Gemeentelijke regelgeving

VTH-Beleidsplan 2025-2028

Gemeente Stede Broec · geldt sinds 13 mei 2025

Bijlage 1: Werkproces vergunningverlening

Hoofdproces

Het proces voor het beslissen op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt op hoofdlijnen onderstaande stappen. Daarbij wordt de wettelijke procedure zoals vastgelegd in de Awb en de Omgevingswet gevolgd:

1Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag;

2Registeren aanvraag (behandelstappen en documenten);

3Sturen ontvangstbevestiging;

4Behandelend ambtenaar omgevingsvergunning beoordeelt:

–Bevoegd gezag;

–Uitgebreide of reguliere procedure;

–Meervoudige of enkelvoudige aanvraag;

–Publiceren aanvragen en (concept)beschikkingen;

–Overzicht bewaken over lopende procedures en de voortgang.

5De behandelend ambtenaar is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:

–Toets volledigheid en ontvankelijkheid op basis van indieningsvereisten en samenloop met meldingen;

–(Vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders;

–Uitzetten bij interne en externe adviseurs;

–Bewaken van de termijn;

–Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren van de aanvrager;

–Opstellen (concept)beschikking;

–Registratie (behandelstappen en documenten).

6Archiveren beschikkingen (analoog en/of digitaal). Een afschrift van de beschikking en/of melding, wordt verstuurd aan alle adviserende externe adviseurs in verband met toezicht en handhaving op die beschikking.

7Mogelijk zienswijze, bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening.

De casemanager beoordeelt of collegiaal overleg nodig is en of onder andere disciplines betrokken moeten worden bij de beoordeling. In het gedigitaliseerde werkproces zijn ook de contactmomenten met externe en interne adviseurs benoemd. Afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs. Aanvragen voor monumenten worden, naast de gebruikelijke beoordeling voor slopen/bouwen volgens de toetsmatrix, getoetst door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

Bibob-toets

In sommige gevallen wordt een Bibob-toets uitgevoerd: een onderzoek naar de integriteit van de aanvrager. Dit gebeurt als er in het voortraject of na ontvangst van de aanvraag signalen zijn (vanuit de gemeente/SED zelf, de politie, het OM, de ODNHN etc.) dat het risico bestaat dat de gemeenten onbedoeld criminele activiteiten faciliteren. Een positieve uitkomst van een Bibob-toets is een grondslag om een vergunning te weigeren. Het uitvoeren van Bibob-toetsen maakt onderdeel uit van het veiligheidsbeleid van de gemeenten.

Vergunningaanvragen worden digitaal verwerkt. Ze komen digitaal binnen of papieren aanvragen worden gedigitaliseerd. Afhankelijk van de aard van de aanvraag wordt een behandelaar aangewezen. De processtappen en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd in het VTH-registratiesysteem (RX.mission). Onder andere de meest voorkomende correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn gestandaardiseerd.

Beoordelen ontvankelijkheid

Een aanvraag moet ontvankelijk zijn, dat wil zeggen dat alle vereiste stukken zijn aangeleverd. Anders kan er geen goede inhoudelijke beoordeling plaatsvinden. Het consequent toetsen van een aanvraag op ontvankelijkheid voorkomt dat in het vervolg van het proces de toetsing niet (geheel) kan worden uitgevoerd.

Bij alle aanvragen voor een omgevingsvergunning vindt een volledige ontvankelijkheidstoets plaats. De richtlijn is dat binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag schriftelijk aanvullende gegevens worden gevraagd. Als de gevraagde stukken ontbreken, niet op tijd of onvolledig zijn, volgt een besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvraag. Hiertegen kan de aanvrager bezwaar indienen.

Indien voor het verlenen van een vergunning een officiële (noodzakelijke) toestemming van een andere overheid nodig is om een bepaalde activiteit uit te voeren (bijvoorbeeld ontheffing Wet natuurbescherming), en deze niet, of niet volledig is ingediend, kan de aanvraag om een omgevingsvergunning niet in behandeling worden genomen. Daarbij wordt eerst gelegenheid gegeven om binnen een bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen. In het kader van de Wet samenhangende besluiten wordt bekeken, of voor het realiseren van de aangevraagde activiteit ook overige vergunningen of meldingen nodig zijn (zoals voor de Drank- en Horecawet en de APV’s). De aanvrager wordt daarover geïnformeerd.

Beoordelen van meldingen

Bij ontvangst van meldingen, zoals voor brandveilig gebruik, sloop en het lozen buiten inrichtingen vindt een beoordeling plaats of de melding compleet is en ontvangt de indiener een bevestiging. Er volgt op een melding geen besluit van de gemeente, omdat een melding juridisch niet als aanvraag wordt gezien. In geval van toezicht wordt de melding doorgestuurd aan de controlerende instantie. Soms is een aanvulling of concretisering op de algemeen geldende voorschriften (wetten, besluiten) nodig om risico’s te voorkomen en beter te kunnen handhaven. Er worden dan maatwerkvoorschriften opgelegd of er wordt een gelijkwaardigheidsbesluit genomen.

Inwerkingtreden vergunning

In artikel 16.79 van de Omgevingswet is de hoofdregel opgenomen over de inwerkingtreding van een omgevingsvergunning. In de reguliere procedure is dat de dag na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. In enkele gevallen kan sprake zijn van uitgestelde inwerkingtreding. Uitgestelde inwerkingtreding is mogelijk bij activiteiten die kunnen leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld (onomkeerbaarheid). Het betreft onder meer de activiteiten:

–Kappen/vellen van bomen;

–Slopen in beschermd stadsgezicht en op grond van ruimtelijke regels;

–Wijzigingen aan (gemeentelijke-, provinciale- en Rijks)monumenten;

–Aanleggen.

Het gaat er bij bovenstaande activiteiten om de onomkeerbare gevolgen te voorkomen en de betrokken (o.a. monumentale) waarden te beschermen. Als er in een specifiek geval, buiten bovenstaande vier voorbeelden, sprake is van een activiteit die kan leiden tot een wijziging van de bestaande toestand die niet kan worden hersteld, wordt dit in de vergunning opgenomen en gemotiveerd.

Intrekken van vergunningen

Verleende vergunningen kunnen worden ingetrokken. Dit geldt bijvoorbeeld voor vergunningen voor werken die niet zijn gestart. Daarmee wordt voorkomen dat activiteiten gerealiseerd worden volgens verouderde normen in wetgeving. De termijn waarbinnen de initiatiefnemers een verzoek tot intrekking ontvangen, is vastgelegd in de Omgevingswet. In de volgende gevallen wordt de vergunninghouder een nadere termijn gegund waarbinnen alsnog met de werkzaamheden moet zijn begonnen:

–de vergunninghouder kan zijn intentie tot bouwen aantonen middels concrete documenten (bijvoorbeeld geaccepteerde offerte van een bouwondernemer, facturen van bestelde bouwmaterialen en/of hiermee gelijk te stellen documenten).

