3. Algemene uitgangspunten voor zonnevelden binnen gemeente Stichtse Vecht
3.2. Algemene landschappelijke uitgangspunten voor zonnevelden
3.2.1. Landschappelijke uitgangspunten op gebiedsniveau
•Het zonneveld maakt deel uit van een plangebied, dat het geheel van kavels betreft waarop het initiatief is gesitueerd. Voor de omvang van een plangebied geldt voor elk deelgebied (zie hoofdstuk 4) een maximum aantal hectare;
•Ontwikkel zonnevelden in relatie tot de schaal van het landschap;
•Behoud of versterk bestaande landschappelijk kenmerkende structuren en elementen, zoals kavelstructuren, bomenrijen, sloten en cultuurhistorische/natuurlijke waarden;
•Behoud van de zichtlijnen en doorzichten door het hanteren van een maximale hoogte en plaatsing zoveel als mogelijk buiten zichtvelden. De exacte maximale hoogte is afhankelijk van het deelgebied (zie hoofdstuk 4);
•Er mag geen sprake zijn van overmatige overlast door lichtschittering voor omliggende woonpercelen of verkeer;
•Behoud van rust in het landschap door rust aan te brengen in de vormgeving en oriëntatie van de panelen;
•Er wordt een landschappelijk inpassingsplan met beplantings- en beheersplan opgesteld om te zorgen voor de hiervoor genoemde landschappelijke inpassing;
•Er wordt altijd gezocht naar meervoudig ruimtegebruik, zoals een combinatie van opwek met natuurontwikkeling, waterberging of landbouw;
•Initiatieven voor zonnevelden op agrarische grond dienen altijd vanuit een adequaat participatieproces te worden uitgewerkt. Zie voor meer informatie hoofdstuk 6;
•De gemeente staat positief tegenover slimme combinaties van zonnevelden met agrarische functies (Agri-PV).
3.2.2. Landschappelijke uitgangspunten op kavelniveau
•Houd ruimte voor waterbeheeropgaven, zoals waterberging, natuurvriendelijk slootbeheer en vergroten van de aquatische biodiversiteit. Het handhaven van het bestaande waterpeil is daarbij het uitgangspunt;
•De panelen volgen de richting van het verkavelingspatroon;
•Voorkom het ontstaan van rafelranden;
•Technische installaties (bijv. transformatoren, batterijen, etc.), hebben allen dezelfde gedekte kleur en worden landschappelijk ingepast;
•Plaats technische installaties geclusterd op de meest inpasbare locatie op de kavel;
•De ontsluiting en onderhoudspaden volgen bij voorkeur de kavelgrenzen en zijn onverhard of in een halfverharding uitgevoerd;
•Natuurlijke afscheidingen (zoals een sloot of struweel) als beveiliging van het zonnepark hebben de voorkeur boven hekwerken. Wanneer dit niet mogelijk is, moet het hekwerk zoveel mogelijk worden ingepast in het landschap, zodat het zicht op het hekwerk vanaf het maaiveld wordt beperkt. Het is hierbij belangrijk dat het hekwerk geen barrière vormt voor fauna.
4. Beleidsregels per deelgebied
4.1. Ontwerpprincipes voor deelgebied Oeverwallen
4.1.1. Specifieke regels zonnevelden bij deelgebiedoverstijgende structuren
Zonnevelden in of nabij natuurgebieden (Groene Contour of Groene Scheg Utrecht)
•Sluit in of nabij gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of de Groene Contour het zonneveld aan met blauwgroene structuren die de waarden behorend bij de kwalificatie als Groene Contour versterken. Deze waarden zijn te vinden in de Uitwerking Wezenlijke Kenmerken en Waarden van het NNN van de provincie Utrecht
5Uitwerking Wezenlijke Kenmerken en Waarden van het NNN
en de daarbij horende Handreiking NNN
6Handreiking bij de regels ter bescherming van het Natuurnetwerk Nederland
;
•Zorg voor een toename van de biodiversiteit van het zonneveld in lijn met de biotopen die in het Groene Contour-perceel voorkomen.
Zonnevelden in de invloedssfeer van de Hollandse waterlinies
•In de property-zone van de Hollandse waterlinies (inclusief de schootsvelden en inundatievelden rondom de forten) zijn geen zonnevelden toegestaan;
•In de bufferzone stellen we ons terughoudend op. Initiatieven dienen hier te worden ingepast met oog voor de structuren van de waterlinies;
•Initiatieven in de bufferzone dienen volgens de uitgangspunten van het Afwegingskader energieopwekking Hollandse waterlinies
7Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies (16 november 2021)
te worden uitgewerkt.
