentage begrotingen
71,00 %
75,40 %
85,30 %
92,00 %
96,50 %
92,80 %
97,88 %
90,00 %
Tabel 3 Mate van kostendekkendheid rioolheffing
Voor de tariefbepaling en voor de berekening van de kostendekkendheid van de rioolheffing sloot de gemeente aan bij het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en bij de financiële verordening van de gemeente. In de berekening heeft de gemeente onder andere overheadkosten, rente over het eigen vermogen en voorzieningen en compensabele btw meegenomen.
3. Wetgeving en beleid
3.2 Nationale wet- en regelgeving
3.2.1 Nationale wetgeving
De Wet milieubeheer (1993) beschermt het milieu in de breedste zin van het woord. In deze wet (artikel 10.33) zijn de taken en verplichtingen die een gemeente op het gebied van riolering en afvalwater heeft, vastgelegd. Sinds 1 januari 2008 heeft de gemeente ook taken gekregen op het gebied van hemelwaterbeheer en grondwaterbeheer. Deze zijn sinds 22 december 2009 verankerd in de Waterwet (2009) (afvalwater artikel 3.4, hemelwater artikel 3.5, grondwater artikel 3.6). In de Waterwet is het accent gelegd op samenwerking in de waterketen (artikel 3.8). Ook voorgenomen overheidsbezuinigingen vragen om (meer) samenwerking tussen betrokkenen. Voor de drie aandachtsvelden geldt een gemeentelijke zorgplicht (paragrafen 3.4.2, 3.5.2 en 3.6.2).
Conform de met de Deltawet (2011) gewijzigde Waterwet doet de deltacommissaris ieder jaar een voorstel voor het Deltaprogramma. Het Deltaprogramma heeft als doel Nederland ook voor de volgende generaties te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. Onderdeel daarvan is een voorstel voor de programmering van maatregelen in het Deltaplan Waterveiligheid en het Deltaplan Zoetwater. Het Deltaprogramma 2018 bevat voor het eerst ook een voorstel voor het nieuwe Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (paragraaf 7.7). Deze is gericht op een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van ons land.
De Wet milieubeheer en de Waterwet worden opgenomen in de Omgevingswet. De datum van inwerkingtreding is vastgesteld op 1 januari 2021. Deze wetswijziging heeft waarschijnlijk als direct gevolg dat de verplichting voor het opstellen van een Water- en Rioleringsplan (WRP) komt te vervallen. Hoe de gemeente Terneuzen gaat inspelen op de Omgevingswet is vooralsnog niet duidelijk. Dit wordt de komende jaren verder uitgewerkt.
De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON) (2018), voorheen WION, is ook van invloed op rioleringsbeheer. Deze wet geeft invulling aan de INSPIRE-richtlijn voor wat betreft liggingsgegevens. Gemeenten vallen als eigenaar van rioleringsstelsels en andere ondergrondse netten onder deze wet. Dit betekent onder andere dat gemeenten liggingsgegevens van afvoersystemen beschikbaar, raadpleegbaar en uitwisselbaar moeten hebben voor externe partijen.
De Wet algemene bepaling omgevingsrecht (WABO) (2010) regelt de omgevingsvergunning. Het gaat hierbij om een groot deel van de vergunningen in het domein van de fysieke leefomgeving. Bij bepaalde activiteiten geldt een meldingsplicht, voor andere activiteiten moet een watervergunning worden aangevraagd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is sprake van een watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse.
In de Gemeentewet (1992) artikel 228a (inwerkingtreding artikel 1 januari 2008) zijn de wettelijke kaders voor de rioolheffing vastgelegd. De rioolheffing is een bestemmingsbelasting. Dit betekent dat de opbrengsten van de heffing bestemd zijn voor een specifieke taak. Een gemeente mag geen andere zaken uit deze heffing bekostigen. De naam rioolheffing dekt overigens niet de volledige lading van de heffing. De heffing is namelijk voor de kosten van meerdere watertaken, namelijk:
a.de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en
b.de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
3.2.2 Nationaal beleid
Naast bovenstaande nationale wetten, zijn er ook diverse andere nationale beleidsdocumenten welke van invloed zijn op het (afval-)waterbeheer. Zo is er de beleidsnota Nationaal Waterplan 2016-2021 welke de hoofdlijnen, principes en inrichting van het nationale waterbeleid beschrijft. Daarnaast zijn erop nationaal niveau Stroomgebiedbeheersplannen 2016-2021 waarin maatregelen zijn opgenomen om aan de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) te voldoen. Nederland is ingedeeld in vier stroomgebieddistricten: Maas, Rijn Schelde en Eems. De gemeente Terneuzen ligt in het stroomgebied van de Schelde. Binnen elk stroomgebieddistrict werken provincies, gemeenten, waterschappen en Rijkswaterstaat samen aan het doel van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Grensoverschrijdende samenwerking tussen landen en betrokken partijen op het gebied van water is verplicht.
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2003), het Nationaal Bestuursakkoord Water – actueel (NBW-actueel) (2008) en vervolgens in het Bestuursakkoord Water (BAW) (2011) hebben het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) doelen vastgelegd voor het watersysteem en de (afval)waterketen. Deze doelen zijn: veiligheid tegen overstromingen, goede kwaliteit van water en voldoende zoetwater. Door doelmatiger waterbeheer moet het mogelijk zijn om vanaf 2020 jaarlijks structureel 750 miljoen euro te besparen op de stijgende kosten voor veiligheid en waterbeheer. Dit betekent een beperkte stijging van waterlasten voor burgers en bedrijven. In 2020 vindt een heroriëntatie plaats.
3.2.3 Landelijke samenwerking
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is de koepelorganisatie van alle gemeenten. De VNG ondersteunt gemeenten bij het vertalen van nationaal beleid naar gemeentelijk beleid, bij kennisdeling over de uitvoeringspraktijk en behartigt de belangen van alle gemeenten bij diverse partijen.
Tot de activiteiten behoren:
1het bieden van een platform;
2belangenbehardiging;
3dienstverlening aan gemeenten;
4het ontwikkelen van producten en diensten.
De provinciale afdelingen van de VNG behartigen de belangen van de gemeenten in betreffende provincie. Zij onderhandelen met het provinciebestuur en informeren gemeenten over vraagstukken die in de provincie spelen. De provinciale afdeling in Zeeland is de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten (VZG).
Via dit samenwerkingsverband is bijvoorbeeld in 2015 deelgenomen aan het onderzoek naar waar zoet, zout of brak water in de Zeeuwse ondergrond zit (project FRESHEM).
3.3 Regionale samenwerking
3.3.1 Zuidwestelijke Delta
De Zuidwestelijke Delta is een samenwerkingsverband tussen het Rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten in de zuidwestelijke delta en verzorgt de afstemming voor het Deltaprogramma en het uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta. Het werkgebied omvat Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en het westelijk deel van Noord-Brabant. De samenwerking richt zich op een economisch vitale, ecologisch veerkrachtige, veilige en klimaatbestendige Delta.
Het uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta is opgenomen in het Nationaal Waterplan. In 2014 is de voorkeursstrategie voor de Zuidwestelijke Delta vastgesteld. Deze Voorkeursstrategie is onderdeel van het Deltaprogramma 2015.
Bestuurlijk staat de Zuidwestelijke Delta op de agenda van de Water Ochtend. Dat is het gemeentelijk overleg waarin alle gemeenten binnen de Zuidwestelijke Delta en de voorzitter van het Gebiedsoverleg vertegenwoordigd zijn. Dit overleg heeft een aantal taken in de planvorming en uitvoering van het Deltaprogramma en het Uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta.
Daarnaast vergaderen zes afgevaardigde gemeentebestuurders samen met de Adviesgroep Zuidwestelijke Delta die bestaat uit maatschappelijke organisaties. Een gemeentebestuurder neemt namens de gemeenten deel aan het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta.
Het uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta is opgenomen in het Nationaal Waterplan. In 2014 is de voorkeursstrategie voor de Zuidwestelijke Delta vastgesteld. Deze Voorkeursstrategie is onderdeel van het Deltaprogramma 2015.
Project
Besluitdocument
Ambtelijke samenwerking Zuidwestelijke Delta3
Besluit 2015_BW_00918
Tabel 4 Zuidwestelijke Delta
3.3.2 Rijkswaterstaat Zee en Delta
Rijkswaterstaat is het bevoegd gezag voor de waterkwaliteit van de Rijkswateren. Rijkswaterstaat heeft een wettelijke adviestaak bij de totstandkoming van onder andere rioleringsplannen (in relatie tot grote wateren). Ze willen daarom vroegtijdig betrokken zijn bij alle relevante ruimtelijke plannen via de watertoets en bijdragen aan initiatieven en plannen van derden.
3.3.3 Provincie Zeeland
Het beleid van de provincie Zeeland is verwoord in het Omgevingsplan 2012-2018. In het omgevingsbeleid is de nieuwe taakverdeling tussen Rijk, provincie Zeeland, waterschap Scheldestromen en gemeenten uiteengezet. In die taakverdeling liggen meer taken en verantwoordelijkheden bij de gemeenten. De provincie beperkt zich tot haar kerntaken.
3.3.4 Waterschap Scheldestromen
In de Waterschapswet is de instelling van een waterschap geregeld. De Keur van het waterschap is een verordening welke de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken regelt. Waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor het beheer van het binnendijkse oppervlaktewater in Zeeland. Het beleid is vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het waterbeheerplan is tot stand gekomen in samenwerking met Rijkswaterstaat en de provincie Zeeland. Het plan is afgestemd op het door het Rijk opgestelde Stroomgebied Beheerplan Schelde en het door de provincie Zeeland opgestelde omgevingsplan Zeeland.
De uitwerking van het Waterbeheerplan 2016-2021 voor wat betreft de afvalwaterketen is beschreven in de Strategienota Afvalwaterketen 2012-2021. Hierin is de lange termijnvisie op het gebied van de afvalwaterketen vastgelegd. Eén van de speerpunten uit de strategienota is verdere intensivering van de samenwerking met andere gemeenten. Dit wordt in hoofdzaak geborgd in het Samenwerkingsverband (Afval-)waterketen Zeeland (SAZ+) (paragraaf 3.3.5). De Beleidsnota Afvalwaterketen 2016-2021 geeft een verdere uitwerking van de strategienota en beschrijft visie, doelen en strategie voor de afvalwaterketen.
De Nota Riolering (2014) bevat het beleid uit de strategienota afvalwaterketen in relatie tot de gemeentelijke rioleringstaak. Ten aanzien van afvalwater is de taak van het waterschap om het ingezamelde afvalwater te transporteren en te zuiveren. Het waterschap transporteert het water vanaf een met de gemeente afgesproken overnamepunt naar de afvalwaterzuivering. Het uitgangspunt is één overnamepunt per kern waar het door de gemeente ingezamelde afvalwater wordt overgenomen door het waterschap. Uitgangspunt hiervoor is de Richtlijn Overnamepunten.
In de Waterwet wordt de onttrekking van grondwater en de infiltratie van hemel- of grondwater geregeld. Het waterschap beheert de grondwatervoorraden in het ondiepe grondwater en de provincie in het diepe grondwater.
De Beleidsnota watersystemen 2016-2021 is een nadere uitwerking van het hierboven genoemde Waterbeheerplan 2016-2021 voor het beleidsveld watersystemen. Het waterschap wil robuust toekomstbestendig watersysteem dat doelmatig en duurzaam wordt beheerd, bereiken. Belangrijke pijlers zijn: beperken van wateroverlast vanuit het watersysteem, zorgen voor gezond water in het watersysteem en optimaal gebruik van het watersysteem.
De Beleidsnota grondwater (2013) beschrijft hoe het waterschap invulling geeft aan haar taak in het operationele grondwaterbeheer. De rol, taak en positie van het waterschap zijn in deze nota beschreven. Het waterschap gaat daarnaast ook kort in op de rollen en taken van andere betrokkenen.
De Beleidsnota emissie (2012) bevat een nadere uitwerking van het in waterbeheerplan geschetste lozingenbeleid.
Overeenkomsten en projecten waarin sprake is van nauwe samenwerking met waterschap Scheldestromen zijn weergegeven in Tabel 5.
