Gemeentelijke regelgeving

Nota bodembeheer gemeente Soest 2021-2031

Gemeente Soest · geldt sinds 5 maart 2022

Aanhef

De raad der gemeente Soest;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021, nr. RV ;

b e s l u i t:

1De Nota bodembeheer gemeente Soest 2021-2031 vast te stellen, met inachtneming van de toevoeging van de paragraaf over plaagsoorten na de terinzagelegging.

2De Beleidsnota PFAS met bijbehorende Bodemkwaliteitskaart PFAS vast te stellen.

3Het besluit tot uitbreiding van het bodembeheergebied te mandateren aan het college van burgemeester en wethouders.

4De bestaande Nota bodemfunctieklassenkaart uit 2013 in te trekken op de dag van inwerkintreding van de Nota bodembeheer gemeente Soest 2021-2031.

0. Leidraad grondverzet

Tekst

De gemeente Soest heeft bodembeleid vastgesteld in de vorm van een nota bodembeheer (verder: nota) met bodemkwaliteitskaart (verder BKK) onder het Besluit bodemkwaliteit. Het beleid is er op gericht het grondverzet duurzamer, goedkoper en eenvoudiger te maken.

Dit hoofdstuk is een leidraad voor de gebruiker om aan de hand van vragen snel de weg te kunnen vinden naar de juiste hoofdstukken en paragrafen in deze nota. Hierin staan teksten, figuren of tabellen die nodig zijn voor de uitvoeringspraktijk met betrekking tot het ontgraven en/of toepassen van grond.

Voor wie is het beleid bedoeld?

Het beleid is met name opgesteld voor overheden en professionele marktpartijen (aannemers, grondreinigers, adviesbureaus) die in hun werk te maken hebben met het hergebruik (toepassen) van grond.

Geldt het beleid alleen voor de gemeente Soest?

Ja, maar de initiatiefnemers van grondverzet van grond kunnen de nota met BKK ook gebruiken voor de toepassing van grond in gemeenten die de beleidsstukken van de gemeente Soest hebben geaccepteerd.

Andersom kan grond afkomstig uit omliggende gemeenten worden toegepast in de gemeente Soest op basis van nota’s die gemeente Soest heeft geaccepteerd.

§ 1.3 gaat hier nader op in.

Voor welke stoffen geldt het beleid?

Het beleid geldt voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket. Dit zijn de stoffen die doorgaans bij een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring worden onderzocht.

PFAS maakt hier geen onderdeel van uit. Voor de toepassingsvoorwaarden van PFAS-houdende grond verwijst de gemeente Soest naar de Beleidsnota PFAS van de provincie Utrecht.

§ 1.4 gaat hier nader op in.

Wat zijn de achtergrondgehalten van de stoffen uit het standaardpakket en PFAS in de gemeente Soest?

Per gebruiksfunctie (functieklasse) van de bodem in Soest zijn de gemiddelde gehalten bepaald. Daarbij is de zone-indeling uit tabel 0.1 gehanteerd.

Tabel 0.1: Indeling in bodemkwaliteitszones

De indeling van de gemeente Soest in zones is te zien op kaartbijlage 2.

In grote delen van de gemeente Soest liggen de gehalten van de stoffen uit het standaard- pakket en PFAS in de bodem onder de landelijke achtergrondwaarde (AW-2000). Met andere woorden; de grond is hier schoon.

Een uitzondering geldt voor gebiedsdelen met de gebruiksfunctie Wonen. Hier is in de bodemlaag 0,0-0,5 meter minus maaiveld (m-mv) een gemiddeld gehalte vastgesteld dat valt in de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Deze gebiedsdelen vallen onder zone B2 (zie kaartbijlage 3A. Ter toelichting: grond met kwaliteitsklasse Wonen is niet geheel schoon maar wel geschikt om zonder risico’s te gebruiken voor de functie Wonen.

De vastgestelde gemiddelde bodemkwaliteit in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is weergegeven op de kaartbijlagen 3A en 3B.

Het bovenstaande geldt uiteraard niet voor de bodem van terreindelen waar de bodemkwaliteit negatief is beïnvloed door lokale bronnen van bodemverontreiniging. Deze terreindelen zijn uitgesloten.

Wat betekenen de vastgestelde achtergrondgehalten voor de toepassings-mogelijkheden van grond in de gemeente Soest?

Voor het bepalen van de toepassingsmogelijkheden van grond geldt een dubbele toets. De criteria zijn:

1de gebruiksfunctie van de bodem waar de grond wordt toegepast (functieklasse)

2de kwaliteit van de toe te passen grond (bodemkwaliteitsklasse)

Om te bepalen of een grondtoepassing is toegestaan moet aan de scherpste norm worden getoetst.

De toepassingsmogelijkheden van grond in de gemeente Soest, onder het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, zijn samengevat in tabel 0.2: de grondstromenmatrix.

Tabel 0.2: Grondstromenmatrix (generiek)

1)zie tabel 0.1 voor de definitie van de zones

Onder gevoelige functies verstaan we in dit verband:

1Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie);

2Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen).

Toegestane grondstromen volgens de grondstromenmatrix mogen plaatsvinden zonder keuring/onderzoek van de toe te passen grond en de bodem waar de grond wordt toegepast. Een melding bij het www.meldpuntbodemkwaliteit.nl is altijd noodzakelijk.

