Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren;
b e s l u i t:
vast te stellen het Programma externe veiligheid gemeente Someren 2026
Bijlage 1 Afkortingenlijsten
Afkorting
Betekenis
ODZOB
Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
VRBZO
Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost
MBA
Milieubelastende activiteit
EV
Externe veiligheid
Ow
Omgevingswet
Bkl
Besluit kwaliteit leefomgeving
Bal
Besluit activiteiten leefomgeving
Bbl
Besluit bouwwerken leefomgeving
DSO
Digitaal Stelsel Omgevingswet
Bevb
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Bevi
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Bevb
Besluit externe veiligheid transportroutes
BRZO
Besluit risico’s zware ongevallen
PGS
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen
BBT
Best beschikbare technieken
PR10-05
Plaatsgebonden risico van 1 op 100.000 per jaar
PR10-06
Plaatsgebonden risico van 1 op 1.000.000 per jaar
BAG
Brandaandachtsgebied
EAG
Explosieaandachtsgebied
GAG
Gifwolkaandachtsgebied
GR
Groepsrisico
BKWG
Beperkt kwetsbaar gebouw
KWG
Kwetsbaar gebouw
ZKWG
Zeer kwetsbaar gebouw
BKWL
Beperkt kwetsbare locatie
KWL
Kwetsbare locatie
EOS
Energieopslagsysteem
Bijlage 2 Wettelijk kader
Het beleid uit dit programma is gebaseerd op en getoetst aan de bepalingen uit de Omgevingswet en uit de vier Algemene Maatregelen van Bestuur. Op grond van artikel 3.1 van de Omgevingswet stelt de gemeenteraad een omgevingsvisie vast welke de volgende zaken bevat: de kwaliteit van de leefomgeving, de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, beheer en de bescherming van het grondgebied, de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. Het programma externe veiligheid is de beleidsuitwerking die volgt uit de omgevingsvisie.
in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels, beoordelingsregels, regels voor monitoring en regels over omgevingswaarden voor het Rijk en decentrale overheden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn algemene regels gesteld of voor activiteiten in de fysieke leefomgeving een melding of omgevingsvergunning nodig is: milieubelastende activiteiten die externe veiligheidsrisico’s opleveren.
Figuur 3 De vier AMvB’s bij de Omgevingswet
Omgevingsvisie, programma’s en omgevingsplan
De omgevingsvisie bevat het belangrijkste beleid voor de fysieke leefomgeving. Bij het afwegen van dit beleid moet ook externe veiligheid meegenomen worden bij de afwegingen om te komen tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft de beschermingsdoelstellingen in hoofdlijnen weer. Het bevoegd gezag kan de mensen beschermen tegen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen door een gebied zo in te richten dat de mensen die er verblijven zijn beschermd. Bescherming betekent in deze context: het voorkomen en beperken van slachtoffers en schade als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen en de mogelijke risico’s bij windturbines.
Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken, kunnen decentrale overheden een programma opstellen met beleid en maatregelen. Om het strategisch ambitieniveau vanuit de omgevingsvisie op het gebied van externe veiligheid te vertalen naar doelmatige beleidskeuzes, wordt er gekozen om een programma externe veiligheid op te stellen. Het programma is een flexibel instrument dat de overheid kan toepassen in verschillende fasen van de beleidscyclus. Het instrument programma is een beleidsdocument, net als de omgevingsvisie.
