Gemeentelijke regelgeving

Uitvoerings- en handhavingsstrategie fysieke leefomgeving 2024

Gemeente Soest · geldt sinds 6 december 2024

5. Aangehaakte beleidsterreinen handhaving en toezicht

5.2 Apv

5.2.1 Sanctiemiddelen

De meest gebruikelijke en bekende bestuursrechtelijke sanctiemiddelen die de gemeente kan opleggen zijn de last onder dwangsom en de last onder bestuursdwang. Beide zijn zogenoemde herstelsancties. Herstelsancties hebben tot doel strijdige situaties te beëindigen. Hoewel een overtreder dit vaak anders ervaart zijn herstelsancties –in tegenstelling tot bestraffende sancties zoals een boete- niet gericht op leedtoevoeging.

De last onder bestuursdwang is het meest geschikte middel bij gevaarzettende situaties of spoedgevallen. De last onder dwangsom vergt minder personele inzet en is minder ingrijpend voor de overtreder. In een gering aantal gevallen kan ook het schorsen of intrekken van een vergunning worden ingezet als herstelsanctie. In het kader van de Alcoholwet staat de gemeente een breed scala aan specifieke sanctioneringsmiddelen ter beschikking, waaronder de bestuurlijke boete. In BIJLAGE 4c is de sanctiestrategie uit Preventie- en handhavingsplan Alcoholwet gemeente Soest periode 2014-2018 weergegeven. Daarin zijn de specifieke instrumenten nader toegelicht.

Ten aanzien van tal van APV-feiten (de zogenoemde kleine ergernissen in de openbare ruimte) en verkeersovertredingen (Wet Mulder-feiten) kunnen gemeentelijke boa’s een soort boete opleggen, namelijk de bestuurlijke strafbeschikking (hierna: Bsb). De Bsb is voor dit soort overtredingen uitermate geschikt vanwege het lik-op-stuk-effect. Sommige overtredingen zijn weliswaar strafbaar gesteld, maar kunnen niet met een Bsb worden afgedaan. In een dergelijk geval maken boa’s een proces-verbaal op. Het Openbaar Ministerie beslist vervolgens om al dan niet tot vervolging over te gaan. Dit traject speelt met name bij illegale kap.

De Ow kent meer mogelijkheden toe om bestuurlijke boetes op te leggen dan de Wabo. In sommige situaties zou voor dit middel gekozen kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn situaties waarin herstel onmogelijk is. Of en in welke gevallen wij bestuurlijke boetes gaan inzetten is ten tijde van het vaststellen van dit beleid nog niet duidelijk.

5.2.2 Sanctiestrategie openbare ruimte en veiligheid

De handhavingsthema’s binnen dit beleidsveld zijn van uiteenlopende aard. Daarmee is ook de gewenste reactie van de gemeente op een geconstateerde overtreding niet eenduidig weer te geven. Bovendien zijn er verschillende sanctie-instrumenten en kunnen deze instrumenten niet op alle overtredingen worden ingezet. Zoals in paragraaf 4.3 is weergegeven is de Bsb vanwege het lik-op-stuk-effect een geschikt middel ten aanzien van tal van APV-feiten en verkeersovertredingen. Voor andere situaties ligt toepassing van een herstelsanctie (bestuursdwang of dwangsom) meer voor de hand.

Basisstrategie sanctionering

De sanctiestrategie voor Openbare ruimte en veiligheid is opgenomen in BIJLAGE 5a. Daarbij geldt dat niet elke overtreding wordt beboet. Er zijn ook situaties waarbij het gepast of gewenst is om een overtreder alleen aan te spreken op zijn of haar gedrag of om een waarschuwing te geven. Dit is afhankelijk van een combinatie van factoren en de specifieke omstandigheden van het geval. De basisstrategie (BIJLAGE 5a) is de richtlijn, maar uiteindelijk moet de boa gebruikmaken van de eigen beoordelingsruimte. Daarbij betrekt de boa de volgende vragen.

–Is er een gevaarzettende of hinderlijke situatie?

–Is het een veel voorkomende overtreding en een algemeen bekende regel?

–Is er recidive of is de betreffende persoon op een eerder moment reeds gewaarschuwd?

–Is de afgelopen 2 jaar al veelvuldig toezicht gehouden op het betreffende onderwerp (al dan niet in combinatie met een specifieke locatie)?

–Is er een preventieactie geweest, waarbij is gewaarschuwd dat toekomstige overtredingen worden beboet?

–Zijn er anderszins verzwarende of juist verlichtende factoren of persoonlijke omstandigheden?

De gemeente Soest heeft het vertrouwen in haar boa’s dat zij een goede afweging maken. Van hen wordt verwacht dat zij situaties in de collegiaal overleg bespreken en werkafspraken daaromtrent volgen. Een uniforme werkwijze is daarmee voldoende geborgd. Zoals reeds aangestipt kan ten aanzien van een aantal onderwerpen geen Bsb worden opgelegd. Indien het nodig wordt in plaats daarvan een herstelsanctie opgelegd.

Voor Alcoholwetovertredingen en andere horeca gerelateerde onderwerpen is een sanctiestrategie opgenomen in BIJLAGE 5b. Met betrekking tot gevaarlijke honden is een sanctiestrategie opgenomen in BIJLAGE 5c.

5.2.3 Verbijzondering geprioriteerde thema’s

Verbijzondering thema Jeugdgroepen

Het toezicht op jeugdgroepen vindt plaats in rondes. Daarbij worden hotspots bezocht op tijdstippen dat de groepen actief zijn. De locaties wisselen alsook de samenstelling van de groepen, zodat ook de inzet per periode zal verschillen. Het gemeentelijk beleid is gericht op een integrale groepsaanpak, waarbij jongerenwerk een prominente rol speelt. De andere handhavingspartners zijn politie, jeugdzorg en onderwijs. De boa’s vormen dus één van de schakels in de keten. Hun rol is gelegen in het tijdens de rondes aanspreken van jongeren op hun gedrag en het doorgeven van signalen aan de ketenpartners.

Verbijzondering thema Risicovolle evenementen

De risicovolle evenementen (inclusief zwaar belastende evenementen) zijn als hoog geprioriteerd. Dit betekent dat op elk evenement toezichtcapaciteit wordt ingepland (100% toezicht, dus niet steekproefsgewijs, zie verder hst 5. Handhavingsdoelstellingen). Van groot belang bij deze evenementen is integraal toezicht. Alle toezichtactiviteiten van de relevante handhavingspartners (dit zijn in elke geval de actoren die bij het vergunningstraject hebben geadviseerd) worden op elkaar afgestemd. De toezichtactiviteiten zien in elk geval op de risicovolle elementen van het evenement. Voorbeelden daarvan zijn:

–grote bezoekersaantallen;

–constructieve veiligheid van tribunes, podia, tenten en andere constructies;

–veiligheid van installaties, zoals gasvoorzieningen bij standplaatsen;

–brandveilig gebruik van bijvoorbeeld tenten;

–ingrijpende verkeersmaatregelen;

–bewegende of rijdende elementen;

–geluidsinstallaties;

–verkoop van alcoholhoudende dranken.

Ketenpartners bij de uitvoering van integraal toezicht zijn in elk geval: bouwtoezicht (constructies en asbest), VRU (brandveilig gebruik, brandveiligheid installaties), politie (openbare orde) en RUD (geluid). Bij de jaarlijkse evaluatie van het onderhavige meerjarenbeleid zal worden getoetst of en hoe het nieuw op te stellen evenementenbeleid aanleiding geeft tot actualisatie / bijstelling.

Bijlage 1a: Begripsbepalingen

Begrip

Toelichting

Ambtelijke waarschuwing of constateringsbrief

Brief naar aanleiding van een controle waarbij een overtreding is vastgesteld. In de brief wordt aangegeven welke maatregelen getroffen moeten worden om de overtreding te beëindigen en binnen welke termijn (hersteltermijn) dit moet zijn uitgevoerd. In deze brief worden eventuele sancties aangekondigd.

Beginselplicht tot handhaving

Uitgangspunt dat het bevoegd gezag verplicht is om op te treden bij een geconstateerde overtreding. De term ‘beginselplicht’ impliceert dat er omstandigheden kunnen zijn om van handhaven en/of het opleggen van een sanctie af te zien. Dit is in het recht geregeld via artikel 5:5 Awb (het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond) en artikelen 39 en verder van het Wetboek van strafrecht (strafuitsluitingsgronden).

Uit de rechtspraak volgt voorts dat overwogen kan worden van handhaven af te zien als er concreet zicht op legalisatie bestaat, of wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Bij verzoek om handhaving kan voorlopig van handhaving worden afgezien omdat wegens het bestaan van een redelijk handhavingsbeleid betrokkenen eerst de gelegenheid krijgt om de overtreding ongedaan te maken. Verzoeken om handhaving worden eveneens getoetst aan dit beleid, hetgeen kan inhouden dat aan laag-geprioriteerde zaken niet direct aandacht wordt geschonken, maar op een later tijdstip.

Begunstigingstermijn

Termijn die wordt gesteld in een bestuursdwang- of dwangsombeschikking waarbinnen de overtreder de overtreding ongedaan kan maken zonder dat de bestuursdwang wordt uitgevoerd of een dwangsom moet worden betaald.

Belangenafweging

Bij de voorbereiding van besluiten moet het bevoegd gezag de betrokken belangen afwegen. Aan de ene kant kunnen dit bijvoorbeeld zijn de persoonlijke, economische en financiële belangen van een overtreder. Aan de andere kant het algemeen belang.

Mede op basis van deze belangenafweging bepaalt het bevoegd gezag of er handhavend wordt opgetreden, welke termijn er wordt gehanteerd en of er een sanctie wordt opgelegd

Bestuursdwangbeschikking (last onder bestuursdwang))

Bestuursdwang is het optreden door het bevoegd gezag tegen een overtreding op kosten van de overtreder.

Bevinding

Waarneming die ten aanzien van een bepaald onderwerp van onderzoek tijdens een inspectie wordt gedaan. Na beoordeling ervan kunnen bevindingen leiden tot de kwalificatie wel/geen overtreding.

Bevoegd gezag

Het bestuursorgaan dat bevoegd is een handhavingsbesluit te nemen of een besluit te nemen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Doorgaans is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk.

Binnenplanse omgevingsplanactiviteit

Een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA) is een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat daarvoor een vergunning nodig is (bijlage onderdeel A, Ow). De gemeente regelt in het omgevingsplan voor welke omgevingsplan­activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het omgevingsplan worden de beoordelingsregels over het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen.

Boa

Buitengewoon opsporingsambtenaar.

Bruidschat

Dit is een set regels die het Rijk overdraagt aan gemeenten en waterschappen als de Omgevingswet start. Het gaat om regels die betrekking hebben op lokale vraagstukken. De gemeenten en waterschappen besluiten voortaan hoe ze die onderwerpen regelen. Deze regels worden dan toegevoegd aan het omgevingsplan of de waterschapsverordening. De gemeente of het waterschap kan deze regels, als de Omgevingswet in werking is getreden, op elk moment zelf aanpassen of schrappen. De bruidschat maakt deel uit van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan of niet vergunningvrij is voor het bouwen. Het kan gaan om de volgende situaties:

1De activiteit is niet mogelijk op basis van de algemene regels van het omgevingsplan.

2De activiteit is niet mogelijk op basis van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.

3De activiteit is niet vergunningvrij voor het bouwen.

Dwangsombeschikking (last onder dwangsom)

Een last onder dwangsom betekent dat een overtreding binnen een bepaalde periode ongedaan moet worden gemaakt. Als dit niet binnen die periode is gebeurd, dan moet de overtreder een boetebedrag (dwangsom) betalen. Een last onder dwangsom is bedoeld om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding of een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Fysieke leefomgeving

De fysieke leefomgeving omvat de inrichting van de woonwijk/gemeente inclusief de wegen, parken, industrieterreinen. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt deels bepaald door de milieukwaliteit.

Gedoogbeschikking

Een schriftelijk besluit van het bevoegde gezag voor het afzien van het gebruik van ter beschikking staande bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten voor een bepaalde termijn.

Gedoogstrategie

Een bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd in welke situaties en onder welke condities inzet van sancties tegenover overtreders tijdelijk achterwege kan blijven.

Geheel of gedeeltelijke intrekking vergunning of ontheffing

Naast een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang kan een bestuursorgaan ook als sanctie de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken. Door intrekking van een vergunning of ontheffing ontneemt het bevoegde gezag de overtreder de juridische basis van zijn activiteit.

Gelijkwaardige oplossing

Er is sprake van een afwijking van (een of meerdere voorschriften van) een vergunning/ontheffing/vrijstelling, maar het door de rechtsregel beschermde belang wordt in dezelfde mate of beter gewaarborgd.

Handhaven

Door toezicht en het toepassen van bestuursrechtelijke, strafrechtelijk of privaatrechtelijke middelen bereiken dat geldende rechtsregels worden nageleefd.

Handhavingsbeleid

Dit is een beleid(snota) voor alle betrokken beleidsvelden. Daarin staat een beschrijving van de gemeentelijke prioriteiten, de doelen, de strategieën en de activiteiten. Het beleid is afgestemd met andere betrokken bestuursorganen (zoals Waterschap, Provincie en dergelijke).

Handhavingsstrategie

Bestuurlijk vastgesteld document, waarin de basisaanpak voor het bestuursrechtelijk optreden bij overtredingen is vastgelegd. De handhavingsstrategie omvat ten minste:

een passende reactie op geconstateerde overtredingen;

een stringentere reactie bij voortduring van de overtreding;

een regeling voor optreden tegen overtredingen door de eigen organisatie en andere overheden;

transparantie over te stellen termijnen voor het opheffen van (standaard)overtredingen en over de zwaarte van sancties daarvoor.

Handhavingsuitvoeringsprogramma

Jaarprogramma waarin wordt omschreven welke handhavingsactiviteiten er zullen worden uitgevoerd. Hierbij is rekening gehouden met de onderkende risico’s en de vastgestelde prioriteiten. In dit programma staat ook een overzicht van de financiering en de capaciteit.

Handhavingsverzoek

Een handhavingsverzoek is een verzoek aan de overheid om handhavend op te treden tegen de overtreding van een bestuursrechtelijke norm. Een handhavingsverzoek dient schriftelijk en gemotiveerd ingediend te worden en kan niet anoniem.

Hoogbouw

Bouwen hoger dan 35 meter of bouwwerken met meer dan 10 woonlagen.

Incidenteel toezicht

Toezicht naar aanleiding van handhavingsverzoeken, meldingen, klachten, calamiteiten of excessen. Deze vorm van toezicht wordt ook ‘passief toezicht’ genoemd, omdat alleen naar aanleiding van concrete signalen over een bepaalde situatie een controle wordt uitgevoerd. Met name laag geprioriteerde thema’s lenen zich goed voor deze vorm van toezicht.

Integraal toezicht

Hierbij trekken toezichthouders van verschillende taakvelden, vakgebieden of organisaties gezamenlijk op om een vergunning, object of inrichting te controleren. Integraal toezicht is geen zelfstandige toezichtvorm, maar wordt uitgevoerd naast een van bovengenoemde toezichtvormen. Deze vorm wordt toegepast uit oogpunt van kwaliteit van het toezicht, efficiency en klantvriendelijkheid.

Integrale handhaving

Het afstemmen en samenbrengen van handhavingsactiviteiten binnen verschillende taakvelden en/of organisaties.

Interventie

Actieve handeling om een geconstateerd probleem op te lossen.

Legalisatie (concreet zicht op)

Het vooruitzicht dat een overtreding binnen de geldende regels toegestaan kan worden. Voorwaarde is dat er door de overtreder concreet om gevraagd moet worden, bijvoorbeeld door het aanvragen van een Omgevingsvergunning.

LHSO (Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht)

Het doel van de landelijke handhavingsstrategie (LHSO) is dat de handhavende instanties zo uniform mogelijk de handhaving aanpakken, waarbij de LHSO zorgt voor een gelijk speelveld en het bestuursrecht en het strafrecht met elkaar verbindt.

De LHSO biedt een afwegingsinstrument om in concrete gevallen afgestemd, eenduidig, effectief en evenredig te kunnen interveniëren. De LHSO dient als hulpmiddel voor een effectieve en rechtmatige handhaving.

Legalisatietoets

Toets om na te gaan of legalisatie van een overtreding mogelijk is.

Motiveringsbeginsel

In de Algemene wet bestuursrecht vastgelegd beginsel dat besluiten goed gemotiveerd moeten zijn, feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn.

Nalevingstrategie

Bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd met welke instrumenten naleving wordt gerealiseerd en welke rol handhaving daarbinnen speelt. Een nalevingstrategie bevat in ieder geval een toezichtstrategie, een handhavingsstrategie en een gedoogstrategie.

Normadressaat

Natuurlijke of rechtspersoon voor wie een bepaalde norm of voorschrift geldt.

Omgevingsdiensten

Diensten van provincies en gemeenten voor de uitvoering van de VTH-taken. De Omgevingsdiensten werden eerder ook aangeduid als Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s).

Overtreding

Een afwijking van een rechtsregel, waarbij geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing (zie artikel 5:1 lid 1 Awb).

Periodiek toezicht

Periodiek toezicht op eenzelfde object naar aanleiding van doorlopende vergunningen of algemene regels (zoals horeca-inrichtingen of inrichtingen brandveilig gebruik).

De controlefrequentie is afhankelijk van de prioriteit en het naleefgedrag bij het betrokken object.

Preventiestrategie

De strategie is gericht om burgers en ondernemers spontaan wet- en regelgeving te laten naleven.

Preventieve handhaving

Handhaven wanneer een overtreding dreigt.

Privaatrechtelijke handhaving

Handhaven op grond van civiel recht in plaats van bestuurs- en/of strafrecht. Dit gebeurt bijvoorbeeld als het om eigendomsrecht gaat.

Programmatisch handhaven

Een structurele en integrale aanpak van de handhaving. Daarbij zijn prioriteiten gesteld en de handhavingsactiviteiten op elkaar afgestemd. Bij een programmatische aanpak worden beleid en uitvoering van beleid opgevolgd door evaluatie en bijsturen. Het bevoegd gezag stelt een dergelijk uitvoeringsprogramma jaarlijks vast.

Projectmatig /planmatig toezicht

Toezicht dat zich richt op een specifiek thema en een projectmatige aanpak vergt. Thema’s waarbij een groot aantal vergelijkbare overtredingen bekend zijn, lenen zich, uit oogpunt van effectiviteit, efficiency en gelijke behandeling goed voor deze vorm van toezicht.

