Gemeentelijke regelgeving

Subsidieverordening onderhoud monumenten gemeente Son en Breugel

Gemeente Son en Breugel · geldt sinds 15 september 2011

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

1College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel;

2Gemeentelijke monumenten: onroerende en roerende goederen die zijn opgenomen in het monumentenregister van de gemeente Son en Breugel zoals bedoeld in de "Monumentenverordening Son en Breugel.”.

3Rijksmonumenten: monumenten welke zijn opgenomen in het monumentenregister zoals bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988.

4Monumentencommissie: de op basis van art.15, lid 1 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak de werkzaamheden die zijn beschreven in het Reglement van orde van de monumentencommissie.

5Onderhoud: werkzaamheden noodzakelijk om een monument in goede staat te houden c.q. als zodanig in stand te houden en/of toekomstig onderhoud en kostbare restauraties te voorkomen of te verminderen;

6Bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument.

7Monumentenwacht: de stichting Monumentenwacht Noord-Brabant.

Artikel 2 Reikwijdte verordening

1Het college kan op grond van deze verordening subsidie verlenen in de kosten van onderhoud van gemeentelijke monumenten.

2In afwijking van het eerste lid kan het college subsidie verlenen voor de kosten van onderhoud van rijksmonumenten, als bedoeld in artikel 15 lid 5 onder a, b en c.

Artikel 3 Doelgroep

De subsidie, bedoeld in artikel 2, kan uitsluitend worden verleend aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die krachtens enig zakelijk recht het genot heeft van een monument.

Artikel 4 Uitsluiting subsidie

1De subsidie kan uitsluitend worden verleend indien hieromtrent vooroverleg is geweest met de monumentencommissie.

2De subsidie kan uitsluitend worden verleend in die kosten van het onderhoud welke een bedrag van € 600,00 te boven gaan. Indien het onderhoud geheel in zelfwerkzaamheid wordt uitgevoerd kan slechts subsidie worden verleend in de materiaalkosten voor zover deze een bedrag van € 450,00 te boven gaan.

3De subsidie kan uitsluitend worden verleend indien niet eerder in hetzelfde kalenderjaar onderhoudssubsidie is verleend.

4Het derde lid is niet van toepassing indien de eerder in dat kalenderjaar verleende subsidie betrekking heeft op de onderhoudskosten als bedoeld in artikel 15 lid 5 onder a en b.

5Lid 2 is niet van toepassing met betrekking tot die kosten zoals genoemd in artikel 15, lid 5 onder a, b en c.

Artikel 5 Bevoegdheid

1Het college is bevoegd tot het verlenen, vaststellen en uitbetalen van subsidie als bedoeld in deze verordening.

2Het college is eveneens bevoegd tot het intrekken of wijzigen van subsidieverlenings- of subsidievaststellingsbesluiten, alsmede tot het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van subsidiegelden.

Artikel 6 Subsidieplafond

De raad stelt voor ieder kalenderjaar een subsidieplafond, als bedoeld in artikel 4:25 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht, vast voor de in deze verordening beschreven subsidies.

Artikel 7 Afhandeling aanvragen op volgorde van binnenkomst

Aanvragen om subsidie op grond van deze verordening worden in volgorde van binnenkomst afgehandeld.

Hoofdstuk 2 Onderhoud

Artikel 8 Staat van onderhoud

De in artikel 2 bedoelde kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking indien het monument, waaraan het onderhoud zal geschieden, in een naar het oordeel van het college zodanige staat van onderhoud verkeert, dat zij het verrichten van onderhoud, gezien de in artikel 1, onder e, gegeven omschrijving, zinvol acht.

Artikel 9 Uitvoering onderhoud

1Met de uitvoering van het onderhoud mag niet eerder worden begonnen dan nadat de subsidie, bedoeld in artikel 2, is verleend.

2Met de uitvoering van het onderhoud dient een aanvang te worden gemaakt binnen 12 weken nadat de beschikking tot subsidieverlening is bekend gemaakt tenzij anders is overeengekomen met het college.

