Aanhef
“Nu 2021, Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen” is een project van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Zeeland. Het onderzoek wordt uitgevoerd door adviesbureau Hospitality Consultants en Scoop, Zeeuws Instituut voor sociale en culturele ontwikkeling
Aan
Gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen
Provincie Zeeland
Van
Hospitality Consultants
Smallepad 13 - 15
Postbus 2186
3800 CD AMERSFOORT
Scoop
Zeeuws instituut voor sociale en culturele ontwikkeling Achter de Houttuinen 8
Postbus 407
4330 AK Middelburg
Auteurs
Maarten Thönissen, Margot Icking
Marleen Vermeer, Dick van der Wouw, Erik Bakker
Project
Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen
Betreft
Eindrapportage
Ons kenmerk
104.013/RA110367.d01/MI
Datum
Amersfoort, 10 juni 2011
© 2011 Hospitality Consultants/ Scoop
Behoudens uitzonderingen door de wet gesteld mag, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de rechthebbenden c.q.
door de rechthebbenden gemachtigden, niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins, hetgeen ook van toepassing is op de gehele of gedeeltelijke bewerking.
Tekst
VOORAF
Toekomstig voorzieningenaanbod Zeeuws-Vlaanderen
Welk voorzieningenaanbod kunnen en willen we onze inwoners in Zeeuws-Vlaanderen bieden; hoe verhoudt zich dat tot het huidig aanbod aan voorzieningen; wat betekent dat voor de leefbaarheid binnen de (kleine) kernen; wat wordt er van gemeenten, maatschappelijke organisaties en inwoners verwacht? Allemaal vragen die in dit Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen aan de orde komen.
Het Masterplan Voorzieningen bevat de langetermijnvisie ten aanzien van het aanbod aan voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen. Het is een initiatief van de drie gemeenten en de provincie Zeeland en is één van de eerste gezamenlijke pogingen om de opgave in het sociaal maatschappelijk domein aan te pakken. Een bijzonder project dus!
Stip op de horizon
Een belangrijke aanleiding tot het Masterplan Voorzieningen zijn de demografische ontwikkelingen die zich in Zeeuws-Vlaanderen voordoen. Zeeuws-Vlaanderen is één van de regio’s die te maken heeft met een daling van het aantal inwoners en een veranderende samenstelling van de bevolking. Dit zorgt voor een veranderende vraag naar voorzieningen en zet bestaande voorzieningen onder druk. Voor de drie gemeenten en de provincie voldoende reden om in actie te komen. Ook de financiële ontwikkelingen vormen een belangrijke aanleiding voor het Masterplan Voorzieningen; de financiële consequenties van krimp maakt dat ‘er iets moet gebeuren’ en Zeeuws-Vlaanderen zich moet voorbereiden op de toekomst.
Met het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen willen de gemeenten en provincie een helder toekomstbeeld scheppen. Het Masterplan vormt “een stip op de horizon” voor zowel gemeenten, maatschappelijke instellingen als inwoners en kan worden gezien als toetsingskader of strategische visie waarlangs (beleids-)keuzes kunnen worden gemaakt. Het biedt partijen inzicht in de opgave, waar zij de komende jaren voor staan en de kansen en mogelijkheden die zich voordoen.
Betrokkenheid en aanpak
Medio 2010 is een start gemaakt met het Masterplan Voorzieningen. Bij de start heeft een inventarisatie plaatsgevonden, waarbij het huidig aanbod aan voorzieningen, relevante ontwikkelingen en de veranderende vraag in kaart zijn gebracht. Op basis van een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van deze inventarisatiegegevens en de resultaten van het burgerparticipatie traject dat heeft plaatsgevonden, is een aantal mogelijke scenario’s opgesteld. Na een vergelijkende beoordeling is het meest toekomstbestendige scenario benoemd.
Een groot aantal partijen is betrokken geweest in dit project. Vertegenwoordigers van de gemeenten en provincie vormden samen de project- en gemeentelijke werkgroepen.Maatschappelijke instellingen en inwoners van Zeeuws-Vlaanderen zijn tijdens diverse bijeenkomsten geïnformeerd en geconsulteerd (traject burgerparticipatie), welke werden ondersteund door de speciaal hiervoor ingerichte website www.nu2021.nl (door Politiek Online). Ook het Rijk is betrokken bij het project; het Masterplan Voorzieningen is één van de experimenten die in het kader van het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling zijn opgestart.
Voorliggend document
Voorliggend document is het eindrapport Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen. Het bevat de inventarisatieresultaten (hoofdstuk1), beschrijft de vier scenario’s (hoofdstuk 2), geeft de vergelijkende beoordeling van de scenario’s (hoofdstuk 3) en geeft een leidraad voor de verdere uitwerking en implementatie (hoofdstuk 4). Tot slot bevat hoofdstuk 5 een terugblik op de opzet en resultaten van het traject burgerparticipatie dat is gevolgd. De input uit de bijeenkomsten met burgers en maatschappelijke organisaties is gebruikt om de scenario’s aan te scherpen en te toetsen op haalbaarheid en wenselijkheid. De bijeenkomsten hebben daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen.
Vervolg
Het Masterplan Voorzieningen wordt – voorzien van een procesontwerp waarin een procesmatige aanpak van het vervolg is opgenomen – in september ter besluitvorming aan de drie gemeenteraden voorgelegd. Ongeacht welke besluiten door de raden wordt genomen; helder is dat het Masterplan Voorzieningen “slechts het begin is”. De werkelijke opgave is niet het vaststellen van een visie, maar de praktische vertaling en implementatie ervan. Aan gemeenten, maatschappelijke instellingen en inwoners gezamenlijk de opgave om “samen de schouders eronder te zetten” en de komende jaren de juiste keuzes te maken.
Samenvatting
Aanbod en beleid in Zeeuws-Vlaanderen
Het huidige aanbod aan (maatschappelijke) voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen en de wijze waarop hier vanuit beleidsoogpunt over wordt gedacht, wordt gekenmerkt door:
Decentrale voorzieningenstructuur
· Kleinschalige voorzieningen met kleine verzorgingsgebieden Beperkte clustering op kernniveau
· Overcapaciteit en lage bezetting door spreiding en omvang
· Gemeentegericht aanbod
Veel van hetzelfde, weinig diversiteit in het aanbod
Ontwikkelingen zorgen voor herziening aanbod en beleid
In Zeeuws-Vlaanderen doen zich verschillende ontwikkelingen voor die zorgen voor een veranderende vraag. Deze ontwikkelingen zetten het bestaande aanbod en beleid onder druk en dwingen gemeenten om (andere) keuzes te maken ten aanzien van de inrichting van de voorzieningenstructuur.
Het gaat om ontwikkelingen als:
· Demografische ontwikkelingen als een afname van het aantal inwoners en een veranderende samenstelling van de bevolking (krimp en vergrijzing). Deze zorgen voor een andere vraag naar (maatschappelijke) voorzieningen;
· Maatschappelijke ontwikkelingen als de verdergaande individualisering, toegenomen (auto)mobiliteit, veranderende vrijetijdsbesteding, afname van het (structurele) vrijwilligerswerk en opkomst van nieuwe technologieën;
· Beleidsmatige ontwikkelingen als “de kanteling” van de zorg naar welzijn/ondersteuning en de versterking van de Civil Society;
· Financiële ontwikkelingen als de financiële krimp ten gevolge van de demografische krimp en de bezuinigingsopgave waar gemeenten voor staan. Dit zet de continuïteit en betaalbaarheid van de huidige, decentrale voorzieningenstructuur onder druk.
Forse opgave ten aanzien van voorzieningen
Deze ontwikkelingen maken dat behoud van de huidige voorzieningenstructuur en beleidsfocus op termijn niet meer haalbaar en betaalbaar is. Om ook in 2030 over een robuuste voorzieningenstructuur te beschikken die aansluit bij de behoefte van de inwoners, zal een andere koers gevaren moeten worden. Zeeuws-Vlaanderen staat daarmee voor een grote opgave ten aanzien van voorzieningen.
Deze opgave is tweeledig:
1Evenwicht vinden tussen de kwantitatieve aansluiting van vraag/aanbod enerzijds en de bereikbaarheid van voorzieningen anderzijds (capaciteit versus bereikbaarheid);
2Evenwicht vinden tussen de veranderende vraag als gevolg van ontwikkelingen die zich voordoen enerzijds en de eerder opgebouwde decentrale voorzieningenstructuur en autonome kernen anderzijds (vernieuwing versus behoud).
Toekomstscenario’s
Om de juiste keuzes te kunnen maken en te komen tot een toekomstbestendig aanbod aan (maatschappelijke) voorzieningen, hebben de drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten en de provincie Zeeland de handen ineengeslagen. Gezamenlijk hebben zij een langetermijnvisie op voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen opgesteld.
Op basis van een uitgebreide inventarisatie en consultatie van zowel burgers als maatschappelijke organisaties (opgezet en begeleid door Scoop) zijn vier toekomstscenario’s geformuleerd:
1Behoud zelfstandige voorzieningen op kernniveau;
2Clustering van voorzieningen op kernniveau;
3Herschikking van voorzieningen op gemeente niveau;
4Centralisatie van voorzieningen op regionaal niveau.
De vier scenario’s zijn uitvoerig beschreven en beoordeeld op criteria als aansluiting op demografische en maatschappelijke ontwikkelingen, bereikbaarheid, ondersteuning sociale samenhang, flexibiliteit, samenwerking, financiën, innovatief vermogen, kwaliteit, continuïteit, beleid, onderscheidend vermogen en draagvlak. Op basis van deze beoordeling én de uitkomsten van de bespreking met burgers en maatschappelijke organisaties is scenario 3 benoemd als scenario dat het meest aansluit op de opgave en toekomstbestendig is.
Advies: scenario 3
Geadviseerd wordt om (de uitgangspunten van) scenario 3 als uitgangspunt voor de toekomst of “stip op de horizon” te hanteren.
Scenario 3 betekent dat de volgende uitgangspunten in de toekomst leidend zijn in de planvorming rondom maatschappelijke accommodaties in Zeeuws-Vlaanderen:
· Steven naar evenwicht in (lokale) vraag en aanbod; Gemeentelijke en regionale planning en afstemming; Behoud van ontmoetingsfunctie op kernniveau;
· Clustering en multifunctioneel gebruik, ook op kernniveau; Kwalitatief goede en bereikbare voorzieningen;
· Investeren in “rendabele” voorzieningen, afstoten van niet-rendabele voorzieningen.
Al met al sluit scenario 3 het beste aan op de opgave waar Zeeuws-Vlaanderen voor staat en is het daarmee het meest toekomstbestendig. Scenario 3 borduurt voort op de eerder door gemeenten ingeslagen weg van clustering van voorzieningen en past tevens bij de kerngerichte historie en context van Zeeuws-Vlaanderen.
Het idee van “iedere kern zijn eigen voorzieningen” wordt in dit scenario grotendeels losgelaten; met uitzondering van een (multifunctionele) ontmoetingsfunctie worden voorzieningen gecentraliseerd in de grotere kernen. De voorzieningen blijven echter (op relatief geringe afstand veelal in de naastgelegen kern) bereikbaar. Dit vraagt om een nieuwe beleidsoriëntatie bij de planning en instandhouding van voorzieningen, waarbij ook aspecten als evenwicht in vraag en aanbod, kwaliteitssprong, optimale schaalniveaus, diversiteit, bereikbaarheid en financiële robuustheid in de afweging worden meegenomen.
Er is een transitie nodig van denken in termen van behoud van lokale voorzieningen naar beleid dat inzet op een kwalitatief hoogwaardige regionale voorzieningenstructuur die aansluit bij dag- en leefpaden van mensen. Beleid dat gericht is op investeren in de toekomst van een leefbaar Zeeuws-Vlaanderen.
1Inventarisatie en analyse
Hieronder een weergave van de inventarisatie- en analyseresultaten. Voor de volledige beschrijving verwijzen we u naar het eerder opgestelde inventarisatierapport (februari 2011).
1.1Beleid
Ten aanzien van het beleid maken we onderscheid tussen gemeentelijk, provinciaal en landelijk beleid. Hieronder volgt een korte toelichting.
1.1.1 Gemeentelijk beleid
Tijdens de inventarisatie zijn relevante beleidsdocumenten van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen bestudeerd. Denk hierbij aan de inhoudelijke beleidsnota’s op maatschappelijk gebied, de gemeentelijke structuurvisies en specifieke notities op het gebied van accommodaties en voorzieningen.
Ondanks dat de drie gemeenten elk hun eigen beleid voeren, kan er wel een duidelijke, eenduidige lijn in Zeeuws-Vlaanderen ontdekt worden. Onderstaand is deze kort geschetst.
Decentrale voorzieningenstructuur
Gezien de geografische en sociaal-culturele kenmerken van Zeeuws-Vlaanderen hebben alle drie de gemeenten (en haar voorlopers) logischerwijs gekozen voor een decentrale voorzieningenstructuur. Dat wil zeggen dat de drie gemeenten elk over een eigen, compleet voorzieningenaanbod beschikken.
Deze decentrale beleidslijn is tot nu toe dominant geweest in de realisatie en instandhouding van voorzieningen op het gebied van met name welzijn, onderwijs en sport en in mindere mate ook op het gebied van zorg en cultuur.
Redenen voor deze beleidslijn zijn de sterke sociale cohesie en gerichtheid op de eigen kern, de relatief grote afstanden tussen de kernen en – daarmee samenhangend – de relatief ongunstige bereikbaarheid van voorzieningen elders.
In de planvorming rondom voorzieningen is uiteraard wel rekening gehouden met de omvang van de kernen; grotere kernen beschikken veelal over meer of grotere voorzieningen dan kleinere kernen. De gemeente Terneuzen – als grootste gemeente – vervult daarnaast een beperkte regionale functie voor de regio Zeeuws-Vlaanderen.
Clustering op kernniveau
Steeds meer wordt door de gemeenten ingezet op clustering van (met name basis) voorzieningen op kernniveau. Voorbeelden van clusters zijn brede scholen of kindclusters die in de drie gemeenten worden of zijn gerealiseerd.
Daarnaast worden (bestaande) accommodaties steeds vaker multifunctioneel ingericht of gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn dorps- of buurthuizen waar meerdere functies of verschillende doelgroepen worden gehuisvest.
Deze toenemende clustering en multifunctioneel gebruik heeft alles te maken met een veranderende behoefte van inwoners en een afnemend draagvlak voor bepaalde voorzieningen, mede als gevolg van een afname van het aantal inwoners en een veranderende bevolkingssamenstelling.
Gemeentegericht aanbod
In de planvorming rondom voorzieningen vindt op dit moment nauwelijks samenwerking plaats tussen de verschillende kernen en gemeenten. Op opschaling of clustering ‘over de kernen heen’ wordt slechts beperkt ingezet.
Ook de aanwezigheid van voorzieningen in het nabijgelegen België tot nu toe beperkt aandacht gehad in het beleidsdenken en de planning van voorzieningen. In de beleids- en planvorming voor voorzieningen speelt de grens nog altijd een duidelijke rol en is België als het ware “een blanco gebied”.
Aanzet tot herijking voorzieningenniveau
De demografische ontwikkelingen die zich in Zeeuws-Vlaanderen voordoen nopen de gemeenten tot een herijking van hun voorzieningenniveau. Dit wordt nog eens versterkt door allerlei de financiële en maatschappelijke ontwikkelingen die zich voordoen.
Deze ontwikkelingen – die tot nu toe niet als centraal thema gebruikt zijn in de beleids- en planvoering ten aanzien van voorzieningen –worden steeds nadrukkelijker in de planvorming meegenomen. Zo worden beleidsnota’s herzien, projecten opgestart en samenwerking gezocht.
Gemeenten en (maatschappelijke) partners zoeken naar mogelijkheden om de (decentrale) voorzieningenstructuur in Zeeuws-Vlaanderen in stand te houden. Tegelijkertijd vragen zij zich af of dit – op de lange termijn en in het licht van de ontwikkelingen die zich voordoen – mogelijk, wenselijk en betaalbaar is.
1.1.2 Provinciaal beleid
De provincie Zeeland vervult een ondersteunende rol; zij faciliteert gemeenten en maatschappelijke partners bij de beleidsontwikkeling en –onderzoek.
Maatschappelijke voorzieningen zijn – met uitzondering van voorzieningen voor (jeugd)zorg – vooral een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De provincie is wel verantwoordelijk voor een goed systeem van openbaar vervoer en daarmee de bereikbaarheid van voorzieningen.
In het kader van de ontwikkelingen die zich voordoen, heeft de provincie Zeeland verschillende projecten geïnitieerd en samen met gemeenten opgepakt. Het Masterplan voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen is één van deze projecten.
1.1.3 Landelijk beleid
Het landelijk beleid ten aanzien van maatschappelijke voorzieningen is beperkt; beleidsvoering en planning wordt overgelaten aan de lokale overheid. Het Rijk stelt geen financiële middelen beschikbaar voor de realisatie of instandhouding van voorzieningen.
Landelijk doet zich wel een aantal ontwikkelingen voor dat van invloed is op het gemeentelijk beleid ten aanzien van (maatschappelijke) voorzieningen.
Experimenten bevolkingsdaling
De landelijke overheid stimuleert en faciliteert experimenten die in het kader van de bevolkingskrimp worden uitgevoerd. Het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen is één van de experimenten die worden ondersteund.
Deze experimenten moeten leiden tot input voor nieuwe wet- en regelgeving die nodig is om verantwoord richting te geven aan “een nieuwe demografische werkelijkheid” in de krimpregio’s. Ook kunnen ervaringen door andere krimp/regio’s worden gebruikt.
AWBZ-zorg
De overheveling van taken uit de AWBZ naar gemeenten zal de komende jaren verder gaan. Concreet betreft het de ondersteunende begeleiding voor extramurale cliënten met een ondersteuningsvraag, die per 2013 onder de Wmo zal vallen (met daarbij een aanzienlijk lager budget). In combinatie met een sterke groei van het aantal senioren (vergrijzing) zorgt dit ervoor dat een zwaar beroep zal worden gedaan op Wmo-ondersteuning, zowel voor individuele als collectieve voorzieningen.
Een traditionele zorggeoriënteerde aanpak is op termijn niet houdbaar, zowel getalsmatig als financieel. Nieuwe ondersteuningsarrangementen, gebaseerd op collectiviteit, zelfredzaamheid en sociale cohesie (Civil society), moeten worden ingezet om aan de vraag te (kunnen) voldoen. De gemeenten krijgen dan ook de beleidsvrijheid om de ondersteunende begeleiding op nieuwe (Wmo)leest te schoeien.
Multifunctionele (ontmoetings)voorzieningen kunnen hier een rol in spelen, met name door integratie en ontmoeting op kernniveau te stimuleren en integrale diensten aan te bieden. De overheveling van deze verantwoordelijkheid (en budgetten) biedt gemeenten dan ook een kans om met name de ontmoetingsvoorzieningen voor verschillende groepen en de dagvoorzieningen voor senioren een impuls te geven.
1.2Omgevingsfactoren
Hieronder een beschrijving van de demografische en ruimtelijke kenmerken en ontwikkelingen binnen Zeeuws-Vlaanderen. Deze zijn van invloed op de planvorming ten aanzien van voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen.
1.2.1 Demografische kenmerken en ontwikkelingen
Aantal inwoners per kern
Zeeuws-Vlaanderen beschikt over een groot aantal kernen. Onderstaand overzicht geeft per gemeente het aantal kleine kernen (minder dan 1.500 inwoners), middelgrote kernen (1.500 tot 4.000 inwoners) en grote kernen (meer dan 4.000 inwoners) weer (in 2010).
De typering zegt dus iets over het aantal inwoners en niet direct iets over de aard en omvang van het voorzieningenaanbod, al hangt dit wel met elkaar samen. Over het algemeen geldt; hoe groter het aantal inwoners, hoe groter het aantal voorzieningen.
Figuur 1: Aantal inwoners per kern
Gemeente
Kerngrootte
# kernen
Gem. aantal inwoners
Hulst
Kleine kernen
8
727
Middelgrote kernen
4
2.794
Grote kernen
1
10.868
Totaal
13
2.143
Sluis
Kleine kernen
10
733
Middelgrote kernen
3
2.377
Grote kernen
2
4.811
Totaal
15
1.606
Terneuzen
Kleine kernen
3
524
Middelgrote kernen
8
2.538
Grote kernen
2
16.506
Totaal
13
4.222
Uit dit overzicht blijkt dat de gemeenten Hulst en Sluis beide relatief veel kleine kernen hebben en dat de gemeente Terneuzen de minste kleine kernen en tegelijkertijd de meeste middelgrote kernen heeft. Terneuzen beschikt met de kern Terneuzen over de enige stedelijke kern binnen haar gemeentegrenzen.
Onderstaande figuur geeft het aantal inwoners per kern weer.
Figuur 2: Aantal inwoners per kern
Demografische ontwikkelingen
De komende 20 jaar nemen de drie gemeenten en de meeste kernen (verder) af in omvang. Deze ontwikkeling doet zich het sterkst voor in de gemeente Sluis; de meeste kernen binnen deze gemeente krijgen te maken met een afname van meer dan 10% en soms zelfs meer dan 15% van het aantal inwoners (zie ook de volgende tabel).
Figuur 3: Afname aantal inwoners (in % ten opzichte van huidig aantal)
Gemeente
Afname inwonertal
2010-2030
Aantal
kernen
Hulst
< 5%
3
>5% < 10%
10
>10%
0
Sluis
< 5%
0
>5% < 10%
5
>10%
10
Terneuzen
< 5%
3
>5% < 10%
10
>10%
0
Verschillen per kern
De verschillen tussen de kernen zijn groot. In bepaalde kernen zal de bevolkingsdaling (veel) sterker spelen dan in andere kernen en daarmee zal ook de vraag naar bepaalde voorzieningen sterker veranderen.
In onderstaande figuren is grafisch weergegeven in welke kernen de grootste demografische veranderingen plaatsvinden:
· De eerste figuur laat de afname van het aantal inwoners in de kernen zien tot 2030;
· De twee daaropvolgende figuren tonen de ontgroening en vergrijzing per kern tot 2020.
Figuur 4:Krimp 2010-2030
Figuur 5: Ontgroening 2010-2020
Figuur 6: Vergrijzing 2010-2020
Kleine verzorgingsgebieden
De verschillende kernen zijn veelal klein van omvang. Bijna alle kernen beschikken over een eigen, meer of minder uitgebreid voorzieningenaanbod. Dat betekent dat voorzieningen relatief kleine verzorgingsgebieden kennen; het aantal potentiële gebruikers is beperkt.
Hetzelfde doet zich voor bij voorzieningen die een gemeentelijk of zelfs regionaal verzorgingsgebied hebben; de omvang van de verzorgingsgebieden van deze voorzieningen is relatief klein te noemen; heel Zeeuws-Vlaanderen heeft “slechts” 107.000 inwoners.
Dit maakt dat het aanbieden van voorzieningen “van bovenregionaal niveau” (denk aan hoger onderwijs, specialistische medische zorg, cultuur of topsport) niet of nauwelijks mogelijk is; voor dit soort voorzieningen moet men uitwijken naar elders. De bereikbaarheid van deze voorzieningen in Nederland is door de geografische situatie echter lastig.
1.2.2 Ruimtelijke kenmerken en ontwikkelingen
Ligging
Zeeuws-Vlaanderen is een op zichzelf staand gebied. Het ligt relatief geïsoleerd ten opzichte van Nederland (alleen via de tunnel, het veer of België te bereiken). Het grenst in het zuiden aan België, dat weliswaar goed ontsloten is en een aantal grote steden in het achterland heeft, maar waarbij de nationale grens in praktijk en denken toch een duidelijke barrière vormt.
Afstanden
Zeeuws-Vlaanderen is een uitgestrekt gebied met veel kernen (in totaal 41). De meeste kernen zijn gering van omvang en inwoneraantal. De regio is relatief groot: om van West- naar Oost Zeeuws-Vlaanderen te reizen, moet een afstand van circa 60 kilometer worden overbrugd. In onderstaande figuur zijn rond de kleine kernen afstandcirkels van 5 kilometer weergegeven. Hierin blijkt dat vanuit de meeste kleine kernen binnen 5 kilometer een grotere kern beschikbaar is.
Figuur 7: Afstandscirkels per kern
Figuur 8: Bereikbaarheidsscore per kern
Door onderzoeksbureau Scoop is voor alle Zeeuws-Vlaamse kernen een bereikbaarheidsprofiel opgesteld (zie figuur). Dit is gebaseerd op aspecten van mobiliteit en bereikbaarheid als:
· Afstand van het centrum van de kern over de weg tot het centrum van de dichtstbijzijnde dragende kern of stedelijk centrum;
· Aard van de weg waar de kern aan ligt;
· Aard van het openbaar vervoer vanuit de kern;
· Aanvullende vervoersvoorzieningen voor doelgroepen.
Duidelijk is dat niet alleen de afstand, maar ook de infrastructuur en (openbaar) vervoermogelijkheden een belangrijke rol spelen. Zo is de bereikbaarheid van de kleine kernen in de gemeente Sluis over het algemeen beter dan in Hulst of de grenskernen.
Mobiliteit
Afstand, bereikbaarheid en vervoer kan gezien worden als een belangrijk thema in Zeeuws-Vlaanderen en daarmee ook in de planning van voorzieningen. Voor de mobiliteit is een tweetal geplande ontwikkelingen van belang:
· Aanleg tunnel Sluiskil
· Verbreding N61
Uit het onderzoeksrapport ‘Leefbaarheid’ van Scoop blijkt dat 90% van de bevolking in Zeeland “volledig automobiel” is. Openbaar vervoer speelt daarmee een beperkte rol voor de mobiliteit.
De realisatie van fijnmazig openbaar vervoersysteem met frequente verbindingen lijkt ook niet haalbaar is een relatief groot, uitgestrekt gebied met een relatief klein aantal inwoners. Nieuwe, andere vervoerssystemen zullen dus vooral kleinschalig en flexibel van aard moeten zijn en gericht zijn op doelgroepen die niet automobiel zijn.
Ruimtelijke ontwikkelingen
Van belang zijn de ruimtelijke ontwikkelingen met name op het gebied van woningbouw en infrastructuur. Als gevolg van de demografische ontwikkelingen wordt niet alleen een afname van de vraag naar woningen, maar ook een veranderende vraag verwacht.
Plannen op het gebied van woningbouw (al dan niet ontwikkeld in het kader van de pilot Wonen), zijn van invloed op de vraag naar voorzieningen binnen een kern. De transformatie van de woningmarkt biedt mogelijkheden om ook een vernieuwing in het voorzieningenaanbod door te voeren.
1.2.3 Zeeuws-Vlaanderen en België
Wanneer over voorzieningen en krimp in Zeeuws-Vlaanderen wordt gesproken, wordt regelmatig de vergelijking gemaakt met België. Hieronder volgt een toelichting op de kenmerken van en ontwikkelingen binnen de aangrenzende Belgische gemeenten (Assenede, Beveren, Damme, Knokke-Heist, Maldegem, Moerbeke, Sint-Gillis-Waas, Sint Laureins, Stekene, Wachtebeke en Zelzate). Ook staan we hieronder stil bij het gebruik van Belgische voorzieningen door inwoners van Zeeuws-Vlaanderen en andersom.
Bevolkingsontwikkeling
In onderstaande figuren is de bevolkingsontwikkeling voor de Belgische gemeenten weergegeven en vergeleken met de bevolkingsontwikkeling in Zeeuws-Vlaanderen.
Conclusie is dat de bevolkingsontwikkeling aan beide kanten van de grens de afgelopen jaren een wezenlijk andere ontwikkeling laat zien. De bevolking is in de Belgische gemeenten de afgelopen 10 jaar met ongeveer 5.000 inwoners gestegen en nog altijd is een stijging waar te nemen. De groei lijkt sinds 2004 zelfs weer sneller te gaan dan de jaren ervoor. In diezelfde periode is het inwoneraantal van Zeeuws-Vlaanderen nagenoeg gelijk gebleven en is het inwoneraantal sinds 2004 dalend.
Figuur 9: Bevolkingsontwikkeling Belgisch Achterland
Figuur 10: Bevolkingsontwikkeling Zeeuws-Vlaanderen
Geboorte en sterfte
In onderstaande figuur is te zien dat het geboortecijfer sinds 1999 in België structureel lager is dan het sterftecijfer. In Zeeuws-Vlaanderen is dit het geval sinds 2001. Voor beide regio’s geldt dat de afgelopen jaren de bevolking gedaald is doordat het aantal sterfgevallen groter is dan het aantal geboorten. In de figuur is te zien dat het verschil tussen geboorte- en sterftecijfer in Zeeuws-Vlaanderen groter is dan in de Belgische gemeenten.
Figuur 11: Geboorte en sterfte
Migratie
De groei van de Belgische gemeenten na 2000 komt voort uit migratie. Uit de cijfers over migratie blijkt dat de Belgische gemeenten in de periode 2000-2007 een positief migratiesaldo hadden van ongeveer 600 inwoners per jaar. In Zeeuws-Vlaanderen was het migratiesaldo in diezelfde periode gemiddeld 100 positief, maar niet voldoende om de bevolkingsdaling door negatieve natuurlijke aanwas te compenseren.
Uit eerder onderzoek (Bakker & Louwerse, 2009) is gebleken dat het migratiesaldo van Zeeland sterk bepaald wordt door het jaarlijks wegtrekken van ongeveer 1.000 jongeren tussen de 15 en 25 jaar voor werk of studie. In de andere leeftijdscategorieën kent
Zeeland over het algemeen een positief migratiesaldo. In de Belgische gemeenten doet deze “wegtrek” van jongeren zich beduidend minder voor. Dit heeft een positief effect op het geboortecijfer en het migratiesaldo.
Wanneer de bevolkingsopbouw van beide regio’s wordt bekeken (zie de volgende figuur), dan valt op dat in de Belgische gemeenten het percentage 20-35 jarigen beduidend hoger is dan in Zeeuws-Vlaanderen.
Figuur 12: Bevolkingsopbouw
Het verschil tussen Zeeuws-Vlaanderen en de Belgische gemeenten kan (mede) verklaard worden door de afstand van beide regio’s tot de nationale centrumregio’s/grote steden, waar veel jongeren voor studie of werk naar toe trekken: de Randstad is vanuit Zeeuws-Vlaanderen relatief ver weg, waardoor veel jongeren voor studie of baan verhuizen.
Overigens komt een deel van de jongeren wel weer terug naar Zeeuws-Vlaanderen. De “Belgische Randstad” (met Vlaamse steden zoals Gent, Brugge en Antwerpen) zijn voor de Belgische grensgemeenten relatief dichtbij. De noodzaak om te verhuizen is dus minder c.q. volwassenen vestigen zich (weer) in de regio, als zij een baan vinden in de economisch sterke regio Vlaanderen.
Gebruik van voorzieningen in België
Inwoners van Zeeuws-Vlaanderen (met name van de kernen die direct aan de grens liggen) maken op onderdelen gebruik van de voorzieningen in België.
Dit geldt in het bijzonder voor basisvoorzieningen op het gebied van basisonderwijs en kinderopvang (bron: PPOZ onderzoek “Onderwijs ons goed”, 2010) en voor grotere voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs, cultuur, (top)sport en (specialistische) zorg. Vooral de grotere voorzieningen geldt dat vooral voorzieningen in steden als Antwerpen, Gent en Brugge – waar een omvangrijk en hoogwaardig aanbod aanwezig is – relatief veel worden gebruikt.
Het gebruik van maatschappelijke voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen door Belgen is over het algemeen beperkt. Wel trekken bepaalde kernen Belgen, Nederlanders en andere nationaliteiten, met name in de toeristisch recreatieve hoek.
1.3Vraag
Hieronder volgt een korte toelichting op de vraag naar voorzieningen. Van belang is dat het aanbod aan voorzieningen hierop aansluit, zowel nu als in de toekomst.
1.3.1 Kwantitatieve vraag
De kwantitatieve vraag naar voorzieningen wordt vooral bepaald door de demografische ontwikkeling die zich in Zeeuws-Vlaanderen voordoet. Deze wordt gekenmerkt door een daling van de totale bevolking en een ingrijpende wijziging van de bevolkingssamenstelling.
Totale bevolking
In onderstaande figuur is weergegeven hoe de totale bevolking in Zeeuws-Vlaanderen zich de komende 20 jaar zal ontwikkelen in vergelijking met Zeeland. Het mag duidelijk zijn dat het aantal inwoners sterk afneemt (krimp). In zijn totaliteit wonen over 20 jaar 7100 minder mensen in Zeeuws-Vlaanderen (ca- 7%). De krimp doet zich vooral voor in de gemeente Sluis (ca. -12%). Dit heeft gevolgen op de vraag naar voorzieningen.
