Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Wet aanpak woonoverlast gemeente Soest

Gemeente Soest · geldt sinds 1 april 2023

Aanhef

De burgemeester van de gemeente Soest;

Overwegende dat

Het wenselijk is beleidsregels vast te stellen voor de toepassing van de Wet aanpak woonoverlast;

Gelet op

Het bepaalde in artikel 151d van de Gemeentewet en artikel 2:79 van de Algemene Plaatselijke verordening Soest;

Besluit

vast te stellen de Beleidsregels Wet aanpak woonoverlast gemeente Soest

5. Afbakening en begrippen

5.1. Afbakening ten opzichte van andere bevoegdheden ter bestrijding van overlast vanuit een woning

Op de eerste plaats geldt dat de gedragsaanwijzing van artikel 2:79 APV pas in beeld komt, indien andere reguliere bevoegdheden geen uitkomst bieden. Het is daarmee vooral de aard van de “ernstige en herhaaldelijke overlast” zelf die bepaalt welke bestuurlijke bevoegdheid kan worden aangewend: bij drugsoverlast zal bijvoorbeeld een beroep kunnen worden gedaan op artikel 13b Opiumwet, bij bouwkundige gebreken komt de Woningwet in beeld en bij een verstoring van de openbare orde (of dreigende ernstige verstoring) rond de woning als gevolg van gedragingen in de woning kan de toepassing van artikel 174a Gemeentewet worden overwogen. Dit is veelal echter een verdergaande maatregel dan het opleggen van een gedragsaanwijzing. Wanneer beide maatregelen toepasbaar zijn, vormt dit onderdeel van de door de burgemeester te maken afweging.

5.2 Toelichting op begrippenkader artikel 151d Gemeentewet en 2:79 APV

“Andere geschikte wijze” (artikel 151d, tweede lid, Gemeentewet)

De burgemeester legt een specifieke gedragsaanwijzing pas op als de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze / minder ingrijpende maatregel kan worden tegengegaan (conform het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel). De burgemeester komt beleidsvrijheid toe in de afweging of er geen andere geschikte wijze is om de hinder tegen te gaan.

“Woning of een bij die woning behorend erf ” (2:79, eerste lid, APV)

Met woning of bij die woning behorend erf wordt bedoeld de woning, de rest van het betrokken perceel (zoals een tuin) en de gezamenlijke ruimte binnen een wooneenheid zoals het portiek, de parterretrap, de gezamenlijke buitenruimte, etc. Gelet op het bepaalde in artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet vallen ook gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, zoals bijvoorbeeld gedragingen in de tuin van de buren, op het trottoir en/of op straat ter hoogte van of vlakbij de woning onder de reikwijdte van dit begrip.

“Gebruiker van de woning” (2:79, eerste lid, APV)

Onder degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt wordt verstaan degene die de woning feitelijk bewoont. De gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning of het erf te hebben en hoeft niet de rechtmatige gebruiker van de woning te zijn. Ook een illegale onderhuurder of een kraker van de woning vallen onder dit bestanddeel.

“Gedragingen” (2:79, eerste lid, APV)

Met ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’ worden gedragingen bedoeld die in of rondom de woning of het erf worden gepleegd. Dit kan zijn door de gebruiker van de woning zelf of door bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook door (bijvoorbeeld) diens hond. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt. De gedragingen die worden gepleegd in de nabije omgeving van de woning, bijvoorbeeld in de tuin van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. Zo kan een blaffende hond op de straat voor de woning of een intimiderende gedraging voor de deur van de woning van de buurman vallen onder het bestanddeel ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’, zolang er een duidelijke connectie is tussen de gedraging en de woning of het erf. Bij een blaffende hond of een intimiderende gedraging vijf straten verderop is geen sprake meer van gedragingen vanuit de woning of het erf.

In het tweede lid artikel 2:79 APV staat een niet limitatieve opsomming van gedragingen:

a.geluid- of geurhinder;

b.hinder van dieren;

c.hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

d.overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

e.intimidatie van derden vanuit een woning of een erf; of

f.…..