3Indien voor de uitvoering van het onderhoud een vergunning ingevolge de gemeentelijke Monumentenverordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, mag met de uitvoering niet worden begonnen dan nadat de monumenten- en/of omgevingsvergunning is verleend.

4De werkzaamheden, ten behoeve waarvan subsidie is verleend, mogen niet in afwijking van de ter zake verstrekte gegevens worden uitgevoerd, tenzij met schriftelijke toestemming van het college.

Artikel 10 Aanwijzingen uitvoering

1Het college kan aanwijzingen geven met betrekking tot de uitvoering van het onderhoud.

2Degene aan wie subsidie is verleend, dient een door het college aangewezen deskundige desgewenst de gelegenheid te geven de wijze waarop het onderhoud wordt uitgevoerd, te controleren.

Hoofdstuk 3 De aanvraagprocedure

Artikel 11 Indiening subsidie-aanvraag

1Voor hetzelfde gemeentelijk monument kan éénmaal per kalenderjaar subsidie op grond van deze verordening worden aangevraagd.

2Het eerste lid is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op de onderhoudskosten als bedoeld in artikel 15 lid 5 onder a en b.

3Een aanvraag om subsidie op grond van deze verordening wordt schriftelijk bij het college ingediend op een daartoe beschikbaar gesteld formulier in het desbetreffende kalenderjaar.

4Naast het in lid 3 bedoelde aanvraagformulier dient de aanvraag te bevatten:

a.een gespecificeerde begroting van de met het onderhoud gemoeide kosten, dan wel een gespecificeerde rekening met betrekking tot een abonnement of inspectierapport van de Monumentenwacht;

b.indien van toepassing een bestek c.q. werkomschrijving;

c.indien van toepassing tekeningen, aangevende zowel de bestaande als de te maken toestand van het pand (schaal 1: 100);

d.indien van toepassing naam en adres van de aannemer(s)/uitvoerende bedrijven;

e.indien van toepassing een B.T.W.-verklaring;

f.indien van toepassing een recent inspectierapport van de bouwkundige staat, volgens de methodiek van de Monumentenwacht, opgesteld door een, door het college aanvaardbaar geachte, onafhankelijke deskundige of een deskundige instantie.

Artikel 12 Aanvullen gegevens

1Indien de aanvraag niet volledig is of niet voorzien is van de in artikel 11 vierde lid bedoelde gegevens dan wel wanneer deze gegevens onvoldoende duidelijk zijn om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen binnen een door het college gestelde termijn.

2De aanvrager dient binnen de in de mededeling aangegeven termijn zijn aanvraag aan te vullen met de nog ontbrekende gegevens of deze gegevens desgevraagd te verduidelijken. Indien de gevraagde gegevens niet binnen deze termijn zijn verstrekt, kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen.

3Van het niet in behandeling nemen van de aanvraag ontvangt de aanvrager schriftelijk een besluit.

Hoofdstuk 4 Subsidieverlening

Artikel 13 Termijn besluitvorming subsidieverlening

Het college beslist omtrent een aanvraag als bedoeld in artikel 11 derde lid binnen 12 weken na de dag, waarop de aanvraag ontvangen is.

Artikel 14 Advies Monumentencommissie

Alvorens een beslissing te nemen op de aanvraag wint het college het advies in van de Monumentencommissie.

Artikel 15 De subsidiabele onderhoudskosten

1Subsidiabele onderhoudskosten zijn kosten die, naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn om een gemeentelijk monument, op sobere en doelmatige wijze, als zodanig in stand te houden.