Zone1)

Om de mogelijkheden voor hergebruik van grond te verruimen gelden alleen voor grond die binnen de gemeente vrijkomtgebiedsspecifieke regels. Uitgangspunt daarbij is dat alleen de functieklasse van de bodem waar de grond wordt toegepast bepalend is. De gedachte achter deze regels is dat hiermee de bodemkwaliteit binnen de gemeente Soest per saldo niet verslechterd. We noemen dit stand-still op beheergebiedsniveau. De gebiedsspecifieke toepassingseisen staan in tabel 0.3.

Tabel 0.3:Gebiedsspecifieke toepassingseisen

1)zie tabel 0.1 voor de definitie van de zones

2) mogelijk onder gebiedsspecifieke voorwaarden

De gebiedsspecifieke voorwaarden staan beschreven in § 4.2.

De bovenstaande toepassingseisen gelden ook voor percelen in de zones B1 en O1 die in gebruik zijn als woonlocatie (Wonen) of bedrijventerrein (Industrie).

Is het gehalte PFAS in de grond een criterium bij de toepassing van grond?

Dit hangt ervan af of van de toe te passen partij grond het gehalte PFAS is bepaald.

Is dat niet het geval dan kan grond volgens de grondstromenmatrix in tabel 0.1 worden toegepast.

Zijn wel onderzoeksresultaten bekend van PFAS dan moeten deze worden getoetst aan de normen uit het de Beleidsnota PFAS van de provincie Utrecht. Deze zijn bepaald aan de hand van het normenstelsel uit het Tijdelijk handelingskader PFAS of Lokaal Maximale Waarden (LMW’s). Voor de toepassingseisen die gelden in het geval onderzoeksresultaten bekend zijn wordt verwezen naar de Beleidsnota PFAS.

Hoofdstuk 5 gaat hier nader op in.

Welke andere gebiedsspecifieke regels zijn opgenomen in de nota?

In § 4.3 van de nota zijn voor de onderstaande situaties gebiedsspecifiek regels opgenomen die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart.

Onderwerp

Waarom gebiedsspecifiek?

1

Grondverzet op de voormalige vliegbasis

Verdacht terrein

2

Toepassing van grond op gevoelige gebruiksfuncties

Maatwerk in normstelling

3

Grondverzet dieper dan 2 m-mv

Verruiming toepassingsmogelijkheden

4

Eisen voor bodemvreemd materiaal in toe te passen grond

Maatwerk in normstelling

5

Grondverzet op wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen

Verruiming toepassingsmogelijkheden

6

Grondverzet op wegbermen langs provinciale en rijkswegen

Verruiming toepassingsmogelijkheden

7

Verspreiden van bagger en baggerdepots

Verruiming toepassingsmogelijkheden

8

Grondverzet bij werkzaamheden aan kabels- en leidingen

Maatwerk in normstelling

Welke stappen zijn noodzakelijk in de voorbereiding op de toepassing van grond?

Grondverzet binnen de grens van het beheergebied start bij de ontgraving van een partij grond. Op basis van de kwaliteitsgegevens kan worden bepaald waar deze vrijkomende grond toegepast kan worden binnen het beheergebied van de BKK. In het traject van ontgraven en definitief toepassen doorloopt de initiatienemer van het grondverzet de volgende stappen:

1Vooronderzoek, conform NEN5725, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en ontvangende bodem al dan niet verdacht is voor bodemverontreiniging;

2Toets waaruit blijkt wat de (verwachte) kwaliteit is van de ontgraven grond;

3Toets waaruit blijkt wat de toepassingseis is van de ontvangende bodem en of er gebiedsspecifiek beleid van toepassing is;

4Toets waaruit blijkt of sprake is van bijzondere omstandigheden;

5Melden van het grondverzet bij www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.

In § 7.2 zijn de stappen nader beschreven.

Mag de BKK worden gebruikt bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning bouwen?

Ja. De voorwaarden staan beschreven in § 4.3 van de nota onder Ad 9.

Bijlage 1: Bodemkwaliteitskaart

Bodemkwaliteitskaart gemeente Soest

1Inleiding

De gemeente Soest wil graag de mogelijkheden die het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) biedt voor gebiedsspecifiek bodembeleid benutten en heeft daarom aan de RUD Utrecht opdracht gegeven om een nota bodembeheer (verder: nota) met bodemkwaliteitskaart (verder: BKK) op te stellen.

De BKK is gericht op het grondgebied van de gemeente Soest (hierna: bodembeheergebied). Deze kaart vormt een belangrijke pijler onder het grondstromenbeleid van de gemeente Soest onder het Besluit bodemkwaliteit dat is beschreven in de nota. De nota en de kaart vallen binnen het gebiedsspecifieke beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk).

Een BKK is een kaart waarop de diffuse bodemkwaliteit (de achtergrondkwaliteit) binnen het bodembeheergebied is aangegeven. Het bodembeheergebied is daarbij verdeeld in zones met een vergelijkbare bodemkwaliteit. Binnen de te onderscheiden zones is de gemiddelde kwaliteit vergelijkbaar, terwijl tussen de zones een verschil in kwaliteit kan bestaan. De kaart geldt niet voor locaties die historisch zijn belast door puntbronnen. De BKK is een onderdeel van de nota bodembeheer van de gemeente Soest.

De bodemkwaliteit is bepaald voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket (zie § 3.1). De stofgroep PFAS in niet opgenomen in deze BKK. Hiervoor maakt de gemeente Soest gebruik van de “Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht”.

Nadat de BKK door de gemeenteraad is vastgesteld kan deze onder de voorwaarden uit de nota worden gebruikt als kwaliteitsbewijs bij het ontgraven en toepassen van grond, zonder aanvullende kwaliteitsbepaling.

