3. Gezelschapsdieren
3.1. Opvang van gezelschapsdieren
3.1.1. Honden en katten
In totaal worden er in ons land 3,6 miljoen katten en bijna 1,8 miljoen honden gehouden. De circa honderd asielen vangen jaarlijks ruim 25.000 honden en 50.000 katten op. Nog steeds worden er dus meer katten dan honden opgevangen: voor elke hond komen er twee katten in het asiel terecht. De opvang in een asiel is tijdelijk. Het percentage honden dat teruggaat naar de eigenaar is groot: 72 procent. Bij de katten is dat slechts 13 procent. De cijfers uit Soest bevestigen dit beeld (zie onder). Het feit dat relatief veel meer honden dan katten een identificatie (chip of tatoeage) hebben en geregistreerd staan bij een databank, is vermoedelijk de oorzaak van het grote verschil tussen deze percentages. Voor honden en katten die niet teruggaan naar de eigenaar zoeken de asielen een nieuwe baas.
Aantallen honden en katten aangeleverd aan dierentehuis ’t Hart
2007
2008
2009
2010
Honden
33
47
51
56
Waarvan terug naar eigenaar
29
44
50
51
% terug
88%
94%
98%
91%
Katten
98
122
131
193
Waarvan terug naar eigenaar
25
40
36
30
% terug naar eigenaar
26%
33%
27%
16%
3.1.2. Kleine huisdieren en exotische dieren
In Nederland alleen al worden er ongeveer 600.000 kleine knaagdieren en 600.000 konijnen als huisdier gehouden. Nederland telt helaas steeds meer exotische huisdieren. De handel in deze dieren is omvangrijk. Bij tropische vissen ligt het importaantal rond de 40 miljoen per jaar. Het aantal reptielen/amfibieën ligt rond de 130.000 per jaar, waarvan circa 100.000 schildpadden.
Hoe gemakkelijk de aanschaf is van exotische dieren, zo problematisch is hun verzorging. De dieren leven hier in een ander (kouder) klimaat, vaak met een gebrek aan leefruimte. Veel exotische dieren overleven mede daardoor de Nederlandse huiskamer niet. De dieren die het wel overleven, krijgen het alsnog zwaar te verduren: papegaaien vereenzamen bijvoorbeeld en pikken zichzelf kaal van de stress, schildpadden hebben vaak ernstig te lijden onder een chronisch gebrek aan ruimte. Dit leidt er toe dat deze dieren uiteindelijk buiten worden achtergelaten. Zo komen in de vijvers van Overhees roodwangschildpadden voor.
3.1.3. Opvang zwerfdieren
De Dierenbescherming afdeling Eemland (werkgebied Soest, Baarn, Bunschoten, Eemnes) beschikt in Soest over Dierentehuis ’t Hart en de Vogelopvang Soest. In Dierentehuis ’t Hart worden de honden en katten uit Soest en Bunschoten opgevangen. Eemnes en Baarn laten hun vermiste honden en katten opvangen bij het dierenasiel van Crailo. Dierentehuis ’t Hart is erkend volgens de normen van de Landelijke Dierenbescherming. Daarnaast worden er incidenteel zoekgeraakte huisdieren opgevangen bij de Vogelopvang Soest. Bijzondere huisdieren, zoals reptielen, die buiten worden aangetroffen, worden doorverwezen naar gespecialiseerde opvangcentra.
3.1.4. Taken en verantwoordelijkheden
a.Opvangplicht gemeente
Gevonden dieren, die een eigenaar hebben (gehad), vallen volgens het Burgerlijk Wetboek (boek 5 art.8 lid 3) onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Een vinder van een zwerfdier is verplicht hiervan zo snel mogelijk aangifte te doen bij de gemeente. In theorie kan de vinder ervoor kiezen het dier vervolgens zelf te verzorgen. Het kan dan binnen een jaar zonder meer door de rechtmatige eigenaar worden opgeëist. Echter, logischer en passender is het om het dier in bewaring te geven via de gemeente. Dan zal op het dier de hiervoor speciaal in het leven geroepen regeling over gevonden dieren in het Burgerlijk Wetboek worden toegepast. Op grond daarvan is de gemeente verplicht een gevonden dier minimaal twee weken te bewaren en te verzorgen, behoudens zwaarwegende redenen om hiervan af te wijken. Deze twee weken geven de eigenaar de kans het dier terug te halen. Als de eigenaar zich niet binnen twee weken meldt, is de gemeente bevoegd het dier aan een ander te verkopen of te geven. De opvangplicht van de gemeente is niet beperkt tot honden en katten. Het gaat om alle gevonden dieren die vermoedelijk ergens nog een eigenaar hebben. Het kan dus ook gaan om een konijn of schildpad die is ontsnapt.
In de praktijk beschikt de gemeente dus niet zelf over eigen opvangmogelijkheden. Daarom is tussen de gemeente Soest en Dierenbescherming Eemland een contract afgesloten voor de opvang van zwerfdieren. Formeel draagt de gemeente de gevonden dieren dus over aan de Dierenbescherming Eemland, i.c. het asiel. Het asiel probeert de eigenaar van gevonden dieren te achterhalen, dan wel een nieuwe eigenaar te vinden. Dieren die vallen onder het CITES-verdrag (beschermde exoten) kunnen van rechtswege niet door de gemeente worden overgedragen aan de Dierenbescherming.
b.Preventie van zwerfdierenproblematiek
Daarnaast speelt een asiel ook een belangrijke preventieve rol bij zwerfdierenproblematiek. Mensen die afstand willen doen van hun dier, bijvoorbeeld in verband met allergie of verkeerde verwachtingen bij de koop van het dier, kunnen het naar een asiel brengen. Een asiel zal er vervolgens alles aan doen om voor dit zogenaamde afstandsdier een nieuwe eigenaar te vinden. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen hun dier in het bos aan een boom achterlaten en levert het asiel een bijdrage aan het voorkomen van een (te grote) zwerfdierenpopulatie die voor veel overlast in een gemeente kan zorgen (zie voor deze problematiek de paragraaf ‘Verwilderde exoten’). Voor deze preventieve rol verleent de gemeente Soest geen vergoeding.
c.Registratie en identificatie van vermiste huisdieren
Het is zowel uit financieel oogpunt als voor de eigenaar van belang dat gevonden dieren zo snel mogelijk teruggaan naar de eigenaar. Dierentehuis ’t Hart is voor de inwoners van de gemeente Soest een duidelijk centraal meld- en registratiepunt. Als de Dierenbescherming Eemland de eigenaar van een verloren dier niet kan vinden, wordt de Stichting AMIVEDI (Stichting voor gevonden en vermiste huisdieren) ingeschakeld, die vervolgens een oproep in de media plaatst om de eigenaar van het dier alsnog te vinden.