4.2. Ontwerpprincipes voor deelgebied Vechtweiden
4.2.1. Speciieke regels zonnevelden bij deelgebiedoverstijgende structuren
Zonnevelden in of nabij natuurgebieden (Natura 2000, Groene Contour of Groene Scheg Utrecht)
•In Natura 2000-gebieden zijn zonnevelden niet toegestaan;
•Sluit in of nabij gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of de Groene Contour het zonneveld aan met blauwgroene structuren die de waarden behorend bij de kwalificatie als Groene Contour versterken. Deze waarden zijn te vinden in de Uitwerking Wezenlijke Kenmerken en Waarden van het NNN van de provincie Utrecht
9Uitwerking Wezenlijke Kenmerken en Waarden van het NNN
en de daarbij horende Handreiking NNN
10Handreiking bij de regels ter bescherming van het Natuurnetwerk Nederland
;
•Zorg voor een toename van de biodiversiteit van het zonneveld in lijn met de biotopen die in het Groene Contour-perceel voorkomen.
Zonnevelden nabij weidevogelkerngebieden
•In de weidevogelkerngebieden zijn geen zonnevelden toegestaan, met als uitzondering:
o Een onderzoeks-zonneveld met uitgebreide praktijkmetingen naar de daadwerkelijke impact op weidevogels;
o Een kleinschalig zonneveld aansluitend op de bebouwde omgeving;
•In de weidevogelrandzone kunnen alleen zonnevelden ontwikkeld worden onder de volgende voorwaarden:
o Houd minimaal 300 meter afstand van kavels die leef/broedgebied vormen voor weidevogels (of daarvoor zeer geschikt zijn).
o Er moet compensatie plaatsvinden voor weidevogels in het weidevogelkerngebied.
•Volg de natuurlijke kavelindeling en houd afstand tot de sloten voor onderhoud minimaal aan één zijde. Het dempen van sloten voor zonnevelden is niet toegestaan;
•Voor zonnevelden nabij weidevogelkerngebieden geldt om de openheid te behouden een maximale constructiehoogte van 1,5 meter. Hierin mag worden afgeweken onder de volgende voorwaarden:
o Als de omliggende wegen aantoonbaar hoger liggen en;
o Als door middel van een dwarsdoorsnede kan worden aangetoond dat er over de panelen heen gekeken kan worden door een persoon van gemiddelde lengte.
Zonnevelden in de invloedssfeer van de Hollandse waterlinies
•In de property-zone van de Hollandse waterlinies (inclusief de schootsvelden en inundatievelden rondom de forten) zijn geen zonnevelden toegestaan;
•In de bufferzone stellen we ons terughoudend op. Initiatieven dienen hier te worden ingepast met oog voor de structuren van de waterlinies;
•Initiatieven in de bufferzone dienen volgens de uitgangspunten van het Afwegingskader energieopwekking Hollandse waterlinies
11Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies (16 november 2021)
te worden uitgewerkt.
4.3. Ontwerpprincipes voor deelgebied Veenweide West
4.3.1. Specifieke regels zonnevelden bij deelgebiedoverstijgende structuren
Zonnevelden in of nabij natuurgebieden (Natura 2000, Groene Contour of Groene Scheg Utrecht)
•Sluit in of nabij gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of de Groene Contour het zonneveld aan met blauwgroene structuren die de waarden behorend bij de kwalificatie als Groene Contour versterken. Deze waarden zijn te vinden in de Uitwerking Wezenlijke Kenmerken en Waarden van het NNN van de provincie Utrecht
13Uitwerking Wezenlijke Kenmerken en Waarden van het NNN
en de daarbij horende Handreiking NNN
14Handreiking bij de regels ter bescherming van het Natuurnetwerk Nederland
;
•Zorg voor een toename van de biodiversiteit van het zonneveld in lijn met de biotopen die in het Groene Contour-perceel voorkomen.
Zonnevelden in of nabij weidevogelkerngebieden
•In de weidevogelkerngebieden zijn geen zonnevelden toegestaan, met als uitzondering:
o Een onderzoeks-zonneveld met uitgebreide praktijkmetingen naar de daadwerkelijke impact op weidevogels
•In de weidevogelrandzone kunnen alleen zonnevelden ontwikkeld worden onder de volgende voorwaarden:
o Houd minimaal 300 meter afstand van kavels die leef/broedgebied vormen voor weidevogels (of daarvoor zeer geschikt zijn).
o Er moet compensatie plaatsvinden voor weidevogels.
