Gemeentelijke regelgeving

Planologisch afwijkingenbeleid 2022

Gemeente Súdwest-Fryslân · geldt sinds 7 juli 2022

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;

Heeft overwogen dat:

•zij op 14 mei 2019 het Planologische afwijkingenbeleid hebben vastgesteld;

•dit beleid is bedoeld een goede ruimtelijke onderbouwing te geven in specifieke gevallen af te kunnen wijken van een bestemmingsplan of beheerverordening;

•het Planologisch afwijkingenbeleid op 28 mei 2019 bekend is gemaakt in Gemeenteblad 130367;

•nadien de volgende wijzigingen van het afwijkingenbeleid zijn vastgesteld:

•op 21 september 2021: toevoeging begrip ‘Bebouwde kom’ aan paragraaf 3.3;

•op 8 maart 2022: vaststelling van de Notitie toepassen beleid parkeren bij beroepen of bedrijven aan huis en B&B aan huis als uitwerking van de bepalingen hierover in paragraaf 3.13.2;

•op 20 juni 2022: vaststelling Beleidsregels bijbehorende bouwwerken percelen Tolhûsdyk 3, 5, 7, 9 en 11 te Sneek;

•het wenselijk is deze wijzigingen te verwerken in het Planologisch afwijkingenbeleid en de geconsolideerde versie van dit beleid te publiceren;

•daarmee ook uitvoering te geven aan artikel 6 van de Bekendmakingswet.

Gelet op artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Besluit:

Het Planologisch afwijkingenbeleid, vastgesteld op 14 mei 2019 en gewijzigd bij besluit van 21 september 2021, 8 maart 2022 en 20 juni 2022, geconsolideerd vast te stellen en bekend te maken.

Hoofdstuk 2 Algemene beleidsregels

2.2.2 Relatie planologische afwijking en welstand

Algemene beleidsregel:

•In eerste instantie dient de welstandcommissie zich te richten naar de inhoud van het afwijkingenbeleid. Bij conflictsituaties tussen het welstandsadvies en het afwijkingenbeleid prevaleert het afwijkingenbeleid. Uitzonderingen gelden wanneer is aangegeven dat het welstandsadvies richtinggevend is. Dit houdt in dat het welstandsadvies zwaarwegend is bij de afweging of een afwijking al dan niet wordt verleend.

2.2.4 Relatie planologische afwijkingen en monumenten/beschermd stadsgezicht

Algemene regel monumenten en beschermde stadsgezichten

•Het welstands- en/of monumentenadvies is zwaarwegend bij de afweging of medewerking wordt verleend aan een omgevingsvergunning in afwijking van de regels van het bestemmingsplan.

2.3.3 Eigendom

Beleidsregels over privaatrechtelijke aspecten

•Indien bij een verzoek om planologische afwijking, privaatrechtelijke belemmering(en) voor de realisering van een bouwwerk aanwezig zijn, wordt van de aanvrager gevraagd een verklaring van de buren te overleggen, waaruit blijkt dat deze akkoord gaan met realisatie van het voorgenomen project. Indien een dergelijke verklaring niet wordt overgelegd, wordt een afweging gemaakt waarbij zeer veel gewicht wordt gegeven aan de privaatrechtelijke aspecten die aan realisatie van het project in de weg staan.

2.4 Bezonning van tuinen en toetreding van daglicht

Algemene beleidsregels voor bezonning van tuinen en toetreding van daglicht

•Bij bouwwerken tot een hoogte van 3 meter of de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,25 meter is geen nader onderzoek nodig. Is het te realiseren bouwwerk hoger dan wordt de aanvrager, indien duidelijk sprake zal zijn van schaduwwerking op het buurperceel, verzocht nader te onderbouwen dat de schaduwwerking niet onevenredig nadelig is voor gebruiksmogelijkheden van het buurperceel. Voor deze onderbouwing dient een bezonningsonderzoek overlegd te worden.

2.5 Stedenbouwkundige aspecten

Algemene beleidsregel omtrent stedenbouwkundige aspecten

•Het plan mag niet resulteren in een onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld.