Zeker als een dier een identificatie heeft (chip, tatoeage, halsband met naam en adres etc.) is de kans groot dat de eigenaar zijn verloren dier terugkrijgt. Als de eigenaar zich binnen twee weken meldt, zal hij zijn huisdier weer mee kunnen nemen. Hij moet dan wel de kosten van verzorging en opvang vergoeden. Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) is van plan om het chippen van honden verplicht te stellen. Het plan is onderdeel van de Nota Dierenwelzijn. Het gaat om voorgenomen beleid. De Nota Dierenwelzijn (NDW) en de Nationale Agenda Diergezondheid (NAD) zijn samen met het voorstel Wet Dieren onderdeel van het 'drieluik' dieren. De streefdatum voor inwerkingtreding is verplaatst naar het najaar van 2011. Inwerkingtreding van de nieuwe regels is afhankelijk van goedkeuring door de Eerste Kamer en publicatie in het Staatsblad. De ministerraad en de Tweede Kamer hebben ingestemd met de Nota Dierenwelzijn. Het chippen van katten is niet verplicht.
c.Financiële aspecten
De Dierenbescherming Eemland ontvangt momenteel een jaarlijkse bijdrage van ca € 18.000,- per jaar van de gemeente Soest voor de opvang van zwerfdieren (dieren met een eigenaar). Het ligt voor de hand, dat de gemeente Soest voor de werkzaamheden van het asiel voor de opvang van zwerfdieren een redelijke vergoeding betaalt. De vraag is, hoe hoog die redelijke vergoeding moet zijn. De Dierenbescherming Eemland heeft laten weten dat de werkelijke kosten voor de opvang van zwerfdieren uit Soest aanmerkelijk hoger liggen dan de huidige vergoeding.
Actiepunt 3.1.
De gemeente moet bepalen wat zij verstaat onder een ‘redelijke vergoeding’ aan Dierenbescherming Eemland voor de opvang van zwerfdieren.
d.Faciliteren
Behalve met financiële vergoedingen kunnen gemeenten ook op andere manieren dierenopvang steunen. In het verleden heeft de gemeente Soest daarom, bij de bouw van de wijk Klein Engendaal, de verplaatsing van het oude dierenasiel naar de nieuwe locatie aan de Eemweg mogelijk gemaakt.
3.7. Hobbydieren
3.7.1. Schuilstallenbeleid
Hobbydieren worden vaak gehouden op gronden met als bestemming agrarisch gebied, zonder bouwblok. Een bouwblok is een stuk grond dat in het bestemmingsplan is aangewezen als zijnde grond waar op gebouwd mag worden. Afgezien van erfafscheidingen en kleine bouwwerkjes zoals bankjes, palen en masten was het oprichten van gebouwen, zoals een schuilstal in een weiland, bijna altijd in strijd met het bestemmingsplan. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening die op 1 juli 2008 in werking is getreden, biedt mogelijkheden om dieren die in de wei staan de nodige beschutting te geven. Gemeenten krijgen de mogelijkheid een eigen limitatieve lijst op te stellen voor ontheffingsmogelijkheden van het bestemmingsplan.
Voor wat betreft het toestaan van schuilstallen moet een dilemma worden opgelost: aan de ene kant wil de gemeente verrommeling van het buitengebied voorkomen maar anderzijds erkent de gemeente dat de bouw van schuilstallen belangrijk is voor het dierenwelzijn.
Bij een algeheel verbod op schuilstallen blijft het buitengebied vrij van bebouwing. Dit betekent echter dat in het kader van dierenwelzijn het houden van hobbydieren niet meer mogelijk is, tenzij de dieren worden gehouden in de directe omgeving van woningen in het buitengebied. Hobbydieren zullen daarmee deels uit het buitengebied verdwijnen en weilandjes zullen leeg komen te staan en braak komen te liggen. Als er toch hobbydieren worden gehouden zonder schuilstal, komt het dierenwelzijn in het geding. Een ander uiterste is het onbeperkt verlenen van vergunningen voor het plaatsen van schuilstallen. Op deze manier kan er zorg gedragen worden voor een goede huisvesting van hobbydieren in het buitengebied en komt het dierenwelzijn niet in het gedrang. Het gevaar is echter dat verrommeling van het buitengebied plaatsvindt: overal bouwseltjes, bouwwerken, soms van ondeugdelijke kwaliteit, wat het dierenwelzijn ook niet altijd ten goede komt.
De gemeente Soest beschikt op dit moment niet over een schuilstallenbeleid. In een op te stellen beleidsnotitie zou een compromis gezocht kunnen worden tussen beide belangen, door een diervriendelijk beleid te formuleren ten aanzien van het verlenen van vergunningen voor schuilstallen voor hobbydieren en tegelijkertijd in het beleid rekening te houden met ruimtelijke ordening. Uitgangspunten:
o Het moet mogelijk zijn hobbydieren te houden in het buitengebied, enerzijds om de behoefte hieraan te faciliteren, anderzijds omdat dieren in de wei bijdragen aan het karakter van het buitengebied en op een natuurlijke manier de weilanden onderhouden.
o Het moet mogelijk zijn om in het kader van dierenwelzijn de hobbydieren adequate huisvesting te bieden in het buitengebied.
o Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen kunnen er eisen worden gesteld aan omvang en het materiaal waarvan de schuilstallen worden gemaakt. Ook kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van beplanting rond de stallen.
Actiepunt 3.7.1
In het nieuwe Bestemmingsplan Landelijk Gebied zullen regels worden opgenomen waardoor schuilstallen zijn toegestaan voor de huisvesting van hobbydieren.
3.7.2. Gezelschap hobbydieren
Een wei met soortgenoten is nog altijd de beste plek voor hobbyhuisdieren, zowel uit het oogpunt van dierenwelzijn als uit het oogpunt van diergezondheid. De meeste hobbydieren zijn kuddedieren. De kleinst mogelijke kudde is dus een kudde van twee dieren. Onderzoek heeft aangetoond dat dieren die veel kunnen bewegen en de hele dag door kunnen grazen minder gezondheidsklachten hebben en bovendien vrij zijn van stereotiep gedrag. Vaak wordt aangenomen dat het dierenwelzijn bij hobbymatig gehouden dieren beter is geborgd dan bij bedrijfsmatig gehouden dieren, omdat de dieren vaak meer ruimte hebben en in veel kleinere aantallen worden gehouden. Maar dat blijkt lang niet altijd het geval te zijn. De welzijnsproblemen worden hier meestal veroorzaakt door onwetendheid; er is vaak sprake van een kennislacune. De houder kent bijvoorbeeld niet altijd de natuurlijke behoeftes van een dier of onderkent niet snel genoeg een ziekte bij een dier.
