Gemeentelijke regelgeving

Beleidskader Buiten Spelen, Natuurlijk!

Gemeente Stichtse Vecht · geldt sinds 31 juli 2014

Aanhef

De raad van de gemeente Stichtse Vecht,

Gelet op;

-het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 mei 2014;

-de bespreking in de werksessie van 10 juni 2014;

besluit

het beleidskader Buiten Spelen, Natuurlijk! vast te stellen.

Tiltel: Buiten spelen, Natuurlijk!

Opsteller: gemeente Stichtse Vecht, Sylvia Lutters en Ilse Vaartjes afdeling ontwikkeling

Beeldmateriaal: overwegend beeldbank Stichtse Vecht (de foto op het titelblad is gemaakt in het Superspeelspoor in Maarssenbroek).

Datum: 22 april 2014

4 Visie

4.3 Gemeente Stichtse Vecht

4.3.1 Toekomstvisie Focus op Morgen

In de voorgaande paragraaf is het belang van buitenspelen al aangegeven. De gemeente Stichtse Vecht volgt de landelijke visie om sporten en buitenspelen te stimuleren. Uit de analyse van 2013 komt naar voren dat onze gemeente heel goed scoort wat betreft het aantal speelvoorzieningen en de diversiteit en daarmee boven het landelijke gemiddelde zit. Een score om trots op te zijn en die aansluit bij hetgeen wordt weergegeven in de Toekomstvisie Focus op Morgen (vastgesteld 2013).

De gemeente Stichtse Vecht wil aantrekkelijk blijven voor starters en gezinnen en profileert zich in de regio als “groene gemeente voor gezinnen”. Vooral in de woonwijken die in de jaren 70 en 80 zijn gebouwd start de komende 10 tot 15 jaar een nieuwe bewonerscyclus waar de gemeente op wil anticiperen. In dat kader is het van belang ervoor te zorgen dat de voorzieningen zijn afgestemd op de bovengenoemde doelgroep. Voldoende aantrekkelijke speelvoorzieningen die het buiten spelen bevorderen vormen een punt van aandacht. Ouders met kinderen hechten veel waarde aan een omgeving waar hun kinderen veilig en fijn kunnen spelen. Daarnaast vervult een strategisch gelegen speelplek ook de rol van ontmoetingsruimte voor jong en oud. Bij een afname van het aantal kinderen en een toename van het aantal senioren (ontgroening en vergrijzing) blijft de behoefte aan een multifunctionele speel- en ontmoetingsruimte onbetwist.

De landelijke trends die in de vorige paragraaf zijn benoemd zal de gemeente aangrijpen om hier invulling aan te geven. De gemeente wil daarnaast ten aanzien van spelen en groen gebruik maken van de kracht van de samenleving en kijken naar kansen en mogelijkheden die mensen hebben om samen zaken op te pakken.

4.3.2 Ruimte voor spelen

De verstedelijking en daarmee gepaard gaande verdichting zorgt ervoor dat de ruimte om vrij te kunnen spelen steeds kleiner wordt. Te vaak valt de vrije ruimte ten prooi aan onstuitbare parkeerbehoefte en de (woning)bouwopgave. Het is van belang dat de gemeente de behoefte om te kunnen buiten spelen hiermee niet uit het oog verliest. De gemeente zal daarom een goed aanbod blijven bieden aan speelplekken voor kinderen en jongeren van verschillende leeftijden. Zowel de speelbehoefte (kwantiteit) als de speelwaarden (kwaliteit) spelen daarbij een rol. Er moeten verdeeld over de gemeente voldoende strategisch gelegen speelplekken zijn en deze speelplekken moeten de kinderen ook aanspreken. Een goede speelplek is avontuurlijk en daagt uit tot spelen. De speelplekken kunnen formeel (speeltuin, trapveld) of informeel (groenvoorziening, park, straat, plein) zijn. Als in een wijk of buurt onvoldoende ruimte is om veilig buiten te spelen, kunnen aanwezige schoolpleinen, kerkpleinen of sportterreinen uitkomst bieden. In geval van nieuwbouw of herstructurering zal op strategische en overzichtelijke plekken voldoende ruimte moeten worden gereserveerd. Het is niet wenselijk een speelvoorziening weg te stoppen of afhankelijk te laten zijn van dat ene onbruikbare stukje grond dat over is gebleven.

De landelijke organisatie voor speeltuinwerk en jeugdrecreatie (NUSO) heeft voor speelruimte een norm ontwikkeld. Uitgangspunt daarbij is dat 3% van de totale bebouwde oppervlakte bestemd en formeel ingericht is voor spelen. De speelnorm van 3% is een zeer grove richtlijn. De gemeente Stichtse Vecht zit qua speelvoorzieningen ruim boven deze norm. Daarnaast is het landelijk gebruikelijk om bij speelplekken uit te gaan van een actieradiusnorm (zie ook hoofdstuk 5, punt 4).