De instructieregels voor programma's staan in hoofdstuk 4 van het Bkl. Regels voor programma's bij het overschrijden van omgevingswaarden staan in hoofdstuk 2 van het Bkl. Programma's zijn bedoeld voor de verdere beleidsuitwerking en de uitwerking van de concrete maatregelen om doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Ze bevatten het uitvoeringsgerichte, (Multi)sectorale of gebiedsgerichte beleid. Ze kunnen strategische beleidselementen bevatten, maar bevatten vooral niet-strategisch beleid. Daarnaast is het kenmerk van de omgevingsvisie dat deze voor tientallen jaren wordt opgesteld. Een programma kan op korte termijn (bijvoorbeeld vijf jaar) herzien en aangepast worden, indien het bevoegd gezag dit nodig acht. (IPLO, sd)
Het programma externe veiligheid bevat de volgende onderdelen:
•De uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving in relatie tot externe veiligheid (artikel 3.5, onder a, Omgevingswet)
•Maatregelen om aan omgevingswaarden om passende beschermingsniveaus voor de burgers rondom milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s te realiseren. (Artikel 3.5, onder b, Omgevingswet)
De omgevingsvisie en het programma externe veiligheid kennen de volgende samenhang:
Parameter
Omgevingsvisie
Programma (externe veiligheid)
Karakter
Strategisch, integraal, politiek-bestuurlijk
Uitvoeringsgericht, sectoraal, strategische elementen mogelijk
Inhoud
Ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming, en behoud van de fysieke leefomgeving als geheel
Uitwerking beleid op het gebied van externe veiligheid (kan ook voor andere milieuthema’s)
Samenhang tussen domeinen
Eén integraal ontwikkelingsbeleid voor de fysieke leefomgeving
Gericht op een beleid voor één domein (externe veiligheid), kan zorgen voor coördinatie tussen andere domeinen
Horizon
Langer termijn (meer dan 10 jaar)
Kortere termijn (+/- 5 jaar)
Werking
Basis voor het handelen van het visie vaststellend bestuursorgaan en voor programma's
Basis van beleidskeuzes en inzet van maatregelen ter bescherming van de fysieke leefomgeving
Juridische status
Bindt enkel het visie vaststellend kader
Bindt het beleidskader rondom een domein (externe veiligheid)
Vaststelling
Gemeenteraad
College van burgemeester en wethouders
Op het moment dat het College van burgemeester en wethouders het programma externe veiligheid vaststelt, biedt dit beleidsdocument de basis om gerichte planregels op te stellen in het Omgevingsplan. Daarnaast biedt dit programma externe veiligheid handvatten in de transitieperiode van een tijdelijk omgevingsplan naar een definitief omgevingsplan in uiterlijk 2032. Het omgevingsplan bevat de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving, waaronder dus ook voor het aspect externe veiligheid. Zo stelt de gemeente in het omgevingsplan onder meer regels op voor o.a. de volgende aspecten:
•Het aanwijzen van voorschriftengebieden;
•Het aanwijzen van andere veiligheidscontouren (bijvoorbeeld reserveringsstroken, contouren munitieopslagen)
•Het koppelt de fysieke omgeving aan de verschillende gebiedstypes middels werkingsgebieden (zie hoofdstuk 4);
•Het al dan wel niet toestaan van nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s;
•Het al dan wel niet toestaan van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en locaties en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties.
Begrippenkader externe veiligheid
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het doel van deze nieuwe wet is het bundelen en vereenvoudigen van de huidige wet- en regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke ordening. Zo zijn 26 wetten die te maken hebben met de fysieke leefomgeving gebundeld tot één Omgevingswet. Er komt een Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) waar overheden, belanghebbenden en initiatiefnemers snel kunnen zien wat in de fysieke leefomgeving is toegestaan (Aan de slag met de Omgevingswet, sd). Hierdoor wordt het voor burgers en bedrijven makkelijker om vergunningen aan te vragen voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, bedrijfspanden, het aanleggen van wegen en andere ruimtelijke ordeningsprojecten (Rijksoverheid, sd).
Verschillende zaken veranderen door de komst van de Omgevingswet. Gemeenten ontwikkelen een omgevingsplan, welke de bestaande bestemmingsplannen en de beheersverordening vanuit de Wet ruimtelijke ordening vervangt. Daarnaast heeft iedere gemeente een gemeentelijke omgevingsvisie: de toekomstige ontwikkelingen en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving op lange termijn worden hierin vastgelegd. Externe veiligheid vormt ook een onderdeel in de omgevingsvisie: wanneer is een gebied veilig, rekening houdend met bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s en ontwikkelingen in de toekomst. Beleid over externe veiligheid volgt uit het programma externe veiligheid. In het programma staat de verdere beleidsuitwerking en de uitwerking van concrete maatregelen om de doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. (IPLO, sd)
De wet- en regelgeving over externe veiligheid was versnipperd over meerdere wetten, besluiten en ministeriële regelingen. De volgende besluiten zijn nu volledig geïntegreerd in de Omgevingswet:
•Besluit en regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
•Besluit en regeling externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
•Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling Basisnet
•Besluit en regeling risico's zware ongevallen (Brzo)
•Registratiebesluit externe veiligheid
De omgang en rijksregels in het kader van de verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (buisleidingen, basisnet, risicovolle bedrijven) worden niet centraal meer vastgelegd onder de Omgevingswet. De omgang en regels rondom met risicocontouren en aandachtsgebieden worden in het decentrale beleid vastgelegd, namelijk: in de omgevingsvisie, het programma externe veiligheid en het in het omgevingsplan.