Taken en verantwoordelijkheden
Om het dierenwelzijn van hobbymatig gehouden dieren te verbeteren heeft de Minister van LNV (nu EL&I) op zich genomen om samen met de samenwerkende hobbydierorganisaties, zoals het Platform Kleinschalige Schapen– en Geitenhouderij en de Nederlandse werkgroep voor hobbymatig gehouden pluimvee en parkvogels te zorgen voor gerichte informatievoorziening over dierenwelzijn voor de doelgroep (Nota Dierenwelzijn, LNV 2008).
4. Gebruik van dieren voor vermaak
4.2. Rol van de gemeente
4.2.1. Motief openbare orde en veiligheid
De meeste gemeenten hebben een regeling voor grote evenementen conform het VNG-model in verband met de risico’s voor de openbare orde en veiligheid. Ook de gemeente Soest heeft een dergelijke regeling (APV 2007, art 2.2.2) Dit betekent dat de gemeente de aanvragen voor een vergunning voor het houden van een evenement met dieren moet beoordelen aan de hand van vier vragen (weigeringsgronden):
a.Leidt het evenement tot een verstoring van de openbare orde?
b.Veroorzaakt het evenement (onaanvaardbare) vormen van overlast?
c.In hoeverre wordt de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen door het evenement bedreigd?
d.Wordt met het evenement de openbare zedelijkheid of gezondheid op een of andere wijze aangetast?
Omdat dierenwelzijn niet als aparte weigeringsgrond is opgenomen in de APV, kan de gemeente vergunningen voor evenementen weigeren op grond van veiligheid van personen en goederen of de openbare zedelijkheid of gezondheid. Het is goed voorstelbaar dat een loslopende olifant of kameel schrikt en onverwacht gedrag vertoont. Het blijven tenslotte wilde dieren. Een olifant, bijvoorbeeld, kan 3000 tot 5000 kilo wegen. Als iemand per ongeluk tussen een olifant en een muur komt te staan, dan is een enkele beweging van het dier al voldoende deze persoon te doden.
4.2.2. Motief dierenwelzijn
De gemeente kan op grond van de evenementenregeling in de APV evenementen met dieren toetsen aan de genoemde weigeringsgronden. Op basis hiervan kan zij evenementen verbieden als er gevaar dreigt voor de openbare orde. Dit is echter een indirecte manier om binnen de gemeente grenzen te stellen aan evenementen met dieren.
De Dierenbescherming is voorstander van het opnemen van dierenwelzijn als weigeringsgrond voor vergunningaanvragen. Juridisch is dat echter niet mogelijk. Gemeenten hebben namelijk een autonome regelgevende bevoegdheid, die onder meer wordt begrensd door regelingen van hogere overheden. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is zo’n wet. Deze wet is uitputtend bedoeld voor dierenwelzijn en vanuit het gemeenterecht vloeit voort dat gemeenten niet bevoegd zijn om vanuit het oogpunt van dierenwelzijn autonome regels over dieren te stellen. Gemeenten hebben wél de bevoegdheid om met andere oogmerken regels te stellen inzake dieren, mits deze regels niet in strijd zijn met de normen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Zo kunnen zij wel regels stellen over bijvoorbeeld circussen in het belang van de openbare orde of veiligheid.
Wij stellen voor de ontwikkelingen op het gebied van evenementen met dieren te volgen en ons uit te spreken tegen het optreden van dieren als vermaak. Voorgesteld wordt om zodra zich ontwikkelingen op dit gebied voordoen en een aparte weigeringgrond geformuleerd kan worden m.b.t. het gebruik van dieren ter vermaak, deze verandering doorgevoerd wordt bij de eerstvolgende herziening van de APV.
Actiepunt 4.3.2
De gemeente Soest is van mening, dat evenementen met dieren voor vermaak strijdig zijn met het dierenwelzijn en zal daarom de APV aanpassen zodra dierenwelzijn als weigeringsgrond juridisch mogelijk wordt.
4.3. “Volksvermaak” en promotieactiviteiten
4.3.1. Evenementen met dieren
Soms worden er evenementen georganiseerd ter vermaak, zoals ‘zwientietikken’, of dieren worden ingezet voor reclamedoeleinden en promotieactiviteiten, zoals een het openen van een winkel waarbij gebruik wordt gemaakt van een olifant. In het algemeen wijzen voorstanders naar wredere dierenkwellingen of dierensporten en stelt, dat bij 'dergelijk onschuldig' volksvermaak zelden dieren doodgaan. Dit is natuurlijk geen geldig argument. Bij bepaalde evenementen worden dieren namelijk wel degelijk lichamelijk gekweld en bij andere raken ze behoorlijk gestrest doordat ze in een voor hen zeer onnatuurlijke, onrustige situatie worden geplaatst. Tevens is van dergelijke evenementen bekend, dat het veelal slecht gesteld is met transport, huisvesting, verzorging, toezicht en dergelijke.
Actiepunt 4.4.1
De gemeente Soest is van mening dat bijvoorbeeld kamelen of olifanten niet in een winkelstraat thuishoren. Daarbij kan bij deze evenementen ook de veiligheid van personen en goederen en de openbare zedelijkheid of gezondheid in het geding komen. De gemeente Soest zal daarom in voorkomende gevallen geen vergunning afgeven voor evenementen met dieren.
4.3.2. Sierduiven
Naast het niet erkennen van de waarde van het dier zelf zijn er concrete bezwaren tegen het gebruik van sierduiven voor bijvoorbeeld trouwerijen en begrafenissen. Veel sierduiven vinden de weg naar huis niet terug. De duif zal in het wild niet kunnen overleven en is ten dode opgeschreven als niemand zich over hem ontfermt. Als iemand zich wel ontfermt over een gevonden duif die ‘alleen maar’ uitgeput is, wordt het dier meestal door de dierenambulance opgehaald. Het komt voor dat verdwaalde dieren ergens tegenaan vliegen. Het gevolg is dikwijls een grote wond op de borst, kapotte of gebroken vleugels of beschadigde kop en/of pootjes. De gewonde of zieke dieren worden naar de dichtstbijzijnde dierenarts of naar de Vogelopvang gebracht. Naast de zorg om het welzijn van de dieren is er sprake van onkosten die veelal niet verhaald kunnen worden op de eigenaar omdat die niet bekend is.