In het voorliggende rapport staat beschreven hoe de BKK tot stand is gekomen, hoe de verwerking van de beschikbare onderzoeksresultaten is uitgevoerd en welke afwegingen zijn gemaakt om uiteindelijk te komen tot de indeling van het grondgebied van de gemeente Soest in bodemkwaliteitszones.

In bijlage 2 van de nota zijn de gebruikte begrippen in dit rapport toegelicht.

2Doelstelling

De doelstelling van een BKK is om een actueel en dekkend beeld te realiseren van de diffuse chemische bodemkwaliteit binnen de gemeente Soest.

Daarnaast is de doelstelling van de gemeente om met de BKK gebruik te maken van de mogelijkheden die het Bbk biedt:

-bij het toepassen van grond en baggerspecie op en in de landbodem;

-als bewijsmiddel voor de kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven dan minder partijkeuringen te worden uitgevoerd, wat kosten- en tijdbesparend werkt bij grondverzet);

-bij het minimaliseren van mogelijke knelpunten bij grond- en/of baggerverzet;

-om gebiedsspecifiek bodembeleid te kunnen realiseren;

-als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit bij de aanvraag van bouwvergunningen.

3Werkwijze en resultaat

Bij het opstellen van de BKK is het stappenplan uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten

1Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, voormalig Ministerie van VROM en van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en bijbehorende wijzigingsbladen d.d. 1 maart 2012 (sinds 1 april 2012 in werking getreden), d.d. 1 januari 2013 en d.d. 1 januari 2014.

gevolgd. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven. In de Richtlijn is aangegeven dat het niet noodzakelijk is om de stappen in chronologische volgorde aan te houden. Noodzakelijk is wel dat de elementen van de stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de BKK. Voor de totstandkoming van deze BKK is de volgende volgorde van de stappen gebruikt:

1→ 2 → 4 → 3 → 5 → 6 → 5 → 7 → 8.

Stap 1: Definitiefase.

Stap 2: Vaststellen van onderscheidende kenmerken.

Stap 4: Indelen van het bodembeheergebied in deelgebieden.

Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking.

Stap 5: Controle indeling van het beheergebied.

Stap 6: Verzamelen van aanvullende informatie.

Stap 7: Karakteriseren van de bodemkwaliteitszones.

Stap 8: Opstellen ontgravings- en toepassingskaart.

De BKK voldoet aan de eisen in bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit.

3.1Stap 1: Definitiefase

De BKK is opgesteld binnen het gebiedsspecifieke beleidskader van het Bbk. De BKK geeft aan wat de verwachte ontgravingskwaliteit is en, in combinatie met de nota bodembeheer wat de toepassingsmogelijkheden zijn van grond binnen het bodembeheergebied.

In de voorliggende BKK zijn de volgende technisch inhoudelijke elementen opgenomen:

-Het beheergebied van de BKK omvat het grondgebied van de gemeente Soest.

-De BKK is niet geldig voor terreinen die als puntbron van bodemverontreiniging zijn aan te merken.

-De BKK is opgesteld voor de landbodem van het beheergebied voor de bovengrond (bodemlaag 0,0 – 0,5 meter minus maaiveld (m-mv)) en de ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv).

-De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de BKK:

○ Het grootste deel van de voormalige vliegbasis (zie kaartbijlage 2). Het is uitgesloten vanwege het vermoeden van bodemverontreiniging door puntbronnen ter plaatse;

○ Andere locaties met, of verdacht van, bodemverontreiniging;

○ Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming;

○ Het grondwater.

-De BKK is opgesteld voor het huidige standaard NEN5740 stoffenpakket: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).

-De BKK is niet opgesteld voor de stofgroep PFAS (PFOA, PFOS en PFAS Overig). De toepassingsvoorwaarden voor PFAS-houdende grond zijn beschreven in de Beleidsnota PFAS provincie Utrecht, te vinden op www.rudutrecht.nl/het-toepassen-van-pfas-houdende-grond

-De gegevens van de BKK zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken en in-situ partijkeuringen.

-De bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld op basis van de gemiddelde gehalten. Daarnaast zijn van elke bodemkwaliteitszone statistische kentallen (percentielwaarden, kortweg P-waarden) berekend (zie BBK bijlage 2).

-De berekende kentallen zijn getoetst aan de normen uit het Bbk.

3.2 Stap 2: Onderscheidende gebiedskenmerken

Aan de basis van de gemeentelijke BKK ligt de identificatie van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit homogeen is (van vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik is een deelgebiedenkaart gedefinieerd.

Huidige inrichting

Het grondgebied van de gemeente bestaat in hoofdlijnen uit de twee woonkernen Soest en Soesterberg. Grenzend aan elk van deze kernen ligt een bedrijventerrein.

Tussen beide woonkernen ligt Soestduinen. Dit is een kleine woonkern met vrijstaande woonhuizen.

Ten noorden van de woonkern Soesterberg ligt de voormalige vliegbasis. Het terrein heeft primair een functie als natuurgebied. Er zal beperkt woningbouw plaatsvinden aan de noordkant van Soesterberg.

Het buitengebied is in gebruik als natuurgebied (bos) en voor landbouwdoeleinden (hoofdzakelijk grasland). Verspreid in het buitengebied staan woningen en boerderijen. Langs doorgaande wegen komt plaatselijk lintbebouwing voor.

