Deel I: Archeologische achtergrond
2.1 Bewoningsgeschiedenis van Soest
2.1.1 Vroege Prehistorie (Steentijd: 2,5 miljoen - 4000 jaar geleden)
Enkele van de oudste bewijzen van bewoning in Nederland zijn gevonden in Soest. Dit is niet zo verwonderlijk, aangezien de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en het Gooi de langste bewoningsgeschiedenis van ons land hebben. Rondtrekkende groepen prehistorische jagersverzamelaars hebben hier hun primitieve artefacten achtergelaten, zoals vuurstenen vuistbijlen, afslagen en rolstenen. Deze vondsten dateren uit de Vroege-Steentijd. In De Paltz zijn dergelijke vondsten gedaan. Groepjes Neanderthalers maakten in dit gebied jacht op (grote) zoogdieren, zoals het edelhert en de oude bosolifant, en ze verzamelden noten, vruchten en bessen om te overleven.
Deze jagers-verzamelaars leefden in kleine kampementen; een leefwijze die duizenden jaren heeft bestaan. Het bewijs hiervan blijkt ‘slechts’ uit de achtergebleven vuursteenafslagen en (resten van) haardkuilen. Kenmerkend voor de Midden-Steentijd zijn de zogenoemde microlieten: kleine, vaak geometrische stukjes vuursteen die een pijl een harpoenachtige functie gaven, wanneer ze in een serie vlak onder de punt geplaatst werden. Het voordeel van zulke pijlen of harpoenen was dat wanneer één microliet stuk ging, het wapen nog wel effectief was. Daarnaast maken ze bloederige wonden waardoor aangeschoten wild makkelijker terug te vinden was. Behalve uit deze microlieten bestond de uitrusting van de jagers-verzamelaars ook uit vuurstenen kern- en/of afslagbijlen. Deze zullen gebruikt zijn voor (zwaardere) houtbewerking, zoals het kappen van bomen en het uithollen ervan voor de vervaardiging van boomstamkano’s.
Behalve vuursteenvondsten en houtskoolconcentraties (van haardkuilen) hebben de kampementen nauwelijks sporen achtergelaten in de bodem. Toch zijn uit de gemeente Soest meerdere vondsten bekend uit de Steentijd. Verschillende clusters artefacten die duiden op de aanwezigheid van kampplaatsen zijn aangetroffen in de Lange en Korte Duinen en in het Eemland. Het is goed mogelijk dat binnen de stuifzandgebieden en op de dekzandruggen en -flanken in de gemeente nog vele restanten van dergelijke vindplaatsen aanwezig zijn.
2.1.2 Late Prehistorie (Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd: 2000 v. Chr. - 450 n. Chr.)
In de periode volgend op de Steentijd, de Bronstijd (2000-800 v. Chr.), trokken veel bewoners weg uit deze regio. Door het kappen van bossen en intensieve veeteelt waren de eerste heidevelden en kleinschalige zandverstuivingen ontstaan, waardoor hun akkerarealen uitgeput waren geraakt. In de lager gelegen delen van de gemeente was daarnaast mogelijk al sprake van veenvorming.
In de Late Bronstijd veranderde het begravingsritueel. Waar tot voor toen de doden werden begraven (inhumatie), kwam nu de gewoonte in zwang om de doden voorafgaand aan de begrafenis te cremeren. In veel gevallen werden uit de overblijfselen van de brandstapel verzamelde menselijke botresten in een urn aan de aarde toevertrouwd, waarna het geheel door een heuveltje werd afgedekt. Ook werden de bestaande (oudere) grafheuvels voor meerdere bijzettingen gebruikt. Deze gewoonte zette zich voort tot in de IJzertijd (800-15 v. Chr.) en Romeinse tijd (15 v. Chr.-450 n. Chr.). De bekende grafheuvels in de gemeente Soest hebben een datering uiteenlopend van Late Steentijd tot en met Vroege IJzertijd.
Vooralsnog zijn bewoningsresten uit de Brons- en IJzertijd niet bekend in de gemeente Soest. Aangezien er in Soest veel grafheuvels liggen, moet er vanzelfsprekend ook bewoning zijn geweest! Bewoningsresten uit deze perioden worden verwacht op de huidige (grotendeels) bebouwde eng van Soest en mogelijk ook op de flanken van de stuwwal in het zuiden van de gemeente.
Gedurende de Romeinse Tijd maakte Soest geen deel uit van het Romeinse Rijk, maar lag het net benoorden het grensgebied. Van bewoning in deze periode zijn in Soest tot op heden geen aanwijzingen aangetroffen. In de 4de en 5de eeuw n. Chr. was het stuwwallengebied mogelijk een belangrijke schakel tussen de Germaanse stammen in het noorden en het wegkwijnende Romeinse Rijk in het zuiden. Aanwijzingen voor bewoning in deze periode zijn schaars in deze regio en tot op heden niet aangetoond in Soest. Het weinige archeologisch onderzoek dat gedaan is op de stuwwallen, is hier zeker debet aan.
2.1.3 Vroege en Late Middeleeuwen (450 - 1500 n. Chr.)
De oudst bekende schriftelijke bron die betrekking heeft op het grondgebied van Soest dateert uit de 8ste eeuw. In het jaar 777 schonk Karel de Grote een groot koninklijk domein, waarvan de 'villa Lisiduna' (het huidige Oud-Leusden, langs de Rijksweg A28) het centrum vormde, aan de bisschoppelijke Sint Maartenskerk in Utrecht. De villa omvatte 'gronden, hoeven, huizen, gebouwen, horigen, bossen en velden, weiden en hooiland, water en beken', onder meer langs de rivier de Eem. Tegelijk met de villa Leusden werden ook vier foreesten aan de Sint Maartenskerk geschonken: Hengistscoto, Fornhese, Mocoroht en Widoc of Wido. Dit waren grondgebieden buiten het gebied van de villa die op andere wijze werden geëxploiteerd. Meest aannemelijk is dat het grondgebied van de huidige gemeente Soest deel uitmaakte van het foreest Fornhese.
In de Vroege Middeleeuwen was het akkerareaal nog vrij beperkt, maar dit groeide aanzienlijk naar mate de bevolking toenam. Hierop werd meer graasgebied gecreëerd, waarbij bossen werden gekapt en heidevelden werden aangelegd. Waarschijnlijk begon men in de Late Middeleeuwen (1000-1500 na Chr.) met systematische plaggenbemesting. Hierdoor ontstonden plaggenbodems, die vruchtbaarder waren en het vocht beter vasthielden dan de zandgronden. De Eng is hier een goed voorbeeld van. De ontginning van de hoger gelegen gebieden op de Utrechtse Heuvelrug was al vóór 800 n. Chr. begonnen. Door de uitputting van de grond op de stuwwal en de groei van de bevolking trok men in de 10de eeuw ook naar lager gelegen gebied. Zo is in 950-975 ook het land tussen de Grote en Kleine Melm aangepakt. Dit lijkt deel te zijn geweest van een grotere onderneming aan beide zijden van de Eem. Aan de oostzijde van de Eem (Amersfoort) liggen op heuveltjes oude boerderijen die hun oorsprong mogelijk al in deze tijd hebben.
Het lager gelegen veenlandschap veranderde ook met de komst van de eerste ontginners. In de Late Middeleeuwen heeft men de natte veen- en broekgebieden rond Soest verdeeld onder de gerechtigden, en ontgonnen. Enerzijds, omdat er meer landbouwgrond nodig was, anderzijds voor de turfwinning. Hiervoor was het eerst nodig om deze natte gebieden te ontwateren, waartoe een stelsel werd aangelegd dat op de Eem afwaterde. Binnen de ontginningseenheden werden, in de afwateringsrichting, parallelle sloten gegraven. Hierdoor ontstond in deze gebieden de nog altijd herkenbare strokenverkaveling met smalle langgerekte percelen.
De eerste zandverstuivingen - door uitputting van landbouwgrond - kwamen mogelijk al in de Late Steentijd voor. Het waren echter vooral de middeleeuwse ontwikkelingen die hun stempel op het landschap drukten. Door een sterke toename van de bevolking en de hiermee gepaard gaande ontginningen, intensieve ontbossing (ten behoeve van de ijzerindustrie), overbeweiding en plaggen steken, raakten veel gronden uitgeput en verdween de vegetatie. Voorbeelden hiervan zijn de Lange en Korte Duinen in Soest, maar ook de Leusderheide in Leusden. De aanwezigheid van stuifzandcomplexen in Soest wijst erop dat de akkers en heidevelden soms te intensief werden gebruikt. Kennelijk hadden ze na begrazing, afbranden of plaggensteken niet voldoende de tijd gekregen om te herstellen. Hierdoor raakten de relatief arme zandgronden snel uitgeput en verdween de vegetatie, met zandverstuivingen als gevolg.
2.1.4 Nederzettingen
Hees
De oudst bekende nederzetting in Soest waarvan de oorspronkelijke naam nog bekend is, is Hees. Deze naam werd in het jaar 838 vermeld in verband met schenkingen van de Utrechtse bisschop aan een zekere graaf Rodgar. De graaf kreeg in Hees de beschikking over een horige familie met alle bijbehorende gebouwen en landerijen. De nederzetting Hees bevond zich hoogstwaarschijnlijk bij Den Dolder, ter hoogte van de huidige gemeentegrens tussen Soest en Zeist.
In 2004-2005 is op het bedrijventerrein Fornhese in de gemeente Zeist een gedeelte van een laat-middeleeuwse nederzetting (11de-12de eeuw) opgegraven, waarbij ook resten van akkerlagen, karrensporen, zandwinningsgaten en een ronde palenconfiguratie zijn aangetroffen. Deze bewoningssporen worden toegeschreven aan de nederzetting Hees. De nederzetting heeft zich voortgezet in noordelijke en oostelijke richting. In 2001 zijn ook op het grondgebied van de gemeente Soest mogelijke sporen van de middeleeuwse nederzetting aangetroffen. Behalve het akkerland op de HezerEng hoorde ook het noordelijk daarvan gelegen Hezerveen of Laag Hees bij de nederzetting.