Rechtsgelijkheid

Rechtsbeginsel dat bepaalt dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld en ongelijke verschillend naar de mate van het verschil.

Rechtvaardigingsgrond

Omstandigheid die de wederrechtelijkheid van een handeling bij nader inzien wegneemt. Mogelijke reden om uiteindelijk geen sanctie op te leggen.

Repressieve handhaving

Met repressie wordt bedoeld het herstellen van situaties die in strijd zijn met de geldende wet- en regelgeving of een verleende vergunning.

Rondes

Toezicht door middel van rondes (surveillance) in geografisch afgebakende gebieden (zoals wijken). Met name gedragsregels en niet plaatsgebonden handhavingsthema’s lenen zich goed voor deze vorm van toezicht (zoals jeugdgroepen, parkeren, afval, honden). Afhankelijk van de prioriteit van de handhavingsthema’s worden de hotspots juist meer of minder frequent aangedaan tijdens een ronde.

Sanctie

Straf of maatregel die wordt toegepast als rechtsregels worden overschreden.

Schulduitsluitingsgrond

Omstandigheid die de verwijtbaarheid van een handeling bij nader inzien wegneemt. Mogelijke reden om uiteindelijk geen sanctie op te leggen.

Signaaltoezicht

Indien een toezichthouder een (mogelijke) overtreding tegenkomt welke buiten zijn taakveld of bevoegdheden valt, wordt hiervan een signaal gegeven aan de toezichthouder of instantie die het onderwerp wel behandelt. Signaaltoezicht is geen zelfstandige toezichtvorm maar wordt uitgevoerd naast een van bovengenoemde toezichtvormen.

Strafrechtelijke handhaving

Strafrechtelijke handhaving betekent dat, na het instellen van een proces-verbaal, strafvervolging wordt ingesteld.

Strafuitsluitingsgrond

Er zijn twee categorieën strafuitsluitingsgronden: rechtvaardigheidsgronden en schulduitsluitingsgronden.

Toezicht op tijdelijke activiteiten

Kortlopende vergunningen tijdens de uitvoeringsfase (zoals sloop- of bouwactiviteiten of evenementen).

Afhankelijk van de prioriteit worden tijdens de uitvoeringsfase meerdere controles gedaan, wordt alleen een eindcontrole gedaan of wordt steekproefsgewijs een controle gedaan. Daarnaast is de diepgang van het toezicht afhankelijk van de prioriteit.

Toezicht

Het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd.

Toezichtacties

Toezicht waarbij gedurende een korte periode intensief toezicht wordt gehouden op een bepaald handhavingsthema, meestal gericht op een bepaalde doelgroep. Doel hiervan is de naleving een impuls te geven of extra onder de aandacht te brengen. Van dergelijke toezichtacties moet een sterk preventieve werking uitgaan. Met name gedragsregels binnen het beleidsveld openbare ruimte lenen zich goed voor deze vorm van toezicht.

Toezichthouder

Toezichthouders zijn ambtenaren die door of namens het college benoemd zijn om te controleren of de rechtsregels worden nageleefd. In hun functie als toezichthouder mogen deze ambtenaren elke plaats, met uitzondering van een woning, betreden. Indien noodzakelijk kunnen ze ook met bijzondere toestemming van de burgemeester een woning zonder toestemming van de bewoner betreden, zelfs tegen de wil van de eigenaar of bewoner (op grond van de Algemene wet op het binnentreden).

Toezichtstrategie

Bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is.

Voornemen last of voorwaarschuwing

Schriftelijke waarschuwing van het bevoegde gezag waarin wordt aangekondigd dat, vanwege een geconstateerde overtreding, het voornemens is een bestuursrechtelijke sanctie op te leggen.

In dit voornemen wordt een termijn gegeven waarbinnen de overtreder de gelegenheid krijgt om mondeling of schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen op de voorgenomen bestuursrechtelijke sanctie (artikel 4:8 Awb).

VT-Kwaliteitscriteria

Landelijke kwaliteitscriteria die inzichtelijk maken welke kwaliteit burgers, bedrijven en instellingen, maar ook overheden onderling en opdrachtgevers mogen verwachten bij de uitvoering of de invulling van taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken).

Wraken

Op schriftelijke wijze aangeven dat het bestuursorgaan zich het recht voorbehoudt om handhavend op te treden, maar daar niet per direct aan toe komt. Deze actie past komt overeen met de interventie aanspreken informeren uit de LHSO.

Zienswijze

(artikel 4:8 Awb e.v.)

De belanghebbenden kunnen hun visie geven op de vraag of er sprake is van een overtreding, of er goede redenen zijn handhaving (tijdelijk) achterwege te laten en op de vraag welke belangen daarmee gediend zouden zijn. Daarnaast kan gereageerd worden op voorgenomen dwangsombedragen en begunstigingstermijn voor zover deze bij het vragen van een zienswijze al bekend zijn. De zienswijze kan mondeling of schriftelijk worden ingediend bij het bevoegde gezag.

Bijlage 1b Afkortingen

Awb

Algemene wet bestuursrecht

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

Bkl

Besluit kwaliteitseisen leefomgeving

Bopa

Buitenplanse omgevingsplanactiviteiten

Bsb

Bestuurlijke strafbeschikking

LHS

Landelijke Handhavingsstrategie

Ob

Omgevingsbesluit

Opa

Binnenplanse omgevingsplanactiviteit

Or

Omgevingsregeling

Ow

Omgevingswet

Pv

Proces verbaal

RUD

Regionale Uitvoeringsdienst

Strafr.

strafrechtelijk

TOR

Toets overleg ruimte

VRU

Veiligheidsregio Utrecht

VTH

Vergunningverlening, toezicht en handhaving

Wet BRP

Wet basisregistratie personen

Wkb

Wet kwaliteitsborging

Bijlage 2 Prioriteitstelling handhaving

> Omgevingsrecht: basisprincipes prioriteitstelling

Hoge prioriteit:

actieve handhaving

Gemiddelde prioriteit:

gedeeltelijke of planmatige handhaving

Lage prioriteit:

passieve handhaving

Basisprincipe hoge prioriteit: actieve handhaving

Op elk object of op elke activiteit wordt toezicht gehouden. Dit geschiedt met een hoge controlefrequentie of –intensiteit. De handhavingsinspanning wordt zo snel mogelijk geleverd, dus met prioriteit opgepakt.

Basisprincipe gemiddelde prioriteit: gedeeltelijke of planmatige handhaving

De handhavingsinspanningen zijn minder frequent of minder intensief bij laag of middelhoog geprioriteerde onderwerpen dan bij de hoog geprioriteerde onderwerpen of vindt steekproefsgewijs plaats. Thema’s met een gemiddelde prioriteit kunnen planmatig en projectmatig worden opgepakt als daar capaciteit voor is.

Basisprincipe lage prioriteit: passieve handhaving

Op thema’s met een lage prioriteit vindt uitsluitend passieve handhaving plaats, bijvoorbeeld naar aanleiding van een handhavingsverzoek of de signalering van een excessieve situatie of het willens en wetens veroorzaken van een overtreding (bijv. na weigering van een vergunning). Hoewel er geen ambtshalve of planmatige handhaving plaats vindt, betekent een lage prioriteit dus niet dat er helemaal geen handhaving plaatsvindt op deze thema’s.

> Openbare ruimte en veiligheid: basisprincipes prioriteitstelling

Hoge prioriteit:

actieve handhaving met accent of met voorrang

Gemiddelde prioriteit:

actieve handhaving

Lage prioriteit:

passieve handhaving

Basisprincipe hoge prioriteit: actieve handhaving met accent of met voorrang

Aan thema’s met een hoge prioriteit wordt op structurele basis aandacht besteed èn op deze thema’s ligt bij de uitvoering van de taken altijd het accent. Hotspots worden intensief bezocht en meldingen worden direct opgepakt. Vergunningcontroles vinden frequent plaats en worden bij voorrang ingepland.

Basisprincipe gemiddelde prioriteit: actieve handhaving

Aan thema’s met een gemiddelde prioriteit wordt op structurele basis aandacht besteed, met name in dagelijkse rondes of planmatig. Maar steeds voor zover de inzet op hoog geprioriteerde onderwerpen dat toelaat.

Vergunningcontroles vinden –ten opzichte van hoog geprioriteerde thema’s- minder frequent of steekproefsgewijs plaats.

Basisprincipe lage prioriteit: passieve handhaving

Op thema’s met een lage prioriteit vindt uitsluitend passieve handhaving plaats, bijvoorbeeld na signalering van een exces. Van een excessieve situatie is bijvoorbeeld sprake als de gemeente tientallen klachten ontvangt over een situatie of als de veiligheid of andere risicofactoren in een bepaalde situatie zwaarder wegen, waardoor de handhavingsprioriteit toeneemt.

Projectmatige handhaving

Het handhavingsthema met betrekking tot bestaande bouw (thema brandveiligheid: hoogbouw vluchtroutes) is als gemiddeld geprioriteerd. Dit onderwerp behoeft maatwerk in de aanpak en wordt daarom projectmatig opgepakt. De eigenaren worden gevraagd om een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren en zo nodig een plan van aanpak op te stellen. Een en ander wordt uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma van het jaar waarin deze projecten worden ingepland. Een ander project dat wordt uitgevoerd, betreft de aanpak illegale bewoning recreatieparken.

Bijlage 2a Risicomatrix Omgevingsrecht, taakveld Bouwen

Kans

1sporadisch

5frequent

Fysieke veiligheid (korte termijn)

Gezondheid (lange termijn)

Kwaliteit leefomgeving / stedenbouwkundige kwaliteit

Landschap, erfgoed en natuur

Bestuurlijke gevoeligheid

Financieel-economisch

Gemiddeld negatief effect

X Kans

Risico

Prioriteit

H = >5,0

M = 3,5-4,9

L = <3,4

Taakveld bouwen

Veiligheid (constructief, brand en Bouwveiligheid: Publiek toegankelijke gebouwen

5

1

1

1

5

3

2,7

2

5,3

H

Veiligheid (constructief, brand en bouwveiligheid): Niet publiek toegankelijke gebouwen

5

1

1

1

4

3

2,5

2

5,0

H

Veiligheid (constructief, brand en bouwveiligheid): Overige / kleine verbouwingen

3

1

1

1

1

1

1,3

2

2,7

L

Veiligheid (constructief, brand en bouwveiligheid):Vergunningsvrije bouwwerken en bestaande bouw overig

2

1

1

1

1

1

1,2

2

2,3

L

Gezondheid, energie, bruikbaarheid:Publiek toegankelijke gebouwen

1

3

1

1

3

1

1,6

3

4,8

M

Gezondheid, energie, bruikbaarheid:Niet-publiek toegankelijke gebouwen

1

2

1

1

1

1

1,1

3

3,3

L

Gezondheid, energie, bruikbaarheid:Overige / kleine verbouwingen

1

2

1

1

1

1

1,2

2

2,3

L

Bestaande bouw:Constructieve veiligheid uitkragende balkons flats

3

1

1

1

2

2

1,7

3

5,0

H

Bestaande bouw:Brandveiligheid vluchtroute hoogbouw

3

1

1

1

2

2

1,7

3

5,0

H

Bestaande bouw

–Gebruik van RVS in zwembaden

5

1

1

1

4

2

2,3

2

4,7

M

Bouw- en sloopveiligheid,

afhankelijk van de risicomatrix als bedoeld in artikel 7.5c van het Bbl

Taakveld brandveilig gebruik

Zorgfuncties, dagverblijf kinderen en gehandicapten, logies, kamerverhuur, e.a.

4

1

1

1

5

2

2,3

3

7,0

H

scholen I.I. > 12 jr, grotere winkels, kantoren en fabrieken e.a.

4

1

1

1

3

2

2,0

3

6,0

H

Kleinere winkels, kantoren en fabrieken e.a.

2

1

1

1

2

2

1,5

3

4,5

M

Taakveld slopen

Slopen en sloopveiligheid: Asbest risicoklasse 1

1

2

1

1

1

1

1,2

2

2,3

L

Slopen en sloopveiligheid: zonder asbest

3

1

1

1

3

3

2,0

2

4,0

M

Bijlage 2b Risicomatrix taakvelden Ruimtelijke Ordening en overig (erfgoed, bomen, uitwegen, flora & fauna)

Kans

1sporadisch

5frequent

Fysieke veiligheid (korte termijn)

Gezondheid (lange termijn)

Kwaliteit leefomgeving / stedenbouwkundige kwaliteit

Landschap, erfgoed en natuur

Bestuurlijke gevoeligheid

Financieel-economisch

Gemiddeld negatief effect

X Kans

Risico

Prioriteit

H = >7,0

M=3,5-6,9

L=<3,4

Ruimtelijke ordening bebouwde kom

Illegaal wonen op bedrijventerreinen

2

3

1

1

3

2

2,0

2

4,0

M

Illegale woonsituaties overig

2

2

3

1

2

1

1,8

2

3,7

M

Illegale bedrijfsactiviteiten

2

2

4

1

1

2

2,0

3

6,0

M

Detailhandel in bedrijfsbestemming

1

1

3

1

3

2

1,8

2

3,7

M

Overig illegaal planologisch gebruik

1

1

2

1

1

1

1,2

3

3,5

M

Ruimtelijke ordening buitengebied

Illegale bedrijfsactiviteiten

2

2

4

1

1

2

2,0

2

6,0

M

Erfactiviteiten in agrarische bestemming

1

1

3

4

1

1

1,8

4

7,3

M

Illegale woonsituaties

2

2

3

1

2

1

1,8

2

3,7

M

Maisteelt in agrarische bestemming

1

1

1

4

1

1

1,5

2

3,0

L

Permanente bewoning recreatiewoningen

2

1

3

1

2

1

1,7

3

5,1

M

Overig illegaal planologisch gebruik

1

1

2

2

1

1

1,3

3

4,0

L

Overig: Erfgoed, bomen, uitwegen en flora & fauna

Activiteiten bij monumenten/ beschermde dorpsgezichten

1

1

3

4

2

1

2,0

2

4,0

M

Extra beschermde bomen

1

1

4

4

4

1

2,5

2

5,0

M

Overige bomen vergunningplichtig

1

1

2

2

1

1

1,3

2

2,7

L

Uitwegen

1

1

1

1

1

1

1,0

1

1,0

L

Flora & fauna

1

1

1

4

1

1

1,5

2

3,0

L

Bijlage 2c Risicomatrix beleidsveld Openbare ruimte en veiligheid

Risico

Prioriteit

Kans

1sporadisch

5frequent

Fysieke veiligheid (korte termijn)

Gezondheid (lange termijn)

Kwaliteit leefomgeving / stedenbouwkundige kwaliteit

Landschap, erfgoed en natuur

Bestuurlijke gevoeligheid

Financieel-economisch

Gemiddeld negatief effect

X Kans

H = >7,0

M=3,5-6,9

L=<3,4

Afval

Verkeerd aanbieden bij ondergrondse container

1

2

5

1

1

3

2,2

5

10,8

H

Afvaldump

3

3

3

3

1

3

2,7

2

5,3

M

Verkeer en veiligheid openbare weg

Parkeren

2

1

2

1

1

1

1,3

2

2,7

L

Obstakels op de weg

2

1

2

1

2

1

1,5

2

3,0

L

Stalling caravans, aanhangers e.d.

1

1

3

1

1

1

1,3

2

2,6

L

Verkeersveiligheid bij scholen

5

1

4

1

1

1

2,2

4

8,7

H

Horeca

Controle horecaregelgeving

3

4

2

1

3

3

2,7

5

13,3

H

Jeugd

Jeugdgroepen

3

3

2

1

5

2

2,7

5

13,3

H

Evenementen

A-evenementen

1

1

1

1

1

1

1,0

3

3,0

L

B-evenementen

2

1

2

1

3

1

1,7

3

5,0

M

C-evenementen

5

2

3

3

5

3

3,5

3

10,5

H

Natuur

Bos-/natuurtoezicht, incl. kamperen en open vuur

3

2

1

4

3

2

2,5

4

10,0

H

Honden

Bijtincidenten

3

2

1

4

3

1

2,3

3

7,0

H

Loslopende honden

2

1

1

3

3

1

1,8

3

5,5

M

Overtreding muilkorf- en kortaanlijngebod

4

1

1

1

4

1

2,0

2

4,0

M

Overig

Toezicht Digitaal Opkopers Register (Dor)

4

1

2

1

4

4

2,7

4

10,7

H

Illegale kap

1

1

3

2

2

1

1,7

2

3,3

L

Basisregistratie Personen

1

1

1

1

2

3

1,7

3

4,5

M

Bijlage 3 Lokale verordeningen en beleidsregels

Naast de beoordelingscriteria vanuit de Ow zijn er ook lokale verordeningen en beleidsregels, waarin beoordelingscriteria kunnen zijn opgenomen voor de aanvraag Omgevingsvergunning. Ook zijn er beleidsregels waarin regels zijn opgenomen over handhaving.

Belangrijke beleidsstukken en verordeningen zijn onder andere:

•Welstandsnota Soest

•Nota kapbeleid, Bomen de parels van Soest

•Erfgoedverordening Soest 2024

•Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Soest 2022

•Horecabeleid buitengebied 2019-2029, gemeente Soest

•Nota parkeernormen auto en fiets 4e herziening

•Huisvestingsverordening 2021 Soest

•Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest houdende regels omtrent de toepassing van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibobbeleid 2021 gemeente Soest) Landelijke richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid

•Uitvoeringsprogramma Landschap- en natuurontwikkelingsplan 2019-2024

Als de genoemde verordeningen, nota’s of beleidsregels worden aangepast of vervangen, is deze U&H-strategie mede van toepassing op de op dat moment in werking zijnde verordening, nota of beleidsregel.

Bijlage 4a Toezichtstrategie bouwen en ruimtelijke ordening

Nr.

Taakveld / thema’s

Toezichtvorm + verbijzondering

1

Handhavingsverzoeken (alle taakvelden)

Incidenteel toezicht

2

Bouwen, alle thema’s (taakveld Bouwen)

Toezicht op tijdelijke activiteiten + incidenteel

–Prioriteitstelling gedetailleerd uitgewerkt in de toezichtmatrix (BIJLAGE 4b)

3

Brandveilig gebruik, alle thema’s (taakveld Bouwen)

Periodiek toezicht

4

Bestaande bouw, alle thema’s (taakveld Bouwen)

Planmatig / projectmatig

5

Slopen, alle thema’s (taakveld Bouwen)

Toezicht op tijdelijke activiteiten + incidenteel

Toegepast worden:

1Asbestprotocol eigendom­men gemeente Soest;

2Aantreffen asbest in openbare ruimte en

3de opvolgers van deze protocollen.

