Gemeentelijke regelgeving

Nota geluidbeleid 2021 - Actualisatie 2021 gemeente Someren

Gemeente Someren · geldt sinds 2 juli 2024

Grondslag Nota Geluidbeleid 2007

BASIS GEMEENTELIJK BELEID SOMEREN (VERSIE 2007)

De Nota Geluidbeleid is vooral een beleidsplan ter zake van het stellen van voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder en geeft uitsluitsel over de richt- en grenswaarden voor het industrielawaai in het kader van de vergunningverlening per deelgebied van de gemeente. Voor elk deelgebied wordt richtwaarde vastgesteld die gebaseerd is op de geluidskwaliteit die de gemeente op langere termijn voor het betreffende gebied nastreeft.

Met een Nota denkt de gemeente voorafgaand aan nieuwe ontwikkelingen na over de toekomstige gewenste situatie. Waar willen we rust behouden, waar is ruimte voor levendigheid en economische groei en waar is een goed woon- en leefklimaat van belang. Dit vraagt wel om een wettelijk verhoogde motiveringsplicht. In plaats van per geval deze motivering te onderbouwen wordt de motivering over gebiedstypes met bijbehorende geluidskwaliteit opgenomen in een beleidsnota. Bij de totstandkoming van de gebiedstypen en de richtwaarden is gebruik gemaakt van een aantal bouwstenen.

Onderstaand worden de overwegingen besproken welke in 2007 aan het vaststellen van de grenswaarde per deelgebied ten grondslag hebben gelegen bij het proces van vaststelling van het beleid.

Bouwstenen

De basis voor de gebiedsindeling met richtwaarden gaat terug tot het jaar 2007. Allereerst heeft het heersende geluidsniveau in de gemeente een belangrijke rol gespeeld. De inventarisatie hiervan is

in een kaart zichtbaar gemaakt (Referentieniveaukaart gemeente Someren d.d. 10-10-2005). Vervolgens is onderzocht welke (al dan niet autonome) ontwikkelingen er al zijn die op deze geluidskwaliteit van invloed zijn (bv sanering bij industrielawaai of wegverkeerslawaai, infrastructuur en dergelijke) en welke ontwikkelingen als gevolg van ander (gemeentelijk) beleid juist gewenst zijn (bv uitbreidingslocaties voor wonen, voor industrie, de totstandkoming van een recreatiegebied et cetera). Al deze ontwikkelingen zijn op de eerste inventarisatie afgezet en hebben geleid tot een lagere of hogere richtwaarde dan het heersende geluidsniveau. De richtwaarde hoeft dus niet overeen te komen met het heersende geluidsniveau ten tijde van het vaststellen van de Nota.

Zo kan een gebied waarvoor de geluidskwaliteit op langere termijn een verbetering zou moeten ondergaan, een lagere richtwaarde krijgen dan het heersende geluidsniveau. Het omgekeerde is

ook mogelijk. Als het gaat om een gebied dat in de toekomst een industriële functie moet verkrijgen, kan de vast te stellen richtwaarde hoger zijn dan het heersende geluidsniveau ten tijde van het vaststellen van de Nota.

Evaluatie/actualisatie in 2021

•In 2007 zijn uitgebreide inventarisaties verricht en is het referentieniveau van het achtergrondgeluidsniveau voor de hele gemeente vastgesteld. Dankzij deze voorbereiding

ligt er een gedegen basis. Deze referentieniveaukaart beschouwd hebbende is het niet aannemelijk gebleken dat er in de periode 2007-2017 significante verschuivingen in de kenmerkende referentieniveaus zijn opgetreden. Evenmin zien we bij het beoordelen van de inventarisaties van de gebieden (het occupatiepatroon) dat er sindsdien sprake is van een sterk afwijkend gebruik of functie van de gebieden. Deze inventarisaties blijven de basis, waartegen ook in 2021 ontwikkelingen kunnen worden afgezet.