Figuur 13: Bevolkingsontwikkeling 2010-2030
Bevolkingssamenstelling
Nog ingrijpender dan de afname van het aantal inwoners is de veranderende samenstelling van de bevolking. De komende 20 jaar is een zeer sterke ontgroening en vergrijzing te zien. Logisch gevolg is dat de potentiële beroepsbevolking (de middengroep) afneemt.
Afhankelijk van het type voorziening, zijn deze ontwikkelingen meer of minder van invloed op de vraag naar voorzieningen en leiden zij tot een toe- of afnemende vraag. De ontgroening zorgt voor een sterke terugloop van de vraag naar voorzieningen voor jeugd en (jong)volwassenen (tot -25% voor kindfuncties). De vergrijzing zorgt voor een forse toename in de vraag naar voorzieningen voor senioren (tot +75% voor de oudere senioren).
Ontwikkeling van de vraag
In de volgende figuur is weergegeven hoe de veranderende bevolkingssamenstelling uitwerkt op de kwantitatieve vraag naar de verschillende voorzieningen.
De terugloop van het aantal jongeren en (jong)volwassenen zet niet alleen het draagvlak van voorzieningen onder druk (een kwart minder potentiële gebruikers!), maar ook de levensvatbaarheid van organisaties. Sommige verenigingen zullen uiteindelijk een kritische ondergrens bereiken en te weinig leden hebben om (zelfstandig) te kunnen blijven voortbestaan of te weinig vrijwilligers om hetzelfde werk te kunnen blijven doen.
De groei van het aantal senioren leidt tot een sterke groei in de vraag naar voorzieningen voor eerstelijnszorg en dagbesteding. Deze toenemende vraag zal echter niet op de huidige wijze opgevangen kunnen worden, mede door een afname van zorgbudgetten en een tekort aan medewerkers in de zorg (professionele krachten). De uitdaging ligt hier dan ook in hoe “met minder middelen een groeiende doelgroep bediend kan worden”.
Daar komt bij dat met de overheveling van taken vanuit de AWBZ naar de Wmo de gehele aanpak van ondersteuning aan (kwetsbare) senioren op een geheel andere leest wordt geschoeid, ook wel “kanteling van de Wmo” genoemd. Kort gezegd komt het er op neer dat mensen meer opgevangen (moeten) worden in hun eigen omgeving en sociale steunsysteem en minder in een professionele zorgomgeving. De ondersteuning verschuift van curatieve zorg geleverd door professionals naar preventief welzijn (deels) geleverd door vrijwilligers. Ontmoetingsplekken in de eigen leefomgeving, zoals dorps- en buurthuizen, kunnen hierin een belangrijke rol spelen.
Figuur 14: Ontwikkeling vraag naar voorzieningen 2010-2030
1.3.2 Kwalitatieve vraag
De behoefte aan voorzieningen wordt uiteraard niet alleen getalsmatig bepaald, maar ook door kwalitatieve aspecten zoals de sociaaleconomische kenmerken, de sociale cohesie en de cultuurhistorische bepaalde gerichtheid op de eigen kern, etc.
Sociaal economische kenmerken
Het gemiddelde opleidingsniveau in Zeeuws-Vlaanderen ligt iets onder het landelijk gemiddelde. Ook het gemiddelde inkomen ligt iets lager. De gerichtheid op “traditionele voorzieningen in de eigen buurt of kern” is in de meeste kernen hoger dan gemiddeld. Inwoners zijn sterk gericht op de eigen kern.
Figuur 15: % inwoners dat zich verbonden voelt met eigen kern
De sociale cohesie en gemeenschapszin in Zeeuws-Vlaanderen is als sterk te bestempelen, in het bijzonder in de kleine kernen. Hetzelfde geldt voor het aantal mensen dat vrijwilligerswerk doet in de eigen kern; dit is hoger in kleine kernen dan in grotere kernen. De figuren hiernaast illustreren dit.
Het aantal mensen dat lid is van een vereniging is juist in grotere kernen weer iets hoger. Dat geldt zeker voor mensen die lid zijn van een vereniging in de eigen kern. Dit heeft uiteraard te maken met het grotere aanbod in de grote kernen; mensen uit kleine kernen moeten/gaan vaker naar een vereniging elders.
Figuur 16: % vrijwilligers gerelateerd aan omvang kern
Leefbaarheid
Uit het onderzoek “Sociale Staat van Zeeland” (uitgevoerd door Scoop) blijkt echter dat de (ervaren) leefbaarheid niet afhankelijk is van de omvang van het voorzieningenpakket in een kern. Leefbaarheid is “de mate waarin de leefomgeving aansluit bij de voorwaarden en behoeften die er door de mens aan worden gesteld” en “de voorwaarden waaronder mensen met elkaar willen samenleven”. De leefbaarheid is daarmee sterk afhankelijk van plaats en tijd.
Het rapport van Scoop over leefbaarheid in Zeeland laat zien dat:
· kernen met een lage gemiddelde woningwaarde en relatief veel inwoners met lage inkomens over het algemeen als minder leefbaar worden ervaren;
· kernen waar veel industrie (op korte afstand) aanwezig is over het algemeen als minder leefbaar worden ervaren en dat
· kernen waar recreatie dominant is, vaker hoger scoren dan gemiddeld;
· kleine kernen die krimpen worden door inwoners over het algemeen als minder leefbaar ervaren.
Figuur 17: Ervaren leefbaarheid per kern
Autonome dorpen en woondorpen
Van oudsher speelt “het autonome dorp” een belangrijke rol in de tijdsbesteding van inwoners. Dit zijn dorpen waar leven, wonen, werken en recreëren hand in hand gaat. Mensen maken gebruik van lokaal georganiseerde kerkelijke-, verenigings-, familie- en buurtactiviteiten en de sociale samenhang in dit soort dorpen is hoog. Voorzieningen spelen een belangrijke rol in de leefbaarheid van dit soort dorpen; hier vindt ontmoeting plaats.
Tegenover het traditionele beeld van het autonome dorp staat het nieuwe beeld van het “woondorp”, waar de woonfunctie dominant is. De leefbaarheid van een woondorp wordt vooral wordt afgeleid van het feit dat het er “goed toeven is”. Voorzieningen bestaan hier omdat er voldoende draagvlak is of omdat de voorziening past bij het dorpsprofiel. sociale samenhang en leefbaarheid ontstaan hier niet als vanzelf vanwege de aanwezige voorzieningen, maar vanwege de wil van inwoners die zich voor het dorp inzetten.
Zowel het autonome dorp als het succesvolle woondorp zijn ideaaltyperingen.
Kloof tussen werkelijkheid en streefbeeld
Het autonome dorp bestaat feitelijk niet meer. We leven tegenwoordig op een ruimere en meer gedifferentieerde schaal en zijn minder afhankelijk van de aanwezigheid van voorzieningen in de eigen kern. Het dorp of de kern is tegenwoordig niet de schaal waarop ons leven zich afspeelt; steeds vaker is de gemeente of de regio het niveau waarop wonen, werken, leren en recreëren zich afspeelt en waarbinnen keuzes worden gemaakt. Dit geldt in het bijzonder voor jongeren en is het gevolg van een toenemende individualisering, internationalisering, informatisering, mobiliteit en grotere welvaart.
In de beleving van leefbaarheid speelt het autonome dorp nog wel een belangrijke rol. Het is een sterk collectief gedragen streefbeeld; voor velen is het autonome dorp het toonbeeld van leefbaarheid. Dat blijkt uit het feit dat leefbaarheid en voorzieningen vaak in één adem worden genoemd en dat de leefbaarheid van een kern voor velen staat of valt met het behoud van (basis)voorzieningen in de kern. Onder het mom “behoud van leefbaarheid” wordt stevige invloed uitgeoefend op bestuur en politiek wanneer sluiting dreigt van een weinig gebruikt dorpshuis of zwembad.
Er is een steeds grotere kloof ontstaan tussen de maatschappelijke werkelijkheid van de regionalisering van het dagelijkse leven en de politieke en emotionele koestering van het autonome dorp. Het autonome dorp kan worden gezien als “het streefbeeld uit het verleden”.
Reisbereidheid en mobiliteit
Mensen maken (noodgedwongen) gebruik van voorzieningen buiten hun eigen kern. Het gaat dan om het gebruik van voorzieningen in een naastgelegen (grotere) kern of voorzieningen in België (vooral door inwoners van kernen aan de grens).
Het door Scoop uitgevoerde onderzoek “de Sociale staat van Zeeland” biedt inzicht in de gerichtheid op de eigen kern en het gebruik van (basis)voorzieningen buiten de eigen kern. Onderstaande figuren geven de mobiliteitsbewegingen voor voorzieningen die in veel kernen aanwezig zijn weer.
Een korte toelichting op de figuren:
· Voor rood omrande kernen geldt dat een belangrijk deel van de inwoners gebruik maakt van de voorziening in de eigen kern;
· De pijlen geven aan dat een (aanzienlijk) deel van de inwoners gebruik maakt van de betreffende voorziening in een andere kern.
Uit deze figuren blijkt dat de mobiliteit per voorziening verschilt:
· Voor de dagelijkse boodschappen (winkelvoorzieningen) maken mensen gebruik van enkele grotere kernen;
· Voor basisonderwijs geldt dat relatief veel gebruik wordt gemaakt van voorzieningen buiten de eigen kern; door inwoners van grenskernen wordt vooral gebruik gemaakt van scholen in België;
· Voor sportvoorzieningen (binnen-, buitensport en zwembaden) maken met name inwoners van Hulst en Sluis gebruik van voorzieningen in enkele grotere kernen; voor inwoners van de gemeente Terneuzen geldt dit niet, waarschijnlijk omdat de gemeente Terneuzen een sterk gespreid aanbod aan sportvoorzieningen heeft;
· Voor dorpshuizen en dienstencentra geldt dat vooral gebruik wordt gemaakt van voorzieningen binnen de eigen kern.
Kortom, de mobiliteitsbereidheid is per type voorziening verschillend. Dit hangt uiteraard samen met de aanwezigheid, diversiteit en kwaliteit van de voorzieningen in de eigen en andere kernen én de mobiliteit van de betreffende persoon of doelgroep. Ook is duidelijk te zien dat een aantal kernen door hun omvang en (bijbehorend) voorzieningenaanbod een aantrekkende werking hebben voor inwoners van omliggende kernen. Opvallend is dat slechts beperkt gemeentegrensoverschrijdende bewegingen plaats vinden voor het gebruik van voorzieningen.
Figuur 18: Mobiliteitsbeweging basisonderwijs
Figuur 19: Mobiliteitsbeweging dagelijkse boodschappen
Figuur 20: Mobiliteitsbeweging sport
Figuur 21: Mobiliteitsbeweging dorpshuis/dienstencentrum
Ontwikkelingen in de kwalitatieve vraag naar voorzieningen
De vraag naar voorzieningen verandert. Maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de toenemende individualisering, mobiliteit, arbeidsparticipatie en het stijgende welvaartsniveau, zorgen voor een andere vraag naar vrijetijdsvoorzieningen.
De volgende ontwikkelingen doen zich voor:
· Van verenigingslid naar consument. Nederlanders kiezen steeds vaker voor vormen van vrijetijdsbesteding die op dat moment bij hen past of aantrekkingskracht heeft. De groep “vaste klanten” neemt af en de groep “passanten” neemt toe. Dit zorgt voor minder betrokkenheid bij de activiteit of vereniging. Er is sprake van een vervluchtiging van de vrijetijdsbesteding;
· Toenemende diversiteit. Nederlanders nemen aan meer activiteiten deel dan voorheen. Dit geldt voor alle leeftijdsgroepen; ook ouderen vertonen een meer afwisselend patroon van vrijetijdsbesteding dan voorheen. Er is een zogenaamde “zapcultuur” ontstaan waarbij verschillende vormen van vrijetijdsbesteding elkaar steeds vaker afwisselen.;
· Toenemende mobiliteit en communicatie. Nederlanders zijn de afgelopen jaren mobieler geworden en zijn bereid (grotere afstanden) af te leggen voor hun vrijetijdsbesteding. Het aantal auto’s en het aantal gereden kilometers stijgt ieder jaar. Moderne communicatiemiddelen zorgen er tegelijkertijd voor dat de fysieke locatie minder van belang is;
· Toenemende druk op de vrijetijd. De hoeveelheid vrijetijd van Nederlanders is de laatste jaren afgenomen, door een toename van de arbeidstijd (vooral door een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen), de opkomst van de 24-uurseconomie en het ontstaan van andere huishoudenvormen (meer een- en twee persoonshuishoudens met een herverdeling van taken tot gevolg).
· Focus op kwaliteit. Een kwalitatief hoogwaardig aanbod aan voorzieningen en dienstverlening is nodig en voldoende afwisseling is nodig om “de onrustige en zappende consument te behouden. Het is steeds lastiger om de dienstverlening met vrijwilligers te bieden, ook omdat (structurele) vrijwilligers steeds lastiger te vinden zijn.
1.4Aanbod
In het kader van het Masterplan Voorzieningen is het huidig aanbod aan voorzieningen in kaart gebracht. Hieronder volgen de resultaten en een vergelijking tussen vraag en aanbod.
Kwantiteit
In onderstaand overzicht is per gemeente aangegeven hoeveel voorzieningen per type aanwezig zijn en hoeveel voorzieningen er gemiddeld per kern zijn in Zeeuws-Vlaanderen (peildatum 2010).
Figuur 22: Aantal voorzieningen per kern
Voorziening
Hulst
Sluis
Terneuzen
Totaal
Per kern
Primair onderwijs
16
21
35
72
1,76
Overig onderwijs
4
2
13
19
0,46
Peuterspeelzaal
11
9
15
35
0,85
Kinderdagverblijf
13
18
26
57
1,39
Buitenschoolse opvang
23
16
34
73
1,78
Buurt/dorpshuis
11
15
28
54
1,32
Jongerencentrum
1
5
6*
12
0,29
Senioren/dienstencentrum
1
5
1*
7
0,17
Bibliotheek
3
2
9
14
0,34
Culturele centra/podia
1
2
6
9
0,22
Musea/cultuurhistorie
2
6
9
18
0,43
Binnensport
12
16
19
47
1,15
Voetbal
9
10
13
32
0,78
Tennis
7
8
9
24
0,59
Zwembad
2
2
8
12
0,29
Huisarts
6
8
13
27
0,66
Tandarts
4
8
15
27
0,66
Apotheek (excl. huisarts)
5
3
3
11
0,27
Fysiotherapie
16
16
23
55
1,34
Consultatiebureau
4
4
12
20
0,49
Woonzorg V&V
2
7
10
19
0,46
Woonzorg VG
4
3
6
13
0,32
Dagbesteding senioren
2
7
6
15
0,37
Ziekenhuislocaties
2
1
1
4
0,1
Leisure
4
4
19
27
0,66
* Daarnaast maakt in Terneuzen een aantal seniorencentra en jongerencentra integraal deel uit van de buurt/-dorpshuizen
Voorzieningenniveau per kern
In onderstaande figuur is “het gemiddelde voorzieningenniveau per kern” voor de drie Zeeuws Vlaamse gemeenten vergeleken en afgezet tegen “het gemiddelde voorzieningenniveau” in Zeeuws-Vlaanderen. Daaruit blijkt dat met name de kindfuncties, binnen-en buitensport en buurt-/dorpshuizen in veel kernen (ruim) aanwezig zijn.
Verder valt op dat de gemeente Terneuzen een relatief groter (gespreid) aanbod kent van BSO, buitensport, zwembaden, bibliotheken, consultatiebureaus en zorgvoorzieningen dan gemiddeld in Zeeuws-Vlaanderen. Voor Hulst geldt dit voor basisonderwijs en binnensport. Sluis kent een hoger aanbod kinderdagverblijven en binnensport.
Figuur 23: Voorzieningenniveau per kern
Kenmerken voorzieningenniveau
In zijn algemeenheid heeft het voorzieningenniveau in Zeeuws-Vlaanderen de volgende kenmerken:
Gespreide voorzieningen met kleine verzorgingsgebieden
Zoals eerder gesteld kent Zeeuws-Vlaanderen veel voorzieningen met relatief kleine verzorgingsgebieden. Dit wordt veroorzaakt door de vele kleine kernen die bovendien relatief ver van elkaar afliggen; in het verleden is logischerwijs gekozen voor de inrichting van een kerngerichte voorzieningenstructuur, waarbij de omvang van de verzorgingsgebieden minder maatgevend is geweest dan de beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen op kernniveau.
Veel van hetzelfde, weinig diversiteit
Mede door de spreiding van voorzieningen en kleine verzorgingsgebieden geldt dat de Zeeuws Vlaamse kernen veelal over dezelfde soort (basis-)voorzieningen beschikken. Het aanbod is weinig divers en hoogwaardig; hiervoor zijn immers grotere verzorgingsgebieden nodig. Dit geldt in mindere mate voor de gemeente Terneuzen, dat de meeste inwoners kent en waar de kernen ook gemiddeld groter zijn.
Nagenoeg beschikt Zeeuws-Vlaanderen driemaal over een zelfde soort voorzieningenpakket, terwijl het totale verzorgingsgebied van Zeeuws-Vlaanderen “slechts” 107.000 inwoners heeft (vergelijkbaar met een middelgrote stad). Dit heeft vooral impact op voorzieningen die niet dorp- of wijkgebonden zijn en een groter verzorgingsgebied kennen (nodig hebben), zoals culturele voorzieningen, zwembaden en bepaalde sportvoorzieningen.
Dergelijke voorzieningen beschikken in Zeeuws-Vlaanderen over een relatief kleine markt. Dit uit zich veelal in lagere bezoekersaantallen en bezettingscijfers dan voor dit soort voorzieningen verwacht mag worden/wenselijk is.
Kleinschalige voorzieningen
Veel voorzieningen zijn door hun kleine verzorgingsgebied relatief klein van omvang. Zo hebben de gemeenten Terneuzen en Sluis relatief veel gymzalen (één zaaldeel), hebben de kindfuncties op locatie vaak slechts één groep en zijn de scholen in Zeeuws-Vlaanderen relatief klein, zoals ook onderstaande figuur laat zien.
Hoewel de geringe omvang niet per se iets zegt over de kwaliteit van de voorzieningen, maakt deze kleinschaligheid voorzieningen wel kwetsbaar(der) in de continuïteit, exploitatie, functionaliteit en organisatie.
Er bestaat uiteraard wel een ondergrens waaronder voorzieningen niet meer optimaal kunnen functioneren. Het bepalen van deze ondergrens hangt sterk af van het gemeentelijk beleid en de specifieke lokale omstandigheden. Een aantal voorzieningen balanceert op het randje van deze ondergrens.
Figuur 24: Gemiddelde schoolgrootte (in aantal leerlingen)
Clustering op kernniveau
Zoals eerder aangegeven is door gemeenten een beleid met betrekking tot clustering van (basis)voorzieningen op kernniveau ingezet. In een aantal kernen zijn multifunctionele sociaal-culturele accommodaties of brede scholen gerealiseerd c.q. worden deze op korte termijn gerealiseerd. In de praktijk is vooral sprake van clustering van verschillende kindfuncties (basisonderwijs, peuterspeelzaalwerk, BSO en kinderopvang); daarnaast maken sport-, welzijn-, cultuur- en zorgvoorzieningen regelmatig deel uit van clustervoorzieningen.
Gemeentegericht aanbod
Opvallend is dat het voorzieningenaanbod in Zeeuws-Vlaanderen volledig gemeentelijk georiënteerd is. Tot nu toe is er weinig tot geen afstemming over de gehele regio, alhoewel de kern Terneuzen wel enkele voorzieningen heeft met een regionale functie en er langzamerhand meer samenwerking ontstaat. Dit kan uiteraard verklaard worden door de uitgestrektheid van het gebied en de historische context.
Waardering van voorzieningen
In het onderzoek “de Sociale staat van Zeeland” (uitgevoerd door Scoop) is de tevredenheid van inwoners ten aanzien van het voorzieningenniveau in de drie gemeenten onderzocht. Gebleken is dat dit samenhangt met de beschikbaarheid en kwaliteit van de voorzieningen én de behoefte/verwachtingen van de respondenten.
In Zeeuws-Vlaanderen zijn kernen waar men heel positief oordeelt over de kwaliteit van de aanwezige voorzieningen; voorbeelden zijn Oostburg, Breskens en Kloosterzande. In een aantal kernen aan de grens met België is men juist heel kritisch over de kwaliteit van de voorzieningen; voorbeelden zijn Overslag, Heikant, Kapellebrug en Nieuw-Namen. Nevenstaande figuur geeft de waardering per kern weer.
Figuur 25: Waardering kwaliteit voorzieningen per kern
Waardering in relatie tot omvang kern
In onderstaande figuur is de tevredenheid gerelateerd aan de omvang van de kern. Hieruit blijkt dat men in grotere kernen over het algemeen meer tevreden is. Dit hangt naar verwachting deels samen met de grotere omvang van het voorzieningenaanbod in grotere kernen.
Figuur 26: Waardering voorzieningen in relatie tot omvang kern
Waardering van basisvoorzieningen
In “de Sociale staat van Zeeland” is ook een waarderingscijfer gevraagd voor drie typen basisvoorzieningen, te weten basisonderwijs, sport en buurt-/dorpshuis. Ook dit is gerelateerd aan de omvang van de kern. Onderstaande figuren geven de resultaten weer. De kernen die niet over een dergelijke voorziening beschikken, zijn in de berekening buiten beschouwing gelaten.
Hieruit blijkt dat:
· er een relatie is tussen de omvang van de kern en de waardering van voorzieningen voor basisonderwijs en met name sport; naarmate de kern groter is stijgt de waardering. Dit kan te maken hebben met de diversiteit, omvang en keuzemogelijkheid die men in grotere kernen heeft.
· er nauwelijks tot geen relatie is tussen de omvang van de kern en de waardering voor buurt/dorpshuizen. Waarschijnlijk wordt een dorpshuis vooral als een voorziening beschouwd die aanwezig moet zijn in de kern. Keuzemogelijkheid, diversiteit en omvang van de voorziening zijn minder van belang bij de beoordeling van dit type voorziening.
Geconcludeerd kan worden dat in de waardering van de voorzieningen verschillen bestaan, waarbij bij sommige de beschikbaarheid op kernniveau belangrijk gevonden wordt (geen verschil in waardering tussen grote en kleine kernen) en bij andere ook de omvang, diversiteit en keuzemogelijkheid een rol speelt (die in grotere kernen meer aanwezig is). We zien dit ook terug in de verschillen in mobiliteitsbewegingen ten aanzien van de voorzieningen.
Figuur 27: Waardering basisschool (bron: Scoop)
Figuur 28: Waardering sportvoorzieningen (bron: Scoop)
Figuur 29: Waardering dorpshuis (Bron: Scoop)
Ontwikkelingen in aanbod aan voorzieningen
Er doen zich landelijk – en ook in Zeeuws-Vlaanderen – verschillende ontwikkelingen voor in het aanbod die inspelen op bovengenoemde, veranderende behoefte.
De volgende ontwikkelingen doen zich voor:
· Schaalvergroting. Steeds vaker proberen gemeenten voorzieningen rondom welzijn, sport en cultuur te clusteren. Het doel is komen tot centrale voorzieningen waarin alle functies gezamenlijk zijn gehuisvest. De achterliggende motieven zijn efficiency voordelen, maar ook het tegemoet komen aan de eisen van de hedendaagse consument (breed scala van activiteiten onder één dak) en de mogelijkheden die dit biedt voor een (meer) professioneel aanbod.
· Multifunctionaliteit. Accommodaties worden steeds vaker multifunctioneel ingericht en gebruikt. In eerste instantie was vooral sprake van “bedrijfsverzamelgebouwen” waar vooral ruimtelijk werd samengewerkt; steeds vaker zien we dat partijen ook inhoudelijk en organisatorisch samenwerken.
· Kwaliteitsimpuls. De moderne consument is “verwend” en wil zijn (vrije)tijdsbesteding in een kwalitatief hoogwaardige omgeving doorbrengen. De afgelopen jaren is dan ook fors geïnvesteerd in de kwaliteit van voorzieningen, vaak in combinatie met “een opschaling van voorzieningen”.
· Diversiteit. Het (commerciële) aanbod aan vrijetijdsbesteding is breder geworden, inspelend op de veranderende behoefte van de consument. Denk bijvoorbeeld aan de sterke opkomst van individuele buitensporten, leisure- en fitnesscentra en particuliere initiatieven op het gebied van kunst en cultuur.
· Flexibiliteit. Nieuwe accommodaties worden zodanig gebouwd dat ze op termijn eenvoudig aanpasbaar zijn aan veranderende doelgroepen of functies. Denk bijvoorbeeld aan schoolwoningen.
· Innovatie. Nieuwe technologieën bieden mogelijkheden om tegemoet te komen aan de veranderende behoefte of nieuwe doelgroepen (senioren). De opkomst van moderne communicatiemiddelen- en technologieën maakt dat diensten op maat en onafhankelijk van plaats en tijd geboden kunnen worden. De afhankelijkheid van een centrale fysieke voorziening/gebouw wordt daardoor minder.
1.5Vergelijking vraag – aanbod
De vergelijking tussen vraag en aanbod kan vanuit twee invalshoeken worden bekeken:
· Capaciteit. Hierbij wordt gekeken of de voorzieningen qua aantal en omvang in evenwicht zijn met het huidige (en verwachte, toekomstige) gebruik. Met andere woorden, of er (op termijn) voldoende vraag is om de beschikbare capaciteit te benutten. De capaciteitsvergelijking zegt dus iets over de omvang van het aanbod in relatie tot de vraag. Deze vergelijking zegt iets over de efficiency in capaciteit en de exploiteerbaarheid van voorzieningen en geeft dus ook zicht op de continuïteit in de organisatie.
· Beschikbaarheid. Hierbij wordt het aanbod vanuit inhoudelijk oogpunt en bereikbaarheid beoordeeld, ongeacht de (toekomstige) vraag. De voorzieningen dienen voor (potentiële) gebruikers goed beschikbaar/bereikbaar te zijn. Deze vergelijking zegt met name iets over het voorzieningenniveau. Deze vergelijking is sterk beleidsmatig (en cultuurhistorisch) bepaald, waarbij ook de geografische kenmerken van het gebied meetellen. In een stedelijk gebied is de beschikbaarheid met minder voorzieningen te realiseren dan in een uitgestrekt gebied zoals Zeeuws-Vlaanderen dat bovendien uit verschillende kernen bestaat.
Uiteraard hangen beide invalshoeken wel met elkaar samen; een grote beschikbaarheid (decentraal aanbod, kleine verzorgingsgebieden) leidt tot een relatief grote capaciteit, aangezien elke voorziening nu eenmaal een minimum maatvoering kent, ongeacht het gebruik.
Vergelijking vanuit oogpunt van capaciteit
Van een aantal (basis)voorzieningen zijn gebruiksgegevens bekend, namelijk van sportvoorzieningen en onderwijs- en kindfuncties. Van de zorgvoorzieningen (dagopvang senioren) en dorps-/buurthuizen zijn over het algemeen geen (gedetailleerde) gebruiksgegevens bekend.
De beschikbare gebruiksgegevens bieden inzicht in de bezetting van de accommodaties en geven antwoord op de vraag of er sprake is van over- of ondercapaciteit in relatie tot het gebruik (in hoeverre zijn er teveel of te weinig m2, zaaldelen, klaslokalen, kindplaatsen ten opzichte van het huidig gebruik).
In onderstaande tabellen is aangegeven in hoeverre op dit moment sprake is van over- of ondercapaciteit in relatie tot het huidige gebruik. In de berekening is uitgegaan van gangbare bezettingsnormen of gemiddelden. Deze vergelijking biedt inzicht in de efficiency in gebruik en de (toekomstige) exploiteerbaarheid en continuïteit van voorzieningen.
Figuur 30: Over/ondercapaciteit op basis van gebruik voorzieningen
Hoewel er verschillen tussen de gemeenten en de verschillende typen voorzieningen bestaan, kan worden gesteld dat gebruik en bezetting van de voorzieningen over de gehele linie achterblijft bij gangbare normen. Dit duidt op een overcapaciteit van voorzieningen of – andersom geredeneerd – een beperkte bezetting van de beschikbare voorzieningen.
Uitzondering zijn de voorzieningen voor senioren. Deze laten geen overcapaciteit zien, dit hangt samen met de sterke vergrijzing. Het voorzieningenaanbod voor senioren zal de komende jaren echter wel vernieuwd moeten worden in verband met de sterk toenemende vraag en de ontwikkelingen die zich voordoen (bijvoorbeeld de overheveling van ondersteuning van AWBZ naar Wmo).
De overcapaciteit wordt vooral veroorzaakt door het grote en met name versnipperde aanbod. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar:
· Overcapaciteit door spreiding. Door “in elke kern” één of meerdere voorzieningen te realiseren, ook al is er relatief weinig vraag doordat het aantal inwoners beperkt is, is er sprake van een versnipperde overcapaciteit. Er zijn relatief veel locaties die niet optimaal benut (kunnen) worden, omdat de vraag (te) beperkt is. Dit speelt met name bij de kindfuncties en binnensport: vanuit inhoudelijk perspectief worden onderwijs en kinderopvang op kernniveau aangeboden, ook al wonen er relatief weinig kinderen binnen de kern.
· Overcapaciteit door maatvoering per voorziening. Op onderdelen is sprake van een te grote capaciteit bij individuele voorzieningen. Zo heeft een aantal tennisverenigingen en voetbalverenigingen volgens de normen van NOC*NSF teveel banen of velden ten opzichte van het aantal leden. De spreiding is dan niet direct de oorzaak van de overcapaciteit, maar de omvang van de accommodatie is het probleem. Deze overcapaciteit speelt (op termijn) in sterkere mate in kernen waar de doelgroepen de komende jaren sterk terug zullen lopen (bijvoorbeeld jeugd).
In onderstaande figuur is per kern aangegeven in hoeverre er sprake is van overcapaciteit (bij de voorzieningen waarvan de bezetting bekend is). Aangegeven is of de overcapaciteit hoger, lager of hetzelfde is ten opzichte van de gemiddelde overcapaciteit in Zeeuws-Vlaanderen.
Figuur 31: Overcapaciteit in relatie tot gebruik per kern
Vergelijking vanuit oogpunt van beschikbaarheid
De gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen kennen een sterk gespreid voorzieningenniveau over nagenoeg alle kernen. Op basis daarvan kunnen “vier typen kernen” worden onderscheiden:
· Hoofdkernen met een compleet voorzieningenniveau (alle type voorzieningen, vaak meervoudig aanwezig).
· Middelkernen met een uitgebreid voorzieningenniveau (een of meerdere onderwijs en kindfuncties, compleet pakket sport- en sociaal culturele voorzieningen, meerdere zorgvoorzieningen).
· Basiskernen met compleet basisvoorzieningenpakket (enkelvoudig onderwijs-, kindvoorzieningen, binnen- en/of buitensport-voorzieningen en dorpshuis).
· Woongemeenschap. Kern zonder of met slechts één voorziening.
In onderstaande figuur is deze indeling grafisch per kern weergegeven.
Figuur 32: Type kernen naar aard en omvang voorzieningenniveau
Indeling naar type kern
In onderstaand overzicht is schematisch weergegeven hoe de kernen van de drie gemeenten in deze vier categorieën in te delen zijn. Opvallend is:
· de geringe omvang (775 inwoners) van de kernen met een (compleet) basisvoorzieningenpakket (onderwijs, kindfuncties, binnen- en/of buitensport en dorpshuis).
· dat de gemeente Terneuzen nauwelijks kernen heeft met een basisvoorzieningenniveau; de meeste kernen in Terneuzen beschikken over een (boven)gemiddeld aanbod aan voorzieningen. Dit hangt samen met de grotere gemiddelde omvang van kernen in de gemeente Terneuzen. dat de gemeenten Hulst en Sluis een gelijkmatigere verdeling over de categorieën kennen, waarbij voor Sluis geldt dat de gemiddelde omvang van de kernen kleiner is dan elders in Zeeuws-Vlaanderen. De verzorgingsgebieden in Sluis zijn dus (nog) kleiner.
Figuur 33: Aantal en omvang verschillende type kernen per gemeenten
Gemeente
Type kern
# kernen
Gem. # inwoners
Hulst
Hoofdkern
1
10.868
Middelkern
4
2.794
Basiskern
6
853
Woongemeenschap
2
349
Sluis
Hoofdkern
2
4.811
Middelkern
4
2.095
Basiskern
8
692
Woongemeenschap
1
332
Terneuzen
Hoofdkern
2
16.506
Middelkern
8
2.538
Basiskern
1
956
Woongemeenschap
2
308
Zeeuws-Vlaanderen
Hoofdkern
5
10.700
Middelkern
16
2.491
Basiskern
15
774
Woongemeenschap
5
329
1.6Conclusies
Hieronder volgen puntsgewijs de belangrijkste conclusies uit de inventarisatie die in het kader van het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen is uitgevoerd.
