Gemeentelijke regelgeving

Beleid (kleine) Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 2025

Gemeente Súdwest-Fryslân · geldt sinds 25 januari 2025

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;

gelet op artikel 5.18, 5.21 van de Omgevingswet en artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

heeft overwogen dat:

•zij eerder onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het Planologisch afwijkingenbeleid hebben vastgesteld;

•dat het wenselijk is om onder Omgevingswet ook dergelijk beleid vast te stellen;

•dit beleid is gericht om in specifieke gevallen te kunnen spreken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

besluit:

vast te stellen het

Beleid Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 2025.

Hoofdstuk 2 Algemene beleidsregels

2.2.2 Relatie afwijking en welstand

Algemene beleidsregel:

•In eerste instantie dient de welstandcommissie zich te richten naar de inhoud van dit beleid. Bij conflictsituaties tussen het welstandsadvies en het beleid prevaleert dit beleid. Uitzonderingen gelden wanneer is aangegeven dat het welstandsadvies richtinggevend is. Dit houdt in dat het welstandsadvies zwaarwegend is bij de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

2.2.4 Relatie afwijkingen en monumenten/beschermd stadsgezicht

Algemene regel monumenten en beschermde stadsgezichten

•Het welstands- en/of monumentenadvies is zwaarwegend bij de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en of een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit kan worden verleend.

2.3.3 Eigendom

Beleidsregels over privaatrechtelijke aspecten

•Indien bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit, privaatrechtelijke belemmering(en) voor de realisering van een bouwwerk aanwezig zijn, wordt van de aanvrager gevraagd een verklaring van de buren te overleggen, waaruit blijkt dat deze akkoord gaan met realisatie van het voorgenomen project. Indien een dergelijke verklaring niet wordt overgelegd, wordt een afweging gemaakt waarbij zeer veel gewicht wordt gegeven aan de privaatrechtelijke aspecten die aan realisatie van het project in de weg staan.

2.5 Bezonning van tuinen en toetreding van daglicht

Algemene beleidsregels voor bezonning van tuinen en toetreding van daglicht

•Bij bouwwerken tot een hoogte van 3 meter of de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,25 meter is geen nader onderzoek nodig. Is het te realiseren bouwwerk hoger dan wordt de aanvrager, indien duidelijk sprake zal zijn van schaduwwerking op het buurperceel, verzocht nader te onderbouwen dat de schaduwwerking niet onevenredig nadelig is voor gebruiksmogelijkheden van het buurperceel. Voor deze onderbouwing dient een bezonningsonderzoek overlegd te worden. Hierbij is mede bepalend waarvoor de afwijking op het omgevingsplan wordt verleend en of deze afwijking ook relevant is voor de toetreding van daglicht.

Hoofdstuk 3 Specifieke beleidsregels

3.3 Begripsbepalingen en wijze van meten

Begripsbepalingen

Onderstaande begripsbepalingen worden gebruikt bij de toepassing van deze beleidsregels. Aan de hand van het geheel aan begripsbepalingen, dient per geval te worden bepaald welke afwijkingsregels van toepassing zijn op het project en hoe deze regels moeten worden geduid.

a.Aangebouwd bijbehorend bouwwerk: een gebouw of bouwwerk met een dak dat als afzonderlijke ruimte of als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

b.Achtererfgebied: gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied;

c.Bebouwde kom:

1De percelen gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân die de gebiedsaanwijzing “Begrenzing Stedelijk Gebied” hebben gekregen in de “Omgevingsverordening provincie Fryslân”, en

2de situatie beschouwd naar feitelijke aard, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en van belang is waar de bebouwing nagenoeg feitelijk ophoudt. De plaats van verkeersborden is daarbij niet van belang.

d.Bêd en brochje: een overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bêd en brochje is gevestigd in een woning en wordt gerund door de bewoner van de betreffende woning. De woonfunctie van de woning wordt daarbij niet in onevenredige mate aangetast;

e.Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

f.Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

g.Buiten de bebouwde kom: percelen die niet zijn gelegen in de bebouwde kom, zoals hierboven gedefinieerd;

h.Dakkapel: een uitbouw binnen het dakvlak van een gebouw met kapconstructie, welke uitbouw doorgaans geen wijziging van de vorm en het profiel van het dak veroorzaakt;

i.Dakopbouw:

1Het door een gevel of nokverhoging vergroten van een bestaande ruimte welke leidt tot een wijziging van de vorm en het profiel van het dak;