6

Alle als gemiddeld geprioriteerde RO-thema's (taakveld RO):

–Kom: illegale bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein

–buitengebied: illegale bedrijfsactiviteiten

–buitengebied: illegale woonsituaties

–buitengebied: permanente bewoning recreatiewoningen

Planmatig / projectmatig

7

Bomenkap + Erfgoed (taakveld Overig)

Toezicht tijdelijke activiteiten + incidenteel

8

Laag geprioriteerde thema’s (taakvelden RO & Overig)

Incidenteel toezicht

Ad 1Handhavingsverzoeken, alle taakvelden

> Toezichtvorm: incidenteel toezicht

> Toelichting:

Eén van de minimumtaken van het bevoegde bestuursorgaan is het behandelen van handhavingsverzoeken. Op een handhavingsverzoek moet altijd een besluit volgen. Dit volgt onder andere uit de zogenoemde ‘beginselplicht tot handhaving’. Het toezicht vindt ‘incidenteel’ plaats’, nu de aanleiding is gelegen in de ontvangst van een handhavingsverzoek. Gelet op de wettelijke beslistermijn van acht weken (met de mogelijkheid om deze termijn eenmaal te verdagen), wordt zo snel als mogelijk na de ontvangst van het verzoek een controle uitgevoerd door een toezichthouder. Een besluit op een handhavingsverzoek kan ook een negatief besluit zijn. Als de overtreding laag geprioriteerd is, dan kan dat ook aanleiding geven tot het afwijzen van het handhavingsverzoek.

Ad 2Omgevingsvergunning bouwen, alle thema’s (taakveld Bouwen)

Toezichtvorm: toezicht op tijdelijke activiteiten

Toelichting:

Deze strategie is van toepassing op alle thema’s ‘omgevingsvergunning bouwen’ zoals weergegeven in Bijlage 2a Risicomatrix Omgevingsrecht, taakveld Bouwen. Het toezicht vindt plaats tijdens de uitvoeringsfase van de omgevingsvergunning. De toezichtvorm betreft daarom ‘toezicht op tijdelijke activiteiten’. Wanneer de uitvoering is afgerond, is ook het toezichtproces afgedaan. De vergunning wordt gereed gemeld en verdwijnt daarmee uit de werkvoorraad van de toezichthouder. Dit taakveld vergt veruit de meeste toezichtcapaciteit binnen het beleidsveld omgevingsrecht. De gemeentelijke handhavingsorganisatie kan dit aanbod niet beïnvloeden.

Integraal toezicht

Ten aanzien van een aantal bouwwerkcategorieën wordt op structurele basis integraal toezicht gehouden. Tijdens de bouwfase waar bijvoorbeeld brandveiligheidsvoorschriften kunnen worden gecontroleerd, worden integrale controles uitgevoerd door een gemeentelijke bouwtoezichthouder en een toezichthouder van VRU.

Incidenteel toezicht op vergunningsvrij bouwen en bestaande bouw

Op vergunningsvrije bouwwerken wordt uitsluitend toezicht gehouden op de bouwtechnische voorschriften, als klachten of handhavingsverzoeken daartoe aanleiding geven. Dit toezicht vindt dan plaats conform de toezichtmatrix. Ten aanzien van bestaande bouw geldt hetzelfde, met uitzondering van de specifiek geprioriteerde handhavingsthema’s ‘bestaande bouw’. Deze worden projectmatig aangepakt (zie hieronder ad. 4)

Ad 3Brandveilig gebruik, alle thema’s (taakveld Bouwen)

Toezichtvorm: periodiek toezicht

Toelichting:

De vorm van toezicht is ‘cyclisch toezicht’, omdat het thema doorlopende vergunningen brandveilig gebruik of meldingen brandveilig gebruik betreffen. Richtinggevend voor de controlefrequentie is de prioriteitstelling zoals weergegeven in Bijlage 2a Risicomatrix Omgevingsrecht, taakveld Bouwen. Zo vindt het toezicht op gebouwen waar minder zelfredzame personen verblijven (kinderopvang, verzorgingstehuizen) en logiesfuncties (hotels) met een hogere frequentie plaats dan het toezicht op bijvoorbeeld kamerverhuur (prioriteit gemiddeld). Toezichtfrequenties zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 2.

Ad 4Bestaande bouw, alle thema’s (taakveld Bouwen)

> Toezicht vorm: projectmatig toezicht

> Toelichting:

Het handhavingsthema met betrekking tot bestaande bouw (thema brandveiligheid: hoogbouw vluchtroutes) is als gemiddeld geprioriteerd. Dit onderwerp behoeft maatwerk in de aanpak en wordt daarom projectmatig opgepakt. De eigenaren worden gevraagd om een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren en zo nodig een plan van aanpak op te stellen.

Ad 5Slopen en sloopveiligheid, alle thema’s (taakveld Bouwen)

> Toezicht vorm: toezicht op tijdelijke activiteiten + incidenteel toezicht

> Toelichting:

Deze strategie is van toepassing op alle thema’s betreffende slopen en sloopveiligheid (taakveld Bouwen. Het toezicht vindt plaats tijdens de uitvoeringsfase van de (gedeeltelijke) sloop van een bouwwerk of de sloop van onderdelen van een bouwwerk (toezicht op tijdelijke activiteiten). Wanneer de uitvoering is afgerond, is ook het toezichtproces afgedaan. De melding wordt gereed gemeld en verdwijnt daarmee uit de werkvoorraad van de toezichthouder.

De sloopmeldingen worden steekproefsgewijs gecontroleerd. Het controlepercentage is afhankelijk van de aan de overtreding toegekende prioriteit in Bijlage 2.

Ad 6Alle RO-thema’s met gemiddelde prioriteit (taakveld Ruimtelijke Ordening)

> Toezicht vorm: projectmatig toezicht

> Toelichting:

Binnen het taakveld ruimtelijke ordening zijn hoofdzakelijk overtredingen met een gemiddelde prioriteit in beeld. Voor deze thema’s is een fors aantal (vermeende) strijdige situaties in beeld. Deze thema’s vergen daarom een projectmatige en planmatige aanpak. In het uitvoeringsprogramma wordt ingepland welk thema of welke thema’s voor het daar opvolgende jaar wordt / worden aangepakt. Ook de wijze van aanpak wordt verder uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma. Deze strategie sluit aan op de wens van het gemeentebestuur om op RO-vlak meer thematisch en projectmatig te handhaven.

Ad 7Als laag geprioriteerde RO-thema’s en Overige thema’s (taakvelden Ruimtelijke Ordening & Overig)

> Toezicht vorm: Incidenteel toezicht

> Toelichting:

Op laag geprioriteerde thema’s (waaronder vergunningsvrij bouwen) wordt uitsluitend toezicht gehouden naar aanleiding van handhavingsverzoeken of meldingen over excessieve situaties (piepsysteem). Het komt vooral aan op de eigen verantwoordelijkheid van inwoners en bedrijven om regelgeving na te leven. Dit past binnen het algemene beleidsuitgangspunt dat handhaving een gedeelde verantwoordelijkheid is van de gemeente en haar normadressanten. Er vindt geen ambtshalve of planmatig toezicht plaats op deze thema’s.

Bijlage 4b Toezichtstrategie bouwkwaliteit

In de Toetsmatrix is vastgelegd met welke intensiteit een bouwplan getoetst wordt aan wet- en regelgeving. Hierdoor wordt weloverwogen en herleidbaar aangegeven welke toets-aspecten aandacht verdienen en hoeveel aandacht de verschillende toets-aspecten krijgen.

De bouwwerkcategorieën

Om het risico van een bouwwerk/gebouw te bepalen worden drie bouwwerkcategorieën onderscheiden, te weten A tot en met C. Waarbij bouwwerkcategorie A de meest complexe en meest risicovolle is en bouwwerkcategorie C de minste.

Bouwwerkcategorie A: Verzorgings-, verpleeg- en ziekenhuis, kinderdagverblijf/peuterspeelzaal, school, hotel, theater/bioscoop, discotheek, winkelcentrum, galerijflat, kantoor- of sportcomplex.

Bouwwerkcategorie B: Seriematige woningbouw, recreatiewoningen, woonwagen, winkel, restaurant/café, strandpaviljoen, parkeergarage, sportschool, verenigingsgebouw/clubhuis.

Bouwwerkcategorie C: uitbouw/aanbouw, dakkapel, nokverhoging, garage, balkon-/galerijafscheiding, erfafscheiding, geluidswand, reclame-uitingen.

De toetsniveaus

Hieronder volgt een definitie van de verschillende toetsniveaus. De diepgang van de toets kan variëren van geen toets tot volledig toetsen. Elk volgend toetsniveau is een aanvulling op het vorige.

Niveau 0: Niet beoordelen of aan een voorschrift wordt voldaan

Niveau 0 is het niet beoordelen of aan de voorschriften van het Bbl wordt voldaan. Voor wat betreft de toets beperkt de controle zich tot de aangeleverde stukken.

Niveau 1: Globale uitgangspuntentoets (betrouwbaarheidstoets)

Bij toetsniveau 1 wordt gecontroleerd of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven. De toetser beoordeelt deze globaal.

Niveau 2: Visueel toetsen (hoofdlijnentoets)

Bij toetsniveau 2 worden van de aspecten de uitgangspunten gecontroleerd en bekeken wordt of de uitkomsten realistisch zijn voor het gekozen ontwerp. De tekeningen worden opengeslagen en globaal wordt gekeken of het ontwerp voldoet aan de gestelde uitgangspunten. Is een uitkomst niet aannemelijk, dan zal de berekening altijd nagerekend moeten worden of moet verzocht worden om aanvullende gegevens.

Niveau 3: Representatief toetsen

Bij niveau 3 vindt een toetsing plaats overeenkomstig niveau 2. Aanvullend worden nu de belangrijkste berekeningen gecontroleerd dan wel nagerekend. Vanuit deze toets wordt vanuit vakmanschap in combinatie met de visuele toets bepaald welk onderdeel representatief is voor het gehele aspect en dit onderdeel wordt inhoudelijk getoetst. Voorschriften met betrekking tot veiligheid en gezondheid worden getoetst als het gaat om kwetsbare groepen, zoals niet zelfredzame mensen en kinderen jonger dan 4 jaar.

Niveau 4: Integraal toetsen (volledige toets)

Dit is een totale toets. Alle berekeningen worden nagerekend en van alle gegevens wordt gecontroleerd of er voldaan wordt aan de eisen.

De Toets- en Toezichtmatrix Gemeente Soest

Het toezicht op bouwactiviteiten naar aanleiding van de verleende omgevingsvergunningen vindt plaats aan de hand van de toezichtmatrix, zoals opgenomen de ‘toets- en toezichtmatrix bouwen, gemeente Soest 2024. In de matrix is voor verschillende bouwwerkcategorieën het toezichtniveau (frequentie en diepgang) vastgesteld.

Wat betreft de bouwwerkcategorieën is in matrix aangesloten bij de categorisering van het inmiddels vervallen Bouwbesluit 2012. In verband daarmee hebben wij in een transponeringstabel in dit beleid opgenomen. In Bouwbesluit 2012 wordt uitgegaan van 19 ‘functies’. In de prioriteitstelling zijn deze functies kortheidshalve samengevoegd tot drie categorieën, te weten ‘publiek toegankelijke gebouwen’, ‘niet publiek toegankelijke gebouwen’ en de restcategorie ‘overige / kleine bouwwerken en verbouwingen’. Onder publiek toegankelijke gebouwen worden verstaan onder andere de bijeenkomstfuncties (zoals kinderopvang), onderwijsfuncties en gestapelde woningen. Onder niet-publiek toegankelijk gebouwen worden bijvoorbeeld verstaan de grondgebonden woonfuncties.

Voor de verschillende bouwwerkcategorieën is per onderdeel van het bouwbesluit het toezichtniveau vastgesteld. Hieronder is weergegeven welke niveaus worden onderscheiden en met welke prioriteit deze grofweg corresponderen.

Toezichtniveaus matrix

Correspondeert met prioriteit

1) Visuele controle

Laag

2) Beoordeling van hoofdlijnen en hoofdaspecten

Gemiddeld

3) Beoordeling van hoofdlijnen en enkele kenmerkende details

Hoog

4) Algehele controle van alle onderdelen

Hoog

Uit de matrix volgt bijvoorbeeld een hoge prioriteit voor toezicht op de naleving van veiligheidsvoorschriften (constructieve veiligheid, brandveiligheid) ten aanzien van publiek toegankelijke bouwwerken, zoals kinderdagverblijven, winkels en verpleeghuizen. Op bouwwerken waar veel personen komen, wordt uitgebreider toezicht gehouden dan bij objecten waar niet of nauwelijks mensen komen. Dit onderscheid ziet met name op de (fysieke) veiligheid. Daar waar nauwelijks mensen komen is de kans op ongelukken of fysiek letsel op grote schaal immers veel kleiner.

Afstemming toets (vooraf) en toezicht (achteraf)

De prioriteitstelling bij de bouwplantoetsing en de prioriteitstelling bij het bouwtoezicht zijn integraal tot stand gekomen. Op die onderdelen waaraan een bouwplan intensiever wordt getoetst, wordt ook intensiever toezicht gehouden. In vervolg daarop is ook een integrale matrix opgesteld. Deze biedt in één oogopslag duidelijkheid over het gewenste toets- én toezichtniveau per categorie bouwwerk en per onderdeel van het Bbl. Op deze wijze vormt de matrix een eenduidige leidraad voor zowel de toetsing van bouwplannen (preventief) als het toezicht op diezelfde bouwplannen (repressief).

Bijlage 4c Toezichtstrategieën Openbare ruimte en veiligheid

In bijlage 2c is de Risicomatrix opgenomen voor het beleidsveld Openbare ruimte en veiligheid. In deze matrix is aan de hand van het risico een prioriteit toegekend. In zijn algemeenheid geldt dat hoe hoger de prioriteit is des te groter de inzet op toezicht plaatsvindt. Op genoemde onderwerpen in de matrix wordt in beginsel toezicht uitgevoerd door de boa’s. Ook voeren de boa’s incidenteel toezicht uit in het kader van de Ow. Op aanvraag van Burgerzaken voeren zij adrescontroles uit in het kader van onderzoek Wet BRP. Toezichthouders van de team Realisatie (van aandachtsgebied Ruimte) voeren toezicht uit op de gebieden illegale kap en overhangend groen.

Basisstrategie toezicht Openbare ruimte en veiligheid

Primaire toezichtvorm: Rondes

o Met voorrang of accent op hoog geprioriteerde thema’s

o Daarnaast de gemiddeld geprioriteerde thema’s en de actualiteiten

Het toezicht in de openbare ruimte gaat vooral over thema’s die niet inrichtingsgebonden zijn. De primaire toezichtstrategie voor het beleidsveld Openbare ruimte en veiligheid is dan ook dat het toezicht plaats vindt door middel van ‘rondes’ (surveillance). Het houden van rondes is de primaire daginvulling van de boa. Te meer omdat rondes zorgen voor blauw op straat. Daar gaat een belangrijke preventieve werking vanuit. De rondes vinden wijkgericht of themagericht plaats.

Zoals al eerder genoemd is het basisprincipe van de prioriteitstelling dat hoe hoger een thema is geprioriteerd, hoe frequenter of intensiever de handhavingsinspanningen zijn voor dat thema. Hieraan wordt invulling gegeven door tijdens de (wijkgerichte) rondes het accent op hoog geprioriteerde thema’s te leggen of door het houden van themagerichte rondes, zoals een ronde die specifiek gericht is op verkeersveiligheid rond basisscholen, of een ronde op vrijdagavond die specifiek gericht is op de hotspots jeugdoverlast.

Het accent van de dagelijkse rondes ligt dus op hoog geprioriteerde thema’s. Daarnaast worden de actualiteiten meegenomen:

–Gemiddelde prioriteit thema’s: aan de hand van hotspots, zoals hotspots foutparkeren, hotspots hondenoverlast etc.

–Binnengekomen meldingen/klachten worden opgepakt en afgehandeld op basis van de prioriteit die toegekend is aan het thema waarop de klachten/meldingen betrekking hebben.

–Toezicht op tijdelijke activiteiten: controle op verleende vergunningen of ontheffingen, zoals een obstakelvergunning of terrasvergunning.

–Incidenteel toezicht: klachten / signalen ten aanzien van laag geprioriteerde thema’s.

Andere toezichtvormen naar gelang de aard van het thema:

o Periodiek toezicht

o Toezicht op tijdelijke activiteiten (al dan niet gecombineerd in ronde)

o Toezichtacties

Naast rondes worden andere toezichtvormen toegepast, afhankelijk van de aard van het handhavingsthema.

–Periodiek toezicht: op inrichtingsgebonden thema’s, zoals horecathema’s of het Digitaal Opkopers Register.

–Toezicht op evenementen.

–Toezichtacties: ten behoeve van thema’s met bepaalde doelgroepen.

> Incidenteel toezicht op laaggeprioriteerde thema’s (al dan niet gecombineerd in ronde) Daarnaast zijn er laag geprioriteerde thema’s. Hierop vindt alleen passieve handhaving plaats. Excessieve situaties worden vanwege de mogelijke hinder of gevaarzetting bij voorrang opgepakt.

Verbijzondering geprioriteerde thema’s

Verbijzondering thema ‘Jeugdgroepen’

Het toezicht op jeugdgroepen vindt plaats in rondes. Daarbij worden hotspots bezocht op tijdstippen dat de groepen actief zijn. De locaties wisselen alsook de samenstelling van de groepen, zodat ook de inzet per periode zal verschillen. Het gemeentelijk beleid is gericht op een integrale groepsaanpak, waarbij jongerenwerk een prominente rol speelt. De andere handhavingspartners zijn politie, jeugdzorg en onderwijs. De boa’s vormen dus één van de schakels in de keten. Hun rol is gelegen in het tijdens de rondes aanspreken van jongeren op hun gedrag en het doorgeven van signalen aan de ketenpartners.

Verbijzondering thema ‘A-evenementen’ : integraal toezicht

De risicovolle evenementen (inclusief zwaar belastende evenementen) zijn hoog geprioriteerd. Dit betekent dat op elk evenement toezichtcapaciteit wordt ingepland (ieder evenement wordt bezocht). Van groot belang bij deze evenementen is integraal toezicht. Alle toezichtactiviteiten van de relevante handhavingspartners worden op elkaar afgestemd.