Juridische status

De Nota is een belangrijk document waar diverse beleidsvelden in samen komen. Dit houdt in dat voor een zorgvuldige afstemming en totstandkoming zorg moet worden gedragen. Daarmee wordt gewaarborgd dat in geval van beroep de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State of de rechtbank met betrekking tot procedures over de milieuvergunningen kan oordelen dat van een zorgvuldige besluitvorming sprake is geweest. De Nota2007 is door de gemeenteraad op 19 december 2007 vastgesteld en tot stand gekomen door een ontwerpnota op te stellen en deze te onderwerpen aan de openbare voorbereidingsprocedure krachtens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze is destijds als een milieubeleidsplan gepubliceerd en belanghebbenden konden hun zienswijzen kenbaar maken. Op grond van artikel 4.17 Wet milieubeheer (Wm) zijn bij de voorbereiding van het vaststellen van de Nota 2007 de inspecteur, de buurgemeenten en de provincie betrokken naast andere belanghebbende overheidsorganen, instellingen en organisaties. Uit oogpunt van duidelijkheid wordt vaak aanbevolen om aan de geldingsduur van een Nota een termijn te stellen die voldoende is om de bestemmingsplannen, die mede als uitgangspunt hebben gediend, uit te kunnen voeren. In de tussenliggende periode kan er voor worden gekozen relevante

wijzigingen of herzieningen van bestemmingsplannen, die via de Wro door de Raad zijn

vastgesteld, in hetzelfde besluitvormingstraject van deze bestemmingsplanprocedures te laten doorwerken in de plankaart en/of de beleidsregels van de Nota.

•Alleen de Raad heeft een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het implementeren van actuele ontwikkelingen, die van invloed zijn op de gebiedsindeling of richtwaarden voor de diverse deelgebieden.

•Ambtshalve zal de Nota of enkel de plankaart kunnen worden gewijzigd naar aanleiding van ontwikkelingen die optreden ten gevolge van besluiten die krachtens de Wet geluidhinder via bestemmingsplanprocedures tot stand zijn gekomen.

•De Nota biedt het kader voor de besluiten waarbij in de Wm is aangegeven dat hiermee rekening moet worden gehouden. Op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal een motivering op gewichtige gronden nodig zijn om van de Nota af te wijken.

•De Nota krijgt zijn concrete doorwerking bij vergunningverlening en beschikkingen maatwerkvoorschriften, en bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen. Pas in deze fase is bezwaar en beroep mogelijk krachtens de Wm (bij beschikkingen Wm) en besluiten krachtens de Wro.

Basis-inventarisatie 2007

Bestaande akoestische situatie in 2007

De gemeente Someren is ingedeeld in gebieden. Aan elk gebied is één van de zeven akoestische gebiedstypen toegekend: natuur, landelijk, agrarisch, recreatie, wonen, centrum en bedrijven.

Referentieniveaukaart gemeente Someren d.d. 10-10-2005.

Deze kaart geeft voor het hele grondgebied het referentieniveau van het omgevingsgeluid voor de dag-, avond en nachtperiode weer, bepaald aan de hand van L95-metingen en berekening van het wegverkeerslawaai. Voor het wegverkeer is gebruik gemaakt van de verkeersintensiteiten in 2005 zoals die zijn opgenomen in de Regionale Verkeersmilieukaart (Promil).

Rijksweg A67

De invloed van het wegverkeerslawaai op het omgevingsgeluid komt tot uiting in de referentieniveaukaart. De meest luidruchtige weg is de Rijksweg A67. Deze staat in

bijlage 2 (belangrijke geluidzones) als 60 dB(A) contour weergegeven (prognosejaar 2016).

Provinciale weg N 266/N612

Langs de Zuid-Willemsvaart ligt de provinciale weg N266 en N612. In de NI 2007 (Belangrijke geluidzones) staat de 60 dB(A) contour weergegeven (prognosejaar 2015).

Gezoneerd industrieterrein Sluis XI/Half Elfje

Voor dit industrieterrein is bij K.B. van 2 juni 1990 (nr. 90.016528) een geluidzone krachtens de Wet geluidhinder vastgesteld. In de NI 2007 (belangrijke geluidzones) staat de begrenzing van het gezoneerd terrein en de zonegrens (50 dB(A) contour) weergegeven. Dit terrein ligt voor het overgrote deel in de gemeente Someren en voor een deel in de gemeente Asten.

Inrichtingen in 2007

Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van een lijst van alle inrichtingen in de gemeente Someren d.d. 13-04-2005. De inrichtingen zijn in aantal inrichtingen per onderscheidenlijke soort aangegeven. Hiermee ontstaat er inzicht in de spreiding van de soorten inrichtingen over het grondgebied. Verder is er een overzicht van bedrijventerreinen en recreatieterreinen in de Nota 2007.