Hoofdstuk 3 Specifieke beleidsregels

3.3 Begripsbepalingen en wijze van meten

Begripsbepalingen

Onderstaande begripsbepalingen worden gebruikt bij de toepassing van deze beleidsregels. Aan de hand van het geheel aan begripsbepalingen, dient per geval te worden bepaald welke afwijkingsregels van toepassing zijn op het project en hoe deze regels moeten worden geduid.

a.Aangebouwd bijbehorend bouwwerk: een gebouw of bouwwerk met een dak dat als afzonderlijke ruimte of als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

b.Achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

c.Bebouwde kom:

1De percelen gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân die, op de kaart: “Begrenzing stedelijk gebied” behorende bij de “Verordening Romte Fryslân”, zijn gelegen in “Bestaand stedelijk gebied”, en

2de situatie beschouwd naar feitelijke aard, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en van belang is waar de bebouwing nagenoeg feitelijk ophoudt. De plaats van verkeersborden is daarbij niet van belang.

d.Bed & breakfast: een overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een woning en wordt gerund door de bewoner van de betreffende woning. De woonfunctie van de woning wordt daarbij niet in onevenredige mate aangetast.

e.Beleidsregel: beleidsregel ex. artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2 van de Wabo;

f.Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

g.Buiten de bebouwde kom: percelen die niet zijn gelegen in de bebouwde kom, zoals hierboven gedefinieerd;

h.Dakkapel: een uitbouw binnen het dakvlak van een gebouw met kapconstructie, welke uitbouw doorgaans geen wijziging van de vorm en het profiel van het dak veroorzaakt;

i.Dakopbouw:

1Het door een gevel of nokverhoging vergroten van een bestaande ruimte welke leidt tot een wijziging van de vorm en het profiel van het dak;

2Een (extra) bouwlaag die op de bovenste verdieping van een bestaand gebouw wordt gebouwd (zie bijlage 4 - referentiebeeld 1).

j.Erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

k.Hoofdgebouw: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen als belangrijkste bouwwerk is aan te merken. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken die minstens 1 meter lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw worden niet tot het hoofdgebouw gerekend;

l.Kap: een kap is een afdekking van een gebouw waarbij van bovenaf gezien ten minste 50% van het gebouw wordt afgedekt met hellende dakvlakken;

m.Openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

n.Voorerfgebied: erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

o.Voorgevelrooilijn: voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening;

p.Vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een op zichzelf staand, vrijstaand gebouw, of bouwwerk met een dak, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist, tenzij in de voorschriften regels van het bestemmingsplan anders is bepaald;

q.Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe (in het bestemmingsplan) bestemd perceel is geplaatst.

Wijze van meten

1Voor de wijze van meten wordt, onder aanvulling met hetgeen hieronder is bepaald over de goot- en boeiboordhoogte, aangesloten bij hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan of de beheersverordening dat voor het betreffende perceel van kracht is, tenzij deze wijze van meten onevenredig nadelig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2Goot- of boeiboordhoogte: bij de volgende kapvormen wordt de hoogste goothoogte of boeiboordhoogte niet meegerekend bij het bepalen van de goot- of boeiboordhoogte.

3.4 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom (artikel 4, lid 1)

Beleidsregel 1

1Beleidsregels voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken (binnen de bebouwde kom):

a.Het te bouwen bijbehorend bouwwerk dient functioneel verbonden te zijn met het op hetzelfde perceel of het direct aansluitend perceel gesitueerde hoofdgebouw.

b.Indien het te bouwen bijbehorend bouwwerk in functionele zin opgericht wordt ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis, zijn tevens de beleidsregels onder 10a van overeenkomstige toepassing (zie paragraaf 3.12.2).

3.4.1 Bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied bij een woning

Beleidsregel 1a Regels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken in de vorm van een erker (uitbouw)

Bouwen aan de voorkant van een hoofgebouw in de vorm van een erker, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

•Horizontale diepte maximaal 1,5 meter.

•Horizontale afstand van de erker tot de perceelgrens met het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,5 meter.

•Breedte maximaal 50% van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw.

•Bouwhoogte maximaal 3 meter dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw +0,25 meter.

Beleidsregel 1b Regels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de voorzijde (aan- of uitbouw)

Aan de voorzijde van een woning mag alleen aangebouwd worden wanneer er oorspronkelijk een bijbehorend bouwwerk in de voortuin van de woning is gelegen. De ruimte tussen het oorspronkelijke bijbehorende bouwwerk en het hoofdgebouw mag worden dicht gebouwd door een aangebouwd bijbehorend bouwwerk. Hierbij is een voorwaarde dat dit bijbehorend bouwwerk aansluit op woningen in het bouwblok die dit in het verleden al hebben uitgevoerd met bouw of omgevingsvergunning.

•Niet breder dan het oorspronkelijke bijbehorende bouwwerk.