Ketenpartners

Ketenpartners bij de uitvoering van integraal toezicht zijn in elk geval: bouwtoezicht (constructies en asbest), VRU (brandveilig gebruik, brandveiligheid installaties), politie (openbare orde) en RUD (geluid).

Bijlage 4d Toezichtstrategie Alcoholwet

Het toezicht op de Alcoholwet is inrichtingsgebonden. Het toezicht vindt dan ook ‘periodiek’ plaats. Onderscheid wordt gemaakt tussen de reguliere horeca (vergunningplichtig), de paracommerciële horeca (vergunningplichtig), de slijterijen (vergunningplichtig), bedrijven zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Alcoholwet (bijvoorbeeld supermarkten), evenementenontheffingen en ontheffing van de schenktijden. In het ‘Preventie- en handhavingsplan Alcoholwet gemeente Soest’ is het handhavingsbeleid opgenomen ten aanzien van dit thema. Wat betreft het toezicht ligt het accent op de basiscontroles (algehele controle van al dan niet vergunningplichtige verkooppunten) en de leeftijdsgrenzencontroles (controle op de verstrekking van drank aan jongeren onder de 18 jaar). Het beleid maakt wat betreft de gewenste controlefrequentie onderscheid tussen hoge risico- en lage risicoverkooppunten. De toezichtstrategie Alcoholwet uit voornoemd beleidsplan is opgenomen in bijlage 8. De scope van de basiscontroles is breder dan de Alcoholwet; de betreffende toezichthouder betrekt bij een basiscontrole alle horeca gerelateerde thema’s die op de betreffende inrichting van toepassing zijn bij de controle, zoals de exploitatievergunning (APV), de aanwezigheidsvergunning en de terrasvergunning. Zo nodig wordt de controle uitgevoerd met een ketenpartner, bijvoorbeeld met VRU (brandveilig gebruik) of een bouwtoezichthouder (in het geval een nieuwe Alcoholwetvergunning is verleend).

Bijlage 5 Sanctiestrategie

Met een passende interventie wordt een ingreep beoogd die gericht is op het herstel van de rechtmatige toestand en het voorkomen van herhaling van overtredingen. Deze ingreep vindt plaats op basis van verzamelde feiten en op een beoordeling van de aard en ernst van de overtreding. De omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd kan daarbij een rol spelen. De ingreep dient zo goed en zo snel als mogelijk te zijn om te leiden tot een spoedig herstel van de rechtmatige toestand.

Om in het omgevingsrecht tot een passende interventie te komen, zijn de volgende twee hoofdvragen leidend:

Inzake herstel

1aIs herstel mogelijk? Zo ja, dan is in elk geval bestuursrechtelijk optreden aangewezen en is de vervolgvraag:

1bWelke bestuursrechtelijke interventie is in dit geval het meest geschikt?

Inzake bestraffing

2aIs er aanleiding voor bestraffing? Zo ja, dan is de vervolgvraag:

2bWelke weg (bestuursrechtelijk of strafrechtelijk) is het meest passend?

Ad 1a en 1b inzake herstel

Centrale doelstelling van het omgevingsrecht is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit betekent dat bij de handhaving van het omgevingsrecht herstel van de rechtmatige toestand altijd het eerste doel moet zijn, indien herstel uiteraard mogelijk is. Herstel wordt hier ruim opgevat: het beëindigen van de overtreding, het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding en/of het voorkomen van herhaling van de overtreding. Het aansturen op herstel ligt primair op de weg van het bevoegd gezag, dat zo nodig namelijk een herstelsanctie (last onder bestuursdwang of last onder dwangsom) kan opleggen en effectueren. Dit volgt ook uit de beginselplicht tot handhaving. Welke bestuurlijke interventie het meest passend is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en ernst van de overtreding, kenmerken van de overtreder en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd of ontstaan. De keuze vindt plaats aan de hand van het stappenplan en de interventiematrix

Ad 2a en 2b inzake bestraffing

In het kader van integrale handhaving moet steeds worden beoordeeld of er aanleiding is om de overtreder te bestraffen. Redenen voor bestraffing worden ontleend aan de feiten en omstandigheden rond de overtreding, de overtreder of een combinatie daarvan. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de overtreder al eerder in de fout is gegaan (recidive) of dat de overtreder de overtreding calculerend of welbewust heeft gepleegd.

Ook de ernst van de overtreding, het genoten economisch voordeel, het belang van ontmoediging etc. kunnen dergelijke redenen vormen.

Stap 1: positionering van de bevindingen in de basisinterventiematrix

De handhaver (iedere toezichthouder, opsporingsambtenaar, handhavingsjurist) bepaalt in welk segment van de in figuur 1 opgenomen matrix (de basisinterventiematrix) hij zijn bevindingen positioneert door (1) het beoordelen van de gevolgen van de overtreding voor de fysieke leefomgeving, zoals milieu, erfgoed, natuur, water, ruimtelijke ordening, veiligheid, gezondheid e.d., en (2) het typeren van de (vermeende) overtreder.

Ad 1 Typering van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving

De handhaver beoordeelt de gevolgen van de geconstateerde overtreding voor de fysieke leefomgeving als:

1(vrijwel) nihil; of

2beperkt; of

3van belang; of

4aanzienlijk en/of onomkeerbaar.

Onder gevolgen worden ook dreigende gevolgen verstaan, dat wil zeggen als de overtreding (mogelijk) leidt tot (bij categorie 3 en 4: aanmerkelijke) nadelige gevolgen van belang (of het risico daarop) voor de fysieke leefomgeving, zoals hinder, schade aan beschermde waarden (zoals milieu, natuur of erfgoed), verontreiniging, zieken, gewonden of doden (mens, plant en dier). Ook kunnen daaronder de gevolgen van een overtreding worden verstaan die de mogelijkheden van controle beperken of onmogelijk maken, en de gevolgen of verstorende effecten die de overtreding heeft of kan hebben voor het gezag van de overheid of voor het systeem van ordening- of normering van de betrokken bedrijfstak als zodanig. Bij gevolgen is sprake van een glijdende schaal en het verschilt per (type) overtreding wat de gevolgen kunnen zijn en hoe ernstig die kunnen zijn. In zijn algemeenheid gaat het bij categorie 1 en 2 om lichte overtredingen. Het onderscheid tussen gevolgen van belang (categorie 3) en aanzienlijke gevolgen (categorie 4) zit vooral in de ernst en omvang van de (dreigende) schade. Schade van enige omvang die onomkeerbaar is, wordt in beginsel ingedeeld in categorie 4.

De handhaver baseert zijn kwalificatie van de gevolgen op de bevindingen van het toezicht. Als duidelijk is dat de overtreding nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of kan hebben maar de precieze omgeving daarvan nog niet kan worden vastgesteld, hanteert hij als uitgangspunt dat er gevolgen van belang zijn.

Ad 2 Typering van (het gedrag van) de overtreder De handhaver typeert de overtreder aan de hand van zijn gedrag als:

A. Goedwillend (indien de overtreder proactief is, geneigd is om de regels te volgen en/of de overtreding het gevolg is van onbedoeld handelen); of

B. Neutraal/onverschillig (indien de overtreder passief of reactief is, een houding van ‘moet kunnen’ heeft en/of de bevinding en de gevolgen van zijn handelen hem koud laten); of

C. Calculerend/opportunistisch (indien de overtreder wist of moest weten wat de gevolgen van de bevinding zouden zijn en die op de koop toe neemt, alleen tot normconform gedrag overgaat indien de toezichthouder daar uitdrukkelijk op wijst (of daarvoor een sanctie laat opleggen of oplegt), bewust risico(’s) op overtreding neemt); of

D. Notoir/crimineel (indien de overtreder bewust en structureel de regels overtreedt, controle bewust belemmert, criminele activiteiten ontplooit en/of deel uitmaakt van een criminele organisatie, sprake is van fraude, oplichting of witwassen).

Van professionele marktpartijen en ervaren personen of bedrijven mag worden verwacht dat zij de regels kennen en streven naar de naleving daarvan. En voor de overheid als overtreder geldt hier dat voor de kennis over en de naleving van regels gelet op haar voorbeeldfunctie strenge maatstaven gelden.

De handhaver baseert de typering op de bevinding van het toezicht en neemt daarbij het gedrag van de overtreder en de toezicht- en handhavingshistorie mee in de beschouwing. De typering van de overtreder moet objectief en controleerbaar zijn en mag niet zijn gebaseerd op ‘onderbuikgevoelens’.

Als de handhaver niet in staat is om de overtreder te typeren, dan is typering A het uitgangspunt bij overtredingen waarvan de gevolgen vrijwel nihil zijn (categorie 1) en typering B het uitgangspunt bij overtredingen met beperkte gevolgen, gevolgen van belang of aanzienlijke/onomkeerbare gevolgen (categorie 2, 3 en 4).

Stap 2: bepalen van de verzwarende aspecten die aanleiding kunnen geven voor een ingrijpender herstelsanctie of voor strafrechtelijk onderzoek of bestraffing

De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die aanleiding geven voor een meer ingrijpende op herstel gerichte interventie of voor bestraffing. Bij de op herstel gerichte interventie hangen de verzwarende aspecten samen met de mate waarin er op feiten en omstandigheden gebaseerd vertrouwen is dat de overtreder terugkeer naar normconformiteit nastreeft en herstel. Dat vertrouwen is bijvoorbeeld geschonden wanneer er sprake is van recidive. (hoofdvragen 1a en 1b)

De handhaver bepaalt of er aspecten zijn die aanleiding geven voor bestraffing (hoofdvraag 2a), hetzij, - indien wettelijk mogelijk - met een bestuursrechtelijke bestraffing (bestuurlijke boete), hetzij met een strafrechtelijke bestraffing (strafbeschikking of strafvervolging). Hieronder valt ook de beslissing dat (nader) strafrechtelijk onderzoek aangewezen lijkt. De uitkomst van beantwoording van de hiervoor beschreven twee hoofdvragen (herstel of bestraffing) kan in veel gevallen zijn dat met herstel kan worden volstaan. Bij sommige aspecten is sowieso strafrechtelijke handhaving geïndiceerd.

In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor de soort bestraffing afhankelijk is van de wens van de wetgever in het betrokken domein. De wens van de wetgever over de keuze tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing loopt per domein of zelfs per (soort) overtreding uiteen. Zoals hiervoor is toegelicht, zal de doeltreffendheid bij de bestuursrechtelijke handhaving met bestraffende sancties meer gewicht hebben, en afschrikwekkendheid meer bij de strafrechtelijke handhaving.

De scherpte van de sancties in het strafrecht en de kracht van de strafprocesrechtelijke bevoegdheden en methoden voor waarheidsvinding onderscheiden zich van bestuursrechtelijke handhaving. Dit zijn factoren die bij de keuze tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke bestraffing en bij de daarover te maken afspraken in zijn algemeenheid een rol zullen (moeten) spelen.

De volgende aspecten worden in elk geval meegewogen bij de keuze voor strafrechtelijke bestraffing:

A. Onomkeerbare gevolgen/geen herstelsanctie mogelijk:

de overtreding heeft nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving die niet (meer) kunnen worden weggenomen, zoals onherstelbare milieuschade, of de normadressaat heeft het anderszins niet (meer) in zijn macht om de rechtmatige toestand te herstellen. Hoe groter en/of ernstiger de schade, hoe eerder strafrechtelijke handhaving is geïndiceerd. Een overtreding met onomkeerbare gevolgen zal overigens veelal al meteen bij het indelen in de basisinterventiematrix (stap 1) in de zwaardere interventiecategorie vallen.

B. Recidive: de normadressaat was al eerder in de fout gegaan en eerdere herstelsancties en/of een bestuurlijke boete hadden een onvoldoende preventief effect. Omdat het hier een beleidsmatige afweging betreft, zijn (algemene of domeinspecifieke) afspraken mogelijk over wat onder recidive wordt verstaan: herhaling van dezelfde overtreding, van eenzelfde type overtreding (en wat dat dan is) of van een overtreding in het betrokken domein – en alles daartussen.

Bij het bepalen van recidive worden ook overtredingen meegenomen uit andere regio’s, ook overtredingen uit aangrenzende landen of het verdere buitenland kunnen worden meegenomen.

C. Verkregen financieel voordeel (winst of besparing): de normadressaat heeft door zijn handelen of nalaten financieel voordeel behaald en/of het behalen van financieel voordeel was het doel. Als het voordeel (substantieel) hoger is dan de maximale bestuurlijke boete die voor het betrokken feit kan worden opgelegd of als er helemaal geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd, is strafrechtelijke handhaving aangewezen.

D. Combinatie met andere relevante strafbare feiten: de normadressaat heeft andere strafbare feiten gepleegd om de in het omgevingsrecht geconstateerde overtreding te verhullen, zoals valsheid in geschrifte of omkoping, of de geconstateerde overtreding is gepleegd in het kader van andere strafbare feiten, zoals witwassen. Een zeer belangrijke indicator is ook het vermoeden van het bestaan van een criminele organisatie.

E. Medewerking van malafide deskundigen (“facilitators”): De normadressaat is bij zijn handelen ondersteund door malafide deskundigen, zoals malafide vergunningverlenende of certificerende instellingen, keuringsinstanties en brancheorganisaties. Het gaat hier om de inschakeling van ‘facilitators’, dat wil zeggen sleutelfiguren in een branche die niet-naleving bewust faciliteren. Het ligt voor de hand dat het strafrecht zich in het bijzonder juist op deze facilitators zal richten. Loyale samenwerking tussen het OM en het bestuur is hier van groot belang alleen al gelet op de taken en bevoegdheden van het bestuur bij het verlenen en intrekken van vergunningen, certificaten en dergelijke.

F. Waarheidsvinding: soms is strafrechtelijke handhaving aangewezen vanwege de mogelijkheid van het toepassen van opsporingsbevoegdheden waarover de bestuurlijke organisaties niet beschikken. Strikt genomen gaat het hier niet om een verzwarende omstandigheid maar om de inzet van onderzoeksbevoegdheden die alleen in het strafrecht voorhanden zijn. Die bevoegdheden kunnen veelal alleen worden ingezet bij zwaardere feiten.

G. Normbevestiging: het strafrecht is het meest indringende corrigerende systeem. Juist door zijn expressieve kracht is het bij uitstek geschikt om het belang van regels en de ernst van niet-naleving te agenderen bij politiek, publiek en branche.

Stap 3: optreden aan de hand van de algemene of domeinspecifieke interventiematrix

De LHSO heeft als uitgangspunt om de meest effectieve interventie in te zetten. Dat betekent in veel gevallen dat kan worden volstaan met een lichte interventie. In andere gevallen brengt de situatie mee dat zo’n lichte interventie geen recht doet, en moet een zwaardere, meer ingrijpende interventie worden gekozen. Per situatie wordt deze ‘interventieladder’ beoordeeld met de vraag wat de meest effectieve interventie is in het concrete geval. Daarbij speelt ook het maatschappelijk draagvlak voor handhaving een belangrijke rol. Zo zal bij een goedwillende overtreder die een lichte overtreding zonder nadelige gevolgen heeft gepleegd (positionering in segment A1) in eerste instantie kunnen worden volstaan met aanspreken, informeren of waarschuwen. Moet die overtreder (beperkte) maatregelen treffen om de overtreding op te heffen en laat hij dat na of gaat hij anderszins weer in de fout, dan wordt opgeschaald naar bijvoorbeeld het opleggen van een herstelsanctie of een bestuurlijke boete.

De handhaver gebruikt bij stap 4 de algemene of, indien beschikbaar en van toepassing, de domeinspecifieke interventiematrix. Dit werkt als volgt:

1De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van de toepasselijke interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 in de hierna opgenomen basisinterventiematrix heeft gepositioneerd.

2De handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de bij het betreffende segment behorende interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(s) in de betreffende situatie passender is. Daarbij maakt hij gebruik van zijn bevindingen bij stap 2.

3De handhaver zet de betreffende (combinatie van) interventie(s) in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de handhaver bepaalde termijn uitblijft, pakt de handhaver direct door via het inzetten van een zwaardere (combinatie van) interventie(s).

Maatvoering (termijnen)

In algemene zin geldt voor het stellen van termijnen het volgende:

•Gedragsvoorschriften dienen direct in acht te worden genomen. Hiervoor moet geen of hooguit een zeer korte termijn te worden gesteld om de overtreding te beëindigen en/of herhaling ervan te voorkomen.

In alle andere gevallen, waaronder ook situaties waarin voor het treffen van herstelmaatregelen (al dan niet aanzienlijke) investeringen moeten worden gedaan, geldt: hoe urgenter de situatie des te korter de termijn. De termijn moet altijd worden afgestemd op de tijd die redelijkerwijs nodig is om de benodigde herstelmaatregelen te treffen, dus rekening houdend met de technische en organisatorische uitvoerbaarheid.