Beleid
In het gemeentelijk voorzieningenbeleid in Zeeuws-Vlaanderen is logischerwijs gekozen voor een decentrale voorzieningenstructuur. Dat wil zeggen dat elke kern over meer of minder voorzieningen op maatschappelijk gebied beschikt. Redenen hiervoor zijn: de sterke sociale cohesie en gerichtheid op de eigen kern, de relatief grote afstanden tussen de kernen en de beperkte bereikbaarheid van voorzieningen elders.
In het gemeentelijk accommodatiebeleid is de demografische verandering en bevolkingsafname (nog) niet als leidend thema opgenomen. Wel is een aantal ontwikkelingen in gang gezet, waarmee wordt ingespeeld op de gevolgen van deze ontwikkeling op de voorzieningen (bijvoorbeeld Brede School ontwikkeling, clustering en multifunctioneel ruimtegebruik);
De provinciale en landelijke overheid heeft geen directe verantwoordelijkheid en bemoeienis met het beleid ten aanzien van maatschappelijke voorzieningen. De provinciale en landelijke overheden stimuleren en faciliteren gemeenten wel om in te spelen op de demografische veranderingen. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor een goed systeem van openbaar en daarmee de bereikbaarheid van voorzieningen. De status als landelijke pilot biedt de gemeenten de mogelijkheid om het beleid ten aanzien van de voorzieningen voor de langere termijn opnieuw neer te zetten.
Omgeving
Zeeuws-Vlaanderen is een op zichzelf staand gebied, zowel geografisch als gevoelsmatig. Het ligt relatief geïsoleerd ten opzichte van Nederland. Bereikbaarheid van voorzieningen elders in Nederland is door de geografische situatie moeilijk. De oriëntatie op België is op onderdelen wel aanwezig, maar in het beleidsdenken en planvorming speelt de grens een duidelijke rol.
De bevolkingsontwikkeling in de Belgische grensgemeenten is anders dan in Zeeuws-Vlaanderen. Dit heeft te maken heeft met verschillen in de bevolkingssamenstelling en het migratiepatroon. De wegtrek van jongeren is in de Belgische gemeenten niet of nauwelijks aan de orde. Dit komt onder andere doordat Belgische steden op relatief korte afstand aanwezig en bereikbaar zijn. Voor Zeeuws-Vlaamse jongeren is dit niet het geval; in Nederland liggen de grote steden (met veel studie- en werkmogelijkheden) relatief ver weg.
Zeeuws-Vlaanderen is een uitgestrekt gebied met veel kernen. De kernen zijn relatief gering van omvang (met uitzondering van de kernen in de gemeente Terneuzen). Bovendien zijn de afstanden tussen de kernen groot. Door de dunbevolktheid en de beperkte omvang van de kernen is een uitgebreid en fijnmazig openbaar vervoer niet goed mogelijk. 90% van de inwoners van Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen is automobiel. Afstand, bereikbaarheid en vervoer vormen een belangrijk thema in Zeeuws-Vlaanderen en het voorzieningenbeleid. De demografische ontwikkelingen zorgen voor een veranderende behoefte aan woningen. Het aanbod aan en de realisatie van woningen in individuele kernen biedt goede mogelijkheden voor vernieuwing van het aanbod van voorzieningen.
Vraag
Kwantitatieve vraag
· De vraag naar voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen wordt sterk bepaald door de omvang en samenstelling van de bevolking en de ontwikkelingen die zich hierin voordoen (afname aantal inwoners, vergrijzing, ontgroening).
· De Zeeuws-Vlaamse bevolking krimpt de komende 20 jaar. Dit geldt het sterkst voor de gemeente Sluis (-12%). In totaal wonen over 20 jaar 7.100 minder mensen in Zeeuws-Vlaanderen (- 7%).
· De komende 20 jaar is een zeer sterke ontgroening en vergrijzing te zien. De potentiële beroepsbevolking neemt af.
· De kindvoorzieningen (onderwijs, kinderopvang) krijgen te maken met een sterke terugloop van belangstelling (-25%). Ook voorzieningen voor (jong)volwassenen (sport, cultuur) krijgen met een krimpende markt te maken. Dit zet niet alleen het draagvlak van de voorzieningen onder druk, maar ook de levensvatbaarheid van (vrijwilligers)organisaties.
· Een forse groei is te verwachten in de vraag naar voorzieningen voor zorg en welzijn voor senioren (tot +75% voor de oudere senioren). De vraag is hoe met minder middelen deze groeiende doelgroep toch bediend kan worden.
Kwalitatieve vraag
· De behoefte aan voorzieningen wordt niet alleen getalsmatig bepaald, maar ook door kwalitatieve aspecten, zoals de sociaal economische kenmerken van Zeeuws-Vlaanderen, de sociale cohesie, de cultuurhistorische bepaalde gerichtheid op de kern, etc.
· De gerichtheid op de eigen kern en traditionele voorzieningen is in Zeeuws-Vlaanderen sterk aanwezig. Dit biedt kansen om bepaalde voorzieningen op kernniveau in stand te houden.
· Mensen maken (gedwongen) gebruik van voorzieningen buiten hun eigen kern. Het gaat vooral om voorzieningen in België (door grenskernen) of in nabijgelegen, grotere kernen.
· De reisbereidheid per type voorziening verschilt en is uiteraard ook afhankelijk van de aanwezigheid, diversiteit en kwaliteit van de voorzieningen in de eigen kern. Voor onderwijs en sport maakt men vaker gebruik van voorzieningen elders dan voor ontmoeting/welzijn.
· De vraag naar voorzieningen verandert, mede door de veranderende samenstelling van de bevolking, grotere mobiliteit, nieuwe communicatiemiddelen en een veranderende vrijetijdsbesteding. Kwaliteit en diversiteit worden steeds belangrijker in de keuze van vrijetijdsbesteding van de “moderne consument”. Directe nabijheid is minder belangrijk.
· Deze veranderende vraag biedt ook kansen om tot een kwaliteitssprong te komen in het voorzieningenaanbod.
Aanbod
· Door het grote aantal kernen beschikt Zeeuws-Vlaanderen over een goed gespreid aanbod van voorzieningen. Bijna alle kernen beschikken over voorzieningen voor basisonderwijs, kinderopvang, binnen- en buitensport en welzijn/ontmoeting.
· Zeeuws-Vlaanderen kent relatief kleine verzorgingsgebieden per accommodatie. Voorzieningen zijn klein in omvang/opzet.
· Veel kernen en gemeenten beschikken over “eenzelfde aanbod aan voorzieningen”. Diversiteit in het aanbod ontbreekt, evenals bovenregionale voorzieningen.
· Op kernniveau is in toenemende mate sprake van clustering van voorzieningen; op regionaal niveau geldt dit nauwelijks.
· Het voorzieningenaanbod in Zeeuws-Vlaanderen is gemeente georiënteerd. Er is weinig afstemming over de gehele regio. Terneuzen vervult een beperkte regionale functie.
· Inwoners zijn over het algemeen tevreden over hun voorzieningen. De waardering verschilt per voorziening en per kern. Over het algemeen stijgt de waardering van voorzieningen naarmate de kern groter is, dit geldt met name voor sportvoorzieningen en basisscholen.
Vergelijking vraag - aanbod
· Beschikbaarheid van voorzieningen is altijd een belangrijke invalshoek geweest bij de inrichting en instandhouding van voorzieningen (en dus niet zozeer de capaciteit van voorzieningen). De beschikbaarheid van voorzieningen is nog altijd goed te noemen.
· Over het algemeen is de capaciteit te groot ten opzichte van het huidige gebruik/bezetting van de voorzieningen. De achterblijvende bezetting wordt vooral veroorzaakt door het gespreide aanbod en de relatief kleine verzorgingsgebieden voor de voorzieningen.
· Vanuit beleidsoogpunt is een decentrale voorzieningenstructuur passend, maar met het oog op de beschikbare en benodigde capaciteit niet. Bij ongewijzigd beleid zal de overcapaciteit verder toenemen. Dit zet de exploiteerbaarheid, diversiteit en continuïteit van accommodaties en organisaties onder druk.
· Op lange termijn wordt het steeds moeilijker (of duurder) om een gespreid en compleet basisvoorzieningenpakket in de kernen overeind te houden. Uitzondering is de sterk groeiende markt van seniorenvoorzieningen; hier ligt de uitdaging om een organisatorisch en betaalbaar aanbod te creëren voor de toenemende, veranderende vraag.
· De noodzakelijke vernieuwingen in het voorzieningenaanbod bieden de mogelijkheid om het aanbod een impuls in kwaliteit en diversiteit te geven en hiermee het voorzieningenaanbod beter aan te laten sluiten bij de toekomstige, veranderende vraag.
1.7Transformatieopgave
Duidelijk is dat Zeeuws-Vlaanderen voor een uitdagende transformatieopgave staat ten aanzien van de voorzieningen. De demografische veranderingen zijn ingrijpend en nopen tot een kwantitatieve veranderopgave voor de voorzieningen. Daarnaast zorgt een aantal autonome ontwikkelingen voor een veranderende behoefte aan voorzieningen, waarbij kwaliteit en diversiteit in voorzieningen steeds belangrijker worden.
Daar komt bij dat er reeds sprake is van overcapaciteit c.q. onderbezetting van voorzieningen; dit komt door de gespreide voorzieningenstructuur. Bij ongewijzigd beleid zal dit verder toenemen, vooral voor de voorzieningen voor jeugd en volwassenen. De geografische en cultuurhistorische context maakt de bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen complex.
Om in 2030 ook nog een robuuste voorzieningenstructuur te hebben, die aansluit bij de behoefte van de inwoners van Zeeuws-Vlaanderen, zal een aantal veranderingen doorgevoerd moeten worden. De transformatieopgave ligt op een aantal vlakken, waarbij een evenwicht gevonden zal moeten worden in een tweetal dilemma’s.
Dilemma 1: Evenwicht in capaciteit en bereikbaarheid
Bij de planning en spreiding van de voorzieningen zal gekeken moeten worden naar enerzijds de capaciteit (kwantitatieve aansluiting van het aanbod bij de vraag c.q. het terugdringen van de overcapaciteit), waarvoor een opschaling noodzakelijk is én anderzijds de bereikbaarheid van voorzieningen. De (reis)afstanden tot de basisvoorzieningen zullen mede bepalend zijn voor de planning en spreiding van voorzieningen. Hier een goed evenwicht in vinden is één van de uitdagingen in Zeeuws-Vlaanderen.
Dilemma 2: Evenwicht in vernieuwing en behoud.
Het betreft evenwicht vinden tussen een aantal autonome, maatschappelijke ontwikkelingen en de bijbehorende veranderende vraag enerzijds en de cultuurhistorische bepaalde focus in Zeeuws-Vlaanderen op het gewenste beeld van de autonome kernen en daarbij behorende decentrale voorzieningenstructuur anderzijds.
2Mogelijke scenario’s
2.1Inleiding
In dit hoofdstuk worden de scenario’s geschetst die ontwikkeld zijn ten behoeve van het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen. De keuze voor de scenario’s is gebaseerd op:
· Analyses uit de inventarisatiefase;
· Resultaten en input uit de burgerparticipatie;
· Bespreking in de projectgroep en gemeentelijke werkgroepen.
Uiteindelijk zijn vier scenario’s ontwikkeld. Deze verschillen van elkaar in de mate waarin zij inspelen op de dilemma’s van de transformatieopgave. Onderstaand is schematisch aangegeven waar de vier scenario’s zich bewegen in de beide dilemma’s.
Figuur 34: Dilemma’s scenario’s
2.2Beschrijving scenario’s
Hieronder een korte beschrijving van de verschillende scenario’s.
2.2.1 Scenario 1: Zelfstandige voorzieningen per kern
Scenario 1 gaat uit van behoud van zelfstandige voorzieningen op kernniveau.
Figuur 35: Scenario 1 Behoud zelfstandige voorzieningen op kernniveau (bron: Politiek Online)
Behoud van bestaande voorzieningen op kernniveau
In dit scenario beschikt (nagenoeg) elke kern over een breed aanbod aan (basis)voorzieningen. Beschikbaarheid van voorzieningen is het centrale uitgangspunt in dit scenario. Het behoud van een decentrale voorzieningenstructuur is het antwoord op de ontwikkelingen die zich voordoen.
Kleine, zelfstandige voorzieningen
Kernen hebben elk hun eigen aanbod aan voorzieningen. De voorzieningen zijn kleinschalig van opzet. Het zijn veelal solitaire voorzieningen, clustering van voorzieningen vindt niet of nauwelijks plaats. Elke kern beschikt min of meer over hetzelfde aanbod aan (basis)voorzieningen; er is daarmee weinig diversiteit in het aanbod.
Afstemming en samenwerking
De gemeente speelt een belangrijke rol in de instandhouding van het voorzieningenniveau. Publiekprivate samenwerking vindt niet of nauwelijks plaats, voorzieningen zijn vooral een gemeentelijke aangelegenheid.
Ook samenwerking en afstemming tussen de kernen vindt nauwelijks plaats; kernen zijn vooral “autonoom en zelfvoorzienend”. Het dagelijks leven speelt zich veelal af binnen de kern, alleen voor grotere, specifieke voorzieningen zijn inwoners van kleine kernen aangewezen op de grotere, omliggende kernen. Openbaar vervoer met lijndiensten en buurtbussen die alle kernen met elkaar verbinden passen in dit scenario.
Inzet vrijwilligers
Voorzieningen worden gerund door vrijwilligers en verenigingen die gebruik maken van de accommodaties. Zonder de inzet van”de gemeenschap” is het niet mogelijk om het decentrale voorzieningenaanbod in stand te houden.
Focus en financiën
In dit scenario wordt veel tijd, geld en energie gestoken in de instandhouding van het decentrale voorzieningenaanbod. Dit laat weinig tot geen ruimte voor investeringen in de kwaliteit of uitbreiding van het aanbod.
2.2.2 Scenario 2: Clustering op kernniveau
Dit scenario gaat uit van clustering van voorzieningen en een transformatie van voorzieningen op kernniveau.
Figuur 36: Scenario 2: Clustering van voorzieningen op kernniveau (bron; Politiek Online)
Doorgaan op eerder ingeslagen weg van clustering
In dit scenario worden voorzieningen nog altijd op kernniveau aangeboden, maar wordt de reeds (voorzichtig) ingeslagen weg van clustering van voorzieningen op kernniveau doorgezet. In dit scenario vormt vergaande clustering en samenwerking op kernniveau het antwoord op de ontwikkelingen die zich voordoen.
Multifunctionele voorzieningen op kernniveau
Zoveel mogelijk kernen beschikken over een (kleine) kwalitatief hoogwaardige, multifunctionele voorziening. Dit is dé plek van waaruit allerhande activiteiten en diensten worden aangeboden en waar inwoners elkaar ontmoeten.
Voorzieningen in grotere kernen (bijvoorbeeld grotere sport- en cultuurclusters) worden ook door inwoners uit de kleine, omliggende kernen gebruikt. Openbaar vervoer met lijndiensten en buurtbussen afgestemd op gebruikstijden van de grotere voorzieningen passen in dit scenario.
Samenwerking en afstemming
Partijen werken binnen de clustervoorzieningen nauw met elkaar samenwerken, zowel inhoudelijk als organisatorisch. Ook tussen de (buur)kernen en gemeenten vindt in toenemende mate afstemming plaats over het (geclusterde) aanbod. Waar mogelijk wordt het aanbod op elkaar afgestemd.
De onderlinge samenwerking en afstemming moet onderlinge concurrentie voorkomen en de exploiteerbaarheid en continuïteit van voorzieningen verbeteren. Ook moet het voorkomen dat tijd, geld en moeite wordt geïnvesteerd in voorzieningen met (te) beperkte exploitatiemogelijkheden of levensvatbaarheid.
Inzet vrijwilligers
Voorzieningen worden gerund door vrijwilligers en verenigingen. De gemeente ondersteund hen hierin. Zonder inzet van “de gemeenschap” is het niet mogelijk om het geclusterde, decentrale voorzieningenaanbod in stand te houden.
Focus en financiën
Dit scenario borduurt verder op de reeds ingeslagen lijn van clustering, maar vraagt om een investering in het bestaande voorzieningenaanbod. Het gaat vooral om een investering in de samenvoeging en vernieuwing van voorzieningen; in uitbreiding van het aanbod wordt niet of nauwelijks geïnvesteerd.
Investeringen komen vooral van de gemeente. Publiekprivate samenwerking vindt in dit scenario niet of nauwelijks plaats.
2.2.3 Scenario 3: Herschikking van voorzieningen
Dit scenario gaat uit van een herschikking van voorzieningen en een transformatie van de bestaande voorzieningenstructuur.
Figuur 37: Scenario 3: Herschikking van voorzieningen (bron: Politiek Online)
Evenwicht in vraag/aanbod en bereikbaarheid voorzieningen
In dit scenario worden voorzieningen steeds minder op kernniveau en steeds meer op gemeentelijk, centraal niveau aangeboden. Het streven is een voorzieningenaanbod dat past bij de aard en omvang van het verzorgingsgebied. Beschikbaarheid en nabijheid zijn niet het leidende principe, maar bereikbaarheid en evenwicht in vraag en aanbod voeren de boventoon in dit scenario.
Grote omvang verzorgingsgebieden
In dit scenario zullen niet-rendabele voorzieningen (op termijn) verdwijnen. Het aantal voorzieningen zal afnemen en voorzieningen – veelal op gemeentelijk niveau georganiseerd – krijgen een groter verzorgingsgebied. Zij vervullen een rol voor meerdere kernen.
Voor de grote kernen betekent dit dat voorzieningen een groter verzorgingsgebied krijgen en een rol vervullen voor meerdere, omliggende kernen. Voor de kleine kernen betekent dit dat (de meeste) voorzieningen zullen verdwijnen; het verzorgingsgebied van deze voorzieningen is eenvoudigweg te klein om de voorzieningen in stand te kunnen houden.
Dit scenario gaat uit van een grote mate van automobiliteit van de inwoners. Openbaar vervoer en doelgroepenvervoer worden geïntegreerd en op gemeentelijk en regionaal niveau afgestemd op de groepen die niet automobiel zijn.
Inzet op behoud ontmoetingsfunctie op kernniveau
Idealiter is wel een (multifunctionele) voorziening op kernniveau beschikbaar waar ontmoeting en dienstverlening kan plaatsvinden, vooral voor kwetsbare groepen of inwoners met een beperkte actieradius. Het draagt bovendien bij aan de leefbaarheid en sociale samenhang binnen de kern. Of dit haalbaar is, is afhankelijk van de vraag naar zo’n voorziening (draagvlak) en de afstand naar zo’n voorziening in een andere, grotere kern (bereikbaarheid).
Afstemming en samenwerking
In de beleids- en planvorming rondom voorzieningen wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het aanbod in de andere gemeenten en voorzieningen in het Belgische achterland. Op gemeentelijk en regionaal niveau vindt afstemming plaats, teneinde onderlinge concurrentie en (onnodige) kosten te voorkomen.
Clustering en multifunctioneel ruimtegebruik
Net als in scenario 2 is in dit scenario sprake van clustering van voorzieningen en multifunctioneel ruimtegebruik. Op gemeenteniveau ontstaat een kwalitatief hoogwaardig aanbod aan voorzieningen. Voor zover voorzieningen in kleine kernen (kunnen) worden behouden, worden ook deze geclusterd. Het gaat dan vooral om functionele clustering of clustering rondom een bepaalde doelgroep.
Inzet vrijwilligers
Dit scenario vraagt om een meer professionele wijze van beheer en exploitatie. Dit komt omdat de complexiteit van het beheer toeneemt en inwoners zich minder betrokken voelen bij de grotere, kernoverstijgende accommodaties en dus minder bereid zijn om zich hiervoor (structureel) in te zetten. Waar mogelijk wordt wel gebruik gemaakt van vrijwilligers; dit geldt zeker voor eventuele voorzieningen op kernniveau. Vrijwilligerswerk zal meer rondom organisatie van activiteiten plaatsvinden.
Focus en financiën
Dit scenario vraagt om een investering in het voorzieningenaanbod, vooral in de kwaliteit, de bereikbaarheid en het beheer van voorzieningen. In de instandhouding van het bestaande voorzieningenaanbod wordt juist minder geïnvesteerd.
Investeringen komen vooral van de gemeente, maar gemeenten zoeken nadrukkelijk de samenwerking met private en maatschappelijke partijen (voorzieningen op gemeentelijk niveau) en de burgers (voorzieningen op kernniveau).
2.2.4 Scenario 4: Voorzieningenstructuur op de schop
Dit scenario gaat uit van het opnieuw inrichten van de voorzieningenstructuur. De bestaande voorzieningenstructuur gaat op de schop.
Figuur 38: Scenario 4: Voorzieningen op de schop (bron: Politiek Online)
Efficiëntie en evenwicht in regionale vraag/aanbod
In dit scenario worden voorzieningen niet langer op kernniveau of zelfs op gemeentelijk niveau aangeboden. Het aanbod aan voorzieningen wordt regionaal vormgegeven, waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met het aanbod in België. Dit scenario speelt in op de ontwikkelingen die zich voordoen door een zeer efficiënte inrichting van de voorzieningenstructuur én verregaande verandering van het aanbod.
Centralisatie, opschaling en capaciteitsfocus
Het uitgangspunt is centralisatie van voorzieningen en een focus op de benodigde capaciteit. Er vindt maximale opschaling en clustering van voorzieningen plaats. Voorzieningen worden zoveel mogelijk in de hoofdkernen gerealiseerd, hebben een relatief groot verzorgingsgebied en vervullen een gemeentelijke of zelfs regionale rol. Reizen om gebruik te maken van deze voorzieningen is normaal. Openbaar vervoer en doelgroepenvervoer worden geïntegreerd en op gemeentelijk, regionaal en internationaal niveau afgestemd op de groepen die niet automobiel zijn.
Voorzieningen waar (te) weinig vraag naar is of waarvoor goede alternatieven zijn ook in België), zullen verdwijnen. Dat betekent dat kleine en middelgrote kernen niet langer over voorzieningen beschikken; dit worden zogenaamde woondorpen.
In dit scenario wordt zwaar ingezet op opschaling, vernieuwing en verbetering van de kwaliteit van het aanbod. Nieuwe technologieën moeten “dienstverlening op afstand” mogelijk maken, vooral voor kwetsbare groepen of groepen met een beperkte actieradius (bijvoorbeeld ouderen). Zeeuws-Vlaanderen wil zich met haar voorzieningenaanbod nadrukkelijk profileren, ook buiten de regio (bijvoorbeeld als vooruitstrevende zorgregio door gecombineerde zorg/toerisme concepten).
Afstemming en samenwerking
Tussen de verschillende gemeenten vindt nadrukkelijk samenwerking plaats. Ook met Belgische gemeenten vindt afstemming plaats. Het gebruik van voorzieningen in België door inwoners van Zeeuws-Vlaanderen wordt gestimuleerd. Dat geldt ook voor het openbaar vervoersysteem.
Er wordt sterk ingezet op publiekprivate samenwerking, vooral op het gebied van sport, leisure en zorg. De geclusterde voorzieningen kennen daardoor een hoge kwaliteit en professionaliteit.
Inzet van vrijwilligers
Vrijwilligers spelen geen rol in beheer en exploitatie van de voorzieningen, dit is professioneel georganiseerd. De inzet van vrijwilligers is wel gewenst, maar is naar verwachting onvoldoende om de grootschalige, complexe voorzieningen te runnen. De aard van het vrijwilligerswerk zal verschuiven, van structureel naar incidenteel en van gericht op exploitatie van een accommodatie naar gericht op het aanbieden van activiteiten.
Focus en financiën
Dit scenario vraagt om investeringen in het de centralisatie van voorzieningen en de verbetering van de kwaliteit en diversiteit van het aanbod. In de instandhouding van voorzieningen op kernniveau wordt niet geïnvesteerd.
Wel moet worden geïnvesteerd in de fysieke en digitale bereikbaarheid van voorzieningen; mensen wonen immers relatief ver bij de (basis)voorzieningen vandaan. Ook in het beheer van de accommodaties moet worden geïnvesteerd; dit scenario vraagt om professioneel beheer.
2.3Uitwerking/vergelijking scenario’s
In de volgende paragrafen worden de vier scenario’s op een aantal onderdelen uitgewerkt. De volgende onderdelen komen aan bod:
· Toekomstig aanbod: Hoe ziet het toekomstig aanbod aan voorzieningen er in de verschillende scenario’s uit?
· Toekomstige vraag: In hoeverre sluiten de verschillende scenario’s aan bij de toekomstige vraag naar voorzieningen? Randvoorwaarden: Wat zijn belangrijke randvoorwaarden voor de verschillende scenario’s?
Telkens wordt een korte beschrijving van het onderdeel gegeven en worden de vier scenario’s vergelijkend naast elkaar gepresenteerd. In de bijlagen zijn verdere uitwerkingen ter onderbouwing opgenomen.
2.3.1 Toekomstig aanbod
In deze paragraaf volgt een beschrijving van hoe het toekomstig aanbod aan voorzieningen er in de verschillende scenario’s uitziet. Het gaat dan om het aanbod in termen van schaalniveau/spreiding, beschikbaarheid en bereikbaarheid, capaciteit, regionale samenwerking en aard van het voorzieningenaanbod.
Schaalniveaus en spreiding
Zoals aangegeven is de spreiding van de voorzieningen een belangrijk thema in het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen. Onderstaand schema geeft weer hoe hier per scenario invulling aan wordt gegeven.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Schaalniveaus
Het voorzieningenaanbod blijft
Het voorzieningenniveau blijft
Het voorzieningenniveau is
Het voorzieningenniveau is
en spreiding
kern-/gemeentegeoriënteerd.
kern-/gemeentegeoriënteerd.
gemeente-/regiogeoriënteerd.
regiogeoriënteerd.
Er is geen wisselwerking met
Er is zeer beperkte
Er vindt afstemming plaats op
De planning van voorzieningen
andere gemeenten, de regio en
wisselwerking binnen de regio.
gemeentelijk en mogelijk ook
vindt plaats op de schaal van
België.
Voorzieningen blijven decentraal
regionaal niveau.
Zeeuws-Vlaanderen.
De huidige decentrale
aanwezig.
Ook wordt rekening gehouden
Zeeuws-Vlaanderen is daarnaast
voorzieningenstructuur blijft in
Er vindt maximale clustering op
met het aanbod in de Belgische
sterk georiënteerd op het
tact.
kernniveau plaats.
grensstreek.
Belgische achterland.
Voorzieningen blijven zoveel als
Hierbij worden per kern(-type)
Er wordt gekozen voor een
De basisvoorzieningen worden
mogelijk in alle kernen
verschillende clusters ingericht.
duidelijk getrapte
zoveel mogelijk opgeschaald.
aanwezig.
Waar clustering plaatsvindt is
voorzieningenstructuur, waarbij
In de kleine kernen zijn geen
Er is weinig diversiteit in
sprake van vernieuwing/
voorzieningen op het (qua
voorzieningen meer aanwezig.
voorzieningenniveaus. Nagenoeg
kwaliteitsverbetering in het
vraag-aanbod) meest optimale
In de middelgrote kernen zijn de
alle kernen van dezelfde omvang
aanbod.
schaalniveau/verzorgingsgebied
basisvoorzieningen aanwezig.
hebben hetzelfde
In het totale aanbod aan
gerealiseerd worden.
Zoveel als mogelijk worden de
voorzieningenaanbod.
voorzieningen vindt geen extra
Op kernniveau vindt zoveel
voorzieningen in de hoofdkernen
Beschikbaarheid is dominant
toevoeging van nieuwe
mogelijk clustering van
aangeboden.
uitgangspunt in het
voorzieningen op gemeentelijk
voorzieningen plaats.
Voor de voorzieningen met een
voorzieningenbeleid.
regionaal niveau plaats.
Met name op gemeentelijk en
draagvlak van ca. 100.000
Beschikbaarheid is het
regionaal niveau bestaat ruimte
inwoners wordt gekozen voor
dominante uitgangspunt in het
voor een kwaliteitsimpuls en
een centralisatie op één plek in
voorzieningenbeleid met een
toevoeging van nieuwe
de regio.
beperkte optimalisering in de
voorzieningen.
Capaciteit is het dominante
capaciteit door de clustering op
Evenwicht in bereikbaarheid en
uitgangspunt in het
kernniveau.
capaciteit is het centrale
voorzieningenbeleid.
uitgangspunt in het
voorzieningenbeleid.
Aantal kernen naar type voorzieningenniveau
Afhankelijk van welke uitgangspunten ten aanzien van spreiding en schaalniveau worden gehanteerd, verandert de aard en omvang van het voorzieningenaanbod per kern in meer of mindere mate. Sommige kernen ontwikkelen zich van basiskern naar woonkern, andere kernen ontwikkelen zich van basiskern naar hoofdkern, afhankelijk van welk scenario wordt gevolgd.
Onderstaande figuur geeft deze verschuivingen voor heel Zeeuws-Vlaanderen weer (indicatief). Hierbij is uitgegaan voor een volledige doorontwikkeling van het betreffende scenario in 2030. De indeling in scenario 1 is conform is de huidige situatie, aangezien er geen wijzigingen worden aangebracht in de voorzieningen(structuur).
Hieruit blijkt dat met name in scenario 3 en 4 de voorzieningenstructuur fundamenteel wijzigt. In scenario 1 en 2 wordt behoud van voorzieningen in alle kernen nagestreefd, ongeacht de omvang van de verzorgingsgebieden; in scenario 3 en 4 wordt uitgegaan van een voorzieningenstructuur die aansluit bij verzorgingsgebieden van voldoende omvang. Het aantal woonkernen (kernen zonder voorzieningen of alleen een ontmoetingsfunctie) neemt in scenario 3 en 4 dan ook duidelijk toe. In deze scenario’s vindt clustering “over de kernen heen” plaats, veelal in grotere kernen. Het gevolg is dat het aantal voorzieningen, zeker in de kleine kernen, afneemt.
Figuur 39: Aantal kernen naar type voorzieningenniveau
Onder-
deel
Scenario 1 (= gelijk aan huidige
situatie)
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
De volgende tabel geeft bovenstaande in aantallen per gemeente weer. Ook hier is weer uitgegaan van een volledige doorontwikkeling van het betreffende scenario.
Figuur 40: Aantal kernen naar type voorzieningenniveau per gemeente
Gemeente
Type kern naar voorzieningenniveau
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Hulst
Hoofdkern
1
1
1
1
Middelkern
4
4
3
2
Basiskern
6
5
2
1
Woongemeenschap
2
3
7
9
Sluis
Hoofdkern
1
1
1
1
Middelkern
5
5
4
3
Basiskern
8
4
2
3
Woongemeenschap
1
5
8
8
Terneuzen
Hoofdkern
2
2
2
1
Middelkern
8
8
4
3
Basiskern
1
0
2
1
Woongemeenschap
2
3
5
8
Zeeuws
Hoofdkern
5
5
5
3
Vlaanderen
Middelkern
16
16
10
8
Basiskern
15
9
6
5
Woongemeenschap
5
11
20
25
Beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen
Hierboven is aangegeven hoe de voorzieningenstructuren in de verschillende scenario’s per gemeente transformeren. In navolging daarvan wordt ook de beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen in iedere kern anders. Dit kan worden weergegeven in zogenaamde beschikbaarheids- en bereikbaarheidsprofielen:
Het beschikbaarheidprofiel schetst het voorzieningenpakket dat in een type kern aanwezig is in een bepaald scenario; naarmate de rode taartpunt groter is, hoe meer van dat type voorzieningen aanwezig is binnen de kern;
Het bereikbaarheidprofiel schetst de bereikbaarheid van voorzieningen vanuit een type kern aan de hand van de afstand over de weg die afgelegd moet worden naar een voorziening als die niet in de kern aanwezig is; hoe minder rood de taartpunt is, des te groter de afstand is die inwoners moeten afleggen.
Hieronder geven we beide profielsoorten voor de verschillende type kernen en per scenario weer. Voor de woongemeenschappen zijn geen taartdiagrammen gemaakt aangezien in deze kernen geen voorzieningen (meer) aanwezig zijn, behoudens een horecavoorziening en/of een ontmoetingspunt. Uit de diagrammen blijkt dat de scenario’s met name verschillen in de beschikbaarheid van voorzieningen in de basiskernen en de middelkernen. Scenario’s 1 en 2 zetten zwaar in op behoud van voorzieningen in de basiskernen; scenario 3 heeft de meeste voorzieningen voor ontmoeting, senioren en kinderen in de basiskernen en andere voorzieningen op relatief korte afstand beschikbaar; voor scenario 4 geldt dat voor voorzieningen (verder) gereisd moet worden.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Basiskernen*
Een basiskern heeft vrijwel alle
soorten voorzieningen in de kern.
Zwembaden, consultatiebureaus,
zorg en culturele voorzieningen zijn
op grotere afstand aanwezig.
Ontmoeting, sport, kinderopvang,
peuterspeelzaal en onderwijs zijn
geclusterd aanwezig in de basiskernen.