•Maximale hoogte is de hoogte van het oorspronkelijke bijbehorende bouwwerk, met een maximum van 5 meter.

•Wanneer de kap van het bijbehorende bouwwerk een uitloper is van de kap van het hoofdgebouw is de goothoogte van het hoofdgebouw maatgevend, medewerking kan verleend worden tot aan maximaal 5 meter hoogte.

Beleidsregel 1c Regels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de zijgevel bij hoeksituaties (aan- of uitbouw)

•Minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw.

•Minimaal 1 meter van de perceelgrens met het openbare gebied en minimaal 2.50 meter ten opzichte van de weg (trottoirs, groenstroken e.d. niet meegerekend) en achter of op de voorgevelrooilijn van de aangrenzende hoofdgebouwen.

•De goothoogte maximaal 0,25 meter boven vloer van eerste verdieping dan wel de bestaande hoogte indien deze hoger is.

•Indien de afstand van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 3 meter bedraagt mag de goothoogte gelijk zijn aan de aangrenzende goothoogte van het hoofdgebouw.

•De bouwhoogte dient minimaal 1 meter lager te zijn dan de hoogte van het hoofdgebouw, met uitzondering van een hoofdgebouw dat bestaat uit 1 bouwlaag en plat is afgedekt: dan mag de bouwhoogte maximaal gelijk zijn aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

•De bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken die binnen een afstand van 3 m tot de bouwperceelgrens worden gebouwd mag niet meer dan 7 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

•De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt maximaal 100m2 met dien verstande dat:

a.ten hoogste 50% van het erf dat buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd, en

b.de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 50% van het bouwperceel worden bebouwd.

c.In afwijking van het bepaalde onder b. mag bij een woning in ieder geval 50 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.

Beleidsregel 1d Regels voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij hoeksituaties

•Achter het verlengde van de achtergevel van het hoofdgebouw.

•Minimaal 1 meter van de perceelgrens met het openbare gebied en minimaal 2.50 meter ten opzichte van de weg (trottoirs, groenstroken e.d. niet meegerekend en achter of op de voorgevelrooilijn van de aangrenzende hoofdgebouwen.

•De goothoogte bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 5,5 meter.

•De gezamenlijk oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt maximaal 100m2 met dien verstande dat:

a.ten hoogste 50% van het erf dat buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd, en

b.de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 50% van het bouwperceel worden bebouwd.

c.In afwijking van het bepaalde onder b. mag bij een woning in ieder geval 50 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.

3.4.2 Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied bij een woning

Beleidsregel 1e Regels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied

•Minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw.

•De goothoogte maximaal 0,25 meter boven vloer van eerste verdieping dan wel de bestaande hoogte indien deze hoger is.

•Indien de afstand van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 3 meter bedraagt mag de goothoogte gelijk zijn aan de goothoogte van het hoofdgebouw.

•De bouwhoogte dient minimaal 1 meter lager te zijn dan de hoogte van het hoofdgebouw, met uitzondering van een hoofdgebouw dat bestaat uit 1 bouwlaag en plat is afgedekt: dan mag de bouwhoogte maximaal gelijk zijn aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

•De bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken die binnen een afstand van 3 m tot de bouwperceelgrens worden gebouwd mag niet meer dan 7 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

•De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt maximaal 100 m2 met dien verstande dat ten hoogste 50% van het erf buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd en de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 50% van het bouwperceel worden bebouwd).

•In afwijking van het bovenstaande mag bij een woning in ieder geval 50 m² aan bijbehorende bouwwerken gebouwd worden.

Beleidsregel 1f Regels voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied

•Minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw.

•De goothoogte bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 5,5 meter.

•De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt maximaal 100 m2 met dien verstande dat ten hoogste 50% van het erf buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd en de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 50% van het bouwperceel worden bebouwd).

•In afwijking van het bovenstaande mag bij een woning in ieder geval 50 m² aan bijbehorende bouwwerken gebouwd worden.

Voor de percelen Tolhûsdyk 3, 5, 7, 9 en 11 te Sneek is in bijlage 5 een eigen regeling opgenomen voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied.

3.4.3 Bijbehorend bouwwerk door uitbreiding van het hoofdgebouw (woningen)

Beleidsregel 1g Regels voor uitbreiding van hoofdgebouwen binnen de bestemmingen voor wonen/woningen

•Niet hoger dan de oorspronkelijke toegestane goot- en bouwhoogte van het bestemmingsplan, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze hoger is.