Soest
De nederzetting en de eng van Soest zijn gesitueerd op een stuwwal, bekend als de Engeberg en de Lazarusberg. De oude kern van de nederzetting werd gevormd door de Kerkebuurt, die aan weerszijden werd ingesloten door een langgerekt lint van boerderijen. Het dorp lag langs de zuidoostelijke begrenzing van de Soester Eng. De meeste boerderijen in het dorp lagen ten noorden van de Oude Kerk, tussen de huidige Lange- en Korte Brinkweg en de (voormalige) Rijksstraatweg of Bovenweg. Het terrein tussen deze wegen werd van oudsher aangeduid als de 'brink'. Deze brink schijnt oorspronkelijk een gemeenschappelijke open grasvlakte te zijn geweest, die in gebruik was voor het grazen van vee dat men dicht bij huis wilde hebben en de opslag van onder andere turf, hooi en mest.
De Birkt
Ten oosten van Soest is op het huidige grondgebied van de gemeente nog een derde middeleeuwse ontginningseenheid ontstaan: De Birkt. Een theorie is, dat de ontginning van De Birkt later moet hebben plaatsgevonden dan de ontginningen in de 10de eeuw. Het vermoeden is wel dat de ontginningen hier al vroeg zullen hebben plaatsgevonden, omdat de oudste zeven hoeven van Soest ook in deze omgeving lagen. In de 14de eeuw bestond het grondgebied van De Birkt voornamelijk uit lager gelegen broekgronden langs de Eem en voor een klein deel uit bossen en heidevelden op de stuwwal tussen Amersfoort en Soest.
2.1.5 Nieuwe Tijd (1500 tot heden)
Als gevolg van houtkap, ontginningen en overbeweiding nam de hoeveelheid bos op de Utrechtse Heuvelrug in de loop van de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd verder af. Tegen het einde van de 18de eeuw was vrijwel de gehele Utrechtse Heuvelrug ontbost en bestond het landschap hier uit uitgestrekte heidevelden en zandduinen. De introductie van de kunstmest aan het einde van de 19de eeuw maakte de functie van heidevelden als weidegebied en plaggengrond overbodig. Veel heidegebieden konden nu worden ontgonnen tot landbouwgrond. Op de Utrechtse Heuvelrug, waar de bodem minder geschikt was voor akkerbouw, werden veel heidevelden omgezet in bos.
In de gemeente Soest is het merendeel van de heidegebieden in de loop van de 20ste eeuw met bos beplant. In dezelfde periode ondergaat de landbouw een sterke modernisering en schaalvergroting. Veel kleinere boeren moesten hierdoor hun bedrijf beëindigen. Bovendien werd veel cultuurgrond opgegeven als gevolg van de sterke uitbreiding van de bebouwing. Het aantal boerenbedrijven in de gemeente is daardoor in de 20ste eeuw sterk afgenomen. In de periode 1977-2007 is de ruilverkaveling Eemland uitgevoerd, die ook het gebied met broekontginningen langs de Eem omvatte. Hierbij zijn percelen samengevoegd, boerderijen verplaatst en nieuwe wegen aangelegd. In hoofdzaak is het oorspronkelijke verkavelingspatroon gehandhaafd.
2.2 Beschermde dorpsgezichten Soest
2.2.1 Rijks beschermd dorpsgezicht
In 1966 heeft het Rijk in Soest een beschermd dorpsgezicht aangewezen rond de Oude Kerk: de Kerkebuurt. De Kerkebuurt in Soest is een kleine historische kern. Een van de meest karakteristieke panden hier is het voormalige Oude Mannen en Vrouwenhuis, uit 1782. Het hoogteverschil en de afleesbaarheid van de cultuurhistorische ontwikkeling maken de Kerkebuurt tot een karakteristieke plek in Soest. De forse oude boomgroepen en in niet mindere mate de hagen, dragen eveneens bij aan de karakteristiek, vooral doordat ze opvallend in het zicht liggen.
Doordat het beschermde dorpsgezicht vanaf de Torenstraat als onderbreking in de rijkswegbebouwing en begeleiding met bomen duidelijk opvalt en duidelijk lager ligt, wordt de identiteit van de Kerkebuurt benadrukt.
2.2.2 Gemeentelijk beschermde dorpsgezichten
Kerkpad, de Soester brink
Een zone van de Soester brink, globaal begrensd door de Korte Melmweg, de Lange Brinkweg, de Korte Middelwijkstraat en het Kerkpad NZ/ZZ. Het gebied vormt een overgangszone tussen de bouwlanden van de Eng en de graslanden van de Eempolder en vormde de langgerekte voormalige brink van Soest. In het zuiden grenst het gebied aan de Kerkebuurt. Een nauwkeurige lokalisering van het gebied werd aangetroffen in een document uit 1557. Gezien de structurele gaafheid van het gebied met de hierin nog aanwezige boerderijen moet het als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt.
De Soester Eng
Het betreft hier het belangrijkste restant van de Soester Eng. Dit nagenoeg onbebouwde gebiedbezit nog het agrarische karakter en is van grote cultuurhistorische betekenis voor de identiteit van Soest. De verkaveling dateert uit de Vroege Middeleeuwen. Het restant van de Soester Eng, als hoger gelegen open bouwland doorsneden door enige landelijke wegen met het Enghenbergje als hoogste punt, bezit naast haar eigen cultuurhistorische waarden nog een aantal waardevolle relaties met de omgeving. Genoemd in dit verband wordt het zicht vanaf de Eng op de Kerktoren, de relatie tussen de Enggrond en Soest-Zuid en die tussen het Enghenbergje en de Lazarusberg.
De Birkt
Naast de boerderijstrook langs het Kerkpad wordt een dergelijke situatie eveneens aangetroffen langs de Birkstraat. Deze strook kan als de meest gave concentratie van boerderijen worden beschouwd, gekarakteriseerd door monumentale boerderijen en oprijlanen. Bij enkele boerderijen zijn de schaapskooien nog aanwezig die in relatie staan tot de in deze omgeving vroeger aanwezige heidevelden. Het gebied heeft een open agrarisch karakter. Mede omdat door de recente ruilverkaveling in dit gebied het agrarische gebruik en dito bestemming van een aantal percelen is beperkt, moet een verdere teloorgang van dit gebied worden voorkomen. Ruimtelijk is de grens van het te beschermen gebied vastgesteld op een afstand van 250m. uit het hart en evenwijdig aan de Birkstraat.
De Paltas, de Kleine Paltz en een gebied met grafheuvels gelegen ten zuiden van de spoorlijn Amersfoort Utrecht
Het landgoed de Paltz werd vroeger de "Grote Eng" genoemd, maar komt op een kaart uit 1698van du Roy voor als "Hoogh Hees". Het heeft dan nagenoeg dezelfde omtrek als de huidige Paltz en vormt een soort enclave in het woeste heide- en duingebied uit die tijd. De structuur van de verkaveling van de landbouwgronden met een vijftal hofsteden is nog steeds herkenbaar binnen het rechte lanenstelsel. De naam Paltz is van Duitse oorsprong. In 1874 liet Copijn er een landschapspark aanleggen met bijzondere boomsoorten waaronder een sequoia en andere waardevolle elementen. Aansluitend wordt ten oosten van de Soesterbergsestraat een gebied van cultuurhistorische waarde aangetroffen waarin grafheuvels zijn gesitueerd.
Het landgoed Pijnenburg en Op Hees
De kaart geeft nog exact het gebied aan dat in opdracht van de St. Paulus abdij van Utrecht vanaf 1399 is verkaveld als veen-ontginningsgebied met als basis de Zoom. De 14de eeuwse strokenontginning is nagenoeg geheel in tact. Het veengebied dat vroeger Laag Hees werd genoemd, werd verdeeld in 6 hoeven. Op de kaart van du Roy uit 1698 wordt de strokenontginning parallel aan de Wieksloterweg en de 6 hofsteden bij de Zoom aangegeven. In de 18de eeuw komt het gebied in bezit van de eigenaar van Pijnenburg die er gedeeltelijk parkbos van maakte. Ook het Spiehuis (op een wigvormig perceel), stamt uit die tijd.
De Grote Melm
Een voor de nederzettingshistorie van Soest zeer belangrijke plaats, aangelegd als los- en laadplaats ten behoeve van het vervoeren van turf afkomstig uit het Soesterveen.
Het gebied Kostverloren
Gebied begrensd door de Praamgracht met bebouwing die van waarde is als voorbeeld van de oude bebouwing binnen de grenzen van het landgoed Pijnenburg. Aan de Jachthuislaan (voorheen Beckeringhstraat) ligt nog de buitenplaats in landschapsstijl, de Eikenhorst, welke oorspronkelijk uit 1745 dateert.
Omgeving Egghermonde, Oude Tempel, het Cenakel en het Kontakt der Kontinenten
Aaneengesloten reeks van buitenplaatsen, aangelegd op de midden 17de eeuwse vakkenverkaveling van de Amersfoortsestraat. Deze buitenplaatsen vormen tezamen het belangrijkste cultuurhistorisch waardevolle gebied in Soesterberg. Bij het landhuis Egghermonde is de oorspronkelijke tuinaanleg herkenbaar, op het terrein van het Cenakel en het Kontakt der Kontinenten is de lanenstructuur met oude bomen herkenbaar die vroeger deel uitmaakte van de buitenplaats op deze plek.