Elke basiskern heeft (afhankelijk van de
mogelijkheden tot clustering) een eigen
gezicht. Kwaliteit en diversiteit zijn de
uitgangspunten voor clustering.
Seniorenontmoeting en jeugdontmoeting
zijn in de kern aanwezig. Culturele
voorzieningen, consultatiebureau,
jongerencentrum en zwembaden zijn
vaak op grotere afstand aanwezig.
Basiskernen hebben een beperkt
voorzieningenpakket, vooral gericht
op ontmoeting (horeca, dorpshuis),
senioren en kinderen. Ouderen zullen
mogelijkheden voor dagbesteding in
het eigen dorp vinden. Het
basisonderwijs en peuterspeelzaal is
in de basiskernen aanwezig, indien
de reisafstand naar een middelkern
te ver is. De andere kindfuncties en
sport zijn in middelkernen binnen 5
kilometer bereikbaar.
Basiskernen bestaan in dit scenario
bijna niet meer. De voorzieningen
worden op een hoger schaalniveau
aangeboden of de kern ontwikkelt
zich als woongemeenschap.
Alleen een ontmoetingspunt is in
deze kernen nog aanwezig. Voor de
basisvoorzieningen voor kinderen
en senioren kan men terecht
binnen vijf kilometer. Voor de
andere voorzieningen moet men
verder reizen.
Beschikbaarheidsprofiel
Beschikbaarheidsprofiel
Basiskern – scenario 1
Basiskern – scenario 2
Basiskern – scenario 3
Basiskern – scenario 4
___________________________________________________________________
* Basiskernen zijn kernen met een volledig (basis)voorzieningenpakket (enkelvoudig onderwijs, kindvoorzieningen, binnen- en/of buitensport en welzijn/ontmoeting)
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Middelkernen*
Dorpshuis, basisschool,
kinderopvang, sport, zwembad, zorg,
jongerencentrum, culturele
voorzieningen zijn allemaal in de
middelkernen aanwezig. Aanvullend
op het pakket in de basiskernen is:
een bredere pakket sociaal cultureel
en kindfuncties, zorgfuncties en her
en der een buitenzwembad en
culturele voorzieningen.
In de middelkernen is een compleet
pakket geclusterde basisvoorzieningen
aanwezig (kindfuncties, sociaal
cultureel, sport). Ook zijn zorgfuncties
aanwezig, alsmede sommige culturele
functies (bibliotheeksteunpunten,
podia voor amateurverenigingen)
Voor consultatiebureau, zwembad en
culturele voorzieningen reist men naar
de hoofdkernen.
In dit scenario ontwikkelen de
middelkernen zich tot de kernen met
het basisvoorzieningenpakket voor
een verzorgingsgebied van meerdere
kernen (kindfuncties, sportfuncties,
zorgfuncties) voorzieningenpakket.
Alleen zwembad, cultureel centrum
en podiumfuncties tref je er niet
aan. Maar wel bibliotheekfuncties, bij
voorkeur in integrale kindcentra.
De middelkernen hebben
voorzieningen op het terrein van
ontmoeting, onderwijs, sport en
zorg. Wat betreft de culturele
voorzieningen wordt alleen nog in
een dorpshuis voorzien. Zwembaden,
nieuwe type sportvoorzieningen,
culturele voorzieningen,
jongerencentra en consultatiebureau
zijn mogelijk op meer dan 15 km
afstand (in de hoofdkernen).
Aanwezigheidsprofiel
Bereikbaarheidsprofiel
Middelkern – scenario 1
Middelkern – scenario 2
Middelkern – scenario 3
Middelkern – scenario 4
* Middelkernen zijn kernen met een uitgebreid voorzieningenniveau (een of meerdere onderwijs- en kindfuncties, sport- en sociaal-culturele voorzieningen, meerdere zorgvoorzieningen)
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Hoofdkernen*
Hoofdkernen blijven de centrale
voorzieningenkernen met het compleet
(gemeente georiënteerd)
voorzieningenaanbod.
Ook in dit scenario blijven de
hoofdkernen de centrale
voorzieningenkernen van de gemeente.
Hoofdkernen hebben een belangrijke
centrumfunctie voor de meeste
voorzieningen. De hoogwaardige
culturele en sport/leisurevoorzieningen
zullen niet in elke hoofdkern aanwezig
zijn, maar zijn op regionale schaal afgestemd.
In de hoofdkernen is een compleet
voorzieningenpakket aanwezig. Dit is
echter wel regionaal afgestemd. Dit
betekent dat bepaalde meer
hoogwaardige voorzieningen niet
meer in alle gemeenten aanwezig
zijn, maar regionaal beschikbaar.
B.v. zwembad, podiumfuncties,
leisure, ziekenhuis. De verschillende
kernen hebben daarbij een eigen
regionaal profiel (Terneuzen b.v.
leisure, podium, ziekenhuis), de
hoofdkernen in de andere gemeenten
(met name recreatie, cultuurhistorie,
of verblijfszorg).
Hoofdkern – scenario 1
Hoofdkern – scenario 2
Hoofdkern – scenario 3
Hoofdkern – scenario 4
* Hoofdkernen zijn kernen met een compleet voorzieningenniveau (alle type voorzieningen, vaak meervoudig aanwezig)
Wijzigingen in (over)capaciteit
Eén van de opgaven in het Masterplan voorzieningen is het in evenwicht brengen van vraag en aanbod qua capaciteit. Op dit moment is reeds sprake van een forse overcapaciteit die de continuïteit van voorzieningen organisatorisch en financieel onder druk zet; deze druk zal verder toenemen door de ontwikkelingen die zich voordoen.
Onderstaande tabel geeft aan hoe de verschillende scenario’s hier op inspelen. Per scenario wordt een korte omschrijving gegeven en wordt een aantal indicatieve capaciteitsnormen genoemd die als leidraad dienen bij de (toekomstige) capaciteitsbepaling.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Capaciteit (evenwicht vraag aanbod)
De forse overcapaciteit neemt nog verder toe, aangezien gekozen blijft worden voor beschikbaarheid op kernniveau als dominant uitgangspunt.
Met name voor de jeugdfuncties zal door de ontgroening de overcapaciteit fors toenemen.
De overcapaciteit neemt licht af
(mede door multifunctioneel
ruimtegebruik) maar blijft
bestaan door de keuze voor een
gespreid aanbod met name voor
de onderwijs- en
jeugdvoorzieningen, die veelal
kleinschalig op kernniveau
worden aangeboden.
De capaciteit wordt in evenwicht
gebracht met de vraag.
Door een opschaling van de
basisvoorzieningen naar de
middelgrote kernen wordt de
huidige versnipperde
overcapaciteit weggewerkt.
Bovendien kan, door zoveel als
mogelijk in te zetten op
multifunctioneel gebruik van
accommodaties, wijzigingen in
de vraag ook gemakkelijk
opgevangen worden.
Er blijft een lichte overcapaciteit
bestaan doordat de
bereikbaarheid ook nog
meegewogen wordt in de
planning en dus op enkele
plekken nog in kleine kernen
voorzieningen blijven bestaan
De capaciteit wordt in
evenwicht gebracht met de
vraag.
Door een maximale
opschaling van voorzieningen
wordt de huidige
versnipperde overcapaciteit
weggewerkt en (kwantitatief)
op maat gemaakt voor de
behoefte in 2030.
Indicatie
capaciteitsnormen*
(min. benodigde
omvang voor
instandhouding/
planning nieuw
aanbod)
Basisschool: 3 groepen
Kdv: 0,5 groep
BSO: 0,5 groep
Psz: 0,5 groep
Voetbal:1,5 grasveld
Tennis: 2 verlichte banen
Binnensport: 1 zaaldeel
Basisschool: 4 groepen
·Kdv: 1 groep
·BSO: 1 groep
·Psz: 1 groep
·Voetbal: 2 grasvelden
Tennis: 3 verlichte banen
·Binnensport: 1 zaaldeel
Basisschool: minimal 6 groepen
en bij voorkeur 8 groepen
Kdv: 1,5- 2 groepen
BSO: 1,5- 2 groep
Psz: 1,5- 2 groepen
Voetbal: 3 grasvelden
Tennis: 6 verlichte banen
Binnensport: 2 zaaldelen
Basisschool: 16 groepen
Kdv: 2 groepen
BSO: 2 groep
Psz: 2 groepen
Voetbal: 4 grasvelden
Tennis: 8 verlichte banen
Binnensport: 3 zaaldelen
* De gehanteerde normen zijn geen absolute “opheffingsnormen”o.i.d., maar een planningsleidraad voor de instandhouding, clustering en vernieuwing van het voorzieningenaanbod. Bovendien zal door samenvoeging van twee “te kleine” voorzieningen, één voorziening van voldoende omvang overblijven en de facto dus slechts één voorziening verdwijnen.
Onderstaand is een indicatie gegeven van de te verwachten (over)capaciteit per scenario, uitgaande van de geschetste kernprofielen (beschikbaarheid en bereikbaarheid) en bovenstaande indicatieve capaciteitsnormen. Ook hier zijn we weer uitgegaan van volledige doorwerking van een scenario in 2030. De capaciteitsbepaling is weergegeven voor de basisvoorzieningen waarvan het huidig gebruik en bezetting in beeld is.
Figuur 41: Veranderingen in overcapaciteit in relatie tot huidige overcapaciteit
Figuur 42: Veranderingen in overcapaciteit per type voorzieningen in relatie tot huidige overcapaciteit
Over-/ondercapaciteit
2010
2030
huidig
scenario 1
scenario 2
scenario 3
scenario 4
Basisonderwijs
10%
14% (toegenomen)
8%
2%
0%
Kinderdagverblijf
41%
43% (toegenomen)
42% (toegenomen)
9%
0%
Buitenschoolse Opvang
49%
51% (toegenomen)
50% (toegenomen)
0%
0%
Peuterspeelzaal
9%
13% (toegenomen)
11% (toegenomen)
3%
0%
Binnensport
15%
27% (toegenomen)
21% (toegenomen)
3%
0%
Voetbal
22%
26% (toegenomen)
21%
5%
0%
Tennis
40%
43% (toegenomen)
36%
13%
0%
Rood = toegenomen overcapaciteit t.o.v. huidige situatie
Hieruit blijkt dat de overcapaciteit in scenario 1 en 2 in stand blijft en zelfs nog verder toeneemt. Dit komt omdat gekozen wordt voor behoud van een decentrale voorzieningenstructuur en daarmee (te) kleine (en bovendien krimpende!) verzorgingsgebieden voor de voorzieningen. Er zijn te weinig mensen (met name jeugd en jongeren) om de voorzieningen een goede bezetting te kunnen geven. In scenario 3 wordt de overcapaciteit nagenoeg weggewerkt. In dit scenario blijft een geringe overcapaciteit over om een goede bereikbaarheid in het gehele verzorgingsgebied te kunnen garanderen. In scenario 4 is de gehele overcapaciteit weggewerkt, aangezien de capaciteit van de voorzieningen in dit scenario passend gemaakt wordt op het verzorgingsgebied, ongeacht de afstand tot de voorzieningen.
Regionale samenwerking en planning
De voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen zijn van oudsher gemeentegeoriënteerd ingericht. Rekening houdend met de ontwikkelingen die zich voordoen, zal in de toekomst een bredere blik gehanteerd (moeten) worden en rekening gehouden (moeten) worden met de omliggende gebieden. De regio Zeeuws-Vlaanderen, de drie gemeenten en de kernen daarbinnen vormen geen geïsoleerde gemeenschappen (meer). In onderstaande tabel is aangeven in hoeverre binnen de verschillende scenario’s regionaal wordt samengewerkt, hoe de wisselwerking met België is en welke profiel Zeeuws-Vlaanderen als geheel ontwikkelt.
Hieruit blijkt dat scenario’s 1 en 2 uitgaan van een op zichzelf staand voorzieningenniveau per gemeente en zelfs per kern. Het voorzieningenniveau in deze scenario's is traditioneel van karakter; de inwoners van Zeeuws-Vlaanderen (en zelfs van de betreffende kern) vormen dé doelgroep voor de voorzieningen. In scenario 3 vindt nauwe samenwerking tussen de gemeenten plaats en waar mogelijk ook op regionaal niveau. In scenario 4 vindt nadrukkelijk regionale afstemming en samenwerking plaats en wordt optimaal ingespeeld op de mogelijkheden in België; de aanwezigheid van voorzieningen in België wordt nadrukkelijk meegenomen in de planning van voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen. De regio Zeeuws-Vlaanderen profileert zich in dit laatste scenario op specifieke onderdelen of thema’s, zoals zorg, toerisme of leisure.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Regionale
samenwerking
Er vindt nauwelijks regionale
afstemming plaats. In feite
blijven de drie (nagenoeg)
identieke, gemeentelijke,
voorzieningenstructuren in
stand.
Er vindt slechts beperkt afstemming
in de regio plaats. Iedere gemeente
richt zijn eigen voorzieningenstructuur
in op basis van de lokale behoefte.
Er vindt gemeentelijke en
regionale afstemming plaats.
Tussen de drie gemeenten
worden afspraken gemaakt over
de realisatie en inhoudelijke
programmering van
voorzieningen.
In dit scenario wordt de
voorzieningenstructuur
regionaal gepland en
gerealiseerd.
Hierbij vindt ook verregaande
samenwerking met de
Belgische regio plaats.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Wisselwerking met
België
In dit scenario wordt België nog
altijd als een “blanco gebied”
beschouwt.
De trek naar kindvoorzieningen
in België wordt als ongewenst
beschouwd. Getracht wordt door
concurrentie kinderen in de
eigen kernen te behouden.
In dit scenario wordt beperkt
ingespeeld op de voorzieningen
in België. In principe gaat dit
scenario ervan uit dat de Zeeuws
Vlamingen in hun eigen kern een
voldoende kwalitatief aanbod
vinden, waarmee zij niet meer
naar België gaan.
Dit geldt voor de
basisvoorzieningen en ook voor
de meer hoogwaardige
voorzieningen
In dit scenario wordt in de
planning en spreiding van het
aanbod aan voorzieningen
rekening gehouden met de
aanwezigheid en gebruik van
voorzieningen in België.
Dit geldt voor de
kindvoorzieningen in de
grensstreek, maar ook voor de
meer hoogwaardige
voorzieningen op het gebied van
cultuur en hoger onderwijs.
Op het gebied van leisure
toerisme en recreatie worden
mensen uit België getrokken.
Dit scenario zet sterk in op
de mobiliteit van Zeeuws
Vlamingen naar de
(hoogwaardige)
voorzieningen in Belgische
achterland.
Optimaal wordt geprofiteerd
van de aanwezigheid van
deze voorzieningen zowel in
de grensstreek (voor de
basisvoorzieningen) als voor
de meer hoogwaardige
voorzieningen op onderwijs,
zorg etc..
Op het gebied van leisure
toerisme en recreatie worden
mensen uit Belgie getrokken.
Profiel Zeeuws-
Vlaanderen
Zeeuws-Vlaanderen profileert
zich in dit scenario als het
traditionele platteland. De
kwaliteit van kleine kernen, met
daarbij behorende traditioneel,
kleinschalig voorzieningenniveau
is het handelsmerk.
Zeeuws-Vlaanderen profileert
zich in dit scenario als een
“kwaliteitsplattelandsgebied”.
De voorzieningenstructuur is
weliswaar gemeentegericht en
vooral gericht op
basisvoorzieningen, maar relatief
hoogwaardig ingericht.
In dit scenario profileert
Zeeuws-Vlaanderen zich als
regio met een compleet en
modern maatschappelijk
voorzieningenpakket.
Op verschillende schaalniveaus
is een diversiteit aan
maatschappelijke voorzieningen
met een regionaal karakter.
Voor de meeste voorzieningen
hoeft de Zeeuws Vlaming zijn
regio (behalve naar de
grenskernen in België) niet uit.
Voor topvoorzieningen geldt dat
wel; hiervoor wordt gebruik
gemaakt van het Belgisch
achterland.
Andersom trekt Zeeuws-
Vlaanderen bezoekers met
innovatieve voorzieningen,
passend bij het unieke karakter
van Zeeuws-Vlaanderen. Denk
aan toerisme, recreatie,
cultuurhistorie en zorg.
In dit scenario profileert
Zeeuws-Vlaanderen zich
vooral als een regio met
kwaliteitsvoorzieningen in de
toeristische/leisuresfeer.
Het basisaanbod is uiteraard
aanwezig in de gemeenten,
maar daarnaast wordt vooral
geïnvesteerd in centrale
hoogwaardige voorzieningen.
Met name op het grensvlak
toerisme/leisure zal Zeeuws-
Vlaanderen bezoekers van
buiten trekken.
Voor hoogwaardige
maatschappelijke
voorzieningen (onderwijs,
zorg en cultuur) wordt juist
zoveel mogelijk gebruik
gemaakt van voorzieningen
in België.
Aard van het voorzieningenaanbod
De opgave voor Zeeuws-Vlaanderen ligt zoals eerder aangegeven niet alleen in de kwantitatieve match tussen vraag & aanbod en evenwicht in spreiding & bereikbaarheid. Van belang is ook dat het toekomstig aanbod aansluit bij de veranderende vraag van de (toekomstige) inwoners van Zeeuws-Vlaanderen. De opgave ligt dus ook op aspecten als kwaliteit, diversiteit, clustering/samenhang en de inzet op nieuwe technologieën. In onderstaande tabel is aangegeven hoe hier in de verschillende scenario’s op wordt ingezet.
Het is duidelijk dat scenario 1 voor slechts weinig vernieuwing of kwaliteitsverbetering zorgt; alles is gericht op behoud van een traditioneel, decentraal aanbod. In scenario 2 vindt wel vernieuwing en verbetering plaats, maar wel “op de oude leest geschoeid”; het bestaande aanbod wordt geclusterd en vernieuwd, er is echter weinig ruimte voor toevoeging van nieuwe functies of uitbreiding van het aantal/soort functies. Ook dit scenario is vooral gericht op instandhouding van een voorzieningenaanbod op kernniveau. In scenario 3 en 4 wordt de voorzieningenstructuur opnieuw ingericht, waardoor ook (financiële) ruimte ontstaat voor diversiteit in het aanbod en nieuwe type voorzieningen.
2.3.3 Toekomstige vraag/behoefte
In deze paragraaf volgt een beschrijving van hoe de verschillende scenario’s aansluiten op de toekomstige vraag naar voorzieningen binnen Zeeuws-Vlaanderen. Achtereenvolgens staan we stil bij de aansluiting op de veranderende vraag als gevolg van de demografische opgave, maatschappelijke ontwikkelingen en beleidsmatige ontwikkelingen (met name op het gebied van Wmo, welzijn, zorg). De opgave voor Zeeuws-Vlaanderen is te komen tot een aanpassing van de voorzieningenstructuur zodat aan de veranderende, kwantitatieve en kwalitatieve behoefte van de inwoners van Zeeuws-Vlaanderen kan worden voldaan. In onderstaande tabel staat aangegeven op welke wijze de verschillende scenario’s inspelen op deze ontwikkelingen.
Demografische opgave
De demografische ontwikkeling is een belangrijke aanleiding voor het nieuwe beleid ten aanzien van voorzieningen. Hierbij gaat het om krimp van de bevolking, maar vooral ook de veranderende samenstelling van de bevolking.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Demografische
ontwikkeling
Dit scenario speelt niet in op de
demografische ontwikkelingen.
Er wordt niet actief geanticipeerd
op de veranderende
bevolkingssamenstelling.
Het geringe draagvlak voor de
voorzieningen in de kleine
kernen kalft verder af.
Gevaar bestaat dat sommige
voorzieningen (m.n. voor de
jeugd) uiteindelijk
noodgedwongen moeten sluiten
vanwege te weinig gebruik.
Dit scenario speelt beperkt in op
de demografische ontwikkeling.
Door clustering en
multifunctioneel ruimtegebruik
wordt getracht vraag en aanbod
inhoudelijk op elkaar af te
stemmen, met name voor
senioren.
De demografische veranderingen
zullen echter, gecombineerd met
de keuze voor een decentraal
voorzieningenaanbod,
desondanks in de kleine kernen
voor druk op het
voorzieningenaanbod voor met
name jeugd en volwassenen
zorgen.
Dit scenario speelt optimaal in
op de demografische
veranderingen.
Vraag en aanbod van met name
de jeugd- en
volwassenenvoorzieningen
worden in evenwicht gebracht.
Voor de groeiende groep actieve
senioren wordt een divers
pakket aan voorzieningen op
verschillende schaalniveaus
ingericht.
Dit scenario speelt optimaal
in op de demografische
veranderingen.
Vraag en aanbod van met
name de jeugd- en
volwassenenvoorzieningen
worden in evenwicht
gebracht.
Voor de groeiende groep
actieve senioren wordt een
vernieuwd pakket aan
voorzieningen ingericht,
alhoewel dit niet sterk
decentraal aanwezig is.
Maatschappelijke ontwikkelingen
De behoefte aan voorzieningen verandert als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen die zich voordoen. Voorbeelden zijn de veranderende sociale structuren, verdergaande individualisering en andersoortig behoefte/gebruik van voorzieningen. Ook de eerder genoemde ontwikkeling van autonome naar regionale ingebedde woonkernen kan als voorbeeld worden genoemd.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Maatschappelijke
ontwikkelingen
(sociale structuren/
individualisering/
ontwikkeling van
autonome kernen
naar woonkernen)
Dit scenario zet in op de nog
aanwezige sociale
structuur/gemeenschapszin op
kernniveau.
Uitgegaan wordt van een
blijvende gerichtheid op de
kern.
Gemeente en lokale
gemeenschap zetten hier sterk
in op behoud en versterking
van de traditionele, lokale
structuren/verenigingen etc.
Er wordt niet van uitgegaan
dat inwoners voor
(basis)voorzieningen zich
steeds meer regionaal
oriënteren.
Dit scenario gaat uit van
ontmoeting en sociale cohesie op
kernniveau.
Er is nog sociale cohesie in de
kern, waarbij de voorzieningen
een essentiële rol spelen.
Clustering van voorzieningen op
kernniveau moet dit optimaal
ondersteunen en tegelijkertijd
tegemoet komen aan de
veranderende, individuele vraag
van de “moderne
dorpsbewoner”, die immers
kwaliteit vraagt en het liefst alles
onder één dak treft.
Ook in dit scenario wordt sterk
uitgegaan van het autonome
dorp.
Dit scenario gaat er vanuit dat de
basiskernen zich verder van
autonome naar regionaal
ingebedde woondorpen
ontwikkelen.
Mensen zijn bereid om naar een
centrale kern te gaan voor de
diverse voorzieningen.
Sociale samenhang op kernniveau
is minder rondom voorzieningen,
maar meer rondom activiteiten
georganiseerd. Het gebruik van
voorzieningen is meer individueel
bepaald.
De inzet/actiebereidheid van de
lokale gemeenschap in de
totstandkoming van voorzieningen
is groot, in de instandhouding
echter beperkt.
Dit scenario gaat uit van een
verregaande individualisering
en ontwikkeling van
consumentisme.
Mensen zijn bereid om ver te
reizen als het aanbod maar
hoogwaardig is en
professioneel gerund.
De lokale sociale cohesie,
verenigingsleven en
vrijwilligerswerk op
kernniveau wordt in dit
scenario niet ondersteund
vanuit een kerngericht
collectief aanbod, maar zal
vooral vanuit (individuele)
belangenbehartiging
plaatsvinden.
Veranderende
behoefte
Dit scenario voorziet niet in de
behoefte van de individuele,
moderne consument, die
vooral voor kwaliteit en
diversiteit kiest, maar sluit
meer aan bij de traditionele
vraag naar
gemeenschapsvoorzieningen.
Ook sluit dit scenario niet goed
aan bij de veranderende
behoefte van ouderen,
aangezien het
voorzieningenaanbod
onvoldoende vernieuwd/
aangepast wordt voor gebruik
door deze groeiende
doelgroep.
Dit scenario speelt in op de
veranderende behoefte van de
dorpsbewoner, die nog gericht is
op de eigen kern, maar daar wel
een kwalitatief goed aanbod wil
krijgen.
Voor de senioren wordt een
decentraal aanbod gerealiseerd,
alhoewel hoogwaardige, nieuwe
type voorzieningen voor
senioren minder gemakkelijk
gerealiseerd worden.
De moderne, individualistische
consument wordt minder goed
bediend, aangezien er geen
uitbreiding van het
voorzieningenpalet plaatsvindt.
De vernieuwing in het aanbod in
dit scenario sluit aan bij de
toenemende vraag naar kwalitatief
hoogwaardige voorzieningen van
de moderne consument, die ook
professioneel geëxploiteerd
worden.
Op de veranderende vraag van de
senioren wordt goed ingespeeld
met een divers aanbod.
De vernieuwing in het
aanbod in dit scenario sluit
aan bij de toenemende vraag
naar kwalitatief
hoogwaardige voorzieningen
van de moderne consument,
die ook professioneel
geëxploiteerd worden.
Op de veranderende vraag
van de senioren wordt goed
ingespeeld met een divers
aanbod.
Voor de minder mobiele en
kwetsbare groepen sluit dit
scenario minder goed aan.
Beleidsontwikkelingen
Vanuit beleidsoogpunt zijn vooral de ontwikkelingen op het gebied van de Wmo en zorg van belang voor het Masterplan Voorzieningen. Daarin staan twee lijnen centraal: versterken van de Civil Society, waarbij gemeenschapszin, vrijwilligerswerk en mantelzorg versterkt wordt;
. Kanteling van de zorg naar welzijn/ondersteuning, waarbij taken zoals begeleiding – die uit de AWBZ overkomen naar de gemeente – op een meer collectieve, integrale en preventieve leest geschoeid zullen moeten worden om de toenemende vraag naar professionele ondersteuning aan te kunnen. Professionele dienstverlening zal dan vooral complementair/ondersteunend aan de “eigen kracht”van mensen en hun omgeving moeten zijn.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Inspelen op Wmo/
ontwikkelingen
WWZ
Dit scenario zet sterk in op de
lokale gemeenschappen en
vrijwilligerswerk in de kernen.
Mensen zorgen voor elkaar en
voor hun dorp.
Voorzieningen en activiteiten zijn
op het voor de mensen bekende
schaalniveau (kern)
georganiseerd, waardoor
mensen ook eerder bereid zullen
zijn om te investeren in hun
sociale omgeving.
Vraag is in hoeverre de
Professionele ondersteuning/activiteiten op dit
versnipperde schaalniveau
kwalitatief en kwantitatief
voldoende kan worden ingevuld.
In dit scenario wordt een evenwicht gezocht tussen enerzijds de civil society en anderzijds de vernieuwing in het professionele aanbod.
Voorzieningen en diensten zijn nog zoveel mogelijk decentraal op het schaalniveau van de leefgemeenschappen aanwezig.
Door een verregaande clustering en integratie kan daarnaast de professionele ondersteuning geoptimaliseerd worden, die aansluit bij de lokale gemeenschappen.
Ook hier geldt wel de vraag of de
versnipperde spreiding in het
professionele aanbod (b.v.
verpleeghuiszorg) over relatief
kleine verzorgingsgebieden op
termijn houdbaar is.
In dit scenario wordt ervan
uitgegaan dat op kernniveau de
civil society wordt vormgegeven
via een dienstenaanbod/
activiteitenaanbod, dat aansluit
bij andere leefbaarheidaspecten
dan voorzieningen (kwaliteit van
woonomgeving. sociale cohesie
etc.), die immers op een hoger
schaalniveau zijn georganiseerd.
De professionele ondersteuning
is geïntegreerd/ geclusterd en
ondersteunt/ stimuleert vanuit
het hogere schaalniveau
decentraal inde kleine kernen de
lokale gemeenschappen.
Dit scenario gaat uit van een
complementair aanbod van
“eigen kracht”van burgers en
sociale verbanden en de
professionele ondersteuning.
In dit scenario wordt de civil
society niet ondersteund
vanuit het
voorzieningenaanbod
De voorzieningen zijn los
georganiseerd van de
woongemeenschappen op
relatief verre afstand.
Versterking van de sociale
cohesie zal dan ook vooral
vanuit de woonomgeving
georganiseerd worden.
De inzet van professionele
ondersteuning zal in dit
scenario ook groter (moeten)
zijn, omdat de mensen dit
ook verlangen én de
vrijwilligersinzet niet
optimaal wordt ondersteund.
2.3.4 Randvoorwaarden
Deze paragraaf bevat een toelichting op een aantal randvoorwaarden en de mate waarin de verschillende scenario’s hierop inspelen. Achtereenvolgens gaan we in op mobiliteit, financiën en de betrokkenheid van verschillende partijen.
Mobiliteit
Mobiliteit is een belangrijk thema in Zeeuws-Vlaanderen en daarmee ook in het Masterplan Voorzieningen. In onderstaande tabel staat aangegeven welke opgave er op het gebied van (openbaar) vervoer in de verschillende scenario’s ligt. Hierbij is uitgegaan van het gegeven dat 90% van de bevolking in Zeeland volledig automobiel is (zoals blijkt uit het onderzoeksrapport ‘Leefbaarheid’ van Scoop) en het feit dat de totale bevolkingsomvang van Zeeuws-Vlaanderen en van de individuele woonkernen te klein is om een volwaardig en fijnmazig openbaar vervoerssysteem te kunnen realiseren en exploiteren. Uitgegaan is dus van de inrichting van het openbaar vervoer als een aanvullend vervoerssysteem; een systeem vooral gericht op doelgroepen die niet automobiel zijn en dat klaarstaat voor anderen als zij er een beroep op doen.
Uit de analyse blijkt dat scenario 1 en 2 niet voor aanvullende verkeersstromen zullen zorgen, vanwege het decentrale voorzieningenaanbod; voorzieningen zijn – net als nu het geval is – op relatief korte afstand beschikbaar. In scenario 3 en vooral in scenario 4 zullen mensen wel meer of verder moeten reizen voor (een deel van) de voorzieningen. In scenario 3 gaat het om relatief geringe afstanden naar de naastgelegen (middel)kern (binnen 5 kilometer); in scenario 4 gaat het om langere afstanden.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Mobiliteit
In dit scenario blijven de
voorzieningen decentraal
beschikbaar en zullen er dus
weinig wijzigingen in de
mobiliteitssystemen nodig zijn.
De verkeerstromen zijn door de
versnippering over de kernen en
de demografische krimp ook te
gering om een impuls te geven
aan een OV-netwerk.
Veelal wordt het vervoer door de
mensen individueel op
kernniveau opgelost (auto).
Daarnaast is (professioneel)
doelgroepvervoer aanwezig.
In dit scenario blijven de
voorzieningen decentraal
beschikbaar en zullen er dus
weinig wijzigingen in de
mobiliteitssystemen nodig zijn.
De verkeerstromen zijn door de
versnippering over de kernen en
de demografische krimp te
gering om een impuls te geven
aan een OV-netwerk.
Veelal wordt het vervoer door de
mensen collectief op kernniveau
opgelost (vrijwillig
dorpsvervoer).
Aanvullend is doelgroepvervoer
aanwezig.
In dit scenario zal voor de
voorzieningen (over beperkte
afstand) gereisd moeten worden
naar de naastgelegen
(middel)kern.
Door de logische clustering op
één aantal plekken kan hierop
een kleinschalig openbaar
vervoersysteem ingericht
worden (integraal doelgroep-
vervoer op geclusterde routes).
Aanvullend zullen de mensen het
vervoer zelf regelen door middel
van auto en/of fiets. Daar waar
mogelijk wordt door de mensen
collectief rondom activiteiten het
vervoer geregeld.
Goede (en veilige) fiets en auto-
verbindingen tussen de kernen
zijn van belang.
In dit scenario zal voor de
voorzieningen veel gereisd
moeten worden.
Gezien de geringe omvang
van de verkeersstromen bij
100.000 inwoners is een
uitgebreid OV-netwerk niet
haalbaar.
Gezocht zal worden in een
combinatievorm van
individueel vervoer,
maatvervoer (busjes) en OV.
De individuele consument
neemt in dit scenario veelal
de auto.
Snelle verbindingen naar de
hoofdkernen zijn van belang.
Financiën
Uiteraard zijn de financiële aspecten van de scenario’s ook van belang. De financiële haalbaarheid hangt af van de economische spankracht van de betreffende gemeente en haar partners, de keuzes die door de gemeente worden gemaakt (prioritering binnen de begroting) en de mogelijkheden die zich voordoen. Het is daarom niet of nauwelijks mogelijk om vooraf een gedetailleerde en betrouwbare kostenraming te maken. In algemene zin (dus zonder concrete bedragen te noemen), kan wel worden aangegeven waar in welk scenario in wordt geïnvesteerd en in hoeverre de kosten naar verwachting toe- of afnemen ten opzichte van de huidige situatie.