•Volg de natuurlijke kavelindeling en houd afstand tot de sloten voor onderhoud minimaal aan 1 zijde. Het dempen van sloten voor zonnevelden is niet toegestaan;
•Voor zonnevelden nabij weidevogelkerngebieden geldt een maximale constructiehoogte van 1,5 meter. Hierin mag worden afgeweken onder de volgende voorwaarden:
o Als de omliggende wegen aantoonbaar hoger liggen en;
o Als door middel van een dwarsdoorsnede kan worden aangetoond dat er over de panelen heen gekeken kan worden door een persoon van gemiddelde lengte.
5. Kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik
5.2. Participatie bij kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik
5.2.1. Procesparticipatie bij kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik
Gemeente Stichtse Vecht vindt het belangrijk dat de omgeving van een initiatief voor een zonneveld de kans krijgt mee te denken over de exacte locatie, het ontwerp en mogelijkheden voor koppelkansen als ecologische bermen. Dat geldt ook voor kleinschalige zonnevelden. Dit betekent dat een initiatiefnemer de omgeving dient te betrekken vóórdat een plan wordt ingediend bij de gemeente. Het organiseren en invullen van participatie is volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente zal beoordelen of is voldaan aan de wensen en eisen ten aanzien van participatie. Als blijkt dat er onvoldoende inspanningen zijn geleverd, zal de gemeente de initiatiefnemer vragen om meer acties te ondernemen of niet verder meewerken aan het planologisch mogelijk maken van het zonneveld.
Onderwerpen waarop de gemeente wil dat de omgeving kan meedenken zijn onder meer:
•De impact van het initiatief op de landbouwstructuur van de polder (indien van toepassing);
•Landschappelijke inpassing en vormgeving;
•Beplanting (en indien van toepassing: herplanting van bomen);
•Koppelkansen zoals recreatief gebruik, ecologische meerwaarde, waterberging.
De gemeente vindt het wenselijk dat grondeigenaren, gebruikers en omwonenden vanaf het eerste idee worden betrokken in het gebiedsproces en inspraak krijgen. Ook andere betrokkenen binnen de omgeving dienen de kans te krijgen om deel te nemen aan de procesparticipatie.
De omgeving bij kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik
Voor zonnevelden die bedoeld zijn om te voorzien in het eigen energiegebruik én die kleiner zijn dan één hectare geldt de volgende definitie van de omgeving:
•Plangebied: de oppervlakte binnen de begrenzing van het initiatief;
•Direct omwonenden: de omwonenden en stakeholders die zich binnen 100 meter van de begrenzing van het plangebied bevinden.
Betrokkenen die zich verder dan 100 meter buiten de begrenzing van het plangebied bevinden hoeven voor dergelijke kleinschalige initiatieven niet betrokken te worden.
5.2.2. Financiële participatie bij kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik
Voor initiatieven voor kleinschalige zonnevelden gericht op eigen gebruik en die kleiner zijn dan één hectare hoeft er geen financiële participatie plaats te vinden. Uiteraard mag dit wel.
5.2.3. Participatieplan bij kleinschalige zonnevelden gericht op het eigen energiegebruik
Voor initiatieven voor kleinschalige zonnevelden gericht op eigen gebruik en die kleiner zijn dan één hectare geldt dat er een beknopt participatieplan en verslaglegging daarvan dient te worden aangeleverd. Dit moet bestaan uit:
Ontwerp en inpassing:
•De impact van het initiatief op de landbouwstructuur en de bedrijfsvoering van (agrarisch) ondernemers binnen de polder (indien van toepassing);
•Landschappelijke inpassing en vormgeving;
•Beplanting (en indien van toepassing: herplanting van bomen);
•Koppelkansen zoals recreatief gebruik, ecologische meerwaarde, waterberging;
•Relatie van het initiatief met de omgeving, bijvoorbeeld met het oog op andere lopende ruimtelijke ontwikkelingen en/of ecologische verbindingen.
Proces:
•Processtappen en planning;
•Stakeholders en doelgroepen;
•Toekomstbestendigheid van de afspraken in verschillende projectfases, waarbij speciale aandacht is voor de overdracht van de afspraken bij een eventuele wisseling van eigenaar;
•Wijze en frequentie van communicatie met de omgeving door initiatiefnemer.