Om gerichte planregels te kunnen schrijven in het Omgevingsplan en om externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen op een goede manier te verantwoorden kiest de gemeente om dit programma externe veiligheid op te stellen.
Omgevingsveiligheid
Onder de Omgevingswet wordt niet enkel van externe veiligheid gesproken, maar nieuw is het meer omvattende begrip omgevingsveiligheid. Externe veiligheid valt hieronder, maar omgevingsveiligheid gaat ook over rampen en crises en het voorkomen, beperken en bestrijden ervan, de mogelijkheid van personen om zichzelf in veiligheid te brengen en geneeskundige hulpverlening (artikel 5.2 Bkl). De veiligheidsregio’s hebben hier een adviserende rol (zie bijlage 4). In dit programma externe veiligheid worden deze zaken niet behandeld, daarom spreken we van externe veiligheid en niet van omgevingsveiligheid.
Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s
Risicobronnen zijn onder de Omgevingswet milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s:
•Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit omvat verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal)
2Dit zijn o.a. waterstof en/of LPG-tankstations, de voormalige BEVI-inrichtingen, propaantanks, PGS15-opslagvoorzieningen en Seveso-inrichtingen (voorheen de BRZO-inrichtingen)
;
•Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (spoor, weg, water);
•Buisleidingen met gevaarlijke stoffen, welke zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;
•Windturbines;
•Luchthavens en defensieterrein;
•Civiele en militaire munitieopslagen.
De MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het BKL zijn alle activiteiten waar externe veiligheid moet worden beschouwd bij ruimtelijke ontwikkelingen. De grootte van de plaatsgebonden risicocontouren (PR10-6) en aandachtsgebieden (hierna uitgelegd) zijn in deze bijlage VII per activiteit bepaald. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:
•A: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht;
•B: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht;
•C: Activiteiten met bij ministeriële regeling vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico;
•D: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht;
•E: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht.
De aard, omvang en het risicoprofiel bepaald onder andere de categorie indeling van een activiteit. Bij de te berekenen PR10-6 contouren en aandachtsgebieden zijn gaat het om vaak de activiteiten met de grootste externe veiligheidsrisico’s.
De regels rondom het veilig beheer, gebruik en onderhoud van de MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zijn opgesteld per activiteit en zijn terug te vinden in het Bal. Daarnaast dienen alle MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het Bkl worden opgenomen in het Register Externe veiligheid (REV), de vervanger van de Risicoregister gevaarlijke stoffen (RRGS).
Plaatsgebonden risico
Dit is de kans dat één persoon per jaar overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt is dat deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. De ruimtelijke waarden voor het plaatsgebonden risico zijn terug te vinden in het Bkl. Deze waarden worden vertaald in afstanden die tot locaties en gebouwen in acht moeten worden genomen of waarmee rekening moet worden gehouden. Hier hoort een plaatsgebonden risicocontour bij: binnen de contour is het risico groot, buiten de contour is het risico kleiner. Dit noemen we de PR 10-6 contour. De afstanden van het plaatsgebonden risico zijn vastgestelde afstanden, berekende afstanden en de kans die geaccepteerd is als veilig: één op de miljoen per jaar. Binnen deze PR10-6 contour zijn geen nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toegestaan.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond locaties met milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen kunnen er zich levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk),
Figuur 4 (RIVM, 2021)
Daarom zijn er drie typen aandachtsgebieden gedefinieerd (zie figuur 7):
•Brandaandachtsgebied (BAG);
•Explosieaandachtsgebied (EAG);
•Gifwolkaandachtsgebied (GAG).