•Op of achter (het verlengde van) de voorgevelrooilijn. de maximale oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt na uitbreiding maximaal 150 m², waarbij een minimale afstand van 3 meter tot alle perceelsgrenzen wordt aangehouden.

•Uitbreiding buiten het bouwvlak is toegestaan, mits de maximale diepte van het hoofdgebouw na uitbreiding maximaal 15 meter bedraagt, dan wel de bestaande diepte indien deze meer bedraagt.

•Het achtererfgebied blijft voor 50% onbebouwd.

Indien aan één of meer van bovenstaande regels niet wordt voldaan, wordt per concreet geval een afweging gemaakt.

3.4.4 Mantelzorgwoningen

Beleidsregel 1h Regel voor mantelzorgwoningen

•In afwijking van hetgeen is bepaald in de beleidsregels 1a tot en met 1g kan medewerking worden verleend aan de bouw van een mantelzorgwoning indien daarbij wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de door het college (separaat) vastgestelde beleidsregels inzake mantelzorgwoningen.

3.4.5 Bijbehorende bouwwerken bij andere hoofdgebouwen

Beleidsregel 1i Regels voor bijbehorende bouwwerken bij andere gebouwen, uitgezonderd recreatiewoningen

•Uitbreidingen van de hoofdvorm achter of in het verlengde van de voorgevel, waarbij ondergeschikte gebouwen minimaal 1m achter de voorgevel gesitueerd moeten worden.

•Niet hoger dan de oorspronkelijke toegestane goot- en bouwhoogte van het bestemmingsplan, met uitzondering van uitbreidingen van bouwwerken met ondergeschikte bouwdelen.

•De maximale bebouwingsoppervlakte (BP) mag met maximaal 50% worden overschreden;

•Voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

•Er mogen geen onevenredige gevolgen voor de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid ter plaatse ontstaan.

•Er dient een minimale afstand van 3 meter tot alle perceelsgrenzen aangehouden te worden.

Indien aan één of meer van de bovenstaande beleidsregels niet wordt voldaan, dient per concreet geval een afweging te worden gemaakt.

Beleidsregel 1j Uitgangspunten voor bijbehorende bouwwerken bij recreatiewoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een recreatiewoning gelden de volgende regels:

•Uitsluitend aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd.

•De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorende bouwwerk mag ten hoogste 3,00 meter bedragen.

•De gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag ten hoogte 100 m² bedragen.

3.5 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan buiten de bebouwde kom (art. 4 lid 1)

Algemene regels voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom:

•Het te bouwen bijbehorend bouwwerk dient functioneel verbonden te zijn met het op hetzelfde perceel of het direct aansluitend perceel gesitueerde hoofdgebouw.

•Indien het te bouwen bijbehorend bouwwerk in functionele zin opgericht wordt ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis, zijn tevens de beleidsregels onder 10a van overeenkomstige toepassing (zie paragraaf 3.12.2)

3.5.1 Bijbehorende bouwwerken bij woningen buiten de bebouwde kom

Beleidsregel 1k Regels voor bijbehorende bouwwerken bij woningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen buiten de bebouwde kom gelden dezelfde regels als voor bouwen bij woningen binnen de bebouwde kom zoals neergelegd in de beleidsregels met de nummers: 1a tot en met 1h (zie paragraaf 3.4.1 t/m 3.4.4).

Daarbij gelden ten aanzien van de beleidsregels met de nummers 1a tot en met 1g de volgende aanvullende regels:

•Het maximale bebouwingsoppervlakte (BP) mag met niet meer dan 50% worden overschreden.

•De totale oppervlakte mag ten hoogste 100m2 bedragen.

•Het aantal woningen mag slechts wijzigen indien het bouwwerk wordt opgericht ten behoeve van mantelzorg.

3.5.2 Bijbehorende bouwwerken bij andere hoofdgebouwen buiten de bebouwde kom

Beleidsregel 1l Uitgangspunten voor bijbehorende bouwwerken bij andere gebouwen, uitgezonderd recreatiewoningen

Per concreet geval een afweging maken waarbij rekening wordt gehouden met de volgende uitgangspunten:

•Op of achter de voorgevelrooilijn. Als er geen voorgevelrooilijn is; achter de naar de weg gekeerde gevel.

•Niet hoger dan de oorspronkelijke toegestane goot- en bouwhoogte, met uitzondering van uitbreidingen van bouwwerken met ondergeschikte bouwdelen.