De (mogelijke gevolgen)

Interventiematrix

4Aanzienlijk en/of onomkeerbaar

Strafrecht(indien mogelijk)/Pv

Strafrecht

Bsb (indien mogelijk)/Pv

Strafrecht

Bsb (indien mogelijk)/Pv/

nader strafr. onderzoek

Strafrecht

Pv/nader strafr. onderzoek

Bestuursrecht bestraffend

Bestuurlijke boete (indien mogelijk)

Bestuursrecht

bestraffend

Bestuurlijke boete (indien mogelijk)

Bestuursrecht bestraffend

Bestuurlijke boete (indien mogelijk)

Bestuursrecht ingrijpend

Exploitatieverbod/sluiting

Schorsen/intrekken

vergunning, erkenning of

certificaat

Bestuursrecht ingrijpend

Exploitatieverbod/sluiting

Schorsen/intrekken

vergunning, erkenning of

certificaat

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen)

Verscherpt toezicht

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen)

Verscherpt toezicht

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen)

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen

3Van belang

Strafrecht

Bsb (indien mogelijk)/Pv

Strafrecht

Bsb (indien mogelijk)/Pv

Strafrecht

Bsb (indien mogelijk)/Pv/

nader strafr. onderzoek

Strafrecht

Pv/nader strafr. onderzoek

Bestuursrecht

bestraffend

Bestuurlijke boete (indien

mogelijk)

Bestuursrecht

bestraffend

Bestuurlijke boete (indien

mogelijk)

Bestuursrecht

bestraffend

Bestuurlijke boete (indien

mogelijk)

Bestuursrecht bestraffend

Bestuurlijke boete (indien

mogelijk)

Bestuursrecht ingrijpend

Exploitatieverbod/sluiting

Schorsen/intrekken

vergunning, erkenning of

certificaat

Bestuursrecht herstellend

Bestuurlijk gesprek/

waarschuwing

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen). Verscherpt

toezicht

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen). Verscherpt

toezicht

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen)

2Beperkt

Strafrecht

Bsb (indien mogelijk)/Pv

Strafrecht

Bsb (indien mogelijk)/Pv

Strafrecht

Pv

Bestuursrecht

Bestraffend

Bestuurlijke boete (indien

mogelijk)

Bestuursrecht

bestraffend

Bestuurlijke boete (indien

mogelijk)

Bestuursrecht herstellend

Aanspreken/ informeren

Bestuursrecht herstellend

Bestuurlijk gesprek/

waarschuwing

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen). Verscherpt

toezicht

Bestuursrecht herstellend

LOD/LOB (incl. tijdelijk

stilleggen)

1Vrijwel nihil

Strafrecht

Bsb (indien mogelijk)/Pv

Strafrecht

Pv

Bestuursrecht

bestraffend

Bestuurlijke boete (indien

mogelijk)

Bestuursrecht

bestraffend

Bestuurlijke boete (indien

mogelijk)

Bestuursrecht herstellend Aanspreken/ informeren

Bestuursrecht herstellend

Aanspreken/ informeren

Bestuursrecht herstellend

Bestuurlijk gesprek/

waarschuwing

Bestuursrecht herstellend

Bestuurlijk gesprek/

waarschuwing

Het gedrag van de overtreder is:

A. Goedwillend, proactief (dwz beëindigt overtreding uit eigen beweging)

B. Onverschillig

C. Calculerend

D. Notoir/ crimineel

Stap 4: bepalen of afstemmingsoverleg nodig is Indien er aan de hand van stap 1 en stap 2 wordt vastgesteld dat er aanleiding is voor bestraffing, beziet de handhaver bij stap 3 of er overleg met andere handhavende instanties is afgesproken of om andere redenen nodig is. Indien er is afgesproken dat de bestraffende interventie een strafrechtelijke is, dan wordt die weg ingezet. Indien er sprake is van opzettelijk of zeer nalatig veroorzaken van gevaar aan personen en/of milieu wordt steeds overleg met het OM gevoerd. Afhankelijk van de afspraken vindt er nadere afstemming plaats of niet. De gemaakte afspraken en de afstemming kunnen betekenen dat er een gezamenlijke interventie plaatsvindt.

Deze stap beoogt het faciliteren van goede afstemming en weloverwogen inzet van het handhavingsinstrumentarium. Het betreft daarom tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien nodig en volgens de (algemene of domeinspecifieke) gemaakte afspraken het overleg op met politie en OM en omgekeerd. Samen met tijdige informatie-uitwisseling is dit tweerichtingsverkeer een uitwerking van het beginsel van loyale samenwerking.

Aan overleg is meer behoefte als voor de betrokken situatie geen standaard afspraken over de afstemming tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving gelden.

De standaardafspraken voor de betrokken situatie kunnen voorzien in overleg of overleg wordt gezocht als de handhaver in de bevindingen van het concrete geval aanleiding ziet om van de standaard afspraken af te wijken. Uit een oogpunt van doelmatige handhaving wordt zoveel mogelijk gehandhaafd op basis van algemene afspraken tussen bestuur, politie en justitie over afstemming en keuzes voor afdoening.

Als de handhaver in een concreet geval concludeert dat overleg over de afstemming en inzet van bestuurs- en/ of strafrecht nodig is, wordt gehandeld op basis van vooraf tussen bestuursrechtelijke handhavingsinstanties, bijzondere opsporingsdiensten, politie en OM gemaakte algemene afspraken over hun inzet en samenspel (afstemming). Alleen zo kan in voorkomende gevallen accuraat en effectief optreden worden gewaarborgd, vooral als sprake is van spoed en/of heterdaad. Situaties waarin de vooraf gemaakte afspraken niet voorzien, zullen apart door de betrokken instanties worden beoordeeld, in een regulier overleg of in ad hoc overleg als snelheid is vereist. Uit het overleg volgt hoe de betreffende overtreding verder wordt opgepakt.

Ten slotte wordt, ongeacht de positionering van overtreding en overtreder, standaard aangifte bij het OM gedaan als toezichthouders de volgende ernstige bevindingen doen:

•Het toezicht wordt bewust onmogelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het onterecht weigeren van toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude, vernietiging van bewijs en/of poging tot omkoping.

•De toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht, door onder andere sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie.

Bij deze vormen van niet-medewerking aan het toezicht wordt tevens bestuursrechtelijk opgetreden met het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang (artikel 5:20, derde lid, en 5:32 Awb).

Stap 5: vastlegging stappen en beslissingen

De doorlopen stappen en genomen beslissingen worden systematisch, verifieerbaar en transparant vastgelegd, zodanig dat hieruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van misbruik van bevoegdheid. De handhaver neemt hierbij in aanmerking dat handhavingsbeleid, waartoe naar vaste rechtspraak ook een handhavingsstrategie en/of interventieladder behoort, in de regel moet worden gevolgd en dat handelen in afwijking van het beleid zorgvuldig moet worden afgewogen en deugdelijk moet worden gemotiveerd. Ook wordt zo inzichtelijk op welke wijze verzwarende en verzachtende omstandigheden een rol hebben gespeeld bij de keuze, wat bijdraagt aan een consistent overheidshandelen.

Bijlage 5a Sanctiestrategie openbare ruimte en veiligheid

Taakveld Afval

Ondergrondse containers

BSB + bestuursdwang ivm kostenverhaal RMN

Afvaldump

BSB + bestuursdwang ivm kostenverhaal RMN

Plakken en kladden (graffiti)

BSB + bestuursdwang ivm kostenverhaal schoonmaak

Vervuiling/ openbare ruimte

Waarschuwen of BSB

Container te vroeg of te laat op straat

Waarschuwen of BSB

Taakveld Honden

Loslopende honden

Waarschuwen of BSB

Opruimplicht bebouwde kom

BSB

Meeneemplicht opruimmiddel

Waarschuwen of BSB

Muilkorf- en kortaanlijngebod

Bestuursdwang

Taakveld Verkeer en veiligheid openbare wegen

Verkeersveiligheid bij scholen

Waarschuwen

Foutparkeren

BSB

Blauwe zones

BSB

Bestuurders op de stoep e.a.

BSB

Obstakels op de weg

Waarschuwen, BSB of bestuursdwang (afhankelijk van hinder of gevaar)

Overhangend groen

Waarschuwen, BSB of bestuursdwang (afhankelijk van hinder of gevaar)

Stalling caravan, aanhangers e.d.

Waarschuwen, BSB of bestuursdwang (afhankelijk van hinder of gevaar)

Wrakken

Waarschuwen, BSB of bestuursdwang (afhankelijk van hinder of gevaar)

Uitstallingen bij winkels

Waarschuwen, BSB of bestuursdwang (afhankelijk van hinder of gevaar)

Taakveld Horeca

Drank- en horecawet

Zie sanctiestrategie Preventie- en handhavingsplan

Exploitatievergunning

Waarschuwen of dwangsom

Bij openbare orde verstoring bestuursdwang

Sluitingstijden

Zie horecaconvenant

Aanwezigheidsvergunning

Waarschuwen of dwangsom

Ontheffing festiviteiten

Waarschuwen, BSB of bestuursdwang (afhankelijk van hinder)

Overige taakvelden en thema's

Evenementen

Waarschuwen: zoveel als mogelijk overtredingen direct laten herstellen. Bij geen gehoor BSB of bestuursdwang, afhankelijk van hinder en gevaar.

Markt (standhouders)

Waarschuwen, bij herhaling pas BSB

Toezicht Dor

Waarschuwen, bij herhaling pas BSB

Winkelwagentjes

Waarschuwen of BSB

Natuurlijke behoefte doen (kom)

Waarschuwen of BSB

Betreden plantsoenen

Waarschuwen of BSB

Venten en straatartiesten

Waarschuwen, BSB of bestuursdwang (afhankelijk van hinder)

Reclame

Waarschuwen, dwangsom of bestuursdwang (afhankelijk van gevaar)

Winkeltijdenwet / Zondagswet

Waarschuwen, dwangsom of bestuursdwang (afhankelijk van gevaar)

Bijlage 5b Sanctiestrategie Alcoholwet

a.Instrumentarium

Wat betreft de sanctionering van overtredingen van Alcoholwet-bepalingen zijn verschillende instrumenten beschikbaar. Naast de algemene, op grond van de Gemeentewet gegeven herstelsancties 'last onder bestuursdwang' en 'last onder dwangsom' geldt dat voor een groot aantal bepalingen de 'bestuurlijke boete' kan worden gegeven. Daarnaast voorziet de Alcoholwet in een aantal bijzondere sancties, te weten het tijdelijk schorsen van de Alcoholwet-vergunning, het definitief intrekken van de Alcoholwet-vergunning en tot slot het verkoopverbod 'three-strikes-out' voor de niet vergunningplichtige verkooppunten. Tegen deze sanctiebesluiten staat bezwaar en beroep open. Hieronder volgt een korte toelichting.

Waarschuwen

Waarschuwen is geen formele sanctie, maar wordt wel bij bepaalde overtredingen als instrument ingezet. Immers, voorlichting en bewustwording bevorderen de naleving van regelgeving.

Bestuurlijke boete

Voor een groot aantal overtredingen van de Alcoholwet kan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Ook is wettelijk bepaald welk boetebedrag bij welke overtreding wordt opgelegd. De bestuurlijke boete is een bestraffende sanctie. Dit in tegenstelling tot de herstelsancties 'dwangsom' en 'bestuursdwang'. Voordeel van de bestuurlijke boete is dat de boete relatief snel kan worden opgelegd, hetgeen het effect van lik-op-stuk vergroot, Bovendien hoeft geen beroep te worden gedaan op politie of OM. Sommige overtredingen zijn evenwel niet geschikt om te beboeten, bijvoorbeeld omdat het opleggen van een boete de strijdige situatie niet oplost. In dat geval kan de herstelsanctie last onder dwangsom of bestuursdwang worden toegepast, of kan voor één van de specifieke Alcoholwet-sancties worden ingezet (zoals het intrekken of schorsen van de vergunning).

Intrekking Alcoholwet-vergunning

Bij bepaalde overtredingen kan worden overgegaan tot het intrekken van de Alcoholwet-vergunning. Deze zware sanctie wordt met name ingezet als zich in de inrichting feiten voordoen die gevaar opleveren voor de openbare orde.

Schorsen Alcoholwet-vergunning

Een minder drastische sanctie dan het intrekken van de vergunning is het tijdelijk schorsen van de vergunning voor de duur van maximaal 12 weken.

Verkoopverbod (three-strikes-out)

Vergelijkbaar met het schorsen van de Alcoholwet-vergunning is het opleggen van een tijdelijk verkoopverbod aan niet vergunningplichtige verkooppunten zoals supermarkten en winkels. Dit verkoopverbod kan alleen worden opgelegd bij overtreding van de leeftijdsgrenzenbepalingen en kan bovendien alleen worden opgelegd als voor de derde maal in een jaar deze overtreding is begaan.

Intrekking exploitatievergunning

Hoewel de intrekking van de exploitatievergunning geen sanctie uit de Alcoholwet is maar opgelegd wordt op grond van de APV, kan deze sanctie wel worden ingezet om verkooppunten zoals snackbars -die niet Alcoholwet-vergunningplichtig zijn maar wel moeten beschikken over een exploitatievergunning- aan te pakken. Er moet dan wel sprake is van nadelige beïnvloeding van de woon- en leefomgeving of van (vrees voor) verstoring van de openbare orde.

Last onder dwangsom en last onder bestuursdwang

Het toepassen van de herstelsanctie last onder dwangsom of bestuursdwang is met name geschikt in het geval een strijdige situatie voortduurt en duurzaam moet worden beëindigd, of om te voorkomen dat een potentiële overtreding daadwerkelijk zal optreden. Bij het toepassen van bestuursdwang gaat het om feitelijk handelen of beletten, zodat dit instrument met name in spoedsituaties wordt ingezet.

Strafbaarstelling alcoholbezit jongeren openbare ruimte: BSB

De strafbaarstelling van jongeren onder de 18 jaar voor het in bezit hebben van alcohol op 'voor het publiek toegankelijke plaatsen', zoals deze geregeld is in artikel 45 Alcoholwet, kan als enige Alcoholwet-bepaling door middel van een bestuurlijke strafbeschikking (BSB) worden afgedaan, gelijk aan een groot aantal bepalingen uit de APV.

b.Uitgangspunten

Bij het opstellen en toepassen van de sanctiestrategie zijn de volgende uitgangspunten van belang.

Voorlichting en bewustwording

Omdat voorlichting en bewustwording belangrijke elementen zijn bij het bevorderen van de naleving van regelgeving, is ervoor gekozen om bij bepaalde lichtere overtredingen eerst een waarschuwing te geven. Bij herhaalde overtreding volgt dan alsnog een sanctie.

Primaire sanctie: bestuurlijke boete

In verband met het 'lik-op-stuk-effect' wordt bij sanctionering in principe het instrument 'bestuurlijke boete' ingezet. Sommige overtredingen zijn echter ongeschikt om te sanctioneren met een bestuurlijke boete. Alsdan wordt een alternatieve sanctie voorgesteld (bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom).

Bij herhaalde overtreding: zwaardere sanctionering

Bij herhaalde overtredingen wordt (evt. na een tweede bestuurlijke boete) een zwaardere sanctie toegepast, zoals het schorsen van de vergunning of het opleggen van een tijdelijk verkoopverbod (three-strikes-out).

Bij ernstige overtreding: direct zwaardere sanctionering

Sommige overtredingen zijn zodanig ernstig dat direct tot het opleggen van een zwaardere sanctie wordt overgegaan, bijvoorbeeld in het geval van (vrees voor) verstoring van de openbare orde.

Afwijking van sanctiestrategie

Er kunnen feiten of omstandigheden zijn die het toepassen van de hieronder neergelegde sanctiestrategie onredelijk maken. In dat geval moet er maatwerk worden geleverd, bijvoorbeeld door het geven van een langere hersteltermijn. Ook kan er aanleiding zijn om juist zwaarder te sanctioneren. Dit is de inherente afwijkingsbevoegdheid van de burgemeester. Bij een dergelijk besluit wordt expliciet gemotiveerd waarom in dat geval van de vastgelegde sanctiestrategie wordt afgeweken.

c.Sanctiestrategie

Hieronder volgt voor de verschillende onderwerpen die de Alcoholwet regelt, de sanctiestrategie. Daarbij worden de volgende afkortingen gebruikt: BB = bestuurlijke boete, DS = dwangsom en BD = bestuursdwang.

•Overtreding leeftijdsgrenzen (alle verkooppunten) (art. 20)

1eovertreding in een jaar: BB

2eovertreding in een jaar: BB + waarschuwing tot schorsing Alcoholwet-vergunning/verkoopverbod

3eovertreding in een jaar: schorsing Alcoholwet-vergunning 3 weken / verkoopverbod 3 weken

•Geen (geldige) Alcoholwet-vergunning (art. 3)

BB + vooraankondiging DS met hersteltermijn;

Indien overtreding voortduurt na hersteltermijn: DS.

•Geen (geldige) Alcoholwet-vergunning met zicht op legalisatie (art. 3)

Waarschuwing met hersteltermijn;

Indien overtreding voortduurt na hersteltermijn: vooraankondiging DS met nieuwe hersteltermijn;

Indien overtreding voortduurt na nieuwe hersteltermijn: DS.

Verkoopverboden:

•Verbod verkoop zwak-alcoholhoudende drank m.u.v. bepaalde winkels (artikel 18)

–Verbod verkoop bij huizen van particulieren (art. 19 lid 1 en lid 2)

–Verbod verkoop bijzondere locaties als benzinestations (art. 22)

1) BB + vooraankondiging DS met hersteltermijn;

2) Indien overtreding voortduurt na hersteltermijn: DS.

•Nuttigen ter plaatse bij art. 18 verkooppunt (art. 25 lid 2)

1) 1e overtreding: BB + voornemen tot intrekking exploitatievergunning bij 2' overtreding;

2) 2e overtreding: intrekking exploitatievergunning

4Intrekking exploitatievergunning is mogelijk bij (vrees voor) verstoring openbare orde of nadelige beïnvloeding woon- en leefomgeving. Indien de exploitatie voortduurt na intrekking, kan een last onder bestuursdwang worden opgelegd om de feitelijke exploitatie verder te beletten.

.

•Geen gekwalificeerde leidinggevende / barvrijwilliger (art. 24)

1) BB + vooraankondiging DS met hersteltermijn

2) Indien overtreding voortduurt na hersteltermijn: DS

•Verboden handelingen bij verkooppunten:

–Zichtbaarheid leeftijdsgrenzen (art. 20 lid 4)

–Verboden stuntaanbiedingen (art. 25d)

–Verstrekking buiten horecalokaliteit/terras/slijtlokaliteit (art. 12)

–Gebruik elders dan ter plaatse (horecalokaliteit) / Gebruik ter plaatse (slijterslokaliteit) (art/ 13)

–Verboden activiteiten bij horeca- of slijtlokaliteit (art. 14)

–Verboden detailhandel bij horeca- of slijtlokaliteit (art. 15)

–Verstrekking d.m.v. automaten (art. 16)

–Verstrekking anders dan in gesloten verkapping (art. 17)

•Onjuiste wijze van aanbieden van zwak-alcoholhoudende drank (artikel 18 lid 3)

1) 1e overtreding: waarschuwing + evt. hersteltermijn

2) 2e en volgende overtreding: BB

3) Bij daarna aanhoudende recidive: schorsen Alcoholwet-vergunning / intrekking exploitatievergunning of opleggen DS

•Algemeen Plaatselijke Verordening (artikel 2.34b):: schenktijden en verboden bijeenkomsten

1) 1e overtreding: BB

2) 2e overtreding: BB + waarschuwing tot schorsing Alcoholwet-vergunning

3) 3e overtreding: Schorsing Alcoholwet-vergunning 3 weken

Verstoring openbare orde of andere spoedsituaties

Maatwerk, direct schorsen of intrekking Alcoholwet-vergunning of direct toepassen BD.

Verboden handelingen overig

Maatwerk, sanctie overeenkomstig de geest van deze sanctiestrategie.

Bijlage 5c Sanctiestrategie gevaarlijke honden

Deze sanctiestrategie was in het voorgaande beleid opgenomen als beleidsregels gevaarlijke honden.