Onderstaande figuur geeft de ontwikkelingen van de kosten indicatief weer. Per scenario is aangegeven in hoeverre de kosten zich positief of negatief ontwikkelen ten opzichte van de huidige situatie (rode lijn). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
· Totstandkominglasten (investeringen bij nieuw- en verbouw); Instandhoudinglasten (onderhoudskosten);
· Beheer- en exploitatielasten (energie, klein onderhoud, personeel, opbrengsten horeca, etc.) Kosten voor aanvullende mobiliteitsvoorzieningen.
Figuur 43: Indicatie van verschillende kosten in relatie tot huidige kosten
Uit deze figuur blijkt het volgende:
· Scenario 1 relatief lage investeringslasten met zich meebrengt, maar tot hogere kosten voor instandhouding zorgt. Ook de kosten voor beheer en exploitatie zullen – ondanks de inzet van vrijwilligers – enigszins toenemen; dit hangt samen met het decentrale aanbod en de beperkte exploitatiemogelijkheden van de accommodaties (kleine verzorgingsgebieden, lage bezetting door overcapaciteit). Ten aanzien van mobiliteit zijn geen aanvullende investeringen nodig.
· Scenario 2 hoge investeringslasten en hoge instandhoudingkosten kent; er wordt veel geïnvesteerd in de realisatie van nieuwe clusters die op kernniveau in stand worden gehouden. De kosten voor beheer en exploitatie nemen verder toe; vergeleken met scenario 1 nemen met name de personeelskosten enigszins toe (professionele ondersteuning van de vrijwilligers). Aanvullende investeringen op het gebied van mobiliteit zijn niet nodig.
· Scenario 3 vraagt om veel investeringen, maar leidt tot lagere instandhoudingkosten. De kosten voor beheer en exploitatie blijven min of meer gelijk met de huidige situatie. Enerzijds nemen de kosten toe doordat werkzaamheden (gedeeltelijk) door professionals worden ingevuld, anderzijds nemen de kosten voor beheer en exploitatie af doordat het aanbod aan accommodaties afneemt (volume) en de exploitatiemogelijkheden beter worden. In dit scenario zal geïnvesteerd moeten worden in (kleinschalige) vervoersvoorzieningen.
· Scenario 4 kent ook hoge investeringslasten, maar leidt (op termijn) tot lagere kosten voor instandhouding van voorzieningen. De exploitatielasten per voorzieningen zullen per saldo toenemen; enerzijds nemen de kosten toe door de inzet van professionals, anderzijds nemen de kosten af door de afname van het aantal accommodaties en de betere exploitatiemogelijkheden. De investeringen in mobiliteitsvoorzieningen zijn in dit scenario relatief hoog.
In bijlage 2 is een toelichting voor de verschillende kostensoorten per scenario opgenomen.
Betrokkenheid van partijen
Niet alleen de gemeenten spelen een rol bij de totstandkoming en instandhouding van voorzieningen; ook maatschappelijke partners, commerciële partijen en ‘de gemeenschap’ hebben hierin een rol, ook in financiële zin. In onderstaande tabel is aangegeven wat van welke partijen wordt verwacht in ieder scenario.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Gemeente
Met name de gemeente zal in dit
scenario de kosten dragen voor
de voorzieningenstructuur
De gemeente is in dit scenario
vooral faciliterend en gericht op
instandhouding van de
voorzieningen.
Met name de gemeente zal in dit
scenario de kosten dragen voor
de voorzieningenstructuur
De gemeente is in dit scenario
sturend, met name in het
doorvoeren van de gewenste
clustering.
De gemeente zal in dit scenario,
samen met maatschappelijke
partners als zorginstelling,
onderwijsinstelling en
woningcorporaties, de kosten
dragen, zowel in de
investeringen in de
multifunctionele clusters in de
(middel)grote kernen als in de
instandhoudings- en
beheerlasten.
De gemeente is in dit scenario
coördinerend, met name in het
herschikken van de
voorzieningen over de
verschillende schaalniveaus.
De gemeente zal in dit
scenario, samen met
maatschappelijke partners
als zorginstelling,
onderwijsinstelling en
woningcorporaties, een groot
deel van de kosten dragen,
zowel in de investeringen in
de multifunctionele clusters
in de (middel)grote kernen
als in de instandhoudings- en
beheerlasten.
De gemeente heeft in dit
scenario een procesrol, met
name in de tot standkoming
van vernieuwingen.
Samenwerkings-
partners
In dit scenario zijn er niet veel
samenwerkingspartners voor de
gemeente. De gemeente blijft
grotendeels alleen
verantwoordelijk voor de
voorzieningen en subsidieert en
ondersteunt de lokale
gemeenschap en het
verenigingsleven.
Door het ontbreken van
vernieuwingen zijn mogelijke
maatschappelijke partners
(woningcorporaties,
schoolbesturen, zorginstellingen)
moeilijker te interesseren voor
gezamenlijke investeringen.
De private sector is in dit
scenario niet in beeld.
Woningcorporaties,
zorginstellingen en
onderwijsinstellingen zijn
logische partners bij de
ontwikkeling van de geclusterde
voorzieningen.
De vraag is wel of deze partners
een decentraal voorzieningen-
aanbod in relatief kleine
verzorgingsgebieden kunnen/
willen blijven bekostigen.
De private sector is nauwelijks
beperkt in beeld. Voorzieningen
blijven een gemeentelijke
aangelegenheid
Woningcorporaties,
zorginstellingen en
onderwijsinstellingen zijn
logische partners bij de
ontwikkeling van de
multifunctionele centra én de
decentrale ontmoetingspunten
voor senioren.
De schaalniveaus in dit scenario
sluiten immers goed aan bij de
schaalniveaus waarop deze
partners voorzieningen
exploitabel kunnen aanbieden.
Bij de totstandkoming en beheer
en exploitatie van de
(boven)regionale voorzieningen
in de sport en leisure sfeer
kunnen (beperkt) particuliere
partijen betrokken worden.
Woningcorporaties,
zorginstellingen en
onderwijsinstellingen zijn
logische partners bij de
ontwikkeling van de
multifunctionele centra in de
middelgrote en hoofdkernen.
De totstandkoming en beheer
en exploitatie van de
(boven)regionale
voorzieningen in de sport en
leisure sfeer worden bij
voorkeur aan particuliere
partijen overgelaten.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Gemeenschap
In dit scenario wordt veel
gevraagd van de lokale
gemeenschap. In feite bepaalt
de lokale gemeenschap in de
kern of er voldoende draagvlak
blijft voor de instandhouding van
de voorzieningen in de kern.
Indien de gemeenschap dit niet
(meer) kan opbrengen zullen
voorzieningen verdwijnen.
De gemeenten ondersteunen de
bestaande sociale structuren in
de kernen zoveel als mogelijk
hierbij.
De lokale
gemeenschap/vrijwilligersinzet
zal in dit scenario een
belangrijke rol spelen.
Door ontmoeting, samenwerking
en clustering zal de
gemeenschapszin versterkt
worden en het draagvlak
vergroot worden voor het actief
bijdragen aan de totstandkoming
en instandhouding van (nieuwe)
voorzieningen op kernniveau.
De gemeenten stimuleren dit
door facilitering van de
vernieuwing en versterking van
de sociale structuur in de
kernen.
Van de lokale
gemeenschap/vrijwilligers wordt
in dit scenario minder verwacht.
De multifunctionele centra
worden professioneel gerund.
Sociale samenhang vindt met
name plaats rondom de woon-
en leefbaarheiditems in de
kernen en incidenteel bij de
totstandkoming of vernieuwing
van voorzieningen.
Gebruik van voorzieningen is
veelal individueel bepaald, al
wordt wel een beroep gedaan op
de lokale gemeenschappen om
gezamenlijke vervoerssystemen
naar de omliggende kernen te
ondersteunen en activiteiten te
initiëren.
De gemeenten zet gericht in op
versterking van de
gemeenschapszin rondom
activiteiten/diensten en minder
rondom accommodaties.
In dit scenario wordt weinig
verwacht van de lokale
gemeenschappen/
vrijwilligers.
Het gebruik van de
voorzieningen is individueel
bepaald. De mensen zijn
gebruikers/consumenten van
voorzieningen, geen
(co)producenten.
De gemeenten zetten niet in
op versterking van de sociale
structuren rondom de
voorzieningen.
3Beoordeling van de scenario’s
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk vindt de beoordeling van de vier scenario’s plaats. Gekeken wordt in hoeverre de verschillende scenario’s aansluiten bij de opgave die er voor Zeeuws-Vlaanderen ligt. Allereerst geven we een korte toelichting op de criteria die zijn gehanteerd. Daarna volgt een samenvattende beoordeling en een advies. Overigens is geen weging toegekend aan de verschillende criteria (weging = 1). In bijlage 3 is een uitgebreide toelichting op de beoordeling gegeven.
3.2Beoordelingscriteria
De volgende criteria zijn gehanteerd:
1Aansluiting op demografische opgave: de mate waarin wordt ingespeeld op ontwikkelingen als bevolkingsafname, ontgroening, vergrijzing.
2Aansluiting op maatschappelijke ontwikkelingen: de mate waarin wordt ingespeeld op (autonome) ontwikkelingen als (verdergaande) individualisering, (verdere) opkomst 24-uurs economie, afname/wijziging vrijwilligerswerk, ontwikkeling van autonome naar regionaal ingebedde woondorpen en de daarmee veranderende behoefte van inwoners;
3Bereikbaarheid: de mate waarin voorzieningen bereikbaar zijn voor (potentiële) bezoekers en beoogde doelgroepen uitgaande van het huidige mobiliteitsbeleid;
4Sociale samenhang: mate waarin en wijze waarop de sociale samenhang binnen de gemeenschappen op kernniveau worden ondersteund door de voorzieningen(structuur);
5Flexibiliteit: het vermogen om adequaat in te kunnen spelen op een (veranderende) vraag van (veranderende) doelgroepen;
6Samenwerking: de mate waarin initiatieven aan de (regionale) markt en/of maatschappelijke partners kunnen worden overgelaten.
7Financiële robuustheid: het vermogen om (financiële) risico’s te verminderen door aanvullende inkomsten te genereren en/of kosten te besparen in de realisatie en/of de exploitatie van accommodaties;
8Innovatief vermogen: de mate waarin vernieuwing bewerkstelligd kan worden en/of het vermogen ontstaat om veranderingen door te voeren;
9Kwaliteit: de mate waarin de kwaliteit van accommodaties en dienstverlening voldoende geborgd zijn;
10Continuïteit: de mate waarin het voortbestaan c.q. de openstelling van accommodaties en dienstverlening geborgd kan worden;
11Beleid: de mate waarin de gemeentelijke (wmo) beleidsdoelstellingen worden gerealiseerd;
12Onderscheidend vermogen: mate waarin aansluiting ontstaat bij de specifieke (geografische en cultuurhistorische) situatie van Zeeuws-Vlaanderen en mogelijkheid om Zeeuws-Vlaanderen te profileren.
13Draagvlak: de mate waarin het scenario (naar verwachting) aansluit bij de wensen en ideeën van maatschappelijke partners en inwoners van Zeeuws-Vlaanderen, uitgaande van de bijeenkomsten die in het kader van dit Masterplan Voorzieningen hebben plaatsgevonden.
3.3Beoordeling
Onderstaande tabel geeft de beoordeling per scenario op de genoemde criteria weer. Er is geen weging toegekend aan de criteria; alle hebben evenzeer in de beoordeling meegewogen.
In “stoplicht kleuren” (rood= slecht, oranje = redelijk, groen = goed) is aangegeven hoe het scenario scoort op het betreffende criterium, met daaronder een korte beschrijving van de beoordeling. Bijlage 3 bevat een uitgebreide toelichting op de beoordeling.
Scenario 1
Dit scenario kan als zeer zwak beoordeeld worden het oogpunt van toekomstbestendigheid.
Scenario 1 speelt in zijn geheel niet in op de opgave waar Zeeuws-Vlaanderen voor staat. Er wordt geen rekening gehouden met de kwantitatieve en kwalitatieve veranderingen in de vraag. De aanwezigheid van voorzieningen wordt weliswaar als centraal uitgangspunt overeind gehouden, maar aan items als kwaliteit, diversiteit, flexibiliteit, samenwerking en een veranderende behoefte wordt geen invulling gegeven. De overcapaciteit neemt verder toe en de verhouding vraag-aanbod raakt verder uit balans, waardoor de continuïteit van voorzieningen organisatorisch en financieel zwaar onder druk komt te staan. Zodra “de bodem onder het voorzieningenniveau wegvalt”, zullen voorzieningen verdwijnen zonder dat hiervoor een alternatief is.
Scenario 2
Dit scenario is op de lange termijn onvoldoende robuust om antwoord te geven op de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen die zich voordoen in Zeeuws-Vlaanderen.
Scenario 2 probeert een evenwicht te vinden in de geschetste dilemma’s capaciteit/bereikbaarheid en behoud/vernieuwing. Hoewel hiermee een optimalisatieslag ten opzichte van de huidige situatie plaatsvindt, hinkt het scenario (te) zeer op twee gedachten: er wordt veel vernieuwd en geïnvesteerd, maar de overcapaciteit en versnippering blijft bestaan. Mede hierdoor kan geen goede invulling gegeven worden aan innovatie en diversiteit en vindt slechts een beperkte kwaliteitssprong plaats. De financiële continuïteit is zwak te noemen, doordat enerzijds wel moet worden geïnvesteerd, maar anderzijds de overcapaciteit blijft bestaan en er onvoldoende aansluiting wordt gezocht bij een veranderende vraag.
Scenario 3
Dit scenario kan als toekomstbestendig worden beoordeeld. Het complete en evenwichtige aanbod zorgt voor de noodzakelijke vernieuwingen, zonder dat radicaal afscheid wordt genomen van belangrijke waarden als bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen op redelijke afstand.
Scenario 3 vindt een goed evenwicht binnen de dilemma’s. Rekening wordt gehouden met een aantal specifieke kenmerken en kwaliteiten van Zeeuws-Vlaanderen, terwijl tevens een vernieuwingsslag wordt gemaakt waarmee actief kan worden ingespeeld op de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen in Zeeuws-Vlaanderen. Het scenario speelt in op de veranderende vraag en de (regionale) oriëntatie van mensen voor voorzieningen binnen de regio. Vraag en aanbod worden zowel kwantitatief als kwalitatief in evenwicht gebracht, hetgeen financiële en organisatorische continuïteit biedt. Het vraagt wel om de nodige investeringen, zowel in de realisatie en het beheer van voorzieningen als de bereikbaarheid ervan. Er zal een impuls gegeven moeten worden aan doelgroepvervoer tussen de kernen.
Scenario 4
Dit scenario staat ver weg van de huidige situatie in Zeeuws-Vlaanderen en levert de grootste veranderopgave.
Scenario 4 zet zwaar in op de demografische en maatschappelijke veranderopgave, maar gaat daarbij voorbij aan de andere zijde van de dilemma’s en specifieke kenmerken van de Zeeuws Vlaamse situatie. Met name de bereikbaarheid en ondersteuning van de lokale samenhang komen in dit scenario onvoldoende uit de verf. Aan het hoogwaardige segment van voorzieningen wordt goed invulling gegeven, maar de basisvoorzieningen zijn (met name voor weinig mobiele groepen) letterlijk en figuurlijk op grote afstand aanwezig.
3.4Advies
Geadviseerd wordt om scenario 3 te kiezen als leidraad voor het voorzieningenbeleid in Zeeuws-Vlaanderen. Samenvattend kan gesteld worden dat scenario 3 het meest toekomstbestendig is en het beste invulling geeft aan de veranderingsopgave waar Zeeuws-Vlaanderen voor staat. Het borduurt voort op de eerder door gemeenten ingeslagen weg van clustering van voorzieningen en past nog altijd bij de historie en context van Zeeuws-Vlaanderen.
Scenario 3 vraagt wel om een nieuwe beleidsoriëntatie bij de planning en instandhouding van voorzieningen. Het idee dat “iedere kern zijn eigen pakket aan voorzieningen moet hebben”, wordt in dit scenario losgelaten. Evenwicht in vraag en aanbod, kwaliteitssprong, optimale schaalniveaus, diversiteit en financiële robuustheid zullen evenzeer moeten worden meegenomen in de beleidsafwegingen die worden gemaakt.
Een belangrijke nuancering is dat het scenario niet in een keer of op korte termijn hoeft te worden doorgevoerd. Het scenario kan al leidraad worden gezien voor toekomstige keuzes die worden gemaakt of als kompas dat de nieuwe koers voor voorzieningen aangeeft. Het idee van een voorzieningenstructuur zoals beschreven in scenario 3 is de zogenaamde stip op de horizon en wordt gezien als “een toekomstbestendige voorzieningenstructuur in 2030”.
4Leidraad implementatie
4.1Inleiding
In de vorige hoofdstukken is de opgave voor Zeeuws-Vlaanderen voor de komende jaren benoemd en is een aantal mogelijke scenario’s geschetst. Deze zijn uitvoerig beschreven en beoordeeld en op basis daarvan is scenario 3 door de projectgroep als ‘meest toekomstbestendig’ benoemd.
Dit scenario gaat uit van “transformatie van de bestaande voorzieningenstructuur en een herschikking van voorzieningen”. Dit biedt goede mogelijkheden om in te spelen op de veranderende vraag en ontwikkelingen die zich voordoen en haakt tegelijkertijd aan op belangrijke waarden als bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen, ook op lokaal niveau.
Ervan uitgaande dat dit scenario het toekomstbeeld c.q. de beleidslijn voor de komende jaren vormt (“de stip op de horizon”), gaan we er van uit dat het totale aanbod aan voorzieningen (in aantal en m²) op termijn afneemt (vooral in de kleine kernen), maar dat de kwaliteit, spreiding, diversiteit en exploiteerbaarheid van het voorzieningenaanbod als geheel juist toeneemt.
De grote vraag is hoe dat gerealiseerd kan worden, welke aanpak gehanteerd kan/moet worden, welke (concrete) mogelijkheden en aanknopingspunten zich voordoen en welke partijen nodig zijn in de verdere uitwerking. Want, zoals gesteld in de inleiding, het vaststellen van de stip op de horizon is “slechts het begin”.
In dit hoofdstuk een eerste leidraad voor de implementatie.
4.2Uitgangspunten voor beleid
Het vaststellen van een stip op de horizon wil niet zeggen dat een vooraf vastomlijnd eindplaatje wordt nagestreefd; het wil zeggen dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het betreffende scenario als vertrekpunt dienen voor de keuzes die worden gemaakt en de wijze waarop de voorzieningenstructuur in Zeeuws-Vlaanderen wordt ingericht. Het geeft de richting aan waarin het voorzieningenaanbod in Zeeuws-Vlaanderen zich de komende jaren zal ontwikkelen.
Scenario 3 als stip op de horizon betekent dat de volgende uitgangspunten leidend zijn in de beleids- en planvorming rondom maatschappelijke voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen:
· Streven naar evenwicht in (lokale) vraag en aanbod; Gemeentelijke en regionale planning en afstemming; Behoud van leefbaarheid op kernniveau;
· Clustering van voorzieningen en multifunctioneelf gebruik, ook op kernniveau;
· Kwalitatief goede en bereikbare voorzieningen; Investeren in “rendabele” voorzieningen.
4.3Gezamenlijke aanpak
Om zicht te krijgen op de kansen, mogelijkheden en knelpunten die zich voordoen, goede keuzes te kunnen maken én begrip te krijgen voor keuzes die gemaakt (moeten) worden, is het essentieel om maatschappelijke partijen, verenigingen en inwoners in de verdere uitwerking te betrekken.
Idealiter worden partijen en personen gericht benaderd en betrokken op het moment dat zich vraagstukken voordoen die voor hen relevant zijn of waar zij een rol in (kunnen) spelen. Daarnaast worden organisaties en inwoners bij voorkeur (periodiek) geïnformeerd en op de hoogte gehouden van ontwikkelingen die zich voordoen en keuzes die worden gemaakt. Dit voorkomt dat mensen onnodig worden belast, maar biedt hen wel de gelegenheid om te reageren en mee te denken. Het zorgt bovendien voor bewustwording en draagvlak. Het informeren en betrekken van partijen en personen is primair een gemeentelijke aangelegenheid, maar bij voorkeur trekken de gemeenten hierin wel gezamenlijk op.
Niet alleen met (maatschappelijke) organisaties, verenigingen en inwoners moet afstemming plaatsvinden, ook tussen de Zeeuws Vlaamse gemeenten onderling moet regelmatig afstemming plaatsvinden. Scenario 3 gaat immers uit van regionale afstemming van het voorzieningenaanbod en het voorkomen van onderlinge concurrentie. Daarnaast vragen zaken als bereikbaarheid en mobiliteit om een gemeenteoverstijgende aanpak. Bij voorkeur wordt een intergemeentelijk overlegorgaan ingericht (strategie, aanpak, voortgang, etc.) en wordt ook de besluitvorming door Colleges en Raden gedeeld/afgestemd. Tenslotte zal ook overleg gevoerd moeten worden met de gemeenten in de Vlaamse grensregio.
Het procesplan dat door de projectgroep Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen is opgesteld, gaat hier nader op in.
4.4Aanpak per beleidsveld
De verschillen per beleidsveld zijn groot en er doen zich in ieder beleidsveld andere ontwikkelingen voor. Elk beleidsveld vraagt om een eigen aanpak en biedt meer of minder mogelijkheden om (de uitgangspunten van) scenario 3 in praktijk te brengen.
Tijdens bijeenkomsten met de gemeentelijke werkgroepen en de bijeenkomsten met burgers en maatschappelijke partijen is gevraagd welke ontwikkelingen zich voordoen en in hoeverre op (lopende) initiatieven kan worden aangehaakt.
Hieruit blijkt dat er ‘al veel gebeurt’ en dat gemeenten bewust of onbewust op onderdelen al uitgangspunten uit scenario 3 hanteren in de beleids- of planvorming rondom voorzieningen. Ook in de visie en ambitie van inwoners en maatschappelijke partijen komen deze uitgangspunten in meer of mindere terug. Hieronder een beschrijving per beleidsveld.
Onderwijs en kinderopvang
Op het gebied van onderwijs doen zich diverse ontwikkelingen voor. Duidelijk is dat hier de komende jaren grote veranderingen optreden en dat de vraag sterk zal afnemen. Schoolbesturen staan voor de enorme opgave om de onderwijskundige kwaliteit van en diversiteit binnen het basisonderwijs te behouden en basisscholen bereikbaar te houden.
Schoolbesturen en andere betrokken partijen zijn zich hiervan bewust en hebben afgelopen jaar in opdracht van het Platform Primair Onderwijs Zeeland (PPOZ) het traject “Onderwijs Ons Goed” doorlopen. Conclusie van dit traject is dat het idee van “in iedere kern een basisschool (noodgedwongen) los moet worden gelaten”; een schaalsprong in het onderwijs is nodig. Er wordt nagedacht over “nieuwe creatieve schoolconcepten”, wet- en regelgeving, fusies en samenwerking. Als voorbeeld is genoemd, het ontstaan van samenwerkingsscholen in Biervliet en Sluiskil en de plannen rondom “uw nieuwe toekomst”, waarbij de mogelijkheden voor (verdere) samenwerking tussen het ROC en de Universiteit van Gent worden onderzocht.
Dit sluit naadloos aan bij (de uitgangspunten van) scenario 3 en moet worden aangegrepen om beide trajecten (verder) op elkaar aan te sluiten en aan concrete oplossingsrichtingen te werken.
Zoals ook al aangegeven in het PPOZ-rapport moet de aansluiting worden gezocht met andere kindfuncties, zoals kinderdagopvang en peuterspeelzaalwerk. Dit borduurt voort op de eerder ingezette en voorgestane lijn van verdergaande clustering en centralisatie van functies.
Tijdens de laatste bijeenkomst met maatschappelijke partijen werd door vertegenwoordigers van de kinderopvang nadrukkelijk aangegeven dat kinderopvang “de school volgt, maar dat opschaling wenselijk is”. Tijdens de gemeentelijke werkgroepen werd aangegeven dat “dit vooral vanuit de besturen moet komen” en dat de zeggenschap en sturingsmogelijkheden van de gemeente op onderwijs beperkt zijn.
Om schoolbesturen te stimuleren, zou een wijziging van het rijksbeleid wenselijk zijn; de bestaande ‘kleine scholen toeslag’ stimuleert besturen juist om kleine scholen in stand te houden. Dit sluit niet aan bij (de uitgangspunten van) scenario 3. Ook de grensoverschrijdende samenwerking is lastig vanwege de bestaande wet – en regelgeving (bijvoorbeeld in de financiering van scholen) en de onderlinge, culturele verschillen. Verschillende initiatieven zijn om die reden gestopt.
Zorg, ouderen en ontmoeting
Ook op het gebied van zorg en ouderen doen zich ontwikkelingen voor. De vraag naar voorzieningen voor ouderen en (eerstelijns) zorg nemen sterk toe, als gevolg van de sterke vergrijzing. Daar komt bij dat zich grote veranderingen voordoen in de financiering van de zorg en het takenpakket van gemeenten. De overheveling van taken uit de AWBZ naar gemeenten betekent dat een groter beroep op ondersteuning vanuit de Wmo door de gemeenschap en/of de gemeente zal worden gedaan.
Aan gemeenten, zorgaanbieders en maatschappelijke instellingen gezamenlijk de taak op hier op in te spelen. Om aan de toenemende vraag te kunnen voldoen (en betaalbaar te houden), wordt voorgesteld om nadrukkelijk de aansluiting te zoeken met welzijn- en ontmoetingsfuncties die op kernniveau worden aangeboden. Een proactieve aanpak in deze is gewenst. Dat biedt niet alleen goede mogelijkheden om aan de groeiende vraag van ouderen te voldoen, maar ook om de ontmoetingsfunctie op kernniveau in stand te kunnen houden.
Tijdens de laatste bijeenkomst met maatschappelijke partijen is het dilemma tussen “beschikbaarheid en aanwezigheid op kernniveau’” en “efficiëntie en continuïteit in dienstverlening” uitvoering aan bod geweest. Hoewel de dienstverlening op kernniveau niet verloren mag gaan, lijkt de focus duidelijk te liggen op het laatste. De aanwezigheid van fysieke zorgvoorzieningen op kernniveau is bovendien geen voorwaarde om wel dienstverlening op kernniveau te kunnen bieden; technologie kan uitkomst bieden, evenals een multifunctionele voorziening op kernniveau.
Een aantal (lopende) initiatieven dat tijdens de bijeenkomsten met de gemeentelijke werkgroepen en maatschappelijke partners is genoemd en aansluit bij (de uitgangspunten van) scenario 3:
· Bouw van multifunctionele centra, Brede Scholen en zorgclusters in verschillende kernen ter vervanging van een aantal bestaande accommodaties (bijvoorbeeld Breskens, Sint Jansteen, Terneuzen, Kloosterzande);
· Jongerenwerk dat gebruik maakt van bestaande (multifunctionele) voorzieningen in kernen waar geen voorzieningen voor jongeren is;
· Pilot integrale kindcentra waarbij niet alleen ruimtelijke samenwerking plaatsvindt, maar waarbij organisaties ook op bestuurlijk niveau samenwerken;
Sociaal cultureel plan voor de kern Axel;
Sport
Voor sport wordt voorgesteld om vooral aan te haken op mogelijkheden die zich voordoen en oplossingen te zoeken voor concrete problemen die zich voor (dreigen te) doen. Een meer reactieve houding vanuit de gemeenten is mogelijk.
Uiteraard zijn de demografische ontwikkelingen (op termijn) wel degelijk van invloed op het verenigingsleven en de sportdeelname. Verenigingen zullen in de problemen komen en (noodgedwongen) gaan samenwerken of fuseren. Op dat moment moeten betrokken partijen met elkaar om de tafel. Ook op het moment dat sportvoorzieningen worden ge- of verbouwd, moeten partijen (proactief) met elkaar om de tafel om de mogelijkheden te bespreken.
Tijdens de bijeenkomsten met de gemeentelijke werkgroepen en maatschappelijke partijen is de verwachting geuit dat dit “vanzelf gebeurt en de gemeente hier vooral niet al te hard in moet sturen.” Verenigingen “zoeken elkaar wel op als het moet”. Zo zien gemeenten ‘combinatieteams’ ontstaan en zijn verschillende verenigingen met elkaar in gesprek om de mogelijkheden voor samenwerking te bespreken. Tegelijkertijd zien zij ook onderlinge concurrentie ontstaan (“de strijd om spelers”).
Wel biedt het Masterplan Voorzieningen goede handvaten voor de wijze waarop de gemeente op een eventuele ondersteuningvraag reageert. Een aantal voorbeelden dat tijdens de bijeenkomsten met de gemeentelijke werkgroepen en de maatschappelijke partijen is genoemd:
· Stimuleren van samenwerking tussen verenigingen in plaats van financiële injectie in een noodlijdende vereniging;
· Bij een structureel lage bezetting het besluit nemen om een voorziening af te stoten of te ‘downgraden, teneinde de kosten te verminderen (bijvoorbeeld recreatieveld in plaats van wedstrijdveld).
Culturele en leisure voorzieningen
Voor culturele en leisure voorzieningen wordt bij voorkeur ingezet op regionale afstemming en programmering, vooral voor voorzieningen die een groter verzorgingsgebied nodig hebben en waarmee gemeenten zichzelf kunnen onderscheiden. Daarnaast kan worden ingezet op het aanbieden van dienstverlening op kernniveau, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande, multifunctionele voorzieningen.
De gemeente Terneuzen biedt van oudsher allerlei podiumfuncties, terwijl de gemeente Sluis meer toeristische aantrekkingskracht heeft en de gemeente Hulst vooral over cultuurhistorisch erfgoed beschikt. Bij voorkeur wordt hier sterk op ingezet en wordt – in overleg met culturele en toeristische organisaties (maatschappelijk en commercieel) bekeken hoe de regio Zeeuws-Vlaanderen “verder op de kaart kan worden gezet”.
Voorbeelden van initiatieven die aansluiten bij (de uitgangspunten van) scenario 3 die tijdens de bijeenkomsten met gemeentelijke werkgroepen en maatschappelijke partijen zijn genoemd:
· Centralisatie van de bibliotheek, in combinatie met dienstverlening/uitleen op scholen en kleinschalige, onbemande voorzieningen in de kernen;
· Plan “Houtmarkt”, waarbij verschillende (culturele) voorzieningen in de kern Hulst worden geclusterd en nadrukkelijk afstemming met het aanbod in de regio plaatsvindt (Zeeland-breed);
· Investeringen die worden gedaan in de aantrekkelijkheid en clustering van de musea in Terneuzen (industrieel museum, museum van Axel, Portaal van Vlaanderen).
Vervoer
De Zeeuws-Vlaamse bevolking is zeer automobiel en daarmee in staat redelijk grote afstanden in de regio zelfstandig te overbruggen. Zij doen dat ook. Dit betekent dat het scenario 3 voor het overgrote deel van de inwoners wat bereikbaarheid betreft naar verwachting geen problemen oplevert.
Bij de inrichting van het huidige openbaar vervoersysteem wordt er echter nog steeds van uitgegaan dat iedereen overal via lijndiensten moet kunnen komen. Het feitelijk gebruik van het openbaar vervoer is echter veelal beperkt tot de kleine groep “niet automobielen”. De uitgestrektheid van het gebied en de geringe bevolkingsdichtheid, gecombineerd met het gegeven dat meer dan 90% gebruik maakt van de eigen auto maakt openbaar vervoer in Zeeuws-Vlaanderen erg kostbaar en weinig efficiënt.
Om de bereikbaarheid van voorzieningen te bevorderen is het idee geuit om de verschillende bestaande vormen van vervoer te combineren en te komen tot een integraal vervoerssysteem. Denk bijvoorbeeld aan een combinatie van Wmo- en leerlingenvervoer. De algemene toegang tot het openbaar vervoer wordt wel gegarandeerd, maar georganiseerd ‘op afroep’. Er is dan vooral sprake van gerichte verkeersstromen en kleinschalige vervoerssystemen.
5Traject burgerparticipatie
5.1Inleiding
Goed Zeeuws gebruik
Een goed Zeeuws gebruik is om bij grote projecten die invloed hebben op de leefomgeving van burgers, de burgers ook daadwerkelijk te betrekken. Ook bij het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen was dit het geval; zowel burgers als maatschappelijke organisaties die werkzaam zijn in (een gedeelte van) Zeeuws-Vlaanderen zijn in het traject betrokken. Het traject vond plaats in de periode februari 2011 tot en met mei 2011.
Burgers, organisatie en online participatie
Er zijn drie bijeenkomsten per gemeente en drie bijeenkomsten voor maatschappelijke organisaties georganiseerd. In totaal hebben dus 12 bijeenkomsten plaatsgevonden. Daarnaast hadden burgers de mogelijkheid om online te participeren. De website www.nu2021.nl is hiervoor in het leven geroepen. Deze is opgezet en beheerd door Politiek Online.