“Zorgplicht” (2:79, eerste lid, APV)

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, dient er zorg voor te dragen dat door gedragingen in of rondom die woning of dat erf geen ernstige hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

“Onmiddellijke nabijheid” (2:79, eerste lid, APV)

Het gaat om bewoners die woonachtig zijn in de directe nabijheid van de woning c.a. ('omwonenden') van waaruit de overlast plaatsvindt.

“Ernstige en herhaaldelijke hinder” (2:79, eerste lid, APV)

Met ernstige hinder wordt gedoeld op ernstige hinder voor de omwonenden. Een vergelijking kan worden gemaakt met artikel 37 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waar onder ‘hinder’ gedragingen worden verstaan zoals het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen of het onthouden van licht of lucht. Ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet kan tevens onrechtmatig zijn in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek, maar dat is geen vereiste. En andersom zal niet elke onrechtmatige burenhinder ook automatisch kunnen worden aangemerkt als ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet. Met de term ‘herhaaldelijk’ wordt gedoeld op het vereiste dat de ernstige hinder een terugkerend karakter heeft (hetgeen niet noodzakelijkerwijze hetzelfde is als “ernstige hinder zonder onderbreking”). De burgemeester geeft daarom geen toepassing aan de bestuursdwangbevoegdheid op basis van één incident.

“Last onder dwangsom of onder bestuursdwang” (artikel 2:79, tweede lid, APV)

Als de raad de burgemeester de bevoegdheid heeft verleend tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, is de burgemeester ook bevoegd om, in plaats van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom op te leggen. Dit volgt uit artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht. De last kan daarbij de vorm aannemen van een “aanwijzing” (gedragsaanwijzing).

“Aanwijzingen” (c.q. gedragsaanwijzing) (artikel 2:79 tweede lid, APV )

De gedragsaanwijzing neemt in juridische zin de vorm aan van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. In deze last staat dat de overlastgever bepaalde handelingen moet doen of juist moet nalaten zodat de overlast ophoudt. Er kan bijvoorbeeld bepaald worden dat de overlastgever slechts een beperkt aantal bezoekers per dag mag ontvangen, na een bepaalde tijd helemaal geen bezoekers meer mag ontvangen, zijn hond moet muilkorven of anderszins moet voorkomen dat de hond overlast veroorzaakt, het portiek leefbaar moet houden, geen luide muziek mag draaien, etc. De gedragsaanwijzing kan ook een verplichting (gebod) inhouden om psychische of sociale hulp te zoeken of een agressiereductietraining te volgen.

De vorm van bestuursdwang is uiteraard afhankelijk van de precieze last die is opgelegd. Bij de last onder dwangsom verbeurt de betrokken bewoner een dwangsom, indien deze binnen de begunstigingstermijn niet, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet. Bij de daadwerkelijke uitoefening van de bestuursdwang kan men denken aan het verwijderen van bezoekers uit de woning, het aanbrengen van geluidwerende vloerbedekking, het verwijderen van geluidsapparatuur, het in beslag nemen van huisdieren, het verwijderen van vuilnis, enzovoorts. Het moet in het vermogen van de betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te beëindigen. De nadelige gevolgen van de last mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de last te dienen doelen (zie artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). De kosten van de bestuursdwang kunnen op grond van artikel 5:25 van de Awb worden verhaald op degene aan wie de last is opgelegd.

“Tijdelijk huisverbod” (artikel 151d, derde lid, Gemeentewet)

De burgemeester zal per geval maatgericht te werk gaan. Binnen het brede palet van het bij wijze van bestuursrechtelijke herstelsanctie geven van een gedragsaanwijzing is het uitvaardigen van een tijdelijk huisverbod een ‘ultimum remedium’.

5.3 Uitvoerbaarheid van de last

Het moet in het vermogen van betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te staken. Ook moet het in diens vermogen liggen om aan de eventueel opgelegde last te kunnen voldoen. Dit vloeit voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Soms wordt de overlast veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Het is mogelijk dat zij, door hun psychische gesteldheid, niet bij machte zijn de overlastgevende gedragingen te staken. Een gedragsmaatregel op grond van deze wet is dan mogelijk niet voldoende of geen passende maatregel ter beëindiging van de overlast.