2Een (extra) bouwlaag die op de bovenste verdieping van een bestaand gebouw wordt gebouwd (zie bijlage 2 - referentiebeeld 1).

j.(Gebouw)erf: bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;

k.Hoofdgebouw: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen als belangrijkste bouwwerk is aan te merken. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken die minstens 1 meter lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw worden niet tot het hoofdgebouw gerekend;

l.Kap: een kap is een afdekking van een gebouw waarbij van bovenaf gezien ten minste 50% van het gebouw wordt afgedekt met hellende dakvlakken;

m.Openbaar toegankelijk gebied: wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

n.Voorerfgebied: erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

o.Voorgevelrooilijn: voorgevelrooilijn als bedoeld in het omgevingsplan;

p.Vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een op zichzelf staand, vrijstaand gebouw, of bouwwerk met een dak, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist, tenzij in de regels van het omgevingsplan anders is bepaald;

q.Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe (in het omgevingsplan) bestemd perceel is geplaatst.

Wijze van meten

1Voor de wijze van meten wordt, onder aanvulling met hetgeen hieronder is bepaald over de goot- en boeiboordhoogte, aangesloten bij hetgeen is bepaald in het omgevingsplan, tenzij deze wijze van meten onevenredig nadelig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2Goot- of boeiboordhoogte: bij de volgende kapvormen wordt de hoogste goothoogte of boeiboordhoogte niet meegerekend bij het bepalen van de goot- of boeiboordhoogte.

3.4 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom

Beleidsregel 1

Het te bouwen bijbehorend bouwwerk dient functioneel verbonden te zijn met het op hetzelfde perceel of het direct aansluitend perceel gesitueerde hoofdgebouw.

3.4.1 Bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied bij een woning

Beleidsregel 1a Regels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken in de vorm van een erker (uitbouw)

Bouwen aan de voorkant van een hoofgebouw in de vorm van een erker, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

•Horizontale diepte maximaal 1,5 meter;

•Horizontale afstand van de erker tot de perceelgrens met het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,5 meter;

•Breedte maximaal 50% van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw;

•Bouwhoogte maximaal 3 meter dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw +0,25 meter.

Beleidsregel 1b Regels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de voorzijde (aan- of uitbouw)

Aan de voorzijde van een woning mag alleen aangebouwd worden wanneer er oorspronkelijk een bijbehorend bouwwerk in de voortuin van de woning is gelegen. De ruimte tussen het oorspronkelijke bijbehorende bouwwerk en het hoofdgebouw mag worden dicht gebouwd door een aangebouwd bijbehorend bouwwerk. Hierbij is een voorwaarde dat dit bijbehorend bouwwerk aansluit op woningen in het bouwblok die dit in het verleden al hebben uitgevoerd met een omgevingsvergunning.

Hierbij gelden de voorwaarden:

•Niet breder dan het oorspronkelijke bijbehorende bouwwerk;

•Maximale hoogte is de hoogte van het oorspronkelijke bijbehorende bouwwerk, met een maximum van 5 meter;

•Wanneer de kap van het bijbehorende bouwwerk een uitloper is van de kap van het hoofdgebouw is de goothoogte van het hoofdgebouw maatgevend, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als de goothoogte maximaal 5 meter bedraagt.

Beleidsregel 1c Regels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de zijgevel bij hoeksituaties (aan- of uitbouw)

Voor het bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken aan de zijgevel bij hoeksituaties (aan- of uitbouw) gelden de volgende regels:

•Minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw;

•Minimaal 1 meter van de perceelgrens met het openbare gebied en minimaal 2.50 meter ten opzichte van de weg (trottoirs, groenstroken e.d. niet meegerekend) en achter of op de voorgevelrooilijn van de aangrenzende hoofdgebouwen;

•De goothoogte maximaal 0,25 meter boven de vloer van eerste verdieping dan wel de bestaande hoogte indien deze hoger is;

•Indien de afstand van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 3 meter bedraagt mag de goothoogte gelijk zijn aan de aangrenzende goothoogte van het hoofdgebouw;

•De bouwhoogte dient minimaal 1 meter lager te zijn dan de hoogte van het hoofdgebouw, met uitzondering van een hoofdgebouw dat bestaat uit 1 bouwlaag en plat is afgedekt: dan mag de bouwhoogte maximaal gelijk zijn aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

•De bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken die binnen een afstand van 3 m tot de bouwperceelgrens worden gebouwd mag niet meer dan 7 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

•De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt maximaal 100m2 met dien verstande dat:

a.ten hoogste 50% van het erf dat buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd, en

b.de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 50% van het bouwperceel worden bebouwd).