–de vergunninghouder voert persoonlijke omstandigheden op, zoals een sterfgeval in de familie, ziekte of onverwachte financiële omstandigheden die tot uitstel van de bouwwerkzaamheden leiden.

Legaliseringsonderzoek

In voorkomende gevallen wordt onderzocht of legalisatie mogelijk is van een (deels) illegale situatie die wordt aangetroffen, bijvoorbeeld bij het toezicht. Voor een legaliseringsonderzoek is de volgende procedure afgesproken:

–De toezichthouder heeft een overtreding geconstateerd;

–De toezichthouder houdt warm contact met de overtreder waarbij wordt aangegeven dat een onderzoek tot legalisatie van de overtreding wordt gedaan, waarbij wordt getoetst aan het omgevingsplan en het Bbl;

–De toezichthouder communiceert met de secretaris Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit dat voor het legaliseringsonderzoek een zitting moet worden ingepland bij de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Daarnaast levert de toezichthouder voor de behandeling de juiste informatie aan (rapportage, foto’s, vergelijkbare gevallen omgeving, etc.);

–De secretaris van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit plant een zitting in en nodigt de overtreder uit om bij de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit zijn/haar verhaal toe te lichten en eventueel te onderbouwen met documenten/vergelijkbare gevallen. Dit geeft ook ruimte aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit om tijdens de zitting aan de overtreder aan te geven wat eventueel wel toelaatbaar is;

–De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit geeft haar definitieve advies.

Het bovenstaande proces voorziet erin dat er maar één behandeling bij de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit nodig is. De overtreder krijgt de gelegenheid om zijn/haar argumenten direct met de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit uit te wisselen. Bijkomend voordeel is ook dat er in het toezicht en het eventuele opvolgende handhavingstraject snel duidelijkheid is.

Bijlage 2: Beoordelingskaders vergunningverlening

Beoordelingskader bouwen

Voor de activiteit bouw geldt dat de gemeentelijke toets (de zogenaamde preventieve toets) gekarakteriseerd wordt als een aannemelijkheidstoets: een vergunning voor de activiteit bouwen wordt alleen verleend als voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften. Hiermee stelt de wetgever duidelijk dat gemeenten bij het toetsen van de bouwaanvraag niet de verantwoordelijkheid overnemen van de vergunninghouder of de bouwpartij.

De vergunningstrategie voor (bouw)aanvragen heeft tot doel te komen tot een uniforme manier van toetsen door hiervoor een kwaliteitsniveau vast te leggen. Ongeacht de behandelend medewerker vindt hierdoor een eenduidige toetsing plaats. Tevens wordt aan de hand van deze vergunningstrategie gekomen tot een zo efficiënt en effectief mogelijke inzet van de beschikbare middelen. Dit is geborgd in RX.Mission.

Aanvragen worden allereerst getoetst aan de regels voor vergunningvrij bouwen. Aanvragen voor vergunningplichtige bouwwerken toetsen we, na uitvoering van de ontvankelijkheidstoets (zie ook ‘basiswerkwijze’) achtereenvolgens aan de volgende onderdelen:

–Toetsing aan de gemeentelijke omgevingsplannen;

–Toetsing aan de erfgoedverordeningen;

–Bouwtechnische toetsing conform Bbl;

–Bibob-toetsing (indien aan de orde).

Bij de bouwtechnische toetsing worden verschillende toetsniveaus gehanteerd, afhankelijk van de risicoklasse waarin een aanvraag wordt ingeschaald.

Toetsniveau

Omschrijving

4Integraal toetsen

Alles controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd/nagerekend.

3Representatief toetsen

Controle van de belangrijkste onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. De na te rekenen aspecten worden bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets.

2Visueel toetsen

Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn.

1Uitgangspunten toetsen

Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven. Indien gegevens niet aanwezig zijn de ontvankelijkheidtermijn is verstreken zonder dat de gemeente hiervan melding heeft gegeven, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd.

0Geen toets

Er vindt geen controle op het onderdeel plaats

De bouwtechnische toetsing geldt in ieder geval voor bouwwerken die (nog) niet onder de Wkb vallen. Bouwwerken die wel onder de Wkb vallen, worden niet meer bouwtechnisch getoetst; wel blijft bij deze bouwwerken de toetsing aan het omgevingsplan. Bij deze bouwwerken gebeurt de bouwtechnische toetsing, in opdracht van de initiatiefnemer, door een kwaliteitsborger. Deze stelt een borgingsplan op dat voorafgaand aan de start van de bouw ter beoordeling naar de gemeenten c.q. de SED-organisatie wordt verzonden. Dit geldt ook voor een verklaring van de kwaliteitsborger na oplevering van de bouw. Steekproefsgewijs vindt ook een meer inhoudelijke toetsing op specifieke aspecten plaats.

Bij de beoordeling van het borgingsplan bekijken de gemeenten alleen of de wettelijke en lokale eisen waaraan moet worden getoetst, ook allemaal zijn opgenomen (volledigheidstoets). De gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland stellen geen aanvullende eisen tot het borgingsplan is opgemaakt en vastgesteld.

Als op basis van de risicomatrix (geeft aan welke veiligheidsrisico’s er zijn) een bouw- of sloopveiligheidsplan is vereist en dit ontbreekt, dan wordt (indien het een aanvraag betreft) een verzoek om aanvulling gedaan. Indien het een melding betreft, dan wordt die afgewezen op onvolledigheid.

De gereedmelding van een bouwactiviteit binnen de Wkb gebeurt op basis van het dossier dat de kwaliteitsborger aanreikt en de daarbij gevoegde verklaring. De gereedmelding moet twee weken voor ingebruikname plaatsvinden. Bij gebleken strijdigheid wordt gelegenheid geboden tot herstel of vindt afweging plaats of gebruik toch kan worden toegestaan. Het laatste gebeurt alleen als er een akkoord is op de veiligheidsrisico’s.

Beoordelingskader sloopwerkzaamheden

Sloopactiviteiten vinden plaats bij verbouwing, uitbreiding of volledige sloop van objecten. Voor slopen geldt bij karakteristieke objecten (bij monumenten, in beschermde stads- en dorpsgezichten en volgens het omgevingsplan) een vergunningplicht. Voor overige objecten geldt een meldingsplicht. De sloopmelding wordt op diverse thema’s beoordeeld, conform het beoordelingsformulier van ODNHN. De toetsresultaten worden waar nodig vertaald in nadere voorwaarden in de vergunning.

Beoordelingskader brandveilig gebruik

Belangrijke beleids- en uitvoeringskaders voor de brandveiligheid zijn de Beleidsvisie 2024-2027 van de VRNHN, de handreiking Bluswater en Bereikbaarheid, het Bgbop en de Evenementenwijzer Veiligheid en Gezondheid van de VRNHN, de politie en de GGDHN.