Taken en verantwoordelijkheden
Er bestaat geen landelijk verbod op het loslaten van sierduiven. Wel is het mogelijk lokaal een verbod in te stellen. De gemeente Gouda heeft bijvoorbeeld besloten het loslaten van sierduiven niet meer toe te staan.
Huidige situatie
Het loslaten van sierduiven bij een huwelijk in het gemeentehuis komt 1 a 2x per jaar voor. Een heel enkele keer is het gebeurd, dat de duiven ‘bleven hangen’ en de weg terug niet kunnen vinden. In dat geval leidde een telefoontje naar het bruidspaar ertoe, dat de eigenaar van de duiven ze ophaalde.
De huidige APV heeft geen artikel over duiven. In verband met het streven naar deregulering wordt er van afgezien alsnog een verbod voor het gebruik van sierduiven in te stellen. In de huwelijksgids, die aanstaande bruidsparen ontvangen, zou een passage opgenomen kunnen worden waarin zij worden gewezen op de risico’s voor het dierenwelzijn als sierduiven de weg terug niet vinden en kan worden geadviseerd om als alternatief postduiven te gebruiken.
Actiepunt 4.4.2
In de huwelijksgids voor aanstaande bruidsparen zal een passage worden opgenomen, waarin zij worden gewezen op de risico’s voor het dierenwelzijn, als sierduiven de weg terug niet vinden. Postduiven zijn wellicht een alternatief.
4.3.3. Levende kerststallen
In ‘levende kerststallen’ worden levende dieren gebruikt die bijvoorbeeld worden gehuurd bij een dierenverhuurbedrijf. Vaak is er sprake van een provisorisch en zeer beperkt onderkomen. Deze tijdelijke huisvesting kan moeilijk voldoen aan de behoeften van de dieren in kwestie. Het is bijvoorbeeld onmogelijk dat dieren zich op een natuurlijke wijze gedragen. Ze kunnen niet op natuurlijke wijze reageren op allerlei omstandigheden zoals muziek, veel mensen, drukte en lawaai. Dit is een grote stressfactor voor de dieren. Daarbij is de veiligheid van de dieren een zorg.
Taken en verantwoordelijkheden
Vanuit dierenwelzijnsoptiek verdient het de voorkeur om kerststallen in te richten zonder levende dieren. Maar andere overwegingen kunnen aanleiding zijn om toch vergunning te verlenen. Als dit gebeurt zullen aan de vergunning de volgende voorwaarden worden verbonden:
o Er moet voldoende water en voer beschikbaar zijn.
o De dieren moeten op een zachte ondergrond kunnen staan.
o De afstand tot het publiek moet voldoende zijn zodat de dieren zich kunnen terugtrekken als ze niet aangeraakt willen worden.
o Als de kerststal zich op openbaar terrein bevindt is permanente bewaking, ook ’s nachts, verplicht.
Huidige situatie
Een vergunning voor een levende kerststal is alleen aan de orde, als die kerststal te beschouwen is als een ‘evenement’, zijnde een ‘voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak’ (art 2.2.1 APV). Een kerststal is echter geen ‘verrichting’. Als een levende kerststal nauw gelieerd is aan een religieuze bijeenkomst (Kerstnachtdienst), is geen sprake van ‘vermaak’. Er zijn wel vergunningen verleend voor een levende kerststal als onderdeel van een groter evenement. Daarbij zijn tot nu toe geen eisen gesteld aan de inrichting van de levende kerststal.4
Actiepunt 4.4.3
Als een levende kerststal onderdeel is van een evenement, zullen aan de evenementenvergunning de bovengenoemde voorwaarden worden gesteld.
4.3.4. Circussen
Circusacts met dieren zijn omstreden. Volgens sommigen vormen zij een grove aantasting van het dierenwelzijn. De dieren kunnen hun normale gedragspatroon niet uitvoeren. Sociaal levende dieren leven soms in eenzame opsluiting. Dit wordt versterkt doordat de dieren dikwijls het hele jaar gehuisvest worden in kooien die bedoeld zijn voor transport. Ook het transport van circusdieren kan veel te wensen overlaten vanuit een oogpunt van dierenwelzijn. De training van circusdieren laat eveneens soms te wensen over. Er zijn tot nu toe geen eisen gesteld aan de trainingsmethoden.
Taken en verantwoordelijkheden
De Landelijke Dierenbescherming zou graag zien dat gemeenten bij het verlenen van een vergunning aan een circus de voorwaarde oplegt dat geen dierennummers in het programma voorkomen. Er zijn diverse circussen die amusement brengen zonder daarbij dierenleed te veroorzaken omdat er geen acts worden opgevoerd met gebruik van dieren. De minister van LNV heeft in 2008 een onderzoek laten uitvoeren naar het dierenwelzijn van circusdieren. Naar aanleiding van dat rapport heeft de minister gesteld dat de huidige regelgeving niet toereikend is. Zij wil nu wel specifieke regelgeving ontwikkelen op het gebied van verzorging en huisvesting en eisen stellen aan de kennis van verzorgers. Gemeenten kunnen dan geen vergunningen weigeren vanwege een eventuele aantasting van dierenwelzijn, maar ze kunnen controleren of circussen (of organisatoren van andere evenementen) zich aan de regels houden. De gemeente heeft dus geen ruimte om regels te stellen over het welzijn van circusdieren. (zie ook hierboven onder 4.3.1 en 4.3.2). De gemeente kan alleen de criteria openbare orde/veiligheid/gezondheid gebruiken om evenementen met dieren te beoordelen.
Huidige situatie
Wat dieren in circussen betreft heeft de gemeente Soest een paar jaar geleden (naar aanleiding van brieven van dierenbelangenbehartigers) besloten om circussen met dieren niet te weigeren. Als meerdere circussen op grond van (andere) criteria in aanmerking komen voor een vergunning en de ene werkt met (wilde) dieren en de andere niet, dan zal de voorkeur worden gegeven aan het dierloze circus. Het is dus een keuzecriterium in laatste instantie.
5. Dieren in nood
5.1. Opvang van dieren in nood
5.1.1. Dierenambulance
In veel gemeenten zijn dierenambulances actief. Hun belangrijkste functie is het vervoeren van gewonde en zieke dieren naar de dierenarts. Andere taken zijn het ophalen en onderbrengen van zwerfdieren, het ophalen van kadavers (zie paragraaf 2.2) en het vervoer van dode dieren naar een crematorium of begraafplaats. Ook kunnen (oudere of gehandicapte) inwoners van de gemeente doorgaans een beroep op hen doen voor het vervoer van hun huisdier naar de dierenarts. De meeste dierenambulances hebben goede contacten met politie, brandweer, plaatselijke dierenartsen en verschillende soorten opvangcentra. Een dierenambulance is in de zin van de wet geen officieel hulpvoertuig, maar een ‘gewone’ verkeersdeelnemer. Een dierenambulance mag geen sirene of blauw zwaailicht voeren.