Figuur 5 (Oostkracht 10, 2022)
De grenswaarden van de aandachtsgebieden zijn geregeld in het Bkl. Voor de bepaling ervan is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en rampenbestrijding bieden. De aard en de omvang van een aandachtsgebied wordt bepaald door de effecten van een scenario, niet door de kans. Een aandachtsgebied kan kleiner worden door het toepassen van de best beschikbare technieken (BBT) bij de MBA met externe veiligheidsrisico’s. Voor een overzicht van de vaste afstanden van aandachtsgebieden bij enkele milieubelastende activiteiten, zie de tabel in bijlage 3 (RIVM, 2021).
Externe veiligheidsafstanden
Voor een groot aantal activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelden vaste afstanden. Deze zijn te vinden in het Bal of in het Bkl. De afstanden uit het Bal gelden vanaf het bij de activiteit aangegeven meetpunt tot de begrenzing van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Onder bepaalde voorwaarden gelden de afstanden in plaats daarvan tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in de omgeving (gevel van een gebouw bijvoorbeeld). De begrenzingen staan in artikel 5.9 van het Bkl. De afstanden uit het Bkl gelden vanaf het bij de activiteit in bijlage VII aangegeven meetpunt(en) tot (zeer/ beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties in de omgeving.
Voorschriftengebieden
Het bevoegd gezag besluit op grond van artikel 5.14 Bkl of een (deel van het) brand- of explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als brand- of explosievoorschriftengebied. In het voorschriftengebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen, of gelijkwaardige maatregelen. De aanvullende bouweisen staan in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het doel van deze maatregelen is om mensen binnenshuis beter te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie, veroorzaakt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Op grond van artikel 5.14 lid 3 Bkl kan de gemeente afwijken van het aanwijzen van een brand- of explosievoorschriftengebied.
Aanvullende regels:
•Een brandaandachtsgebied van het basisnet wordt verplicht aangewezen als brandvoorschriften-gebied als daar met de huidige regelgeving een plasbrandaandachtsgebied geldt;
•Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen (ook de functiewijziging van bestaande gebouwen naar zeer kwetsbaar gebouw) binnen een aandachtsgebied worden verplicht aangewezen als voorschriftengebieden.
Groepsrisico
Dit is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Binnen aandachtsgebieden moet het bevoegd gezag rekening houden met het groepsrisico. Dit gebeurt bij het ontwikkelen van nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. “Rekening houden met” betekent dat het bevoegd gezag afwegingsruimte heeft over hoe ze omgaat met de omgeving van een risicovolle bron met de kans op maatschappelijke ontwrichting. Het doel is een integrale afweging van alle betrokken belangen. Het gaat hierbij ook om milieu en gezondheid. De centrale vraag luidt: wat acht het bevoegde gezag veilig en hoe motiveert ze dit?
Kwetsbaarheid van gebouwen en locaties
In bijlage VI van het Bkl staan drie categorieën gebouwen en locaties waarvoor de regels bescherming bieden:
1Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);
2Kwetsbaar (gebouwen en locaties);
3Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
In het omgevingsplan neemt de gemeenteregels op ter bescherming van deze gebouwen en locaties vanwege externe veiligheidsrisico’s. De volgende zaken komen aan de orde bij het bepalen van de kwetsbaarheid van locaties en gebouwen: het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. De gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruikersfunctie van het gebouw. Deze moet blijken uit het omgevingsplan of uit de omgevingsvergunning waarbij die functie mogelijk wordt gemaakt.
Een gebouw is zeer kwetsbaar als de aanwezige personen zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Bijvoorbeeld: een basisschool, gevangenis, woonfunctie voor 24-uurszorg. Voorbeelden van kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie en alle locaties waar grote evenementen of recreatief nachtverblijf voor meer dan vijftig personen plaatsvindt. Gebouwen en locaties zijn kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn: sportfunctie, kantoorfunctie, hogescholen. Alle overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar.