Project
Besluitdocument
Toelichting in WRP
Beheersafspraken hoofdgemaal Othene
Brief (oktober 2016)
Paragraaf 5.5.4
Beheer en onderhoud overstortgemaal Westerschelde
Overeenkomst 1991
Paragraaf 5.5.4
Overdracht gemalen i.h.k.v. Richtlijn Overnamepunen
2017_BW_01367
Paragraaf 5.5.5
Beheer en onderhoud voorzieningen voor Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA)
2017_BW_10576
Paragraaf 5.1 en 5.6
Beheer en bekostiging onderhoud Afvalwatertransport-systeem (ATS)
2015_Raad_00118
Paragraaf 5.7
Beheer en onderhoud van oppervlaktewater in Bebouwd gebied (BOB)
2015_BW_00826
Hoofdstuk 7.3
Stedelijk Waterplan 2007-2010
Ontwerp visienota (november 2006)
Bijlage 2.2
Waterbergingsfonds
21081 (februari 2013)
5363/45588 (november 2013)
Paragraaf 7.6.1
Tabel 5 Actuele projecten met waterschap Scheldestromen
3.3.5 Samenwerkingsverband (Afval-)waterketen Zeeland (SAZ+)
In Zeeland is in 2013 gestart met de samenwerking in de afvalwaterketen tussen de Zeeuwse gemeenten en het waterschap. De doelstelling van SAZ+ is:
•het vergroten van de kwaliteit en de efficiëntie in beheertaken en innovatievermogen;
•het beperken van personele kwetsbaarheid;
•het beperken van de kosten(stijging) in de afvalwaterketen.
Sinds de toetreding van Evides in 2015 is de samenwerking gericht op de gehele waterketen. Dat is de aanleiding geweest om de oorspronkelijke koers van het Samenwerkingsverband (Afval-)waterketen Zeeland (SAZ+) bij te stellen en een nieuwe visie op te stellen. Dit heeft geleid tot de Visie Waterketen Zeeland.
Project
Besluitdocument
Samenwerkingsovereenkomst (Afval) waterketen Zeeland (SAZ+)
Bestuursovereenkomst (oktober 2013)
Addendum SAZ+ (april 2015) n.a.v. toetreding Evides
Tabel 6 Samenwerkingsverband (Afval-)waterketen Zeeland (SAZ+)
3.3.5.1 Visie Waterketen Zeeland
De komende jaren wordt er naar gestreefd om relevante wateronderwerpen meer integraal te benaderen. Belangrijke items daarbij zijn de bestuurlijke versnippering, sterke autonomie, beschikbaar budget, kennis en personele capaciteit. De visie beoogd een aantoonbare meerwaarde van samenwerken. Daarbij spelen ambities ten aanzien efficiënter samenwerken, afvalwater als bron voor grondstoffen en energie alsmede het implementeren van nieuwe technieken een cruciale rol.
Vanuit de optiek van de taken ten aanzien van volksgezondheid en droge voeten wordt dienstverlening aan de gebruiker centraal gesteld en is de volksgezondheid gewaarborgd. Daarnaast spreekt het voor zich dat de toekomstige inrichting van de waterketen klimaatbestendig en duurzaam is. Hergebruik van energie, grondstoffen en water is daar onderdeel van. Verder is het beheer van de waterketen nu en in de toekomst kosteneffectief en transparant en is de benodigde kennis en personele capaciteit geborgd door bundeling van krachten. Verder is het participeren in ruimtelijke ordening vanzelfsprekend en het beheer van de waterketen is doelmatig. Tot slot is relevante kennis en benodigde personele capaciteit op alle genoemde aspecten en ontwikkelingen afgestemd.
Met name voor de invulling van relevante kennis en personeelscapaciteit zijn verschillende scenario’s mogelijk. Nadere uitwerking van deze scenario’s zal op initiatief van het visie-platform plaatsvinden en te zijner tijd worden beoordeeld. Essentieel bij de te ontwikkelen scenario’s is de gemeentelijke autonomie en zodoende een belangrijk criterium.
Vooralsnog wordt de Visie Waterketen Zeeland door gemeente Terneuzen gedeeld onder voorbehoud van de genoemde gemeentelijke autonomie en uitstel van besluitvorming over kennis en capaciteit tot concrete voorstellen met aantoonbare voordelen beschikbaar zijn. Na uitwerking van de scenario’s zal ook meer duidelijk zijn over de financiële gevolgen.
3.3.5.2 Programmalijn 1: van vervangen naar verbeteren
Binnen deze programmalijn staan verbeteringsmaatregelen voor het toekomstbestendig (klimaatbestendig) maken van de waterhuishouding in bebouwd gebied centraal. Door verbeteringsmaatregelen doelmatig te combineren met vervangings- en renovatiemaatregelen en door een goede afweging van risico’s kan op de oorspronkelijk gedachte investeringen voor vervanging worden bespaard waarvan een deel ten goede kan komen aan investeringen voor verbeteringen in combinatie met het klimaatbestendig maken.
Voor drie weerbeelden (kort hevig nat, langdurig nat en langdurig droog) zijn de gevoelige gebieden per gemeente in kaart gebracht. Vervolgens worden door het toepassen van de redeneertrant slimme integrale oplossingen gegenereerd.
3.3.5.3 Programmalijn 2: aanpak rioolvreemd water
Rioolvreemd water is een verzamelnaam voor schone waterstromen die langs verschillende wegen binnenkomen in rioleringsstelsels. Soms het gevolg van een bewust gekozen inrichting, maar meestal onbedoeld binnendringend. Rioolvreemd water vormt Zeeuws breed met gemiddeld 30% een significant deel van de totale jaarlijkse wateraanvoer op de afvalwaterzuiveringsinstallaties in Zeeland. Door het aandeel rioolvreemd water in de riolering te verminderen, zal minder water naar de afvalwaterzuivering stromen.
3.3.5.4 Programmalijn 3: duurzaam zuiveren
Binnen deze programmalijn wordt ingezet op het verduurzamen van de afvalwaterketen door energieterugwinning en aanvullend terugwinning van grondstoffen uit afvalwater.
3.3.5.5 Programmalijn 4: operationeel samenwerken
Operationele samenwerking binnen het Samenwerkingsverband (Afval-)waterketen Zeeland (SAZ+) is erop gericht om meer samen te doen op allerlei vlakken binnen riool- en waterbeheer. Speerpunten binnen deze programmalijn zijn:
•gezamenlijk gemalenbeheer (besturing gemalen waterschap en gemeenten);
•gezamenlijk gegevensbeheer en overige diensten.
3.3.5.6 Beleid lozingen buitengebied
In het buitengebied ontstaan regelmatig nieuwe initiatieven waarbij afvalwater vrijkomt. Hierbij moet worden gedacht aan nieuwe of uitbreidende bedrijvigheid en woningbouw op bestaande percelen of nieuwe locaties. Vele veranderingen op het gebied van beleid, wetgeving en ervaringen ten aanzien van het omgaan met afvalwater in het buitengebied zijn aanleiding geweest voor vaststellen van Zeeuws breed beleid (Beleid lozingen buitengebied).
3.3.5.7 Pilot Inzamelen medicijnresten
De pilot van twee jaar omvat het inzamelen van medicijnafval bij de bron. Deze aanpak heeft de voorkeur, waarbij in de hele keten maatregelen worden genomen. Het voorkomt dat medicijnresten in het afvalwater terechtkomen en uiteindelijk het oppervlaktewater belasten. Medicijnen vallen onder klein gevaarlijk afval en kunnen worden ingeleverd bij de milieustraat. Door deze pilot kunnen Zeeuwse burgers kunnen hun ongebruikte medicijnen ook inleveren bij elke apotheek in Zeeland.
3.3.6 Interne samenwerking gemeente Terneuzen
In deze paragraaf worden diverse van toepassing zijnde beleidsstukken van de gemeente Terneuzen besproken. Hierbij wordt ingegaan op het raakvlak met het Water- en Rioleringsplan (WRP).
3.3.6.1 Structuurvisie Gemeente Terneuzen 2025
De Structuurvisie Gemeente Terneuzen 2025 is in december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad. In deze structuurvisie zijn de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van de gemeente vastgelegd. Het grondgebied van de gemeente Terneuzen bestaat voor circa 20% uit water. In de structuurvisie is ook aandacht voor de klimaatverandering en de te verwachten klimaateffecten. Klimaatverandering en te verwachten klimaateffecten hebben gevolgen voor huidig of toekomstig landgebruik. Inzicht in kansen en knelpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen vanuit dat langetermijnperspectief is nodig. Adaptatiemaatregelen dienen te worden uitgewerkt. De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Dit vereist integraal beheer en onderlinge afstemming met verschillende afdelingen.
3.3.6.2 Wegenbeheerplan 2018-2022
Vanuit de Wegenwet heeft de gemeente de zorgplicht voor een goede staat van de wegen en is ze verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de gemeentelijke wegen. Het wegenbeheerplan is het instrument voor het doelmatig beheren en onderhouden van de voorzieningen. Doel is om projecten vanuit diverse gemeentelijke beleidsvelden vroegtijdig af te stemmen, zodat integraal uitvoeren van projecten leidt tot kosteneffectiviteit. Het streven is om toe te werken naar een gezamenlijk uitvoeringsplan en wellicht in de toekomst ook naar een integraal beheerplan.
3.3.6.3 Groenbeheerplan
Het beheerplan geeft inzicht in de huidige situatie van de groenvoorzieningen en geeft richting aan doelmatig beheer en onderhoud van de voorzieningen in de openbare ruimte. Doel is om projecten vanuit diverse gemeentelijke beleidsvelden vroegtijdig af te stemmen, zodat integraal uitvoeren van projecten leidt tot kosteneffectiviteit. Het streven is om toe te werken naar een gezamenlijk uitvoeringsplan en wellicht in de toekomst ook naar een integraal beheerplan.
3.3.6.4 Watertoets
De watertoets is sinds november 2003 wettelijk verplicht voor streekplannen, streekplanuitwerkingen, regionale en gemeentelijke structuurplannen, bestemmingsplannen en vrijstellingen op grond van artikel 19, lid 1 van de wet op de Ruimtelijke Ordening. In de toelichting bij genoemde plannen moet een waterparagraaf zijn opgenomen. Conform het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) moet de watertoets ook worden toegepast bij waterhuishoudkundige relevante plannen en besluiten die niet vallen onder de wettelijke verankering.
De watertoets omvat diverse spelregels die erop gericht zijn het watersysteem in al zijn aspecten op een goede manier mee te nemen in de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Bij de (her)inrichting van ruimte moet rekening worden gehouden met de randvoorwaarden die het watersysteem stelt. Daarbij valt onder andere te denken aan: voldoende ruimte voor water, voldoende aandacht voor effecten op waterkwaliteit, garanderen van veiligheid, maar ook tegengaan van verdroging . Door negatieve effecten vooraf in beeld te brengen, kunnen zij zoveel mogelijk worden voorkomen of worden gecompenseerd.
Bij ruimtelijke plannen heeft de gemeente veelal de rol van initiatiefnemer. Het waterschap heeft de rol van adviseur en de provincie vervult veelal de rol van beoordelaar.
Binnen de watertoets worden elf thema’s aangehouden: veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwateroverlast, oppervlaktewater-kwaliteit, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. Niet ieder thema wordt in elke watertoets even uitgebreid besproken.
3.3.6.5 Technische kwaliteitsomschrijvingen infrastructuur en groenvoorziening
In het document ‘technische kwaliteitsomschrijving infrastructuur en groenvoorziening gemeente Terneuzen ’ zijn de technische kwaliteitseisen beschreven waar projecten en maatregelen aan moeten voldoen. Het gaat enerzijds om algemene eisen, bijvoorbeeld ten aanzien van revisietekeningen en opleverinspecties. Anderzijds gaat het in dit document in paragraaf 7 ook om specifieke eisen bijvoorbeeld met betrekking tot riolering en waterhuishouding. Het betreffende document is niet actueel en niet compleet. Zo is bijvoorbeeld klimaatbestendige, waterrobuuste inrichting van de openbare ruimte onvoldoende geborgd. Aan het begin van de planperiode van het nieuwe Water- en Rioleringsplan (WRP) worden de eisen en randvoorwaarden geactualiseerd.