Het is gebruikelijk dat aangewezen beschermde dorps- en stadsgezichten in bestemmingsplannen een dubbelbestemming uit de hoofdgroep ‘Waarde’ krijgen. In de regels van het bestemmingsplan kan vervolgens worden aangesloten op het Aanwijzingsbesluit waarin de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van de bebouwing en het gebied gelegen binnen de grenzen van het beschermd dorps- of stadsgezicht zijn opgenomen. In een bestemmingsplan kunnen voor beschermde dorps- en stadsgezichten verdergaande regelingen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden worden opgenomen dan in een ‘gewoon’ bestemmingsplan. Het staat gemeenten vrij in bestemmingsplannen een beschermende regeling voor de door zichzelf aangewezen beschermde gezichten op te nemen, dit op basis van de eigen monumentenverordening. Op de verbeelding, in de toelichting en in de regels van een bestemmingsplan dienen beschermde dorpsgezichten te worden opgenomen en beschreven.
Vanuit de bescherming voor het archeologisch erfgoed kunnen voorwaarden aan de sloopvergunning (als onderdeel van een omgevingsvergunning) binnen een Rijksbeschermd dorpsgezicht gekoppeld worden.
7Monumentenwet, art. 41.2.
3.2 Een nieuw nationaal archeologiebeleid
3.2.1 Kernpunten uit de Wamz
Middels de invoering van de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta voor Nederland nader uitgewerkt. De drie meest ingrijpende punten uit dit verdrag worden hieronder kort uiteengezet:
8In deel II van deze nota worden deze punten verder uitgewerkt.
•Het streven naar in-situ behoud en bescherming van archeologische waarden.
Voordat een bodemverstoring plaatsvindt, dient aangetoond te worden dat de archeologische resten in de bodem niet (onevenredig) worden geschaad. Blijkt uit de resultaten van een (bureau)onderzoek, dat waardevolle sporen in de bodem aanwezig zijn, dan moet de gemeente een belangenafweging maken. Een initiatiefnemer kan, gelet op het groot wetenschappelijk belang van de aanwezige archeologische resten, door de gemeente gevraagd worden om zijn bouwplannen aan te passen (in-situ behoud). Meestal zullen de archeologische resten echter door middel van een archeologische opgraving veilig gesteld moeten worden (ex-situ behoud).
•De kosten van archeologische werkzaamheden komen in principe voor rekening van de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten (‘veroorzakerprincipe’).
Indien behoud in-situ niet mogelijk is, dan moeten de archeologische waarden veiliggesteld worden middels een opgraving. De Wamz kent het veroorzakersprincipe: ‘de verstoorder betaalt’. Dit betekent, dat een initiatiefnemer (vergunningaanvrager) de kosten dient te dragen van de aanpassing van zijn plannen of van het archeologisch (voor)onderzoek.
•De archeologische monumentenzorg wordt een geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke ordeningsproces.
De Wamz is een wijzigingswet waarmee niet alleen de Monumentenwet uit 1988 is aangepast, maar ook de Ontgrondingwet, de Wet milieubeheer, de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening. De nieuwe wet gaat ervan uit dat bij het maken van plannen rekening gehouden wordt met aanwezige danwel te verwachten archeologische monumenten.
9Het begrip monument slaat hierbij niet op een wettelijk beschermd monument, maar op alle terreinen die zaken bevatten die ouder zijn dan vijftig jaar en ‘van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde’. (MW art. 1.b,sub 1)
Daarom is voorgeschreven dat bij het maken van een bestemmingsplan de archeologische belangen worden afgewogen. Het gaat dus niet alleen maar om documentatie op het moment dat er iets wordt verstoord, maar om de afweging vooraf. Aan elk bestemmingsplan moet daarom een paragraaf worden toegevoegd waar in staat op welke plaatsen sprake is van (verwachte) archeologische waarden en hoe daarmee omgegaan dient te worden.
10MW art. 38a stelt namelijk: ‘De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening […] en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten’.
In navolging hierop kan de gemeente een goedgekeurd archeologisch onderzoeksrapport verlangen als voorwaarde tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Deze koppeling is logisch, omdat in het proces van de ruimtelijke ordening immers besluiten worden voorbereid, die verstrekkende gevolgen hebben voor het archeologische bodemarchief: bijvoorbeeld de bouw van woningen of bedrijfsgebouwen, de aanleg van infrastructuur of de inrichting van natuurgebieden.
Een voorbeeld
Wanneer in een bepaald gebied belangrijke archeologische resten worden vermoed, kan in een bestemmingsplan geregeld worden dat eerst een (verkennend) archeologisch onderzoek moet worden gedaan. Dit met als doel om vast te stellen of er ook daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, wat de waarde daarvan is. De kosten van dat onderzoek komen ten laste van de initiatiefnemer (aanvrager van de vergunning). Blijken er dan inderdaad belangrijke resten aanwezig te zijn dan dient geprobeerd te worden de plannen zodanig aan te passen dat de resten in-situ behouden kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld, omdat er een kelder moet komen, dan is de initiatiefnemer verplicht de kosten van archeologisch onderzoek te betalen.
Het is de nadrukkelijke bedoeling van de wetgever dat de initiatiefnemer op deze wijze de kosten van het onderzoek afweegt tegen zijn belang om een kelder te maken. Uit het verkennend onderzoek kan natuurlijk ook blijken dat de archeologische resten zo belangrijk zijn dat ze moeten blijven zitten. In dat geval kan geen kelder worden gebouwd. Dit soort zaken werd tot voor kort niet in bestemmingsplannen geregeld en is dus nieuw. De gemeente streeft ernaar om het verstoorders principe zodanig toe te passen dat geen onnodige verplichtingen worden opgelegd, maar dat wel het doel van de wetgeving voor ogen wordt gehouden.
3.2.2 Wettelijke onderzoeksplicht
De wettelijke ondergrens voor het in een bestemmingsplan, beheersverordening of omgevingsvergunning verplicht stellen van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen bedraagt 100 m2.
11MW art. 41a.
Door het hanteren van de IKAW is het vaak niet duidelijk of het zinvol, dan wel noodzakelijk is, om in bepaalde gebieden archeologisch onderzoek verplicht te stellen. Nadeel van deze werkwijze is, dat, gelet op het globale karakter van de IKAW, archeologische belangen bij bouwplannen zwaarder worden meegewogen, dan wanneer deze belangen worden meegewogen op basis van een kaart op gemeentelijke schaal. Er zou vaker onderzoek moeten plaatsvinden.
Hierop heeft de gemeente Soest in 2008 opdracht gegeven tot het laten ontwikkelen van een Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart met voorschriften ten behoeve van de archeologische monumentenzorg. Deze kaart en het bijbehorende rapport zijn in het voorjaar van 2010 opgeleverd.
12De Boer e.a. (2010)
Deze kaart, die de gemeente indeelt in zones met archeologische waarden en verwachtingen, stelt de gemeente in staat gefundeerd af te wijken van de wettelijke ondergrens van 100m2.
13MW art. 41a stelt ook dat de gemeenteraad een afwijkende oppervlakte-ondergrens voor het verplicht stellen van archeologisch onderzoek kan vaststellen.
Kleinschalige ingrepen kunnen zo in bepaalde zones worden vrijgesteld van de verplichtingen van ‘Malta’. Wat verantwoord kan worden vrijgesteld is afhankelijk van de archeologische waarde of verwachting, en verschilt dus per gebied. Op basis van de kennis over de spreiding en intensiteit van vondsten wordt in Soest voor sommige gebieden een strengere norm voorgesteld dan de wet als richtlijn (100m2) stelt. In andere gebieden wordt een minder strenge norm voorgesteld. Zie hiervoor paragraaf 4.2.
3.2.3 Nieuwe gemeentelijke taken
In Nederland worden de meeste beslissingen over de ruimtelijke inrichting genomen op gemeentelijk niveau. Begrijpelijk is dan ook dat in het nieuwe bestel (Wamz, Wro) de meeste taken en bevoegdheden zijn verschoven naar dat gemeentelijke niveau. Nieuw is dat gemeenten de rol krijgen van bevoegd gezag. De gemeentelijke zorg voor het bodemarchief is hiermee niet meer vrijblijvend, maar een (verplichte) verantwoordelijkheid. De gemeente zal dus bij ruimtelijke plannen ervoor moeten zorgen dat de archeologische belangen bekend zijn en dat deze zorgvuldig worden meegewogen in een afwegingsproces met andere (maatschappelijke, sociale, economische, ecologische) belangen.
In hoofdlijnen betekent dit het volgende voor iedere gemeente:
•De omgang met de archeologie binnen de gemeentegrenzen wordt primair een verantwoordelijkheid van de gemeente;
•De gemeente dient gebieden met (te verwachten) archeologische waarden op te nemen in bestemmingsplannen;
•De gemeente stelt zelf voorwaarden of verleent ontheffingen bij het verlenen van omgevingsvergunningen;
•De gemeente is verantwoordelijk voor (en aanspreekbaar op) haar beslissingen aangaande haar omgang met archeologische waarden.
3.3 Realisatie van het gemeentelijk archeologiebeleid van Soest
3.3.1 Samenwerking met buurgemeenten
De gemeente Soest ligt in een landschappelijk regio die de gemeentegrenzen overschrijdt. De stuwwal, zandgronden en het Eemdal zijn niet alleen kenmerkend voor Soest, maar (deels) ook voor Amersfoort, Bunschoten en Leusden. Deze gemeenten hebben daardoor een hoge mate van overeenkomstigheid van archeologische waarden en verwachtingen. Dit is een belangrijke basis voor samenwerking en kennisdeling, en ook bij het opstellen van een archeologiebeleid. Op 26 augustus 2009 is middels een Raamovereenkomst Archeologie de regionale samenwerking met het Centrum voor Archeologie (CAR) van de gemeente Amersfoort bezegeld. De gemeenten Leusden en Bunschoten waren eerder al een dergelijke overeenkomst met het CAR aangegaan.