Het toetsen van meldingen en aanvragen omgevingsvergunning voor alle typen gebouwen in relatie tot brandveiligheid gebeurt op basis van een 100% toets aan wettelijke regelgeving. Meldingen en aanvragen om vergunning voor brandveilig gebruik kunnen voor advies worden voorgelegd aan de brandweer.

Voor niet-bouwwerken (‘bouwsels’), zoals tenten, podia, kermissen en overige plaatsen, wordt getoetst aan het omgevingsplan (al dan geen strijdigheid), het Bgbop en het gemeentelijk evenementenbeleid.

Beoordelingskader monumenten, archeologie en cultureel erfgoed

De omgevingsvergunning voor monumenten vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk, provinciaal en rijkscultuurhistorisch erfgoed. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag over de bouwhistorische onderdelen via de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit ligt het voor de hand dat bij de toetsing van aanvragen voor een vergunning voor monumenten wordt aangesloten bij de vergunningstrategie voor omgevingsvergunningen, activiteit bouwen. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist. Door proactief toezicht en de intensiteit van het toezicht te vergroten is er een afdoende waarborg voor de instandhouding van monumentale waarden.

Beoordelingskader milieu

Voor de activiteit milieu is een bedrijf primair verantwoordelijk voor een milieuverantwoorde bedrijfsvoering, binnen de kaders die hiervoor door de overheid zijn gesteld. De werkzaamheden rondom vergunningverlening milieu hebben betrekking op het beoordelen van aanvragen en meldingen voor activiteiten die van invloed zijn op het milieu. Een groot deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door de ODNHN. Om de samenwerking te stroomlijnen zijn werkafspraken vastgelegd tussen de SED en de ODNHN. Voor de diepgang van toetsing van meldingen en aanvragen voor milieuactiviteiten wordt verwezen naar de vergunningen(melding)strategie van de ODNHN zoals opgenomen in de U&H-strategie 2024-2027.

Beoordelingskader aanleg weg, kap, reclame en inritten

Voor activiteiten die in de APV’s zijn geregeld, vindt toetsing primair plaats op basis van de bepalingen in die APV’s. Naast deze publiekrechtelijke toetsing worden vaak ook privaatrechtelijke afspraken gemaakt als de activiteiten plaatsvinden op publieke gronden (bijvoorbeeld bij de aanleg van inritten).

Bij aanvragen voor de aanleg van een weg of inritten vindt afstemming plaats met de wegbeheerders, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier of de provincie.

Van kappen kan sprake zijn als een boom of een houtopstand geveld wordt of als er zeer drastisch wordt gesnoeid, bijvoorbeeld het verwijderen van de kroon uit een boom. In de APV is opgenomen in welke gevallen voor het vellen van bomen een vergunning nodig is. In aanvulling hierop zijn ook monumentale en/of beeldbepalende bomen aangewezen.

Beoordelingskader evenementen

Aanvragen voor evenementen worden getoetst aan het omgevingsplan, constructieve veiligheid (Bbl), het Bgbop en het evenementenbeleid (inclusief dat van de VRNHN). Als evenementen plaatsvinden in bouwsels, worden de brandveiligheid en constructieve veiligheid getoetst aan het Bbl.

Specifiek voor evenementen geldt dat het van grote waarde is als bij de beoordeling van een aanvraag voor het houden van een evenement wordt gekeken naar mogelijke aanvragen voor evenementen die gelijktijdig worden gehouden. Dit met het oog op de eventuele inzet van hulpdiensten. Dat zicht is er door een regionale evenementenkalender.

Beoordelingskader bodem, bouwstoffen en grondstromen

Meldingen Besluit bodemkwaliteit worden getoetst aan de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart. Daarbij worden de volgende aspecten meegewogen:

–De kwaliteit van uitvoering (Kwalibo);

–Bouwstoffen;

–Grond en baggerspecie.

Bouwstoffen die aan de generieke kwaliteitseisen uit het Besluit bodemkwaliteit voldoen, mogen worden toegepast zonder nadere eisen aan de wijze van toepassing. Bouwstoffen die niet voldoen aan deze eisen kunnen (tot bepaalde grenzen) met isolerende maatregelen worden toegepast.

De kwaliteit van de partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de toepassingseisen van het Besluit bodemkwaliteit. Bewijsmiddelen voor de kwaliteit van een partij grond zijn Bodemonderzoeken (partijkeuringen) en de Regionale Bodemkwaliteitskaart. Voor de verdere uitwerking, zie de U&H-strategie 2024-2027 van de ODNHN en de jaarlijks opgestelde uitvoeringsprogramma’s voor Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland.

Beoordelingskader natuurbescherming en flora en fauna

Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning de activiteit ‘handelen in een natuurbeschermingsgebied of met gevolgen voor een natuurgebied’ bevat, of de activiteit kan nadelige gevolgen veroorzaken voor de aanwezige flora en fauna, dan wordt advies gevraagd bij Gedeputeerde Staten. Als wordt getoetst in het kader van de aanvraag, wordt het advies overgenomen in de beschikking.

Beoordelingskader ruimtelijke ordening

Uitgangspunt is dat alle aanvragen integraal worden getoetst aan het omgevingsplan. Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL). Dat betekent dat er een balans moet zijn tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen.

Elk bouwplan wordt getoetst aan het geldende bestemmings- en/of omgevingsplan, om te beoordelen of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden nagemeten en bestemmingen per ruimte worden benoemd en gecontroleerd. Als blijkt dat een aanvraag niet voldoet aan het geldende ruimtelijke plan, wordt beoordeeld of een afwijking of wijziging van het ruimtelijk plan mogelijk is.

Beleid voor afwijking van omgevingsplannen

Per 1-1-2024 zijn de bestemmingsplannen van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan per gemeente. In de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechteland zijn er geen specifieke beleidsregels voor het afwijken van het omgevingsplan. Per geval wordt een beoordeling/afweging gemaakt. Bij die beoordeling/afweging wordt wel getoetst aan gemeentelijk beleid. Als een aangevraagde activiteit in strijd is met het omgevingsplan, spreken we van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Als een activiteit in strijd is met het omgevingsplan, zal eerst een omgevingsvergunning moeten worden verleend. De procedure voor een binnenplanse omgevingsactiviteit (OPA) of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is meestal de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken (die eenmalig met 6 weken kan worden verlengd). In het omgevingsplan kunnen gemeenten afwijkingsregels opnemen. De SED-gemeenten hebben daarvoor een afwegingskader opgenomen in de ontwerp-omgevingsvisie (zie link).