Wanneer we in dit hoofdstuk spreken over ‘burgerparticipatie’, dan verwijst dit naar de consultatie van zowel burgers als maatschappelijke organisaties en zowel het fysieke als digitale gedeelte.
Opzet en begeleiding door Scoop
Scoop had de projectleiding van het traject burgerparticipatie in nauwe samenwerking met de projectgroep en de werkgroep communicatie die door de gemeenten en provincie is samengesteld. De drie gemeenten hebben gekozen voor een externe gespreksleider, in de persoon van Marco van Dorst van Moveo.
5.2Doelstelling en aanpak
Doelstelling
Vooraf was door de colleges van de drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten vastgesteld dat informeren en raadplegen van burgers het doel van de burgerparticipatie was (in termen van de participatieladder, zie bijlage 4).
Methode en aanpak
We navigeren in onzekere tijden. Niemand kan in de toekomst kijken en veranderingen staan op stapel. We zullen de stap naar de toekomst moeten maken; in het verleden blijven hangen, heeft geen zin. Hoewel de toekomst onvoorspelbaar is, willen we ons zo goed mogelijk voorbereiden en denken we nu alvast na over hoe die toekomst er (mogelijk) uit zal zijn. Het gaat om de kunst van het anticiperen, van voorbereid zijn op de toekomst.
Als hulpmiddel bij de burgerparticipatie hebben we daarom gekozen voor de methode scenario schrijven. Het doel van deze methode is:
Beter begrijpen, oprekken van denkbeelden;
. Verbeteren kwaliteit strategisch denken/converseren; Ontwikkelen van strategieën/opties voor de toekomst; Testen van opties, strategieën, visie;
Vertalen van strategieën naar concrete acties.
Kernvraag en aanpak
We hebben de kernvraag geformuleerd tijdens een training scenario denken:
“Wat moeten de gemeenten Sluis, Terneuzen, Hulst en de provincie Zeeland doen om in 2021 Zeeuws Vlaanderen een aantrekkelijke leefomgeving met betrekking tot het voorzieningenniveau te laten zijn voor huidige, toekomstige en tijdelijke inwoners?”
In de training is het concept voor de burgerbijeenkomsten verder uitgewerkt. We hanteren twee assen: van economische groei naar economische stagnatie en van individuele welvaart naar gezamenlijk welzijn. Oftewel: individualisering of samen de schouders eronder?
Ronde 1: Situatieschets en blik op de toekomst
In ronde één hebben we een serie foto’s laten zien die mensen ‘los maken van vandaag’; het denkkader wordt opgerekt. “Wat ziet u op deze foto’s?”. Dat blijkt vaak iets anders te (kunnen) zijn dan wat iedereen op het eerste gezicht denkt. Op een vrolijke manier worden meerdere denkbeelden voor het voetlicht gebracht. Dat maakt de sfeer los en voorkomt dat men zich vast bijt in ‘klagen over het heden’.
Ontwikkelingen en opgave
Een korte presentatie over de cijfers en feiten schetst het kader: Demografische ontwikkelingen laten zien dat er minder mensen in Zeeland zullen wonen, ook in Zeeuws-Vlaanderen is dat het geval. Hoeveel en welke voorzieningen zijn dan (nog) nodig? Hoeveel voorzieningen hebben we nu? Als we dat toetsten aan landelijke normen zien we dat er sprake is van overcapaciteit op bepaalde onderdelen.
Als we bovenstaande afzetten tegen de prognoses, wordt duidelijk dat we iets zullen moeten doen. Maar wat? Dat hangt van de toekomst af. Hoe ontwikkelt die toekomst zich? Stel dat er sprake is van economische groei en individualisme, of van economische groei en samen de schouders er onder? En wat als we te maken krijgen met economische stagnatie. Op deze manier hebben we vier eindbeelden gemaakt. Daarin is aangegeven wat we als zekerheden ervaren en wat onzeker is.
Krantenkoppen
Per groep gaat men aan de slag om de eindbeelden aan te vervullen. Het gesprek erover voeren is belangrijk: men voelt dan aan waar het om gaat. Door middel van ‘het schrijven van krantenkoppen’ verfijnen we verder: Stel dat dit de werkelijkheid is van 2021: wat staat er dan in de krant van 16 februari 2021? Sorteer deze krantenkoppen op thema en ga dan ‘terug in de tijd’: Wat moeten we in 2019, 2017, 2015 enz tot 2011 doen om dat eindbeeld van 2021 te halen?
Online participatie
Meepraten via de website www.nu2021.nl kan ook. Voor mensen die niet aanwezig kunnen zijn, om andere doelgroepen te bereiken, en wanneer men aanvullend nog informatie kwijt wil, of informatie wil lezen.
Ronde 2: Uitwerking toekomstbeelden
In ronde twee gaan we door op wat is opgehaald: in de voorbereiding maken we de verhaallijn specifieker naar aanleiding van alle input, ook die via de website is opgehaald. Nu moet concreet worden wat er moet gebeuren en wie het moet doen.
Met de maatschappelijke organisaties volgen we hetzelfde traject, met hen gaan we ook in op de vraag welke impact de toekomstbeelden (mogelijk) hebben.
Ronde 3: Terugkoppeling en scenario’s
In ronde drie koppelen we de uitgewerkte toekomstbeelden aan de uitkomsten van het traject dat ambtelijk wordt uitgevoerd: de inventarisatie, de transformatieopgave en de scenario’s.
Alles tezamen mondt dat uit in een Masterplan Voorzieningen met een benoeming van het meest toekomstbestendige scenario. De input van de participatietrajecten heeft tot een diepere nuancering geleid bij het opstellen van de uiteindelijke scenario’s en biedt inzicht in haalbaarheid en draagvlak van de verschillende scenario’s.
5.3Opbrengst traject burgerparticipatie
Bewustwording en inhoudelijke inbreng
Dat heeft in elk geval geleid tot de volgende opbrengsten:
· Meer bewustwording rond bevolkingsontwikkeling en de noodzakelijke veranderingen in de voorzieningenstructuur;
· Inhoudelijke input die door burgers is geleverd, is gebruikt in de totstandkoming van de vier eindscenario's;
· Input die geleverd is, kan gebruikt worden in de afweging die door gemeenteraden gemaakt wordt bij de bespreking van het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen.
Reactie op scenario’s
Tijdens de bijeenkomsten is duidelijk geworden dat men zich realiseert dat ‘doorgaan op de oude voet’ onhoudbaar en niet wenselijk is. Inwoners zijn zich bewust van de veranderingen die zich voordoen en de impact daarvan op het voorzieningenniveau. Tegelijkertijd hechten mensen sterk aan hun leef- en woonomgeving en aan de historie van Zeeuws-Vlaanderen.
De verschillende toekomstbeelden en scenario’s zijn tijdens de bijeenkomsten besproken. Al snel bleek: elk scenario heeft zijn eigen voor- én nadelen en de meningen zijn verdeeld.
Over het algemeen kunnen we stellen dat vooral (de uitgangspunten van) scenario 2 en 3 door burgers en maatschappelijke partijen worden onderschreven. Opvallend was dat scenario 4 tijdens de bijeenkomst met maatschappelijke partijen – en dan met name het bedrijfsleven – positief werd beoordeeld, al werd hier ook de wens geuit voor ‘ontmoeting of dienstverlening op kernniveau’.
Belangrijke aandachtspunten in de verdere uitwerking zijn: (behoud van) ontmoeting en leefbaarheid op kernniveau, bereikbaarheid en (politieke) haalbaarheid. Inwoners en organisaties zijn benieuwd naar het vervolg en willen betrokken blijven.
5.4Waardering traject burgerparticipatie
5.4.1 Burgerbijeenkomsten
In totaal hebben circa 500 mensen deelgenomen aan de gemeentelijke burgerbijeenkomsten. Per gemeente zijn drie bijeenkomsten voor burgers georganiseerd; in totaal dus negen avonden in Zeeuws Vlaanderen. Daarnaast zijn drie bijeenkomsten voor maatschappelijke organisaties georganiseerd.
Hieronder een weergave van het aantal bezoekers, de waardering van bezoekers en opmerkingen die door bezoekers op het evaluatieformulier zijn gezet. Hierbij is geen onderscheid gemaakt naar gemeente. Ook de online bijdrage is hierin niet meegenomen; deze is te vinden op www.nu2021.nl.
Ronde 1
Totaal aantal deelnemers: ± 250. De waarderingscijfers voor de bijeenkomsten in de eerste ronde lagen tussen de 7 en de 8.
Uit de opmerkingen die zijn gemaakt op het evaluatieformulier blijkt dat het traject zeker verwachtingen schept. Men hoopt van harte dat er daadwerkelijk keuzes worden gemaakt en actie wordt ondernomen.
Een greep uit verwachtingen die zijn geuit t.a.v. het masterplan:
Voorzichtig positief;
· Veel te hoog gegrepen. Veel onzekerheden;
· Duidelijkheid over leven in Zeeuws Vlaanderen;
· Samenwerking met de andere gemeenten en België;
· Na oplevering rapport 01/07/11 duidelijke communicatie over vervolgaanpak;
· Dat het ook direct en zonder dralen wordt uitgevoerd! Zachte heelmeesters maken stinkende wonden;
· Te weinig specifiek, algemeen. Geen duidelijke keuze/visie Hangt af van welke reële plannen er uit deze besprekingen
· komen;
Het plan heeft potentie succesvol te zijn;
Dat er weloverwogen oplossingen uitkomen;
Hopelijk doet men er al iets mee en starten we in 2012.
Ronde 2
Totaal aantal deelnemers: ± 125. De waarderingscijfers voor de bijeenkomsten in de tweede ronde lagen ook hier bijna allemaal tussen de 7 en 8, met een uitschieter naar een 10 en eentje naar een 6.
Verwachtingen die via het evaluatieformulier zijn geuit ten aanzien van het Masterplan:
· Indien Provincie Zeeland jaarlijks procesvoortgang bij alle Zeeuws-Vlaamse gemeentes bewaakt, is er grote kans van slagen op diverse ontwikkelingen;
· Mooi plan, gevolg van goede opzet;
· Ik heb mijn vraagtekens bij het gebruik maken van de input van vanavond. Ben benieuwd;
· Ambitieus, hopelijk niet het zoveelste plan;
· Ik hoop dat er iets uitkomt, want anders blijven we zoals een aantal jaren geleden dromen;
· Staan de gemeentes open voor veranderingen, is daar geld voor over? Hopelijk valt het Masterplan in de toekomst niet in de Schelde;
· Hoop dat de politiek ook besluiten die niet populair zijn durft te nemen. Leg uit waarom bepaalde besluiten worden genomen
· Een helder, goed leesbare plan waar de gemeente ook daadwerkelijk iets mee gaat doen.
Ronde 3
Totaal aantal deelnemers: ± 125. De waarderingscijfers voor de bijeenkomsten in de derde ronde liggen ook nu weer tussen de 7 en de 8.
Verwachtingen die via het evaluatieformulier zijn geuit ten aanzien van het Masterplan:
Nog veel discussie nodig, scenario 3 meest realistisch;
· Niet zo hoog gespannen, hoop dat de wethouders voet bij stuk houden en duidelijke keuzes durven te maken;
· Hopelijk is er goed geluisterd naar de meningen van het publiek en kan de gemeente juiste beslissingen nemen;
· Een financiële onderbouwing ontbreekt;
· Eén antwoord is niet mogelijk;
5.4.2 Bijeenkomsten maatschappelijke organisaties
Ronde 1
Aantal deelnemers: 25. Het waarderingscijfer voor de totale bijeenkomst lag tussen de 7 en de 8.
Een greep uit de verwachtingen die door de deelnemers zijn geuit ten aanzien van het Masterplan:
· Geheel afhankelijk van input burgers en omslag in denken door overheid; gematigd positief;
· Nog diffuus, maar ik geef het wel een kans;
· Hopelijk worden richtingen aangegeven die draagvlak hebben; Ambitieus insteken en lef tonen;
· Nog te vroeg om hier iets zinnigs over te zeggen.
Ronde 2
Aantal deelnemers: 22. Het waarderingscijfer voor de totale bijeenkomst lag tussen de 7 en de 8.
Een greep uit de verwachtingen die door de deelnemers zijn geuit ten aanzien van het Masterplan:
· Goede ideeën die gebruikt kunnen worden om voorbereid de toekomst in te gaan;
· De posters die gebruikt zijn waren mooi en duidelijk; Ben benieuwd naar het resultaat;
· Prioriteitsstelling vanuit bestuurlijke kracht?; Duidelijke richting.
Ronde 3
Aantal deelnemers: 24. Het merendeel van de aanwezigen gaf als waarderingscijfer voor de totale bijeenkomst een 8, een paar mensen gaven een 7.
Een greep uit de verwachtingen die door de deelnemers zijn geuit ten aanzien van het Masterplan:
· Goede leidraad met mogelijkheden voor diverse invulling; Zet aan tot nadenken;
· Biedt steun voor toekomstig beleid;
· Advies met een ontwikkelrichting dat bij de gemeentes tot een strategische beleidsrichting leidt;
· Richtinggevend voor toekomst.
5.4.3 Online participatie
De online participatie werd gefaciliteerd door Politiek Online, een bedrijf dat ervaring heeft online burgerparticipatie. Dat heeft kwantitatief gezien de volgende opbrengsten opgeleverd:
er zijn 27 Linkedin groepen berichten over het traject; er zijn 97 Hyves groepen en beheerders benaderd;
· Nu2021 volgde 508 mensen op Twitter, 88 volgen @nu2021 terug.
· Politiek Online stuurde tweewekelijks nieuwsflashes naar 385 e-mailadressen.
De site nu2021.nl is gekoppeld aan de Google analytics tool. De site heeft sinds de start 2.775 bezoeken gehad van 1.650 unieke bezoekers. In totaal werden 8.263 pagina’s opgevraagd. Gemiddeld bezochten de bezoekers bijna 3 pagina’s en waren gemiddeld 2:35 minuten op de site. Ongeveer 70% van deze bezoekers wist de site direct te bereiken (intypen van de URL), 15% bereikte de site via een verwijzing op een andere site en 15% vond de site via een zoekmachine. Van de verwijzende sites was Google uiteraard het populairst, gevolgd door Linked In, gemeentehulst.nl en Twitter. Ook via PZC, een lokale website en Hyves wisten mensen de site te bereiken, maar daar gaat het niet om heel grote aantallen. De pagina’s van de drie rondes werden vergelijkbaar bezocht, ronde twee was het meest populair in termen van bezoeken.
Bijlage 2 Toelichting financiën
Onderstaand wordt voor de verschillende kostencomponenten per scenario een toelichting gegeven.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Totstandkoming
voorzieningen
(investeringen)
In dit scenario vinden beperkte
vernieuwingen plaats in het
aanbod. De investeringslast is
dan ook beperkt.
In dit scenario vinden veel
investeringen plaats door de
clustering van voorzieningen in
nagenoeg alle kernen. De
investeringslast is hoog doordat
deze vernieuwing in veel kernen
plaatsvindt.
Het maatschappelijk rendement is
matig. Er zijn relatief hoge kosten
mee gemoeid om de
bereikbaarheid optimaal te
houden, terwijl de bezetting van
de accommodaties niet optimaal is
en veel geïnvesteerd moet
worden.
In dit scenario wordt
geïnvesteerd in een
vernieuwing van het aanbod in
de middelgrote kernen en
hoofdkernen. De
investeringslast is relatief hoog
door de kwaliteitsimpuls en in
mindere mate door de
capaciteit.
Het maatschappelijk
rendement is echter goed. De
investeringen zorgen voor een
kwalitatief hoogwaardig
voorzieningenniveau dat een
goed gebruik en bereik onder
de bevolking kent.
In dit scenario wordt
geïnvesteerd in nieuwe,
hoogwaardige gecentraliseerde
voorzieningen.
Het maatschappelijk
rendement op deze
investeringen is redelijk. De
voorzieningen kennen wel een
goede bezetting, maar de
bereikbaarheid voor kwetsbare
groepen is wel laag.
Instandhouding
voorzieningen
(beheer en
exploitatie)
Gemeenten zullen in dit
scenario veel geld kwijt zijn
aan de instandhouding
(onderhoud en exploitatie) van
de vele voorzieningen.
Het maatschappelijke
rendement is beperkt,
aangezien de bezetting door de
versnippering ook matig is.
Vele geld gaat zitten in de
instandhouding van een
kwalitatief zwak
voorzieningenaanbod.
De instandhoudinglasten zijn ook
hoog doordat veel voorzieningen
in alle kernen overeind worden
gehouden en er overcapaciteit
blijft bestaan.
Wel zijn er beperkte
inverdieneffecten door de
clustering van voorzieningen,
waardoor minder m2 in stand
gehouden hoeven te worden en
efficiency in beheer en exploitatie
gevonden kan worden.
De instandhoudinglasten
(onderhoud) zullen dalen
aangezien de (over)capaciteit
in zijn totaliteit zal afnemen.
De accommodaties worden
beter exploitabel doordat zij
een betere bezetting/gebruik
kennen.
De beheerlasten in zijn
totaliteit dalen omdat er
minder locaties zijn.
Per locatie zullen de
beheerlasten stijgen, doordat
het beheer deels professioneel
ingericht moeten worden.
De instandhoudinglasten zijn
door de verregaande
opschaling lager.
Bovendien kunnen de beheer
en exploitatielasten voor een
deel door maatschappelijke
partners en private partijen
opgepakt worden.
De beheerlasten in zijn
totaliteit dalen omdat er
minder locaties zijn.
Het beheer dient wel
professioneel ingericht te
worden. Vrijwilligers spelen
nauwelijks een rol in beheer en
exploitatie.
Mobiliteits-
investeringen
In dit scenario behoeven geen aanvullende investeringen in de mobiliteit plaats te vinden.
Wel zal het draagvlak voor de bestaande mobiliteitsvoorzieningen (en exploitatie) verder afnemen.
In dit scenario behoeven geen aanvullende investeringen in de mobiliteit plaats te vinden.
Wel zal het draagvlak voor de bestaande mobiliteitsvoorzieningen (en exploitatie) verder afnemen.
In dit scenario zal geïnvesteerd moeten worden in kleinschalige, gebundelde vervoersvoorzieningen voor doelgroepen naar de basisvoorzieningen in de naastgelegen kernen.
De afstanden zijn relatief beperkt en de vervoersbewegingen geconcentreerd, waardoor de exploitatielasten hiervan relatief beperkt kunnen blijven.
In dit scenario zijn aanzienlijk geïnvesteerd moeten worden om de basisvoorzieningen voor doelgroepen bereikbaar te houden.
De afstanden zijn relatief groot en de vervoersbewegingen divers, waardoor de exploitatielasten hoog zullen zijn.
Bijlage 3 Toelichting beoordeling scenario’s
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Aansluiting
maatschappelijke
ontwikkelingen
Dit scenario speelt nauwelijks in op
de maatschappelijke ontwikkelingen
die zich voordoen.
In dit scenario spelen verenigingen
en vrijwilligers een belangrijke rol in
de instandhouding van
voorzieningen; zonder hen is
instandhouding niet mogelijk.
Landelijk zien we echter een
terugloop in het aantal vrijwilligers;
het wordt steeds lastiger om
vrijwilligers te vinden die zich
structureel en voor langere tijd voor
een accommodatie willen inzetten.
Zeeuws-Vlaanderen wordt op dit
moment gekenmerkt door een hoge
mate van betrokkenheid en
vrijwilligersinzet, maar de
verwachting is dat de afname van
het aantal vrijwilligers zich (op
termijn) ook in Zeeland voordoet.
Het aantal potentiële vrijwilligers
neemt bovendien af door de afname
van het aantal inwoners.
Dit scenario gaat uit van “samen de
schouders eronder”; een grote mate
van gemeenschapszin en lokale
betrokkenheid is nodig om de
decentrale voorzieningenstructuur in
stand te kunnen houden. Dit sluit
niet aan bij de trend van
individualisering die zich landelijk en
ook in Zeeuws-Vlaanderen
voordoet. In dit scenario wordt
bovendien gekozen voor een
voorzieningenstructuur waarin elke
kern over min of meer hetzelfde
voorzieningenaanbod beschikt; er is
weinig keuzevrijheid voor de
“moderne consument”.
Tenslotte wordt in dit scenario ervan
uitgegaan dat de kerngerichtheid voor voorzieningen sterk aanwezig blijft, terwijl steeds meer een ontwikkeling te zien is van autonome dorpen naar regionaal ingebedde dorpen.
Dit scenario sluit redelijk aan
op maatschappelijke
ontwikkelingen die zich
voordoen.
In dit scenario spelen
verenigingen en vrijwilligers
een belangrijke rol in de
instandhouding van
voorzieningen; zonder hen is
instandhouding niet mogelijk.
Landelijk zien we echter een
terugloop in het aantal
vrijwilligers.
In dit scenario wordt de
vrijwilligerstructuur echter
versterkt en minder belast
door clustering en
samenwerking
Ook dit scenario gaat uit van
“samen de schouders
eronder”; een bepaalde mate
van gemeenschapszin en
lokale betrokkenheid is nodig
om de voorzieningen per kern
in stand te kunnen houden. In
dit scenario wordt dit echter
wel op een moderne manier
vormgegeven door stimulering
van samenwerking op
kernniveau.
Het vernieuwde aanbod sluit
beter aan bij de kwaliteitseisen
van de moderne burger.
Wel is er slechts sprake van
beperkte diversiteit, waarmee
dit minder aansluit bij de meer
individueel ingestelde
consument.
Desondanks geldt ook in dit
scenario dat er van uitgegaan
wordt dat de mensen
nadrukkelijk kiezen voor
voorzieningen op korte afstand, terwijl een ontwikkeling gaande is dat
mensen bereid zijn naar een
andere kern te gaan voor
andersoortige of kwalitatief
hoogwaardigere voorzieningen.
Dit scenario sluit goed aan op
maatschappelijke ontwikkelingen
die zich voordoen.
Dit scenario vraagt om meer
professioneel beheer. De
kleinschalige steun- en
ontmoetingspunten op
kernniveau worden – voor zover
aanwezig – door “de lokale
gemeenschap” gerund; de
grotere, multifunctionele
voorzieningen worden door
professionele (maatschappelijke)
instellingen gerund, met
ondersteuning van gebruikers en
partners.
Dit scenario gaat niet uit van
een lokale gemeenschap die
zorgt voor instandhouding van
een voorzieningenaanbod; het
gaat uit van professioneel
beheer. Mensen zijn niet
“verplicht” om zich in te zetten
voor de voorzieningen. Wel zal
een beroep gedaan worden op
inzet voor activiteiten. Dit sluit
aan bij de verdergaande
individualisering en nieuwe
vormen van vrijwilligerswerk.
Dit scenario biedt meer ruimte
voor vernieuwing en investering;
dat maakt dat inwoners meer
keuzemogelijkheden hebben. Er
is meer diversiteit in aanbod,
kernen beschikken niet allemaal
over hetzelfde aanbod aan
voorzieningen.
Dit sluit aan bij de ontwikkeling
waarin mensen bereid zijn te
reizen voor een aanbod dat qua aard en/of kwaliteit aansluit bij hun keuze (de ontwikkeling van autonome naar regionaal ingebedde dorpen).
Dit scenario sluit aan op
maatschappelijke
ontwikkelingen die zich
voordoen, zoals de afname
van het aantal vrijwilligers
en de verdergaande
individualisering.
Dit scenario vraagt om
professioneel beheer van
voorzieningen. Er zijn
alleen nog grote,
multifunctionele
voorzieningen en de
complexiteit hiervan in
beheer is hoog. Inwoners
spelen geen rol in de
instandhouding; zij zijn
“slechts” consument van de
voorziening.
Vrijwilligerswerk wordt
nauwelijks gestimuleerd
door de
voorzieningenstructuur in
dit scenario. Er wordt
vanuit gegaan dat dit niet
meer haalbaar is. De
voorzieningen komen
hiermee ver af te staan van
de lokale gemeenschappen.
Dit scenario biedt meer
ruimte voor vernieuwing en
investering. Er is meer
diversiteit in aanbod,
kernen beschikken niet
allemaal over hetzelfde
aanbod aan voorzieningen;
dat maakt dat inwoners
meer keuzemogelijkheden
hebben, al zijn zij
aanwezen op de voorzieningen in grotere voorzieningen in grotere
kernen en afhankelijk van de bereikbaarheid ervan. Dit scenario gaat ervan uit dat nagenoeg alle dorpen zich ontwikkelen tot woondorpen.
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Bereikbaarheid
De bereikbaarheid van
voorzieningen is in dit scenario
hoog. Dagelijkse voorzieningen zijn
in iedere kern en “op loopafstand”
aanwezig; alleen voor grotere,
specifieke voorzieningen zijn
inwoners aangewezen op de grotere
kernen.
Het draagvlak voor openbaar
vervoer in sommige kernen neemt
door de bevolkingskrimp wel verder
af.
Net als in scenario 1 staat in
dit scenario de beschikbaarheid
en bereikbaarheid van
(basis)voorzieningen centraal.
Voor reguliere, dagelijkse
voorzieningen kunnen
inwoners in hun eigen kern
terecht, vaak ook nog in één
multifunctionele
accommodatie. Alleen voor
grotere, specifieke
voorzieningen zijn inwoners
aangewezen op naastgelegen,
grotere kernen.
Bereikbaarheid en
beschikbaarheid van
voorzieningen is niet leidend in
dit scenario; evenwicht in vraag
en aanbod staat hierin centraal
en aansluiting bij de
veranderende behoefte. Dat
betekent dat inwoners van kleine
kernen gebruik maken van
voorzieningen in de
naastgelegen, middelkernen.
Wel veelal binnen vijf kilometer
aanwezig.
De mobiliteit is een belangrijk
aandachtspunt in dit scenario,
vooral voor kwetsbare groepen.
Door gebundelde
vervoersstromen kunnen
hiervoor integrale kleinschalige
vervoersvoorzieningen
gerealiseerd worden.
De bereikbaarheid van
voorzieningen is een
belangrijk minpunt in dit
scenario, vooral voor
ouderen en mensen met
een beperkte actieradius.
Voorzieningen, ook
basisvoorzieningen, zijn “op
(grote) afstand” aanwezig.
Investering in
vervoersdiensten om dit te
compenseren, is door de
grote afstanden en
dunbevolktheid moeilijker
te realiseren.
Ondersteuning sociale samenhang in de kernen
In dit scenario speelt “de
gemeenschap” een belangrijke rol in
de instandhouding en exploitatie
van voorzieningen. Omgekeerd kun
je ook zeggen dat de voorzieningen
een belangrijke rol spelen in het
bevorderen van samenhang en
leefbaarheid binnen de kern of
gemeente; inwoners en
verenigingen moeten samen de
schouders eronder zetten om de decentrale voorzieningenstructuur in
stand te houden.
Minpunt van dit scenario is echter
dat de voorzieningen/vrijwilligers-
organisaties veelal op zich zelf staan
in de kern.
In dit scenario speelt “de
gemeenschap” een belangrijke
rol in de instandhouding en
exploitatie van voorzieningen.
De lokale gemeenschap en
leefbaarheid wordt versterkt en
ondersteund door de clustering
van voorzieningen waardoor de
samenwerking en ontmoeting
op kernniveau versterkt wordt
Op kernniveau blijft een
ontmoetingsvoorziening
aanwezig. Deze draagt bij aan
de sociale cohesie in het dorp.
Veel leefbaarheidsaspecten
worden via activiteiten
georganiseerd en/ of de
woonomgeving.
Mensen worden aangesproken
op andere vromen van
vrijwilligerswerk en gemeenschapszin, bijv in het
organiseren van gezamenlijke
mobiliteit, ontwikkelen van
nieuwe activiteiten en diensten.
Voorzieningen dragen
minder bij aan de sociale
samenhang binnen een
kern. Ook wordt de
gemeenschapszin en
betrokkenheid in dit
scenario niet gestimuleerd;
voorzieningen worden
professioneel beheerd en
zijn veelal op een hoger
schaalniveau georganiseerd; de lokale
gemeenschappen spelen
hierin geen rol.
Leefbaarheid wordt in dit
scenario volledig rondom
de woonfunctie
gedefinieerd.
Flexibiliteit
Dit scenario scoort laag op het
criterium flexibiliteit. Alles is gericht
op instandhouding van de
bestaande, decentrale
voorzieningenstructuur. Op een
enkele uitzondering na, zijn dit
veelal solitaire voorzieningen die
niet of nauwelijks multifunctioneel
inzetbaar zijn. Het biedt weinig
mogelijkheden om in te spelen op
een veranderende vraag of
omgeving.
Dit scenario scoort beter op
het criterium flexibiliteit dan
scenario 1, maar nog altijd
relatief laag. Het is gericht op
instandhouding en realisatie
van een multifunctionele,
decentrale
voorzieningenstructuur; dat wil
zeggen dat accommodaties op
kernniveau multifunctioneel
inzetbaar zijn, maar dat weinig
uitwisseling op gemeentelijk of
regionaal niveau plaatsvindt.
Hierdoor blijft versnippering en
overcapaciteit bij veranderend
gebruik bestaan.
Dit scenario scoort goed op het
criterium flexibiliteit;
accommodaties zijn
multifunctioneel inzetbaar.
De capaciteit is in evenwicht met
de vraag en er vindt afstemming
op gemeentelijk en regionaal
niveau plaats.
Op relatief geringe afstand is
een diversiteit aan voorzieningen
beschikbaar. Mensen hebben
hierdoor meer
keuzemogelijkheden, waardoor
meer ruimte is om in te spelen
op een veranderende vraag.
Dit scenario scoort redelijk
goed op het criterium
flexibiliteit; accommodaties
zijn multifunctioneel
inzetbaar en er vindt
afstemming op regionaal
niveau plaats. Dit biedt
ruimte om in te spelen op
een veranderende vraag of
omstandigheden.
Minder punt is de relatief
hoge opschaling, waardoor
minder goed ingespeeld
kan worden op geografisch
bepaalde verandering van
de vraag in een bepaalde
kern.
Samenwerking
Verenigingen, inwoners en de
gemeente moeten in dit scenario
nadrukkelijk samenwerken om de
decentrale voorzieningenstructuur in
stand te houden; zonder inzet van
vrijwilligers en verenigingen is dit
niet haalbaar.
In dit scenario vindt geen
samenwerking plaats met “de
(regionale en internationale)
markt”; instandhouding van de
decentrale voorzieningenstructuur is
vooral een taak van de gemeente en
“de lokale gemeenschap”. Ook
tussen de verschillende gemeenten
en kernen vindt nauwelijks
samenwerking plaats; kernen staan
op zichzelf en zijn zoveel mogelijk zelfvoorzienend.
In dit scenario vindt nauwe
samenwerking plaats tussen
verenigingen, inwoners, de
gemeente en (in mindere
mate) maatschappelijk
partners
Binnen de kern is
samenwerking en clustering
een van de centrale
uitgangspunten. Tussen kernen
vindt beperkt samenwerking
plaats.
Regionale afstemming en
samenwerking tussen
gemeenten geschiedt
nauwelijks in dit scenario.
In dit scenario vindt nauwe
samenwerking plaats tussen de
verschillende gemeenten en
wordt ook gebruik gemaakt van
voorzieningen in België.
Gemeenten stemmen hun
voorzieningenaanbod
nadrukkelijk op elkaar af en
houden hierbij rekening met de
voorzieningen die in België
aanwezig zijn. Voor grotere,
specifieke voorzieningen wordt
samenwerking met “de markt”
gezocht.
Op middelkernniveau vindt
nauwe samenwerking tussen
inwoners, maatschappelijk
partners en de gemeente plaats.
Samenwerking in de woongemeenschappen vindt rondom activiteiten plaats.
Dit scenario vereist een
nauwe samenwerking
tussen gemeenten,
maatschappelijk partners
en “de (internationale)
markt”. Zonder inzet van
de markt is het niet of
nauwelijks mogelijk het
kwalitatief hoogwaardige
voorzieningenaanbod te
realiseren c.q. in stand te
houden.
Vraag is of er voldoende
partijen te vinden zijn om
hierin een aanvullende rol
te spelen.
Samenwerking met de
lokale gemeenschappen vindt nauwelijks plaats. Voorzieningen staan hier immers los van.
Financiële robuustheid
In dit scenario zijn de
instandhoudingkosten hoog; er
wordt veel geld geïnvesteerd in de
instandhouding van de (bestaande)
voorzieningenstructuur. Ook
leegstand wordt daarmee in stand
gehouden, aangezien een deel van
de vraag – vooral naar
voorzieningen voor jeugd en
jongeren – zal wegvallen.
De realisatiekosten daarentegen zijn
relatief laag; er worden geen nieuwe
accommodaties gerealiseerd, alles is
gericht op instandhouding (en op
termijn vervanging) van de
bestaande voorzieningen.