Centrum voor Archeologie
Het CAR voert al 25 jaar archeologisch onderzoek in Amersfoort uit en beschikt over de mensen en middelen om Soest bij te staan in raad en daad. Door middel van de uitbreiding van de opgravingsvergunning, die het CAR van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft verkregen op 28 oktober 2009, is zij tevens bevoegd om binnen de gemeentegrenzen van Soest archeologisch onderzoek te verrichten. Met de Raamovereenkomst Archeologie heeft de gemeente Soest een archeologische adviseur (regio-archeoloog) ter beschikking, die haar ondersteunt in het beoordelen van onderzoeksplichtige vergunningaanvragen en archeologische rapporten, het aanleveren van bestemmingsplanteksten en -regels, en andere archeologische onderzoeks- en beleidszaken.
3.3.2 Startnotitie archeologie
Op 8 juli 2010 heeft de gemeente Soest het CAR opdracht gegeven tot het opstellen van een Startnotitie Archeologie. In deze notitie werden drie varianten (scenario’s) om het gemeentelijk archeologiebeleid van Soest gestalte te geven voorgesteld. In de collegevergadering van 26 oktober 2010 is ingestemd met het voorgestelde scenario 2, waarmee tevens opdracht werd verstrekt tot het opstellen van deze beleidsnota.
Scenario 2 is een variant, waarbij de gemeente Soest streeft naar een zekere autonomie, zowel bij het selecteren van archeologische waarden, die beschermende maatregelen behoeven, als bij de daaruit voortvloeiende acties. Op grond van een eigen Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is de gemeente Soest door middel van een Beleidsnota en Archeologieverordening in staat onderbouwd en maatschappelijk verantwoord eigen ondergrenzen vast te stellen (afwijkend van de wettelijke 100m2-grens) voor het verplicht stellen van archeologisch onderzoek.
In de aanloop naar het eigen beleid zal dit scenario enige kosten met zich meebrengen, maar deze kosten worden na implementatie terugverdiend. Op grond van de in veel gevallen ruimere ondergrenzen voor onderzoek en een betere nuancering van de archeologische (verwachtings)waarden op een eigen gemeentelijke kaart, zijn minder onderzoeken nodig. Dit zorgt voor een lichtere belasting van het ambtelijk apparaat, maar pakt zeker ook gunstig(er) uit voor de burger! Zo kan een eigen archeologische verwachtingskaart gebruikt worden als een archeologische quickscan (kort bureauonderzoek) bij planbeoordeling. De kosten voor een dergelijk onderzoek hoeven in de regel dus niet meer te worden bekostigd door een initiatiefnemer, bijvoorbeeld bij een vergunningsaanvraag.
Sinds de vaststelling van de Startnotitie Archeologie werkt de afdeling Ruimte al ‘in de geest van Malta’ bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen. De laatste informatie met betrekking tot bekende archeologische waarden en verwachtingen is meegenomen in de in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen Boerenstreek Overhees, Soester Eng, Klaarwater, Smitsveen en Bosstraat, Soestdijkse Grachten en Soest Midden Zuid. Hierin worden reeds de regels, toelichting en verbeelding opgenomen, afkomstig van, en geënt op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.
Uitgaande van het bovengenoemde scenario 2 heeft de gemeente Soest voor een verantwoord archeologiebeleid een aantal beleidsinstrumenten nodig. Deze stellen de gemeente in staat de vanuit de wetgeving opgedragen taken, maar ook de eigen gemaakte keuzen zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Daarnaast, maar zeker niet minder belangrijk, is het voorgenomen beleid erop gericht de cultuurhistorische identiteit van Soest te versterken. De beleidsinstrumenten worden in deel II en III van deze beleidsnota nader uitgewerkt.
Deel II: Archeologische beleidsinstrumenten
4.2 Totstandkoming Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Soest
4.2.1 Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Soest
Met het goedkeuren van deze wijzigingen en de vaststelling van de beleidsadvieskaart (versie mei 2011), zal deze de titel Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Soest krijgen.
Afbeelding 3: De Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Soest (versie mei 2011).
Het doel van de archeologische beleidsadvieskaart is het bieden van een beslissingskader bij de verlening van omgevingsvergunningen. Daartoe dienen de archeologische waarden- en verwachtingszones opgenomen te worden in de nieuwe bestemmingsplannen van de gemeente Soest.
Bodemingrepen die de beide ondergrenzen (diepte en oppervlakte) niet overschrijden worden direct vrijgegeven van een archeologische onderzoeksplicht. Bij bodemingrepen die de beide ondergrenzen (diepte en oppervlakte) wel overschrijden geldt een onderzoeksplicht. De archeologische onderzoeksplicht bestaat uit plantoetsing door een archeologisch deskundige (van het CAR). Deze toetsing kan leiden tot archeologisch (voor)onderzoek in het plangebied, begeleiden van de bodemverstorende werkzaamheden, het in de bodem beschermen van de aanwezige archeologische resten of het vrijgeven van het plangebied.
4.2.2 Legenda Archeologische beleidsadvieskaart (ondergrenzen)
In de legenda van de beleidsadvieskaart staat per categorie aangegeven vanaf welke diepte- en oppervlakte-ondergrenzen bij bodemingrepen een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In tabel 1 is de legenda vertaald naar ‘situatie’ en ‘te ondernemen actie’.
Tabel 1: Categorieën en ondergrenzen voor onderzoeksplicht.
*18 Zie De Boer e.a. (2010) voor de precieze omschrijvingen van de diverse categorieën en de wetenschappelijke onderbouwing ervan.
*19 Een sandr (of spoelzandwaaier) is een waaiervormige afzettingsvorm die voor een ijskap of gletsjerfront gevormd is.
Bij wettelijk beschermde monumenten dient altijd een vergunning te worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als er bodemverstoring gaat plaatsvinden. Bij de grafheuvels wordt een onderzoeksplichtige ondergrens van 0cm en 0m2 voorgesteld, gezien de kwetsbaarheid van dergelijke archeologische overblijfselen. Bij de overige categorieën geldt de onderzoeksplicht pas bij bodemingrepen dieper dan 30cm én een verstoringsoppervlak van respectievelijk 50, 100, 500 en 10.000 m2.
4.3 Ondergrenzen en onderzoeksplicht
4.3.1 Oppervlakte-ondergrenzen
De basis voor de voorgestelde oppervlakte-ondergrenzen vormt de wettelijke 100m2-ondergrens (MW, art. 41a). Uitzondering hierop vormen de vergunningaanvragen ter plekke van beschermde archeologische rijksmonumenten, die altijd door de RCE beoordeeld dienen te worden. De wettelijke 100m2-grens voor een archeologische onderzoeksplicht mag door een gemeenteraad beargumenteerd naar boven of beneden bijgesteld worden. De bureaustudie van RAAP richtte zich met name op de vraag, waar dient de ondergrens strenger te worden, en waar kan het ondergrensbeleid versoepelt worden. De gekozen ondergrenzen zijn mede gebaseerd op de eigenschappen van de bodem en op de aard (en de kwetsbaarheid) van het bodemarchief, dat in onze gemeente is te verwachten.
Uit de bureaustudie van RAAP bleek dat er in de gemeente Soest diverse gebieden aanwezig zijnwaar een hoge archeologische waarde geldt. Dit zijn hoofdzakelijke de AMK-terreinen (Soester Eng, Brink, grafheuvels en andere bekende archeologische vindplaatsen). Voor deze Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG 1 en 2-gebieden) is ter bescherming van de aanwezige archeologische resten in de bodem een strengere ondergrens nodig.
Voor de AWG1-gebieden (grafheuvels) is een ondergrens van 0m2 voorgesteld. Grafheuvels zijn namelijk zulke kwetsbare vindplaatsen dat iedere bodemingreep hier desastreus kan zijn. Voor vergunningaanvragen ter hoogte van een grafheuvel, of zijn directe omgeving (straal van enkele meters eromheen), is altijd een archeologietoets nodig door het bevoegd gezag!
Voor de AWG2-gebieden (Eng, Brink, boerderijplaatsen, vindplaatsen) is een ondergrens van 50m2 voorgesteld. In deze gebieden zijn archeologische resten in de bodem aanwezig die bij geringe bodemverstoring al vernietigd kunnen worden. Om kleine ‘huis-tuin-en-keukenprojecten’ toch vrij te stellen van een archeologische onderzoeksplicht, is de grens van 50m2 voorgesteld.
Voor de Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden (AWV 1, 2 en 3-gebieden) vindt de gemeente het niet nodig een strengere ondergrens op te stellen dan de wettelijke ondergrens van 100m2. Waar de gemeente het mogelijke acht, zal de ondergrens zelfs verruimd worden.
Voor de AWV1-gebieden, met een hoge archeologische verwachting, kiest de gemeente in haar ondergrensbeleid voor aansluiting bij de wettelijke 100m2-grens.
Voor de AWV2-gebieden, met een middelhoge (of onbekende) archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 500m2. In deze gebieden zijn veelvoorkomende bodemingrepen, bijvoorbeeld de bouw van een woning, kleiner dan 500m2 vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht.
Voor de AWV3-gebieden, met een lage archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 10.000m2. In deze gebieden zijn bodemingrepen toegestaan, tenzij sprake is van grootschalige ontwikkelingen waarbij bodemverstoring groter dan 10.000m2 optreedt.
De oppervlakte-ondergrens van het projectgebied betreft bij bestemmingsplanwijzigingen, ontheffingen en projectbesluiten het totale gebied waar een (nieuwe) bestemming wordt opgelegd. Omdat het Verdrag van Malta van het principe in situ- bescherming uitgaat, is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Bij een bouw- of aanlegactiviteit (middels omgevingsvergunning) wordt voor de ondergrens uitgegaan van het omtrek-oppervlak binnen het projectgebied waar daadwerkelijk bodemverstoring gaat plaatsvinden. Als voor een projectgebied twee of meer categorieën gelden, dan geldt de hoogste verwachting/waarde voor het gehele terrein.