In afwijking van vorengaande mag bij een woning in ieder geval 50 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd met dien verstande dat ten hoogste 70% van het erf buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 70% van het bouwperceel worden bebouwd).

Beleidsregel 1d Regels voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij hoeksituaties

Voor het bouwen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij hoeksituaties gelden de volgende regels:

•Achter het verlengde van de achtergevel van het hoofdgebouw;

•Minimaal 1 meter van de perceelgrens met het openbare gebied en minimaal 2.50 meter ten opzichte van de weg (trottoirs, groenstroken e.d. niet meegerekend en achter of op de voorgevelrooilijn van de aangrenzende hoofdgebouwen);

•De goothoogte bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 5,5 meter;

•De gezamenlijk oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt maximaal 100m2 met dien verstande dat:

a.ten hoogste 50% van het erf dat buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd, en

b.de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 50% van het bouwperceel worden bebouwd.

In afwijking van vorengaande mag bij een woning in ieder geval 50 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd met dien verstande dat ten hoogste 70% van het erf buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 70% van het bouwperceel worden bebouwd).

3.4.2 Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied bij een woning

Beleidsregel 1e Regels voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied

Voor het bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende regels:

•Minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw;

•De goothoogte maximaal 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping dan wel de bestaande hoogte indien deze hoger is;

•Indien de afstand van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 3 meter bedraagt mag de goothoogte gelijk zijn aan de goothoogte van het hoofdgebouw;

•De bouwhoogte dient minimaal 1 meter lager te zijn dan de hoogte van het hoofdgebouw, met uitzondering van een hoofdgebouw dat bestaat uit 1 bouwlaag en plat is afgedekt: dan mag de bouwhoogte maximaal gelijk zijn aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

•De bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken die binnen een afstand van 3 m tot de bouwperceelgrens worden gebouwd mag niet meer dan 7 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

•De gezamenlijk oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt maximaal 100m2 met dien verstande dat:

a.ten hoogste 50% van het erf dat buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd, en

b.de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 50% van het bouwperceel worden bebouwd).

In afwijking van het bepaalde onder b. mag bij een woning in ieder geval 50 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd met dien verstande dat ten hoogste 70% van het erf buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 70% van het bouwperceel worden bebouwd).

Beleidsregel 1f Regels voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied

Voor het bouwen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied gelden de volgende regels:

•Minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw;

•De goothoogte bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 5,5 meter;

•De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt maximaal 100 m2 met dien verstande dat ten hoogste 50% van het erf buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd en de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 50% van het bouwperceel worden bebouwd).

In afwijking van het vorengaande mag bij een woning in ieder geval 50 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd met dien verstande dat ten hoogste 70% van het erf buiten het bouwvlak gelegen mag worden bebouwd (indien geen bouwvlak is aangegeven mag ten hoogste 70% van het bouwperceel worden bebouwd).

Voor de percelen Tolhûsdyk 3, 5, 7, 9 en 11 te Sneek is in bijlage 3 een eigen regeling opgenomen voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied.

3.4.3 Bijbehorend bouwwerk door uitbreiding van het hoofdgebouw (woningen)

Beleidsregel 1g Regels voor uitbreiding van hoofdgebouwen voor de woonfunctie

Voor uitbreidingen van hoofdgebouwen voor de woonwoonfunctie gelden de volgende regels:

•Niet hoger dan de oorspronkelijke toegestane goot- en bouwhoogte van het omgevingsplan, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze hoger is;

•Er moet gebouwd worden op of achter (het verlengde van) de voorgevelrooilijn. De maximale oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt na uitbreiding maximaal 150 m², waarbij een minimale afstand van 3 meter tot alle perceelsgrenzen wordt aangehouden;

•Uitbreiding buiten het bouwvlak is toegestaan, mits de maximale diepte van het hoofdgebouw na uitbreiding maximaal 15 meter bedraagt, dan wel de bestaande diepte indien deze meer bedraagt;

•Het achtererfgebied blijft voor 50% onbebouwd.