2Subsidie kan worden verleend in de volgende onderhoudskosten:

a.herstel en vernieuwen van rieten daken (met deklatten en beperkt herstel van sporen);

b.herstel van dakvlakken gedekt met pannen (met deklatten), leien, lood, zink of koper met beperkt herstel van dakbeschot en sporen;

c.herstel van goten (in zink, koper of lood) inclusief bijbehorende hemelwaterafvoeren; het aanbrengen van goten waar deze niet eerder aanwezig waren, inclusief aansluitingen op riolering en open water;

d.herstel van buitenkozijnen, buitendeuren, raampartijen, luiken, stoepen, roedenverdeling, lijstwerk;

e.herstel van windveren, schoorstenen, kapellen en loodaansluitingen;

f.herstel van dak- en torenluiken, loopbruggen, het afgazen van torenluiken;

g.inboeten, beperkt herstel van muurwerk en opvoegen of pleisteren van gevels;

h.beperkt vervangen of inboeten van natuursteen;

i.behandeling van muur- en houtwerk ter regulering van de vochthuishouding dan wel ter bestrijding van zwamaantasting of houtaantasters;

j.herstel, vervangen en indien nodig aanbrengen van een nieuwe bliksembeveiliging;

k.buitenschilderwerk en binnenschilderwerk wat betreft buitenramen en -kozijnen en -deuren;

l.beperkt herstel van dragende constructies (ankerbalkgebinten, schoren en platen, balkkoppen, spantbenen);

m.herstel van glas-in-lood-beglazing en het aanbrengen van beschermende beglazing voor gebrandschilderd glas;

n.het aanbrengen van inspectievoorzieningen zoals dakluiken en klimhaken;

o.herstel van waardevolle interieuronderdelen;

p.uitwendig herstel van diverse bijgebouwen, zoals hooibergen, schuren, bakhuisjes, pompen, hekken, burgen, koetshuizen, oranjerieën, theekoepels, voor zover opgenomen in de redengevende omschrijving;

q.vervangingen herstel van overige bouwelementen met waarde van grote zeldzaamheid of historische waarde.

3De subsidiabele onderhoudskosten worden bepaald aan de hand van de “Leidraad subsidiabele onderhoudskosten” zoals vastgesteld door de minister van Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het boekje “Beleidsregels Onderhoud en Restauratie Monumenten” (dan wel de meeste recente herziene druk hiervan).

4In daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komende bijzondere gevallen kan de subsidie in andere onderhoudskosten dan genoemd in het tweede lid worden verleend.

5Subsidiabele onderhoudskosten zijn tevens, voor gemeentelijke- en rijksmonumenten, de kosten van:

a.het abonnement van de Monumentenwacht;

b.de tweejaarlijkse inspectie door de Monumentenwacht, mits het college een afschrift ontvangt van het inspectierapport;

c.het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek.

Artikel 16 Subsidiepercentage

1De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele onderhoudskosten genoemd onder artikel 15 lid 2, met een maximum van € 5.000,00.

2De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele onderhoudskosten genoemd onder artikel 15 lid 5 onder a en c, met een maximum van € 5.000,00.

3De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele onderhoudskosten genoemd onder artikel 15 lid 5 onder b, met een maximum van € 200,00.

4In daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komende bijzondere gevallen kan de subsidie op een hoger bedrag worden vastgesteld dan voortvloeit uit de toepassing van het eerste lid van dit artikel.

Artikel 17 Afwijzigingscriteria

1De subsidie wordt niet verleend indien één of meerdere van de navolgende situaties zich voordoen:

a.door het verlenen van subsidie het in artikel 6 bedoelde subsidieplafond wordt overschreden;

b.een eventueel voor de werkzaamheden vereiste vergunning op grond van de “Monumentenverordening Son en Breugel.” dan wel een anderszins vereiste vergunning niet is verleend;

c.de kosten van de voorzieningen niet geacht kunnen worden te staan in redelijke verhouding tot het te verkrijgen resultaat;

d.met het treffen van de voorzieningen is begonnen voordat hiervoor bij de gemeente een aanvraag om subsidie is ingediend en subsidie is verleend;

e.de kosten op grond van een verzekeringsovereenkomst zijn gedekt;

f.de karakteristiek van het pand wordt aangetast;

g.het pand waaraan de voorzieningen worden getroffen is bestemd om binnen een periode van 10 jaar te worden afgebroken;

h.het bedrijf dat de voorzieningen zal treffen niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

i.dezelfde onderhoudswerkzaamheden binnen een periode van 5 jaar al voor subsidie in aanmerking zijn gekomen.