4.3.2 Diepte-ondergrenzen
Naast de oppervlakte-ondergrenzen zijn er ook diepte-ondergrenzen geformuleerd. Voor de AWG1-gebieden geldt een ondergrens van 0cm onder maaiveld. De prehistorische grafheuvels in deze gebieden liggen direct aan het oppervlak / maaiveld en daardoor uiterst kwetsbaar voor elke vorm van bodemverstoring! Veel grafheuvels zijn zelfs al door hun iets hogere ligging in het landschap herkenbaar.
Voor alle overige waardevolle (verwachtings)gebieden geldt een diepte-ondergrens van 30cm onder maaiveld. Er is voor gekozen in deze gebieden een dergelijke ondergrens te hanteren, omdat de bouwvoor in deze regio normaliter ca. 30cm dik is.
18Indien middels archeologisch bureauonderzoek en bodemkundige / verkennende boringen is vastgesteld dat de bouwvoor in een plangebied aanzienlijk dikker is dan 30cm, dan kan afgeweken worden van de ‘dieper dan 30cm-regel’. Indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het aanwezige of verwachte bodemarchief kan de ondergrens dan gelegd worden op de minimaal aangetoonde dikte van de aanwezige bouwvoor, inclusief een kleine marge.
Onder deze bouwvoor bevindt zich de overgang naar de archeologisch interessante ondergrond, zoals oud akkerland, podzolbodems, dekzand e.d. Verstoringen dieper dan 30cm onder maaiveld zouden dus al een verstoring van het bodemarchief kunnen betekenen.
4.3.3 Onderzoeksplicht
Met het indelen van archeologische waarden in bestemmingsplancategorieën, het (gemotiveerd) stellen van ondergrenzen ten aanzien van onderzoeksplicht voor de diverse categorieën en het opnemen van bestemmingsplanvoorschriften, is getracht een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en praktische uitvoerbaarheid. Hieruit voortgekomen zijn twee soorten beleidsadviezen gedefinieerd: ‘archeologische onderzoeksplicht’ bij overschrijding van de gestelde ondergrenzen, en ‘geen archeologische onderzoeksplicht’ bij het niet overschrijden van de gestelde ondergrenzen.
Als een eerste interne archeo-toets door de behandelend ambtenaar (vooroverleg Omgevingsvergunning, zie volgende paragraaf: Beslisboom) aangeeft dat archeologisch onderzoek op basis van de beleidsadvieskaart noodzakelijk is, zullen de bodemverstorende plannen ter toetsing aan het CAR voorgelegd worden. Pas dan zal exact worden bekeken in welke vorm het onderzoek plaats dient te vinden. Ook kan het betekenen dat bij nader inzien, op inhoudelijke gronden, toch geen onderzoek nodig is. De onderzoeksplicht zoals gesteld in de bijlage van de beleidsadvieskaart (zie ook tabel hierboven) is dus niet per definitie een archeologisch veldonderzoek. De onderzoeksplicht behelst het ‘ter toetsing overleggen van de plannen aan het bevoegd gezag’. Vervolgens vindt een beoordeling van de plannen (verstorende bodemingrepen) plaats door een archeologisch deskundige.
19De gemeente Soest beschikt over een archeologisch deskundige, in de vorm van een regio-archeoloog. Deze is ter beschikking op basis van de Raamovereenkomst Archeologie met het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort.
Het onderzoek kan vervolgens bestaan uit een nadere bureaustudie (archeologische quickscan) door het Centrum voor Archeologie, op basis waarvan de plannen alsnog worden vrijgegeven van verder archeologisch onderzoek, of uit het advies aan het bevoegd gezag om de vergunningaanvrager te verplichten tot het doen van een (verkennend of karterend) veldonderzoek.
Deel III: Archeologische monumentenzorg in de praktijk
7.3 Inventariserend veldonderzoek
7.3.1 Verkennende fase
De verkennende fase is gericht op het in detail in beeld krijgen van de archeologische verwachting voor een plangebied. De gedetailleerde gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voorziet hier in grote lijnen in. Er zijn echter situaties denkbaar dat aanvullende gegevens nodig zijn over de specifieke geologische opbouw van een gebied en de hieraan te relateren archeologische verwachting. Een voorbeeld zijn gebieden met niet bekende maar mogelijk omvangrijke bodemverstoringen, waardoor de toegekende verwachting naar beneden dient te worden bijgesteld. Dit zal vooral op perceelsniveau altijd nader onderzocht moeten worden.
De verkennende fase moet worden gezien als een voorbereiding op een gerichte karterende fase (en is dan ook niet verplicht). In sommige gevallen kunnen de resultaten van de verkennende fase leiden tot het vrijgeven van een (bodemverstorende ingreep in een) plangebied. Dit zal alleen het geval zijn als blijkt dat de bodem recentelijk dermate diepe is verstoord (tot ver in het dekzand, de zogenaamde C-horizont
30Het dekzand, de C-horizont, is de bodemlaag waarin zich de meeste archeologische sporen aftekenen. Als de C-horizont diep verstoord is, bijvoorbeeld door ontgronding, zijn hiermee de meeste archeologische sporen ook vernietigd.
) dat alle (mogelijk aanwezige) archeologische waarden reeds vernietigd zijn. Vaak kan dit op voorhand al aangetoond worden middels oude bouwtekeningen van gesloopte panden, ontgrondings- of saneringsgegevens etc.
De verkennende fase aanvullen met het zetten van grondboringen is met name interessant en zinvol voor grotere plangebieden. Hoe kleiner het gebied, hoe lager het rendement van een verkennende fase, omdat naar verhouding meer boringen nodig zijn.
7.3.2 Karterende fase
Het doel van de karterende fase is het in kaart brengen van (nog onbekende) archeologische vindplaatsen. In de meeste gevallen bestaat een kartering uit booronderzoek, aangevuld met een oppervlaktekartering. De boordichtheid en -strategie worden bepaald door de specifieke onderzoeksvraag en de archeologische verwachting. In de KNA zijn richtlijnen opgenomen over de te hanteren boordichtheden onder verschillende omstandigheden. Deze zijn gebaseerd op een omvangrijke studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheologie en de leidraad booronderzoek van de SIKB. Het kan blijken dat niet een booronderzoek de beste methode is voor een karterende fase, maar dat juist gravend onderzoek (proefsleuven of proefputten) noodzakelijk zijn (bijv. voor het opsporen van vroege en late prehistorische vindplaatsen met een lage tot matige vondstdichtheid en voor het karteren van een mogelijk grafveld).
De meest geschikte onderzoeksmethode is sterk afhankelijk van de aanwezige bodemsoort in het plangebied, de gespecificeerde archeologische verwachting en de geplande bodemverstoring. De gemeente toetst daarom graag voorafgaand aan het onderzoek het Plan van Aanpak en de voorgestelde onderzoeksmethode!
7.3.3 Waarderende fase
De waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard van een vastgestelde archeologische vindplaats ten behoeve van de waardebepaling. Zo kan het gewenst zijn om een archeologische vindplaats zo optimaal mogelijk te behouden, bijvoorbeeld door middel van inpassing. Een waarderend inventariserend veldonderzoek (vaak door middel van proefsleuven/proefputten) is tevens gewenst voorafgaand aan een archeologische opgraving, teneinde gedetailleerde gegevens te verkrijgen met het doel de opgraving zo doelgericht mogelijk te kunnen uitvoeren. De vindplaatsen worden onderzocht op hun fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging. Een waarderend onderzoek bestaat in veel gevallen uit een proefsleuvenonderzoek, maar kan ook andersoortig onderzoek inhouden (geofysisch onderzoek of waarderend booronderzoek).
7.4 Proces van waardestelling (selectieadvies)
7.4.1 Archeologische opgraving
Een archeologische opgraving heeft als doel vondst- en spoorgegevens van een archeologische vindplaats te verzamelen en te documenteren en is gericht op vooraf geformuleerde onderzoeksdoelstellingen (vastgelegd in een PvE). Tijdens een archeologische opgraving worden sleuven en putten aangelegd en wordt de archeologische vindplaats gecontroleerd vernietigd (behoud van informatie ex situ). Alleen de te verstoren oppervlakken worden onderzocht. Na opgraving kunnen de geplande werkzaamheden zonder beperkingen worden uitgevoerd. Wel kunnen beschermende maatregelen (o.a. regelgeving) worden getroffen voor niet opgegraven delen van een vindplaats.
7.4.2 Archeologische begeleiding
Een archeologische begeleiding kan verschillende doelen hebben. Dit is afhankelijk van de plaats van het onderzoek in het AMZ-proces. De voorwaarden en richtlijnen hiervoor staan nader beschreven in de KNA. Tijdens een archeologische begeleiding worden vondst- en spoorgegevens van een (mogelijk aanwezige) vindplaats geregistreerd, zonder dat daarbij sprake is van het aanleggen van sleuven of putten. Archeologische begeleiding wordt uitgevoerd tijdens bodemverstorende activiteiten die om niet-archeologische redenen plaatsvinden en waar gegronde redenen zijn om aan te nemen dat archeologische waarden aanwezig zouden kunnen zijn. Bij vaststelling van archeologische waarden kan een begeleiding alsnog resulteren in een archeologisch opgraving.
32Let op: archeologische begeleiding is alleen onder strikte voorwaarden een gangbare onderzoeksmethode. Er moet sprake zijn van een situatie waarin het normale archeologische onderzoekstraject niet kan worden doorlopen.
De volgende mogelijke aanleidingen voor een begeleiding zijn denkbaar:
•Wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen het niet mogelijk is om adequaat vooronderzoek te doen;
•Wanneer er op grond van de beschikbare archeologische informatie wordt geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen;
•Wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten.
In de regel zal de archeologische oogst bij het doen van een dergelijke begeleiding gaan om fragmentarische resten van het lokale bodemarchief. Als echter archeologische resten worden aangetroffen, waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat het gaat om een vondst van algemeen belang wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde, dan dient de vondst verplicht gemeld te worden bij de RCE. In zeer bijzondere gevallen kan alsnog een professioneel onderzoek worden afgedwongen, maar meestal zal worden gezocht naar een praktische oplossing. Reden om te kiezen voor dit ‘flankerend beleid’ is dat hiermee,
zonder dat er kosten mee zijn gemoeid en zonder dat oponthoud van de werkzaamheden ontstaat, de uitwerking van het beleid wordt getoetst en zo nodig in de toekomst kan worden bijgesteld. Eventuele nieuwe vindplaatsen die hierbij ontdekt worden, kunnen een bijdrage leveren aan de bewoningsgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied.