Beoordeling van de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsactiviteit vindt plaats aan de hand van de beoordelingsregels uit het Bkl, het Bal, het Bbl, de instructieregels van het Rijk en de provincie en de regels uit de ‘bruidsschat’ (de al bestaande gemeentelijke regels die in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn komen te staan). Na besluitvorming over een buitenplanse omgevingsactiviteit wordt het omgevingsplan indien nodig aangepast. Hiervoor gaat op basis van artikel 4.17 van de Omgevingswet vanaf 1 januari 2032 een termijn gelden van 5 jaar.

Bijlage 3: Werkproces toezicht

De toezichtstrategie is gericht op het op eenzelfde wijze uitvoeren van toezicht in overeenkomstige gevallen. Het doel hiervan is tweeledig. Enerzijds het bereiken van transparantie, professionaliteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor diegenen waarop het toezicht zich richt. Anderzijds het voorzien in een hoge mate van effectiviteit en efficiency, zodat zo hoog mogelijke maatschappelijke effecten tegen zo laag mogelijke inspanningen en kosten worden bereikt. Zodra een overtreding is geconstateerd, wordt overgegaan op een andere strategie: eventueel legaliseren, waarschuwen, sanctioneren of in uitzonderlijke gevallen gedogen.

Het toezicht in het kader van de Omgevingswet wordt uitgevoerd door de afdeling VTH van de SED, ODNHN voor wat betreft milieu en de VRNHN (brandweer) voor wat betreft brandveiligheid.

Aanleidingen voor het uitvoeren van controles

Toezicht in de gemeenten vindt plaats in het kader of naar aanleiding van:

–Het VTH-beleidsplan en het uitvoeringsprogramma, waarin bestuurlijke prioriteiten en door de provincie gestelde aandachtsgebieden voor het interbestuurlijk toezicht zijn verwerkt;

–Een verleende vergunning of ontvangen melding over de start van een activiteit;

–Specifieke thema’s of projecten;

–Klachten, handhavingsverzoeken en ongewone voorvallen;

–Waarnemingen in het vrije veld (“oog en oor-functie”).

De prioriteiten in het toezicht zijn opgenomen in dit VTH-beleidsplan. Deze worden jaarlijks in het uitvoeringsprogramma nader gespecificeerd of bijgesteld op basis van nieuwe inzichten, ontwikkelingen (beleid, wetgeving, samenleving) of ervaringen uit het toezicht in het jaar ervoor.

Vormen van toezicht

Met het in werking treden van de Wkb verschuift de verantwoordelijkheid van het bouwtoezicht deels naar de initiatiefnemer. Dat wil zeggen dat de gemeenten gefaseerd als toezichthouders op de constructieve veiligheid van bouwwerken terugtreden en de initiatiefnemer een (gecertificeerde) kwaliteitsborger moet aanstellen die rapporteert aan de gemeenten. Dit geldt niet voor complexe bouwwerken, voor het toezicht op bouwactiviteiten bij monumenten en voor het toezicht op het gebruik (conform omgevingsplan). Ook voor brandveiligheid en milieu blijven de gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht.

10Het toezicht wordt in de praktijk uitgevoerd door respectievelijk de VRNHN en de ODNHN.

Het toezicht door de SED-organisatie vindt op verschillende manieren plaats:

–Structurele (routinematige) controles: periodiek toezicht op vergunningen en meldingen, zoals bij milieubelastende activiteiten (door de ODNHN) of de brandveiligheid van bouwwerken met bewoners of gebruikers met een beperkte zelfredzaamheid (door de VRNHN);

–Toezicht tijdens en na afronding van (ver)bouw- of sloopactiviteiten, inclusief grotere evenementen met tijdelijke bouwwerken;

–Hercontroles, gericht op één of enkele aandachtspunten. Deze vinden plaats aan de hand van de brief die is verzonden naar aanleiding van een eerdere controle of eerder handhavingsbesluit.

–Thematische, projectmatige of gebiedsgerichte controles zoals preventief toezicht op ondermijningsrisico’s op bedrijventerreinen;

–Incidentele controles (‘piepsysteem’), bijvoorbeeld naar aanleiding van meldingen, klachten of handhavingsverzoeken.

–Administratief toezicht, bijvoorbeeld op basis van de rapportage van een kwaliteitsborger;

–Controle kwaliteitsborging: toezicht op de gecertificeerde partij die het primaire toezicht op locaties verzorgt. Het betreft onder meer controle van afgegeven certificaten.

Voor ieder van deze vormen is in het VTH-registratiesysteem (RX.mission) een hoofdproces ingericht waarin de stappen worden doorlopen. Toezicht gaat per 1 juli werken met RX.mission. Controle op locatie vindt plaats op basis van een (digitale) checklist. Van de controle wordt een constateringsrapport opgemaakt waarin de feitelijke bevindingen en administratieve gegevens zijn opgenomen. Handhaving volgt zo spoedig mogelijk met het gebruik van RX.Mission in de loop van 2024.

De wijze en intensiteit van het toezicht hangt ook af van de verwachting over het naleefgedrag. De ervaring is dat dit groter is naarmate regels voor initiatiefnemers duidelijker zijn (zie ook de eisen die aan vergunningen worden gesteld), bekend is dat er gecontroleerd wordt, de pakkans groot is en een overtreding ook gevolg heeft. Overigens is het controlemoment ook een goede gelegenheid om de kennis van een initiatiefnemer te toetsen en waar nodig advies te geven voor het vergroten van de kennis.

Controles worden in bepaalde gevallen altijd onaangekondigd uitgevoerd, dat wil zeggen bij:

–Een hercontrole na het stilleggen van bouw- of sloopwerkzaamheden met een last onder dwangsom of bestuursdwang;

–Strijdig gebruik met het omgevingsplan;

–Een vermoeden van ondermijnende criminele activiteiten (drugspand, illegale huisvesting etc.);

11In zo’n geval zal een controle in de regel samen met de politie worden uitgevoerd.

–Overige situaties waarbij een onaangekondigde controle passend is.

Bij het toezicht wordt zorgvuldig omgegaan met de belangen van de rechthebbende(n). Als toestemming wordt geweigerd, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheden van toezichthouders volgens de Awb en/of de Algemene wet op het binnentreden als dit redelijkerwijs voor de invulling van de taak nodig is. Op basis van een analyse van de situatie vooraf, wordt bepaald of de controle aangekondigd of onaangekondigd plaatsvindt. Als de omstandigheden dit niet toelaten (bijvoorbeeld als een illegale activiteit wordt geconstateerd en deze plaats direct dient te worden betreden) neemt de toezichthouder zo spoedig mogelijk (al dan niet achteraf) contact op met de rechthebbende op het gebruik van de plaats. De toezichthouder meldt zich in ieder geval altijd bij de op het erf/terrein aanwezige uitvoerder/personen.

Toezicht bouwen

Het toezicht bouwen is veranderd met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de daarmee samenhangende Wkb.