Gelet op artikel 2:59 Algemene plaatselijke verordening Soest, artikel 172 Gemeentewet en artikel 2.10 Wet dieren juncto de artikelen 1.9 en 1.10 Besluit houders van dieren; besluiten burgemeester en wethouders van Soest onderstaande beleidsregels vast te stellen:

Artikel 1. Weging ernst bijtincidenten

1Bij weging van de ernst van bijtincidenten wordt onderscheid gemaakt tussen ernstige bijtincidenten en lichte bijtincidenten.

2Bij ernstige bijtincidenten bijt een hond een persoon of brengt de hond ernstig letsel toe aan een ander dier, veelal een hond.

3Bij een licht bijtincident bijt een hond een ander dier, veelal een hond, maar is geen sprake van ernstig letsel, of is sprake van een bijtincident zonder ernstige gevolgen.

Artikel 2. Melding en waarschuwing bij ernstig bijtincident

1Indien de hond een ernstig bijtincident veroorzaakt, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in dit artikel.

2Het slachtoffer of de eigenaar/houder van het verwonde dier doet melding van het ernstige bijtincident bij de politie.

3De politie maakt een bestuurlijke rapportage op over het incident. De standpunten van de betrokkenen worden hierin opgenomen. De rapportage wordt verzonden naar burgemeester en wethouders van de gemeente Soest.

4Burgemeester en wethouders versturen op grond van de bestuurlijke rapportage een brief naar de eigenaar/houder van de hond die het bijtincident heeft veroorzaakt. In deze brief wordt de eigenaar/houder van de hond gewezen op de regels over loslopende honden (indien van toepassing). Daarnaast wordt de eigenaar/houder van de hond erop gewezen dat wanneer de hond een tweede bijtincident veroorzaakt, de hond als gevaarlijke hond wordt aangemerkt en een aanlijn- dan wel een aanlijn- en muilkorfgebod wordt opgelegd.

Artikel 3. Optreden tegen ernstige bijtincidenten

1De eigenaar van een hond die een ernstig bijtincident heeft begaan wordt gevraagd om afstand te doen van zijn hond.

2De burgemeester geeft op basis van artikel 172 Gemeentewet bevel tot het onvrijwillig in beslag nemen van de hond indien de eigenaar niet vrijwillig afstand doet van de hond en de burgemeester vreest dat de kans op bijtrecidive aanwezig is, of als de hond al eerder een bijtincident heeft veroorzaakt.

3Bij het onvrijwillig in beslag nemen kan de hond aan een risico-assessment worden onderworpen. De test zal moeten uitwijzen of de hond resocialiseerbaar is en teruggeplaatst kan worden bij de eigenaar of elders herplaatsbaar is.

4De burgemeester kan beslissen dat de hond elders zal worden herplaatst. Als uit een assessment blijkt dat resocialiseren en herplaatsen niet mogelijk is, kan de burgemeester beslissen dat de hond zal worden gedood.

5De kosten van vervoer, verblijf, test en eventueel laten doden van de hond komen voor rekening van de eigenaar van de hond.

6Bij bijtrecidive of bij ernstige bijtincidenten wordt door de politie een proces-verbaal opgemaakt. De politie zendt het proces-verbaal naar het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie beslist of er vervolgd wordt en op basis van welk artikel (bijvoorbeeld artikel 425 Wetboek van Strafrecht).

7Indien de burgemeester bij de situatie uit het tweede lid niet vreest dat bijtrecidive zal plaatsvinden, dan kan het college de hond aanwijzen als gevaarlijke hond.

Artikel 4. Optreden tegen lichte bijtincidenten en bij vrees voor ernstige bijtincidenten

1Bij vrees voor het ontstaan van ernstige bijtincidenten, of bij een licht bijtincident kan het college besluiten tot aanwijzing van de hond als gevaarlijke hond in de zin van artikel 2:59 van de Algemene plaatselijke verordening (APV).

2Een muilkorf- en/of kort aanlijngebod wordt opgelegd voor een periode van twee jaar. Drie maanden voor het einde van deze periode van twee jaar wordt het gedrag van de hond opnieuw beoordeeld.

3Bij zeer ernstige vrees voor het ontstaan van een ernstig bijtincident kan de burgemeester besluiten tot inbeslagname van de hond.

4Als de houder van een hond die als gevaarlijke hond is aangewezen in strijd met artikel 2:59 APV de hond houdt en de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt dan gaat het college na of naast de bestuursrechtelijke maatregel een strafrechtelijke sanctie op zijn plaats is wegens overtreding van de APV,

5Wanneer besloten wordt tot het opleggen van een aanlijn- dan wel aanlijn- en muilkorfgebod, wordt tevens in dat besluit aangegeven dat op het niet voldoen aan het gebod een dwangsom kan worden opgelegd, groot € 1000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 10.000.

Artikel 5 Uitzonderingssituaties

1In uitzonderlijke, zeer ernstige situaties is het mogelijk om van dit besluit af te wijken en direct over te gaan tot inbeslagname van de hond.

2Dit besluit is van toepassing voor zover de politie niet optreedt op basis van andere bepalingen die het in dit besluit geregelde onderwerp strafbaar stellen.

Bijlage 5d Richtlijn hoogte dwangsommen en begunstigingstermijnen

Overtreding

Sanctie (1)

Sanctie (2)

Hoogte dwangsom

Begunstigingstermijn

Uitvoeren van een bouwwerkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit is vereist

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 5.000-120.000

per direct (1 dag)

Verder bouwen/aanleggen/slopen zonder vergunning na besluit stilleggen werkzaamheden

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 5.000-120.000

1-26 weken

Bouwen van kleine bouwwerken (<20 m2) zonder, in afwijking of handelen in strijd met voorschrift vergunning

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 2.000-10.000

1-26 weken

Bouwen van grotere bouwwerken (> 20 en <50 m2) zonder, in afwijking of handelen in strijd met voorschrift vergunning

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 4.000-50.000

1-26 weken

Bouwen zonder, in afwijking of handelen in strijd met voorschrift vergunning gebouwen >50m2

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 6.000-25.000

1-26 weken

Bouwen zonder, in afwijking of handelen in strijd met voorschrift vergunning gebouwen >200 m2

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 8.000-80.000

1-26 weken

Bouwen zonder, in afwijking of handelen in strijd met voorschrift vergunning overige

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 2.000-30.000

1-26 weken

Bouwen in strijd met voorschriften BBL m.b.t. gezondheid en veiligheid

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 2.000-150.000

2weken

Funderings- of constructieherstel aan een gebouw zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 2.000-150.000

1-26 weken

Aanleggen, afgraven of ophogen zonder, in afwijking van of handelen in strijd met vergunning

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 2.000-50.000

1-26 weken

Vellen van houtopstanden zonder daarvoor vereiste vergunning.

Herplantplicht

Dwangsom

maatwerk € 2.000-25.000

1-26 weken

Het aanleggen of wijzigen van een uitweg zonder daarvoor vereiste vergunning.

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

1-26 weken

Het belemmeren van de doorgang of het beschadigen van een weg zonder daarvoor vereiste vergunning

Dwangsom, eenmalig,

1-26 weken

Vellen van houtopstanden zonder daarvoor vereiste vergunning.

Herplantplicht

Dwangsom

maatwerk € 2.000-25.000

Het aanleggen of wijzigen van een uitweg zonder daarvoor vereiste vergunning.

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

Het belemmeren van de doorgang of het beschadigen van een weg zonder daarvoor vereiste vergunning

Dwangsom, eenmalig,

beschadigen of vernielen van een rijksmonument (algemeen verbod)

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 2.000-150.000

1-13 weken

verwaarlozen/handelen in strijd met de instandhoudingsplicht of handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning

Dwangsom, eenmalig,

Bestuursdwang

maatwerk € 2.000-150.000

1-13 weken

Bijlage 6a Probleem- en risicoanalyse beleidsveld omgevingsrecht

1.Algemene taakomschrijving

De omvang van de gemeentelijke toezicht- en handhandhavingsactiviteiten wordt voor een groot deel bepaald door het aantal verleende vergunningen. In dat kader is relevant te noemen dat jaarlijks ongeveer 300 omgevingsvergunningen worden afgehandeld. Een omgevingsvergunning ziet op één of meerdere activiteiten die de fysieke leefomgeving beïnvloeden. Deze activiteiten betreffen onder andere bouwen, afwijken bestemmingsplan, brandveilig gebruik, wijzigen monument, milieu, bomenkap en uitwegen. In bepaalde gevallen kunnen deze activiteiten vergunningvrij worden uitgevoerd.

Daarnaast worden de gemeentelijke toezicht- en handhavingsactiviteiten voor een groot deel bepaald door het aantal ingediende handhavingsverzoeken. Op een handhavingsverzoek moet een besluit volgen.

Het aantal handhavingsverzoeken schommelt jaarlijks rond de 30. De afgelopen beleidsperiodes laten zien dat handhavingsverzoeken met name gaan over vermeend strijdig gebruik -zoals bedrijvigheid aan huis of nabij woningen, illegale bewoning,- of over vergunningvrij bouwen; schuurtjes en uitbouwen en dergelijke. In de gevallen dat er daadwerkelijk een overtreding is begaan kan de situatie soms worden gelegaliseerd. Als een handhavingsverzoek, en de lage prioriteit ons geen aanleiding geeft om (tijdelijk) af te zien van handhaving, en geen legalisatie mogelijk is volgt in beginsel een traject gericht op het beëindigen van de overtreding onder dwang van een herstelsanctie.

Een dergelijk traject vraagt veel capaciteit van de organisatie. Immers, de situatie moet ter plaatse worden gecontroleerd, deze moet worden getoetst aan de relevante regelgeving en bij strijd moeten de legalisatiemogelijkheden worden onderzocht. Tot slot volgt besluitvorming en mogelijk een bezwaar-, beroep- en hoger beroepsprocedure.

2.Taakveld Bouwen

Het taakveld 'Bouwen' moet ruim worden opgevat. Het betreft de technische voorschriften op het gebied van bouwen, slopen en brandveilig gebruik kennen hun grondslag in met name de Woningwet en het Besluit omgevingsrecht. De concrete voorschriften zijn grotendeels uitgewerkt in het landelijk geldende Bbl. Dit taakveld betreft het traditionele bouw- en woningtoezicht.

Activiteit bouwen

Het Bbl bevat onder meer voorschriften op gebied van constructieve- en brandveiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. Daarbij gelden voor nieuwbouw vaak strengere eisen dan voor bestaande bouw. Toezicht op de naleving van voorschriften voor nieuwbouw vindt met name plaats naar aanleiding van verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. Jaarlijks worden ongeveer 230 omgevingsvergunningen met 'activiteit bouwen' aangevraagd. Dit bepaald dus in grote mate de werkvoorraad van het gemeentelijk toezicht. Vanaf 2024 vindt deels toezicht door de markt plaats op grond van de Wkb. Hoe groot de omvang van toezicht door de markt zal zijn is nu niet na te gaan. Dit temeer er naar verwachting in de loop van de tijd over meerdere categorieën privaatrechtelijk toezicht zal worden uitgevoerd. De gevolgen voor handhaving zijn evenmin te voorspellen.

Specifieke problemen die zich ten aanzien van bestaande bouw voordoen worden vaak door de rijksoverheid gesignaleerd. Het onderwerp dat nadere aandacht vraagt zijn de brandveiligheidseisen die gelden ten aanzien van de wat oudere portiekflats met meer dan 1500m2 gebruiksoppervlak per trappenhuis.

De risico's van het niet naleven van de regels van het Bbl betreffen met name de fysieke veiligheid (constructieve veiligheid, brandveiligheid) en, op langere termijn, de gezondheid (zoals voorschriften over ventilatie en daglicht). Afhankelijk van het bouwwerktype (zoals ziekenhuis of tuinhuisje) zijn de risico's groter of juist geringer. In de risicomatrix wordt daarom onderscheid gemaakt tussen deze bouwwerktypes.

Activiteit brandveilig gebruik

Voor sommige gebouwen is voor brandveilig gebruik een omgevingsvergunning nodig, bijvoorbeeld voor een kinderdagverblijf, verpleeghuis of hotel. Voor sommige andere gebouwen is alleen een melding nodig, bijvoorbeeld voor gebouwen waar meer dan 50 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn, zoals een bibliotheek. Op sommige andere gebouwen gelden alleen algemene regels voor brandveilig gebruik, zoals een kleine winkel. De risico's van het niet naleven van de regels omtrent brandveilig gebruik betreffen de fysieke veiligheid van personen (korte termijn). De grootste risico's liggen bij gebouwen met logiesfuncties of gebouwen waar niet of minder zelfredzame personen verblijven, zoals kinderen of gehandicapten. Het toezicht op de naleving van vergunningen, meldingen en algemene regels omtrent brandveilig gebruik van gebouwen in de gemeente Soest is belegd met VRU.

3.Taakveld Ruimtelijke Ordening (RO)

Een belangrijk instrument van de gemeente om het ruimtelijk beleid vorm te geven is het vaststellen van een omgevingsplan. In een omgevingsplan zijn onder andere bouw- en gebruiksregels opgenomen voor een bepaald gebied, zodat gewenste ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt en ongewenste ontwikkelingen tegengehouden worden. Daarnaast kan in een omgevingsplan een omgevingsvergunningplicht zijn opgenomen om extra bescherming te bieden aan specifieke waarden (zoals op gebied van ecologie, archeologie, landschap). Bijvoorbeeld voor het aanleggen van verhardingen, voor het uitvoeren van grondbewerkingen of voor bepaalde sloopwerkzaamheden. Uit de Ow volgt dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning in strijd te handelen met de regels van een Omgevingsplan. Uitgezonderd hiervan zijn vergunningsvrije situaties.

De vergunningsvrije regeling volgt uit het Invoeringsbesluit Omgevingswet, het Bkl en het Bbl. Door het ontbreken van een vergunningplicht voor veel bouw- en gebruiksactiviteiten heeft de gemeente maar beperkt inzicht in (het aantal en de types) overtredingen op het gebied van ruimtelijke ordening. Enig inzicht wordt wel verkregen naar aanleiding van Bag-controles, de voorbereiding van nieuwe bestemmingsplannen, ingediende klachten, handhavingsverzoeken en meldingen van eigen toezichthouders en keten partners.

Hieronder worden de opvallende of veelvoorkomende knelpunten uiteengezet. Zo concreet mogelijk wordt inzicht gegeven in de omvang en de negatieve effecten, zodat de risicomatrix zo nauwkeurig mogelijk kan worden ingevuld. Onderscheid wordt gemaakt tussen de bebouwde kom en het buitengebied.

Kom: illegale bedrijfsactiviteiten

Overtredingen met dit thema komen geregeld aan het licht door handhavingsverzoeken van omwonenden. Het betreffen situaties waarin de grenzen van beroep of bedrijf aan huis worden overschreden of waarbij een bedrijf activiteiten verricht die qua milieucategorie zwaarder zijn dan de bestemming toelaat.

Kom: detailhandel in strijd met (bedrijfs)bestemming

Vestiging van winkels buiten de daarvoor aangewezen gebieden, zoals op een bedrijventerrein, kan leiden tot oneerlijke concurrentie en leegstand in de winkelcentra. Dit kan de stedenbouwkundige kwaliteit en economische structuur negatief beïnvloeden. De afgelopen beleidsperiode is alleen op verzoek opgetreden tegen illegale detailhandel. Het is duidelijk geworden dat er met name veel autohandel plaatsvindt op bedrijventerreinen. Deze vorm van detailhandel is in het bestemmingsplan niet toegestaan. Gezien het grote aantal autohandelbedrijven dat op de bedrijventerreinen (met name op de Soestdijkse Grachten), wordt de handhaving projectmatig aangepakt.

Buitengebied: illegale bedrijfsactiviteiten

Het omgevingsplan voor het gedeelte in het buitengebied geeft rechtstreeks dan wel via een afwijkingsbevoegdheid ruime mogelijkheden voor agrarische en niet-agrarische nevenfuncties en voor niet-agrarische vervolgfuncties bij voormalige agrarische bedrijven. De toelaatbaarheid daarvan wordt bepaald door de effecten die deze functies kunnen hebben op hun omgeving. Er zijn evenwel ook functies die niet thuishoren in het landelijk gebied, maar die toch worden ontplooid. Het risico van het uitblijven van handhaving is dat een activiteit in aanvang kleinschalig en onopvallend is, maar langzaamaan groeit.

In het verleden is duidelijk geworden dat er met name veel horeca-activiteiten in het buitengebied plaatsvonden. Deze waren (op een enkele uitzondering na) niet toegestaan volgens het omgevingsplan. In de vorige beleidsperiode heeft de raad op 10 oktober 2019 het Horecabeleid buitengebied, na het doorlopen van een zienswijzeproces, vastgesteld. Dit heeft geleid tot een afname van het aantal overtredingen.

Buitengebied: permanente bewoning recreatiewoningen

Een apart thema betreft het fenomeen permanente bewoning van recreatiewoningen. De gemeente Soest kent 8 recreatieparken. Het karakter van deze parken is zeer uiteenlopend, maar voor zover bekend vindt op alle parken in meer of in mindere mate permanente bewoning plaats. Ten tijde van de vorige beleidsperiode. In de vorige beleidsperiode is een aanvang gemaakt met het handhaven van de onrechtmatige bewoning van vakantieparken. Gebleken is dat dit zeer weerbarstige procedures zijn, die veel tijd en capaciteit vergen. Bovendien blijkt dat op vrijwel alle parken deze vorm van bewoning plaatsvindt. Hierdoor is het handhavingstraject verlengd en wordt ermee doorgegaan in de onderhavige beleidsperiode.

4.Taakveld Overig: erfgoed, bomen en uitwegen

Erfgoed

De gemeente Soest kent ongeveer 150 panden die zijn aangewezen als (gemeentelijke dan wel rijks-) monument. Daarnaast zijn acht gebieden aangewezen als beschermde dorpsgezicht, waarvan één het rijksbeschermde dorpsgezicht Kerkebuurt. De status van monument of beschermd gezicht betekent dat bij veranderingen, verbouwingen of sloopwerkzaamheden naast een eventuele omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, ook een vergunningplicht geldt voor de activiteit 'wijzigen monument' of 'slopen van/bij beschermd dorpsgezicht'. Jaarlijks worden ongeveer vijf van dergelijke vergunningen aangevraagd.

Veel voorkomende knelpunten op het gebied van toezicht en handhaving doen zich niet voor. In de afgelopen beleidsperiode bleek wel dat het gebrek aan onderhoud van erfgoed wel aanleiding geeft tot extra waakzaamheid voor verval van monumenten.