7.4.3 Bescherming
Bescherming houdt in dat er fysieke maatregelen worden getroffen op het terrein met archeologische waarden zelf (bescherming in situ). Doel daarvan is de meest gunstige randvoorwaarden te scheppen voor duurzaam behoud, zonder de aanwezige archeologische waarden te beschadigen. Bescherming betekent niet per definitie dat op terreinen geen ontwikkelingen meer mogelijk zijn. Onder strenge voorwaarden kunnen ook op beschermde terreinen bovengronds ontwikkelingen plaatsvinden.
Nota Belvedère: behoud door ontwikkeling
De Nota Belvedere is een Nederlandse beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. De nota is in de zomer van 1999 uitgebracht en ondertekend door vier ministeries: de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Verkeer en Waterstaat.
De doelstelling van de nota is de cultuurhistorische waarde meer prioriteit te geven bij de inrichting van Nederland. De overheid erkent daarmee dat cultuurhistorie een inspiratiebron kan zijn voor (landschaps) architectuur en ruimtelijk ontwerp, waardoor tevens de positie van het cultuurhistorisch erfgoed wordt versterkt. Erkend wordt dat er tussen de zorg voor het cultuurhistorisch erfgoed en de dynamiek van de ruimtelijke inrichting een spanning bestaat. Er moet gezocht worden naar een nieuw evenwicht tussen behoud en ontwikkeling. Er moeten nieuwe gebruiksmogelijkheden voor oude landschappen en bouwwerken worden gezocht, want zonder vitale functies gaat het cultuurhistorisch erfgoed verloren. De nota heeft niet de status van een wet, maar moet worden gezien als een bron van inspiratie voor provinciaal en lokaal beleid, voor concrete ontwerpopgaven en ruimtelijke plannen.
De Nota Belvedere vindt zijn oorsprong in de opvatting dat het cultuurhistorisch erfgoed beter benut kan worden en dat het behoud van het erfgoed meer moet zijn dan zorgvuldige conservering. De nota stelt daarom een strategie van ‘behoud door ontwikkeling’ voor, ook wel aangeduid als culturele planologie. In de nota wordt een aantal overwegingen genoemd voor het behouden en integreren van cultuurhistorische kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Specifiek met de Belvedère-doelstelling `behoud door ontwikkeling` in het achterhoofd, kunnen ruimtelijke ontwikkelingen op monumentale terreinen juist zelfs wenselijk zijn om het hier verborgen verleden beleefbaar te maken. (Bron: wikipedia.nl)
7.4.4 Vrijgeven
De resultaten van het archeologisch (voor)onderzoek kunnen tenslotte ook zodanig zijn dat geen vervolgstappen hoeven te worden voorgesteld. De geplande bodemingrepen kunnen in dat geval zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd. Hiertoe kan besloten worden als er geen archeologische waarden aanwezig zijn of van zo’n marginale betekenis zijn dat verder onderzoek of bescherming een te zwaar middel is. Ook zwaar verstoorde vindplaatsen, waarvan op grond van waarderend onderzoek duidelijk is geworden dat de wetenschappelijke informatiewaarde te sterk is aangetast, kunnen genomineerd worden om zonder verder onderzoek te worden vergraven. Dergelijke situaties zijn nogal eens punt van discussie, met name vanwege de kans op bijzondere vondsten (bijvoorbeeld een diep ingegraven waterput). Die situaties zullen zich altijd blijven voordoen, wat geen belemmering moet zijn een beargumenteerd, selectief beleid te voeren ten aanzien van een adequate archeologische monumentenzorg.
8.3 Archeologische onderzoeksagenda en selectiebeleid
8.3.1 Onderzoeksagenda
De gemeente is geen wetenschappelijk onderzoeksinstituut. Wetenschappelijke analyses van uitgevoerde onderzoeken zijn echter onontbeerlijk om tot kenniswinst over de geschiedenis van de gemeente te komen. Binnen de organisatie van de archeologische monumentenzorg maken wetenschappelijke basisrapportages deel uit van de uit te besteden werkzaamheden. Het integreren van deze verschillende stukjes van de legpuzzel tot een samenhangend beeld van de geschiedenis van een gemeente is echter een additionele taak die niet op gemeentelijk niveau kan plaatsvinden gelet op het gebrek aan capaciteit hiervoor. Van belang is wel dat deze integratie van de archeologische informatie plaatsvindt. Een oplossing kan gevonden worden in een gezamenlijke voorziening binnen de regio. Een goed inzicht in de stand van kennis over het lokale verleden vormt de basis voor de evaluatie, en verdere ontwikkeling, van het lokale archeologiebeleid.
De eeuwenlange bewoning heeft in de bodem van de gemeente Soest talloze sporen nagelaten. Door haar ligging op de overgang van hoog (de Heuvelrug) naar laag (het Eemdal), van zand naar klei, is het bodemarchief uniek te noemen. In onderstaand kader staat een opsomming van de zaken waarvan de gemeente Soest vindt dat haar gemeentelijk erfgoed zich landelijk of regionaal onderscheidt. Deze onderwerpen zijn te beschouwen als een voorlopige gemeentelijke onderzoeksagenda.
Voorstellen thema’s gemeentelijke onderzoeksagenda
•Vindplaatsen uit het Midden-Paleolithicum: Enkele losse vondsten zijn bekend uit Soest. Deze vindplaatsen bevinden zich op grote diepte in de ondergrond en zijn daardoor moeilijk toegankelijk. Dergelijke zaken kunnen wel aan het licht komen bij grootschalige, diepe afgravingen / ontgrondingen (zandwinning e.d.). Meekijken door archeologen zou hierbij daarom zeer gewenst zijn!
•Vindplaatsen uit het Mesolithicum: Vooral losse vondsten zijn bekend uit Soest, maar juist het onderzoek naar de context is belangrijk voor het begrijpen van veel van deze vondsten. Met name de Rijksmonumenten de Lange en Korte Duinen vormen een bron van informatie voor deze archeologische periode.
•Vindplaatsen uit het Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd: In Soest liggen meerdere grafheuvels uit deze perioden. Toekomstig onderzoek zal deze prehistorische overblijfselen moeten koppelen aan gelijktijdige nederzettingssporen.
37De verwachting is dat ondanks het tot op heden geringe aantal vondsten, vooral op de flanken van de droogdalen en in het overgangsgebied tussen de stuwwal en het dekzandgebied nog onbekende archeologische resten uit het Laat Neolithicum, de Vroege en Midden Bronstijd voorkomen. Daarnaast heeft onderzoek aangetoond dat met name aan de zuidelijke randen van de Utrechtse Heuvelrug (sandrafzettingen) nederzettingen uit de Bronstijd aanwezig zijn. Op de sandrafzettingen in de gemeente Soest zijn dergelijke resten (nog) onbekend. Dit is zeer waarschijnlijk een onderzoekslacune. Daarnaast zijn grote delen van de sandrafzettingen in de gemeente Soest in gebruik (geweest) bij defensie (o.a. voormalig vliegveld Soesterberg, Kamp Zeist etc.) of zijn deze bebouwd, waardoor grootschalig onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden.
•Grafheuvelonderzoek: In Soest liggen vele bekende grafheuvels, en mogelijk nog die ontdekt moeten worden. Het CAR voert in 2011 een regionaal grafheuvelonderzoek (bron- en materiaalstudie) uit. De grafheuvels in Soest worden tijdens dit onderzoek ook bestudeerd.
•Soester stuwwal als grensgebied na de Romeinse Tijd: Onderzoek naar overblijfselen uit de periode volgend op de Romeinse Tijd, waarin de stuwwal van Soest waarschijnlijk een buffer vormde tussen het (voormalige) Romeinse Rijk en de volkeren ten noorden ervan.
•Hees: Lokaliseren van en onderzoek naar het verdwenen gehucht Hees.
•Soester Eng: Recent onderzoek stelt dat het grootste deel van de engen (plaggenophogingen) in (Midden-) Nederland voornamelijk gevormd moet zijn in de 16de tot 19de eeuw. Dit betekent uiteraard niet dat dit in Soest ook pas vanaf deze periode heeft plaatsgevonden. Een groot aantal plaatsen waar engen is ontstaan, werd al eeuwenlang beakkerd door middel van plaggenbemesting zonder dat er sprake was van ophoging. Hoe verhoud het Middeleeuwse beakkeren zich dan ten opzichte van het post-middeleeuwse systeem?
8.3.2 Selectiebeleid
In gemeenten met een grote dichtheid aan archeologische vindplaatsen en een grote druk op de ruimte, is het niet mogelijk om altijd de doelstelling van behoud in situ door inpassing te realiseren. Het gemeentebestuur dient in het licht van soms strijdige maatschappelijke belangen een verantwoorde afweging te maken en te selecteren. Dat wil zeggen, aan te geven welke vindplaatsen tenminste dienen te worden behouden door inpassing, welke door middel van opgravingen, en welke mogen worden opgegeven. Bij een onevenredig grote financiële druk veroorzaakt door een groot aantal behoudenswaardige locaties binnen een bepaald plan is het eveneens valide een bepaalde vorm van prioritering toe te passen. Het voeren van een consequent, inhoudelijk goed onderbouwd, en transparant gemeentelijk selectiebeleid zal gezien de soms grote financiële consequenties voor betrokkenen (eigenaren, gebruikers, ontwikkelaars, maar niet in de laatste plaats de gemeente zelf), steeds belangrijker worden.