De Dierenambulance Eemland is een werkorganisatie van de Dierenbescherming Eemland, die hen financieel ondersteunt. De ambulance wordt bemand door vrijwilligers. De dierenambulance is via de Dierenbescherming Eemland aangesloten bij de Federatie Dierenambulances Nederland (FDN). Aansluiting bij de FDN betekent dat men voldoet aan de voorschriften die door de FDN zijn opgesteld. Dit houdt onder andere in dat de ambulance 24 uur per dag beschikbaar is, uitrijdt voor alle dieren en dat er tussen ambulancediensten afspraken zijn gemaakt over het werkgebied. Lidmaatschap van de FDN geeft dus een bepaalde waarborg. Er bestaat geen landelijke wetgeving voor het exploiteren van een dierenambulance.
De Dierenambulance Eemland maakte in 2010 in totaal 2072 ritten in het gehele werkgebied, waarvan er 803 betrekking hadden op de gemeente Soest.
Taken en verantwoordelijkheden
De wettelijke taak van de gemeente bestaat uit het twee weken bewaren en verzorgen van gevonden (huis)dieren die zijn aangegeven en in bewaring zijn gegeven bij de gemeente (Burgerlijk Wetboek: boek 5 art.8 lid 3). Voor in het wild levende dieren heeft de gemeente geen wettelijke verplichting. De Landelijke Dierenbescherming is van mening dat het logisch is, dat als een dier rondzwerft of gewond is, de gemeente ook de zorg voor het vervoer naar een dierenarts of een opvang op zich neemt. Deze interpretatie maakt vervoer een taak die voortvloeit uit de bewaar- en verzorgingsplicht van de gemeente.
5.1.2. Opvang van in het wild levende dieren
In het wild levende dieren kunnen in nood komen. Ze kunnen bijvoorbeeld vastzitten in prikkeldraad, gewond raken door het verkeer of hoogspanningsmasten, worden vergiftigd of vastvriezen in het ijs. Volgens het Burgerlijk Wetboek behoren in het wild levende dieren tot de zogenaamde “res nullius” (zaak van niemand). In de Flora- en faunawet, artikel 2, is een zorgplicht voor iedereen vastgelegd voor in het wild levende dieren. Artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kent eveneens een zorgplicht. Op basis van die bepaling is iedere burger verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen. Deze bepaling geldt zowel voor gehouden als in het wild levende dieren.
Vaak zal de vinder van een gewond dier de dierenambulance inschakelen. Vervolgens zal het dier worden overgebracht naar een professioneel opvangadres of worden bevrijd en teruggezet in de vrije natuur. Als het om ernstige verwondingen gaat, zal er een beroep gedaan moeten worden op een dierenarts. Aan al deze handelingen zijn kosten verbonden. Vooral bij in het wild levende dieren speelt de vraag wie deze kosten op zich neemt. In de praktijk worden deze kosten nu soms gedeeld door de dierenarts en de Dierenbescherming Eemland.
Opvang van in het wild levende dieren
In de Vogelopvang Soest worden gewonde vogels en (gevonden) knaagdieren opgevangen. De opvang van vogels bestrijkt de provincie Utrecht en een deel van de provincie Flevoland. De volgende aantallen vogels werden opgevangen:
Opvang vogels bij Vogelopvang Soest
2008
2009
2010
Opgevangen vogels in gehele werkgebied van de vogelopvang
2221
1359
2041
Opgevangen vogels uit regio Eemland
1181
De opvang van vogels betreft vooral de opvang van in het wild levende vogels. Het gaat hier dus meestal niet om zwerfdieren (dieren met een eigenaar) die volgens het Burgerlijk Wetboek onder de ‘gevonden voorwerpen’ vallen, en waarvoor de gemeente een regeling moet treffen.
Voor bijzondere dieren, zoals egels, padden, slangen, eekhoorns verwijst de Vogelopvang door naar gespecialiseerde opvangcentra, zoals de reptielenopvang in Lelystad, of het Dierenpark Amersfoort. Op dit moment bestaat er geen egelopvang meer in de provincie Utrecht, vanwege exploitatietekorten en hoge kwaliteitseisen, die het ministerie van EL&I stelt aan dergelijke opvang. Er is wel een egelopvang in Naarden. In de Stoethoeve aan de Birkstraat zijn de afgelopen winter (2010-2011) egels opgevangen op verzoek van de egelopvang Naarden. Er zijn tot op heden geen afspraken tussen de gemeente Soest en dit opvangcentrum.
c.Financiën
Met de opvang van in het wild levende dieren zijn de kosten gemoeid voor Dierenambulance, de dierenarts en de opvang. De jaarlijkse kosten worden door de Dierenbescherming Eemland geraamd op ca € 5900,- per jaar. De gemeente geeft hiervoor momenteel geen vergoeding.
De vraag is in hoeverre de gemeente de maatschappelijke taak heeft om organisaties te steunen die de opvang en verzorging van deze dieren op zich nemen. Denk bijvoorbeeld aan de opvang van egels. Zij kan hiermee wellicht voorkomen dat burgers deze dieren aan hun lot overlaten omdat zij niet weten wat te doen of uit vrees voor de hoge kosten die aan opvang verbonden zijn.
Actiepunt 5.1
De gemeente moet – bij voorkeur in samenspraak met buurgemeenten - bepalen in hoeverre zij het tot haar verantwoordelijkheid rekent om in het wild levende dieren op te vangen.
5.2. Brand en rampen
5.2.1. Gemeentelijk rampenplan
Taken en verantwoordelijkheden
De brandweer heeft de wettelijke taak om bij calamiteiten en rampen te zorgen voor het veilig stellen van mens én dier. De burgemeester heeft het opperbevel over de brandweer. In geval een calamiteit uitgroeit tot een regionale of nationale ramp, valt het opperbevel onder de Commissaris van de Koningin of zelfs onder de Minister van Binnenlandse Zaken.