Rondom de kwetsbaarheid van de populatie buitenshuis is er een handleiding Omgevingsveiligheid mensen op buitenlocaties op 12 december 2019 gepubliceerd door de ‘Werkgroep Risico’s mensen buiten’
3Deze werkgroep bestaat uit afgevaardigden van de Brandweer NL, GGD/GHOR en Omgevingsdiensten
. De handleiding wordt door de VRBZO gebruikt worden voor de advisering aan de gemeente, bij de voorbereiding, planning en uitvoering van activiteiten in de buitenlucht in de nabijheid van een risicobron.
In de Omgevingswet ontbreekt een dergelijk landelijk afwegingskader voor mogelijke maatregelen om de veiligheid voor mensen op buitenlocaties te verhogen, zowel voor kleine als grote incidenten met gevaarlijke stoffen. Mensen op buitenlocaties zijn niet beschermd door een gebouw en worden daarom blootgesteld aan meer warmtestraling, overdruk en hogere concentraties giftige stoffen. Bij het realiseren voor buitenlocaties waarbij beperkt kwetsbare locaties, kwetsbare locaties wordt gerealiseerd dient er rekening gehouden te worden met eventuele attentie- en/of aandachtsgebieden. Om de afweging te maken of een ontwikkeling van een buitenlocatie veilig kan worden ingericht dient het ‘Stappenplan veiligheid mensen op buitenlocaties’, gepubliceerd in de ‘Handleiding Omgevingsveiligheid Mensen op Buitenlocaties’, versie 3.1, 12 december 2019, gebruikt te worden.
Bijlage 3 Borging van externe veiligheid bij besluitvorming
Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Op basis van de beleidskeuzes die gemaakt zijn in dit programma externe veiligheid (zoals bij de verschillende gebiedstypes) dienen er gerichte regels opgesteld te worden rondom de omgang met externe veiligheidsrisico’s. Deze regels moeten landen in het omgevingsplan. Op basis van deze regels in het omgevingsplan kan vooraf bepaald worden of de desbetreffende activiteit of ruimtelijke ontwikkeling past in het voorgestelde plangebied. Deze omgevingsplanregels moeten ertoe leiden dat het externe veiligheid binnen de gemeente nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of nieuwe vergunningaanvragen in een zo vroeg mogelijk stadium geborgd wordt.
Verantwoordingsplicht groepsrisico bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening
Bij het realiseren van een ruimtelijke ontwikkeling (binnen een aandachtsgebied) dient voor het milieuthema externe veiligheid een verantwoording groepsrisico
4Hierbij wordt passende bescherming aangetoond middels het stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ zoals beschreven in hoofdstuk 5.
geschreven te worden. Door gebruik te maken van het stappenplan uit hoofdstuk 5 komt men tot passende bescherming. De genomen maatregelen en de afweging hiervan moet worden onderbouwd in de ruimtelijke onderbouwing.
Op het moment dat er een aanvraag voor een omgevingsvergunning binnen komt zal het aspect Externe veiligheid ook beoordeeld moeten worden. Dit zal moeten gebeuren op het moment dat er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een nieuwe activiteit in een aandachtsgebied of wanneer er aan nieuwe activiteit wordt aangevraagd waarbij er nieuwe aandachtsgebieden, PR-contouren en/of veiligheidsafstanden worden gecreëerd.
Externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen
Iedere nieuwe gebiedsontwikkeling is anders. Een verantwoordingskader met generieke regels dat voor alle nieuwe ontwikkelingen geldt is niet waterdicht om standaard tot passende bescherming te komen. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen in het aandachtsgebied wordt, conform de methodiek van de Omgevingswet, een intaketafel ingericht om via een integrale benadering consensus te bereiken over passende bescherming in het plangebied. Specialisten van verschillende relevante onderwerpen nemen deel aan de intaketafel, waaronder een specialist externe veiligheid. Ook is het belangrijk om de VRBZO te betrekken bij de intaketafel op het moment dat er een initiatief wordt ontwikkeld in het aandachtsgebied van een MBA met externe veiligheidsrisico’s. Op deze manier kan er in het voortraject al een inschatting worden gemaakt over de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling in het aandachtsgebied. Om te bepalen wanneer en of de VRBZO wil aansluiten is er een ‘stappenplan Omgevingsveiligheid’ ontwikkeld door de VRBZO. Deze is bijgevoegd in bijlage 3.