•Aansluitend terrein blijft in beginsel voor minimaal 50% onbebouwd.

•De maximale bebouwingsoppervlakte (BP) mag met maximaal 50% worden overschreden.

•Voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

•Er mogen geen onevenredige gevolgen voor de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid ter plaatse ontstaan.

Beleidsregel 1m Uitgangspunten voor bijbehorende bouwwerken bij recreatiewoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een recreatiewoning gelden de volgende regels:

•uitsluitend aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd.

•de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorende bouwwerk mag ten hoogste 3,00 meter bedragen.

•de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag ten hoogte 100 m² bedragen.

3.6 Een gebouw t.b.v. een infrastructurele of openbare voorziening, artikel 4 lid 2

Beleidsregel 2 Uitgangspunten nutsvoorzieningen

Per concreet geval een afweging maken waarbij met het volgende rekening wordt gehouden:

•Het gebouw mag maximaal 1 bouwlaag bevatten.

•De oppervlakte van het gebouw mag maximaal 50 m2 bedragen.

•Hoogte van het gebouw mag maximaal 5 meter bedragen.

•Vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt moet het plan/project aanvaardbaar zijn.

3.7.1 Bouwwerken geen gebouw zijnde (algemeen)

Beleidsregel 3 Regels bouwwerk geen gebouw zijnde

•Vlaggenmasten niet hoger dan 8 meter.

•Voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde wordt per concreet geval een afweging gemaakt, waarbij bij overkappingen rekening gehouden wordt met de regels met betrekking tot situering van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.

3.7.2 Erfafscheidingen

Beleidsregel 4a Regels voor erfafscheidingen op percelen met bebouwing

•Erfafscheidingen dienen te voldoen aan de eisen met betrekking tot afmetingen, plaatsing en uitvoering, zoals neergelegd in bijlage 3, afbeeldingen 4A en 4B.

Beleidsregel 4b Regels voor erfafscheidingen op bedrijfspercelen zonder bebouwing

•Erfafscheidingen dienen te voldoen aan de eisen met betrekking tot afmetingen plaatsing en uitvoering zoals neergelegd in bijlage 3, afbeelding 4C.

Beleidsregel 4c Regels voor erfafscheidingen bij percelen verspringende voorgevelrooilijnen

•Erfafscheidingen dienen te voldoen aan de eisen met betrekking tot afmetingen plaatsing en uitvoering zoals neergelegd in bijlage 3, afbeelding 4C. Per concreet geval een afweging maken waarbij rekening wordt gehouden met de eisen met betrekking tot plaatsing en uitvoering zoals weergegeven in bijlage 3, afbeelding 4D.

3.8.2 Dakopbouw door geveloptrekking

Beleidsregel 5a Regels voor dakopbouwen grenzend aan het voorerfgebied

1Algemeen

•Een dakopbouw mag uit maximaal één bouwlaag bestaan.

•Een dakopbouw is alleen toegestaan op een hoofdgebouw van één bouwlaag met kap.

•Geen dakopbouw in een dakvlak met een dakhelling minder dan 30 graden.

2Plaatsing

•Maximaal 1 dakopbouw per pand per dakvlak.

•Bij meerdere dakopbouwen op een doorgaand dakvlak regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.

•Bij gebouwtype twee onder één kap: symmetrisch ten opzichte van de gezamenlijke bouwmuur.

•Minimaal 1 meter dakvlak ter weerszijden van de dakopbouw, ook ten opzichte van hoek- en kilkepers.

•Verticale afstand van de goothoogte van de dakopbouw tot de noklijn minimaal 1 meter.

3Maatvoering

•Breedte van de dakopbouw maximaal 40% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 4 meter.

Beleidsregel 5b Regels voor dakopbouwen grenzend aan het achtererfgebied

1Algemeen

•Een dakopbouw mag uit maximaal één bouwlaag bestaan.

•Een dakopbouw is alleen toegestaan op een hoofdgebouw van één bouwlaag met kap, tenzij de dakopbouw grenst aan een horizontale kilgoot tussen 2 panden, dan mag het hoofdgebouw uit maximaal 2 bouwlagen bestaan.

2Plaatsing

•Maximaal 1 dakopbouw per pand per dakvlak.

•Bij meerdere dakopbouwen op een doorgaand dakvlak regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.

•Bij gebouwtype twee onder één kap: symmetrisch ten opzichte van de gezamenlijke bouwmuur.

•Minimaal 1 meter dakvlak ter weerszijden van de dakopbouw, ook ten opzichte van hoek- en kilkepers.