Bouwwerken onder Gevolgklasse 1

Op de realisatie van bouwwerken die vallen onder Gevolgklasse 1 (GK1) van de Wkb houden de gemeenten geen bouwtechnisch toezicht meer. Het gaat om gebouwen waarbij de persoonlijke gevolgen beperkt zijn als er niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Dat gaat onder andere om (vakantie)woningen, kleinere bedrijfsgebouwen, kleinere windmolens of fietsbruggen.

Wel blijft bij de GK1-bouwwerken het toezicht op basis van het omgevingsplan en de gemeentelijke Bouwverordening gelden. In elk geval in 2025 worden ook nog steekproefsgewijs controles uitgevoerd op de kwaliteit van het werk van de kwaliteitsborgers.

Als er bij GK1 bouwwerken sprake is van werkzaamheden met een onomkeerbaarheid of wanneer door de werkzaamheden verder onderzoek onmogelijk wordt, wordt een onderzoek aangezegd. Dat onderzoek mag niet belemmerd worden. Er mogen dus ook geen werkzaamheden meer plaatsvinden die het onderzoek kunnen belemmeren. Concreet betekent dat een (tijdelijke) bouwstop.

Overige bouwwerken

Bij bouwwerken die (nog) niet onder de Wkb vallen, moeten tijdens de bouw- of realisatiefase keuzes gemaakt worden over wat en hoe wordt gecontroleerd. Hiervoor is het toezichtprotocol van de Vereniging BWT Nederland leidend (zie site Bwt-info).

In veel gevallen kan zonder vergunning worden verbouwd, zowel particulier als zakelijk. Echter, bij vergunningvrij bouwen is de initiatiefnemer wel aan regels gebonden. Deze regels omvatten vooral maximale oppervlakten en maximale afmetingen. In ieder geval gelden altijd de regels uit de Omgevingswet, het Bbl (onder meer voor veiligheid, gezondheid en ventilatie) en het omgevingsplan.

Toezicht sloopwerkzaamheden

Voor sloop aan alle bouwwerken vóór 1994 met meer dan 10 m3 sloopafval wordt een asbest-inventarisatierapport en een sloopmelding of -vergunning verlangd. Alle asbestinventarisatierapporten worden getoetst door de ODNHN.

Bij sloopwerkzaamheden uitgevoerd door bedrijven vindt het toezicht gemandateerd plaats door de ODNHN en wordt de toezichtstrategie van de ODNHN gevolgd. Die is gelijk voor alle gemeenten en de provincie.

Bij sloopwerkzaamheden door particulieren vindt een administratieve toets plaats en wordt gereed gemeld op basis van een controle. Bij sloopwerkzaamheden in risicovolle gebieden (dichte bewoning) vindt een controle op de veiligheid van het sloopterrein en de directe omgeving plaats.

Toezicht brandveiligheid

Afhankelijk van de aard van het bouwwerk en het gebruik zijn er tussen de gemeenten en de brandweer (VRNHN) werkafspraken gemaakt op welke toezichtmomenten zij gaan controleren. Afstemming met de brandweer vindt plaats over bijvoorbeeld de aan te leveren certificaten en de toezichtmomenten. De opleveringscontrole van de omgevingsvergunning brandveilig gebruik neemt de brandweer onder regie van de gemeenten/SED voor haar rekening. In het proces vergunningverlening wordt geborgd dat de brandweer altijd een afschrift krijgt van de beschikking of melding brandveilig gebruik

Een groot deel van het toezicht betreft het structurele/periodieke toezicht op de brandveiligheid in gebouwen met een publieks- of een verblijfsfunctie. In het kader van het Bbl geldt voor het merendeel van deze gebouwen de meldingsplicht. Slechts voor een gering aantal situaties is de vergunningsplicht van toepassing. De toezichtstaak op brandveiligheidsvoorschriften bij vergunningplichtige gebouwen is specialistisch werk en vindt daarom plaats door de brandweer, eventueel samen met een van de bouwtoezichthouders. Bij bedrijven met milieuactiviteiten wordt brandveiligheid zoveel mogelijk integraal meegenomen bij de reguliere milieucontroles. Bedrijfsgebouwen waarin milieuactiviteiten plaatsvinden, maar die niet vergunning- of meldingsplichtig zijn voor brandveiligheid, worden gecontroleerd bij de periodieke milieucontroles. De ODNHN en de brandweer werken in dat geval in projectverband samen.

Tijdens het toezicht wordt er in dit kader met name gecontroleerd op:

–De melding brandveilig gebruik/melding Bbl;

–De naleving van de vergunningvoorschriften en overige wet- en regelgeving;

–De aanwezigheid van vereiste documenten, logboeken en certificaten;

–Transparant- en noodverlichting;

–Het blokkeren en afsluiten van vluchtroutes, nooduitgangen en het niet-functioneren van blusmiddelen, rook- en/of brandscheidingen;

–Het blokkeren en/of niet-functioneren van ontruimings-, brandmeld-, rookafvoer- en warmteafvoerinstallaties en automatische brandblusinstallaties;

–De bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen.

Voor het toezicht op brandveiligheid zijn de prioriteiten bepaald op basis van het verwachte brandrisico van gebruiksfuncties. Bij de indeling van de gebruiksfuncties in prioriteitsklassen zijn criteria gehanteerd als het aantal aanwezigen, de zelfredzaamheid van de aanwezigen, de kans op brand en de frequentie van het gebruik van een object. De criteria voor de prioritering in het toezicht op brandveiligheid zijn bijvoorbeeld bouwaard, bouwhoogte en bouwjaar.

Afhankelijk van de omvang en risico’s van de activiteiten worden bouwsels met een gebruiksvergunning in het kader van het Bgbop, vooraf en tijdens het gebruik bezocht om te beoordelen of aan de gestelde brandpreventie-eisen wordt voldaan.

Gemeente Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland en VRNHN hebben al afgesproken om meer inzet te plegen op preventie en inzet aan de voorkant van het proces. Hiermee wordt tevens ingespeeld op de nog vorm te geven ‘Omgevingstafel’ waarin initiatieven en aanvragen integraal worden behandeld. Dit wordt ook vastgelegd in een jaarlijks uitvoeringsprogramma van de brandweer.

Toezicht monumenten en archeologie

Nadat een omgevingsvergunning voor verbouw aan een monument is afgegeven of aanpassing vergunningvrij plaatsvindt, worden de cultuurhistorische aspecten meegenomen in de reguliere bouwinspecties, tenzij in een specifieke zaak extra toezicht nodig is.

Ook in de gebruiksfase wordt toezicht gehouden op monumentale waarden (instandhoudingsplicht). Door het specifieke karakter van de monumenten is de uitvoering van het toezicht maatwerk. Tijdens reguliere controles monitoren de toezichthouders de staat van de monumentale panden op de instandhoudingplicht. Bij misstanden wordt de eigenaar/gebruiker van het pand direct aangesproken.