Historie

Het noordelijke en oostelijke deel van de woonkern Soest (burgemeester Grothestraat/ Middelwijksestraat) dateert van vóór 1900. Na WOII is de woonbebouwing geleidelijk in zuidwestelijk richting uitgebreid. Het gebied rond de Molenweg, dat nu omsloten is door bebouwing, is altijd in gebruik gebleven als landbouwgrond.

Begin jaren ’60 is begonnen met de aanleg van een bedrijventerrein aan de noordwestzijde van Soest. Geleidelijk aan is dit uitgebreid tot de huidige omvang.

De woonkern Soesterberg bestond tot 1960 uit verspreide woningen in het gebied tussen de Kampweg en de Antonie van Leeuwenhoeklaan. Tussen 1960 en 1970 is dit gebied volgebouwd. Na 1980 zijn ten oosten van Kampweg woonblokken gebouwd maar zijn ook delen onbebouwd gebleven. De onbebouwde delen maken onderdeel uit van landgoederen.

Een groot deel van het bedrijventerrein aan de oostzijde van de woonkern was al vóór 1900 in gebruik als militair terrein en dat is nog steeds zo. Vanaf begin jaren ’60 zijn daar enkele bedrijven bijgekomen.

De woonkern Soestduinen is ontstaan in de jaren rond 1930 en nadien in zeer beperkte mate uitgebouwd. Ten westen van de woonkern lagen vanaf de beginjaren twee fabrieksterreinen die in de loop der tijd in oppervlak zijn toegenomen. De terreinen zijn respectievelijk in 2008 en 2018 geamoveerd. Op één daarvan is in 2018 gestart met woningbouw. Het andere bedrijfsterrein heeft een natuurbestemming gekregen.

Op de topografische kaart uit 1917 wordt voor het eerst melding gemaakt van activiteiten die te relateren zijn aan een vliegveld. Vanaf WOII wordt het gebruikt voor militaire doeleinden. Begin jaren ’80 zijn de huidige startbanen aangelegd. De vliegbasis is vanaf 2008 buiten gebruik gesteld.

Bodemopbouw en geomorfologie

De bodem in de gemeente Soest bestaat voor een groot deel uit zand (stuifzand, podzolgronden en eerdgronden). Langs de Eem en aan de westzijde van Soest komt op kleine schaal veen voor.

3.3 Stap 4: Indeling bodembeheergebied in deelgebieden

Gebaseerd op de gebiedskenmerken is voor de BKK een eerste indeling gemaakt zoals vermeld in tabel 1 en ruimtelijk weergegeven op figuur 1.

Tabel 1: Eerste indeling deelgebieden

De gebruiksfunctie, zoals weergegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1), is leidend bij de indeling in deelgebieden. Er kan aanleiding zijn om oudere delen van woonkernen, zoals het noordoostelijke deel van Soest, als apart deelgebied aan te merken. Vanwege langdurig humaan gebruik kan de bodemkwaliteit hier negatief zijn beïnvloed. Vooralsnog is hiervan niet uitgegaan.

Omdat de bodem in het beheergebied vrijwel volledig uit zand bestaat vormt de bodemsamenstelling geen onderscheidend criterium bij de indeling in deelgebieden.

De voormalige vliegbasis is niet gezoneerd en uitgesloten in de ontgravingskaart van de BKK. De reden is dat binnen de begrenzing een aantal gevallen van bodemverontreiniging bekend zijn. Dit is in lijn met gegevens van terreinen met een vergelijkbaar gebruik.

Figuur 1: Indeling op basis van onderscheidende kenmerken

Op basis van het voorgaande zijn deelgebieden samengevoegd met de functieklasse als criterium. De indeling zoals vermeld in tabel 2 is gehanteerd voor de verdere totstandkoming van de BKK.

Tabel 2: Samenvoeging deelgebieden op basis van functieklasse

3.4 Stap 3: Gegevensverzameling en -verwerking

3.4.1 Selecteren beschikbare gegevens

De dataset van de BKK is in opdracht van de gemeente Soest samengesteld door adviesbureau WSP en bestaat uit waarnemingen van de periode vanaf 2010 tot en met 2020. Per bodemrapport heeft WSP beoordeeld of deze geschikt is voor de BKK.

De waarnemingen zijn hoofdzakelijk gedaan tijdens uitvoering van de volgende typen bodemonderzoek:

•Verkennend bodemonderzoek, bijvoorbeeld in het kader van bouw, werkzaamheden aan kabels/leidingen en natuurontwikkeling;

•Bodemonderzoek voor het vaststellen van PFAS-achtergrondgehalten;

•In-situ partijkeuringen;

•Onderzoek naar de milieukwaliteit van de ontvangende bodem bij grondtoepassingen;

•Nulsituatie-onderzoeken.

3.4.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters

De dataset, gebruikt voor het opstellen van de BKK, bevat zowel meng- als puntmonsters met analysegegevens. Onderzoek van de landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft aangetoond dat percentielwaardes

2Handreiking Achtergrondgehalten. Begeleidingscommissie actief bodembeheer, TNO MEP-R98/283.IPO/TNO, 1998.

die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van zowel punt- als mengmonsters vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan als gevolg hiervan geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met analysegegevens waarin zowel punt- als mengmonsters zijn opgenomen. De analysegegevens van de mengmonsters zijn als één waarneming opgenomen in de dataset.

3.4.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet

Regelmatig komt het bij analyses voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in concentraties beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyses is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen.