De bouw (of uitbreiding) van een (nieuwe) risicobron
Bij het initiatief voor een nieuwe risicobron of uitbreiding van een bestaande risicobron, moet worden bepaald wat de omvang van het aandachtsgebied is. De omvang van het aandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van bijlage VII van het Bkl. Hierin staan vaste afstanden waar rekening mee gehouden dient te worden of wanneer deze afstanden berekend dienen te worden. Wanneer de omvang van het aandachtsgebied is bepaald, moet worden beoordeeld of het aandachtsgebied past in het omgevingsplan. Dit is het geval als de gemeente in het omgevingsplan ruimte heeft gereserveerd voor toekomstige MBA’s met externe veiligheidsrisico’s en aandachtsgebieden, zoals bij de gebiedstypes bedrijventerrein Intensief en buitengebied. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Ook het Rijk en de provincie hebben de mogelijkheid om via een projectbesluit direct aanpassingen te maken in het omgevingsplan.
De bouw van een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie
Bij het initiatief voor een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie moet beoordeeld worden of de ontwikkeling past in het omgevingsplan. Passen betekent in eerste instantie dat het omgevingsplan de ruimtelijke ontwikkeling (bijv. woningen of een school) toestaat in het betreffende gebied. Daarnaast kunnen er voorwaarden zijn gesteld aan de bouw van het kwetsbaar gebouw op het gebied van bescherming, zoals bijvoorbeeld geldt voor het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen in een aandachtsgebied (voorschriftengebied).
Wanneer het omgevingsplan de bouw van het betreffende type gebouw toestaat, moet worden nagegaan of het gebouw in een aandachtsgebied is beoogd en of dit aandachtsgebied is aangewezen als voorschriftengebied. Het voorschriftengebied is altijd van toepassing voor zeer kwetsbaar gebouwen (zoals een ziekenhuis of kinderdagverblijf) wanneer deze in een brand- of explosieaandachtsgebied zijn voorzien.
Als het voorschriftengebied is aangewezen, betekent dit dat er bouwmaatregelen gelden voor het te bouwen gebouw (artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl, zie stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’). Wanneer geen voorschriftengebied is aangewezen, gelden voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties niet direct de aanvullende bouweisen. Wel dient het stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ doorlopen te worden, hieruit kan alsnog volgen dat er aanvullende bouweisen (of andere maatregelen) gelden.
Naast de aanwijzing van een voorschriftengebied, kan het omgevingsplan andere doel- en of middelvoorschriften bevatten waaraan de initiatiefnemer moet voldoen om de vergunning verleend te krijgen. Wanneer de initiatiefnemer in zijn plan kan aantonen aan de voorwaarden uit het omgevingsplan te kunnen voldoen, kan de omgevingsvergunning worden verleend. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden beoordeeld of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan.
Externe veiligheid en vergunningverlening
Ook bij het verlenen van een omgevingsvergunning is het belangrijk om in een voorstadium een goede afweging te maken of de aangevraagde activiteit past binnen de bestaande bebouwde omgeving. Het toevoegen van een nieuwe MBA met externe veiligheidsrisico kan grote gevolgen hebben voor de omgeving. Conform de methodiek van de Omgevingswet wordt er een omgevingstafel ingericht om via een integrale benadering consensus te bereiken over ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ in het plangebied en of de aangevraagde activiteit wenselijk is. Deze omgevingstafel kent dezelfde structuur als de intaketafels, zoals deze worden georganiseerd bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Indien consensus bereikt wordt over het realiseren van een nieuwe MBA met externe veiligheidsrisico’s zal de vergunningaanvraag beoordeeld moeten worden door de vergunningverlener.
De instructieregels voor het beoordelen van de vergunningaanvraag staan in artikelen 8.7 t/m 8.25 Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). De gemeente kan de vergunning verlenen, weigeren of aanvullende maatregelen eisen (op basis van artikel 5.26 Omgevingswet en de instructieregels uit artikelen 8.7 t/m 8.25 Bkl). Daarnaast is het belangrijk dat het groepsrisico verantwoord wordt aan de hand van het stappenplan ‘‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’.