3.4 Zorgplicht afvalwater
3.4.1 Verantwoordelijkheid perceeleigenaar
De Wet milieubeheer (artikel 10.33) verplicht gemeenten tot het inzamelen en transporteren van het binnen de gemeentegrenzen vrijkomende stedelijk afvalwater. Het Besluit lozing afvalwater huishoudens (BLAH) is bestemd voor het lozen van huishoudelijk afvalwater door particulieren. Het Activiteitenbesluit is van toepassing op bedrijfsmatige lozingen. Deze wettelijke basis is binnen het Samenwerkingsverband (Afval-)waterketen Zeeland (SAZ+) vertaald naar regionaal beleid middels het document Beleid lozingen in het buitengebied (paragraaf 3.3.5.6). Dit beleid bepaald of een perceel wel of niet aangesloten moet worden op de gemeentelijke riolering.
Binnen de bebouwde kom kan elk perceel zijn afvalwater lozen op de gemeentelijke riolering. De perceeleigenaar is verantwoordelijk voor de riolering in huis en op eigen terrein.
Buiten de bebouwde is er naar aanleiding van de uitgestrektheid van het buitengebied sprake van maatwerk conform het genoemde beleid, namelijk:
•Voor ongeveer 560 percelen, waar de afstand tot de gemeentelijke riolering te groot is, heeft provincie Zeeland de gemeente ontheffing van de zorgplicht verleend. Dat betekent dat de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk is voor het verwerken van afvalwater en het voldoen aan de lozingsvoorwaarden. De zuiveringsvoorziening die daarvoor wordt gebruikt, dient uiterlijk in 2027 aan de wettelijke eisen te voldoen (paragraaf 3.3.5.6);
•Voor een aantal percelen heeft de provincie Zeeland geen ontheffing van de zorgplicht verleend. Op basis van doelmatigheid is per locatie een afweging gemaakt tussen het aanleggen van riolering of de aanleg van een lokale zuiveringsvoorziening (IBA). De voorziening is in eigendom en beheer bij de gemeente.
In alle bovenvermelde situaties is de perceeleigenaar verantwoordelijk voor doelmatig gebruik, zodat het functioneren van de riolering of de zuiveringsvoorziening gewaarborgd is en ongewenste lozingen worden voorkomen.
3.4.2 Gemeentelijke zorgplicht afvalwater
Het is de taak van de gemeente om stedelijk afvalwater in te zamelen en te transporteren naar een met het waterschap overeengekomen overnamepunt. Een overnamepunt ligt over het algemeen aan de rand van de bebouwde kom. Indien dit niet doelmatig is, zoals in delen van het buitengebied, is lokale zuivering een alternatief (Wet milieubeheer artikel 10.33 en Waterwet artikel 3.4). Voor uitzonderlijke situaties is ontheffing van de zorgplicht ontvangen van provincie Zeeland (paragraaf 3.4.1).
Vergunningaanvragen voor nieuwe huisaansluitingen worden getoetst aan genoemde wet- en regelgeving en het Zeeuws breed Beleid lozingen buitengebied (paragraaf 3.3.5.6).
3.4.3 Verantwoordelijkheid waterschap
Waterschap Scheldestromen neemt het stedelijk afvalwater van de gemeente over op overeengekomen overnamepunten. Het afvalwater wordt vervolgens naar de afvalwaterzuivering getransporteerd en gezuiverd.
3.5 Zorgplicht hemelwater
3.5.1 Verantwoordelijkheid perceeleigenaar
Op particulier terrein is conform de Waterwet de eigenaar van het terrein primair verantwoordelijk voor de berging en afvoer van het hemelwater. De gemeente is niet verplicht hemelwater afkomstig van particulier terrein af te voeren. Tot op heden heeft de gemeente dit als vanzelfsprekend beschouwd en gedaan.
In situaties waarin het niet redelijk is om van perceeleigenaren te verlangen het hemelwater zelf te verwerken, wordt aangesloten op een gemeentelijke inzamelvoorziening (paragraaf 3.5.2).
Indien gebruik wordt gemaakt van een gemeentelijke inzamelvoorziening dan is de perceeleigenaar verantwoordelijk voor doelmatig gebruik. De reden is het waarborgen van het functioneren van de voorziening en het voorkomen van ongewenste lozingen.
De verantwoordelijkheid van een perceeleigenaar in relatie tot verantwoordelijkheden van overheden is schematisch weergegeven in Figuur 3.
3.5.2 Gemeentelijke zorgplicht hemelwater
Als door de gemeente is vastgesteld dat de eigenaar zelf geen voorziening kan of mag treffen (bijvoorbeeld wanneer er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop kan worden geloosd of infiltratie in de bodem niet mogelijk is door een hoge grondwaterstand), wordt het perceel aangesloten op een gemeentelijke inzamelvoorziening.
De gemeente neemt (op het moment dat de eigenaar zelf geen voorziening kan/mag treffen) het hemelwater vanaf de perceelgrens in ontvangst en voert dit af volgens de voorkeurvolgorde voor de afvoer van overtollig hemelwater. Dit gebeurt op basis van de Nota Riolering van waterschap Scheldestromen:
1naar oppervlaktewater;
2naar een niet bemalen openbaar hemelwaterstelsel;
3naar een bemalen openbaar hemelwaterstelsel;
4naar een bemalen gemengd of vuilwaterstelsel.
Vergunningaanvragen voor nieuwe hemelwateraansluitingen worden getoetst aan genoemde wet- en regelgeving en het beleid.
Verder is de gemeente conform de Waterwet verantwoordelijk voor het inzamelen en verwerken van overtollig hemelwater vanuit de openbare ruimte. De eerder genoemde voorkeursvolgorde van waterschap Scheldestromen is ook hierop van toepassing.
De verantwoordelijkheid van de gemeente in relatie tot verantwoordelijkheden van de perceeleigenaar en andere overheden is schematisch weergegeven in Figuur 3.
3.5.3 Verantwoordelijkheid waterschap
Waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor het oppervlaktewater en voert hemelwater af dat via bergingsvijvers en waterpartijen door de gemeente (of burgers) wordt aangeboden. Een randvoorwaarde richting gemeente en burgers hierbij is dat het af te voeren water de doelstellingen voor bodem- en waterkwaliteit niet in gevaar brengt.
Figuur 3 Schematische weergave verantwoordelijkheden t.a.v. hemel- en grondwater
3.6 Zorgplicht grondwater
3.6.1 Verantwoordelijkheid perceeleigenaar
Op particulier terrein is de eigenaar van het terrein zelf verantwoordelijk voor het inzamelen van overtollig grondwater. De gemeente is niet verplicht grondwater afkomstig van particulier terrein af te voeren. Alleen als het niet redelijk is om van de houder van het verzamelde grondwater te verlangen het grondwater af te voeren, bijvoorbeeld omdat er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop kan worden geloosd, zal de gemeente het grondwater vanaf de perceelgrens in ontvangst nemen en afvoeren volgens de voorkeursvolgorde voor de afvoer van overtollig (grond)water. Dit gebeurt op basis van de Nota Riolering van waterschap Scheldestromen:
1naar oppervlaktewater;
2naar openbaar drainagesysteem;
3naar een niet bemalen openbaar hemelwaterstelsel;
4naar een bemalen openbaar hemelwaterstelsel;
5naar een bemalen gemengd of vuilwaterstelsel.
Aanvragen voor nieuwe grondwateraansluitingen worden getoetst aan dit beleid.
Indien gebruik wordt gemaakt van een gemeentelijke inzamelvoorziening dan is de perceeleigenaar verantwoordelijk voor doelmatig gebruik. De reden is het waarborgen van het functioneren van de voorziening en het voorkomen van ongewenste lozingen.
Op grond van het burgerlijk recht is een eigenaar of erfpachter zelf verantwoordelijk voor de staat van zijn perceel en voor de bij hem in eigendom zijnde bouwwerken, inclusief funderingen en eventuele ondergrondse bouwlagen. Particulieren dienen verder te voldoen aan de bouwvoorschriften uit de Woningwet en de daarop gebaseerde regelgeving, te weten het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening.
De verantwoordelijkheid van een perceeleigenaar in relatie tot verantwoordelijkheden van overheden is schematisch weergegeven in Figuur 3.
3.6.2 Gemeentelijke zorgplicht grondwater
Gemeenten hebben op grond van de Waterwet (artikel 3.6) sinds 1 januari 2008 een grondwaterzorgplicht. Deze zorgplicht bevat zeven elementen die samen bepalen of de gemeente verantwoordelijk kan worden gehouden om de nadelige gevolgen van de grondwaterstand te voorkomen. Deze elementen zijn:
Het treffen van maatregelen [1], in openbaar gebied [2], om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand [3], voor de aan de grond gegeven bestemming [4], zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken [5], mits dit doelmatig is [6] en voor zover er geen verantwoordelijkheid bestaat voor de waterbeheerder of de provincie [7].
Als aan alle van bovenstaande elementen wordt voldaan, is de gemeente gehouden maatregelen te treffen om grondwateroverlast te voorkomen of te beperken.
Wel is het daarbij zo dat gemeenten de nodige beleidsvrijheid hebben om de aanpak te kiezen die, gelet op lokale omstandigheden, doelmatig is. Bij een doelmatigheidsafweging wordt onder andere gekeken naar de aard, omvang, schaal en duur van de te verwachten of de ontstane problemen. Er wordt daarbij een zorgvuldige afweging gemaakt tussen kosten en baten. Ook wordt bekeken of er combinatiemogelijkheden zijn met andere werkzaamheden zodanig dat er sprake is van integraal en gebiedsgericht werken.
De zorgplicht van gemeenten beperkt zich tot het nemen van waterhuishoudkundige maatregelen op en in het openbare terrein. Te denken valt aan het aanleggen en beheren van drainage. De gemeente is niet verplicht tot het nemen van grondwatermaatregelen op particulier terrein.
Als richtlijn voor de gewenste gemiddelde grondwaterstand geldt een waarde van zeventig cm beneden maaiveld. In bestaand stedelijk gebied zijn grondwaterstanden moeilijk te beïnvloeden waardoor de grondwaterstanden niet overal kunnen worden gegarandeerd. Bovenstaande is een inspanningsplicht; de gemeente is niet verantwoordelijk voor het handhaven of het beheren van een grondwaterpeil in bebouwd gebied. Het grondwaterpeil staat onder invloed van veel factoren en reageert dermate onafhankelijk, dat het beheren van het peil niet tot de mogelijkheden behoort.
Verder heeft de gemeente heeft een loketfunctie voor burgers en bedrijven binnen de gemeentegrenzen waarbij zij een regierol en zorgplicht heeft voor grondwatervraagstukken.
De verantwoordelijkheid van de gemeente in relatie tot verantwoordelijkheden van de perceeleigenaar en andere overheden is schematisch weergegeven in Figuur 3.
3.6.3 Verantwoordelijkheid waterschap
Binnen het beheersgebied van waterschap Scheldestromen is het waterschap verantwoordelijk voor het operationele grondwaterbeheer . Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het diepe en ondiepe grondwater. Voor het grootste deel van de grondwateronttrekkingen en infiltraties is het waterschap verantwoordelijk voor de vergunningverlening en handhaving. Daarnaast beïnvloedt het waterschap het grondwaterpeil indirect door peilbeheer op grond van het gewenste grond en oppervlaktewater regime en peilbesluit. Ook heeft het waterschap een adviserende rol en aanzien van grondwater bij ruimtelijke ontwikkelingen.
3.6.4 Verantwoordelijkheid provincie
Provincie Zeeland heeft een verantwoordelijkheid voor grondwateronttrekkingen voor drinkwaterwinning, grote industrieën (groter dan 150.000 m3 per jaar) en open bodemenergiesystemen. Daarnaast heeft de provincie ook de taak om het grondwater in grondwaterbeschermingsgebied te beschermen.
4. Doelen en functionele eisen
4.2 Visie Stedelijk Waterbeheer
4.2.1 Beheer- en onderhoudsstrategie
Het doel is om de functionaliteit van afvoersystemen voor het inzamelen, transporteren en verwerken van afval-, hemel- en grondwater op orde te brengen en duurzaam in stand te houden. Dit geldt zowel voor de ondergrondse (riolering) als voor de bovengrondse afvoersystemen (oppervlaktewateren). Een uitdaging daarbij is om het beheer en onderhoud zo kostenefficiënt mogelijk uit te voeren, zonder daarbij tekort te doen aan de wettelijke verplichtingen. Om het doel te bereiken, wordt een combinatie uitgevoerd van:
•dagelijks beheer en onderhoud (regulier onderhoud);
•strategisch, grootschalig onderhoud (investeringsmaatregelen).
Deze combinatie is essentieel om de functionaliteit van de voorzieningen op een acceptabel basiskwaliteitsniveau te houden en de risico’s op “falen” te kunnen beheersen.