3.4.4 Het opsporen van uitbijters

Ondanks dat er representatieve analysegegevens worden geselecteerd voor de analyse, kan er sprake zijn van uitschieters (extreem hoge of lage gehalten) in de dataset. Deze extremen kunnen een gevolg zijn van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door puntbronnen die niet als zodanig bekend zijn. Hierbij worden dan vaak bij meerdere stoffen relatief hoge gehalten of juist hele lage gehalten aangetroffen.

Per bodemkwaliteitszone zijn, met een visuele methode (scatterplots) en door 3 maal de interkwartiel afstand (bovenop Q3) aan te houden als maatstaf, extreme waardes geïdentificeerd. De extreme waardes zijn nader beoordeeld. Als de uitbijters tot een puntbron, type- of meetfout waren te herleiden of als niet-representatief zijn beoordeeld in vergelijking met de andere resultaten van dat deelgebied, dan zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd.

In bijlage 1 is een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters opgenomen.

3.5 Stap 5: Evaluatie gebiedsindeling

3.5.1 Indeling bodemkwaliteitszones

De indeling in deelgebieden leidt tot de onderstaande bodemkwaliteitszones (zie tabel 3). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen onder- en bovengrond omdat de ondergrond doorgaans een betere kwaliteit heeft dan (of vergelijkbare met) de bovengrond.

Tabel 3: Indeling bodemkwaliteitszones op basis van deelgebieden

1)zie samengevoegde deelgebieden in § 3.3, tabel 2,

De situering van de bodemkwaliteitszones is weergeven in figuur 2.

Figuur 2: Indeling in bodemkwaliteitszones

3.5.2 Aantal waarnemingen

De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt aan het aantal waarnemingen per bodemkwaliteitszone de volgende (minimale) eisen:

•Voor alle stoffen zijn ten minste 20 waarnemingen beschikbaar.

•De waarnemingen liggen voldoende verspreid over de bodemkwaliteitszone:

○ Voor aaneengesloten bodemkwaliteitszones bij een systematische indeling in 20 vakken zijn er in tenminste 10 vakken één of meer waarnemingen beschikbaar.

○ Voor elk niet-aaneengesloten deel van een bodemkwaliteitszone zijn ten minste 3 waarnemingen beschikbaar.

Na het samenstellen van de dataset voor de BKK (§ 3.3.1), de voorbewerkingen

(§ 3.3.3 en § 3.3.4) en de gebiedsindeling (§ 3.4.1) bleek dat alle bodemkwaliteitszones voldoen aan de voornoemde minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (zie ook BBK bijlage 2, kolom N).

Tabel 4. Aantal waarnemingen per bodemkwaliteitszone

Bodemkwaliteitszone

Aantal waarnemingen1)

Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv)

B1

157/32

B2

509/95

B3

174/39

Ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv)

O1

126/25

O2

390/61

O3

100/22

1) weergegeven is het hoogste en het laagste aantal waarnemingen per stof

3.5.3 PCB in de BKK

Voor PCB is het organisch stofgehalte het enige onderscheidende kenmerk. Het hele beheergebied kan daardoor worden ingedeeld als één PCB-zone, tenzij er in het gebied duidelijk verschillen in het organisch stofgehalte worden aangetroffen. Uit de dataset blijkt dat dit in de gemeente Soest niet het geval is. Daarom is er voor de stofgroep PCB voor gekozen het beheergebied niet te splitsen in aparte kwaliteitszones

.

3.5.4 Ruimtelijke spreiding

Figuur 3 geeft inzicht in hoe de waarnemingen ruimtelijk zijn verdeeld over het grondgebied van de gemeente Soest.

Figuur 3: Situering waarnemingspunten

Geanalyseerd is of binnen de bodemkwaliteitszones een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Hiervan is sprake bij een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Het overzicht van de variatiecoëfficiënten is opgenomen in BBK bijlage 2. Hieruit blijkt voor PAK in de ondergrond van alle bodemkwaliteitszones de variatiecoëfficiënt hoog is. Hetzelfde geldt voor Kwik in de boven- en ondergrond van de bodemkwaliteitszones B2/O2 en B3/O3.

Vastgesteld is dat binnen de bodemkwaliteitszone geen ruimtelijke clustering voorkomt. Er is daarom geen aanleiding tot verdere splitsing van bodemkwaliteitszones.

3.6 Stap 6: Verzamelen van aanvullende informatie

Bij de indeling van bodemkwaliteitszone zoals beschreven in § 3.5 voldoet de dataset aan de gestelde eisen. Er is daarom geen aanleiding voor het verzamelen van aanvullende informatie.

3.7 Stap 7: Karakteriseren bodemkwaliteitszones

Uit de data-analyse volgt dat in alle bodemkwaliteitszones de gemiddelde bodemkwaliteit als schoon kan worden aangemerkt (klasse AW2000). De uitzondering hierop is de bovengrond is de woonkernen van Soest, Soesterberg en Soestduinen; zone B2. Hier is klasse Wonen vastgesteld, hetgeen in overeenstemming is met de gebruiksfunctie. Opmerkelijk, maar niet ongebruikelijk in een gemeente als Soest, is dat de bodem ter plaatse van de bedrijventerreinen, zones B3/O3, gemiddeld schoon is. Voor de volledigheid: het gaat hierbij om de bodemkwaliteit van terreindelen die niet zijn verontreinigd door lokale (bedrijfs-) activiteiten, de zogenaamde puntbronnen. De bodemkwaliteitsklasse per bodemkwaliteitszone is weergegeven in tabel 5.

Tabel 5: Bodemkwaliteitsklasse per bodemkwaliteitszone

In tabel 6 is aangegeven welke stof bepalend is geweest voor de indeling in bodemkwaliteitszones.