Elke gemeente moet een rampenplan opstellen. Dit is een inventarisatie van de risico’s die in een (gemeentelijk) gebied redelijkerwijs kunnen voorkomen. Tevens moet de gemeente een rampenbeheersingsplan opstellen. Dat is een plan waarin de maatregelen in geval van een ramp nader zijn uitgewerkt en waarin de gezamenlijke inzet van politie, brandweer en ambulancedienst is geregeld. Belangrijk is dat in het gemeentelijk rampenbeheersingsplan ook aandacht wordt geschonken aan dieren in geval van een ramp of calamiteit. Het moet bij rampen vanzelfsprekend zijn dat ook geprobeerd wordt de dieren in veiligheid te brengen. Daarmee kan ook menselijk leed worden voorkomen. Bovendien wordt voorkomen dat mensen hun geliefde huisdier gaan redden en daarmee zelf in de problemen komen. Daarnaast kunnen ontsnapte dieren (denk aan honden, maar bijv. ook slangen) reddingsoperaties bemoeilijken. Belangrijke punten die in het rampenbeheersingsplan minimaal geregeld dienen te worden zijn:
o Plaatsen waar dieren opgevangen kunnen worden. Dit zullen in het algemeen de bestaande opvangadressen voor dieren zijn, met uitwijkmogelijkheden naar opvangadressen in nabijgelegen gemeenten.
o Personen en diensten die ingezet kunnen worden voor het vangen en verzamelen van dieren. Als het goed is, maken deze ook de rampenoefeningen mee.
o De aanwezigheid van voldoende materiaal om dieren te vangen, te vervoeren en eerste hulp en verzorging te geven.
o Een systeem voor identificatie en registratie van de opgevangen dieren.
o Een draaiboek inzake de afstemming van taken tussen verantwoordelijke personen en diensten.
o Bij zowel het rampenplan als het rampenbeheersingsplan wordt uitgegaan van rampen waarbij mensen en dieren betrokken zijn.
Huidige situatie
In het vigerende rampenplan voor de Gemeente Soest (Draaiboek 19, Opvang en verzorging, deel 4, 30 november 2009) wordt in hoofdstuk 6 expliciet aandacht besteed aan de opvang en verzorging van dieren bij een ramp. Dierenambulances uit de regio worden ingeschakeld, er is aandacht voor de verzorging van de dieren en voor de registratie ten behoeve van de eigenaren. Het rampenplan blijkt echter niet bekend te zijn bij de vertegenwoordigster van de Dierenbescherming Eemland.
Actiepunt 5.2.1
Het rampenplan Gemeente Soest zal bekend worden gemaakt bij Dierenbescherming Eemland.
5.2.2. Brandpreventie
De algemene vertaling van het bestaansrecht van de brandweer is "het redden van mens en dier". Deze algemene vertaling is nader uitgewerkt in het beheersbaar houden van een brand, het veilig kunnen vluchten (van mensen) en het veilig kunnen optreden van de brand.
Het beheersbaar houden van de brand heeft alles te maken met hoe groot het bouwwerk is en hoe dit is opgedeeld in zogenaamde brandcompartimenten, waarbij de inzet van de brandweer er altijd op gericht zal zijn om uitbreiding (naar een ander brandcompartiment) te voorkomen. Deze repressieve inzet is onlosmakelijk verbonden met preventie. Immers, als op de bouwplantekening (onverantwoord) grote brandcompartimenten zijn weergegeven kunnen repressief gezien geen wonderen van de brandweer worden verwacht. Wanneer het bovenstaande wordt geprojecteerd op dierverblijven zal de brandweer bij de bouwplantoetsing geen stallen toestaan die over een maximale grootte van een brandcompartiment heen gaan. Mocht een veehouder groter willen bouwen, dan zal hij zijn dierenverblijf moeten splitsen in brandcompartimenten. Hierdoor heeft de brandweer de mogelijkheid om bij een brand te voorkomen dat een brand zich uitbreidt naar een ander brandcompartiment (lees dierverblijf). Hierdoor is het mogelijk om zowel het gebouw als ook de dieren die er in verblijven te redden. Ook zal bij deze preventieve toets gekeken worden of er voldoende bluswater in de directe omgeving aanwezig is om een snel optreden van de brandweer te kunnen realiseren (voldoende water op het vuur binnen een bepaald tijdsbestek).
De preventieve maatregelen, die worden meegenomen in de preventieve toetsing van dierverblijven, zijn verwoord in het document "model-beleidsregel Grote Brandcompartimenten en Dierverblijven" die door de Veiligheidsregio Utrecht is vastgesteld op 14 juni 2007. Het district Eemland, waar Soest onder valt, zal bij de toetsing van dierverblijven deze model-beleidsregel volgen.
Voor de Brandraad 09 is in 2009 een verkenning uitgevoerd naar branden in dierenverblijven. Uit deze studie bleek dat bovenstaande model-beleidsregel het maximale doet, wat de brandweer op grond van de bestaande regelgeving mag eisen, behalve op één punt: Branden ontstaan vaak in of bij de technische installaties. Door te eisen dat deze installaties in het vervolg in een afzonderlijk brandcompartiment worden ondergebracht kan beter worden voorkomen dat de brand overslaat naar het dierverblijf.
Verder is in 2010 door studenten van Hogeschool van Hall-Larenstein een onderzoek uitgevoerd genaamd: ‘Brand in veestallen, onderzoek naar de omvang, oorzaken, preventie en bestrijdingsmogelijkheden van brand in rundvee-, varkens- en pluimveestallen.’ Uit dit onderzoek bleek dat er nog wel het een en ander te verbeteren valt op het gebied van brand in veestallen. De voorstellen zullen echter eerst in landelijke regelgeving moeten worden vertaald voordat het district Eemland er uitvoering aan kan geven.
Actiepunt 5.2.2.
In de "model-beleidsregel Grote Brandcompartimenten en Dierverblijven" (vastgesteld op 14 juni 2007) zal worden opgenomen dat de technische installaties in een afzonderlijk brandcompartiment moeten worden ondergebracht.
6. In het wild levende dieren
6.2. Overlastgevende dieren
6.2.1. Watervogels
Dat zich groepen overlastgevende vogels binnen de bebouwde kom bevinden, zoals ganzen en eenden, is vermoedelijk veroorzaakt doordat een aantal van hen is uitgezet door mensen die ze niet meer wilden houden. Deze dieren kunnen zich ‘in het wild’ goed handhaven als ze op plaatsen leven waar voldoende voedsel en schuilplaatsen zijn. Ze zullen zich dan voortplanten. Hierdoor groeit de populatie per saldo.