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking.

Bijlage I Interventiemogelijkheden

Hieronder worden de verschillende bestaande interventiemogelijkheden (per partner) uitgewerkt die eerst op toepassingsmogelijkheid bekeken moeten worden, alvorens de burgemeester besluit gebruik te maken van de bevoegdheden genoemd in art 2:79 APV. De maatregelen en interventies kunnen individueel of tegelijk ingezet worden, afhankelijk van de situatie.

Maatregelen door inwoners

De gemeente verwacht van haar inwoners dat ze een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van een woonoverlast situatie. Dit kunnen zij o.a. doen door: een gesprek aan te gaan met de buren; melding te maken bij woningbouwcorporatie, verhuurder of VvE; buurtbemiddeling in te schakelen; een ordemaatregel via het civiele recht te vragen; of mediation; het doen van aangifte van strafbare feiten bij de politie of het doen van een handhavingsverzoek bij de gemeente.

Maatregelen woningcorporatie en particuliere verhuurder (bij huurwoningen)

In geval van huurwoningen is in eerste instantie altijd de woningcorporatie in de lead voor de aanpak van ernstige overlast. De woningcorporatie kan huurrechtelijke (vrijwillige) gedragsaanwijzingen opleggen (inclusief contractuele boete). Ditzelfde geldt voor de particuliere verhuurder.

De woningcorporatie kan een geluidsmeting doen om eventuele geluidsoverlast aan te tonen. Indien nodig en mogelijk kan de woningcorporatie of de huurder aanpassingen doen aan de woning waardoor overlast verminderd wordt (bijv. geluidsisolatie). Ook kan de woningcorporatie huurders buurtbemiddeling aanbieden, om zo tot een oplossing te komen. Ook deze maatregelen kunnen door een particuliere verhuurder worden genomen. Sinds de aanpassing van de wet in 2021 kan de gemeente de verhuurder dwingen om actie te ondernemen.

Een huurder die structureel ernstige overlast veroorzaakt, kan een “laatste kans” (VGA) aangeboden krijgen, om een einde te maken aan de overlast. De huurder krijgt daarmee nog een laatste kans om, door middel van een aangepast huurcontract, zijn gedrag te veranderen. Leeft de huurder de afspraken niet na en blijft hij structurele ernstige overlast veroorzaken, dan kan de verhuurder een procedure starten waarbij een gedragsaanwijzing of ontbinding van de huurovereenkomst / ontruiming bij de rechter wordt gevorderd.

Maatregelen gemeente

psychische of psychiatrische aandoening

Bij veel overlastgevallen spelen psychische problemen of psychiatrische aandoeningen een rol. Overlastgevers zijn dan niet altijd redelijkerwijs aanspreekbaar op hun gedrag. De overlast moet echter wel gestopt worden, zeker als die ernstig is. In dit soort situaties is een nauwe samenwerking tussen gemeente, het sociaal domein, hulpverlening, politie en (in geval van huurwoning) woningcorporatie essentieel om deze mensen passende zorg of maatregelen te bieden, en aldus de overlast te beëindigen. In acute gevallen kan een burgemeester op verzoek van een psychiater middels een geneeskundige verklaring besluiten tot het opleggen van een crisismaatregel (gedwongen opname op grond van de Wet verplichte GGZ). In andere – minder spoedeisende - situaties kan iedereen een procedure tot zorgmachtiging (ZM) starten door melding te doen en om een verkennend onderzoek te vragen. Het Openbaar Ministerie bepaalt of er een ZM wordt aangevraagd bij de rechtbank.

Maatregelen tegen verloedering, vervuiling en brandgevaar

Overlast als gevolg van of in combinatie met een overtreding van de wet- en regelgeving op het gebied van bouwen en wonen (Woningwet, Bouwbesluit, Huisvestingswet, bestemmingsplan), kan aangepakt worden met handhaving.