Bij grote bouwwerken in archeologisch waardevol gebied wordt in samenwerking met de Archeologiedienst West-Friesland toezicht gehouden op bodemmonumenten. Aannemers wordt gewezen op de voorwaarden voor archeologisch onderzoek.

Toezicht milieu, bodem, bouwstoffen en grondstromen en bescherming flora en fauna

Het toezicht milieu bij bedrijven vindt vrijwel volledig plaats door de ODNHN. De toezichtstrategie van de ODNHN is vastgelegd in de U&H-strategie 2024-2027. Behalve het milieutoezicht bij bedrijven voert de ODNHN ook het toezicht uit in het kader van de bodembescherming, bouwstoffen, grondstromen en de bescherming van flora en fauna. Voor de uitvoering van het toezicht in de gemeenten stelt de ODNHN jaarlijks een uitvoeringsprogramma op.

Toezicht aanleg weg, kap, reclame en inritten

Activiteiten die in de APV’s zijn benoemd, worden in beginsel alleen gecontroleerd naar aanleiding van klachten, meldingen of handhavingsverzoeken. De eigen verantwoordelijkheid van de uitvoerder van de werkzaamheden is daarbij leidend. De wegen en inritvergunningen worden gecontroleerd door de opzichter civiel- en cultuurtechnische onderhoudswerken.

Toezicht evenementen

De omvang en het risico van het evenement bepaalt welke vorm en intensiteit van toezicht op de constructieve veiligheid van bouwsels en de brandveiligheid wordt ingezet. Bij kleinschalige en reguliere evenementen vindt toezicht over het algemeen plaats op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken (zie hieronder). Bij evenementen vindt, afhankelijk van de categorie-indeling, een voorschouw, controle tijdens het evenement en nacontrole plaats. De nacontrole geldt niet voor evenementen met prioriteit laag. Het gaat om de evenementen in de categorie ‘Regulier’. Evenementen in de categorie “Aandacht’ (normale prioriteit) worden in deze fase incidenteel gecontroleerd.

Bij grootschalige evenementen met meer dan 1.000 bezoekers (‘Risico-evenement’) vinden afhankelijk van de risico’s en duur van het evenement een of meerdere fysieke controlemomenten vóór het evenement plaats, bijvoorbeeld ten aanzien van constructie - en brandveiligheid door de brandweer en/of toezichthouders van de SED. Controles op geluidsbelasting vinden plaats door de ODNHN en/of VTH, afhankelijk van de omvang van het evenement en de hinder van het evenement in het verleden. De intensiteit en diepgang van de integrale controles bij deze evenementen wordt voorafgaand aan het evenement bepaald in het integrale overleg evenementen, evenals de interne en externe taakverdeling.

Toezicht ruimtelijke ordening

Het toezicht op de ruimtelijke ordening (met een accent op strijdig gebruik) vindt plaats in de vorm van gebiedscontroles, naar aanleiding van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken of in de vorm van specifieke projecten, zoals bij de huisvesting van arbeidsmigranten/logies. Daarnaast wordt tijdens het reguliere bouwtoezicht mede beoordeeld of het voorgenomen gebruik in overeenstemming is met het omgevingsplan.

In geval van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wordt volstaan met maximaal één toezichtmoment tijdens een gebiedscontrole.

Toezicht op basis van klachten, meldingen en handhavingsverzoeken

Klachten en meldingen kunnen per telefoon, schriftelijk, per e-mail of via de website van de gemeenten binnenkomen. wat betreft milieu is er een 24-uursklachtendienst bij de ODNHN

12Overige klachten kunnen worden gemeld via Fixi of van maandag tot en met vrijdag van 8.30u tot 17.00u. Voor buiten kantoortijden en geen spoed wordt verwezen naar de politie. Voor calamiteiten naar 112.

. Klachten en meldingen over dezelfde veroorzaker worden waar mogelijk gebundeld en collectief (projectmatig) aangepakt. Bij een melding of klacht wordt contact opgenomen om te bespreken wat het belang en doel van het verzoek is en wat verwacht mag worden van de gemeente. Het streven is om de klager binnen twee werkdagen op de hoogte te stellen dat de klacht is ontvangen en te informeren over het vervolg. In goed onderling overleg wordt gezocht naar een snelle en informele oplossing van het probleem. Als dit niet mogelijk blijkt, dan wordt bij een herhaalde constatering een definitieve afweging over het wel of niet handhavend optreden gemaakt.

Bij verzoeken van derden of van bedrijven wordt in eerste instantie voornamelijk schriftelijk gecommuniceerd. Bij horeca-gerelateerde overtredingen zal, als de situatie zich ervoor leent, veelal direct worden gereageerd. Door in een vroeg stadium in overleg te gaan met een ondernemer, worden ieders verwachtingen duidelijk en mogelijke toekomstige problemen voorkomen. Bij anonieme verzoeken wordt de impact van de overtreding ingeschat. Bij een beperkte impact wordt het verzoek niet in behandeling genomen; bij grotere impact ondernemen we verder actie.

Bij handhavingsverzoeken wordt de wettelijke procedure gevolgd. Deze is inmiddels in het VTH-registratiesysteem (RX.mission) voor het deel toezicht uitgewerkt.

Voor ongewone voorvallen (bijvoorbeeld een brand waarbij asbest vrijkomt) is de ODNHN voor alle milieuactiviteiten oproepbaar; voor calamiteiten is er een piketdienst. De ondersteuning vindt plaats door middel van het verlenen van kennis, toezicht (monsteropnames, meedenken bij oplossingen) en materiaal (zoals meetapparatuur). Hiervoor is met hen een overeenkomst gesloten, waarbij een 24-uurs bereik- en beschikbaarheid geldt met een maximale opkomsttijd van één uur. Voor overige rampen/grote incidenten maken de gemeenten gebruik van een regionaal crisisbeheersingsplan.

Bij een ongewoon voorval kan door bemiddeling van de toezichthouders milieu geprobeerd worden de veroorzaker/eigenaar zelf de noodzakelijke actie te laten ondernemen zodat er geen kostenverhaal (bestuursdwang) hoeft plaats te vinden. Als dit niet lukt kunnen bestuursrechtelijke middelen worden ingezet.

Gebiedscontroles

Zolang geen (nieuwe) activiteiten in een gebied plaatsvinden, gaan we met toezicht na of het gebruik volgens de regels plaatsvindt. Gebiedsgericht toezicht wordt toegepast met aandacht voor diverse vastgelegde controlepunten ten aanzien van ruimtelijke ordening, bouwen, (brand)veiligheid, milieu en APV’s en bijzondere wetten. Afhankelijk van het type gebied en/of de bestuurlijke prioriteit kan de nadruk meer of juist minder op een controlepunt liggen.