Dagelijks beheer en onderhoud bestaat onder andere uit het schouwen en inspecteren van voorzieningen en het uitvoeren van preventief en correctief onderhoud.
Strategisch grootschalig onderhoud omvat hoofdzakelijk het planmatig vervangen en renoveren van afvoersystemen en bijbehorende voorzieningen. Dit gebeurt niet meer op basis van leeftijd, maar op basis van risico’s. Risico’s worden veelal bepaald door de technische staat van de voorziening, de functie, de ligging en andere gebied specifieke factoren.
Zowel het dagelijks beheer en onderhoud als het strategisch grootschalige onderhoud heeft een planmatig karakter. Er wordt uitgegaan van bepaalde frequenties van schouwen, inspecteren en preventief onderhoud. Ondanks deze werkwijze zijn storingen/defecten niet volledig uit te sluiten. Ook deze worden adequaat opgepakt middels correctief onderhoud.
Op de beheer- en onderhoudsstrategie voor de afvoersystemen en bijbehorende voorzieningen wordt inhoudelijk aandacht besteed in hoofdstuk 5 (afval- en hemelwater), hoofdstuk 6 (grondwater) en hoofdstuk 7 (oppervlaktewater) en in bijlage 4.
De beheer- en onderhoudsstrategie voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving en sluit aan bij de module C2100 Leidraad Riolering (optimaal rioolstelsel-ontwerp) en de specifieke technische kwaliteitseisen van de gemeente (paragraaf 3.3.6.5).
Er is nadrukkelijk aandacht voor het vroegtijdig afstemmen met diverse gemeentelijke beleidsvelden, zodat integraal uitvoeren van projecten leidt tot kosteneffectiviteit.
Dit geldt ook voor raakvlakken met taken van derden.
Een bijkomend voordeel is dat deze werkwijze leidt tot minder hinder voor de burger. Wel kan het zo zijn dat werkzaamheden hierdoor een jaar eerder of een jaar later worden uitgevoerd. Dit wordt geborgd middels jaarschijven.
Vanaf het moment dat investeringsbudget beschikbaar is voor het vervangen, renoveren en/of optimaliseren wordt gestart met de werk-/projectvoorbereiding. Aansluitend volgt een aanbestedings- en gunningsprocedure en de daadwerkelijke uitvoeringsfase. Betreffende fases hebben een aanzienlijke doorlooptijd. Het streven is om projecten binnen twee jaar na het beschikbaar stellen van investeringsbudget op te leveren.
4.2.1.1 Visie gegevensbeheer
Inzicht in het functioneren van het totale water- en rioleringssysteem kan alleen worden verkregen wanneer het gegevensbeheer op orde is. Daarnaast vormt gegevensbeheer de basis voor doelmatig en planmatig beheer en onderhoud. Gezien het grote belang van goed gegevensbeheer wordt er in dit beleidsplan extra aandacht aan besteed. De maatstaf is dat gegevens volledig, actueel, consistent, betrouwbaar en breed uitwisselbaar zijn.
Om het gegevensbeheer naar een hoger niveau te tillen, worden de bestaande eisen die aan revisiegegevens worden gesteld, aangescherpt. Dit gebeurt aan het begin van de planperiode 2019-2023, door het actualiseren van het document met specifieke technische kwaliteitseisen van gemeente Terneuzen (paragraaf 3.3.6.5). Bij uitvoeringsprojecten moet de controle op het tijdig aanleveren van revisiegegevens en opleverinspecties en de controle op de kwaliteit een veel prominentere rol krijgen.
Beheerdata moet eenvoudig en digitaal toegankelijk zijn voor betrokken medewerkers van team Stadsservice, team Techniek en voor de consignatiedienst. Bovendien moet de wijze waarop gegevens worden verwerkt, voldoen aan de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON). Dat betekent onder andere dat ook gegevens van huisaansluitingen voor andere partijen digitaal beschikbaar en breed uitwisselbaar moeten zijn. Concreet betekent dat voor gemeente Terneuzen dat alle beschikbare gegevens van huisaansluitingen alsnog digitaal en op basis van coördinaten moeten worden ingetekend. Dit is een zeer omvangrijke en tijdrovende klus. Aan het begin van de planperiode wordt gestart met de voorbereidingen voor het uitbesteden van deze opdracht.
4.2.1.2 Basisrioleringsplannen
Het functioneren van afvoersystemen wordt beoordeeld met behulp van modelberekeningen. Het gaat hierbij om het hydraulisch functioneren en om het milieutechnisch functioneren. Van alle afvoersystemen zijn in de periode 1999-2014 rioleringsberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in Basisrioleringsplannen (BRP’s). Deze plannen geven inzicht in het functioneren van de afvoersystemen en bieden oplossingen om het functioneren waar nodig te optimaliseren.
Bij het opstellen van een Basisrioleringsplan (BRP) wordt het volledige waterafvoersysteem in acht genomen. De invloed van en de invloed op oppervlaktewater speelt namelijk ook een rol. Te denken valt hierbij aan de programmalijnen 1 en 2 vanuit het Samenwerkingsverband (Afval-)waterketen Zeeland (SAZ+) (paragrafen 3.3.5.2 en 3.3.5.3).
Het streven is om de rioleringsplannen, parallel aan de inspectiecyclus van de vrij-vervalriolering, eenmaal per veertien jaar te vernieuwen. Grootschalige uitbreidingen of forse gebiedsontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat een Basisrioleringsplan (BRP) eerder moet worden geactualiseerd.
4.2.2 Waterrobuust en klimaatbestendig inrichten openbare ruimte
Als gevolg van klimaatverandering worden bestaande rioleringsstelsels steeds zwaarder op de proef gesteld. Regenbuien worden heviger en duren langer. Het risico op wateroverlast neemt daardoor toe. Het blijven vergroten van de capaciteit van ondergrondse rioleringsstelsels is geen realistische optie. Zowel de aanleg als het beheer en onderhoud is te kostbaar. Ook het afkoppelen van hemelwater van verhard oppervlak biedt geen volwaardige oplossing ten aanzien van klimaatverandering.
De oplossing wordt gezocht in het waterrobuust en toekomstbestendig inrichten van de openbare ruimte. Dat wil zeggen dat de openbare ruimte als medium wordt gebruikt voor (tijdelijke) waterberging, waterafvoer en/of infiltratie. Zo kan bijvoorbeeld een wegconstructie fungeren als tijdelijke waterberging. Of een wegconstructie wordt zodanig aangelegd dat hemelwater bovengronds op vlotte en veilige wijze kan afstromen naar een waterberging. Ook andere voorzieningen in de openbare ruimten zullen zodanig worden ingericht dat ze een nevenfunctie krijgen. Voorbeelden zijn parkeergelegenheden, groenvoorzieningen en speeltuinen.
Uit bovenstaande blijkt dat water-op-straat een middel is om waterschade zoveel mogelijk te voorkomen. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten bij wateroverlast: hinder accepteren, overlast zoveel mogelijk beperken en schade zoveel mogelijk voorkomen.
4.2.2.1 Herinrichten bestaand stedelijk gebied
In bestaand stedelijk gebied is er op circa 55 locaties sprake van potentiele knelpuntlocaties voor wateroverlast bij extreme buien. Deze zijn geïnventariseerd vanuit een uniforme Zeeuws brede aanpak (programmalijn 1 van SAZ+: paragraaf 3.3.5.2.). De doelstelling vanuit het Zeeuwse samenwerkingsverband is om in 2030 alle knelpuntlocaties toekomstbestendig te hebben ingericht. Binnen het Samenwerkingsverband (Afval-)waterketen Zeeland (SAZ+) is hiervoor een instrument ontwikkeld om tot een goede oplossing te komen: de zogenaamde “redeneertrant’. Bij knelpuntlocaties in complexe gebieden, waar oplossingen niet voor de hand liggen, wordt de redeneertrant gehanteerd. Bij knelpuntlocaties in eenvoudige situaties wordt de redeneertrant pragmatisch toegepast.
Het streven van de gemeente Terneuzen is om in de planperiode 2019-2023 circa 25 knelpuntlocaties aan te pakken. Daarbij is gekeken naar prioriteit en naar kosteneffectiviteit door de maatregel te combineren met andere werkzaamheden aan de riolering.
4.2.2.2 Inrichten nieuw stedelijk gebied
Bij het ontwikkelen van nieuw stedelijk gebied is het van belang om in te spelen op klimaatverandering. Zowel de openbare ruimte als particuliere percelen dienen dusdanig te zijn ingericht dat wateroverlast wordt voorkomen. Nieuwbouw en/of uitbreidingen resulteren namelijk vaak in een toename aan dak- en erfverharding. Dat betekent dat er meer hemelwater moet worden verwerkt. In plannen moet daarom rekening worden gehouden met compensatievoorzieningen, waarbij in eerste instantie wordt gekeken naar lokaal bergen, lokaal infiltreren en tot slot afvoeren van hemelwater. De nieuwe watersituatie moet minimaal gelijk blijven aan de uitgangssituatie (hydraulisch neutraal ontwikkelen).
De aanleg of uitbreiding van waterberging biedt ook kansen voor een integrale combinatie met aanleg van groenvoorzieningen. Dit heeft een positief effect op de esthetische beleving van de leefomgeving. Bovendien heeft de combinatie van water en groen ook een koelende functie, waardoor opwarming van stedelijk gebied (hittestress) wordt tegengegaan.
5. Afvalwater en hemelwater
5.2 Vrij-vervalriolering
5.2.1 Regulier onderhoud
Slib en sediment in vrij-vervalriolering geeft aanleiding tot diverse problemen. Eén van de gevolgen is een beperkte afvoercapaciteit met als gevolg een toenemende kans op ongewenste overstort op oppervlaktewater. Verder bestaat er gerede kans op stankontwikkeling.
Om dit te voorkomen, is cyclisch preventief reinigen van de vrij-vervalriolering noodzakelijk. Het reinigen van hoofdriolering en putconstructies vindt eenmaal per zeven jaar plaats. Dit gebeurt per kern. Bij grotere kernen, zoals Terneuzen en Axel, gebeurt dit op wijkniveau. Er zijn een aantal kritische locaties waar frequenter wordt gereinigd. Riolering met een diameter tot 800 mm wordt met eigen middelen en personele capaciteit gereinigd. Dit betreft 92% van het totale areaal aan vrij-vervalriolering. Het preventief reinigen van riolering met een diameter groter dan 800mm (8%) vindt eenmaal per veertien jaar plaats. Betreffende werkzaamheden worden uitbesteed. Bij klachten en verstoppingen wordt het riool correctief gereinigd/gespoeld.
Gelijktijdig met het reinigen, wordt de technische toestand geschouwd en eenmaal per veertien jaar wordt visueel geïnspecteerd (paragraaf 5.2.2). Bij kleinschalige gebreken wordt correctief onderhoud uitgevoerd. Grootschalige of frequent terugkerende defecten worden waar mogelijk gecombineerd met investeringsmaatregelen aan de vrij-vervalriolering.
5.2.2 Inspecteren
Rioleringsstelsels zijn, evenals andere voorzieningen, aan verouderingsprocessen onderhevig. Deze veroudering is het gevolg van mechanische of fysische processen, ontwerpfouten of de wijze waarop de riolering is aangelegd. Daarnaast kunnen ook lokale omstandigheden de levensduur beïnvloeden, zoals:
•aard van het afvalwater (stedelijk afvalwater of hemelwater);
•geometrie van het object (situering en diepteligging);
•aanwezige infrastructuur (zowel boven- als ondergronds);
•geohydrologische situatie (grondwaterstand en bodemgesteldheid);
•fysieke belasting op het object (wel/geen belasting door bv. verkeer).
Om de technische staat van de vrij-vervalriolering in beeld te brengen, is het noodzakelijk om deze cyclisch visueel te inspecteren. Dit gebeurt op basis van NEN 3398/NEN 3399.
5.2.2.1 Reguliere inspectie-cyclus
De hoofdriolering van vrij-vervalrioleringsstelsels (diameter >200 mm) wordt met een cyclus van veertien jaar geïnspecteerd. Dat betekent jaarlijks gemiddeld 28 km van het vrij-verval stelsel. Het inspecteren wordt vanwege doelmatigheid en kosteneffectiviteit ingepast in de reinigingscyclus zoals vermeld in voorgaande paragraaf. De inspectiewerkzaamheden worden uitbesteed. Het huidige contract is in samenwerking met gemeente Hulst en Sluis op de markt gezet.