Doelstelling van ieder selectiebeleid dient in ieder geval te zijn, het veiligstellen van een verantwoorde steekproef uit het scala van archeologische relicten dat in de eigen bodem aanwezig is. Daarnaast dient invulling te worden gegeven aan de doelstelling van behoud van de voor het eigen grondgebied of de eigen regio meest karakteristieke vindplaatsen. Zolang het inzicht in de aard van het gehele bodemarchief op het eigen grondgebied ontbreekt, zal het te voeren selectiebeleid maximaal gebruik dienen te maken van voortschrijdend inzicht. De te hanteren systematiek moet enerzijds beantwoorden aan de terechte eis van duidelijkheid en eerlijkheid, anderzijds mag het niet ontaarden in een te rigide toepassing van de op een zeker moment vastgestelde regels. Een regelmatige evaluatie en bijstelling van zowel de uitgangspunten als de toepassing ervan kan de kwaliteit van het eigen monumentenbestand alleen maar ten goede komen.
Het gemeentelijk selectiebeleid zal overigens ontwikkeld en toegepast dienen te worden in nauw overleg met de RCE en de Provincie Utrecht. Het kan en mag immers nooit strijdig zijn met het landelijke, en eventueel provinciale aanwijzingsbeleid voor archeologische monumenten. Bovendien zijn voor de toetsing van de kwaliteit van de gemeentelijke inspanningen op het terrein van de archeologische monumentenzorg in de KNA specifieke richtlijnen en criteria opgenomen.
De onderbouwing van selectiebeslissingen voor archeologische vindplaatsen, oftewel wat bepaalt uiteindelijk of een vindplaats het behouden of onderzoeken waard is, staat in ons land eigenlijk nog in de kinderschoenen. Op nationaal niveau zijn inmiddels wel criteria ontwikkeld voor de waardebepaling van vindplaatsen, maar waar het vooral aan ontbreekt zijn toetsbare parameters waarmee die waardebepaling kan worden onderbouwd. Criteria als zeldzaamheid of juist representativiteit, gaafheid, conservering en landschappelijke context zijn op zich waardevol, maar op dit moment eigenlijk nog zeer rekbare begrippen. Expert judgement en actuele onderzoeksvragen spelen bij de uiteindelijke waardestelling meestal een doorslaggevende rol. Na waardering volgt selectie. Immers niet alles wat waardevol is, kan ook automatisch behouden blijven of onderzocht worden, maar hoe worden daar de prioriteiten gesteld?
Gemeenten doen er verstandig aan het eigen lokale selectiebeleid eveneens te baseren op een lokale of regionale onderzoeksagenda. Naast complementariteit met nationale thema’s en speerpunten kan hierin ruimte geboden worden aan lokale en regionale accenten en prioriteiten. Een goed inzicht in de stand van kennis over het lokale verleden vormt de basis voor de evaluatie, en verdere ontwikkeling, van het lokale onderzoeks- en selectiebeleid. Hoewel er door de archeologische vakwereld de afgelopen jaren intensief is gewerkt aan de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA; zie noot 38), is er binnen het archeologisch vakgebied vooralsnog weinig consensus over hoe men deze op gemeentelijk niveau als selectiedocument zou moeten toepassen.
Het is vrijwel onmogelijk om op voorhand aan te geven wat de inhoudelijke en cultuurhistorische relevantie van (bedreigde) archeologische resten zal zijn. Een gemeentelijke onderzoeksagenda met als doel inhoudelijke keuzes (selectie) te kunnen maken, zal de komende jaren moeten rijpen. Dit neemt niet weg, dat omwille van de historische of cultuurhistorische betekenis nu al extra aandacht kan worden besteed aan bepaalde thema’s of perioden binnen de gemeente, zoals in de vorige paragraaf opgesomd. Zeker als deze een identiteitsversterkende rol kunnen vervullen.
8.4 Voorlichting en communicatie
8.4.1 Interne communicatie
Alle betrokkenen binnen de gemeentelijke organisatie horen op de hoogte te zijn van het gemeentelijke archeologiebeleid, en de bijbehorende verantwoordelijkheden en mogelijkheden ten aanzien van ruimtelijke ingrepen. Een vast aanspreekpunt archeologie binnen de gemeente is hiermee een vereiste. Bij de gemeente Soest is sinds de Raamovereenkomst Archeologie een vast aanspreekpunt aanwezig bij de afdeling Ruimte. Een nauwe afstemming tussen medewerkers van de gemeentelijke afdelingen Dienstverlening (het team Vergunning en Handhaving) en Ruimte, en een externe archeologisch adviseur (regioarcheoloog) zorgt voor een soepel verloop van het vergunningstraject, (rapport)toetsing en kwaliteitsbewaking. In sommige gevallen is het wenselijk (of zelfs verplicht) ook de Monumentencommissie te betrekken. Een en ander dient te worden vastgelegd in heldere werkprocedures. Daarnaast kunnen ook beleidssectoren binnen de gemeente met of op basis van archeologie hun voordeel doen. Denk hierbij aan allerlei vormen van educatie en scholing, en aspecten als toerisme en recreatie.
Interne communicatie voorstellen
•De Regio-archeoloog van het CAR houdt 1 keer per jaar een voorlichtingsbijeenkomst voor de collega-ambtenaren van de gemeente Soest;
•Er wordt een gemeentelijke handleiding ontwikkelt waarin duidelijk staat aangegeven hoe met de nieuwe archeologieregels moet worden omgegaan. Onder deel hiervan vormt het toetsingsschema zoals in de bijlagen opgenomen;
•Met de betrokken afdelingen zal worden afgestemd hoe initiatiefnemers in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte kunnen worden gesteld van de eventuele verplichtingen op het gebied van archeologie. Het vooroverleg is hiervoor een uiterst geschikt moment.
8.4.2 Externe communicatie
De gemeente vervult een belangrijke loketfunctie waar het gaat om voorlichting. Inwoners,ontwikkelaars, maar ook commerciële archeologische bureaus dienen op heldere en eenduidige wijze op de hoogte te worden gesteld van het gemeentelijke archeologiebeleid, de verplichtingen, de rechten etc. De Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb) vereist, dat ook archeologische informatie ontsloten is voor zowel burgers als overheid. Het publiekelijk (digitaal) toegankelijk maken van deze Beleidsnota, de Beleidsadvieskaart en de Erfgoedverordening via de gemeentewebsite is een goede manier om dit te ondervangen.
Externe communicatie voorstellen
•De website van de gemeente Soest is een geijkt medium om archeologische informatie up to date te houden en gemakkelijk toegankelijk te maken. Het onderhouden van een website is een eerste stap in het (actief) informeren van de burgers. Sinds begin 2011 wordt op de gemeentewebsite (www.soest.nl) reeds informatie omtrent archeologie en het vergunningstraject aangeboden. Daarnaast kan de website dienen om initiatiefnemers, projectontwikkelaars, archeologische bureaus en burgers ruimer te informeren over het gemeentelijk archeologiebeleid en de te volgen procedures, richtlijnen etc. Eventuele wijzigingen in de beleidsadvieskaart dienen hier bijvoorbeeld ook publiekelijk gemaakt te worden;
•Er is een e-mailadres beschikbaar (archeologie@soest.nl) waar vragen met betrekking tot archeologie gesteld kunnen worden;
•Indien gewenst kan de gemeentewebsite in de toekomst uitgebreid worden met de mogelijkheid om bijvoorbeeld particuliere vondstmeldingen te doen of om producten voor publieksbereik te ontwikkelen;
•Er is een Informatiefolder Archeologie ontwikkeld voor aanvragers van een omgevingsvergunning. De folder is beschikbaar bij de informatiebalie van het gemeentehuis en zal ook tijdens het vooroverleg voor een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegegeven worden;
•Het vooroverleg is hét moment in het vergunningstraject om een aanvrager te informeren over (mogelijke) archeologische verplichtingen of vergunningsvoorwaarden;
•Indien gewenst kan tijdens een informatieavond gedurende de inspraakperiode van een bestemmings- of ontwikkelingsplan een en ander nog eens mondeling worden toegelicht voor de betrokken burgers;
•Via het Omgevingsvergunningloket (OLO) van de gemeente zal een verwijzing naar het archeologiedeel van de gemeentewebsite gemaakt worden.
Maatschappelijk draagvlak
Naast het goed en volledig informeren van de burgers in het AMZ-proces, is het communicatiebeleid hieromtrent er vooral op gericht om maatschappelijk draagvlak voor het archeologisch erfgoed te creëren en te behouden! Zonder deze draagkracht en interesse van het publiek zal de archeologische monumentenzorg de zorg van slechts enkelen zijn en blijven. Het vergroten van het draagvlak voor archeologie binnen de gemeente kan worden bereikt door enerzijds het publiek bewust te maken van het belang van archeologie en anderzijds door hen erbij te betrekken. Ruimtelijke plannen hebben vaak een grote invloed op het leefklimaat van bewoners en gebruikers van een gebied; zij dienen dus ook betrokken te worden in de planvormingsprocedures. Dit vergroot niet alleen het maatschappelijk draagvlak voor de vervaardigde plannen, maar vergroot ook de kans om lokaal aanwezige gebiedskennis in te brengen in het planvormingsproces.
In de archeologie wordt tot op heden nog weinig gebruik gemaakt van de talrijke kansen die actieve participatie van bewoners biedt voor de totstandkoming van archeologievriendelijke ruimtelijke plannen. Lokale ervaringskennis van bewoners onderscheidt zich op een groot aantal punten heel duidelijk van de kennis van wetenschappelijke deskundigen en blijkt in de ruimtelijke ordening een belangrijke meerwaarde op te leveren. Actieve participatie van de bevolking levert niet alleen inhoudelijk betere plannen op, ook kunnen zij rekenen op een veel groter maatschappelijk draagvlak. Dit leidt uiteindelijk tot een duidelijke tijd- en kostenbesparing in de uitvoering (weinig oponthoud door inspraakprocedures) en een goede basis voor toekomstige planvormingsprocedures in hetzelfde gebied.