6. Participatie
6.3. Het participatieplan
6.3.1. Totstandkomingsproces participatieplan
Initiatiefnemers moeten een participatieplan meeleveren vanaf de eerste beoordeling van het initiatief door de gemeente. Hieruit moet blijken dat de initiatiefnemer in staat is een participatieproces voor ruimtelijke initiatieven in categorie 3 te organiseren dat aansluit op de wensen van de gemeente. Uit het participatieplan moet blijken:
a) wie de initiatiefnemer wil gaan betrekken bij het initiatief, rekening houdend met de definitie van de omgeving zoals gesteld op p. 41;
b) op welke wijze de initiatiefnemer de omgeving actief wil gaan betrekken;
c) dat de initiatiefnemer rekening houdt met de belangen van de omgeving.
Het participatieplan wordt als bijlage toegevoegd aan het eerste Vooroverleg Plan (VOP) en vormt zo mede de basis voor de planologische medewerking van de gemeente, alsmede het verdere proces van vergunningverlening. Dat proces bestaat uit één of meerdere VOP’s en de aanvraag omgevingsvergunning. Meer over het indieningsproces is te vinden in hoofdstuk 7. De volgende stappen worden gevolgd om te komen tot plan en uitvoering van procesparticipatie en financiële participatie.
Stap 1: Opstellen participatieplan op hoofdlijnen
De initiatiefnemer dient bij het eerste VOP (zie paragraaf 7.3) een participatieplan op hoofdlijnen in. In het participatieplan geeft initiatiefnemer aan:
a) in hoeverre en op welke wijze de omgeving al betrokken is bij het initiatief (verslaglegging);
b) hoe hij actief met de omgeving in gesprek gaat;
c) op welke wijze de omgeving bij de besluitvorming over het initiatief wordt betrokken;
d) hoe hij tot afspraken met de omgeving over financiële participatie wil komen en wat hij op dat punt aan de omgeving wil voorleggen.
Stap 2: Uitvoeren participatieplan op hoofdlijnen
De gemeente geeft tijdens het eerste VOP feedback op het participatieplan, waarna de initiatiefnemer kan starten met de uitvoering van het participatieplan op hoofdlijnen. De resultaten van dat proces legt de initiatiefnemer vast in het participatieverslag, dat moeten worden overlegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. Daarin maakt initiatiefnemer inzichtelijk:
a) welke inspanningen hij heeft gepleegd;
b) wie binnen de omgeving betrokken is geweest en wanneer;
c) wat de inbreng vanuit de omgeving is geweest;
d) hoe hij deze inbreng vervolgens heeft verwerkt (welke aanpassingen zijn eruit voortgekomen);
e) wat de uiteindelijke afspraken met de omgeving zijn (bijvoorbeeld m.b.t. grondruil);
f) welke vorm(en) van financiële participatie (lokaal eigenaarschap) gekozen zijn en waarom;
g) daar waar de participatie niet tot aanpassingen heeft geleid, licht de initiatiefnemer toe waarom dat niet gebeurd is.
Stap 3: Aanscherpen van het participatieplan tot een definitief participatieplan
Aan de hand van de participatieverslagen wordt het participatieplan op hoofdlijnen aangescherpt tot een definitief participatieplan. Dit definitieve participatieplan, met de participatieverslagen als bijlagen, wordt besproken tijdens een eventueel tweede VOP.
Stap 4: Beoordeling participatieplan bij beoordeling VOP
Als onderdeel van het VOP beoordeelt de gemeente het geactualiseerde, definitieve participatieplan. Er zijn drie uitkomsten mogelijk:
a) bij goedkeuring is initiatiefnemer gehouden het (goedgekeurde) participatieplan uit te voeren;
b). bij afkeuring is initiatiefnemer gehouden de aanwijzingen van de gemeente (om alsnog tot goedkeuring te kunnen komen) op te volgen. In de uitzonderlijke situatie dat het gebiedsproces, ondanks de inzet van initiatiefnemer, niet heeft geleid tot afspraken met omwonenden beoordeelt de gemeente of de geleverde inspanningen voldoende zijn geweest. Is dat niet het geval, dan zal initiatiefnemer alsnog de beloofde inspanningen moeten plegen;
c) Heeft de initiatiefnemer onvoldoende inspanningen geleverd, dan zal dat voor de gemeenten reden zijn de gewenste planologische medewerking te weigeren.
Stap 5: Goedkeuring VOP
Nadat de gemeente het geactualiseerde participatieplan heeft goedgekeurd of heeft geoordeeld dat initiatiefnemer – ondanks het uitblijven van afspraken – voldoende inspanningen heeft gepleegd, zal de gemeente het VOP goedkeuren. Daarmee leggen initiatiefnemer en gemeente vast welke onderdelen van het participatieplan voor het starten van het proces van vergunningverlening worden uitgevoerd. Het geactualiseerde (definitieve) participatieplan wordt als bijlage toegevoegd aan de aanvraag omgevingsvergunning.