5.2.2.2 Achterstallige inspecties
Naast de reguliere inspecties blijken in de planperiode aanvullende inspecties noodzakelijk. De aanleiding hiertoe is een achterstand uit de planperiode van het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2011-2015. De omvang bedraagt circa 8% van het totaal aan vrij-vervalriolering. Betreffende riolering is niet geïnspecteerd of de inspectiegegevens zijn niet beschikbaar. Het varieert van diverse hoofdtransportriolen met grote diameters tot riolering met gemiddelde diameter, maar vanuit het perspectief van inspecteren moeilijk toegankelijk. Dit vraagt op basis van een risicoanalyse een zekere mate van maatwerk aan uit te besteden inspecties. Tevens gaat het om relatief jonge stelsels waarvan opleveringsinspecties niet beschikbaar of niet uitgevoerd zijn.
5.2.2.3 Onbekende riolering
Als gevolg van klachten/meldingen blijkt dat op diverse locaties hoofdriolering ligt die bij de gemeente niet bekend is. Bij dergelijke meldingen wordt het riool in kaart gebracht, worden herstelmaatregelen uitgevoerd en wordt gereinigd. De verwachting is echter dat dit soort meldingen de komende jaren zal toenemen. Gemiddeld genomen gaat het om oudere riolering welke nooit preventief is onderhouden of gereinigd. Doelstelling is om bij dergelijke meldingen op basis van een risicoanalyse te bepalen of inspecteren kan worden gekoppeld aan de reguliere inspectie-cyclus van de kern/wijk waarin de riolering ligt. Als dat verhoogde risico’s met zich meebrengt, wordt eerder geïnspecteerd.
5.2.2.4 Analyse inspectieresultaten en Basiskwaliteitsniveau
Aansluitend aan het inspecteren, worden de gegevens ingelezen in het rioolbeheer-programma. Vervolgens worden de inspectieresultaten geanalyseerd. Het uitgangspunt, ofwel de gewenste toestand van vrij-vervalriolering, is vastgelegd in het Beoordelingskader basiskwaliteitsniveau vrij-vervalriolering (bijlage 7). Dit is opgebouwd conform het coderingssysteem uit de NEN3399.
De maatstaven die gehanteerd worden bij de analyse van individuele schadebeelden zijn afgeleid van de functionele eisen die aan de vrij-vervalriolering zijn gesteld en hebben betrekking op de aspecten:
•waterdichtheid;
•stabiliteit;
•afstroming.
Bij de maatstaven wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen, namelijk:
•waarschuwingsmaatstaf, waarbij een geconstateerd individueel schadebeeld grenst aan het basiskwaliteitsniveau onderzoek en/of monitoring is gewenst;
•ingrijpmaatstaf, waarbij een geconstateerd individueel schadebeeld niet voldoet aan het basiskwaliteitsniveau ingrijpen is noodzakelijk. Het ingrijpen kan bestaan uit vier typen maatregelen, namelijk:
•onderhoud (bv. verwijderen van obstakels en vervuiling);
•plaatselijke reparatie (levensduur verlengend effect);
•renoveren (eindresultaat evenaart nieuwe aanleg);
•vervangen (verwijderen en nieuwe aanleg).
In het beoordelingskader in bijlage 7 wordt bij elk individueel schadebeeld met een waarschuwings- of ingrijpmaatstaf een theoretische maatregel weergegeven.
Tevens wordt aangegeven binnen welk tijdspad de maatregel uitgevoerd moet worden.
De uiteindelijk uit te voeren maatregelen aan een gehele rioleringsstreng is echter afhankelijk van de aard en omvang van overige schades in de streng en de leeftijd van de riolering. Verder is het ook van belang om gebied specifieke factoren mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de functie van de rioleringsstreng, de ligging en de bodemopbouw.
5.3 Vrij-verval voorzieningen
5.3.1 Inspectieputten
Inspectieputten komen voor op locaties waar leidingen op elkaar aangesloten zijn of waar de riolering van diameter wijzigt. Daarnaast bieden de putten toegang tot het rioolstelsel, waardoor het stelsel gereinigd en geïnspecteerd kan worden. In totaal beschikt de gemeente Terneuzen over 9.265 stuks inspectieputten, al dan niet met een bijzondere nevenfunctie.
5.3.1.1 Regulier onderhoud
De inspectieputten worden om de zeven jaar cyclisch preventief gereinigd. Dit gebeurt gelijktijdig met de vrij-vervalriolering, zoals omschreven in paragraaf 5.2.1. Er zijn een aantal kritische locaties waar frequenter wordt gereinigd. Gelijktijdig wordt de technische toestand geschouwd. Bij kleinschalige gebreken wordt correctief onderhoud uitgevoerd. Grootschalige of frequent terugkerende defecten worden waar mogelijk gecombineerd met investerings-maatregelen aan de vrij-vervalriolering. Bij klachten en verstoppingen wordt correctief gereinigd.
5.3.1.2 Inspecteren
Op basis van een kosten/baten analyse worden inspectieputten niet geïnspecteerd conform een richtlijn. Daartegenover staat wel dat de putten gelijktijdig met de visuele inspectie van de vrij-vervalriolering (paragraaf 5.2.2) visueel in beeld gebracht worden. Op dit moment volstaat de in de vorige paragraaf omschreven werkwijze ten aanzien van schouwen tijdens de reinigingscyclus en het uitvoeren preventief en/of correctief onderhoud.
5.3.2 Overstortconstructies
Het is geen realistische optie om afvoersystemen zodanig te dimensioneren dat deze onder alle omstandigheden al het overtollige hemelwater kunnen afvoeren. Daarom bevatten gemengde rioleringsstelsels overstortconstructies. Als het gemengde rioleringsstelsel bij hevige regenval volledig gevuld raakt, treedt een overstort in werking om overtollig water rechtstreeks op oppervlaktewater te lozen. In totaal zijn er 74 overstorten die deel uitmaken van gemengde rioleringsstelsels. Hiervan zijn er acht waar een bergbezinkvoorziening aan voorafgaat om de vuiluitworp te beperken. Bij vijf overstorten is de overstort een nooduitlaat, bijvoorbeeld bij calamiteiten bij een gemaal. In de vuilwaterriolering van verbeterd gescheiden stelsels zijn ook op dertien locaties overstortconstructies voorzien. Enkelen daarvan zijn overstorten die zijn behouden toen het stelsel is omgebouwd van een gemengd naar een gescheiden stelsel. In feite fungeren deze ook als nooduitlaat.
5.3.2.1 Achterstallig onderhoud en gegevensbeheer
De vuiluitworp vanuit overstorten uit gemengde rioleringsstelsels is in de periode 2008-2010 teruggebracht naar het basisniveau uit de landelijke richtlijn (CIW-basisinspanning). Hierdoor voldoen de afvoersystemen aan de eisen van het waterschap. Desondanks blijkt uit een recente inventarisatie en veldverkenning dat twee locaties niet voldoen. Het betreft de overstort na het bergbezinkbassin aan de Kinderdijk te Axel en een overstort nabij de Eilandstraat in Sluiskil. In 2018 wordt de overstortdrempel in Axel alsnog naar het juiste niveau gebracht. Voor Sluiskil en voor een recent aangetroffen “nieuwe” overstort aan de rand van Biervliet, wordt een hydraulische en milieutechnische toets uitgevoerd. Daaruit zal blijken of de overstorten moeten worden aangepast of dat ze kunnen worden verwijderd. Uitvoering van benodigde maatregelen vindt zo spoedig mogelijk plaats.
Een gedetailleerd overzicht van de voorzieningen is per kern weergegeven in bijlage 5.5. De drempelhoogten zijn door onvoldoende databeheer niet betrouwbaar. Om die reden zijn de gegevens niet opgenomen in de tabel. Het opnieuw inmeten van de drempelhoogten volgt in beginfase planperiode Water- en Rioleringsplan (WRP) 2019-2023.
5.3.2.2 Regulier onderhoud
De overstortconstructies worden om de zeven jaar cyclisch preventief gereinigd. Dit gebeurt gelijktijdig met de vrij-vervalriolering, zoals omschreven in paragraaf 5.2.1. Er zijn een aantal overstortvoorzieningen waar frequenter moet worden gereinigd. Gelijktijdig wordt de technische toestand geschouwd. Bij kleinschalige gebreken wordt correctief onderhoud uitgevoerd. Grootschalige of frequent terugkerende defecten worden waar mogelijk gecombineerd met investeringsmaatregelen aan de vrij-vervalriolering. Bij klachten en verstoppingen wordt correctief gereinigd.
5.3.2.3 Inspecteren
Op basis van een kosten/baten analyse worden overstortconstructies niet geïnspecteerd conform een richtlijn. Daartegenover staat wel dat de constructies gelijktijdig met de visuele inspectie van de vrij-vervalriolering (paragraaf 5.2.2) waar mogelijk visueel in beeld gebracht worden. Op dit moment volstaat de in de vorige paragraaf omschreven werkwijze ten aanzien van schouwen tijdens de reinigingscyclus en het uitvoeren preventief en/of correctief onderhoud.
5.3.2.4 Waterkwaliteitsspoor
In de planperiode van het Water- en Rioleringsplan (WRP) brengt het waterschap in samenwerking met de gemeente in beeld waar nog maatwerk nodig is om de vuiluitworp uit rioleringsstelsels via overstorten in balans te brengen met de draagkracht van de watersystemen.
5.3.3 Bergbezinkvoorzieningen
Een bergbezinkvoorziening, ook wel randvoorziening genoemd, is een verbetering van een gemengd rioleringsstelsel. Het reduceert bij hevige of langdurige regenval het aantal overstorten vanuit gemengde stelsels op oppervlaktewater en daarmee ook de vuiluitworp. De voorziening zorgt voor een tijdelijke opslag van hemelwater, vermengd met afvalwater. In het bassin kunnen de meegevoerde afvalstoffen bezinken alvorens wordt overgestort naar oppervlaktewater. Na afloop van de regenbui(en) wordt het rioolwater en het bezonken slib teruggevoerd naar de riolering.
Op acht locaties in gemeente Terneuzen zijn bergbezinkvoorzieningen aangelegd om de vuiluitworp van de in paragraaf 5.3.2 genoemde overstorten te reduceren. Dit betreft zes bergbezinkbassins, één bergbezinkleiding en één combinatie van beiden. Een gedetailleerd overzicht van de voorzieningen is per kern weergegeven in bijlage 5.2.
5.3.3.1 Regulier onderhoud
De acht bergbezinkbassins in gemengde rioleringsstelsels worden eenmaal per jaar gereinigd met eigen middelen en personele capaciteit. Dit wordt gecombineerd met de reinigingscyclus van pompputten van gemalen en pompunits. Gelijktijdig wordt de technische toestand geschouwd. Bij kleinschalige gebreken wordt correctief onderhoud uitgevoerd. Grootschalige of frequent terugkerende defecten worden waar mogelijk gecombineerd met investeringsmaatregelen aan de vrij-vervalriolering.
5.3.3.2 Inspecteren
Het inspecteren van bergbezinkvoorzieningen is nog niet geborgd. De noodzaak hiertoe is nadrukkelijk aanwezig. Op dit moment volstaat de in de vorige paragraaf omschreven werkwijze ten aanzien van schouwen tijdens de reinigingscyclus en het uitvoeren preventief en/of correctief onderhoud.
In de beginfase van planperiode Water- en Rioleringsplan (WRP) 2019-2023 wordt onderzocht hoe inspecties cyclisch zijn in te richten. De twee bergbezinkvoorzieningen in Axel hebben prioriteit omdat er enige twijfel is ten aanzien van de civieltechnische constructie en hoe deze is aangelegd.
5.3.4 Hemelwateruitlaten
De gemeente beschikt over circa 180 hemelwateruitlaten/-overstorten die onderdeel uitmaken van (verbeterd) gescheiden stelsel. Op vijf kwetsbare locaties zijn extra lamellenfilters voorzien, waardoor de kwaliteit van het oppervlaktewater minder wordt belast. De hemelwateruitlaten zijn voor circa 99% in beeld. Nadere inventarisatie volgt in beginfase planperiode Water- en Rioleringsplan (WRP) 2019-2023. In bijlage 5.6 staat een gedetailleerd overzicht met hemelwateruitlaten of – overstorten per kern.