Evaluatie/actualisatie

•Het inrichtingenbestand van Someren is op hoofdlijnen beschouwd. Het aantal inrichtingen is in absolute zin toegenomen, het spreidingspatroon is nagenoeg hetzelfde.

•Het grondgebied wordt nog altijd hoofdzakelijk gebruikt voor inrichtingen in de agrarische en de industriële sector en voor de (zakelijke/gezondheids-) dienstverlening. Hoewel hun aandeel is gedaald, is de agrarische/agrarisch verwante sector in het buitengebied nog steeds herkenbaar vertegenwoordigd. De komende jaren wordt meer ingezet op transitie van het landelijk gebied, gericht op het stimuleren van niet-agrarische functies (NAF) in het buitengebied, zoals wonen.

Het percentage detailinrichtingen is verdubbeld, maar blijft een klein aandeel houden, geconcentreerd in de vier kernen. Ook het aandeel horeca-sport-en recreatie-inrichtingen is nog steeds klein te noemen. Het percentage inrichtingen in de industriële sector en in de dienstverlening is gestegen. De industriële sector is vooral gevestigd op de bedrijventerreinen, met name aan de oostzijde van de gemeente, nabij de N266/N612, parallel aan de Zuid-Willemsvaart. De spreiding van het inrichtingenbestand komt daarmee globaal overeen met die in 2007 is gebruikt voor het occupatiepatroon, hetgeen een bouwsteen was bij de totstandkoming van de gebiedstypes en bijbehorende richtwaarden van de Nota.

Deze basis (inrichtingenbestanden en spreiding) blijft daarmee in stand.

Bestemmingsplannen en beleidsplannen

Vigerende bestemmingsplannen Wet op de ruimtelijke ordening.

Alle vigerende bestemmingsplannen zijn geraadpleegd. De bestemmingen zijn geïnventariseerd, gecategoriseerd en als gebieden met een bepaalde functie, het occupatiepatroon, in kaart gebracht.

(zie NI 2007, Occupatiepatroon gedetailleerd).

Bestemmingsplannen aangrenzende gemeenten

Van de aangrenzende gemeenten Helmond, Heeze-Leende, Asten, Nederweert, Cranendonck en Geldrop-Mierlo zijn de vigerende bestemmingsplannen verwerkt voor zover zij vallen binnen een zone van 1000 m uit de gemeentegrens. Deze staan in het gedetailleerd occupatiepatroon.

Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant

Hierin staan de stiltegebieden die in Someren voorkomen. Stiltegebieden ’Strabrechtse heide’ en

‘De Pan’ staan weergegeven in NI 2007 (Belangrijke geluidzones).

Ruimtelijke Woonvisie 24-11-2005

De Woonvisie bevat een programma voor de functie wonen en een visie op mogelijke locaties voor inbreiding, herstructurering, intensivering en uitbreiding. De afwegingen staan in de NI 2007.

Reconstructieplan/Milieueffectrapportage De Peel

Het reconstructieplan gaf de visie weer voor het (voormalige) reconstructiegebied De Peel.

In Someren waren de gebieden met een primaat voor wonen en natuur voornamelijk gelegen rondom de kernen en aan de randen van bestaand natuurgebied. Het overige deel waren gebieden waarin meerdere functies in harmonie met elkaar functioneren, tussen de kernen en natuurgebieden. Het gebied met een primaat voor landbouw lag ten westen van Someren-Heide.

Glastuinbouwontwikkelingen en veehouderijontwikkelingen

Voor de glastuinbouwsector zijn er op een aantal plaatsen ontwikkelingen mogelijk; in de bestaande gebieden Vlasakkers en Kievitsakkers, en wanneer deze gebieden vol raken, uitbreiding vanuit andere bestaande gebieden. In Someren-Heide liggen ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij. In het grootste deel van het gebied waar deze mogelijkheden liggen is nieuwvestiging van intensieve veehouderij toegestaan.