3.4.4 Bijbehorende bouwwerken bij andere hoofdgebouwen

Beleidsregel 1h Regels voor bijbehorende bouwwerken bij andere gebouwen, uitgezonderd recreatiewoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij andere gebouwen, uitgezonder recreatiewoningen, gelden de volgende regels:

•Uitbreidingen van de hoofdvorm achter of in het verlengde van de voorgevel, waarbij ondergeschikte gebouwen minimaal 1m achter de voorgevel gesitueerd moeten worden;

•Niet hoger dan de oorspronkelijke toegestane goot- en bouwhoogte van het omgevingsplan, met uitzondering van uitbreidingen van bouwwerken met ondergeschikte bouwdelen;

•De maximale bebouwingsoppervlakte mag met maximaal 50% worden overschreden;

•Voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;

•Er mogen geen onevenredige gevolgen voor de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid ter plaatse ontstaan;

•Er dient een minimale afstand van 3 meter tot alle perceelsgrenzen aangehouden te worden.

Beleidsregel 1i Uitgangspunten voor bijbehorende bouwwerken bij recreatiewoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een recreatiewoning gelden de volgende regels:

•Uitsluitend aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd;

•De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorende bouwwerk mag ten hoogste 3,00 meter bedragen;

•De gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag ten hoogte 100 m² bedragen.

3.5 Bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan buiten de bebouwde kom

Algemene regel voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom:

Het te bouwen bijbehorend bouwwerk dient functioneel verbonden te zijn met het op hetzelfde perceel of het direct aansluitend perceel gesitueerde hoofdgebouw.

Beleidsregel 1j Regels voor bijbehorende bouwwerken bij woningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen buiten de bebouwde kom gelden dezelfde regels als voor bouwen bij woningen binnen de bebouwde kom zoals neergelegd in de beleidsregels met de nummers: 1a tot en met 1i (zie paragraaf 3.4.1 t/m 3.4.4).

Daarbij gelden ten aanzien van de beleidsregels met de nummers 1a tot en met 1g de volgende aanvullende regels:

•Het maximale bebouwingsoppervlakte mag met niet meer dan 50% worden overschreden;

•De totale oppervlakte mag ten hoogste 100m2 bedragen;

•Maximale hoogte 5 meter;

•Het aantal woningen mag slechts wijzigen indien het bouwwerk wordt opgericht ten behoeve van mantelzorg.

3.5.2 Bijbehorende bouwwerken bij andere hoofdgebouwen buiten de bebouwde kom

Beleidsregel 1k Uitgangspunten voor bijbehorende bouwwerken bij andere gebouwen, uitgezonderd recreatiewoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij andere gebouwen, uitgezonderd recreatiewoningen, gelden de volgende regels:

•Op of achter de voorgevelrooilijn. Als er geen voorgevelrooilijn is; achter de naar de weg gekeerde gevel;

•Niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf;

•Niet hoger dan de oorspronkelijke toegestane goot- en bouwhoogte, met uitzondering van uitbreidingen van bouwwerken met ondergeschikte bouwdelen;

•Aansluitend terrein blijft in beginsel voor minimaal 50% onbebouwd;

•De maximale bebouwingsoppervlakte mag met maximaal 50% worden overschreden;

•Voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;

•Er mogen geen onevenredige gevolgen voor de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid ter plaatse ontstaan.

Beleidsregel 1l Uitgangspunten voor bijbehorende bouwwerken bij recreatiewoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een recreatiewoning gelden de volgende regels:

•uitsluitend aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd;

•de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorende bouwwerk mag ten hoogste 3,00 meter bedragen;

•de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 100 m² bedragen.

3.6 Een gebouw t.b.v. een infrastructurele of openbare voorziening

Beleidsregel 2 Uitgangspunten nutsvoorzieningen

Per concreet geval een afweging maken waarbij met het volgende rekening wordt gehouden:

•Het gebouw mag maximaal 1 bouwlaag bevatten.

•De oppervlakte van het gebouw mag maximaal 50 m2 bedragen.

•De hoogte van het gebouw mag maximaal 5 meter bedragen.

•Vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt moet het plan/project aanvaardbaar zijn.

3.7.1 Bouwwerken geen gebouw zijnde (algemeen)

Beleidsregel 3 Regels bouwwerk geen gebouw zijnde

•Vlaggenmasten mogen niet hoger dan 8 meter.

•Voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde wordt per concreet geval een afweging gemaakt, waarbij bij overkappingen rekening gehouden wordt met de regels met betrekking tot situering van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.