Tabel 6: Bepalende stofgroep per bodemkwaliteitszone

Bodemkwaliteitszone

Kwaliteitsbepalende stof(-groep)

Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv)

Zone B1

-1)

Zone B2

Kwik, Lood, PAK

Zone B3

-1)

Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv)

Zone O1

-1)

Zone O2

-1)

Zone O3

-1)

1)De gemiddelde achtergrondwaarde ligt onder de landelijke achtergrondwaarde. Kwaliteitsbepalende stoffen onder deze waarden zijn niet relevant

3.7.1 Heterogeniteit

De heterogeniteit van de gemeten gehalten is per bodemkwaliteitszone berekend volgens de onderstaande formule.

In BBK bijlage 2 is per bodemkwaliteitszone en per stof de heterogeniteitsindex weergegeven.

De betrouwbaarheid van het berekende gemiddelde gehalte in een zone is kleiner naarmate de diffuse bodemkwaliteit sterker heterogeen is verdeeld.

Uit de berekeningen volgt dat in de zones van het bodembeheergebied sprake is van geen of lage heterogeniteit, met uitzondering van de bodemkwaliteitszone B2. Hier zijn de gehalten minerale olie, lood en zink aangemerkt als (sterk) heterogeen. In deze zone zijn echter ruim voldoende waarnemingen bekend om het gemiddelde gehalte, en daarmee de bodemkwaliteit, goed te bepalen.

De heterogeniteit is daarom geen aanleiding om aanvullend onderzoek te eisen voorafgaand aan grondtoepassingen.

3.7.2 Controle saneringscriterium

In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten staat vermeld, dat voor elke bodemkwaliteitszone met een 95-percentielwaarde (P95) boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming een toetsing aan het saneringscriterium nodig is. Bij een overschrijding is het niet verantwoord om zonder partijkeuring grondverzet vanuit de betreffende zone te laten plaatsvinden. In de gemeente Soest komt deze situatie niet voor.

In BBK bijlage 2 is per bodemkwaliteitszone en stof vermeld wat de statistische kentallen zijn.

3.8 Stap 8: Bodemkwaliteitskaart

De BKK bestaat uit drie hoofdkaarten:

1De bodemzoneringskaart

2De ontgravingskaart

3De toepassingskaart

In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten.

Conform bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit moet een kaart waarop puntbronnen (uitgesloten locaties) zijn vermeld, onderdeel uitmaken van de BKK. Voor zover dat grotere aaneengesloten gebieden betreft is dat gedaan. Voor kleinere puntbronnen en bekende bodemverontreinigingen niet omdat dit dynamisch is en vanwege de schaalgrootte. Voorafgaand aan de toepassing van grond moet de ligging van deze locaties volgen uit het vooronderzoek dat de initiatiefnemer van grondverzet voorafgaand aan een grondtoepassing moet uitvoeren (zie hfdst. 7 van de nota).

3.8.1 Bodemzoneringskaart

Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart wordt gebruik gemaakt van zones. Dit is een verzameling van gebieden waar op basis van de gebruikshistorie, grondslag en bebouwingsgeschiedenis vergelijkbare bodemkwaliteit verwacht kan worden. Voor de gemeente Soest zijn 3 zones onderscheiden: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Per zone is een onderverdeling gemaakt in bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv).

De voormalige vliegbasis valt buiten de zone-indeling. In § 4.3 van de nota is dit toegelicht.

De bodemzoneringskaart is opgenomen in kaartbijlage 2.

3.8.2 Ontgravingskaart

De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van grond op een, niet voor bodemverontreiniging verdachte, locatie. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit in een zone kan vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden AW2000), Wonen, Industrie of niet-toepasbaar.

De ontgravingskaarten voor de boven- en ondergrond zijn opgenomen in kaartbijlage 3.

3.8.3 Toepassingskaart

Op de toepassingskaart is weergegeven welke kwaliteit grond mag worden toegepast in een bepaalde zone van het bodembeheergebied. Bij de totstandkoming van de toepassingskaart is rekening gehouden met de functie, ontgravingskwaliteit en gebiedsspecifiek beleid. Het resultaat is opgenomen in de kaartbijlage 4. De gebiedsspecifieke toepassingskaart geeft weer in welke zones gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden. Deze kaart moet naast de ontgravingskaart worden gebruikt bij het grondverzet. Let op dat de kaart niet zelfstandig te gebruiken is maar alleen in combinatie met de tekst uit hoofdstuk 4 van de nota.

BBK bijlage 1: Specifieke uitbijters

Parameter + monster

Rapportnr.

locatie

Zone (bodemlaag)

Reden

Cu (B1)

99-P-162

Dorresteinweg 86

B1 (landbouw bovengrond)

>3x std

Cu (MM1)

950537

Beukenlaan, hoek Graanakker

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Cu (M012)

00.4728.05

Koningsweg 7a

B3 (industrie bovengrond)

>3x std

Cu (B31)

17795-20036

Eigendomweg/Koningsweg

O2 (wonen ondergrond)

>3x std

Hg (203.1)

0452424

Koningsweg 8, Centrilab

B3 (industrie bovengrond)

>3x std

Hg (102.1)

0452424

Koningsweg 8, Centrilab

B3 (industrie bovengrond)

>3x std

Pb (6.1)

T800AL02

Kerkpad NZ 45a

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Pb (MM2)

T800AL02

Kerkpad NZ 45a

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Pb (X101)

0017024/fb

Nieuweweg 95

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Pb (MM1)

172096

Akkerweg 10A

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Pb (X04)