•Verticale afstand van de goothoogte van de dakopbouw tot de noklijn minimaal 0,5 meter.

•Afstand van de dakopbouw tot het voorerfgebied minimaal 3 meter.

3Maatvoering

•Breedte van de dakopbouw maximaal 60% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 6 meter.

3.8.3 Dakopbouw door nokverhoging

Beleidsregel 5c Regels voor dakopbouwen door nokverhoging

1Algemeen

•De dakopbouw is alleen toegestaan in een dakvlak dat grenst aan het achtererfgebied;

•De dakopbouw is maar in één dakvlak toegestaan;

•De nokverhoging vindt plaats door het verlengen van het tegenoverliggende dakvlak waardoor de nok richting achtererfgebied schuift;

•De nokverhoging is alleen toegestaan op een hoofdgebouw met een zadeldak van maximaal 35 graden;

2Plaatsing

•Maximaal 1 dakopbouw per pand per dakvlak;

•Bij meerdere dakopbouwen door nokverhoging op een doorgaand dakvlak regelmatige rangschikking op een horizontale lijn;

•Bij gebouwtype twee onder één kap: symmetrisch ten opzichte van de gezamenlijke bouwmuur;

•Minimaal 1 meter dakvlak ter weerszijden van de dakopbouw;

•De afstand van de dakopbouw tot de achtergevel is horizontaal gemeten minimaal 1 meter;

•Afstand van de dakopbouw tot het voorerfgebied minimaal 3 meter.

3Maatvoering

•Breedte van de dakopbouw maximaal 60% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 6 meter.

•De hoogte van de buitenwanden van de dakopbouw maximaal 1,2 meter;

•De nok mag verticaal gemeten maximaal 0,7 meter worden verhoogd;

•De hellingshoek van het dakvlak van de dakopbouw moet gelijk zijn aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak.

3.8.4 Dakopbouw waardoor een extra bouwlaag ontstaat

Beleidsregel 5d Regel voor dakopbouwen waardoor een extra bouwlaag ontstaat

•De dakopbouw (inclusief het gebouw waar deze op wordt geplaatst) dient te voldoen aan de daarop van toepassing zijnde regels voor bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan, die zijn opgenomen onder paragraaf 3.4 en 3.5 van deze beleidsnotitie.

3.8.5 Gelijksoortige uitbreidingen van een gebouw en overige uitbreidingen van een bouwwerk met een bouwonderdeel van ondergeschikte aard

Beleidsregel 5e Regel gelijksoortige uitbreidingen en uitbreiding bouwwerk met een ondergeschikt bouwdeel

•Per concreet geval een afweging maken.

3.9.1 GSM en UMTS antennes

Beleidsregel 6a Regel GSM en UMTS antennes

•Per concreet geval een afweging maken waarbij wordt getoetst aan het Antennebeleid van de gemeente Súdwest-Fryslân.

3.9.2 Particuliere zend- en/of ontvangstinstallaties

Beleidsregel 6b Regel particuliere antennes

Per concreet geval een afweging maken, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende regels:

•Voor zover het Antennebeleid van de gemeente Súdwest-Fryslân van toepassing is, wordt hierbij aangesloten.

•Als het bouwwerk wordt gerealiseerd bij een monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt veel gewicht gegeven aan de mate waarin het bouwwerk aansluit op de ter plaatse aanwezige monumentale waarden.

3.10 Installatie voor warmtekrachtkoppeling, artikel 4 lid 6

Beleidsregel 7 Regel warmte krachtkoppeling

•Per concreet geval een afweging maken.

3.11 Installatie t.b.v. opwekking duurzame energie bij een agrarisch bedrijf, artikel 4 lid 7

Beleidsregel 8 Regel installatie duurzame energie

•Per concreet geval een afweging maken.

3.12 Het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, artikel 4 lid 8

Beleidsregel 9 Regel herinrichting van openbaar gebied

•Per concreet geval een afweging maken

3.13.1 Algemene uitgangspunten

Beleidsregel 10 Algemene regels voor het wijzigen van het gebruik

Per concreet geval een afweging maken waarbij met het volgende rekening wordt gehouden, tenzij de specifieke beleidsregels met de nummers 10a tot en met 10c van toepassing zijn:

•De functiewijziging mag alleen toegepast worden op bestaande bebouwing.

•Er moet voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn (uitgangspunt is parkeren op eigen terrein).