Kostendekkende exploitatie van de
accommodaties lijkt – zeker op de
lange termijn – niet haalbaar. De
personele kosten (vaak de grootste
kostenpost) zijn weliswaar beperkt
doordat de accommodaties worden
“gerund” door verenigingen en
vrijwilligers, maar er zijn (te) weinig
mogelijkheden om inkomsten te
genereren; er is een overschot aan
accommodaties in relatie tot de
vraag en het aanbod sluit niet aan
op de (veranderende) vraag.
Dit scenario vraagt om een
investering in het bestaande
voorzieningenniveau; er
moeten relatief veel
multifunctionele
accommodaties worden
gerealiseerd en/of bestaande
accommodaties moeten
multifunctioneel worden
ingericht/aangepast.
Het biedt wel de mogelijkheid
om het totale aanbod aan
accommodaties (in termen van
m²) te verminderen; op de
langere termijn zorgt dit voor
lagere kosten voor
instandhouding van de
voorzieningen, maar er blijft
toch nog een overcapaciteit
hetgeen de instandhouding
onder druk zet.
Doordat voorzieningen veelal
door de “lokale gemeenschap”
worden gerund, zijn de kosten
voor beheer en exploitatie
wellager dan in een
professionele beheervariant.
Kostendekkende exploitatie
lijkt echter niet haalbaar; de
verdienmogelijkheden zijn
beperkt, doordat de
voorzieningen relatief kleine
verzorgingsgebieden kennen.
Dit scenario vraagt om
investeringen, niet zozeer in het
bestaande voorzieningenaanbod,
maar vooral in de realisatie van
nieuwe, grotere, multifunctionele
voorzieningen. Het betreft wel
minder accommodaties dan in
scenario 2.
Over het algemeen vragen
multifunctionele voorzieningen
om hogere initiële investeringen
dan solitaire voorzieningen.
Aangezien “evenwicht in vraag
en aanbod” het leidende principe
is in dit scenario, biedt het
goede mogelijkheden om het
aanbod (in termen van m²)
daarmee de structurele kosten
op de lange termijn terug te
brengen.
De kosten voor beheer en
exploitatie van de voorzieningen
daarentegen nemen per locatie
toe. Dit komt doordat een
grotere mate van professioneel
beheer nodig is, maar er zijn wel
aanzienlijk minder locaties dan
in de huidige situatie. Dit
scenario biedt dan ook goede
mogelijkheden voor
kostendekkende exploitatie en
verlaging van de
instandhoudingskosten voor de
voorzieningen als geheel.
Ook zijn in dit scenario
gemakkelijke
medekostendragers te vinden
dan in scenario 1 en 2.
Dit scenario gaat uit van
evenwicht in vraag en
aanbod vanuit het oogpunt
van capaciteit (kwantiteit).
Dat wil zeggen dat
voorzieningen een passend
verzorgingsgebied hebben
en goede
exploitatiemogelijkheden
kennen.
De kwaliteitsprong die
beoogd wordt vraagt echter
hoge investeringen,
evenals de professionele
wijze van beheer en
exploitatie. Het aanbod
moet immers zo
aantrekkelijk zijn dat het
gebruikers over grote
afstand trekt.
Wel zijn in dit scenario
medekostendragers vooral
voor de meer
hoogwaardige
voorzieningen te vinden.
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Innovatief vermogen
In dit scenario is weinig ruimte voor
vernieuwing en innovatie; alle tijd,
geld en moeite wordt gestoken in de
instandhouding van bestaande
voorzieningen en de decentrale
voorzieningenstructuur. Ook de
afwezigheid van “de markt” maakt
dat in dit scenario weinig innovatie
mag worden verwacht.
In dit scenario is weinig ruimte
voor innovatie. Ingezet wordt
op een kwaliteitsverbetering
van het bestaande pakket aan
voorzieningen. Hierbinnen
kunnen wel nieuwe
huisvestingsconcepten worden
toegepast.
Er worden geen “nieuwe” type
voorzieningen ontwikkeld. Ook
de afwezigheid van “de markt”
maakt dat in dit scenario
minder innovatie mag worden
verwacht
In dit scenario ontstaat ruimte
voor vernieuwing en innovatie.
Er wordt minder tijd, geld en
moeite gestoken in
instandhouding van een
decentrale
voorzieningenstructuur;
daarmee blijft tijd, geld en
ruimte over om te investeringen
in andersoortige en nieuwe
voorzieningen en concepten.
Ook de aanwezigheid van “de
markt” maakt dat in dit scenario
innovatie mag worden verwacht.
Een van de kenmerken van
dit scenario is innovatie. De
voorzieningenstructuur
wordt volledig opnieuw
ingericht en er wordt een
forse kwaliteitssprong
beoogd.
Samenwerking met de
markt moet dit mogelijk
maken.
Kwaliteit
In dit scenario blijft weinig ruimte
over voor verbetering van de
kwaliteit van voorzieningen; alle
tijd, geld en moeite wordt gestoken
in de instandhouding van bestaande
voorzieningen en de decentrale
voorzieningenstructuur.
Gevreesd mag zelfs worden voor
een verschraling van het aanbod,
doordat de voorzieningen steeds
moeilijker overeind zijn te houden
(financieel en organisatorisch).
in dit scenario ontstaan
mogelijkheden voor
kwaliteitsverbetering op het
moment dat nieuwe,
multifunctionele
accommodaties worden
gerealiseerd of bestaande
accommodaties opnieuw
worden ingericht. Het biedt
bovendien de mogelijkheid om
in te spelen op een
veranderende vraag.
Een kwaliteitsverbetering van
het voorzieningenpakket is
minder aan de orde. Er is geen
ruimte om meer kwalitatief
hoogwaardige voorzieningen te
realiseren.
Dit scenario biedt goede
mogelijkheden voor verbetering
van de kwaliteit van
accommodaties, vooral bij de
realisatie van nieuwe
accommodaties.
Bovendien kan door de
opschaling meer diversiteit en
hoogwaardige voorzieningen
gerealiseerd worden.
Dit scenario gaat uit van
een volledige herinrichting
van het
voorzieningenaanbod in
Zeeuws-Vlaanderen. Het
doel is een hoogwaardig
voorzieningenaanbod en
biedt goede mogelijkheden
om te investeren in de
kwaliteit van
voorzieningen.
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Continuïteit
De continuïteit van voorzieningen is
in dit scenario alleen geborgd als
“iedereen” zich betrokken en
verantwoordelijk voelt, gebruik
maakt van de beschikbare
voorzieningen en ook bereid is zich
in te zetten voor de instandhouding
en exploitatie ervan.
Gezien de demografische en
maatschappelijke ontwikkelingen die
zich voordoen, ligt dit niet voor de
hand; voorzieningen komen onder
druk te staan en een aantal zal (op
termijn) noodgedwongen zijn
deuren moeten sluiten.
De continuïteit van
voorzieningen is in dit scenario
alleen geborgd als de lokale
gemeenschap meer gaat
samenwerken en afstemmen
en ook bereid is zich in te
zetten voor de instandhouding
en exploitatie ervan.
Ondersteuning zal dit moeten
stimuleren, maar de
demografische en
maatschappelijke
ontwikkelingen die zich
voordoen zijn zo fors dat de
continuïteit financieel en
organisatorisch van de relatief
kleine voorzieningen toch
onder druk komt te staan.
De continuïteit van de grotere,
multifunctionele voorzieningen is
geborgd doordat deze
accommodaties betere
exploitatiemogelijkheden en
grotere verzorgingsgebieden
kennen en medekostendragers
betrokken kunnen worden. Dit
komt het exploitatieresultaat en
de bezetting van de
accommodaties ten goede.
De kleinschalige steun- en
ontmoetingspunten op
kernniveau kunnen alleen
behouden blijven met de inzet
van de “lokale gemeenschap” en
professionele ondersteuning op
afstand.
Dit scenario gaat uit van
volledig evenwicht in vraag
en aanbod vanuit
capaciteitsoogpunt. Dat wil
zeggen dat er geen sprake
is van over- of
ondercapaciteit en draagt
bij aan de continuïteit van
de voorzieningen.
Belangrijke voorwaarde is
wel dat inwoners gebruik
blijven maken van de
voorzieningen (op afstand)
en dat nieuwe bezoekers
worden aangetrokken.
Aansluiting bij Wmo-
beleid
Dit scenario zet sterk in op de lokale
gemeenschappen en sluit aan bij het
gedachtegoed van de civil society.
De kanteling van de Wmo en de
professionele ondersteuning daarin
wordt echter minder goed
gefaciliteerd.
Dit scenario speelt goed in op
het gedachtegoed van de
Wmo. Versterking van de
lokale gemeenschap,
ontmoeting en wisselwerking
door tussen professionals en
vrijwilligers wordt door de
samenwerking en clustering op
kernniveau gestimuleerd.
Ook dit scenario speelt goed in
op de Wmo. Weliswaar zijn er
minder voorzieningen in de
kleine kernen aanwezig. Echter
de ontmoetingspunten
(dorpshuizen en
dagvoorzieningen voor senioren)
zijn in alle kernen aanwezig.
Bovendien is de professionele
ondersteuning geclusterd (en
versterkt) aanwezig in de
middelkernen, van waaruit de
mensen in de kleine keren en
thuis bediend worden.
Dit scenario sluit nauwelijks
aan bij het huidige Wmo-
beleid. De
voorzieningenstructuur
wordt los georganiseerd
van de lokale
gemeenschappen. Vooral
voor de kwetsbare groepen
is de voorzieningen-
structuur onvoldoende
gespreid aanwezig.
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Onderscheidend
vermogen
In dit scenario streeft elke kern naar
behoud van de bestaande,
decentrale voorzieningenstructuur.
In praktijk hebben de kernen een
voorzieningenaanbod dat sterk op
elkaar lijkt; er is weinig onderscheid
tussen kernen en diversiteit in
aanbod.
Bovendien is het aanbod traditioneel
ingekleurd.
In dit scenario streeft elke kern
naar behoud van een eigen,
multifunctioneel
voorzieningenaanbod; er is
weinig onderscheid tussen
(type) kernen. Alleen grotere
kernen onderscheiden zich van
de rest, aangezien zij over
grotere, specifieke
voorzieningen beschikken.
In dit scenario onderscheidt
Zeeuws-Vlaanderen zich als
geheel wel door de realisatie
van een hoogwaardige,
decentrale, multifunctionele
voorzieningenstructuur.
Dit scenario biedt de
verschillende gemeenten en
kernen de mogelijkheid om zich
te onderscheiden. Gemeenten en
grotere kernen kunnen zich
onderscheiden door de
aanwezigheid van grotere,
multifunctionele voorzieningen
(al dan niet thematisch);
kleinere kernen kunnen zich
onderscheiden door een grote
mate van lokale
betrokkenheid/gemeenschapszin
en daarmee het behoud van
(basis)voorzieningen.
De regio onderscheidt zich door
een duidelijk en kwalitatief
hoogwaardig maatschappelijk
voorzieningenpakket op de
verschillende schaalniveaus.
Dit scenario biedt de beste
mogelijkheden voor
Zeeuws-Vlaanderen om
zich als regio te
onderscheiden. Er wordt
sterk ingezet op nieuwe en
hoogwaardige
voorzieningen.
Keerzijde van de medaille
is wel dat Zeeuws-
Vlaanderen zich minder
onderscheidt op een goede
spreiding van de
kleinschalige
basisvoorzieningen op
kernniveau, terwijl dit tot
nu toe Zeeuws-Vlaanderen
als regio kenmerkte en
onderscheidde.
Bijlage 1 Uitwerking scenario’s per type voorziening
Onderstaand is voor de verschillende type voorzieningen uitgewerkt hoe deze zich in het betreffende scenario ontwikkelen.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Basisonderwijs
Aard: basisschool
Groot aanbod van kleine
basisscholen in zoveel mogelijk
kernen.
Her en der zullen basisscholen
door krimp en verdere weglek
de deuren moeten sluiten
omdat zij door
organisatorische ondergrens
zakken.
Minimale omvang 3 groepen
(onder-, midden-, bovenbouw)
Aard: brede school
Er zijn alleen nog maar brede
scholen in zoveel mogelijk kernen.
Norm is dat een school minimaal
vier groepen heeft (dubbelklassen).
In kernen met te weinig kinderen of
kernen met een sterke gerichtheid
op een andere kern zijn geen
basisscholen mee.
Aard: Integrale kindcentra
De scholen worden
ondergebracht in kindclusters in
de middelgrote kernen en
hoofdkernen. Beperkt is nog een basisschool in een kleine kern
aanwezig.
Norm is dat scholen 6, maar bij voorkeur 8 groepen hebben.
Daarnaast maken de grensdorpen gebruik van
kindvoorzieningen in de Belgische grensstreek.
Aard: onderwijscampus
Het basisonderwijs wordt
geclusterd in grotere brede
scholen in de middelgrote
kernen en de hoofdkernen.
Uitgegaan wordt van de norm
van dubbele groepen per
leeftijdslaag (dus 16 groepen).
De grensdorpen maken
maximaal gebruik van de
mogelijkheden in België.
Mogelijke belemmeringen
hierin worden weggenomen.
VO
Het voortgezet onderwijs blijft
op gemeentelijk niveau
georganiseerd.
Door afnemende
leerlingenaantallen zal het
aanbod per school verschralen.
Het voortgezet onderwijs blijft op
gemeenteniveau.
Wel vindt een organisatorische
samenwerking op regionaal niveau
plaats.
Daarnaast maken de VO scholen
deel uit van multifunctionele
clusters (b.v. met culturele of
sportvoorzieningen).
Het voortgezet onderwijs wordt
regionaal georganiseerd. Wel zijn in de hoofdkernen van de drie gemeenten vestigingen
aanwezig.
Er vindt een duidelijke
afstemming in het aanbod
plaats. Specifieke
onderwijsvormen worden op één
plek aangeboden.
Samenwerking met het ROC
wordt gezocht.
Het voortgezet onderwijs wordt
geconcentreerd op één locatie,
in de kern Terneuzen. Voor de lagere klassen zijn wellicht nog
dependances aanwezig in de
andere hoofdkernen.
MBO/HBO/WO
HBO/WO blijft bovenregionaal.
MBO wordt in Terneuzen
aangeboden.
HBO/WO blijft bovenregionaal.
MBO wordt in Terneuzen
aangeboden. Clustering met andere
onderwijsvoorzieningen.
HBO/WO blijft bovenregionaal.
MBO wordt in Terneuzen
aangeboden. Clustering met
andere onderwijsvoorzieningen
zoals VO.
HBO/WO blijft bovenregionaal.
Samenwerking met België
onderwijsinstituten wordt
verregaand gestimuleerd.
MBO wordt in Terneuzen
aangeboden.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
PSZ/KDV/BSO
De kindfuncties (m.n. psz en
BSO) blijven decentraal en
kleinschalig aanwezig al dan
niet gekoppeld aan de
basisscholen.
Kinderdagopvang en in
mindere mate BSO hebben
moeite om exploitabel te
blijven en zullen her en der
verdwijnen.
De kindfuncties worden
ondergebracht en gekoppeld aan de
brede scholen op kernniveau.
Kinderdagopvang en in mindere
mate BSO hebben moeite om
exploitabel te blijven en zullen niet
in alle locaties gerealiseerd kunnen
worden.
De kindfuncties worden
ondergebracht en gekoppeld aan
de brede scholen in de middelgrote kernen. Ook wordt gebruik gemaakt van de kindvoorzieningen in de Belgische grensstreek.
De kindfuncties worden
ondergebracht en gekoppeld
aan de brede scholen in de
middelgrote kernen.
Ook wordt optimaal gebruik
gemaakt van de
kindvoorzieningen in de Belgische grensstreek.
Binnensport
Aard: gymzaal.
De kleinschalige
binnensportvoorzieningen
blijven gekoppeld aan
basisonderwijs in de kernen
aanwezig.
Er is geen ruimte voor
investeringen in kwalitatief en
functioneel meer hoogwaardige
sporthallen.
Aard: gymzaal en sportzaal.
De kleinschalige
binnensportvoorzieningen blijven
gekoppeld aan de brede scholen in
de kleine kernen aanwezig.
Er is beperkt ruimte voor
investeringen in kwalitatief en
functioneel meer hoogwaardige
sporthallen in de middelkernen.
In de hoofdkernen vindt een
koppeling plaats met andere
sportvoorzieningen (zwembad,
buitensport, leisure)
Aard: (multifunctionele)
sporthal.
De binnensportvoorzieningen
worden geconcentreerd in de
middelgrote en hoofdkernen.
In de middelgrote kernen
worden functionele sportzalen of
sporthallen gerealiseerd,
gekoppeld aan de brede
scholen/kindclusters.
In de hoofdkernen worden deze
binnensportvoorzieningen
gekoppeld aan multifunctionele
sportcomplexen/zwembaden
en/of voorzieningen voor
voortgezet onderwijs.
Aard: sportcomplex.
In de middelgrote kernen
worden functionele sporthallen
gerealiseerd, gekoppeld aan de
brede scholen/ kindclusters.
In de hoofdkernen worden
deze binnensport-
voorzieningen gekoppeld aan
multifunctionele
sportcomplexen/ zwembaden
en/of voorzieningen voor
voortgezet onderwijs.
Maximaal wordt een
combinatie gezicht met
leisurevoorzieningen.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Voetbal
Aard: voetbalvelden
De voetbalclubs blijven
zoveel als mogelijk in de
kernen aanwezig, maar
zullen wel krimpen.
Op onderdelen vindt
samenwerking (en
uiteindelijk fusie) plaats
tussen voetbalclubs.
Geen ruimte voor
kwaliteitsinvesteringen zoals
kunstgras.
Aard: sportpark(je)
De voetbalclubs blijven zoveel
als mogelijk in de kernen
aanwezig.
Daar waar mogelijk (middel-
en hoofdkernen) werken zij
samen met andere
verenigingen en ontwikkelen
zich tot omni-verenigingen.
In de kleine kernen werken zij
samen met de brede scholen.
Bij onvoldoende draagvlak
verdwijnen ze.
Er is alleen bij de omni-
verenigingen (beperkt) ruimte
voor kwaliteitsinvesteringen.
Aard: Sportcomplex
De voetbalclubs in de kleine
kernen zullen (uitzonderingen
daargelaten) fuseren.
In de middelgrote kernen
worden functionele
sportparken gerealiseerd waar
verschillende
sportmogelijkheden bestaan
voor diverse doelgroepen,
waaronder de jeugd maar ook
de senioren. De voorzieningen
zijn kwalitatief hoogwaardig
(o.a. kunstgras, fitness, etc.)
In de hoofdkernen worden
multifunctionele sportclusters
gerealiseerd.
Voor topvoorzieningen wordt
uitgeweken buiten de regio.
Aard: multifunctioneel sport- en
recreatiecomplex.
De voetbalclubs in de kleine kernen
zullen verdwijnen.
In de middelgrote kernen worden
functionele sportparken gerealiseerd
voor de basissporten.
In de hoofdkernen bestaan
verschillende sportmogelijkheden
voor diverse doelgroepen (jeugd,
senioren). De voorzieningen zijn
kwalitatief hoogwaardig.
In een hoofdkern wordt een
hoogwaardig leisure/sportcomplex
met een uitgebreide diversiteit aan
individuele en groepssporten.
Voor topvoorzieningen wordt
uitgeweken buiten de regio, ook in
België. Een enkele topvoorziening
wordt in Terneuzen gerealiseerd.
Tennis
Aard: tennisbanen
Tennisclubs blijven
decentraal aanwezig.
De kleine clubs zullen door te gering ledenaantal
verdwijnen.
Aard: Sportpark(je)
Tennisclubs sluiten zich aan bij omni- verenigingen of andere
clusters op kernniveau.
De kleine clubs zullen door te gering ledenaantal verdwijnen
Aard: Sportcomplex
De tennisclubs in de kleine
kernen zullen (uitzonderingen
daargelaten) verdwijnen.
In de middelgrote kernen
worden functionele
sportparken gerealiseerd waar
verschillende
sportmogelijkheden bestaan
voor diverse doelgroepen,
waaronder de jeugd maar ook
de senioren.
In de hoofdkernen worden
multifunctionele sportclusters
gerealiseerd.
Voor topvoorzieningen wordt
uitgeweken buiten de regio.
Aard: multifunctioneel sport- en
recreatiecomplex.
De tennisclubs in de kleine kernen
zullen verdwijnen.
In de middelgrote kernen worden
functionele sportparken gerealiseerd
voor de basissporten.
In de hoofdkernen bestaan
verschillende sportmogelijkheden
voor diverse doelgroepen (jeugd,
senioren). De voorzieningen zijn
kwalitatief hoogwaardig.
In één hoofdkern wordt een
hoogwaardig leisure/ sportcomplex
met een uitgebreide diversiteit aan
individuele en groepssporten.
Voor topvoorzieningen wordt uitgeweken buiten de regio, ook in België.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Zwembad
De huidige gemeentelijke
georiënteerde
voorzieningenstructuur ten
aanzien van zwembaden blijft
in stand.
Wel zullen de buitenbaden
steeds moeilijke exploitabel
blijken en bij verder
afnemend draagvlak
uiteindelijk moeten sluiten.
In dit scenario blijven de
zwembaden op
gemeenteniveau aanwezig.
De buitenbaden zullen
overgeheveld worden naar het
particulier initiatief (gerund
door vrijwilligers) of
uiteindelijk sluiten.
Alle drie de gemeenten houden
één zwembadvoorziening.
Er wordt gekeken of deze
gekoppeld kunnen worden met
of ondergebracht worden in
combinatie met
leisure/recreatieve
voorzieningen.
Met name in de gemeente
Terneuzen vindt een volledige
herschikking van de
zwembaden plaats, waarbij de
losse buitenbaden verdwijnen
en de binnenbaden afgestemd
worden op het particuliere
initiatief.
De zwembadfunctie wordt
gecentraliseerd in een
multifunctioneel sport-
/zwembadcomplex voor de gehele
regio. Bij voorkeur wordt dit
gecombineerd met andere
leisurevoorzieningen.
Decentraal zijn geen
zwembadvoorzieningen meer
aanwezig, anders dan in de
particuliere sector.
Overige Sport
Behalve de bestaande
(hockey)clubs is er geen
ruimte voor nieuwe sporten.
Er is bij de ontwikkeling van
omni-verenigingen in de grote
kernen beperkt ruimte voor
nieuwe sporten en/of ruimte
voor de nieuwe
seniorendoelgroep.
Op de multifunctionele
sportparken in de hoofdkernen
worden ook nieuwe vormen
van sport aangeboden.
Gedacht moet worden aan
meer individuele sporten en
aangepaste vormen van sport
en beweging voor senioren.
Gezocht wordt naar clustering
met leisure en particuliere
sportvoorzieningen (fitness).
In de hoofdkernen en bij het
centrale leisurecomplex wordt een
diversiteit aan nieuwe sporten
aangeboden voor diverse
doelgroepen, waaronder de actieve
senioren.
Dorpshuis
Aard: dorpshuis
Het dorpshuis blijft op
kernniveau aanwezig.
Logischerwijs wordt hier ook
de dagbesteding voor
senioren in ondergebracht.
Aard: multifunctioneel
dorpshuis
De dorpshuizen blijven in de
basiskernen aanwezig. Bij
voorkeur gekoppeld aan de
brede scholen. Waar geen
brede school (meer) is, blijven
deze voorzieningen als een
soort servicepunt als enig
centrale voorziening over.
In de middelkernen worden
deze ook gekoppeld met zorg-
en seniorenvoorzieningen.
Aard: ontmoetingspunt én
multifunctioneel centrum,
Dorpshuizen blijven als
kleinschalige ontmoetings- en
servicepunt in de kleine kernen
aanwezig (bij voldoende
draagvlak), met name gericht
op senioren.
In de middelgrote en
hoofdkernen ontwikkelen de
dorpshuizen zich tot
multifunctionele (wijk-)centra,
bij voorkeur gekoppeld aan
andere voorzieningen.
Aard: Multifunctioneel centrum.
De dorpshuizen zijn niet meer
aanwezig in de kleine kernen.
In de middelgrote kernen zijn
multifunctionele centra, waar het
verenigingsleven uit meerdere
kernen terecht kan.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Jongerencentra
Aard: activiteiten in
dorpshuis. Deze zijn veelal als
activiteiten ondergebracht in
dorpshuizen. Beperkt is er ruimte voor een meer grootschalig
jongerencentrum in de
hoofdkernen.
Aard: activiteitenruimte in
brede school.
Jongerenactiviteiten maken
deel uit van de brede scholen.
In de hoofdkern eventueel ook
gekoppeld met
cultuur(educatie) en of
voortgezet onderwijs
Aard: jongerenruimte in
multifunctioneel centrum.
Jongerenruimten worden
gerealiseerd in de
multifunctionele centra in de
middelgrote kernen.
In Terneuzen is een cultureel
jongerencentrum/poppodium
bij voorkeur geclusterd met
andere culturele
voorzieningen.
Aard: Cultureel jongerencentrum.
De jongerencentra worden in de
hoofdkern aangeboden, gekoppeld
aan de hoogwaardige sport en
culturele voorzieningen.
Seniorencentra
Deze worden ondergebracht
in de dorpshuizen.
Deze worden ondergebracht in
de dorpshuizen in combinatie
met de AWBZ-
dagvoorzieningen.
Kleinschalige
ontmoetingspunten worden
ondergebracht in de
dorpshuizen in combinatie met de AWBZ-dagvoorzieningen.
Seniorencentra zijn in de
middelgrote kernen aanwezig in combinatie met de AWBZ-
dagvoorzieningen.
Regionaal vindt afstemming plaats.
Bibliotheek
De bibliotheken worden
zoveel als mogelijk
gehandhaafd. Met name in
de gemeente Terneuzen
betreft het meerdere
vestigingen
De gemeenten hebben een
hoofdvestiging in de
hoofdkern.
In de brede scholen zijn
schoolbibliotheken/
steunpunten ingericht.
De bibliotheek wordt
geconcentreerd in de
hoofdkernen.
Servicepunten zijn in de
multifunctionele centra van
enkele middelgrote kernen
aanwezig (afhankelijk van de
afstand tot de hoofdkern).
Daarnaast wordt ingezet op
digitale dienstverlening.
De bibliotheek wordt
geconcentreerd in één centrale kern
in Zeeuws-Vlaanderen (Terneuzen).
Dependances zijn in de andere twee
gementelijek hoofdkernen. de
hoofdkernen.
Maximaal wordt ingezet op digitale
dienstverlening.
Podium
De podia blijven
gehandhaafd in de
hoofdkernen.
Daarnaast spelen de
dorpshuizen een belangrijke
rol als podium en
repetitieruimte voor
verenigingsleven.
De podia blijven gehandhaafd
in de hoofdkernen.
Daarnaast hebben de spelen
de multifunctionele
centra/brede scholen in de
middelgrote kernen een
belangrijke rol voor de
podiumactiviteiten van het
verenigingsleven.
Repetitieruimten zijn
decentraal in de dorpshuizen.
De culturele programmering
wordt regionaal afgestemd.
De kern Terneuzen heeft het
regionale podium/de
schouwburg en een volwaardig
poppodium.
In de andere hoofdkernen zijn
meer kleinschalige
podiumfuncties.
In de multifunctionele
voorzieningen of brede scholen
in de middelgrote kernen zijn
podiumfuncties voor het
verenigingsleven
De kern Terneuzen heeft het
regionale podium/de schouwburg en
een volwaardig poppodium.
In de andere hoofdkernen zijn in
multifunctionele voorzieningen
podiumfuncties voor meer
kleinschalige activiteiten en het
verenigingsleven.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Cultuur-
educatieve centra
Deze zijn in de hoofdkernen
van de gemeenten aanwezig.
Met name in de kleinere
gemeenten is het draagvlak
voor deze voorzieningen echter
mager, waardoor deze zeer
beperkt van opzet zullen zijn
(als dependance).
De cultuureducatie wordt
centraal aangeboden inde
hoofdkernen van de gemeente
gekoppeld aan andere cultuur
en/of voortgezet onderwijs.
Cultuureducatie wordt regionaal
georganiseerd.
In de hoofdkernen van de drie
gemeenten worden
cultuureducatieve activiteiten
aangeboden bij voorkeur in
multifunctionele centra.
Cultuureducatie wordt regionaal
aangeboden in de regiokern
(Terneuzen).
Daarnaast wordt ingezet op een
decentraal aanbod in de brede
scholen voor de doelgroep
jeugd.
Musea
De situering van de musea is
historisch bepaald.
Er is geen regionale
afstemming.
De musea worden
gemeentelijk en regionaal
afgestemd.
Er wordt gezocht naar
clustering met andere culturele
en recreatieve voorzieningen.
De musea worden regionaal
afgestemd en aangeboden.
Clustering met andere culturele
en recreatieve voorzieningen
wordt gezocht.
De musea worden (boven)
regionaal afgestemd en
aangeboden.
Clustering met andere culturele
en recreatieve voorzieningen
wordt gezocht.
1elijnszorg
De 1e lijnszorg functies blijven
op middelkern niveau
aanwezig.
Spreekuren en diensten aan
huis of in dorpshuizen/
seniorencentra.
De 1e lijnszorg functies blijven
op middelkern niveau
aanwezig. Bij voorkeur
gekoppeld aan de V&V-
voorzieningen.
Spreekuren en diensten aan
huis of in dorpshuizen/
seniorencentra.
De 1e lijnszorgfuncties blijven op
middelkern niveau aanwezig. Bij
voorkeur gekoppeld aan de V&V-
voorzieningen.
Spreekuren en diensten aan huis
al dan niet ondersteund met
nieuwe ICT-technologieën
(digitale dokter)
De 1e lijnszorgfuncties worden
geclusterd in medische centra in
de hoofdkernen en (beperkt)
middelkern niveau.
Spreekuren en diensten aan huis
worden ondersteund met nieuwe
ICT-technologieën (digitale
dokter)
Consultatiebureau
Gestreefd wordt naar behoud
van decentrale aanbod.
Door afnemend draagvlak zal
uiteindelijk een opschaling
plaatsvinden van deze
voorzieningen.
Door afnemend draagvlak zal
een opschaling plaatsvinden
van deze voorzieningen (met
name in de gemeente
Terneuzen)
Koppeling aan brede scholen in
de middel- of hoofdkernen.
Consultatiebureaus worden
regionaal gepland en zijn in de
hoofdkernen en beperkt
(afhankelijk van de afstand) in
een of enkele middelgrote
kernen aanwezig.
Bij voorkeur gekoppeld met CJG
en/of brede scholen.
De consultatiebureaus zijn in de
drie hoofdkernen aanwezig.
Verzorging &
Verpleeg-voorziening
Doordat weinig vernieuwing
plaatsvindt in het
voorzieningenaanbod zijn er
weinig aangrijpingspunten voor
grootschalige vernieuwingen in
de (kleine en middelgrote)
kernen.
Uitbreiding vindt vooral plaats
bij de bestaande voorzieningen
in de hoofd- en middelkernen
Zorg aan huis is verder
doorgevoerd ondersteund door
servicepunten in de brede
scholen in de basiskernen.
Gekoppeld aan
voorzieningenclusters worden
kleinschalige woonvormen voor
senioren ontwikkeld in de
middelgrote en hoofdkernen.
Gekoppeld aan
voorzieningenclusters worden
woonzorgvormen voor senioren
ontwikkeld in de middelgrote en
hoofdkernen.
In de hoofdkernen worden meer
specialistische zorg aangeboden
in combinatie met ziekenhuis en
andere zorgvoorzieningen.
Gekoppeld aan
voorzieningenclusters worden
kleinschalige woonvormen voor
senioren ontwikkeld in de
(middel)grote kernen.
In de hoofdkernen worden meer
specialistische zorg aangeboden
in combinatie met ziekenhuis en
andere zorgvoorzieningen.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Dagbesteding senioren
Deze worden zoveel als
mogelijk gekoppeld aan de
dorpshuizen decentraal.
De dagbesteding voor senioren
is decentraal aanwezig en
zoveel als mogelijk gekoppeld
aan andere multifunctionele
voorzieningen
Dagbesteding voor senioren
vindt zoveel als mogelijk
decentraal plaats in de
ontmoetingspunten in de kleine
kernen en in de multifunctionele
centra in de middelgrote kernen.
De dagbesteding voor senioren
is gekoppeld aan de
zorgvoorzieningen in de
(middel)grote kernen.
Ziekenhuis
De vier ziekenhuislocaties
blijven gehandhaafd.
Er zijn drie ziekenhuislocaties
in de drie gemeenten.
Intensieve samenwerking en/of
clustering met V&V-
voorzieningen.
De ziekenhuislocatie in
Terneuzen krijgt een meer
regionale werking.
In Oostburg en Hulst zijn
ziekenhuis en poliklinische
voorzieningen, bij voorkeur
gecombineerd met
huisartsenposten/ medische
centra.
Het ziekenhuis wordt
geconcentreerd op één locatie,
inclusief de poliklinieken.
Afstemming met ziekenhuiszorg
in België vindt plaats.