5.3.4.1 Regulier onderhoud lamellenfilters en uitstroomvoorzieningen
Het reinigen van lamellenfilters wordt meegenomen in de reguliere reinigingswerkzaamheden van overige voorzieningen. Het reinigen van de voorziening vindt tweemaal per jaar plaats. De werkzaamheden worden uitgevoerd in eigen beheer. Overige uitstroomvoorzieningen worden ook frequent ontdaan belemmeringen, zoals gras en riet.
Gelijktijdig wordt de technische toestand geschouwd. Bij kleinschalige gebreken wordt correctief onderhoud uitgevoerd. Grootschalige of frequent terugkerende defecten worden waar mogelijk gecombineerd met investeringsmaatregelen aan de vrij-vervalriolering.
Bij klachten wordt correctief gereinigd.
5.3.4.2 Inspecteren lamellenfilters en uitstroomvoorzieningen
Op basis van een kosten/baten analyse worden filter- en uitstroomvoorzieningen niet geïnspecteerd. Op dit moment volstaat de in de vorige paragraaf omschreven werkwijze ten aanzien van schouwen tijdens de reinigingscyclus en het uitvoeren preventief en/of correctief onderhoud.
5.3.4.3 Waterkwaliteitsspoor
In de planperiode van het Water- en Rioleringsplan (WRP) brengt het waterschap in samenwerking met de gemeente in beeld waar nog maatwerk nodig is om de vuiluitworp via hemelwaterlozingen in balans te brengen met de draagkracht van de watersystemen.
Afhankelijk van de resultaten van het waterkwaliteitsspoor, wordt in de planperiode 2019-2023 onderzocht of lamellenfilters al dan niet behouden moeten blijven. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen de jaarlijkse onderhoudskosten en verwijderingskosten.
5.3.5 Straat- en trottoirkolken
De functie van kolken is het opvangen van hemelwater afkomstig van bovengronds afvoerende oppervlakken. Meegevoerde vaste stoffen kunnen bezinken in de kolk en het hemelwater wordt vervolgens afgevoerd naar de hoofdriolering. De gemeente Terneuzen beschikt over een groot aantal straatkolken en trottoirkolken, respectievelijk 21.950 stuks en 615 stuks.
5.3.5.1 Regulier onderhoud
De straat- en trottoirkolken worden tweemaal per jaar gereinigd. Op een aantal kritische locaties wordt frequenter gereinigd. De trottoirkolken en een aantal strategisch gelegen straatkolken (55%) worden met eigen middelen en personele capaciteit gereinigd. De gemeente Terneuzen draagt zorg voor de afvoer van het vrijkomende rioolslib en het kolkafval. In eerste instantie naar een eigen tijdelijke voorziening en vervolgens naar een gecertificeerd slibverwerkingsbedrijf. De overige 45% wordt uitbesteed.
Gelijktijdig wordt de technische toestand geschouwd. Bij kleinschalige gebreken wordt correctief onderhoud uitgevoerd. Grootschalige of frequent terugkerende defecten worden waar mogelijk gecombineerd met investeringsmaatregelen aan de vrij-vervalriolering. Bij klachten en verstoppingen wordt correctief gereinigd.
5.3.5.2 Inspecteren
Op basis van een kosten/baten analyse worden straat- en trottoirkolken niet geïnspecteerd. Op dit moment volstaat de in de vorige paragraaf omschreven werkwijze ten aanzien van schouwen tijdens de reinigingscyclus en het uitvoeren preventief en/of correctief onderhoud.
5.3.6 Afsluiters, terugslagkleppen, schuiven
Een afsluiter, terugslagklep of schuif vormt een methode om de doorstroming van (afval-) water te realiseren of juist te voorkomen. Dit wordt bereikt door het (deels) openen of sluiten van een of meer doorstroomopeningen. Het wordt onder andere gebruikt om het peil in een bepaald deel van het rioleringsstelsel of in waterpartijen in en om een wijk te reguleren. Een terugslagklep wordt hoofdzakelijk gebruikt om (afval-)water in één richting door te laten. Een aantal voorzieningen heeft als nevenfunctie het dichtzetten van delen van het rioleringsstelsel, zodat onderhoud kan worden uitgevoerd.
In de vrij-vervalriolering zitten verspreid over het areaal tientallen mechanische afsluiters, kleppen en schuiven. Nog niet alle voorzieningen zijn exact in beeld qua locatie, aantallen en technische staat. Middels een inventarisatie worden de voorzieningen gefaseerd in beeld gebracht. Dit gebeurt vanuit efficiëntie gelijktijdig met de zevenjarige reinigingscyclus van de vrij-vervalriolering. De gegevens worden verwerkt in het beheersysteem en indien noodzakelijk worden voorzieningen vervangen of gerenoveerd. De schuiven met een hydraulische werking zijn wel in beeld en worden behandeld in Tabel 14 in paragraaf 5.5.
5.3.6.1 Regulier onderhoud
De voorzieningen die bekend zijn worden frequent geschouwd. Bij kleinschalige gebreken wordt correctief onderhoud uitgevoerd. Grootschalige of frequent terugkerende defecten worden waar mogelijk gecombineerd met investeringsmaatregelen aan de vrij-vervalriolering.
5.4 Mechanische riolering
5.4.1 Regulier onderhoud
De druk-/persleidingen wordt vooralsnog niet cyclisch gereinigd zoals vrij-vervalriolering. De keuze hiervoor is gebaseerd op jarenlange ervaring in combinatie met kosteneffectiviteit. Indien er in de praktijk sprake is van terugloop in de (werkelijke) capaciteit van het bijbehorende gemaal, dan wordt correctief gereinigd. Betreffende specialistische werkzaamheden worden uitbesteed.
Vacuümriolering wordt ook niet cyclisch gereinigd. Indien er sprake is van terugloop in de (werkelijke) gemaalcapaciteit kan correctief worden gereinigd. Dit betreft, evenals bij druk-/ persleidingen specialistisch werk en wordt daarom uitbesteed.
In eigen beheer worden wel regelmatig enkele lokale leidingen doorgespoeld. Het betreft een aantal specifieke knelpuntlocaties. Oorzaak is sterke vervuiling als gevolg van ondoelmatig gebruik door burgers. Aan het begin van de planperiode wordt richting burgers extra aandacht geschonken aan goed gebruik van de riolering.
5.4.2 Inspecteren
Op basis van een kosten/baten analyse in relatie tot het huidige functioneren, blijkt het inspecteren van mechanische riolering niet doelmatig. Op het moment dat er sprake is van een defect is dit relatief eenvoudig en met minimale middelen te herstellen. Er is één kritische locatie waar met enige regelmaat sprake is van lekkages. In de beginfase van dit Water- en Rioleringsplan (WRP) wordt betreffende leidingtracé vervangen.
5.5 Gemalen en pompunits
5.5.1 Monitoren
Het functioneren van de hoofdgemalen (100%), een groot deel van de subgemalen (60%) en de spoel-/ledigingspompen van de bergbezinkbassins, wordt real-time gemonitord via een digitale centrale hoofdpost. Deze hoofdpost is tot stand gekomen middels een samenwerkingsverband tussen gemeente Hulst, Sluis en Terneuzen.
De hosting, het onderhoud en de service met betrekking tot de hoofdpost is uitbesteed aan een marktpartij. Een belangrijk aspect hierin is dat storingen binnen enkele uren worden opgelost.
5.5.2 Regulier onderhoud pompputten
De pompputten van gemalen en pompunits worden tweemaal per jaar gereinigd. Op een aantal kritische locaties wordt frequenter gereinigd. De werkzaamheden worden volledig uitgevoerd met eigen middelen en personele capaciteit. Bij klachten en verstoppingen wordt er correctief gereinigd of gespoeld.
Gelijktijdig wordt de technische toestand geschouwd. Bij kleinschalige gebreken wordt correctief onderhoud uitgevoerd. Grootschalige of frequent terugkerende defecten worden waar mogelijk gecombineerd met investeringsmaatregelen aan elektrotechnische/ mechanische componenten van betreffend gemaal. Alle werkzaamheden vanuit regulier onderhoud worden verwerkt in het logboek van betreffend gemaal, in het digitale gemalenbeheersysteem.
5.5.3 Regulier onderhoud en inspecteren componenten gemalen
De elektrotechnische en mechanische componenten van gemalen en pompen worden jaarlijks geïnspecteerd. Voor drukriolering- en vacuümgemalen is de frequentie minimaal eenmaal per anderhalf jaar. Inspecties worden uitgevoerd op basis van de beoordelingsrichtlijn “Kwaliteitsgestuurd onderhoud aan pompinstallaties en gemalen” (BRL-K14020).
Voor zes hoofdgemalen, drie subgemalen en één doorvoergemaal wordt de inspectie inclusief vast onderhoud uitbesteed. Voor twee hoofdgemalen is gelijktijdig ook een service-aspect geborgd, namelijk het adequaat oplossen van storingsmeldingen.
Het inspecteren van spoel- en ledigingspompen van acht bergbezinkvoorzieningen, bijbehorende hydraulische schuiven en niveaumeter vindt jaarlijks plaats. Betreffende werkzaamheden worden uitbesteed. In het contract is ook het uitvoeren van vast onderhoud geborgd.
De overige 24 hoofdgemalen, 59 subgemalen, zeven doorvoergemalen, 378 drukrioleringgemalen en 102 vacuümgemalen worden in eigen beheer geïnspecteerd volgens de eerder vermelde frequentie. De inspectie wordt uitgevoerd conform de BRL-richtlijn. Gelijktijdig met de inspectie wordt preventief en/of correctief onderhoud uitgevoerd.
Verder is voor het optimaal functioneren van gemalen en pompunits op een aantal plaatsen jaarlijks specialistisch onderhoud noodzakelijk, te weten:
•inspectie/onderhoud kathodische bescherming vacuümstations;
•onderhoud luchtinblaas-units bij een aantal drukrioleringgemalen;
•onderhoud en service aan de frequentiedrivers van een hoofdgemaal.
Betreffend onderhoud wordt uitbesteed.
Bij storingsmeldingen wordt door eigen medewerkers actie ondernomen. Voor twee hoofdgemalen in binnenstad Terneuzen is het oplossen van storingsmeldingen aan elektrotechnische en mechanische componenten uitbesteed middels een service-contract. Inhoudelijke informatie over storingsafhandeling staat vermeld in bijlage 4.7, maatstaf 6dK.
Een overzicht van uitbestede werkzaamheden in het kader van regulier beheer en onderhoud is weergegeven in Tabel 15.
Tabel 15 Globaal overzicht uitbesteed regulier onderhoud
5.5.3.1 Analyseren inspectiegegevens
Na het inspecteren van de elektrotechnische en mechanische componenten worden de gegevens ingelezen in het gemalenbeheersysteem. Ook onderhouds- en servicerapporten worden aan het systeem toegevoegd. Daarnaast wordt het logboek per gemaal bijgehouden. Op basis hiervan wordt een planmatig en doelmatig renovatie/vervangingsplan opgesteld.
5.5.4 Gemeenschappelijk beheer / samenwerking waterschap Scheldestromen
Voor hoofdgemaal Othene zijn operationele beheerafspraken gemaakt met waterschap Scheldestromen. Tevens is er een koppeling gemaakt tussen de beheersystemen van beide partijen. Doel is het waarborgen van een optimale werking van zowel het afvoersysteem van de gemeente, als dat van het waterschap. Het gemaal wat het afvalwater van de gehele wijk Othene afvoert, is namelijk aangesloten op twee belangrijke hoofdtransportleidingen van het waterschap. Daarnaast is voor overstortgemaal Westerschelde, wat in eigendom is bij waterschap Scheldestromen, gemeenschappelijk beheer van toepassing. De afspraken hieromtrent zijn geborgd in een overeenkomst. Doel is om deze overeenkomst in de planperiode 2019-2023 te actualiseren.
5.5.5 Overdracht gemalen (fase 2)
Gedurende de planperiode wordt verder invulling gegeven aan fase twee van de overdracht van een aantal gemalen. De voorzieningen zijn momenteel in eigendom en beheer bij het waterschap, terwijl ze feitelijk tot de zorgplicht van de gemeente behoren. Om aan de wettelijke kaders te voldoen, is de intentie om de betreffende voorzieningen over te nemen. Dit betreft de overdracht van zowel juridisch eigendom als beheer en onderhoud. Een bijkomend voordeel is dat overdracht in de praktijk leidt tot efficiëntere dienstverlening. Alle technische voorzieningen die onderdeel uitmaken van het rioolstelsel binnen een wijk of kern zitten dan immers bij één beheerder.