Onderstaande aanbevelingen gaan alleen over verwilderde gedomesticeerde ganzen, de zogenaamde ‘boerenganzen’ en niet over grauwe ganzen of andere inheemse beschermde soorten. Boerenganzen zijn in principe niet beschermd en mogen gevangen worden. Het zijn van oorsprong gedomesticeerde dieren. Ze zijn gedumpt of ontsnapt uit parken. Vermoedelijk is hun aanwezigheid het gevolg van het feit dat de dieren het er prettig vinden: er is rust, water en voedsel. Bovendien worden de dieren vaak gevoerd door passanten.
Preventie
Het heeft de voorkeur om de dieren te laten waar ze zijn. Het voeren dient beperkt te worden. De ganzen mogen niet overvoerd worden en alleen op een plek worden gevoerd waar ze geen kwaad kunnen. Een populatie kan qua conditie en omvang in de hand worden gehouden door nestbeheer. In het voorjaar, als de dieren een nest hebben, kunnen de eieren vervangen worden door nepeieren. De eieren kunnen ook geolied of geschud worden en weer teruggelegd in het nest. Deze behandeling moet altijd binnen de eerste twee weken gebeuren nadat het legsel compleet is en de gans begint met broeden. In deze periode is er nog geen sprake van de ontwikkeling van een kuiken in het ei.
Vangen en herplaatsen
Als het echt niet anders kan en de dieren niet meer worden getolereerd op de plaats waar ze leven, kunnen ze verplaatst worden. Ze mogen niet ergens anders in het veld worden uitgezet, dat is wettelijk verboden. Ze zullen dus verplaatst moeten worden naar bijvoorbeeld een opvangadres of een particulier. Voorwaarde is dan wel dat het daar een geschikte omgeving is voor de ganzen, dat ze voedsel hebben en dat ze op de nieuwe plek geen overlast veroorzaken.
Verjagen van ganzen heeft nauwelijks zin, omdat de dieren moeilijk vliegen en daarom niet ver weg gaan. De overlast verplaatst zich dan en het verjagen zelf zal bij de ganzen veel stress veroorzaken.
Huidige situatie
In de gemeente Soest worden de nesten van ganzen en eenden in de wijken Klaarwater en Overhees regelmatig geschud door medewerkers van de gemeente. Het zoeken van de nesten is echter zeer arbeidsintensief en tijdrovend. Het lukt daarom niet altijd om de populaties op het gewenste niveau te houden.
De gemeente Soest en het Waterschap hebben streefbeelden voor de vijvers vastgesteld (zie ook 6.1). De streefbeelden hebben een direct verband met de waterkwaliteit. De waterkwaliteit heeft op haar beurt een direct verband met uitwerpselen van ganzen en eenden. Onderzoek heeft uitgewezen dat uitwerpselen van vooral eenden de waterkwaliteit zeer nadelig beïnvloeden. Het is daarom van belang de eenden/ganzen populatie te reguleren als de streefbeelden voor de vijvers behaald willen worden. Bewoners kunnen hier een belangrijke bijdrage aan leveren door het “eendjes voeren” ook te reguleren.
In extreme winters, als de vijvers dichtgevroren raken, worden door de gemeente (afdeling Realisatie) wakken in het ijs opengehouden en worden de watervogels bijgevoerd. Dit is uiteraard een tijdelijke maatregel om de dieren de winter te laten overleven.
Actiepunt 6.2.1
In het kader van het Waterplan zullen bezoekers geïnformeerd worden over de nadelige effecten van het voeren van eenden en ganzen. De inrichting van de vijvers met een hogere ecologische waarde zullen worden ingericht met natuurlijke oevers en worden voorzien van borden die het eendjes voeren tegengaan.
6.2.2. Duiven
Door allerlei oorzaken is het aantal duiven in de bebouwde kom de afgelopen jaren toegenomen. Duivenoverlast bestaat vooral uit lawaai en vervuiling door uitwerpselen. Ook ontstaat er soms schade aan gebouwen door uitwerpselen en nestafval. Stadsduiven vormen overigens geen gevaar voor de volksgezondheid. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het risico dat ziekten via stadsduiven worden overgedragen op mensen en andere dieren gering is.
Veel gemeenten zijn actief bezig om het aantal duiven terug te brengen. Er worden diverse methoden gebruikt. Het vangen en vervolgens doden van duiven is een dieronvriendelijke methode die bovendien niet effectief is. In betrekkelijk korte tijd blijkt de populatiegrootte weer op het oude niveau te liggen. De meest diervriendelijke methode om duivenoverlast tegen te gaan is een gecontroleerd voedselaanbod. Deze methode bestaat uit een aantal maatregelen:
o Aanwijzen van speciale voederplekken (duiventillen) op locaties waar de duiven geen overlast veroorzaken. Op deze plekken wordt voedsel aangeboden. Bovendien kunnen hier maatregelen worden genomen om de populatie terug te brengen (wegnemen/vervangen van eieren).
o Goed schoonmaken en schoonhouden van de openbare ruimte (met name geen voedselresten op straat).
o Een voorlichtingscampagne om degenen die duiven voeren duidelijk te maken wat het effect is van het voeren van duiven op het welzijn van deze dieren en wat de gevolgen zijn voor de omgeving (overlast en vervuiling).
o Indien nodig kan in de APV een bepaling worden opgenomen die het voeren van duiven verbiedt.
Evaluatie duiventil De Eng
In de wijk de Eng bezit de gemeente Soest sinds 2007 een duiventil, bovenop het dak van de Portaalflat Rubenslaan 1-41. De til is een wapen in de strijd tegen de overlast door (verwilderde) duiven. De til is geplaatst op initiatief van bewoners uit de wijk, na vele klachten over hinder door duiven op met name de balkons in de wijk.
De keuze voor het plaatsen van een til is gemaakt na advies van de Landelijke werkgroep Duivenoverlast. Het principe is erop gebaseerd dat duiven dáár willen slapen waar ze ook eten krijgen. In de rest van de buurt is een voerverbod opgenomen in de APV, en alleen op het dak van de flat waar de til staat mag nog worden gevoerd. De meeste eieren die in de til worden gelegd worden verwisseld door kalkeieren.
De duiventil lijkt te voldoen aan de verwachtingen: de overlast van duiven in de buurt is teruggedrongen, en de overgebleven populatie duiven kleiner (bron: KTO Portaal). Begin 2011 heeft het college besloten om de kosten voor 2011 te financieren. Portaal neemt ook een deel van de kosten op zich. Ook het WBT de Eng/Soest Midden levert een bijdrage.
Actiepunt 6.2.2.
In overleg met Portaal moet worden gezocht naar een structurele oplossing voor het beheer van de duiventil in de wijk De Eng na 2011.