Rekening houden met Omgevingsplan
Bij het beoordelen bij een vergunningaanvraag wordt door de gemeenterekening gehouden met het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer de activiteit niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Het kan hierbij zowel gaan om de aanvraag van een vergunning voor een risicobron als van een (beperkt, zeer) kwetsbaar gebouw of locatie.
Als de activiteit past in het omgevingsplan, dient bepaald te worden of er een PR 10-6 contour en/of een aandachtsgebied is (vaste afstand uit bijlage VII Bkl of berekenen).
Actualiseren vergunning
Bij een nieuwe vergunning worden bestaande rechten in stand gehouden tenzij actualisatie nodig is. Artikel 5.38 Omgevingswet verplicht de gemeente om regelmatig de toereikendheid van de vergunning te bezien (actualiseren). Dit biedt de gemeente de mogelijkheid de vergunning te actualiseren wanneer deze bijvoorbeeld niet meer voldoet aan de laatste stand der techniek (artikel 4.22 lid 2 onder c). Met deze mogelijkheid kan de gemeentebronmaatregelen afdwingen om zo de bestaande of nieuwe omgeving te beschermen tegen eventuele effecten van een calamiteit bij een MBA met externe veiligheidsrisico’s.
Bescherming van bestaande bedrijven na vergunningverlening tegen de gevolgen van een veranderende omgeving
Alle activiteiten (dus ook nieuwe woonbebouwing) dienen te passen binnen de gestelde grenzen van het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer dat niet het geval is, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Als er al een bestaand aandachtsgebied is zal het bevoegd gezag daar rekening mee moeten houden in de aanpassing van het omgevingsplan (5.3 en 5.15 Bkl).
Als het omgevingsplan wordt aangepast moet de Gemeente bij vergunningverlening aan een bedrijf rekening houden met het (aangepaste) omgevingsplan.
Bijlage 5 Stappenplan Omgevingsveiligheid VRBZO
Collectieve advisering omgevingsveiligheid Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in het kader van art. 5.11 en 5.15 Bkl
1Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in een aandachtsgebied (brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) of attentiegebied wordt aangevraagd.
2Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in de directe omgeving van een natuurgebied wordt aangevraagd.
•Hier wordt nog nadere invulling aan gegeven.
3Initiatieven met betrekking tot het regionaal risicoprofiel, waaronder:
•Windturbines;
•Gevolgbeperking overstroming en klimaatadaptatie;
•Evenementen;
•Gebruik van gebouwen;
•Voorkomen rookoverlast binnen-opslag en buitenopslag;
•Risicocommunicatie;
•Milieu.
4Initiatieven met betrekking tot de energietransitie (o.a. zonneparken, trafohuisjes, EOS, elektrische schepen, aanvullen) en nieuwe technieken/ technologieën/activiteiten waarvan risico’s m.b.t. fysieke veiligheid en gezondheid nog onbekend zijn;
5Basisadvisering repressieve voorzieningen: De veiligheidsregio wil adviseren bij alle objecten waarbij afgeweken wordt van de uitgangspunten uit de ‘Adviesleidraad bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid’
5https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2023/12/Interregionale-Adviesleidraad-bluswatervoorziening-en-bereikbaarheid.pdf
en/of de ‘bruidsschatregels’ ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid. Bij de overige ontwikkelingen dient de handreiking te worden overgenomen en kan advies worden gevraagd bij de veiligheidsregio.
Daarnaast wil de veiligheidsregio adviseren over repressieve voorzieningen die worden geplaatst bij (complexe) gebouwen die het brandweeroptreden mogelijk moeten maken. Dit geldt in ieder geval voor de volgende objecten:
•Gebouwen hoger dan 20 meter;
•Gebouwen met meervoudig ruimtegebruik (bijv. woongebouw boven tunnel of parkeergarage);
•Gebouwen met een inzetdiepte van meer dan 60 meter.
Ontwikkelingen die invloed hebben op bereikbaarheid voor hulpdiensten, zoals publieks- en/of verkeer aantrekkende voorzieningen (bijv. een evenemententerrein, een schouwburg, scholen, bioscopen, stadion, de grotere stations voor openbaar vervoer, evenementenhal, etc.), bouwwerkzaamheden en/of tijdelijke of permanente wegafsluitingen;