2Lid 1 onder h is niet van toepassing voor zover er sprake is van zelfwerkzaamheid.

3Lid 1 onder d en i is niet van toepassing voor zover er sprake is van de onderhoudskosten als bedoeld in artikel 15 lid 5 onder a en b.

Hoofdstuk 5 Subsidievaststelling en –uitbetaling

Artikel 18 De gereedmelding

1Binnen 12 weken na het gereedkomen van de restauratie- dan wel onderhoudswerkzaamheden dient de aanvrager, met gebruikmaking van een daartoe door het college beschikbaar gesteld formulier, te verklaren dat de werkzaamheden zijn voltooid. Dit gereedmeldingsformulier dient volledig te zijn ingevuld en vergezeld te gaan van alle gegevens, facturen en betalingsbewijzen als bedoeld in artikel 19 eerste lid.

2Indien de gereedmelding naar het oordeel van het college niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, doen zij daarvan binnen vier weken na ontvangst schriftelijk mededeling aan de aanvrager onder vermelding van de nog te verstrekken gegevens.

3De aanvrager dient binnen de in de mededeling aangegeven termijn zijn gereedmelding aan te vullen met de nog ontbrekende gegevens of deze gegevens desgevraagd te verduidelijken.

4De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling van de definitieve subsidie en uitbetaling van de subsidie.

5Het recht op vaststelling en uitbetaling vervalt, indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste of derde lid. De aanvrager ontvangt hiervan een schriftelijk besluit.

Artikel 19 Subsidievaststelling

1De definitieve vaststelling van de hoogte van een op grond van deze verordening verleende subsidie vindt plaats nadat:

a.de in de aanvraag opgenomen werkzaamheden conform artikel 18 schriftelijk zijn gereedgemeld onder indiening van de daarop betrekking hebbende gegevens;

b.de onder a bedoelde werkzaamheden, door of vanwege het college, zijn gecontroleerd en akkoord bevonden;

c.de rekeningen en betalingsbewijzen inzake de uitgevoerde werkzaamheden alsmede de totale kostenopstelling waarin de verrichte werkzaamheden op dezelfde wijze zijn gerangschikt als in de in artikel 11 vierde lid bedoelde begroting door het college is gecontroleerd en akkoord bevonden.

2De definitieve subsidie is gelijk aan de verleende subsidie, tenzij de werkelijke subsidiabele kosten lager zijn dan geraamd dan wel minder voorzieningen zijn getroffen dan in de subsidieaanvraag is aangegeven.

3Het besluit tot subsidievaststelling wordt binnen acht weken na indiening van de gereedmelding en het verzoek om subsidievaststelling als bedoeld in artikel 18 vierde lid genomen.

4Uitbetaling geschiedt binnen acht weken na bekendmaking van het besluit tot subsidievaststelling op een bij de gereedmelding door de aanvrager op te geven bankrekeningnummer.

Artikel 20 Opschorting en terugvordering

Ten aanzien van opschorting en terugvordering zijn de artikelen 4:56 en 4:57 Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6 Intrekking of wijziging van de subsidie

Artikel 21 Intrekking en wijziging

Voor wat betreft de mogelijkheden om een besluit tot subsidieverlening of subsidievaststelling in te trekken of te wijzigen is Afdeling 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht onverkort van toepassing.

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 22 Hardheidsclausule

1Het college kan, in het belang van de monumentenzorg, van de bepalingen van deze verordening afwijken, indien de strikte toepassing ervan zou leiden tot een onredelijk besluit.

2Van de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid mag geen gebruik worden gemaakt als hierdoor in strijd gehandeld zou worden met de Algemene wet bestuursrecht of andere wettelijke bepalingen.

Artikel 23 Overgangsbepaling

Deze verordening is niet van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend of vastgesteld.

Artikel 24 Inwerkingtreding

Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke monumenten treedt zij in werking op 15 september 2011.

Artikel 25 Citeertitel

De verordening kan worden aangehaald als " Subsidieverordening onderhoud monumenten gemeente Son en Breugel".

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.