Een eerste stap is het in beeld brengen van de consequenties (kosten en personele capaciteit). Vervolgens wordt één en ander ter besluitvorming voorgelegd aan de besturen van beide partijen.
5.6 Zuiveringsvoorzieningen (IBA)
5.6.1 Gemeenschappelijk beheer / samenwerking waterschap Scheldestromen
Voor het beheer en onderhoud van zuiveringsvoorzieningen in het buitengebied is er een samenwerkingsovereenkomst tussen waterschap Scheldestromen en de Zeeuwse gemeenten. Vanuit de samenwerking wordt het preventieve en correctieve onderhoud aan de voorzieningen uitbesteed aan een marktpartij. Een nieuw contract wordt najaar 2018 aanbesteed en heeft een looptijd van twee jaar met een optie tot verlengen met twee jaar. De verwachte ingangsdatum van het nieuwe contract is 1 januari 2019.
5.6.2 Achterstallige afspraken met burger borgen
De 34 zuiveringsvoorzieningen zijn circa vijftien jaar geleden aangelegd. Destijds was het voornemen om de volgende zaken formeel te regelen met de perceeleigenaar:
•vestigen recht van opstal middels notariële akte;
•overeenkomst beheer en onderhoud door de gemeente;
•invoeren van rioolheffing.
Hoewel het beheer en onderhoud wel wordt uitgevoerd, zijn bovenvermelde aspecten niet formeel geregeld. Doelstelling is om dit in de beginfase van de planperiode 2019-2023 alsnog op te pakken.
5.7 Medegebruik afvalwatertransportsysteem (ATS)
Voor het transport van stedelijk afvalwater van de gemeentelijke riolering naar de afvalwaterzuivering heeft waterschap Scheldestromen een afvalwatertransportstelsel in eigendom, beheer en onderhoud. Gelijktijdig maakt gemeente Terneuzen gebruik van dit stelsel voor zowel inzameling als berging van stedelijk afvalwater.
Gemeente Terneuzen draagt in overeenstemming met de wettelijke taken en naar rato van gebruik bij in de kosten voor grootschalig onderhoud (vervangen/renoveren). Middels een overeenkomst is het medegebruik en het mede-bekostigen van specifieke maatregelen geregeld. De daarvoor benodigde budgetten zijn reeds eerder geborgd (besluitdocument 2015_Raad_00118). Een overzicht van het afvoersysteem ATS is weergegeven in bijlage 5.11.
5.9 Niet-gerioleerde percelen/panden
5.9.1 Achterstallige werkwijze en gegevensbeheer
In relatie tot de rioolheffing binnen de gehele gemeente en de verkregen ontheffing van zorgplicht op betreffende locaties, ontbreekt een actueel overzicht van niet-gerioleerde percelen. Het betreft mutaties tussen 2011-2016. Een volledige check op het overzicht niet-gerioleerde panden, zoals vermeld in bijlage 6, is noodzakelijk. In aanloop naar dit Water- en Rioleringsplan (WRP) zijn al enkele mutaties verwerkt. In de beginfase van de planperiode 2019-2023 wordt dit nader geïnventariseerd.
De gemeente heeft sinds het wijzigingen van wet- en regelgeving (2008-2009) een ontheffing van de zorgplicht voor deze percelen. Desondanks wordt op een aantal van deze percelen nog steeds de septictank geledigd. Deze werkwijze had stopgezet moeten worden sinds het verkrijgen van de ontheffing. Aan het begin van de planperiode wordt in overleg met team Stadservice deze werkwijze stopgezet en worden perceeleigenaren daarover geïnformeerd.
6. Grondwater
6.2 Peilbuizen
6.2.1 Opzetten en monitoren grondwatermeetnet
Aan het begin van de planperiode van dit Water- en Rioleringsplan (WRP) zal een strategisch grondwatermeetplan worden opgesteld. Hierbij moet enerzijds aandacht worden besteed aan het opzetten van het meetnet, maar anderzijds ook aan het monitoren van de resultaten vanuit het meetnet. Het grondwatermeetnet levert informatie waarmee burgers kunnen worden geïnformeerd. Daarnaast levert het grondwatermeetnet informatie waarmee situaties kunnen worden beoordeeld.
De riolering ligt op verschillende locaties onder de grondwaterstand. Wanneer de riolering schadebeelden in de vorm van lekkages vertoont, betekent dit dat er grondwater wordt afgevoerd via de riolering. Het grondwater wordt dan naar de gemalen getransporteerd en vervolgens verpompt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Bij rioolvervanging wordt de riolering vervangen waardoor de inlek van grondwater stopt. Hierdoor is het mogelijk dat de grondwaterstand stijgt. Op basis van schadebeelden en grondwaterstanden zal door de gemeente worden bepaald of het doelmatig is om tijdens de uitvoering maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door het meeleggen van drainage.
Gezien bovenstaande zullen bij rioolvervangingen peilbuizen worden geplaatst. Deze peilbuizen worden geplaatst voor het vervangen van het riool zodat de grondwaterstand voor, tijdens en na vervanging kan worden gemonitord.
6.2.1.1 Achterstallige aspecten grondwater
Momenteel beschikt de gemeente Terneuzen niet over een grondwatermeetplan. Ook wordt niet voldaan aan het in het vorige beleidsplan gestelde uitgangpunt van minimaal twee peilbuizen op strategische locaties in de kleinere kernen. Verder is recentelijk gebleken dat voor bepaalde analyses de peilbuizen een te lage meetfrequentie hebben of niet op de juiste locatie staan. Tot slot is op dit moment niet mogelijk om vooraf, zoals bij de uitvoering van werken, de wijzigingen in grondwaterstanden en bijbehorende gevolgen aan te geven.
In het vorige beleidsplan is omschreven dat bij iedere rioolvervanging een grondwatertoets moet worden uitgevoerd. Het lijkt erop dat deze toets niet structureel als onderbouwing is gebruikt voor het al dan niet aanleggen van drainage.
6.3 Infiltratieriolen
6.3.1 Reinigen en inspecteren infiltratieriolen
Om vervuiling tegen te gaan en de afvoercapaciteit te waarborgen, is het noodzakelijk om de infiltratieriolen (IT-riolen) te reinigen. Dit gebeurt met dezelfde frequentie als de overige riolen. Reinigen vindt eenmaal per zeven jaar plaats per kern en bij grotere kernen op wijkniveau. Zie hiervoor ook paragraaf 5.2.1.
De IT-riolen worden met een frequentie van eens in de zeven jaar geïnspecteerd. Dit is frequenter dan de overige riolen. De ervaring leert dat er aanzienlijke wortel ingroei optreedt via de infiltratie-openingen in het rioleringsstelsel. Wortel ingroei belemmert de afstroming. Frequenter inspecteren is noodzakelijk om inzicht te houden in het functioneren van het stelsel. Zie hiervoor ook paragraaf 5.2.2.
6.4 Drainage
6.4.1 Onderhouden drainage
Conform het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2011-2015 vindt geen structureel onderhoud aan drainage plaats.
Uit onderzoek blijkt dat er wisselend wordt gedacht over het effect van onderhoud aan drainage. Het gaat dan voornamelijk om het doorspuiten van de drainage. Aangezien op dit moment gegevens ten aanzien van de locatie, ligging en technische details van bepaalde drainageleidingen ontbreken, zal gedurende de planperiode nader onderzoek naar drainage moeten plaatsvinden. Daarbij moet ook worden bekeken of, en zo ja, op welke wijze onderhoud moet worden uitgevoerd.
7. Oppervlaktewater
7.3 Samenwerking waterschap Scheldestromen
7.3.1 Achterstallig onderhoud
In de gemeente Terneuzen is in het verleden in het bebouwd gebied niet structureel gebaggerd. Gemeente en waterschap hebben voor het wegwerken van de opgelopen achterstand afspraken gemaakt. Betreffende werkzaamheden worden zoveel mogelijk per kern uitgevoerd. Het wegwerken van achterstallig onderhoud in de eerste kernen is afgerond. Uitgangspunt is om in 2019 het achterstallig onderhoud van de overige kernen ook af te ronden.
7.3.2 Toekomstig onderhoud
Op basis van de afspraken uit de overeenkomst ‘beheer en onderhoud van oppervlaktewater in bebouwd gebied’ (BOB) kan de gemeente bij het waterschap kosten in rekening brengen en visa versa. In de volgende paragrafen wordt kort ingegaan op deze afspraken. Gedetailleerde informatie is terug te vinden in de BOB-overeenkomst.
7.3.2.1 Klein onderhoud: maaien en drijfvuil verwijderen
Het onderhoud ten behoeve van de waterhuishoudkundige functies van primaire, secundaire en tertiaire wateren (met inliggende kunstwerken) valt onder de verantwoordelijkheid van het waterschap. Voor de waterhuishoudkundige functie dient het natte profiel van primaire en secundaire watergangen elk jaar te worden gemaaid tenzij de wateren overgedimensioneerd zijn. De overgedimensioneerde wateren worden, net als de tertiaire wateren, alleen ten behoeve van het baggerwerk gemaaid.
Sommige watergangen worden in het kader van de waterhuishoudkundige functie gemaaid door de gemeente. Dit betekent dat de gemeente bij het waterschap kosten in rekening kan brengen voor het uitvoeren van dit maaionderhoud. Jaarlijks wordt vooraf een indicatie gegeven van de te verwachte kosten. De verrekening vindt plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten.
Het gaat hier om een interne gemeentelijke samenwerking tussen waterbeheer en groenbeheer. Vanwege het aspect waterbeheer zijn betreffende afspraken onderdeel van dit beleidsplan. De onderhoudskosten maken deel uit van het groenbeheerplan.
Maaionderhoud zonder waterhuishoudkundige functie valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit onderhoud is geen onderdeel van dit beleidsplan, maar enkel en alleen van het groenbeheerplan.
Doordat het achterstallig onderhoud in de eerste kernen is weggewerkt, kon in 2018 voor het eerst gewerkt worden conform de nieuwe afspraken. Voor deze kernen heeft de gemeente in 2018 bij het waterschap kosten in rekening gebracht voor het maaien ten behoeve van de waterhuishoudkundige functie. In 2019 zal het achterstallig onderhoud van de overige kernen ook worden afgerond. Dit betekent dat de gemeente ook voor deze kernen bij het waterschap kosten in rekening zal brengen voor het uitvoeren van onderhoud.
7.3.2.2 Groot onderhoud: onderhoudsbaggeren en verwijderen gezonken voorwerpen
Het waterschap baggert watergangen ten behoeve van de waterhuishoudkundige functie. Aangezien het baggeren bij overstorten onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt, kan het waterschap op basis van de overeenkomst ‘beheer en onderhoud van oppervlaktewater in bebouwd gebied’ (BOB) deze kosten bij de gemeente in rekening brengen.
Elk baggergebied wordt eens in de acht jaar door het waterschap gebaggerd. De verwachting is dat de eerste cyclus van acht jaar goedkoper zal zijn omdat al het achterstallig onderhoud is weggewerkt en waarschijnlijk niet alle wateren door het waterschap moeten worden gebaggerd. Ook grotere wateren zullen projectmatig worden opgepakt waardoor deze apart van de baggercyclus worden ingepland en uitgevoerd. De tweede cyclus zal duurder zijn dan de eerste cyclus omdat wateren die in de eerste cyclus zijn overgeslagen, naar verwachting tijdens de tweede cyclus wel moeten worden gebaggerd. De cyclus van het reguliere baggeronderhoud start na afronding van het achterstallige onderhoud. Voor het baggeren van de kernen wordt aansluiting gezocht met de baggercyclus van het buitengebied.
7.3.2.3 Onderhoud oevers
Het onderhoud aan oppervlaktewateren omvat ook het in stand houden van bijbehorende taluds. Wanneer het gaat om het handhaven van het profiel ten behoeve van de waterhuishoudkundige functies is het waterschap verantwoordelijk. Herstel van beschoeiing kan onder de verantwoordelijkheid van het waterschap vallen.
Er zijn daarnaast ook situaties waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het in stand houden van het talud inclusief eventuele beschoeiing. Hier gaat het om het in stand houden van het talud ten behoeve van een gebruiksfunctie. Dit is bijvoorbeeld zo bij vijvers met een sierfunctie. Op het moment dat er geen duidelijk overheersende reden is, kan gezamenlijk worden besloten om de kosten van het betreffende werk te verdelen.