Recreatieve ontwikkelingen

In het gebied Keelven wordt voorzien in de aanleg van een recreatieve poort. Ook het gebied tussen het Keelven en de kern Someren krijgt een recreatief accent, met ruimte voor een landschapscamping, een golfbaan, een beperkte groei van verblijfsrecreatie en aantrekkelijker als doorgangsgebied. Intensieve veehouderijbedrijven worden waar mogelijk verplaatst, samengevoegd of voor deze bedrijven wordt de mogelijkheid tot omschakeling gezocht. Het is wel van belang dat de recreatieve voorzieningen zoveel mogelijk worden geclusterd, zodat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat intensieve veehouderijbedrijven in de problemen komen met hun stankcirkels.

Regionaal Structuurplan regio Eindhoven/Provinciaal uitwerkingsplan ZO-Brabant, 7-12-2004

Het Regionaal Structuurplan regio Eindhoven (GS 8 maart 2005), en het Provinciaal uitwerkingsplan ZO-Brabant is vastgesteld als uitwerking van het Streekplan 2002. Beide plannen geven weer wat de keuzes zijn op regionaal schaalniveau voor de woningbouw- en bedrijventerreinontwikkeling voor de periode tot 2015, met een doorkijk naar 2030. Ze zijn voor de periode tot 2015 zowel een toetsingskader voor bestemmingsplannen als een kader voor strategische gebiedsontwikkeling. De punten uit het structuurplan die van belang zijn voor de NI voor de gemeente Someren zijn in de onderstaande samenvatting opgenomen:

“Someren kent een viertal sterk in grootte verschillende kernen. Someren, met een uitbreiding, vooral gericht in noordelijke richting tot aan de Somerenseweg, met nog steeds uitbreidingsmogelijkheden. Daarnaast is aan de zuidzijde een globale grens van het transformatie afweegbare gebied aangegeven. De ontwikkeling in zuidelijke richting zal nader uitgewerkt en begrensd moeten worden met inachtneming van een open ruimte tussen Someren en Someren-Eind en met respect voor de lintbebouwing. Voor Someren-Eind noord geldt eenzelfde aanduiding. Daarbij wordt ervan uitgegaan, dat Someren-Eind tot aan het kanaal kan uitbreiden, met uitzondering van een gaaf stuk beekdal aan de noordoostzijde. Voor Someren-Heide, is slechts een beperkte ruimte voorzien. De grootschalige openheid als tegenhanger van de bos- en grootschalige natuurgebieden is van grote waarde voor dit gebied. Daarnaast is dit een primair agrarisch gebied. Afronding van de kern in zuidelijke richting is ruimtelijk het meest passend. Voor Lierop is beperkte ruimte voor verstedelijking aanwezig, vanwege de insluiting door natuur- en hoge cultuurhistorische waarden…”

Afwegingen van het occupatiepatroon

Het occupatiepatroon geeft de ruimtelijk-functionele kenmerken van een gebied weer, hoe een gebied gebruikt wordt. Op grond van de inventarisaties van het huidige en toekomstige gebruik zijn de 7 categorieën gebieden vastgesteld: bos en natuur, agrarisch, landelijk, wonen, centrum, bedrijventerrein en recreatie.

In eerste instantie is aan de hand van de vigerende bestemmingsplannen in 2007 alles in kaart gebracht. Vervolgens zijn de beleidsvisies zoals de Ruimtelijke woonvisie en het Reconstructieplan beschouwd.

Voor het buitengebied zijn alle gebieden, in het bestemmingsplan buitengebied aangegeven als bos- en natuurgebieden, benoemd als categorie “bos en natuur”. Alle gebieden die als agrarisch staan aangegeven zijn agrarisch”. Alle agrarische gebieden die in het reconstructieplan staan vermeld als extensivering overig zijn “landelijk”. Dit zijn meestal de kernrandzones. Alle primaire of secundaire landbouwontwikkelingsgebieden en alle vestigingsplaatsen voor de glastuinbouw uit het reconstructieplan zijn toegevoegd aan agrarisch gebied.

Het recreatieproject Keelven wordt omschreven als een gebied waar natuurwaarden worden behouden en versterkt. Daarnaast worden bepaalde recreatieve ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Op grond van de projectbeschrijving is ervoor gekozen om dit gebied in te delen in de categorie landelijk gebied. In het buitengebied treft men ook recreatieobjecten aan zoals de sportterreinen en campings. Over het algemeen zijn dit ook inrichtingen. Kleinere (dag)recreatieve voorzieningen worden in het occupatiepatroon niet weergegeven omdat zij zich voegen in een omgeving die bijvoorbeeld hoort bij de categorie bos en natuur of landelijk.