De actieradius (cirkelvormige afstand die kinderen morgen afleggen) verschilt per leeftijdscategorie. Kleine kinderen mogen zelfstandig minder ver van huis dan wat oudere kinderen. Gemeenten bepalen zelf meestal hoe groot de actieradius per leeftijdscategorie is. In de wijk Maarssenbroek is deze systematiek heel consequent doorgevoerd met als gevolg dat er heel veel kleine speeltuintjes zijn.

De gemeente Stichtse Vecht zal beide methoden als richtlijn gebruiken maar zal overwegend uitgaan van maatwerk. Het is bijvoorbeeld onmogelijk om op elke hoek van de straat een speelvoorziening te realiseren die geschikt is voor alle leeftijden. De ruimte die nodig is voor spelen zal ook altijd worden bezien in relatie tot de aanwezigheid van informele speelruimte zoals een nabij gelegen park, natuurgebied of autovrij plein.

4.3.3 Kwaliteit van spelen

Uit de Toekomstvisie De Focus op Morgen (vastgesteld 2013) blijkt dat de gemeente zich de komende jaren o.a. wil richten op gezinnen met kinderen. Gezinnen wonen graag in een kindvriendelijke omgeving. In een kindvriendelijke omgeving is het fijn en veilig kunnen buiten spelen een pre. Het aantal speelvoorzieningen en de grootte ervan zijn weliswaar van belang, maar het gaat binnen onze gemeente vooral om de kwaliteit van de speelvoorzieningen. Ook wel de “speelwaarde” genoemd. Het beleid van de gemeente is hierop gericht. Een speelvoorziening biedt voldoende speelwaarde als er sprake is van:

1een ruime opzet;

2een netwerk van verschillende strategisch gelegen speelvoorzieningen bestaande uit formele en informele speelplekken;

3een uitdagend en gevarieerd aanbod aan speeltoestellen en speelaanleidingen (geen solotoestellen);

4een veilige ligging (o.a. in het zicht van woningen en verkeerveilig);

5een plek die schoon en goed onderhouden is;

6een aanbod dat aansluit bij de behoefte van de omwonende jeugd;

7een sociale ontmoetingsplek voor de buurt.

Speelvoorzieningen worden steeds meer gezien als sociale ontmoetingsplaatsen in wijken en buurten. Niet alleen kinderen spelen er en leren met elkaar omgaan maar ook ouders en grootouders ontmoeten elkaar op en rond de speellocaties.

Dat levert een belangrijke bijdrage aan de sociale samenhang in een buurt of wijk. Hier wil de gemeente meer op inzetten (zie onder 4.1 “Speeltuin 2020”). Door te kiezen voor strategisch binnen de wijk of buurt gelegen ontmoetingsplekken. Deze ontmoetingsplekken kunnen met elkaar worden verbonden door kindvriendelijke routes zodat de iets oudere kinderen op een veilige manier van de ene naar de andere plek kunnen. Zo ontstaat een goed “speelnetwerk” dat de speelmogelijkheden vergroot.

Een kindvriendelijke omgeving wordt mede bepaalt door de inrichting van de openbare ruimte. Kindvriendelijkheid van een omgeving is een kwaliteit die zich niet alleen beperkt tot het bouwen van specifieke voorzieningen. Kinderen moeten ook op zoek kunnen gaan naar spelprikkels en speelaanleidingen, zoals een zitmuurtje, trapjes, stapstenen, groene oppervlakten, paadjes door de groenvoorziening, uitkijkpunten of bijzonderheden in de bestrating.

Daarnaast speelt veiligheid een belangrijke rol. De inschatting van risico’s en gevaar houdt ouders tegenwoordig meer bezig dan enkele decennia geleden. Veiligheid en het gevoel van veiligheid geeft de doorslag of kinderen buiten mogen spelen of ergens zelfstandig heen mogen gaan. De toenemende aandacht voor veiligheid vertaalt zich bovendien in steeds strengere wet- en regelgeving met betrekking tot speeltoestellen en speelondergronden. Landelijk onderzoek wijst uit dat tweederde van de ouders de verkeersveiligheid het allerbelangrijkste aspect van een speelplek vinden.

Waar ouders nadruk leggen op het belang van veiligheid, hechten kinderen veel waarde aan de ruimte en de inrichting van de speelplekken. Speelvoorzieningen zijn voor hen plaatsen waar ze met vriendjes bij elkaar kunnen komen. De jongste kinderen zien hun plekken graag ingericht met tal van speelse toestellen zoals schommels, glijbanen, klimrekken of zand- en waterbakken. Naarmate kinderen ouder worden, hebben ze meer behoefte aan speelplekken met een sportkarakter zoals voetbalvelden, basketbalnetten, tennismuurtjes en skate- of crossbanen. Al worden zaken als klimpiramides, kabelbanen, trampolines en hutten bouwen ook genoemd.

Een grotere speelvoorziening zoals bijvoorbeeld het Superspeelspoor in Maarssenbroek kan bij ouders en kinderen op een positief oordeel rekenen al mag zo’n grote speeltuin niet ten koste gaan van de kleinere speelvoorzieningen in de buurt. Men ziet de grote speeltuin als een hele goede aanvulling. Zoals uit de Toekomstvisie Focus op Morgen al blijkt hechten de bewoners, waaronder ook de kinderen, van Stichtse Vecht aan kleinschaligheid en de menselijke maat.