Bomenkap

De omgevingsvergunningplicht voor bomenkap is geregeld in de APV, in samenhang met de nota 'Bescherming en kap van bomen' (2012). Er zijn vijf boomcategorieën die voor de activiteit kappen of vellen onder de omgevingsvergunningplicht vallen, grofweg te verdelen in extra beschermde bomen (bomenstructuren, monumentale bomen en waardevolle bomen) en overige bomen. Uitgangspunt is dat hoe waardevoller de boom is, hoe strenger het toetsingskader is. Jaarlijks worden ongeveer tussen de 250 en 300 omgevingsvergunningen activiteit bomenkap verleend. Ongeveer 10 maal per jaar komen er meldingen of klachten binnen van illegale kap in uitvoering. Bij particulieren is de situatie vaak legaliseerbaar, omdat het meestal geen waardevolle bomen betreffen. Bij projectontwikkelaars daarentegen komt het relatief vaak voor dat meer bomen worden gekapt dan zijn vergund, waarbij het dikwijls waardevolle bomen betreffen. Probleem van handhaving van met name monumentale bomen is het onomkeerbare effect; na kap komt een boom niet terug, niet met een herstelsanctie in de vorm van een herplantplicht noch met een bestraffende sanctie in de vorm van een boete. Dit kan een grote impact hebben op de stedenbouwkundige kwaliteit van een omgeving.

Uitwegen

De omgevingsvergunningplicht voor het realiseren van een uitweg is geregeld in de APV. Jaarlijks worden rond de 20 vergunningen verleend. In verband met de rol van de gemeente als eigenaar en beheerder van de openbare weg wordt de uitvoering van de vergunning vrijwel altijd gerealiseerd in nauw overleg met de gemeentelijke opzichter. Structurele of opvallende knelpunten zijn er dan ook niet.

Bijlage 6b Vergunningenstrategie opa’s

Stap

Proces

Activiteit

Wie

1

Werkverdeling

Toewijzen aan behandelaar en uitsturen ontvangstbevestiging

V&H

2

Ontvankelijkheidstoets

+ Juridische toets

Ontvankelijkheidstoets en juridische toets door behandelaar > Bij complexe gevallen ontvankelijkheid voorleggen in Omgevingstafel (agenderen als Ontvankelijkheidstoets).

V&H

SCOPE?

Plannen waarbij maar één beleidsdiscipline relevant is vallen buiten de scope van de Pilot TOR. Deze worden één op één met de beleidsadviseur afgedaan.

3

Afweging is op meer dan twee beleidsterreinen noodzakelijk

–Opstellen TOR memo door V&H. Door naar stap 4.

V&H

–4

TOR memo opstellen

–V&H draagt de TOR memo over aan de behandelaar van de Raadkamer

Behandelaar Raadkamer zet adviesvraag uit.

V&H

5

TOR memo uitzetten naar juiste specialisten

In de Omgevingstafel worden de adviezen van de beleidsadviseurs verzameld om te komen tot een juist besluit.

Ruimte of V&H bij 3C

Bijlage 7 Transponeringstabel Bouwbesluit 2012

Hoofdstuk/onderwerp

Artikel

Artikel

Ow

Artikel AMvB

Toelichting overgangsrecht

§ 1.1. Algemeen

Begripsbepalingen

1.1

4.3, eerste lid

1.1 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aantal personen in een bouwwerk

1.2

4.3, eerste lid

2.11 Bbl

Specifiek overgangsrecht is opgenomen in artikel 2.12 Bbl.

Gelijkwaardigheid

1.3

4.7

2.4 en 2.5 Bbl

Artikel 8.2.17 IbOw.

Gemeenschappelijk en gezamenlijk

1.4

4.3, eerste lid

2.7 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 1.2 Toepassing normen en certificatie- en inspectieschema’s

Toepassing normen, certificatie- en inspectieschema’s

1.5

-

-

Delegatiebepaling, geen overgangsrecht nodig.

§ 1.3 CE-markering en kwaliteitsverklaringen

In handel brengen bouwproduct

1.6

4.3, eerste lid

2.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

-

1.7

-

-

Artikel reeds vervallen in

Bouwbesluit 2012.

Toepassing Ce-markering en kwaliteitsverklaringen

1.8

4.3, eerste lid

2.14 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Certificatie- en inspectieinstellingen

1.9

4.3, eerste lid

2.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verordening bouwproducten

1.10

4.3, eerste lid

2.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Erkenning kwaliteitsverklaringen

1.11

4.3, eerste lid

2.15 en 1.2 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 1.4 Bijzondere bepalingen

Verbouw

1.12

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Uitzonderingen woonfunctie voor particulier eigendom

1.12a

4.3, eerste lid

4.9 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Uitzonderingen voor een drijvend bouwwerk

1.12b

4.3, eerste lid

4.10 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Monumenten

1.13

4.3, eerste lid

2.8 Bbl

Specifiek overgangsrecht opgenomen in

Hoofdstuk 7a Bbl.

Tijdelijke bouw

1.14

4.3, eerste lid

4.8 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verplaatsing

1.15

4.3, eerste lid

5.6 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Drank- en horeca-inrichting

1.15a

4.3, eerste lid

2.10 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Zorgplicht

1.16

4.3, eerste lid

2.6 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Beschikbaarheid gegevens en bescheiden

1.17

4.3, eerste lid

6.17 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 1.5 Gebruiksmelding

Gebruiksmelding

1.18

4.3, eerste lid en 4.4

6.6 en 6.7 Bbl

Overgangsrecht is opgenomen in artikel 8.1.1 IbOw.

Indiening gebruiksmelding

1.19

4.3, eerste lid en 4.4

6.8 Bbl

Overgangsrecht is opgenomen in artikel 8.1.1 IbOw.

Afhandeling gebruiksmelding

1.20

-

-

De AWB is van toepassing op verkeer tussen burgers en bestuursorganen.

Nadere voorwaarden

1.21

4.3, eerste lid en 4.5

6.5 Bbl

Overgangsrecht is opgenomen in artikel 8.1.5 IbOw.

Wijzigen nadere voorwaarden

1.22

4.3, eerste lid en 4.5

6.5 en 6.9 Bbl

Overgangsrecht is opgenomen in artikel 8.1.5 IbOw

§ 1.6 Procedure bouwwerkzaamheden

Aanwezigheid bescheiden

1.23

4.3, eerste lid

7.8 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Uitzetten bebouwingsgrenzen

1.24

-

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Mededeling aanvang en beëindiging bouwwerkzaamheden

1.25

4.3, eerste lid

7.7 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 1.7 Procedure sloopwerkzaamheden

Sloopmelding

1.26

4.3, eerste lid en 4.4

7.10 Bbl

Overgangsrecht is opgenomen in artikel 8.1.1 IbOw.

Indiening sloopmelding

1.27

4.3, eerste lid en 4.4

7.11 Bbl

Overgangsrecht is opgenomen in artikel 8.1.1 IbOw.

Afhandeling sloopmelding

1.28

-

-

De Awb is van toepassing op verkeer tussen burgers en bestuursorganen.

Nadere voorwaarden

1.29

4.3, eerste lid en 4.5

7.5 en 7.14 Bbl

Overgangsrecht is opgenomen in artikel 8.1.5 IbOw.

Wijzigen nadere voorwaarden

1.30

4.3, eerste lid en 4.5

7.5 en 7.14 Bbl

Overgangsrecht is opgenomen in artikel 8.1.5 IbOw.

1.31

-

-

Artikel reeds vervallen in

Bouwbesluit 2012.

Aanwezigheid bescheiden

1.32

4.3, eerste lid

7.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Mededeling aanvang en beëindiging sloopwerkzaamheden

1.33

4.3, eerste lid

7.12 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoofdstuk 2: Technische bouwvoorschriften uit oogpunt van veiligheid

Afdeling 2.1 Algemene sterke

§ 2.1.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.1

4.3, eerste lid

4.11 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Fundamentele belastingscombinaties

2.2

4.3, eerste lid

4.12 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Buitengewone belastingscombinaties

2.3

4.3, eerste lid

4.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bepalingsmethode

2.4

4.3, eerste lid

4.14 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.5

4.3, eerste lid

5.9 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

2.5a

4.3, eerste lid

4.15 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aardbevingen

2.5b

-

-

Delegatiebepaling, geen overgangsrecht nodig.

Drijvende bouwwerken

2.5c

4.3, eerste lid

4.15a, 4.15b,

4.15c, 4.15d,

4.15e Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.1.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.6

4.3, eerste lid

3.8 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Fundamentele belastingscombinaties

2.7

4.3, eerste lid

3.9 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Uiterste grenstoestand

2.8

4.3, eerste lid

3.10 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.2 Sterkte bij brand

§ 2.2.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.9

4.3, eerste lid

4.16 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdsduur

2.10

4.3, eerste lid

4.17 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bepalingsmethode

2.11

4.3, eerste lid

4.18 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.12

4.3, eerste lid

5.10 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.2.2. Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.13

4.3, eerste lid

3.11 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdsduur

2.14

4.3, eerste lid

3.12 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bepalingsmethode

2.15

4.3, eerste lid

3.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.3 Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan

§ 2.3.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.16

4.3, eerste lid

4.19 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

2.17

4.3, eerste lid

4.20 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoogte

2.18

4.3, eerste lid

4.21 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Openingen

2.19

4.3, eerste lid

4.22 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Overklauterbaarheid

2.20

4.3, eerste lid

4.23 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.21

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.3.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.22

4.3, eerste lid

3.14 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

2.23

4.3, eerste lid

3.15 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoogte

2.24

4.3, eerste lid

3.16 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Openingen

2.25

4.3, eerste lid

3.17 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.4 Overbrugging van hoogteverschillen

§ 2.4.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.26

4.3, eerste lid

4.24 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Voorziening bij hoogteverschil

2.27

4.3, eerste lid

4.25 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.28

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

2.29

4.3, eerste lid

4.33 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.4.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.30

4.3, eerste lid

3.18 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Voorziening bij hoogteverschil

2.31

4.3, eerste lid

3.19 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.5 Trap

§ 2.5.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.32

4.3, eerste lid

4.24 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen trap

2.33

4.3, eerste lid

4.26 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Trapbordes

2.34

4.3, eerste lid

4.27 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Leuning

2.35

4.3, eerste lid

4.28 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Regenwerend

2.36

4.3, eerste lid

4.29 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.37

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.5.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.38

4.3, eerste lid

3.18 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen trap

2.39

4.3, eerste lid

3.20 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Trapbordes

2.40

4.3, eerste lid

3.21 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Leuning

2.41

4.3, eerste lid

3.22 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.6 Hellingbaan

§ 2.6.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.42

4.3, eerste lid

4.24 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen hellingbaan

2.43

4.3, eerste lid

4.30 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hellingbaanbordes

2.44

4.3, eerste lid

4.31 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Geleiderand

2.45

4.3, eerste lid

4.32 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.46

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.6.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.47

4.3, eerste lid

3.18 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen hellingbaan

2.48

4.3, eerste lid

3.23 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Geleiderand

2.49

4.3, eerste lid

3.24 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.7 Beweegbare constructieonderdelen

§ 2.7.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.50

4.3, eerste lid

4.34 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hinder

2.51

4.3, eerste lid

4.35 en 4.216

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.52

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

2.53

4.3, eerste lid

4.36 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.7.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.54

4.3, eerste lid

3.25 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hinder

2.55

4.3, eerste lid

3.26 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.8 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

§ 2.8.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.56

4.3, eerste lid

4.37 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Stookplaats

2.57

4.3, eerste lid

4.38 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Schacht, koker of kanaal

2.58

4.3, eerste lid

4.39 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Rookgasafvoer

2.59

4.3, eerste lid

4.40 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Opstelplaats open verbrandingstoestel

2.60

4.3, eerste lid

4.135 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijk bouwwerk

2.61

4.3, eerste lid

4.41 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.8.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.62

4.3, eerste lid

3.27 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Stookplaats

2.63

4.3, eerste lid

3.28 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Rookgasafvoer

2.64

4.3, eerste lid

3.29 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Opstelplaats open verbrandingstoestel

2.65

4.3, eerste lid

3.75 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.9 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

§ 2.9.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.66

4.3, eerste lid

4.42 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Binnenoppervlak

2.67

4.3, eerste lid

4.43 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Buitenoppervlak

2.68

4.3, eerste lid

4.44 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Beloopbaar vlak

2.69

4.3, eerste lid

4.45 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vrijgesteld

2.70

4.3, eerste lid

4.46 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Dakoppervlak

2.71

4.3, eerste lid

4.47 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Constructieonderdeel

2.72

-

-

Delegatiebepaling, geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.73

4.3, eerste lid

5.12 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

2.74

4.3, eerste lid

4.48 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.9.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.75

4.3, eerste lid

3.30 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Binnenoppervlak

2.76

4.3, eerste lid

3.31 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Buitenoppervlak

2.77

4.3, eerste lid

3.32 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Beloopbaar vlak

2.78

4.3, eerste lid

3.33 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vrijgesteld

2.79

4.3, eerste lid

3.34 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Toepassing Euroklassen

2.80

4.3, eerste lid

3.35 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.10 Beperking van uitbreiding van brand

§ 2.10.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.81

4.3, eerste lid

4.49 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Ligging

2.82

4.3, eerste lid

4.50 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Omvang

2.83

4.3, eerste lid

4.51 en 4.52

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag

2.84

4.3, eerste lid

4.53 en 4.54

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.85

4.3, eerste lid

5.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

2.86

4.3, eerste lid

4.55 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.10.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.87

4.3, eerste lid

3.36 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Ligging

2.88

4.3, eerste lid

3.37 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Omvang

2.89

4.3, eerste lid

3.38 en 3.39

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag

2.90

4.3, eerste lid

3.40 en 3.41

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.11 Verdere beperking van uitbreiding van brand

§ 2.11.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.91

4.3, eerste lid

4.56 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Ligging

2.92

4.3, eerste lid

4.57 en 4.58

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Omvang

2.93

4.3, eerste lid

4.59 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Weerstand tegen brand­doorslag en brandoverslag en rookdoorgang

2.94

4.3, eerste lid

4.60, 4.61 en

4.62 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.95

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

2.96

4.3, eerste lid

4.63 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.11.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.97

4.3, eerste lid

3.42 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Ligging

2.98

4.3, eerste lid

3.43 en 3.44

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Omvang

2.99

4.3, eerste lid

3.45 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Weerstand tegen rookdoorgang of branddoorslag of brandoverslag

2.100

4.3, eerste lid

3.46 en 3.47

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.12 Vluchtroutes

§ 2.12.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.101

4.3, eerste lid

4.64 en 4.73

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vluchtroute

2.102

4.3, eerste lid

4.65, 4.66 en

4.67 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Beschermde vluchtroute

2.103

4.3, eerste lid

4.68 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Extra beschermde vluchtroute

2.104

4.3, eerste lid

4.69 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Veiligheidsvluchtroute

2.105

4.3, eerste lid

4.70 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tweede vluchtroute

2.106

4.3, eerste lid

4.71 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Inrichting vluchtroute

2.107

4.3, eerste lid

4.7, 4.75,

4.76, 4.77,

4.78 en 4.79

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Capaciteit van vluchtroute

2.108

4.3, eerste lid

4.80 en 4.81

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.109

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

2.110

4.3, eerste lid

4.72 en 4.82

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.12.2 Bestaande bouw

Geen overgangsrecht nodig.

Aansturingsartikel

2.111

4.3, eerste lid

3.48 en 3.55

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vluchtroute

2.112

4.3, eerste lid

3.49 en 3.50

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Beschermde vluchtroute

2.113

4.3, eerste lid

3.51 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Extra beschermde vluchtroute

2.114

4.3, eerste lid

3.52 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Veiligheidsroute

2.115

4.3, eerste lid

3.53 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tweede vluchtroute

2.116

4.3, eerste lid

3.54 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Inrichting vluchtroute

2.117

4.3, eerste lid

3.56, 3.57,

3.58, 3.59 en

3.60 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Capaciteit van een vluchtroute

2.118

-

-

Delegatiebepaling, geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.13 Hulpverlening bij brand

§ 2.13.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.119

4.3, eerste lid

4.83 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Brandweerlift

2.120

4.3, eerste lid

4.84 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Loopafstand

2.121

4.3, eerste lid

4.85 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hulppost

2.122

4.3, eerste lid

4.86 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.123

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

2.124

4.3, eerste lid

4.87 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.13.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.125

4.3, eerste lid

3.61 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hulppost

2.126

4.3, eerste lid

3.62 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.14 Hoge en ondergrondse gebouwen, nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.127

4.3, eerste lid

4.88 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Inrichting

2.128

4.3, eerste lid

4.89 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.15 Inbraakwerendheid, nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.129

4.3, eerste lid

4.99 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Reikwijdte

2.130

4.3, eerste lid

4.100 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.131

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.16 Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.132

4.3, eerste lid

4.90 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied

2.133

4.3, eerste lid

4.91, 4.92,

4.93, 4.94,

4.95 en 4.124

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

2.133a

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 2.17.1 Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 2.17.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

2.134

4.3, eerste lid

4.97 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verkeersveiligheid

2.135

4.3, eerste lid

4.98 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 2.17.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

2.136

4.3, eerste lid

3.133 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verkeersveiligheid

2.137

-

-

Reeds in 2014 vervallen in Bouwbesluit, geen overgangsrecht nodig.