•De nieuwe functie moet in lijn zijn met gemeentelijke vastgestelde nota’s.

•De nieuwe functie moet voldoen aan de milieuregelgeving.

•De nieuwe functie moet voldoen aan de relevante voorschriften uit het Bouwbesluit.

•De functiewijziging dient in overeenstemming te zijn met de regels uit de Verordening Romte.

•Functiewijzigingen van gebouwen gelegen in een woonomgeving dienen te vallen onder categorieën 1 tot en met 2 van de VNG-brochure: “Bedrijven en Milieuzonering”.

•Voor functiewijzigingen van gebouwen die niet gelegen zijn in een woonomgeving is het in beginsel toegestaan om onder een hogere categorie van de VNG-brochure: “Bedrijven en Milieuzonering” te vallen.

•Er wordt terughoudend omgegaan met verzoeken om functiewijzigingen van gebouwen die vallen onder categorieën 3 en hoger van de VNG-brochure: “Bedrijven en Milieuzonering”.

3.13.2 Aan huis gebonden beroepen of bedrijven (binnen de bebouwde kom)

Beleidsregel 10a Regels voor beroepen of bedrijven aan huis als bedoeld in bijlage 1

Aan huis gebonden beroepen of bedrijven worden toegestaan binnen de woonbestemming, met dien verstande dat:

•Uitgangspunt is dat het beroep of bedrijf voorkomt op de lijst met toelaatbare beroepen en bedrijven in bijlage 1.

•Het vloeroppervlak van de ruimten ten behoeve van de uitoefening van aan huis gebonden beroepen niet meer mag bedragen dan 30% van de begane grond vloeroppervlakte van de woning, inclusief aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, met een maximum van 50 m2.

•Een aan huis gebonden beroep of bedrijf is uitsluitend toegestaan in de woning en/of in de bijbehorende aan-, en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen.

•Vrijstaande (bij)gebouwen mogen niet worden gebruikt of ingericht ten behoeve van een aan huis gebonden beroep of bedrijf.

•Alleen het beroeps- of bedrijfsmatig gebruik dat niet vergunningsplichtig of meldingsplichtig is ingevolge de Wet Milieubeheer of het Activiteitenbesluit is toegestaan.

•Er ten behoeve van de uitoefening van de aan huis gebonden beroepen dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid (uitgangspunt hierbij is parkeren op eigen terrein). Voor de mogelijkheden voertuigen te parkeren bij beroepen of bedrijven aan huis, wordt verwezen naar de notitie in bijlage 2.

•Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeers- en/of publieksaantrekkende werking.

•De omvang van de reclame-uitingen mag maximaal 0,5 m2 bedragen.

•Er mag geen buitenopslag van goederen plaatsvinden.

•Een aan huis gebonden beroep of bedrijf mag uitsluitend worden uitgeoefend door maximaal één bewoner van het betreffende perceel, waarbij het niet is toegestaan een aan huis gebonden beroep bedrijf (mede) te laten uitoefenen door een persoon die niet op het betreffende perceel woonachtig is.

•Het is niet toegestaan om personeel in dienst te hebben ten behoeve van het aan huis verbonden beroep of bedrijf.

•In situaties waarin de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf (mede) bestaat uit het leveren van persoonlijke (of lichamelijke) behandelingen, zoals door een kapper, schoonheidsspecialist, pedicure, (fysio-)therapeut of soortgelijk beroep of bedrijf genoemd in bijlage 1.

a.mag maximaal één behandelaar werkzaam zijn;

b.mag niet meer dan één behandelstoel of behandeltafel aanwezig zijn;

c.mogen niet meerdere cliënten gelijktijdig in behandeling zijn.

•Detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel welke direct voortvloeit uit, gerelateerd is aan en noodzakelijk is voor de dienst en/of het bedrijfs- of beroepsmatig gebruik, is niet toegestaan.

•Detailhandel in producten die niet gerelateerd en verbonden zijn met de aangeboden dienst is niet toegestaan.

•Webwinkels zijn uitsluitend en uitdrukkelijk slechts toegestaan indien wordt voldaan aan de in bijlage 2 van dit beleid gegeven definitie van een 'webwinkel', waarbij detailhandel ter plaatse niet is toegestaan.

Beleidsregel 10b Regels voor beroepen of bedrijven aan huis niet genoemd in bijlage 1

•Per concreet geval een afweging maken.

•Voor de mogelijkheden voertuigen te parkeren bij beroepen of bedrijven aan huis, wordt verwezen naar de notitie in bijlage 2.