Toch zien we in onze gemeente ook veel (te) kleine speelvoorzieningen met een minimale speelwaarde. Denk aan solotoestellen, postzegelspeelplekken of speelplekken die weinig of niet gebruikt worden door bijvoorbeeld een verkeerde ligging. Hoewel de gemeente er naar streeft om voor alle kinderen speelvoorzieningen op een bereikbare afstand aan te bieden zal de gemeente er in bepaalde gevallen voor kiezen om speelplekken op te heffen. Het samenvoegen van speelplekken kan een mogelijkheid zijn om de totale speelwaarde in een wijk of buurt te vergroten. Het clusteren van speelplekken kan ervoor zorgen dat er meer ruimte is om te spelen, er meer te beleven valt en meer kinderen aanwezig zijn om mee samen te spelen. De gemeente zal in ieder geval niet meer investeren in nieuwe solotoestellen. Een speelvoorziening die wordt opgeheven, blijft wel bestaan als informele speelruimte, bijvoorbeeld in de vorm van gebruiksgroen of pleintje. Het eventueel opheffen van een bestaande speelplek zal altijd gebeuren in goed overleg met de bewoners en gebruikers. Mogelijkheden om speelplekken te clusteren vragen om maatwerk en draagvlak, juist omdat in zo’n geval de afstand tot de speelvoorziening toeneemt. Bij de opzet van het speelnetwerk zal de gemeente de 3% norm van NUSO en de actieradiusnorm als grove richtlijn hanteren maar zal uiteindelijk uitgaan van maatwerk.

Bijlage 1 Inventarisatie speeltoestellen en -plekken (bijlage bij Stichtse Vecht Buiten Spelen Natuurlijk)

In deze bijlage is de tabel opgenomen met het aantal speeltoestellen en speelplekken van de kernen in Stichtse Vecht (tabel 1). In tabel 2 is een vergelijking weergegeven met andere gemeenten / normen. Onderstaand worden deze tabellen toegelicht.

Tabel 1

In totaal zijn er 265 speelplekken en 1216 speeltoestellen in de gemeente Stichtse Vecht. Gemiddeld zijn er in Stichtse Vecht 4,59 speeltoestellen per speelplek. Onder toestellen vallen ook bankjes, doelen etc. In de tabel is specifiek benoemd welke speelvoorzieningen er zijn voor de 12+ categorie.

Tabel 2

Er is geen landelijke norm over het aantal speelplekken. Om toch enig inzicht te krijgen in de huidige situatie is op 2 manieren een analyse gemaakt van het aantal speelplekken. In tabel 2 is deze analyse cijfermatig doorgegeven. Onderstaand een toelichting op deze cijfers:

A) aantal speelplekken per 1000 inwoners

In tabel 2 is in kolom A het aantal speelplekken per 1000 inwoners weergegeven per kern in de gemeente Stichtse Vecht.

Uit onderzoek van Oranjewoud blijkt dat er in Midden Nederland een gemiddelde is van 3,1 speelplek per 1000 inwoners. Uit de vergelijking met de reeds aanwezige speelplekken in Stichtse Vecht valt op dat met name in de Maarssenbroek relatief veel speelplekken per 1000 inwoners zijn. Indien het gemiddelde van 3,1 speelplekken per 1000 inwoners wordt aangehouden zijn er 56 speelplekken ‘over’. Ook in De Dorpen is dit het geval. In de kleine Kernen is dit bijna gelijk aan het landelijk gemiddelde (3 speelplekken ‘tekort’).

B) Aantal kinderen per speelplek

In kolom B is het aantal kinderen per speelplek weergegeven. Deze gegevens zijn vergeleken met het landelijk gemiddelde (43 kinderen per speelplek, bron: spelenbeleid Midden Delfland).

Indien gekeken wordt naar aantal kinderen per speelplek blijkt dat met name bij de Kleine Kernen een aanzienlijk tekort is van 22 speelplekken. Dit tekort is groter dan bij de vergelijking onder punt A omdat in de Kleine Kernen relatief veel kinderen wonen. Bij De Dorpen en Maarssenbroek is er ook bij deze vergelijking sprake van een ‘overschot’ aan speelplekken.

Overig

Aantal speelplekken per 100 kinderen

Van veel gemeenten zijn niet de gedifferentieerde aantallen speelplekken voorzieningen bekend. Wel het aantal speelplek per 100 kinderen. Om enigszins grip te krijgen op dit aantal onderstaand nog een kleine vergelijking met een aantal andere gemeenten:

-Stichtse Vecht: 2,44 speelplek per 100 kinderen.

-Amersfoort: 2,7 speelplek per 100 kinderen.

-Delft 1,5 speelplek per 100 kinderen

-Pijnacker 1,5 speelplek per 100 kinderen

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.