3.7.2 Erfafscheidingen

Beleidsregel 4a Regels voor erfafscheidingen op percelen met bebouwing

•Erfafscheidingen dienen te voldoen aan de eisen met betrekking tot afmetingen, plaatsing en uitvoering, zoals neergelegd in bijlage 1, onder 4A en 4B.

Beleidsregel 4b Regels voor erfafscheidingen op bedrijfspercelen zonder bebouwing

•Erfafscheidingen dienen te voldoen aan de eisen met betrekking tot afmetingen, plaatsing en uitvoering zoals neergelegd in bijlage 1, onder 4C.

Beleidsregel 4c Regels voor erfafscheidingen bij percelen met verspringende voorgevelrooilijnen

•Erfafscheidingen dienen te voldoen aan de eisen met betrekking tot afmetingen, plaatsing en uitvoering zoals neergelegd in bijlage 1, onder 4C. Per concreet geval wordt een afweging gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met de eisen met betrekking tot plaatsing en uitvoering zoals weergegeven in bijlage 1, onder 4D.

3.8.2 Dakopbouw door geveloptrekking

Beleidsregel 5a Regels voor dakopbouwen grenzend aan het voorerfgebied

1Algemeen

•Een dakopbouw mag uit maximaal één bouwlaag bestaan;

•Een dakopbouw is alleen toegestaan op een hoofdgebouw van één bouwlaag met kap;

•Geen dakopbouw in een dakvlak met een dakhelling minder dan 30 graden.

2Plaatsing

•Maximaal 1 dakopbouw per pand per dakvlak;

•Bij meerdere dakopbouwen op een doorgaand dakvlak regelmatige rangschikking op een horizontale lijn;

•Bij gebouwtype twee onder één kap: symmetrisch ten opzichte van de gezamenlijke bouwmuur;

•Minimaal 1 meter dakvlak ter weerszijden van de dakopbouw, ook ten opzichte van hoek- en kilkepers;

•Verticale afstand van de goothoogte van de dakopbouw tot de noklijn minimaal 1 meter.

3Maatvoering

•Breedte van de dakopbouw maximaal 40% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 4 meter.

Beleidsregel 5b Regels voor dakopbouwen grenzend aan het achtererfgebied

1Algemeen

•Een dakopbouw mag uit maximaal één bouwlaag bestaan;

•Een dakopbouw is alleen toegestaan op een hoofdgebouw van één bouwlaag met kap, tenzij de dakopbouw grenst aan een horizontale kilgoot tussen 2 panden, dan mag het hoofdgebouw uit maximaal 2 bouwlagen bestaan.

2Plaatsing

•Maximaal 1 dakopbouw per pand per dakvlak;

•Bij meerdere dakopbouwen op een doorgaand dakvlak regelmatige rangschikking op een horizontale lijn;

•Bij gebouwtype twee onder één kap: symmetrisch ten opzichte van de gezamenlijke bouwmuur;

•Minimaal 1 meter dakvlak ter weerszijden van de dakopbouw, ook ten opzichte van hoek- en kilkepers;

•Verticale afstand van de goothoogte van de dakopbouw tot de noklijn minimaal 0,5 meter;

•Afstand van de dakopbouw tot het voorerfgebied minimaal 3 meter.

3Maatvoering

•Breedte van de dakopbouw maximaal 60% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 6 meter.

3.8.3 Dakopbouw door nokverhoging

Beleidsregel 5c Regels voor dakopbouwen door nokverhoging

1Algemeen

•De dakopbouw is alleen toegestaan in een dakvlak dat grenst aan het achtererfgebied;

•De dakopbouw is maar in één dakvlak toegestaan;

•De nokverhoging vindt plaats door het verlengen van het tegenoverliggende dakvlak waardoor de nok richting achtererfgebied schuift;

•De nokverhoging is alleen toegestaan op een hoofdgebouw met een zadeldak van maximaal 35 graden;

2Plaatsing

•Maximaal 1 dakopbouw per pand per dakvlak;

•Bij meerdere dakopbouwen door nokverhoging op een doorgaand dakvlak regelmatige rangschikking op een horizontale lijn;

•Bij gebouwtype twee onder één kap: symmetrisch ten opzichte van de gezamenlijke bouwmuur;

•Minimaal 1 meter dakvlak ter weerszijden van de dakopbouw;

•De afstand van de dakopbouw tot de achtergevel is horizontaal gemeten minimaal 1 meter;

•Afstand van de dakopbouw tot het voorerfgebied minimaal 3 meter.