•Indien het een in overwegende mate detailhandel (gerelateerde) activiteit betreft, zal niet worden meegewerkt aan het afwijken van de regels van het bestemmingsplan.

Beleidsregel 10c Regels voor bed en breakfast

•Ten hoogste 2 slaapkamers met ruimte voor maximaal 5 personen per hoofdgebouw;

•Logiesverstrekking is uitsluitend toegestaan in de woning en/of in de bijbehorende aan-, en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen.

•Vrijstaande bijgebouwen mogen niet worden gebruikt of worden ingericht ten behoeve van een bed en breakfast.

•De totale oppervlakte van de slaapkamers van de bed en breakfast is maximaal 30% van de begane grond vloeroppervlakte van de woning, inclusief aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, met een maximum van 50 m2.

•De omvang van de reclame-uitingen mag maximaal 0,5 m2 bedragen.

•Er ten behoeve van de uitoefening van de bed en breakfast dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid (uitgangspunt hierbij is parkeren op eigen terrein). Voor de mogelijkheden voertuigen te parkeren bij B&B aan huis, wordt verwezen naar de notitie in bijlage 2.

3.14 Het gebruiken van recreatiewoningen voor bewoning, art. 4 lid 10

Beleidsregel 11 Uitgangspunt wijziging gebruik recreatiewoning ten behoeve van bewoning

•Per concreet geval een afweging maken. Uitgangspunt is dat geen medewerking wordt verleend, behoudens zeer bijzondere omstandigheden.

3.15 Ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in onderdelen 1 tot en met 10, artikel 4, lid 11

Beleidsregel 12 Uitgangspunt voor ander gebruik van gronden of bouwwerken

•Per concreet geval een afweging maken. Het gebruik van de gronden of bouwwerken moet van tijdelijke aard zijn, waarbij de termijn ten hoogste 10 jaar kan bedragen.

3.15.1 Terrassen

Beleidsregel 13 Regel voor terrassen

•Een terras kan worden toegestaan indien voldaan wordt aan de voorwaarden die zijn opgenomen in het door het college vastgestelde Terrasbeleid.

3.16 Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan

Beleidsregel 14 Uitgangspunt voor tijdelijke afwijkingen

•Per concreet geval een afweging maken

Hoofdstuk 4 Hardheidsclausule

4.4 Regels inzake hardheid van het beleid

Beleidsregel 15 Regels over het handelen in overeenstemming met de beleidsregels

•Het vastleggen van beleidsregels betreffende het afwijkingenbeleid heeft tot gevolg dat het college handelt in overeenstemming met de uitgangspunten die in dit afwijkingenbeleid zijn geformuleerd en dat derden daarop kunnen vertrouwen.

•Er wordt zeer terughoudend met de mogelijkheden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule omgegaan.

Beleidsregel 16 Regels over handelen in bijzondere omstandigheden

Er kunnen altijd bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van het vastgestelde beleid in een concreet geval tot onevenredige hardheid kunnen leiden. In het algemeen kan een beroep op de hardheidsclausule worden gedaan indien:

a.bijzondere omstandigheden kunnen worden aangevoerd die tot medewerking in afwijking van het beleid noodzaken en geen redelijke alternatieven bestaan hierin te voorzien, mits de ruimtelijke consequenties beperkt blijven en geen (ongewenste) precedentwerking hoeft te worden gevreesd, of;

b.het verzoek weliswaar niet binnen het geldende beleid past, maar een beleidswijziging als gevolg van het verzoek in de rede ligt.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

5.1 Bijlagen

De volgende bijlagen zijn als bijlage opgenomen bij deze beleidsregels:

•Bijlage 1: Lijst met toelaatbare beroepen en bedrijven

•Bijlage 2: Notitie toepassen beleid parkeren bij beroepen of bedrijven aan huis en B&B aan huis

•Bijlage 3: Regels voor erfafscheidingen

•Bijlage 4: Referentiebeelden

•Bijlage 5: Beleidsregels Bijbehorende bouwwerken percelen Tolhûsdyk 3, 5, 7, 9 en 11 te Sneek

5.2 Inwerkingtreding en citeertitel

1Het planologisch afwijkingenbeleid is met de bekendmaking in het Gemeenteblad 130367, op 29 mei 2019 in werking getreden.

2De wijzigingen van 21 september 2021, 8 maart 2022 en 20 juni 2022 treden in werking de dag volgend op de bekendmaking.

3Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Planologisch afwijkingenbeleid 2022.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.