0029056/fb

Hartweg 52

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Pb (X05)

0029056/fb

Hartweg 52

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Pb (M012)

00.4728.05

Koningsweg 7a

B3 (industrie bovengrond)

>3x std

Ni (B31)

17795-20036

Eigendomweg/Koningsweg

O2 (wonen ondergrond)

>3x std

Ni (mX03)

9709003/FB

Noordelijke Eng (stortplaatsen)

O2 (wonen ondergrond)

>3x std

Zn (X103)

0017024/fb

Nieuweweg 95

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (X06)

0017024/fb

Nieuweweg 95

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (X101)

0017024/fb

Nieuweweg 95

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (X102)

0017024/fb

Nieuweweg 95

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (X01)

0017024/fb

Nieuweweg 95

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (X05)

0029056/fb

Hartweg 52

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (6.1)

T800AL02

Kerkpad NZ 45a

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (5.1)

T800AL02

Kerkpad NZ 45a

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (MM1)

T800AL02

Kerkpad NZ 45a

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (MM/X7B)

GH94087

UT Gemini/Mercury

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (MM/SB)

GH94087

UT Gemini/Mercury

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

Zn (M012)

00.4728.05

Koningsweg 7a

B3 (industrie bovengrond)

>3x std

Zn (X03)

9821034/MI

W Stuutlaan 10

B3 (industrie bovengrond)

>3x std

Zn (B31)

17795-20036

Eigendomweg/Koningsweg

O2 (wonen ondergrond)

>3x std

Zn (MM14)

GH94061

UT Gemini/Mercury

O2 (wonen ondergrond)

>3x std

Zn (M02b)

17795-86461

Maatweg 10

O1 (landbouw ondergrond)

>3x std

PAK (MM-1)

1211802A_1

Willaertstraat 41-47, School

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

PAK (X02)

0008024/sw

Oude Utrechtseweg 25

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

PAK (MM4.9)

0103053/gk

Koninginnelaan 47

B2 (wonen bovengrond)

>3x std

PAK (MM5.3)

0103053/gk

Koninginnelaan 47

O2 (wonen ondergrond)

>3x std

PAK (MM04)

B17.6826

Oude Tempellaan 1

B2 (wonen bovengrond)

(gevals-

Locatie)

PAK (MB1)

162212

Chalonhof ong. (tegenover 103-109)

B2 (wonen bovengrond)

(gevals-

Locatie)

PAK (002-1)

162212

Chalonhof ong. (tegenover 103-109)

B2 (wonen bovengrond)

(gevals-locatie)

PAK (MM3.1)

0103053/gk

Koninginnelaan 47

B2 (wonen bovengrond)

(gevals-

locatie)

PAK (mm1)

9525495

Hartweg 47

B2 (wonen bovengrond)

(gevals-

locatie)

PAK (MM/IB)

GH94087

UT Gemini/Mercury

B2 (wonen bovengrond)

(gevals-

locatie)

PAK (MM/TP2)

GH94087

UT Gemini/Mercury

O2 (wonen ondergrond)

(gevals-locatie)

PAK (MM4.11)

0103053/gk

Koninginnelaan 47

O2 (wonen ondergrond)

(gevals-locatie)

Uitbijterlijst dataset BKK gemeente Soest

BBK bijlage 2: Statistische parameters bodemkwaliteitszones (waarden standaardbodem)

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit

* De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld.

Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit

* De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit

* De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit

* De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit

* De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit

* De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Bijlage 2: Begrippenlijst

Baggerspecie

Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.

Bodemkwaliteitskaart

De BKK bestaat volgens de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten uit de volgende drie hoofdkaarten:

1Een kaart met uitgesloten (verdachte) locaties en deelgebieden

2De ontgravingskaart

3De toepassingskaart

Bodemkwaliteitsklassen

In het Bbk worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie te onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:

1Klasse Landbouw/natuur

2Klasse Wonen

3Klasse Industrie

Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden (zie onderstaand). Voor de BKK van de gemeente Soest is het basispakket van toepassing.

Tabel B1: Staffel toegestane aantal overschrijdingen

Aantal gemeten stoffen

Aantal toegestane overschrijdingen

Basispakket

2

16-26

3

27-36

4

37-48

5

Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000):

•Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.

•De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen.

•De Overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij ‘Toetsingswaarden Bbk).

Klasse Wonen:

•Alle gehalten voldoen aan de klassegrens wonen met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel B1.

•De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen.

•De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Industrie bedragen.

Klasse Industrie:

•Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden (AW2000) wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie.

Bodemkwaliteitszone

Een deel van een beheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van eenzelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte).

Bijzondere omstandigheden

Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden.

Deelgebied

Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het beheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als “niet-aaneengesloten deelgebieden”.

Diffuse chemische bodemkwaliteit

De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de BKK is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).

Grond

Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Bbk definieert grond als: “vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie”. Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Bbk nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. In gebiedsspecifiek beleid kunnen hieraan strengere eisen worden gesteld.

Heterogeniteit

Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de BKK in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar menig van de gemeente een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule:

Hierbij wordt als beoordeling van de heterogeniteitsindex aangehouden:

Index < 0,2 : weinig heterogeniteit

0,2 < Index < 0,5 : beperkte heterogeniteit

0,5 < Index < 0,7 : er is sprake van heterogeniteit

Index > 0,7 : sterke heterogeniteit

Interventiewaarde

Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken van een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).