6.3.2. Aspecten van het participatieplan
In het participatieplan komen de volgende aspecten ten aanzien van procesparticipatie en financiële participatie terug:
1Invulling van procesparticipatie
De initiatiefnemer geeft aan over welke onderwerpen hij de omgeving betrekt. Dit betreft minimaal de volgende onderwerpen:
•De impact van het initiatief op de landbouwstructuur en de bedrijfsvoering van (agrarisch) ondernemers binnen de polder (indien van toepassing);
•Landschappelijke inpassing en vormgeving;
•Beplanting (en indien van toepassing: herplanting van bomen);
•Koppelkansen zoals recreatief gebruik, ecologische meerwaarde, waterberging;
•Relatie van het initiatief met de omgeving, bijvoorbeeld met het oog op andere lopende ruimtelijke ontwikkelingen en/of ecologische verbindingen;
•Proces rond invulling financiële participatie.
De initiatiefnemer omschrijft stap voor stap het proces hoe deze participatie vorm krijgt en hoe daarbij de omgeving bij de besluitvorming wordt betrokken. Hij gaat daarbij in overleg met de omgeving om tot overeenstemming te komen op welke wijze hij uitvoering gaat geven aan het project. Het participatieplan vormt hiervoor de basis. In het participatieplan geeft initiatiefnemer aan hoe hij tot overeenstemming met de omgeving gaat komen en welk proces hij hiervoor gaat organiseren. Daarbij gaat initiatiefnemer in op de volgende elementen:
•Organisatievorm die de financiële participatie regelt. Bij de organisatievorm valt te denken aan een project-bv of een coöperatie;
•Processtappen en planning;
•Stakeholders en doelgroepen;
•Hoofdlijnen van de overeenstemming proces- en financiële participatie;
•Toekomstbestendigheid van de afspraken in verschillende projectfases, waarbij speciale aandacht is voor de overdracht van de afspraken bij een eventuele wisseling van eigenaar.
Onderdeel van het participatieplan is ook hoe vaak en op welke manier(en) de initiatiefnemer de omgeving betrekt. Zo hoort initiatiefnemer van direct omwonenden en de wijdere omgeving hoe zij aankijken tegenover de hiervoor aangegeven onderwerpen van het project. Daarnaast organiseert de initiatiefnemer (digitale) bijeenkomsten om de lokale omgeving enthousiast te maken voor de financiële participatie in die gevallen waarin dat van toepassing is. De initiatiefnemer geeft in het participatieplan aan welke mediakanalen hij inzet om de omgeving te betrekken (inclusief financiële participatie). Daarbij kan worden gedacht aan:
•persoonlijk geadresseerde brief aan iedereen binnen het plangebied en de directe omgeving (zie ook definitie omgeving op pagina 41);
•artikelen in het regionale dagblad;
•artikelen in lokale kranten;
•artikelen in huis-aan-huiskranten;
•artikelen in de online pers;
•artikelen voor de eigen media van de gemeente(n), zoals de digitale nieuwsbrieven en sociale media. Een en ander kan aangeleverd worden in overleg met de betreffende communicatie- afdelingen;
•een website die voor dit project wordt ingericht met informatie over het project (inclusief informatie over de financiële participatie).
Initiatiefnemer verzorgt tenslotte een digitale nieuwsbrief over de voortgang van het project. Deze nieuwsbrief is voor alle geïnteresseerde direct omwonenden, inwoners uit de wijdere omgeving en andere geïnteresseerden. Deze doelgroepen kunnen zich opgeven voor deze nieuwsbrief bij initiatiefnemer.
2Invulling van financiële participatie (lokaal eigenaarschap).
Gemeente Stichtse Vecht vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk stakeholders binnen de omgeving van zonnevelden eigenaarschap krijgen over het initiatief. Hoe dichterbij het initiatief, hoe belangrijker de gemeente het vindt dat stakeholders de mogelijkheid hebben om financieel te participeren. De initiatiefnemer geeft in het participatieplan aan hoe hij dit gaat organiseren. Bij de uitwerking van de financiële participatie vindt de gemeente het belangrijk dat er aantoonbaar inspanning is gepleegd om tot 100% lokaal eigenaarschap te komen.
Initiatiefnemer dient in het participatieplan aan te geven hoe invulling wordt gegeven aan lokaal eigenaarschap in het project. Andere vormen van financiële participatie (zoals financiële deelneming via obligaties of kWh-certificaten) mag de initiatiefnemer wel aanbieden, maar zijn niet verplicht.