De Woningwet biedt diverse mogelijkheden tot aanpakken van woonoverlast, waaronder sluiting van woningen. Sluiting van woningen of panden is toepasbaar bij zowel koopwoningen als huurwoningen.

•Woningwet; artikel 1a geeft de verplichting voor de eigenaar of gebruiker van een woning om er voor te zorgen dat de staat van de woning geen gevaar oplevert voor de gezondheid of veiligheid.

•Woningwet; artikel 13b (Wet Victor) biedt grondslag om een pand na sluiting versneld in gebruik te (laten) nemen en zo leefbaarheidsproblemen als gevolg van langdurige leegstand te voorkomen (mogelijkheid om huurcontract te ontbinden bij woningsluiting; art.7:231 lid 2 Burgerlijk Wetboek), de eigenaar van een gesloten pand te verplichten om de woning in beheer te geven aan een instantie naar keuze van het bevoegde gezag (artikel 14 Woningwet), en over te gaan tot onteigening van een woning (art. 77 Onteigeningswet).

•Woningwet; artikel 17 verleent de gemeente de bevoegdheid om een woning te sluiten indien de staat of het gebruik ervan dusdanig is dat het een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid tot gevolg heeft.

Maatregelen tegen de verhuurder

De burgemeester kan direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen.

In artikel 2:79 van de APV is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten.

Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen.

Maatregelen uit overige wettelijke kaders

Overige wettelijke kaders die ingezet kunnen worden bij vormen van woonoverlast zijn:

•Gemeentewet; artikel 174a (Wet Victoria) geeft bevoegdheid tot sluiting van een woning bij verstoring van de openbare orde rond de woning als gevolg van gedragingen in de woning.

•Opiumwet; artikel 13b (Wet Damocles) biedt de mogelijkheid woningen of voor het publiek toegankelijke inrichtingen te sluiten als daar sprake is van drugshandel.

•De APV bevat een aantal lokale bepalingen over diverse vormen van aan wonen verbonden overlast, zoals:

o Artikel 2.59; betreffende gevaarlijke honden (o.a. muilkorfverplichting);

o Artikel 2.60; betreffende overlast dieren;

•Wet tijdelijk huisverbod; de wet die o.a. bepaalt dat een pleger van huiselijk geweld gedurende een bepaalde tijd zijn of haar woning niet meer in mag.

•direct op woonoverlast gerichte wettelijke kaders zijn er diverse wettelijke kaders, gericht op de fysieke leefomgeving (bijv. de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht; Wabo, Milieuwet).

Maatregelen politie

De politie heeft naast haar taak tot opsporing van strafbare feiten, ook een taak bij het bieden van hulp aan mensen die dat nodig hebben. Dit doen zij op grond van art. 3 van de Politiewet. Je kunt dan o.a. denken aan iemand die gevallen is, maar ook aan iemand die psychische problemen heeft. Dat laatste is bij het tegengaan van woonoverlast veroorzaakt door mensen met een psychische aandoening een belangrijke taak. De wijkagent kan een bemiddelende rol spelen door met omwonenden in gesprek te gaan. Indien dit niet toereikend is, kan de wijkagent doorverwijzen naar buurtbemiddeling of hulpverleningsinstellingen. Daarnaast kan de politie ook strafrechtelijk optreden wanneer daartoe aanleiding is.

Maatregelen Strafrecht

Bij ernstige normschendingen, bedreiging en discriminatie of bij escalatie in de vorm van geweld tegen personen of goederen bestaat de mogelijkheid tot handhaving op basis van het strafrecht. Het Openbaar Ministerie kan de overlastveroorzaker stafrechtelijk vervolgen. Lopende het strafrechttraject kan het nodig worden geacht om maatregelen in het kader van de wet aanpak woonoverlast in te zetten.