Niet gezoneerd Zone

Gebieden worden gezoneerd wanneer er voldoende waarnemingen beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende waarnemingen beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet meer met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het “Zone niet gezoneerd”. Een zone kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de waarnemingen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd (deel)gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de BKK (zie ook: Uitgesloten locaties/gebied).

Nota bodembeheer

Een nota bodembeheer is een beleidsdocument waarin de onderbouwing voor gebiedsspecifiek beleid is opgenomen. In de nota bodembeheer komen de volgende aspecten aan de orde:

•Eén of meerdere kaarten met de begrenzing van het bodembeheergebied en de bodemfuncties;

•Een bodemkwaliteitskaart;

•Een toelichting op de maatschappelijke opgave en het grondverzet en de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst;

•De Lokale Maximale Waarden, inclusief motivatie en de resultaten van de risicotoolbox;

•(indien van toepassing) de maximale gewichtspercentage bodemvreemd materiaal inclusief onderbouwing en motivatie.

Daarnaast kan in een nota bodembeheer aandacht worden besteed aan de regels en procedures rondom grondwaterstromen, wet- en regelgeving bij grondstromen, duurzaam bodembeheer en/of de (diepere) ondergrond.

Onderscheidende gebiedskenmerken

Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een BKK kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld.

Ontgravingskaart

De ontgravingskaart geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Bbk en de Regeling bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden -AW2000), Wonen, Industrie of Niet-toepasbaar. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B1 bij ‘Bodemkwaliteitsklasse’) voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden.

Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000):

•Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1;

•De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen;

•De overschrijding lager is dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij ‘Toetsingswaarden Bbk).

Klasse Wonen:

•De gehalten voldoen niet aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden.

Klasse Industrie:

•De norm voor de klassegrens Wonen wordt overschreden.

•De norm voor de klassegrens Industrie wordt niet overschreden.

Klasse Niet toepasbaar:

•De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden.

Percentiel/percentielwaarde

De waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 95-percentiel: 95% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.

Standaarddeviatie

Ook wel “standaardafwijking” genoemd. Het geeft de mate aan voor de spreiding van waarnemingen in een dataset. De berekening hiervan is als volgt:

Hierbij is n het aantal analyseresultaten, x een individueel analyseresultaat en x ̅ het gemiddelde van de analyseresultaten.

Toepassingskaart (generieke kader)

Deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt aan elke zone de toepassingseis vastgesteld.

Toetsing grondverzet (generieke kader)

Om te beoordelen of grondverzet is toegestaan wordt de kwaliteit van de aan te brengen grond vergeleken met de toepassingseis. De kwaliteit van de aan te brengen grond kan worden bepaald op basis van een BKK, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis op basis van de bodemkwaliteitszones (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet-gezoneerde gebieden).

Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit

Om een zone te karakteriseren moet een toetsing plaatsvinden aan de gestelde normen uit het Bbk en de Regeling bodemkwaliteit. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven.

Tabel B2: Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaarbodem -lutum 25%, org. Stof 10%-)

Stof

Maximale waarden Achtergrondwaarde (AW2000, Landbouw/natuur)

Maximale waarden wonen

Maximale waarden industrie

Arseen

20

27

76

Barium*

190

550

920

Cadmium

0,60

1,2

4,3

Chroom

55

62

180

Koper

40

54

190

Kwik

0,15

0,83

4,8

Lood

50

210

530

Nikkel*

35

39

100

Zink

140

200

720

Som PAK

1,5

6,8

40

Som PCB

0,02

0,04

0,5

Minerale olie

190

190

500

* De normstelling in Bbk voor barium en nikkel zijn door het voormalige Ministerie van VROM sinds 1 april 2009 gewijzigd (Staatscourant, 7 april 2009). Voor nikkel vindt voor schone grond (klasse Landbouw/natuur) geen toetsing meer plaats aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Voor barium is besloten alle toetsingsnormen tijdelijk in te trekken als aangetoond kan worden dat er geen sprake is van een verontreiniging veroorzaakt door activiteiten van de mens.

Uitbijters

Een uitbijter is een gehalte in het gegevensbestand die niet representatief is voor de diffuse chemische bodemkwaliteit in een Zone. De (potentiële) uitbijters worden met een visuele methode (scatterplots) inzichtelijk gemaakt. Het niet representatieve gehalte is het gevolg van duidelijk aantoonbare activiteiten: puntverontreinigingen, verdachte locaties, typfouten tijdens de invoer.

Uitgesloten locaties en gebieden

Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de BKK of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de waarnemingen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar de gemeente niet bevoegd gezag voor het Bbk is, zoals buitendijks gebied. Terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit worden eveneens uitgesloten van de BKK. Maar ook terreinen die in het beheer zijn van ander organisaties zoals Rijkswaterstaat (rijkswegen), de provincie (provinciale wegen) of de SBNS (spoorgebonden gronden) worden soms uitgesloten van de BKK.

Variabiliteit

Mate waarin de gehalten binnen een bodemkwaliteitszone varieert.

Variatiecoëfficiënt

Maat voor de spreiding in gehalten (standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde).

Bijlage 3: Internetadressen

Internetadressen voor het zoeken en opvragen van (bodem)informatie:

•www.rudutrecht.nl → geoloket , of via info@rudutrecht.nl;

•www.provincie-utrecht.nl → digitale kaarten;

•www.bodemloket.nl;

•www.topotijdreis.nl.

Internetadressen voor het vinden van wet en regelgeving over andere relevante thema’s:

•www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/onderwerpen-op-thema/;

•www.rudutrecht.nl.

Internetadres voor het melden van grondverzet:

•https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl/Voorportaal.aspx

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.