In het algemeen vindt het toezicht plaats vanaf de openbare weg of aan de hand van luchtfoto’s. De aandacht gaat daarbij bijvoorbeeld uit naar het illegaal in gebruik nemen van gemeentegrond (‘landjepik’) of de illegale vergroting van bouwwerken. Tevens heeft dit toezicht een preventieve werking door aanwezig te zijn in het gebied. Voor deze wijze van controle worden zowel bouw- als milieutechnische toezichthouders als Handhaving ingezet. Hoewel iedere toezichthouder, inclusief Handhaving, een bepaalde specialiteit (RO en bouw, milieu, brandveiligheid) heeft, worden zijn of haar vaardigheden tevens benut voor het toepassen van de ‘oog- en oorfunctie’ voor zaken die buiten zijn of haar specialisme liggen. Bij nader te bepalen feiten wordt een collega-toezichthouder geïnformeerd, die op dat specifieke terrein vakbekwaam is. Het gaat vooral om zaken die geen vakinhoudelijke kennis verlangen. Op deze manier wordt de integrale handhaving verder geoptimaliseerd.

Bijlage 4: Werkproces handhaven en gedogen

Handhaving is het sluitstuk van het Omgevingsrecht. Voor de manier van handhaven is landelijk een kader opgesteld, de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Het doel van de LHSO is uitvoering geven aan de beginselplicht tot handhaven, passend interveniëren bij iedere bevinding, in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen. Leidend voor de LHSO is de onderstaande interventiematrix.

In de interventiematrix is aangegeven hoe op te treden bij constatering van een overtreding. De interventie wordt afgemeten aan de aard en omvang van de gevolgen van de overtreding en het gedrag van de overtreder.

De interventiematrix geeft ook aan bij welk type overtreding afstemming plaatsvindt met partners (politie, ODNHN, inspectiediensten) die onder meer strafrechtelijke sancties kunnen opleggen. In situaties waarbij een andere overheid ná of vóór de colleges handhavingsbevoegd is, vindt afstemming plaats met de betreffende overheidsorganisatie.

Bij een overtreding volgen de SED-gemeenten de lijn van de LHSO. De essentiële onderdelen van de LHSO zijn in onderstaande alinea’s uitgewerkt en aangevuld met eigen overwegingen en afwegingen.

Sanctie-instrumenten die de gemeenten ter beschikking staan

In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de wijze waarop wordt opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Hiervoor zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten in te zetten. Bestuursrechtelijk zijn dat:

–Een bestuursrechtelijke sanctie:

◼︎ last onder dwangsom (LOD), preventief of bij illegale situaties;

◼︎ last onder bestuursdwang (LOB/BSB);

–Schorsen of intrekken van de vergunning, het certificaat of de erkenning;

–Bestuurlijke boete;

–Verscherpt toezicht.

Bestuursrechtelijke handhaving is gericht op het bereiken van de gewenste situatie. Bij een bestuursrechtelijke sanctie (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang) krijgt de overtreder een hersteltermijn aangeboden waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd. Dit geldt niet voor besluiten die gericht zijn op het voorkomen van herhaling én in situaties waar het direct beëindigen van de activiteit noodzakelijk is. Als de overtreding na deze gestelde termijn niet is beëindigd, dan wordt de sanctie geëffectueerd (de dwangsom wordt dan in principe geïnd).

Bij een dreigende overtreding of een dreigende illegale situatie kan de gemeente ook een preventieve last onder dwangsom opleggen. Dit geldt voor situaties wanneer de overtreding met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook gaat plaatsvinden.

In samenhang met de bestuurlijke sanctie of los daarvan kan de strafrechtelijke sanctie worden toegepast. Strafrechtelijke instrumenten zijn:

–Een proces verbaal (PV);

–De bestuurlijke strafbeschikking (BSB).

Hiervoor heeft de ODNHN in het kader van haar uitvoerings- en handhavingsstrategie BOA’s aangewezen die strafrechtelijk kunnen optreden binnen het domein II. Bij strafrechtelijke handhaving is naast het bereiken van het gewenste gedrag tevens het bestraffende element van belang.

Algemene lijn van de handhaving door de SED-gemeenten

Het doel van de bestuurlijke handhaving door de gemeente is het ongedaan maken van een overtreding en het eventueel herstellen van schade. Dat wil niet zeggen dat de gemeente direct sanctioneert. Formele sanctieoplegging vindt plaats nadat eerst een aantal stappen is doorlopen. Samengevat zijn deze stappen als volgt:

Gesprek

In eerste instantie gaat de gemeente het gesprek aan met de overtreder. Dit gebeurt niet als een overtreding een acuut gevaar met zich meebrengt, er onherstelbare schade is aangericht, er sprake is van recidive (herhaalde overtreding) of een overtreder niet wil meewerken aan herstelafspraken. In het gesprek gaat het vooral om drie vragen:

–Is er mogelijk een gelijkwaardige oplossing bij afwijken van voorschriften?

–Is de overtreding legaliseerbaar?

–Is de overtreder bereid om mee te werken aan het ongedaan maken van de overtreding en herstel van de schade?

Gelijkwaardige oplossing bij afwijken van voorschriften

Er kan sprake zijn van een afwijking van de voorschriften, maar waarbij er maatregelen zijn getroffen die tot hetzelfde beschermingsniveau leiden (gelijkwaardigheid). Indien op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, kan het bevoegd gezag in een aantal gevallen een ‘besluit gelijkwaardige voorziening’ nemen. Dit gebeurt met uitzondering van gevallen waar algemene regels, waaronder art. 7.6 van het Bbl, het treffen van een gelijkwaardige oplossing uitsluiten.

Formele, legaliseerbare overtreding

Is wel sprake van een formele overtreding en is geen sprake van een gelijkwaardige oplossing, dan is de eerste vraag of het een vergunbare situatie is en of er maatwerkvoorschriften opgelegd kunnen worden (legalisatieonderzoek). Als de situatie vergunbaar is, wordt de overtreder uitgenodigd om een vergunningprocedure of procedure voor maatwerkvoorschriften op te starten.

In sommige situaties is het denkbaar dat ondersteuning wordt geboden om de situatie te verbeteren. Bijvoorbeeld door het geven van voorlichting, als wordt vastgesteld dat een bepaalde (onnodige) overtreding systematisch voorkomt. Zie hiervoor de hierboven beschreven preventiestrategie.

Meewerken aan ongedaan maken overtreding en herstel schade

Als een overtreder bereid is om een overtreding ongedaan te maken en eventuele schade te herstellen, worden daar afspraken over gemaakt en termijnen voor vastgesteld. Eventueel wordt dan ook een bestuurlijke maatregel opgelegd als stok achter de deur.