Huurrecht:

•Vrijwillige gedragsaanwijzing

•gerechtelijke gedragsaanwijzing

•ontruiming

•laatste kansbeleid

•tweede kansbeleid

Bestuursrecht:

•APV

•Bouwbesluit

•voornemen tot gedragsaanwijzing

•Gemeeentewet 151d

Hulpverlening

•Vrijwillige hulp

•Bemoeizorg

•Gedwongen hulp (WvGGZ)

Strafrecht

•Strafrechtelijke gedragsaanwijzing

•toezicht reclassering

•overige voorwaarden (bij voorwaardelijke

•veroordeling of schorsing van voorlopige hechtenis)

Bijlage 2: Dossieropbouw

Het CCV (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid) heeft een checklist ontwikkeld ten behoeve van een juiste en volledige dossieropbouw.

De burgemeester baseert een gedragsaanwijzing op een onderbouwd dossier, waarin aangegeven wordt dat er noodzaak is om dit instrument in te zetten. Relevant is om de juiste stukken in het dossier te hebben alvorens over te gaan tot een bestuursrechtelijke gedragsaanwijzing.

•De rechter toetst in het huurrecht of er sprake is van een ernstige tekortkoming

•De rechter toetst in het bestuursrecht of er sprake is van ernstige hinder.

•Ook niet-huurders kunnen de corporatie aanspreken als hun huurders overlast veroorzaken. De

•verhuurder is verantwoordelijk voor het pand en voor de overlast van huurders.

•Voor de rechter maakt het niet uit of omwonenden huurders zijn dan wel eigenaren van koopwoningen.

•Het bewijsmateriaal hoeft niet per se door een politieambtenaar of een BOA te zijn verzameld. Het gaat

•erom dat de rechter kan worden overtuigd van de overlast.

Verschillende partijen kunnen elementen aandragen voor het dossier:

Bewoners

•verklaringen van omwonenden (waaronder klachtenformulieren, brieven, mails)

•verklaringen ter zitting

•anonieme getuigenverklaringen, eventueel opgemaakt bij de notaris

•foto’s, video’s, geluidsopnamen, meetresultaten.

Verhuurders

•verzonden waarschuwingsbrieven

•overige correspondentie die met de huurder is gevoerd

•correspondentie met omwonenden

•verklaringen van eigen medewerkers

•een lijst met personen die de verhuurder eventueel mee zou kunnen nemen naar de zitting

•(omwonenden, eigen medewerkers, medewerkers van hulpverlenende instanties, de politie en/of

•de gemeente)

•meldingen uit de eigen database kunnen toegevoegd worden aan het dossier.

Politie

•verklaringen van de wijkagent (ter zitting)

•sfeerrapportages

•processen-verbaal

•mutatierapporten.

Gemeente

•verklaringen of mutatierapporten van ambtenaren

•verzonden waarschuwingsbrieven die bestuursorganen naar huurder en verhuurder

•besluiten van bestuursorganen in verband met:

o het sluiten van een woning

o toepassen bestuursdwang

o opleggen dwangsom

o opleggen gedragsaanwijzing.

Als de politie bepaalde informatie niet wil verstrekken, kan een belanghebbende een handhavingsverzoek indienen bij de burgemeester. Wanneer de burgemeester vervolgens tot de conclusie komt dat hij redelijkerwijs niets kan doen aan de overlast, kunnen de voor ontbinding benodigde gegevens alsnog aan de politie worden gevraagd. In een ontbindings- of ontruimingsverzoek kan ook worden meegenomen dat de burgemeester tot sluiting wil overgaan.

Overige

•brieven van hulpverlenende instanties, zoals GGZ, GGD, maatschappelijk werk, verslavingszorg (of

•verklaringen ter zitting)

waarschuwingsbrieven van de VvE aan de huurder en de eigenaar

•informatie over reeds genomen maatregelen en/of gevoerde procedures (tijdlijn) zoals

•buurtbemiddelingsgesprek of mediationtraject, vaststellingsovereenkomst, vonnis van de rechtbank of een laatste-kans-overeenkomst

•informatie die nodig is voor een verzoek aan de rechter om de situatie ter plekke te bekijken

•informatie die na afloop van een bezoek van de rechter aan de woning is verkregen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.