Leisure
In dit scenario wordt uitgegaan
van een decentraal
voorzieningenaanbod
aansluitend bij de lokale
gemeenschappen.
Een grote investering in
leisurevoorzieningen, die meer
gericht zijn op de individuele
consument uit een groter
verzorgingsgebied zal vanuit
de gemeentelijke overheid dan
ook niet ingezet worden.
In dit scenario vindt vanuit de
overheid weinig impuls plaats
in leisurevoorzieningen.
Beperkt wordt gekeken naar
afstemming met
leisurevoorzieningen vanuit de
particuliere sector.
In dit scenario wordt ruimte
gecreëerd voor
leisurevoorzieningen met een
regionaal verzorgingsgebied.
Gezocht wordt naar combinaties,
met de multifunctionele
sportcomplexen en/of culturele
voorzieningen.
In dit scenario wordt een (groot)
deel van de realisatie van het
hoogwaardige recreatieve en
leisure aanbod overgelaten aan
de private markt. Deze
voorzieningen dienen zich in
Zeeuws-Vlaanderen te richten op
een bovenregionaal
verzorgingsgebied om
exploitabel te zijn.
Aanvullend zal gebruik gemaakt
worden van leisure
voorzieningen buiten de regio en
in België.
Bijlage 2 Toelichting financiën
Onderstaand wordt voor de verschillende kostencomponenten per scenario een toelichting gegeven.
Onderdeel
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Totstandkoming
voorzieningen
(investeringen)
In dit scenario vinden beperkte vernieuwingen plaats in het
aanbod. De investeringslast is dan ook beperkt.
In dit scenario vinden veel
investeringen plaats door de
clustering van voorzieningen in
nagenoeg alle kernen. De
investeringslast is hoog doordat
deze vernieuwing in veel kernen
plaatsvindt.
Het maatschappelijk rendement is
matig. Er zijn relatief hoge kosten
mee gemoeid om de
bereikbaarheid optimaal te
houden, terwijl de bezetting van
de accommodaties niet optimaal is
en veel geïnvesteerd moet
worden.
In dit scenario wordt
geïnvesteerd in een
vernieuwing van het aanbod in
de middelgrote kernen en
hoofdkernen. De
investeringslast is relatief hoog
door de kwaliteitsimpuls en in
mindere mate door de
capaciteit.
Het maatschappelijk
rendement is echter goed. De
investeringen zorgen voor een
kwalitatief hoogwaardig
voorzieningenniveau dat een
goed gebruik en bereik onder
de bevolking kent.
In dit scenario wordt
geïnvesteerd in nieuwe,
hoogwaardige gecentraliseerde
voorzieningen.
Het maatschappelijk
rendement op deze
investeringen is redelijk. De
voorzieningen kennen wel een
goede bezetting, maar de
bereikbaarheid voor kwetsbare
groepen is wel laag.
Instandhouding
voorzieningen
(beheer en
exploitatie)
Gemeenten zullen in dit
scenario veel geld kwijt zijn
aan de instandhouding
(onderhoud en exploitatie) van
de vele voorzieningen.
Het maatschappelijke
rendement is beperkt,
aangezien de bezetting door de
versnippering ook matig is.
Vele geld gaat zitten in de
instandhouding van een
kwalitatief zwak
voorzieningenaanbod.
De instandhoudinglasten zijn ook
hoog doordat veel voorzieningen
in alle kernen overeind worden
gehouden en er overcapaciteit
blijft bestaan.
Wel zijn er beperkte
inverdieneffecten door de
clustering van voorzieningen,
waardoor minder m2 in stand
gehouden hoeven te worden en
efficiency in beheer en exploitatie
gevonden kan worden.
De instandhoudinglasten
(onderhoud) zullen dalen
aangezien de (over)capaciteit
in zijn totaliteit zal afnemen.
De accommodaties worden
beter exploitabel doordat zij
een betere bezetting/gebruik
kennen.
De beheerlasten in zijn
totaliteit dalen omdat er
minder locaties zijn.
Per locatie zullen de
beheerlasten stijgen, doordat
het beheer deels professioneel
ingericht moeten worden.
De instandhoudinglasten zijn
door de verregaande
opschaling lager.
Bovendien kunnen de beheer
en exploitatielasten voor een
deel door maatschappelijke
partners en private partijen
opgepakt worden.
De beheerlasten in zijn
totaliteit dalen omdat er
minder locaties zijn.
Het beheer dient wel
professioneel ingericht te
worden. Vrijwilligers spelen
nauwelijks een rol in beheer en
exploitatie.
Mobiliteits-
investeringen
In dit scenario behoeven geen aanvullende investeringen in de mobiliteit plaats te vinden.
Wel zal het draagvlak voor de bestaande mobiliteitsvoorzieningen (en exploitatie) verder afnemen.
In dit scenario behoeven geen aanvullende investeringen in de mobiliteit plaats te vinden.
Wel zal het draagvlak voor de bestaande mobiliteitsvoorzieningen (en exploitatie) verder afnemen.
In dit scenario zal geïnvesteerd moeten worden in kleinschalige, gebundelde vervoersvoorzieningen voor doelgroepen naar de basisvoorzieningen in de naastgelegen kernen.
De afstanden zijn relatief beperkt en de vervoersbewegingen geconcentreerd, waardoor de exploitatielasten hiervan relatief beperkt kunnen blijven.
n dit scenario zijn aanzienlijk geïnvesteerd moeten worden om de basisvoorzieningen voor doelgroepen bereikbaar te houden.
De afstanden zijn relatief groot en de vervoersbewegingen divers, waardoor de exploitatielasten hoog zullen zijn.
Bijlage 3 Toelichting beoordeling scenario’s
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Aansluiting
maatschappelijke
ontwikkelingen
Rood
Geel
Groen
Geel
Dit scenario speelt nauwelijks in op
de maatschappelijke ontwikkelingen
die zich voordoen.
In dit scenario spelen verenigingen
en vrijwilligers een belangrijke rol in
de instandhouding van
voorzieningen; zonder hen is instandhouding niet mogelijk.
Landelijk zien we echter een
terugloop in het aantal vrijwilligers;
het wordt steeds lastiger om
vrijwilligers te vinden die zich
structureel en voor langere tijd voor
een accommodatie willen inzetten.
Zeeuws-Vlaanderen wordt op dit
moment gekenmerkt door een hoge
mate van betrokkenheid en
vrijwilligersinzet, maar de verwachting is dat de afname van
het aantal vrijwilligers zich (op termijn) ook in Zeeland voordoet.
Het aantal potentiële vrijwilligers
neemt bovendien af door de afname
van het aantal inwoners. Dit scenario gaat uit van “samen de schouders eronder”; een grote mate van gemeenschapszin en lokale
betrokkenheid is nodig om de decentrale voorzieningenstructuur in stand te kunnen houden. Dit sluit
niet aan bij de trend van individualisering die zich landelijk en
ook in Zeeuws-Vlaanderen
voordoet. In dit scenario wordt
bovendien gekozen voor een
voorzieningenstructuur waarin elke
kern over min of meer hetzelfde
voorzieningenaanbod beschikt; er is
weinig keuzevrijheid voor de “moderne consument”.
Tenslotte wordt in dit scenario ervan
uitgegaan dat de kerngerichtheid voor voorzieningen sterk aanwezig blijft, terwijl steeds meer een ontwikkeling te zien is van autonome dorpen naar regionaal ingebedde dorpen
Dit scenario sluit redelijk aan
op maatschappelijke
ontwikkelingen die zich voordoen.
In dit scenario spelen
verenigingen en vrijwilligers
een belangrijke rol in de
instandhouding van
voorzieningen; zonder hen is
instandhouding niet mogelijk.
Landelijk zien we echter een
terugloop in het aantal
vrijwilligers.
In dit scenario wordt de
vrijwilligerstructuur echter versterkt en minder belast
door clustering en
samenwerking
Ook dit scenario gaat uit van
“samen de schouders
eronder”; een bepaalde mate
van gemeenschapszin en lokale betrokkenheid is nodig
om de voorzieningen per kern in stand te kunnen houden. In
dit scenario wordt dit echter
wel op een moderne manier
vormgegeven door stimulering
van samenwerking op kernniveau.
Het vernieuwde aanbod sluit
beter aan bij de kwaliteitseisen
van de moderne burger.
Wel is er slechts sprake van
beperkte diversiteit, waarmee
dit minder aansluit bij de meer
individueel ingestelde
consument.
Desondanks geldt ook in dit
scenario dat er van uitgegaan
wordt dat de mensen
nadrukkelijk kiezen voor
voorzieningen op korte afstand, terwijl een ontwikkeling gaande is dat
mensen bereid zijn naar een
andere kern te gaan voor
andersoortige of kwalitatief
hoogwaardigere voorzieningen.
Dit scenario sluit goed aan op
maatschappelijke ontwikkelingen
die zich voordoen.
Dit scenario vraagt om meer
professioneel beheer. De
kleinschalige steun- en
ontmoetingspunten op
kernniveau worden – voor zover
aanwezig – door “de lokale
gemeenschap” gerund; de grotere, multifunctionele
voorzieningen worden door professionele (maatschappelijke)
instellingen gerund, met
ondersteuning van gebruikers en
partners.
Dit scenario gaat niet uit van een lokale gemeenschap die
zorgt voor instandhouding van
een voorzieningenaanbod; het gaat uit van professioneel
beheer. Mensen zijn niet
“verplicht” om zich in te zetten
voor de voorzieningen. Wel zal een beroep gedaan worden op
inzet voor activiteiten. Dit sluit aan bij de verdergaande
individualisering en nieuwe vormen van vrijwilligerswerk.
Dit scenario biedt meer ruimte
voor vernieuwing en investering;
dat maakt dat inwoners meer
keuzemogelijkheden hebben. Er
is meer diversiteit in aanbod,
kernen beschikken niet allemaal
over hetzelfde aanbod aan
voorzieningen.
Dit sluit aan bij de ontwikkeling
waarin mensen bereid zijn te reizen voor een aanbod dat qua aard en/of kwaliteit aansluit bij hun keuze (de ontwikkeling van autonome naar regionaal ingebedde dorpen).
Dit scenario sluit aan op
maatschappelijke
ontwikkelingen die zich voordoen, zoals de afname van het aantal vrijwilligers
en de verdergaande
individualisering.
Dit scenario vraagt om
professioneel beheer van voorzieningen. Er zijn alleen nog grote,
multifunctionele
voorzieningen en de
complexiteit hiervan in
beheer is hoog. Inwoners
spelen geen rol in de
instandhouding; zij zijn “slechts” consument van de
voorziening.
Vrijwilligerswerk wordt
nauwelijks gestimuleerd
door de
voorzieningenstructuur in dit scenario. Er wordt vanuit gegaan dat dit niet
meer haalbaar is. De
voorzieningen komen
hiermee ver af te staan van de lokale gemeenschappen.
Dit scenario biedt meer ruimte voor vernieuwing en
investering. Er is meer
diversiteit in aanbod,
kernen beschikken niet allemaal over hetzelfde
aanbod aan voorzieningen;
dat maakt dat inwoners
meer keuzemogelijkheden
hebben, al zijn zij
aanwezen op de voorzieningen in grotere voorzieningen in grotere
kernen en afhankelijk van de bereikbaarheid ervan. Dit scenario gaat ervan uit dat nagenoeg alle dorpen zich ontwikkelen tot woondorpen.
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Bereikbaarheid
Groen
Groen
Geel
Rood
De bereikbaarheid van
voorzieningen is in dit scenario
hoog. Dagelijkse voorzieningen zijn
in iedere kern en “op loopafstand”
aanwezig; alleen voor grotere,
specifieke voorzieningen zijn
inwoners aangewezen op de grotere
kernen.
Het draagvlak voor openbaar
vervoer in sommige kernen neemt
door de bevolkingskrimp wel verder
af.
Net als in scenario 1 staat in
dit scenario de beschikbaarheid
en bereikbaarheid van
(basis)voorzieningen centraal.
Voor reguliere, dagelijkse
voorzieningen kunnen
inwoners in hun eigen kern
terecht, vaak ook nog in één
multifunctionele
accommodatie. Alleen voor
grotere, specifieke
voorzieningen zijn inwoners
aangewezen op naastgelegen,
grotere kernen.
Bereikbaarheid en
beschikbaarheid van
voorzieningen is niet leidend in
dit scenario; evenwicht in vraag
en aanbod staat hierin centraal
en aansluiting bij de
veranderende behoefte. Dat
betekent dat inwoners van kleine
kernen gebruik maken van
voorzieningen in de
naastgelegen, middelkernen.
Wel veelal binnen vijf kilometer
aanwezig.
De mobiliteit is een belangrijk
aandachtspunt in dit scenario,
vooral voor kwetsbare groepen.
Door gebundelde
vervoersstromen kunnen
hiervoor integrale kleinschalige
vervoersvoorzieningen
gerealiseerd worden.
De bereikbaarheid van
voorzieningen is een
belangrijk minpunt in dit
scenario, vooral voor
ouderen en mensen met
een beperkte actieradius.
Voorzieningen, ook
basisvoorzieningen, zijn “op
(grote) afstand” aanwezig.
Investering in
vervoersdiensten om dit te
compenseren, is door de
grote afstanden en
dunbevolktheid moeilijker
te realiseren.
Ondersteuning sociale samenhang in de kernen
Geel
Groen
Groen
Rood
In dit scenario speelt “de
gemeenschap” een belangrijke rol in
de instandhouding en exploitatie
van voorzieningen. Omgekeerd kun
je ook zeggen dat de voorzieningen
een belangrijke rol spelen in het
bevorderen van samenhang en
leefbaarheid binnen de kern of
gemeente; inwoners en
verenigingen moeten samen de
schouders eronder zetten om de decentrale voorzieningenstructuur in
stand te houden.
Minpunt van dit scenario is echter
dat de voorzieningen/vrijwilligers-
organisaties veelal op zich zelf staan
in de kern.
In dit scenario speelt “de
gemeenschap” een belangrijke
rol in de instandhouding en
exploitatie van voorzieningen.
De lokale gemeenschap en
leefbaarheid wordt versterkt en
ondersteund door de clustering
van voorzieningen waardoor de
samenwerking en ontmoeting
op kernniveau versterkt wordt
Op kernniveau blijft een
ontmoetingsvoorziening
aanwezig. Deze draagt bij aan
de sociale cohesie in het dorp.
Veel leefbaarheidsaspecten
worden via activiteiten
georganiseerd en/ of de
woonomgeving.
Mensen worden aangesproken
op andere vromen van
vrijwilligerswerk en gemeenschapszin, bijv in het
organiseren van gezamenlijke
mobiliteit, ontwikkelen van
nieuwe activiteiten en diensten.
Voorzieningen dragen
minder bij aan de sociale
samenhang binnen een
kern. Ook wordt de
gemeenschapszin en
betrokkenheid in dit
scenario niet gestimuleerd;
voorzieningen worden
professioneel beheerd en
zijn veelal op een hoger
schaalniveau georganiseerd; de lokale
gemeenschappen spelen
hierin geen rol.
Leefbaarheid wordt in dit
scenario volledig rondom
de woonfunctie
gedefinieerd.
Flexibiliteit
Rood
Geel
Groen
Geel
Dit scenario scoort laag op het
criterium flexibiliteit. Alles is gericht
op instandhouding van de
bestaande, decentrale
voorzieningenstructuur. Op een
enkele uitzondering na, zijn dit
veelal solitaire voorzieningen die
niet of nauwelijks multifunctioneel
inzetbaar zijn. Het biedt weinig
mogelijkheden om in te spelen op
een veranderende vraag of
omgeving.
Dit scenario scoort beter op
het criterium flexibiliteit dan
scenario 1, maar nog altijd
relatief laag. Het is gericht op
instandhouding en realisatie
van een multifunctionele,
decentrale
voorzieningenstructuur; dat wil
zeggen dat accommodaties op
kernniveau multifunctioneel
inzetbaar zijn, maar dat weinig
uitwisseling op gemeentelijk of
regionaal niveau plaatsvindt.
Hierdoor blijft versnippering en
overcapaciteit bij veranderend
gebruik bestaan.
Dit scenario scoort goed op het
criterium flexibiliteit;
accommodaties zijn
multifunctioneel inzetbaar.
De capaciteit is in evenwicht met
de vraag en er vindt afstemming
op gemeentelijk en regionaal
niveau plaats.
Op relatief geringe afstand is
een diversiteit aan voorzieningen
beschikbaar. Mensen hebben
hierdoor meer
keuzemogelijkheden, waardoor
meer ruimte is om in te spelen
op een veranderende vraag.
Dit scenario scoort redelijk
goed op het criterium
flexibiliteit; accommodaties
zijn multifunctioneel
inzetbaar en er vindt
afstemming op regionaal
niveau plaats. Dit biedt
ruimte om in te spelen op
een veranderende vraag of
omstandigheden.
Minder punt is de relatief
hoge opschaling, waardoor
minder goed ingespeeld
kan worden op geografisch
bepaalde verandering van
de vraag in een bepaalde
kern.
Samenwerking
Geel
Groen
Groen
Geel
Verenigingen, inwoners en de gemeente moeten in dit scenario
nadrukkelijk samenwerken om de
decentrale voorzieningenstructuur in stand te houden; zonder inzet van
vrijwilligers en verenigingen is dit
niet haalbaar.
In dit scenario vindt geen samenwerking plaats met “de
(regionale en internationale)
markt”; instandhouding van de
decentrale voorzieningenstructuur is vooral een taak van de gemeente en
“de lokale gemeenschap”. Ook
tussen de verschillende gemeenten
en kernen vindt nauwelijks
samenwerking plaats; kernen staan
op zichzelf en zijn zoveel mogelijk zelfvoorzienend.
In dit scenario vindt nauwe
samenwerking plaats tussen
verenigingen, inwoners, de
gemeente en (in mindere
mate) maatschappelijk
partners
Binnen de kern is
samenwerking en clustering
een van de centrale
uitgangspunten. Tussen kernen vindt beperkt samenwerking
plaats.
Regionale afstemming en samenwerking tussen gemeenten geschiedt
nauwelijks in dit scenario.
In dit scenario vindt nauwe
samenwerking plaats tussen de
verschillende gemeenten en
wordt ook gebruik gemaakt van
voorzieningen in België.
Gemeenten stemmen hun
voorzieningenaanbod
nadrukkelijk op elkaar af en
houden hierbij rekening met de
voorzieningen die in België aanwezig zijn. Voor grotere,
specifieke voorzieningen wordt
samenwerking met “de markt”
gezocht. Op middelkernniveau vindt nauwe samenwerking tussen inwoners, maatschappelijk
partners en de gemeente plaats. Samenwerking in de woongemeenschappen vindt rondom activiteiten plaats.
Dit scenario vereist een nauwe samenwerking
tussen gemeenten,
maatschappelijk partners
en “de (internationale)
markt”. Zonder inzet van de markt is het niet of nauwelijks mogelijk het
kwalitatief hoogwaardige
voorzieningenaanbod te realiseren c.q. in stand te houden.
Vraag is of er voldoende
partijen te vinden zijn om hierin een aanvullende rol
te spelen.
Samenwerking met de lokale gemeenschappen vindt nauwelijks plaats. Voorzieningen staan hier immers los van.
Financiële robuustheid
Rood
Rood
Groen
Groen
In dit scenario zijn de
instandhoudingkosten hoog; er
wordt veel geld geïnvesteerd in de
instandhouding van de (bestaande)
voorzieningenstructuur. Ook leegstand wordt daarmee in stand
gehouden, aangezien een deel van
de vraag – vooral naar
voorzieningen voor jeugd en
jongeren – zal wegvallen.
De realisatiekosten daarentegen zijn
relatief laag; er worden geen nieuwe
accommodaties gerealiseerd, alles is
gericht op instandhouding (en op
termijn vervanging) van de
bestaande voorzieningen.
Kostendekkende exploitatie van de
accommodaties lijkt – zeker op de
lange termijn – niet haalbaar. De
personele kosten (vaak de grootste
kostenpost) zijn weliswaar beperkt
doordat de accommodaties worden
“gerund” door verenigingen en
vrijwilligers, maar er zijn (te) weinig
mogelijkheden om inkomsten te
genereren; er is een overschot aan
accommodaties in relatie tot de
vraag en het aanbod sluit niet aan
op de (veranderende) vraag.
Dit scenario vraagt om een
investering in het bestaande
voorzieningenniveau; er moeten relatief veel
multifunctionele
accommodaties worden
gerealiseerd en/of bestaande
accommodaties moeten
multifunctioneel worden
ingericht/aangepast.
Het biedt wel de mogelijkheid
om het totale aanbod aan
accommodaties (in termen van
m²) te verminderen; op de
langere termijn zorgt dit voor
lagere kosten voor
instandhouding van de voorzieningen, maar er blijft
toch nog een overcapaciteit
hetgeen de instandhouding
onder druk zet.
Doordat voorzieningen veelal
door de “lokale gemeenschap”
worden gerund, zijn de kosten
voor beheer en exploitatie
wellager dan in een
professionele beheervariant.
Kostendekkende exploitatie
lijkt echter niet haalbaar; de
verdienmogelijkheden zijn beperkt, doordat de voorzieningen relatief kleine
verzorgingsgebieden kennen.
Dit scenario vraagt om
investeringen, niet zozeer in het
bestaande voorzieningenaanbod,
maar vooral in de realisatie van
nieuwe, grotere, multifunctionele
voorzieningen. Het betreft wel
minder accommodaties dan in
scenario 2.
Over het algemeen vragen
multifunctionele voorzieningen
om hogere initiële investeringen
dan solitaire voorzieningen.
Aangezien “evenwicht in vraag
en aanbod” het leidende principe
is in dit scenario, biedt het goede mogelijkheden om het
aanbod (in termen van m²) daarmee de structurele kosten
op de lange termijn terug te brengen.
De kosten voor beheer en
exploitatie van de voorzieningen
daarentegen nemen per locatie
toe. Dit komt doordat een grotere mate van professioneel
beheer nodig is, maar er zijn wel
aanzienlijk minder locaties dan
in de huidige situatie. Dit scenario biedt dan ook goede
mogelijkheden voor
kostendekkende exploitatie en
verlaging van de
instandhoudingskosten voor de
voorzieningen als geheel. Ook zijn in dit scenario gemakkelijke
medekostendragers te vinden dan in scenario 1 en 2.
Dit scenario gaat uit van
evenwicht in vraag en
aanbod vanuit het oogpunt van capaciteit (kwantiteit).
Dat wil zeggen dat
voorzieningen een passend
verzorgingsgebied hebben en goede
exploitatiemogelijkheden
kennen. De kwaliteitsprong die
beoogd wordt vraagt echter hoge investeringen,
evenals de professionele
wijze van beheer en
exploitatie. Het aanbod
moet immers zo
aantrekkelijk zijn dat het
gebruikers over grote
afstand trekt.
Wel zijn in dit scenario
medekostendragers vooral voor de meer
hoogwaardige
voorzieningen te vinden.
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Innovatief vermogen
In dit scenario is weinig ruimte voor
vernieuwing en innovatie; alle tijd,
geld en moeite wordt gestoken in de
instandhouding van bestaande
voorzieningen en de decentrale
voorzieningenstructuur. Ook de afwezigheid van “de markt” maakt
dat in dit scenario weinig innovatie
mag worden verwacht.
In dit scenario is weinig ruimte
voor innovatie. Ingezet wordt
op een kwaliteitsverbetering
van het bestaande pakket aan
voorzieningen. Hierbinnen
kunnen wel nieuwe
huisvestingsconcepten worden toegepast.
Er worden geen “nieuwe” type
voorzieningen ontwikkeld. Ook
de afwezigheid van “de markt” maakt dat in dit scenario minder innovatie mag worden verwacht
In dit scenario ontstaat ruimte voor vernieuwing en innovatie. Er wordt minder tijd, geld en moeite gestoken in
instandhouding van een
decentrale
voorzieningenstructuur;
daarmee blijft tijd, geld en ruimte over om te investeringen
in andersoortige en nieuwe voorzieningen en concepten.
Ook de aanwezigheid van “de markt” maakt dat in dit scenario
innovatie mag worden verwacht.
Een van de kenmerken van dit scenario is innovatie. De
voorzieningenstructuur
wordt volledig opnieuw
ingericht en er wordt een forse kwaliteitssprong
beoogd.
Samenwerking met de
markt moet dit mogelijk maken.
Kwaliteit
Rood
Geel
Groen
Groen
In dit scenario blijft weinig ruimte
over voor verbetering van de
kwaliteit van voorzieningen; alle
tijd, geld en moeite wordt gestoken
in de instandhouding van bestaande
voorzieningen en de decentrale
voorzieningenstructuur.
Gevreesd mag zelfs worden voor
een verschraling van het aanbod,
doordat de voorzieningen steeds
moeilijker overeind zijn te houden
(financieel en organisatorisch).
In dit scenario ontstaan
mogelijkheden voor
kwaliteitsverbetering op het moment dat nieuwe,
multifunctionele
accommodaties worden gerealiseerd of bestaande
accommodaties opnieuw
worden ingericht. Het biedt bovendien de mogelijkheid om
in te spelen op een
veranderende vraag.
Een kwaliteitsverbetering van het voorzieningenpakket is minder aan de orde. Er is geen
ruimte om meer kwalitatief
hoogwaardige voorzieningen te
realiseren.
Dit scenario biedt goede mogelijkheden voor verbetering
van de kwaliteit van
accommodaties, vooral bij de realisatie van nieuwe accommodaties.
Bovendien kan door de
opschaling meer diversiteit en
hoogwaardige voorzieningen
gerealiseerd worden.
Dit scenario gaat uit van een volledige herinrichting
van het voorzieningenaanbod in Zeeuws-Vlaanderen. Het
doel is een hoogwaardig
voorzieningenaanbod en biedt goede mogelijkheden
om te investeren in de
kwaliteit van
voorzieningen.
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Continuïteit
Rood
Geel
Groen
Groen
Aansluiting bij Wmo-
beleid
De continuïteit van voorzieningen is
in dit scenario alleen geborgd als “iedereen” zich betrokken en verantwoordelijk voelt, gebruik maakt van de beschikbare
voorzieningen en ook bereid is zich in te zetten voor de instandhouding en exploitatie ervan. Gezien de demografische en
maatschappelijke ontwikkelingen die zich voordoen, ligt dit niet voor de hand; voorzieningen komen onder druk te staan en een aantal zal (op termijn) noodgedwongen zijn deuren moeten sluiten.
De continuïteit van
voorzieningen is in dit scenario
alleen geborgd als de lokale
gemeenschap meer gaat
samenwerken en afstemmen
en ook bereid is zich in te
zetten voor de instandhouding
en exploitatie ervan.
Ondersteuning zal dit moeten
stimuleren, maar de
demografische en
maatschappelijke
ontwikkelingen die zich
voordoen zijn zo fors dat de
continuïteit financieel en
organisatorisch van de relatief
kleine voorzieningen toch
onder druk komt te staan.
De continuïteit van de grotere, multifunctionele voorzieningen is
geborgd doordat deze
accommodaties betere
exploitatiemogelijkheden en grotere verzorgingsgebieden
kennen en medekostendragers
betrokken kunnen worden. Dit komt het exploitatieresultaat en
de bezetting van de
accommodaties ten goede. De kleinschalige steun- en ontmoetingspunten op kernniveau kunnen alleen behouden blijven met de inzet van de “lokale gemeenschap” en professionele ondersteuning op
afstand.
Dit scenario gaat uit van volledig evenwicht in vraag
en aanbod vanuit
capaciteitsoogpunt. Dat wil zeggen dat er geen sprake
is van over- of
ondercapaciteit en draagt bij aan de continuïteit van
de voorzieningen.
Belangrijke voorwaarde is
wel dat inwoners gebruik blijven maken van de voorzieningen (op afstand)
en dat nieuwe bezoekers
worden aangetrokken.
Aansluiting bij Wmo-beleid
Geel
Groen
Groen
Rood
Dit scenario zet sterk in op de lokale
gemeenschappen en sluit aan bij het
gedachtegoed van de civil society. De kanteling van de Wmo en de
professionele ondersteuning daarin wordt echter minder goed
gefaciliteerd.
Dit scenario speelt goed in op
het gedachtegoed van de Wmo. Versterking van de lokale gemeenschap,
ontmoeting en wisselwerking
door tussen professionals en
vrijwilligers wordt door de
samenwerking en clustering op
kernniveau gestimuleerd.
Ook dit scenario speelt goed in op de Wmo. Weliswaar zijn er
minder voorzieningen in de kleine kernen aanwezig. Echter
de ontmoetingspunten
(dorpshuizen en
dagvoorzieningen voor senioren) zijn in alle kernen aanwezig.
Bovendien is de professionele
ondersteuning geclusterd (en
versterkt) aanwezig in de middelkernen, van waaruit de
mensen in de kleine keren en thuis bediend worden.
Dit scenario sluit nauwelijks
aan bij het huidige Wmo-beleid. De
voorzieningenstructuur
wordt los georganiseerd
van de lokale
gemeenschappen. Vooral voor de kwetsbare groepen
is de voorzieningen-
structuur onvoldoende
gespreid aanwezig.
Criterium
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Scenario 4
Onderscheidend
vermogen
Rood
Geel
Groen
Groen
In dit scenario streeft elke kern naar behoud van de bestaande, decentrale voorzieningenstructuur.
In praktijk hebben de kernen een
voorzieningenaanbod dat sterk op elkaar lijkt; er is weinig onderscheid tussen kernen en diversiteit in
aanbod. Bovendien is het aanbod traditioneel
ingekleurd.
In dit scenario streeft elke kern
naar behoud van een eigen, multifunctioneel
voorzieningenaanbod; er is weinig onderscheid tussen
(type) kernen. Alleen grotere kernen onderscheiden zich van de rest, aangezien zij over grotere, specifieke
voorzieningen beschikken. In dit scenario onderscheidt
Zeeuws-Vlaanderen zich als geheel wel door de realisatie van een hoogwaardige,
decentrale, multifunctionele
voorzieningenstructuur.
Dit scenario biedt de
verschillende gemeenten en
kernen de mogelijkheid om zich
te onderscheiden. Gemeenten en grotere kernen kunnen zich
onderscheiden door de
aanwezigheid van grotere,
multifunctionele voorzieningen
(al dan niet thematisch);
kleinere kernen kunnen zich
onderscheiden door een grote
mate van lokale
betrokkenheid/gemeenschapszin
en daarmee het behoud van
(basis)voorzieningen.
De regio onderscheidt zich door
een duidelijk en kwalitatief
hoogwaardig maatschappelijk
voorzieningenpakket op de
verschillende schaalniveaus.
Dit scenario biedt de beste
mogelijkheden voor Zeeuws-Vlaanderen om
zich als regio te
onderscheiden. Er wordt sterk ingezet op nieuwe en hoogwaardige
voorzieningen.
Keerzijde van de medaille
is wel dat Zeeuws-
Vlaanderen zich minder
onderscheidt op een goede
spreiding van de
kleinschalige
basisvoorzieningen op kernniveau, terwijl dit tot
nu toe Zeeuws-Vlaanderen
als regio kenmerkte en
onderscheidde.
Bijlage 4 Toelichting Participatieladder
De participatieladder is er is een handig hulpmiddel om inzichtelijk te maken op welk niveau inwoners invloed kunnen uitoefenen op het te voeren beleid. De ladder varieert in grootte van vier tot acht treden. De meest gangbare participatieladder bestaat uit vijf treden:
1Informeren
Het politieke bestuur bepaalt zelf de agenda voor besluitvorming en informeert hierover eenzijdig de burgers. De rol van de participant is die van ontvanger.
2Raadplegen
Het politieke bestuur bepaalt zelf de (politieke) agenda voor besluitvorming. De betrokken burgers en organisaties worden gezien als gesprekspartners bij de ontwikkeling van beleid. De gespreksresultaten vormen bouwstenen voor beleid. Politieke bestuurders verbinden zich niet aan de resultaten die uit de gesprekken naar voren komen. De rol van de participant is geconsulteerde, de gemeente houdt rekening met de wensen van deelnemers.
3Adviseren
Het politieke bestuur stelt de politieke agenda samen. De betrokken burgers en organisaties hebben de gelegenheid om problemen aan te dragen en oplossingen te formuleren. Politieke bestuurders verbinden zich aan de resultaten van het participatietraject, maar kunnen er eventueel van afwijken als dat beargumenteerd gebeurt. De rol van de participant is adviseur, de gemeente vraagt om advies.
4Coproduceren
Het politieke bestuur en de betrokken burgers en organisaties komen gezamenlijk een agenda overeen, waarna ook gezamenlijk naar oplossingen wordt gezocht. Het gemeentebestuur verbindt zich aan de oplossingen. De rol van de participant en de gemeente is samenwerkingspartner.
5(Mee)beslissen
Het politieke bestuur delegeert de besluitvorming aan betrokkenen en neemt de genomen besluiten over. De rol van de participant is medebeslisser, de gemeente stelt de randvoorwaarden op.