Overtredingen door de eigen organisatie of een andere overheid

De handhaving op de eigen organisatie is voor de gemeenten niet anders dan wanneer zij handhavend optreden tegen burgers of bedrijven. Belangrijk hierbij is de democratische controle en transparantie, ook indien er bestuurlijke en/of juridische complicaties ontstaan.

Er wordt geen verschil gemaakt in prioriteitstelling en keuze in handhavingsinstrument. Wel brengt een dergelijke overtreding een tweetal extra procedurestappen met zich mee voordat een sanctie wordt opgelegd:

–Wordt een overtreding van de gemeentelijke organisatie geconstateerd, dan wordt deze direct aan het management van de SED-organisatie en/of het college van B&W voorgelegd.

–Het management van de SED-organisatie en/of het college van B&W zorgen ervoor dat passende maatregelen worden genomen om de overtreding te beëindigen, deze in de toekomst te voorkomen en zo nodig de schade te herstellen.

Sanctieoplegging

Mocht het voorgaande niet mogelijk zijn, dan volgt sanctieoplegging. Het overgaan tot dwangmaatregelen is een beslissing die goed doordacht dient plaats te vinden. De toe te passen sanctie moet proportioneel zijn en dient zo goed mogelijk van een (juridische) motivering voorzien te zijn, waarbij elke stap en elk onderdeel van de maatregel wordt uitgelegd. Bij een last onder dwangsom geldt dit bijvoorbeeld voor de lengtes van begunstigingstermijnen en de hoogten van de dwangsommen. De dwangsom dient voldoende prikkelend te werken, zodat de overtreder de overtreding zal beëindigen. Daarnaast mag de dwangsom niet te hoog zijn en moet deze in redelijke verhouding staan met de geschonden belangen en de beoogde werking van de dwangsom:

–Voor besluiten die niet zijn gericht op het voorkomen van herhaling wordt een begunstigingstermijn gesteld die voldoende hersteltijd geeft aan de overtreder én langdurende overtredingssituaties voorkómt. Verder is de te stellen termijn afhankelijk van de aard van de overtreding (er kan in principe zonder termijn of met een korte termijn worden volstaan bij gedragsvoorschriften) en mag de termijn niet zodanig lang zijn, dat sprake is van (impliciet) gedogen van de overtreding. De Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen wordt in principe gevolgd bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn.

–De hoogte van een dwangsom moet op grond van de Algemene wet bestuursrecht in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het opleggen van de dwangsom. Bij het onderbouwen van het besluit voor de hoogte van de dwangsom wordt de hiervoor genoemde Leidraad gevolgd. De hoogte van de dwangsom wordt gerelateerd aan de aard en ernst van de overtreding, de potentiële schade en de kosten die moeten worden gemaakt om de overtreding ongedaan te maken. In ieder geval moet het bedrag hoger zijn dan het economisch voordeel dat met de overtreding wordt behaald. Het moet aantrekkelijker zijn de overtreding ongedaan te maken dan de dwangsom te betalen.

–Het verbeuren van dwangsommen gebeurt van rechtswege. Dit betekent dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn, de overtreder automatisch (zonder een apart besluit) een dwangsom verschuldigd is. Voor het daadwerkelijk innen van de dwangsom (de overtreder moet de dwangsom ook echt betalen) is wel een apart besluit nodig.

–Bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt de overtreding, indien dit is toegestaan, ook ter registratie aangeboden aan het Kadaster op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb).

–Het bevoegd gezag kan in sommige gevallen de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als niet overeenkomstig de vergunning wordt gehandeld. Dit instrument wordt in onze gemeenten in uitzonderlijke gevallen toegepast als andere maatregelen geen effect sorteren.

Bij het bepalen van de op te leggen sanctie wordt de methodiek met onder meer verzwarende en verzachtende omstandigheden en de interventiematrix uit de LHSO gebruikt.

Prioriteitstelling

De benodigde handhavingscapaciteit is afhankelijk van de mate waarin er in het toezicht overtredingen worden geconstateerd, of er handhavingsverzoeken zijn, de aard en omvang van de overtredingen en de mate waarin een overtreder bereid is om mee te werken aan herstel. Dat kan in de praktijk betekenen dat prioriteiten moeten worden gesteld. Het uitgangspunt is dat dat bij ernstige overtredingen altijd handhavend wordt opgetreden. In voorkomende gevallen krijgt de handhaving van kleinere overtredingen (met beperkte risico’s of klachten) minder prioriteit. Bij de afweging is de onderstaande matrix leidend.

Aard overtreding

Hoge prioriteit

Gemiddelde prioriteit

Lage prioriteit

Bouw

Ernstige constructiefouten, instortingsgevaar etc.

Kleinere bouwfouten zonder direct gevaar

Esthetische of administratieve overtredingen

Brandveiligheid

Overtredingen die direct levensgevaar kunnen opleveren of een aanzienlijk risico opleveren

Overtredingen met een verhoogd risico op brand maar niet direct levensbedreigend

Kleine overtredingen met een beperkt risico voor de brandveiligheid

Monumenten en natuur- en landschapselementen

Rijksmonumenten en onherstelbare schade aan unieke historische elementen van overige monumenten en aan beschermde natuur- en landschapselementen

Schade aan belangrijke maar vervangbare elementen

Kleine beschadigingen zonder significante impact op de monumentale of landschappelijke waarde

Gebruik

Strijdigheid met het omgevingsplan

Afwijkingen binnen de afwijkingsregels

Afwijkingen binnen de planregels

Meebepalende factoren

Historie van overtredingen

Herhaalde (bewuste) overtredingen, opzettelijke misleiding

Eenmalige overtredingen zonder opzet

Geen eerdere overtredingen

Omgeving

Meerdere klachten, media-aandacht

Enkele klachten van omwonenden

Geen of zeer weinig klachten

Bij overtredingen met een hoge prioriteit, een historie van herhaalde overtredingen en veel klachten en/of media-aandacht wordt altijd direct handhavend opgetreden. Bij overtredingen met een gemiddelde prioriteit wordt in eerste instantie geprobeerd om in overleg met de overtreder tot herstel te komen. Bij overtredingen met een lage prioriteit wordt in beginsel alleen naar aanleiding van een klacht of verzoek van een belanghebbende beoordeeld of er handhavend moet worden opgetreden.

Afzien van handhaven

In zeer uitzonderlijke situaties kan een college verklaren dat wordt afgezien van handhaving. Dit is altijd aan een termijn gebonden en niet langer dan strikt genomen noodzakelijk. Daarbij onderschrijven de gemeenten het algemene landelijke beleidskader op het gebied van het gedogen, in de vorm van de rijksnota ‘Grenzen aan gedogen’ uit 1996.

Zie paragraaf 6.5 van dit beleidsplan voor de voorwaarden waaronder gedoogd kan worden.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.