3Maatvoering

•Breedte van de dakopbouw maximaal 60% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 6 meter.

•De hoogte van de buitenwanden van de dakopbouw maximaal 1,2 meter;

•De nok mag verticaal gemeten maximaal 0,7 meter worden verhoogd;

•De hellingshoek van het dakvlak van de dakopbouw moet gelijk zijn aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak.

3.8.4 Dakopbouw waardoor een extra bouwlaag ontstaat

Beleidsregel 5d Regel voor dakopbouwen waardoor een extra bouwlaag ontstaat

•De dakopbouw (inclusief het gebouw waar deze op wordt geplaatst) dient te voldoen aan de daarop van toepassing zijnde regels voor bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan, die zijn opgenomen onder paragraaf 3.4 en 3.5 van deze beleidsnotitie.

3.9.1 GSM en UMTS antennes

Beleidsregel 6a Regel GSM en UMTS antennes

•Per concreet geval een afweging maken waarbij wordt getoetst aan het Antennebeleid van de gemeente Súdwest-Fryslân.

3.9.2 Particuliere zend- en/of ontvangstinstallaties

Beleidsregel 6b Regel particuliere antennes

Per concreet geval een afweging maken, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende regels:

•Voor zover het Antennebeleid van de gemeente Súdwest-Fryslân van toepassing is, wordt hierbij aangesloten.

•Als het bouwwerk wordt gerealiseerd bij een monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt veel gewicht gegeven aan de mate waarin het bouwwerk aansluit op de ter plaatse aanwezige monumentale waarden.

3.10 Het gebruiken van recreatiewoningen voor bewoning

Beleidsregel 7 Uitgangspunt wijziging gebruik recreatiewoning ten behoeve van bewoning

•Per concreet geval een afweging maken. Uitgangspunt is dat geen medewerking wordt verleend, behoudens zeer bijzondere omstandigheden.

3.11 Terrassen

Beleidsregel 8 Regel voor terrassen

•Een terras kan worden toegestaan indien voldaan wordt aan de definities uit hoofdstuk 2 en de regels uit hoofdstuk 3 van het door het college vastgestelde Planologisch Terrasbeleid (zie bijlage 4).

3.12 (Pre)Mantelzorg

Beleidsregel 9 Mantelzorg

•Per concreet geval een afweging maken. Hierbij kan de noodzaak worden getoetst door een gemeentelijk, sociaal-medisch adviseur.

Beleidsregel 10 Premantelzorg

•Per concreet geval een afweging maken. Hierbij kan de noodzaak worden getoetst door een gemeentelijk, sociaal-medisch adviseur.

3.13 Reclame

Beleidsregel 11 Reclame

•Per concreet geval een afweging maken waarbij wordt getoetst aan ‘Beleidsregels reclame gemeente Súdwest-Fryslân 2024’ en de welstandsnota.

Hoofdstuk 4 Hardheidsclausule

4.4 Regels inzake hardheid van het beleid

Beleidsregel 12 Regels over het handelen in overeenstemming met de beleidsregels

•Het vastleggen van beleidsregels betreffende dit beleid heeft tot gevolg dat het college handelt in overeenstemming met de uitgangspunten die in dit beleid zijn geformuleerd en dat derden daarop kunnen vertrouwen.

•Er wordt zeer terughoudend omgegaan met de mogelijkheden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

Beleidsregel 13 Regels over handelen in bijzondere omstandigheden

Het college kan, onverlet het bepaalde in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, van deze beleidsregels afwijken, als strikte toepassing van de beleidsregels voor één of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

6.1 Bijlagen

De volgende bijlagen zijn als bijlage opgenomen bij deze beleidsregels:

•Bijlage 1: Regels voor erfafscheidingen

•Bijlage 2: Referentiebeelden

•Bijlage 3: Bijbehorende bouwwerken percelen Tolhûsdyk 3, 5, 7, 9 en 11 te Sneek

•Bijlage 4: Planologisch Terrasbeleid

6.2 Inwerkingtreding en citeertitel

1Het Beleid Buitenplanse omgevingsplanactiviteit 2025 treedt in werking de dag volgend op de bekendmaking.

2Deze beleidsregel wordt aangehaald als: (kleine) BOPA-beleid.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.