Voor de categorieën wonen en bedrijven is op de eerste plaats uitgegaan van de vigerende bestemmingsplannen. Daarna is gekeken naar de Ruimtelijke woonvisie, waarin zoekgebieden staan vermeld voor woningbouw en bedrijvigheid. Per zoekgebied is bekeken of de bestemming binnen vijf tot tien jaar gerealiseerd zal worden en of de exacte toekomstige begrenzing van het gebied bekend is. Is dat beide het geval dan krijgt dat gebied de aanduiding wonen of bedrijventerrein.

Hiermee is de kaart van het gedetailleerd occupatiepatroon (zie NI 2007) tot stand gekomen.

Op deze kaart komen kleine gebieden voor die zijn ingedeeld in een bepaalde categorie. Vervolgens wordt bekeken welke occupatie in die omgeving leidend is en krijgt dat gebiedje dezelfde categorie toegekend. Als voorbeeld kan dienen de categorie wonen. Een klein woongebied kan bestaan uit een lintbebouwing of een gehucht in het buitengebied. Wanneer dit woongebied in de omgeving landelijk gebied ligt wordt dit gebied er ook aan toegevoegd. Analoog geldt dit voor kleine bedrijventerreinen. Wanneer een solitair gelegen bedrijf zich moet voegen naar de woonomgeving waar het in ligt wordt het niet meer apart op de kaart aangegeven. Met deze handelswijze ontstaat er een globaal occupatiepatroon. De indeling van het grondgebied in occupatietypen is ook nog vergeleken met de inventarisatie van de inrichtingen (zie NI 2007). Daaruit blijkt dat de activiteiten (inrichtingen) van elk gebied goed overeenkomen met de occupatietypen. In de kaart met het globale occupatiepatroon is het grondgebied van de gemeente ingedeeld in 54 gebieden. Tot slot zijn deze 54 gebieden op grond van hun ruimtelijk-functionele kenmerken ingedeeld in 7 gebiedstypen, de eerder vermelde categorieën. In de NI 2007 staan deze gebieden weergegeven met een korte omschrijving en de naam voor het gebiedstype.

Systematiek van de akoestische gebiedstypen 2007

We spreken van één bepaald akoestisch gebiedstype wanneer zowel de ruimtelijk-functionele kenmerken als de akoestische kenmerken in belangrijke mate met elkaar overeen komen.

Voor alle 54 gebieden is het referentieniveau bepaald, een belangrijk akoestisch kenmerk van dat gebied. In één gebied kunnen referentieniveaus voorkomen die sterk van elkaar verschillen. Bijvoorbeeld wanneer er veel wegen in het gebied liggen. Het gemiddelde referentieniveau voor een gebied is daarom geen goede beschrijving van de akoestische situatie, reden waarom wordt gekeken naar de standaarddeviatie van het gemiddelde. Hierin komt ook de mate van variantie van een parameter tot uiting. Wanneer de waarde van het gemiddelde plus de standaarddeviatie wordt beschouwd dan kan gesteld worden dat voor 84 % van de oppervlakte van een gebied deze waarde niet overschreden wordt. Met deze statistische parameter worden de akoestische kenmerken van een gebied redelijk goed beschreven.

In bijlage 4.3 staat de lijst met de deelgebieden en het toegekende occupatietype. Zo is te zien welke gebieden overeenkomstige ruimtelijk-functionele kenmerken hebben, en wat de heersende referentieniveaus in de drie beoordelingsperioden zijn. Voor het referentieniveau is het gemiddelde plus de standaarddeviatie genomen. Vervolgens is per gebiedstype een richtwaarde voor geluidnormen opgenomen. Deze richtwaarde is in principe ongeveer gelijk aan het referentieniveau dat in de voorgaande kolommen staat vermeld. Zijn er gebieden waarbij het referentieniveau sterk afwijkt van soortgelijke gebieden dan is gezocht naar een oorzaak daarvoor. Wanneer in een gebied het occupatiepatroon wel overeenkomt met een akoestisch gebiedstype maar het referentieniveau wijkt sterk af dan zijn er een aantal mogelijkheden: Er kan voor een apart akoestisch gebiedstype worden gekozen, het kan onder een ander gebiedstype geschaard worden (bv Bos en natuur wordt Landelijk gebied). Maar het kan ook onder het oorspronkelijke gebiedstype vallen omdat een deel van het gebied binnen een overgangszone valt, of omdat het beleid er op gericht is om voor dat gebied een ander referentieniveau te verkrijgen (de ambitie). Tot slot staat ook vermeld waar voor gekozen is. Op deze wijze zijn zeven akoestische gebiedstypen onderscheiden. Per gebied staan de richtwaarden per periode vermeld en is een omschrijving van de akoestisch relevante kenmerken van het gebied gegeven.