Hoofdstuk 3 Technische bouwvoorschriften uit oogpunt van gezondheid

Afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten, nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.1

4.3, eerste lid

4.101 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Geluid van buiten

3.2

4.3, eerste lid

4.102 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Industrie-, weg- of spoorweglawaai

3.3

4.3, eerste lid

4.103 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Luchtvaartlawaai

3.4

4.3, eerste lid

4.104 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.5

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

3.6

4.3, eerste lid

4.105 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.2 Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.7

4.3, eerste lid

4.106 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aangrenzend perceel

3.8

4.3, eerste lid

4.107 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Zelfde perceel

3.9

4.3, eerste lid

4.108 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.10

4.3, eerste lid

5.14 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

3.11

4.3, eerste lid

4.109 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.3 Beperking van galm, nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.12

4.3, eerste lid

4.110 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Geluidsabsorptie

3.13

4.3, eerste lid

4.111 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.14

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.4 Geluidwering tussen ruimten, nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.15

4.3, eerste lid

4.112 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Ander perceel

3.16

4.3, eerste lid

4.113 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde perceel

3.17

4.3, eerste lid

4.114 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie

3.17a

4.3, eerste lid

4.115 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.18

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

3.19

4.3, eerste lid

4.116 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.5 Wering van vocht

§ 3.5.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.20

4.3, eerste lid

4.117 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Wering van vocht van buiten

3.21

4.3, eerste lid

4.118 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Factor van de temperatuur

3.22

4.3, eerste lid

4.119 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Wateropname

3.23

4.3, eerste lid

4.120 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.24

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 3.5.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

3.25

4.3, eerste lid

3.63 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vocht van buiten

3.26

4.3, eerste lid

3.64 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Wateropname

3.27

4.3, eerste lid

3.65 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.6 Luchtverversing

§ 3.6.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.28

4.3, eerste lid

4.121 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Luchtverversing verblijfsgebied,

verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

3.29

4.3, eerste lid

4.122 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Thermisch comfort

3.30

4.3, eerste lid

4.123 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Regelbaarheid

3.31

4.3, eerste lid

4.124 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Luchtverversing overige ruimten

3.32

4.3, eerste lid

4.125 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Plaats van de opening

3.33

4.3, eerste lid

4.126 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Luchtkwaliteit

3.34

4.3, eerste lid

4.127 en 4.128

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.35

4.3, eerste lid

5.15 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

3.36

4.3, eerste lid

4.129 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 3.6.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

3.37

4.3, eerste lid

3.66 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

3.38

4.3, eerste lid

3.67 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Luchtverversing overige ruimten

3.39

4.3, eerste lid

3.68 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Luchtkwaliteit

3.40

4.3, eerste lid

3.70 en 3.71

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.7 Spuivoorziening

§ 3.7.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.41

4.3, eerste lid

4.130 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Capaciteit

3.42

4.3, eerste lid

4.131 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Plaats van de opening

3.43

4.3, eerste lid

4.132 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.44

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

3.45

4.3, eerste lid

4.133 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 3.7.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

3.46

4.3, eerste lid

3.72 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Capaciteit

3.47

4.3, eerste lid

3.73 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.8 Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas

§ 3.8.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.48

4.3, eerste lid

4.134 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

3.49

4.3, eerste lid

4.135 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Capaciteit

3.50

4.3, eerste lid

4.136 en 4.137

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Plaats van de opening

3.51

4.3, eerste lid

4.138 en 4.139

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Thermisch comfort

3.52

4.3, eerste lid

4.140 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Rookdoorlatendheid

3.53

4.3, eerste lid

4.141 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Stromingsrichting

3.54

4.3, eerste lid

4.136 en 4.137

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.55

4.3, eerste lid

5.16 Bbl

Geen overgangsrecht nodig

Tijdelijke bouw

3.56

4.3, eerste lid

4.142 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 3.8.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

3.57

4.3, eerste lid

3.74 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

3.58

4.3, eerste lid

3.75 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Capaciteit

3.59

4.3, eerste lid

3.76 en 3.77

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Rookdoorlatendheid

3.60

4.3, eerste lid

3.78 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Stromingsrichting

3.61

4.3, eerste lid

3.76 en 3.77

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.9 Beperking van de aanwezigheid van schadelijke stoffen en ioniserende straling

§ 3.9.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.62

4.3, eerste lid

6.25, 6.26 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Ministeriële regeling

3.63

-

-

Delegatiebepaling, niet ingevuld in regeling.

Bouwbesluit, geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.64

4.3, eerste lid

6.25, 6.26 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

3.65

4.3, eerste lid

6.25, 6.26 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 3.9.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

3.66

4.3, eerste lid

6.25 en 6.26

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Ministeriële regeling

3.67

-

-

Delegatiebepaling, niet ingevuld in regeling.

Bouwbesluit, geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.10 Bescherming tegen ratten en muizen

§ 3.10.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.68

4.3, eerste lid

4.143 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Openingen

3.69

4.3, eerste lid

4.144 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Scherm

3.70

4.3, eerste lid

4.145 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.71

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 3.10.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

3.72

4.3, eerste lid

3.79 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Openingen

3.73

4.3, eerste lid

3.80 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 3.11 Daglicht

§ 3.11.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

3.74

4.3, eerste lid

4.146 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Daglichtoppervlakte

3.75

4.3, eerste lid

4.147 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

3.76

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 3.11.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

3.77

4.3, eerste lid

3.81 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Daglichtoppervlakte

3.78

4.3, eerste lid

3.82 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoofdstuk 4 Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid

Afdeling 4.1 Verblijfsgebied en verblijfsruimte

§ 4.1.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

4.1

4.3, eerste lid

4.162 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

4.2

4.3, eerste lid

4.163 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte

4.3

4.3, eerste lid

4.164 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

4.4

4.3, eerste lid

5.17 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 4.1.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

4.5

4.3, eerste lid

3.88 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

4.6

4.3, eerste lid

3.89 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte

4.7

4.3, eerste lid

3.90 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 4.2 Toiletruimte

§ 4.2.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

4.8

4.3, eerste lid

4.165 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

4.9

4.3, eerste lid

4.166 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

4.10

-

-

Reeds vervallen in Bouwbesluit, geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen

4.11

4.3, eerste lid

4.167 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

4.12

4.3, eerste lid

5.18 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 4.2.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

4.13

4.3, eerste lid

3.91 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

4.14

4.3, eerste lid

3.92 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

4.15

-

-

Reeds vervallen in Bouwbesluit, geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen

4.16

4.3, eerste lid

3.93 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 4.3 Badruimte, nieuwbouw

Aansturingsartikel

4.17

4.3, eerste lid

4.168 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

4.18

4.3, eerste lid

4.169 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen

4.19

4.3, eerste lid

4.170 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

4.20

4.3, eerste lid

5.19 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 4.4 Bereikbaarheid en toegankelijkheid, nieuwbouw

Aansturingsartikel

4.21

4.3, eerste lid

4.179 en 4.183

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vrije doorgang

4.22

4.3, eerste lid

4.180 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vrije doorgang verkeersroute

4.23

4.3, eerste lid

4.181 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid toegankelijkheidssector

4.24

4.3, eerste lid

4.184, 4.185 en 4.186 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Integraal toegankelijke toilet- en badruimte

4.25

4.3, eerste lid

4.187 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bereikbaarheid toegankelijkheidssector

4.26

4.3, eerste lid

4.188 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoogteverschillen

4.27

4.3, eerste lid

4.182 en 4.189

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen liftkooi

4.28

4.3, eerste lid

4.190 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

4.29

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 4.5 Buitenberging, nieuwbouw

Aansturingsartikel

4.30

4.3, eerste lid

4.171 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen

4.31

4.3, eerste lid

4.172 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Regenwerend

4.32

4.3, eerste lid

4.173 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

4.33

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 4.6 Buitenruimte, nieuwbouw

Aansturingsartikel

4.34

4.3, eerste lid

4.174 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid

4.35

4.3, eerste lid

4.175 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

4.36

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 4.7 Opstelplaatsen

§ 4.7.1 Nieuwbouw

Aansturingsartikel

4.37

4.3, eerste lid

4.176 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

4.38

4.3, eerste lid

4.177 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen

4.39

4.3, eerste lid

4.178 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

4.40

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

§ 4.7.2 Bestaande bouw

Aansturingsartikel

4.41

4.3, eerste lid

3.94 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanwezigheid

4.42

4.3, eerste lid

3.95 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afmetingen

4.43

4.3, eerste lid

3.96 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoofdstuk 5 Technische bouwvoorschriften uit oogpunt van

energiezuinigheid en milieu, nieuwbouw

Afdeling 5.1

Energiezuinigheid, nieuwbouw

Aansturingsartikel

5.1

4.3, eerste lid

4.148 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Energieprestatiecoëfficiënt

5.2

4.3, eerste lid

4.149 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Thermische isolatie

5.3

4.3, eerste lid

4.152 en 4.153

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Luchtvolumestroom

5.4

4.3, eerste lid

4.154 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Onverwarmde

gebruiksfunctie

5.5

4.3, eerste lid

4.155 Bbl

Geen overgangsrecht nodig..

Verbouw

5.6

4.3, eerste lid

5.20 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

5.7

4.3, eerste lid

4.156 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 5.2 Milieu, nieuwbouw

Aansturingsartikel

5.8

4.3, eerste lid

4.158 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Duurzaam bouwen

5.9

4.3, eerste lid

4.159 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

5.10

4.3, eerste lid

5.4, tweede lid

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 5.3

Labelverplichting, bestaande bouw

Labelverplichting kantoorgebouw

5.11

4.3, eerste lid

3.87 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoofdstuk 6 Voorschriften inzake installaties

Afdeling 6.1 Verlichting, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.1

4.3, eerste lid

3.99 en 4.193

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verlichting

6.2

4.3, eerste lid

3.100 en 4.194

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Noodverlichting

6.3

4.3, eerste lid

3.101 en 4.195

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aansluiting op voorziening voor elektriciteit

6.4

4.3, eerste lid

3.102 en 4.196

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verduisterde ruimten

6.5

4.3, eerste lid

3.103 en 4.197

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

6.6

-

-

Reeds vervallen in Bouwbesluit, geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.2 Voorzieningen voor het afnemen en gebruiken van energie, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.7

4.3, eerste lid

3.105 en 4.198

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Voorziening voor elektriciteit

6.8

4.3, eerste lid

3.106 en 4.199

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Voorziening voor gas

6.9

4.3, eerste lid

3.107 en 4.200

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aansluiting op het distributienet voor elektriciteit, gas en warmte

6.10

4.3, eerste lid

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Afdeling 6.3 Watervoorziening, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.11

4.3, eerste lid

3.108 en 4.201

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Drinkwatervoorziening

6.12

4.3, eerste lid

3.109 en 4.202

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Warmwatervoorziening

6.13

4.3, eerste lid

3.110 en 4.203

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aansluiting op het distributienet voor drinkwater

6.14

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Afdeling 6.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.15

4.3, eerste lid

3.111 en 4.204

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afvoer van huishoudelijk afvalwater

6.16

4.3, eerste lid

3.112 en 4.205

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afvoer van hemelwater

6.17

4.3, eerste lid

3.113 en 4.206

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Terreinleiding

6.18

4.3, eerste lid

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Afdeling 6.5 Tijdig vaststellen van brand, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.19

4.3, eerste lid

3.114 en 4.207

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Brandmeldinstallatie

6.20

4.3, eerste lid

3.115, 3.116,

4.208, 4.209,

4.210, 6.32 en

2.6 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Rookmelders

6.21

4.3, eerste lid

3.117, 4.211,

5.24, 2.6 en

6.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.6 Vluchten bij brand, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.22

4.3, eerste lid

3.118 en 4.212

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Ontruimingsalarminstallatie en ontruimingsplan

6.23

4.3, eerste lid

3.119, 4.213,

4.214, 6.33,

2.6 en 6.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vluchtrouteaanduidingen

6.24

4.3, eerste lid

3.120 en 4.125

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Deuren in vluchtroutes

6.25

4.3, eerste lid

3.121, 3.122,

4.216 en 4.217

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Zelfsluitende deuren

6.26

4.3, eerste lid

3.123 en 4.218

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.7 Bestrijden van brand, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.27

4.3, eerste lid

3.124 en 4.219

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Brandslanghaspels

6.28

4.3, eerste lid

4.220 en 6.35

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Droge blusleiding

6.29

4.3, eerste lid

3.125 en 4.221

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bluswatervoorziening

6.30

4.3, eerste lid

3.126 en 4.222

Bbl

Wordt voor andere gebruiksfuncties dan tunnels opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Blustoestellen

6.31

4.3, eerste lid

3.127, 4.223 en 6.36 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem

6.32

4.3, eerste lid

6.36 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aanduiding blusmiddelen

6.33

4.3, eerste lid

3.127, 4.220,

4.223, 2.6 en

6.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Tijdelijke bouw

6.34

4.3, eerste lid

4.224 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.8 Bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.35

4.3, eerste lid

3.128 en 4.225

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Brandweeringang

6.36

4.3, eerste lid

3.129, 3.130,

4.226 en 4.227

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

6.37

4.3, eerste lid

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

6.38

4.3, eerste lid

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Brandweerlift

6.39

4.3, eerste lid

4.228 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten

6.40

4.3, eerste lid

3.131, 3.132,

4.229 en 4.230

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.9 Aanvullende regels tunnelveiligheid, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.41

4.3, eerste lid

3.133 en 4.231

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Uitrusting hulppost

6.42

4.3, eerste lid

3.134 en 4.232

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bedieningscentrale

6.43

4.3, eerste lid

3.135 en 4.233

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afvoer brandbare en giftige vloeistoffen

6.44

4.3, eerste lid

3.136 en 4.234

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verkeerstechnische aspecten tunnelbuis

6.45

4.3, eerste lid

3.137 en 4.235

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Communicatievoorzieningen

6.46

4.3, eerste lid

3.138 en 4.236

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aansluiting op noodstroomvoorziening

6.47

4.3, eerste lid

3.139 en 4.237

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.10 Bereikbaarheid van gebouwen voor personen met een functiebeperking, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.48

4.3, eerste lid

3.97 en 4.191

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bereikbaarheid van gebouwen voor personen met een functiebeperking

6.49

4.3, eerste lid

3.98 en 4.192

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.11 Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

6.50

4.3, eerste lid

3.140 en 4.238

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Voorkomen van veel voorkomende criminaliteit in een woongebouw

6.51

4.3, eerste lid

3.141 en 4.239

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.12 Veilig onderhoud gebouwen, nieuwbouw

Aansturingsartikel

6.52

4.3, eerste lid

4.240 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Veiligheidsvoorzieningen voor onderhoud

6.53

4.3, eerste lid

4.241 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.13 Technische bouwsystemen

Aansturingsartikel

6.54

4.3, eerste lid

5.21 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

6.55

4.3, eerste lid

5.21 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 6.14 Elektronische communicatie, nieuwbouw

Aansturingsartikel

6.56

4.3, eerste lid

4.244 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Toegangspunt

6.57

4.3, eerste lid

4.245 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Fysieke

binnenhuisinfrastructuur

6.58

4.3, eerste lid

4.246 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbouw

6.59

4.3, eerste lid

5.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoofdstuk 7 Voorschriften inzake het gebruik van bouwwerken open erven en terreinen

Afdeling 7.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

7.1

4.3, eerste lid

6.11 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Verbod op roken en open vuur

7.2

4.3, eerste lid

6.12 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel

7.3

4.3, eerste lid

6.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Aankleding

7.4

4.3, eerste lid

6.14 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Brandveiligheid inrichtingselement

7.5

4.3, eerste lid

6.15 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Brandgevaarlijke stoffen

7.6

4.3, eerste lid

6.4 Bbl

Voor het gedeelte binnen het bouwwerk geldt de specifieke zorgplicht brandveilig gebruik. Voor het gedeelte nabij het bouwwerk geldt dat de rijksregel vervalt en dat dat deel wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Indien er sprake is van een ‘bouwsel’ in de zin van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, is dat besluit van toepassing.

Brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen

7.7

4.3, eerste lid

6.4 Bbl

Het gedeelte voor binnen het bouwwerk komt terug in de specifieke zorgplicht brandveilig gebruik. Voor opslag in de open lucht geldt geen rijksregel op grond van het Bbl meer, maar is artikel 5.8 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen van toepassing.

Opslag in stookruimte

7.8

4.3, eerste lid

6.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Veilig gebruik verbrandingstoestel

7.9

4.3, eerste lid

6.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Restrisico brandgevaar en ontwikkeling van brand

7.10

4.3, eerste lid

6.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 7.2 Veilig vluchten bij brand, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

7.11

4.3, eerste lid

6.19 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hulp bij ontruiming van brand

7.11a

4.3, eerste lid

6.20 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Deuren in vluchtroutes

7.12

4.3, eerste lid

6.21 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Opstelling zitplaatsen en verder inrichting

7.13

4.3, eerste lid

6.22 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Gangpaden

7.14

4.3, eerste lid

6.23 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Beperking van gevaar voor letsel

7.15

4.3, eerste lid

6.24 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Restrisico veilig vluchten bij brand

7.16

4.3, eerste lid

6.4 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 7.3 Overige bepalingen veilig en gezond gebruik, nieuwbouw en bestaande bouw

Aansturingsartikel

7.17

4.3, eerste lid

6.1, 6.2 en 6.3

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Overbewoning

7.18

4.3, eerste lid

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Asbestvezels en formaldehyde

7.19

4.3, eerste lid

6.25 en 6.26

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Bouwvalligheid

7.20

4.3, eerste lid

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Zindelijke staat van bouwwerken, open erven en terreinen

7.21

4.3, eerste lid

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Restrisico gebruik bouwwerken, open erven en terreinen

7.22

4.3, eerste lid

-

Wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Kooldioxidemeter

7.23

4.3, eerste lid

3.142, 3.143, 3.144, 4.242 en 4.243 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoofdstuk 8 Bouw- en sloopwerkzaamheden

Afdeling 8.1 Het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden

Aansturingsartikel

8.1

4.3, eerste lid

7.1 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Veiligheid in de omgeving

8.2

4.3, eerste lid

7.15 en 7.38

Bbl

De eisen ter voorkoming van beschadiging of belemmering in de omgeving worden opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan.

Geluidhinder

8.3

4.3, eerste lid

7.17 en 7.39

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Trillingshinder

8.4

4.3, eerste lid

7.18 en 7.38

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Stofhinder

8.5

4.3, eerste lid

7.19 en 7.38

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Grondwaterstand

8.6

4.3, eerste lid

7.16 en 7.38

Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Veiligheidsplan

8.7

4.3, eerste lid

7.8 en 7.13 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Afdeling 8.2 Afvalscheiding

Aansturingsartikel

8.8

4.3, eerste lid

7.1 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Scheiden bouw- en sloopafval

8.9

4.3, eerste lid

7.24, 7.25 en

7.26 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingen

Algemeen overgangsrecht

9.1

Hoofdstuk 4 IwOw,

4.3, eerste lid

7a.3 Bbl

Algemeen overgangsrecht artikel 4.1 IwOw en IbOw, voor toekomstige wijzigingen geldt het algemene overgangsrecht in het Bbl (artikel 7a.3) tenzij hier bij de betreffende wijziging van wordt afgeweken.

Specifiek overgangsrecht

9.2

4.3, eerste lid

3.104 en 2.11

Bbl

Artikel 8.2.18 IbOw

(voor artikel 9.2 Bouwbesluit vierde en achtste lid), artikel 9.2, tiende lid, wordt opgenomen in de bruidsschat omgevingsplan. Onderdelen van artikel 9.2 Bouwbesluit zijn reeds materieel uitgewerkt voor inwerkingtreding van het Bbl.

Intrekking regelgeving

9.3

-

-

Intrekkingsregels IB.

Inwerkingtreding

9.4

-

8.1 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Citeertitel

9.5

-

8.2 Bbl

Geen overgangsrecht nodig.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.