6.2.3. ‘Schadelijke’ dieren
Soms worden kleine zoogdieren bestreden omdat ze als schadelijk of hinderlijk zijn aangemerkt. Denk bijvoorbeeld aan de mol, de muskusrat, de bever- en woelrat, de bruine en zwarte (huis)rat, de huismuis en de veld- en bosmuis. Maar ook andere kleine zoogdieren zoals steenmarters, hazen, konijnen en grijze eekhoorns worden soms als schadelijk aangemerkt.
Geen enkel dier is echter alleen maar schadelijk. Elk dier heeft een functie in het ecosysteem. Indien er, na zorgvuldige en deskundige afweging, sprake is van ernstige, reële en aanzienlijke schade en/of gevaar voor mens en andere dieren én er zijn geen alternatieven, dan mogen als “schadelijk” aangemerkte dieren effectief en zo humaan mogelijk worden bestreden en/of gedood.
Bestrijding moet gericht zijn op preventie, dus op het voorkomen dat dieren overlast veroorzaken. Met andere woorden: indien er sprake is van schade, dan dient er eerst gekeken te worden naar alternatieven ter voorkoming van die schade. Een preventieve bestrijdingsmethode is bijvoorbeeld de afscherming van een gebied of woning door onder andere afrastering, schrikdraad, omheining, afweernetten, horren of het dichtstoppen van kieren en gaten. Ook het in stand houden van een goede balans tussen prooi- en roofdieren is van belang.
Huidige situatie
In de Dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente Soest en de RMN is opgenomen, dat ratten en muizen bij particulieren gratis kunnen worden bestreden.
6.2.4. Verwilderde exoten
Het komt soms voor dat exoten in Nederland verwilderen. De muskusrat is hier het bekendste voorbeeld van, maar bijvoorbeeld wasberen en halsbandparkieten kunnen ook heel goed overleven in Nederland.
Taken en verantwoordelijkheden
Sommige dieren kunnen dicht in de buurt van mensen komen en veroorzaken dan soms overlast. Voor het voorkomen of verhelpen van de overlast is de gemeente het eerste aanspreekpunt. De bevolking verwacht dat de gemeente iets aan de (vermeende) overlast gaat doen.
De gemeente Soest zal geen exoten bestrijden enkel omdat ze ‘exoot’ zijn. Maar soms kan een ‘nieuwkomer’ het functioneren van het ecosysteem verstoren of een inheemse soort verdringen.
In dat geval geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Bestrijding moet gericht zijn op preventie, dus op het voorkomen dat dieren overlast veroorzaken. Met andere woorden: als er sprake is van schade, dient er eerst gekeken te worden naar alternatieven ter voorkoming van die schade. Als dieren al gedood moeten worden, dan dienen uiteraard de meest diervriendelijke middelen te worden gebruikt. Dat wil zeggen, middelen die het lijden tot een minimum beperken
Voor de bestrijding van overlast door dieren is preventie de beste oplossing. Preventieve maatregelen liggen veelal op het vlak van voedselbeschikbaarheid. Ook het minder aantrekkelijk maken van bepaalde plaatsen, door de bebouwing aan te passen of afweervoorzieningen te treffen, behoren tot de mogelijkheden. Daarnaast kunnen de volgende beleidsinstrumenten worden ingezet:
a.Voorlichting
Er bestaan soms vertekende ideeën bij het publiek over de mate van hinder die dieren kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld het overbrengen van ziekten. Ook is het belangrijk voorlichting te geven over het laten slingeren van afval waardoor dieren worden aangetrokken.
b.Preventie
Het belangrijkste is dat er preventieve maatregelen worden genomen om de hygiëne in en om huis en bedrijf te verbeteren. Te denken valt aan het gebruik van afsluitbare afvalcontainers en het niet laten rondslingeren van voedselresten. Om die reden heeft de APV dan ook een aantal voorschriften met het doel ratten en muizen in gebouwen te weren. De APV verbiedt afval of vuilnis op de weg te deponeren, onder andere ter voorkoming van problemen ten aanzien van milieu en volksgezondheid.
6.2.5. Verwilderde katten
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een kat die (tijdelijk) zijn baas is kwijtgeraakt en feitelijk valt onder de regeling ‘gevonden voorwerpen’ in het Burgerlijk Wetboek en de verwilderde kat die geen eigenaar meer heeft of nooit gehad heeft, zelfstandig leeft en verwilderd gedrag vertoont. Meestal gaat het om 'ongewenste' huiskatten. Mensen laten te makkelijk nestjes komen, weten er geen raad mee en dumpen de dieren. Daarna verwilderen deze, worden steeds schuwer en vermenigvuldigen zich snel. Dit leidt tot veel dierenleed: ziektes, honger, verwondingen, vergiftiging. De dieren leven op plekken waar voedsel te vinden is. Als ze een groep gaan vormen kunnen ze overlast gaan veroorzaken. Ze kunnen krijsen, janken en sproeien. Ook veroorzaken ze rommel door bijvoorbeeld vuilniszakken open te scheuren.
Als deze dieren veel overlast veroorzaken en moet er voor alle betrokkenen – mensen en dieren – een acceptabele oplossing worden gezocht. Het is een hardnekkig misverstand dat je een ongewenste populatie zou kunnen bestrijden door dieren weg te vangen of te doden. Dit komt door het biologisch principe dat opengevallen leefgebieden onmiddellijk door andere dieren worden opgevuld. Je schiet er dus niets mee op en de problemen blijven zich herhalen. Belangrijk is te beseffen dat je een zwerfkat niet meer kunt laten wennen aan een situatie bij mensen in huis, daarvoor is het dier te zeer verwilderd.
Taken en verantwoordelijkheden
Als er sprake zou zijn van veel overlast moeten er maatregelen worden getroffen waardoor de populatie zwerfkatten zich niet onbeperkt uitbreidt. Dierenbeschermers vangen dieren uit het wild en laten die door een dierenarts behandelen. Eenmaal terug in de groep is een gecastreerde kat veel rustiger. De paringsdrang, inclusief het krijsen, vechten en sproeien, is sterk verminderd. Omwonenden zullen dus veel minder last hebben. Ook groeit de populatie niet meer, omdat de dieren onvruchtbaar zijn gemaakt en nieuwe katten niet meer worden geaccepteerd. De ervaring leert dat de groep steeds kleiner wordt en op den duur uitsterft.
Tot op heden zijn er weinig problemen met verwilderde katten in Soest en omgeving aan de orde. Mocht er toch een probleem van enige omvang ontstaan, dan is het voor de hand liggend dat Dierenbescherming Eemland en de gemeente Soest onderling afspraken maken over de kosten.