Het ligt voor de hand om het vervangen of het aanbrengen van oeverbescherming in een bestaande situatie mee te nemen met de baggerwerken die worden uitgevoerd door het waterschap. Bestaande beschoeiing mag indien noodzakelijk worden vervangen door nieuwe beschoeiing. Ten behoeve van de waterhuishoudkundige functie is dit nodig indien de af- en/of doorvoerfunctie in gevaar komt (oordeel waterschap). In alle andere gevallen is het aan de gemeente of beschoeiing wordt vervangen. Ook bij nieuwe plannen is het aan de gemeente hoe het water wordt ingericht binnen de daarvoor geldende regels en afspraken.
Ten aanzien van beschoeiing geldt als uitgangspunt dat het plaatsen (of vervangen) zoveel mogelijk wordt vermeden. De aanwezigheid van beschoeiing is nadelig voor de ontwikkeling van een goed ecosysteem en strijdig met het streefbeeld voor de verschillende watertypen volgens het waterbeheerplan van het waterschap.
7.4.1 Vijvers
7.4.1.1 Achterstallige actie vijvers
Momenteel is bekend dat drie van de vijvers in de gemeente Terneuzen al enige tijd lek zijn. Dit komt doordat de bodem van de vijvers bestaat uit vijverfolie welke lek is geraakt. Bij een van de betreffende vijvers is de folie recentelijk verwijderd en is ervoor gekozen de vijver om te vormen naar een wadi. Voor de overige vijvers moet nader worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn om de vijvers te herstellen.
De vijvers hebben naast een waterhuishoudkundige functie, een gebruiksfunctie: namelijk sier. De vijverfolie is in het kader van deze functie aangebracht. Vanuit de waterhuishoudkundige functie is de folie niet nodig. Kosten voor het herstel van de folie vallen niet onder de waterhuishoudkundige functie en maken daarom geen onderdeel uit van dit beleidsplan.
7.4.1.2 Fonteinen
In de gemeente Terneuzen zijn twaalf fonteinen geplaatst. Veelal gaat het om fonteinen in vijvers, behalve bij het Mosselmonument in Philippine, in de kanaalarm in Sas van Gent, op de Markt en in de wijk Triniteit in Terneuzen. De fonteinen in vijvers zijn geplaatst ten behoeve van de gebruiksfunctie (sier). De fonteinen leveren ook een bijdrage aan de waterkwaliteit. Dit is van belang voor de aanwezige vissen. Onderhoud aan fonteinen, bijbehorende pompen en eventuele overige voorzieningen maakt geen onderdeel uit van de waterhuishoudkundige functie en is daarom geen onderdeel van dit beleidsplan.
7.4.1.3 Beschoeiing
Een beschoeiing is een constructie die een oever of waterkant beschermt tegen afkalven, golfkrachten en andere invloeden die de stabiliteit van de waterkant in gevaar brengen. Achterstallig onderhoud aan beschoeiingen is uitgevoerd in samenwerking met het waterschap (paragraaf 7.3.1).
Ook voor het talud inclusief beschoeiing geldt dat de gemeente verantwoordelijk is voor het in stand houden op het moment dat sprake is van een gebruiksfunctie. De kosten voor onderhoud aan beschoeiingen in het kader van de gebruiksfunctie maken geen onderdeel uit van dit beleidsplan.
7.4.2 Wadi’s
Een wadi is een verlaging in het maaiveld met als doel het water niet of sterk vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater. Een wadi is een ontwateringsmiddel welke op grond van de Waterwet (artikel 3.5 en 3.6) onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt. Het is momenteel niet precies in beeld van hoeveel wadi’s in de gemeente sprake is.
Maaionderhoud aan wadi’s wordt meegenomen in de jaarlijkse maaicyclus van team Groen. Kosten voor het onderhoud aan wadi’s maken geen onderdeel uit van dit beleidsplan.
7.4.3 Duikers
Het systeem van oppervlaktewateren omvat ook onderlinge verbindingen (duikers) tussen de watergangen. Deze duikers zijn ook opgenomen in de legger van het waterschap. Een duiker is een kokervormige constructie die is gelegen in een weg of toegangsdam. Via de duiker worden wateren die zijn onderbroken door een weg met elkaar verbonden.
Voor de waterhuishoudkundige functie van oppervlaktewateren is zoals eerder benoemd het waterschap verantwoordelijk. Dit geldt ook voor onderhoud aan de inliggende kunstwerken met een waterhuishoudkundige functie.
Correctief onderhoud aan duikers valt niet onder de overeenkomst beheer en onderhoud van oppervlaktewater in bebouwd gebied (BOB). Correctief onderhoud komt ten laste van de ontheffinghouder of de wegbeheerder. Noch in het wegenbeheerplan, noch in het Water- en Rioleringsplan (WRP) is rekening gehouden met kosten ten aanzien van correctief onderhoud aan duikers waar wij verantwoordelijk voor zijn. Ook is in deze plannen geen rekening gehouden met het eventueel vervangen van duikers. Dit verdient aandacht. Zo zal moeten worden uitgezocht of het nodig is om hier budget voor beschikbaar te stellen.
7.6 Waterberging
7.6.1 Waterbergingsfonds
Het Waterbergingsfonds is een instrument dat aan ruimtelijke initiatiefnemers de mogelijkheid biedt om onder bepaalde voorwaarden de verplichting van het realiseren van een waterberging af te kopen. Hierdoor wordt het gemakkelijker om centrale waterbergingen in doelmatige omvang aan te leggen en wordt versnippering tegengegaan.
Het fonds is tot stand gekomen in samenwerking met de gemeenten Sluis, Tholen, Borsele, Veere en het Waterschap Scheldestromen. Deze partijen hebben een advies opgesteld over de wijze waarop in Zeeland het waterbergingsfonds vorm kan worden gegeven.
Wanneer het aanleggen van waterberging niet doelmatig is, kan men onder bepaalde voorwaarden gebruik maken van het Waterbergingsfonds. Zowel de gemeente Terneuzen als Waterschap Scheldestromen moeten instemmen met het afkopen van de verplichting. Men kan gebruik maken van het fonds wanneer sprake is van een maximale uitbreiding van verhard oppervlak van 3.000 m2. Bij uitbreidingen groter dan 3.000 m2 moet ter plaatse een waterberging worden gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van een standaard bui van 75 mm die eens in de honderd jaar voorkomt. Dit is de maatgevende neerslag. Door de hoeveelheid verhard oppervlak te vermenigvuldigen met 75 mm wordt de te compenseren hoeveelheid bepaald.
Momenteel geldt een bedrag van € 100,00 per m3.
7.7 Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie
7.7.1 Klimaatstresstest
De klimaatstresstest is een kwalitatieve test waarbij (gezamenlijk en met een integrale benadering) deskundigen wordt gevraagt vanuit hun vakinhoudelijke expertise te reflecteren met de focus op overstroming, wateroverlast, droogte en hitte. De test wordt uitgevoerd op basis van onderzoeksresultaten. Er is een Zeeuwse handleiding die grofweg beschrijft welke stappen moeten worden genomen. Landelijk is er inmiddels een eenvoudige, gestandaardiseerde stresstest ontwikkeld (stresstest light). Deze stresstest light geeft een eerste indruk van de kwetsbaarheden van een gebied en is gebasseerd op beelden uit de klimaateffectatles, maar kan indien gewenst ook ingevuld worden met de resultaten van eigen stresstests. Dit is een eerste stap om te bepalen waar de kwetsbaarheden liggen, maar de kaartbeelden alleen zijn onvoldoende om concrete maatregelen te nemen. Op landelijk niveau wordt ook gewerkt aan de standaardisering van de input en output van de stresstest.
In het Deltaplan is afgesproken dat alle overheden de resultaten van de klimaatstresstest openbaar maken. Op deze manier kunnen organisaties en inwoners zichzelf een beeld vormen en bepalen welke bijdrage zij kunnen leveren.
Het streven van de gemeente Terneuzen is om de klimaatstresstest begin 2019 uit te voeren. Input vanuit riool- en waterbeheer zal hierbij een belangrijke rol spelen.
8. Activiteiten en maatregelen
8.2 Achterstallige investeringsmaatregelen
8.2.1 Rioolbeheer
De achterstallige investeringsmaatregelen omvatten in hoofdzaak het vervangen en renoveren van vrij-vervalriolering in een aantal kernen en wijken. Het gaat hierbij met name om de renovatie aan hoofdtransportriolen in kern Terneuzen met diameters tot ruim 1,6 meter. Betreffende hoofdtransportriolen hebben uiteenlopende functies, namelijk de afvoer van stedelijk afvalwater of hemelwater of ze fungeren als overstortleiding. Daarnaast moeten diverse gemalen en pompunits worden gerenoveerd.
Voor een aantal locaties waar sprake is van achterstallig onderhoud, moet nader onderzoek worden verricht naar benodigde maatregelen. Een eerste stap is het inspecteren van niet eerder geïnspecteerde riolering of riolering waarvan de inspectiegegevens niet beschikbaar zijn. In paragraaf 5.2.2.2 en paragraaf 5.2.2.3 is dit nader toegelicht.
In Tabel 18 is een overzicht gegeven van bovengenoemde maatregelen.
Het genoemde jaartal is het jaar waarin wordt gestart met de werkvoorbereiding. Aansluitend volgt de aanbestedings- en uitvoeringsfase. Bij het bepalen van het jaartal is een afweging gemaakt met de focus op kosteneffectiviteit en eventuele risico’s, omdat het gaat om achterstallige werkzaamheden. Daar waar mogelijk wordt de maatregel gecombineerd met andere projecten in betreffende kern of wijk. Vooralsnog is de combinatie gezocht met andere rioleringsprojecten, maar te zijner tijd zal ook worden afgestemd met wegen- en groenbeheer.
Tabel 18 Achterstallige investeringsmaatregelen – rioolbeheer
8.2.2 Waterbeheer
Voor waterbeheer betreft de achterstand het optimaliseren van de waterbeheersing in diverse kernen. Waterbeheersing is gebiedsafhankelijk en daardoor is de aard van de maatregelen zeer divers. Van een aantal maatregelen moet de doelmatigheid van de oorspronkelijk maatregel opnieuw worden getoetst. Nieuwe ontwikkelingen en nieuwe (technische) inzichten zijn hiervoor de aanleiding. Tevens is het van belang om bij het uitvoeren van de maatregelen het aspect waterrobuust inrichten van de openbare ruimte te borgen.
Bij het inplannen van de achterstallige maatregelen is wederom rekening gehouden met kosteneffectiviteit. De maatregelen worden voor het grootste gedeelte gecombineerd met het uitvoeren van rioleringsprojecten.
Tabel 19 Achterstallige investeringsmaatregelen – waterbeheer
8.4 Nieuwe investeringsmaatregelen
8.4.1 Rioolbeheer
De basis voor de investeringsmaatregelen rioolbeheer en het jaar waarin de werkvoorbereiding start, is de inspectiecyclus zoals verwoord in hoofdstuk 5. Het omvat het vervangen of renoveren van diverse afvoersystemen en het optimaliseren van het hydraulisch en milieutechnisch functioneren. Achterstallige maatregelen en nieuwe maatregelen vanuit waterbeheer worden zoveel mogelijk gecombineerd met deze maatregelen. Verder zijn de elektrotechnische en mechanische componenten van diverse gemalen en pompunits aan renovatie toe. Daarnaast wordt 50% van de zuiveringsvoorzieningen (IBA’s) vervangen. In Tabel 21 wordt een overzicht gegeven van de maatregelen.
Tabel 21 Nieuwe investeringsmaatregelen – rioolbeheer
8.4.2 Waterbeheer
Nieuwe investeringsmaatregelen voor waterbeheer vloeien voort uit de Stedelijke Wateropgave (SWO), ofwel programmalijn 1 vanuit het Samenwerkingsverband (Afval-) waterketen Zeeland (SAZ+) (paragraaf 3.3.5.2). Doelstelling is om gedurende de planperiode de openbare ruimte nabij 25 potentiele wateroverlastlocaties, verspreid over elf kernen, waterrobuust in te richten. Deze maatregelen moeten nog nader worden uitgewerkt. De betreffende locaties staan vermeld in Tabel 22.
Tabel 22 Nieuwe investeringsmaatregelen - waterbeheer (SWO / PL-1)