TABEL 6.1. AKOESTISCHE GEBIEDSTYPEN 2007

Nr.

Akoestische gebiedstypologie

Richtwaarden in dB(A)

Omschrijving

Dag

Avond

Nacht

1

natuur

40

35

30

grotere bos- en natuurgebieden en stiltegebieden

2

landelijk

45

40

35

gebied met agrarische functie, bos- en natuur; woonfunctie, verwevingsgebied

3

agrarisch

45

45

40

Gebied met agrarische functie en bedoeld voor agrarische ontwikkelingen

4

recreatie

50

45

40

dag- of verblijfsrecreatie

5

woonwijk

45

40

35

rustig gelegen woonwijken met weinig tot geen andere functies

6

centrum

50

45

40

gebied met voorzieningenconcentratie bestaande uit detailhandel, dienstverlening en horeca

7

bedrijventerrein

55

50

45

bedrijventerreinen met overwegend ambachtelijke bedrijven; bedrijfswoningen aanwezig

Voor de recreatiegebieden is gekozen voor een hogere richtwaarde dan het referentieniveau in die gebieden. Hoewel in deze gebieden zelf meestal weinig of geen geluidgevoelige bestemmingen voorkomen, is de hogere waarde gekozen om in de directe omgeving de recreatie-inrichtingen meer geluidruimte te geven.

De hogere richtwaarde voor een bedrijventerrein heeft dezelfde functie. Voor het gezoneerde industrieterrein is geen richtwaarde opgenomen omdat de vergunningverlening daar niet conform de Wet milieubeheer maar conform de Wet geluidhinder verloopt.

Voor een aantal gebieden geldt dat het benoemde akoestische gebiedstype hierop overwegend wel van toepassing is maar dat een deel van het gebied beïnvloed wordt door een luidruchtige activiteit zoals een snelweg, een drukke weg, een industrieterrein, een recreatiegebied enz. Omdat in deze delen een hoger referentieniveau heerst dan in het overige deel van een gebied kan er voor gekozen worden om voor dat deel ook hogere richtwaarden vast te stellen. Rond deze luidruchtige activiteiten is daarom een overgangszone gelegd waarbinnen afgeweken kan worden van de richtwaarde voor het gebied waarin de geluidgevoelige bestemming ligt. In onderstaande tabel staat per overgangszone omschreven wat de bron is en waardoor de begrenzing van de overgangszone wordt bepaald.

TABEL 6.2 OVERGANGSZONES 2007

Bron

Overgangszone

Snelweg A67

60dB(A) contour

N266/N612

60dB(A) contour

Industrieterrein

50m uit grens industrieterrein

Recreatieobject

50m uit grens

Voor de A67 en de N266/N612 is gekozen voor de 60 dB(A)-contour omdat het LAEq-10 daarbinnen hoger is dan 50 dB(A). In feite is het referentieniveau in dat gebied hoger dan 50 dB(A).

Voor andere gebieden is gekozen voor een bufferzone die op 50 m uit de grens van de bron ligt. Een inrichting met een bronvermogen van ongeveer 95 dB(A) (een indicatie voor een gemiddeld kleinschalig bedrijf) zal op 50 m afstand een equivalent geluidniveau veroorzaken van 50 dB(A).

Evaluatie/Actualisatie en conclusie

•Gebiedstypen: de globale occupatie en de bijbehorende akoestische kenmerken van de eerder vastgestelde gebiedstypen zijn in wezen niet veranderd, waardoor de huidige systematiek van de 7 gebiedstypen met richtwaarden blijft gehandhaafd.

•De grondslag van 2007 blijft in stand als basis voor de Nota 2021 en is hierbij ingelast.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.