Voorstellen voor vergroten maatschappelijk draagvlak
•Resultaten van archeologisch onderzoek komen (digitaal) beschikbaar voor presentatie aan het publiek, via (bijvoorbeeld) de website van de gemeente Soest. Groot voordeel hiervan is dat een breed publiek bereikt kan worden;
•Waar nodig en mogelijk kunnen minder toegankelijke onderzoeksrapporten met enige regelmaat worden samengevat in een publieksvriendelijke publicatie;
•De gemeente stimuleert, dat locale amateurarcheologen kunnen participeren in archeologische opgravingen op het gemeentelijk grondgebied, daarnaast kan de gemeente deze groep ook op andere wijzen actief laten participeren in het gemeentelijk archeologiebeleid (zie verder);
•Een goede samenwerking tussen enerzijds amateurarcheologen en lokale historici, en anderzijds de professionele uitvoerders wordt als onmisbaar gezien voor een goed functionerende archeologische zorg. In Soest is voor het publieksbereik een belangrijke rol weggelegd bij respectievelijk het gemeentelijk museum Oud Soest en de Historische Vereniging Soest / Soesterberg. Zij spelen een belangrijke rol bij het creëren en behouden van draagvlak voor de lokale geschiedenis;
•De Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN) kan een actieve rol spelen bij het controleren van archeologisch vrijgegeven gebieden, het ondersteunen van de professionele archeologen en het verrichten van inventarisaties en veldkarteringen. Deze werkzaamheden kunnen gezien worden als een belangrijke aanvulling op het archeologiebeleid;
•Archeologie kan geïntegreerd worden in fiets- en wandelroutes en andere recreatieve voorzieningen. Er kan ook gedacht worden aan speciale kunst- en cultuurroutes in de dorpskernen waarin uitingen van hedendaagse kunst en cultuur (stedenbouw) gekoppeld worden aan archeologische visualisaties. In het buitengebied is daarnaast juist de combinatie natuur, landschap en archeologie interessant. Hierbij kan samenwerking gezocht worden met de provincie, Landschapsbeheer, de gemeentelijke VVV en omliggende gemeenten. Locale historische verenigingen kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren;
•Het CAR beheert een educatieve leskist, geschikt voor de bovenbouw van lagere scholen;
•Aan belangstelling voor rondleidingen op opgravingen kan gehoor worden gegeven. Op grote opgravingen door het CAR worden open-dagen georganiseerd. In een Programma van Eisen kan een dergelijke mogelijkheid worden opgenomen. Het CAR is iedere woensdagmiddag voor publiek geopend. Hier is een expositieruimte met archeologisch materiaal uit Amersfoort aanwezig en krijgt men een rondleiding langs de diverse werkruimtes van het archeologisch centrum;
•Bij belangrijke vindplaatsen in de gemeente kunnen informatieborden geplaatst worden om uitleg te geven over de zaken die hier gevonden zijn en over de resultaten van het onderzoek: een reconstructie van het leven dat zich hier ooit afspeelde. Te denken valt aan reconstructietekeningen van oude gebouwen, structuren of gebieden;
•De culturele identiteit van dorpskernen in relatie tot het landschap is landelijk een zeer actueel thema. In Soest kan dit bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de huidige ontwikkelingen van Soesterberg en het voormalig defensieterrein. De archeologie biedt een mooie kans om inwoners meer te betrekken bij hun omgeving en de identiteit van de wijken en het omringende (cultuur)landschap;
•Vanwege hun bijzondere geschiedenis verdienen met name de volgende gebieden in Soest aandacht voor verdere (publieke) ontsluiting:
-Aardkundig en Archeologisch Rijksmonument Lange en Korte Duinen;
-De Soester Eng;
-Rijksbeschermd dorpsgezicht de Kerkebuurt;
-Grafheuvels in De Stompert;
-Het verdwenen gehucht Hees.
8.6 Financiële regelingen
8.6.1 Bestuurslasten
De bestuurslasten archeologiebeleid bestaan uit eenmalige kosten die gemaakt worden voor:
•het opstellen en implementeren van de archeologische waarden- en beleidsadvieskaart
40De gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsasdvieskaart is reeds opgeleverd in maart 2010. De herziening van de beleidsadvieskaart (versie mei 2011) is door het CAR vervaardigd binnen de uren van de Raamovereenkomst.
;
•de ontwikkeling en implementatie van beleid;
•het adviseren inzake bestemmingsplannen en vergunningen.
41De gemeente Soest betaalt jaarlijks € 22.000,-- euro (excl. BTW; pijldatum oktober 2009) voor de structurele kosten aangaande de Raamovereenkomst met de gemeente Amersfoort. De overeenkomst is ingegaan op 26 augustus 2009 en geldt in principe voor 5 jaar. Het CAR assisteert hiermee bij ontwikkeling en implementatie van het archeologiebeleid, aanleveren van bestemmingsplanteksten etc etc.
Bestuurslastenvergoeding uitrekenen
Het Rijk verstrekt via een uitkering uit het gemeentefonds een bestuurslastenvergoeding aan gemeenten voor de aanloop- en uitvoeringskosten die gepaard gaan met de invoering van de Wamz. Deze bestuurslastenvergoeding heeft een structureel karakter. De hoogte van de vergoeding bedraagt momenteel € 0,58 per wooneenheid in de gemeente.
Een gemeente kan zijn bestuurslastenvergoeding Malta als volgt berekenen:
Aantal wooneenheden * vermenigvuldigingsfactor bestuurslastenvergoeding (€ 0,58 voor 2011)* uitkeringsfactor (€ 1,53 voor 2011) = Bestuurslastenvergoeding
8.6.2 Uitvoeringskosten
De jaarlijkse uitvoeringskosten komen voort uit het begeleiden van de uitvoering en handhaving van het beleid. De hoogte van de bestuurslasten zijn afhankelijk van:
•het aantal verleende omgevingsvergunningen;
•de omvang van de ontwikkelingsgerichte ruimtelijke plannen (oppervlakte) in relatie tot de beleidskeuzen (ondergrenzen voor het verplicht stellen van archeologisch onderzoek);
•de omvang van de met een archeologische (verwachtings)waarde belaste gebieden.
Met de implementatie van het gemeentelijk beleid en de bijbehorende vergunningsvoorschriften kan de gemeente in belangrijke mate invulling geven aan het zogenaamde veroorzakerprincipe. Van initiatiefnemers van ruimtelijke ingrepen kan op basis daarvan verlangd worden dat zij de kosten van benodigde archeologische maatregelen en werkzaamheden voor hun rekening nemen.
8.6.3 Verstoorderdeel
Indien de kosten van het totale archeologisch onderzoek (inclusief beschermende maatregelen) de redelijkheid overtreffen, kunnen de gemeente (en provincie) de kosten voor een vergunning-aanvrager compenseren. Deze overheidsorganen zijn immers verantwoordelijk voor de voorgeschreven maatregelen (opgraving) en dus voor het ontstaan van de kosten. Als ook daarna nog sprake blijft van extreme kosten dan kan de opgraving in aanmerking komen voor een rijksbijdrage. Deze specifieke uitkering geldt overigens alleen voor de kosten die overblijven nadat de drempelbijdrage en het verstoordersdeel zijn afgetrokken van de totale opgravingkosten.
Drempelbijdrage
De drempelbijdrage is het minimale bedrag dat de gemeente of provincie voor eigen rekening dient te nemen, indien zij besluit de opgravingkosten van de verstoorder te compenseren. Op dit moment is voor een gemeente de drempelbijdrage vastgesteld op € 2,50 vermenigvuldigd met het inwoneraantal van de gemeente (Bamz, art. 2).
Wanneer de opgravingkosten minus het verstoordersdeel niet boven de berekende drempelbijdrage uitkomen, bestaat er voor het Rijk geen aanleiding om de compensatiekosten mee te financieren. De gemeente wordt dan in staat geacht zelf de kosten te compenseren.
8.6.4 Excessieve kostenregeling
Het principe dat de veroorzaker betaalt, gaat niet in alle gevallen op. Dit geldt met name als er sprake is van ‘kosten die niet in redelijkheid volledig ten laste dienen te komen van de verstoorder, als de bevoegde instantie tot het doen van opgravingen heeft verplicht’. Bij schade die voor vergoeding in aanmerking komt heeft de wetgever vooral gedacht aan excessieve kosten als gevolg van opgravingen. Of dergelijke kosten als excessief moeten worden gekwalificeerd, is sterk afhankelijk van het financiële belang van de aanvrager, diens draagkracht, de mogelijkheden om naar een andere locatie om te zien etc. Bij de regeling voor excessieve kosten is er sprake van een 3 trapsraket:
•Voorop staat dat de verstoorder betaalt (verplichting op grond van Monumentenwet 1988);
•Voor zover de verstoorder schade lijdt als gevolg van de weigering van een vergunning of vanwege de voorschriften die aan de vergunning, ontheffing of projectbesluit zijn gekoppeld en die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven, vergoeden Burgemeester en Wethouders die schade (MW, ex art. 42);
•Voor zover de kosten worden veroorzaakt door de verplichting om opgravingen te doen en deze kosten uitkomen boven de drempelbedragen, kunnen gemeenten bij de minister van OCW een verzoek indienen om een specifieke uitkering te verstrekken voor excessieve kosten (MW, art. 34a).
Excessieve kostenregeling
Nadat het bevoegd gezag een archeologieplicht heeft opgelegd, keurt zij het PvE. Op basis van dit PvE kunnen opgravingsbevoegde instellingen een offerte opstellen en worden de kosten voor het archeologisch onderzoek geschat. Indien deze kosten voor de verstoorder te hoog zijn, kan deze een schadevergoeding aanvragen bij de gemeente. De gemeente bepaalt dan welk deel redelijkerwijze ten laste van de verstoorder moet komen. Als de verwachte kosten deze redelijkheidsgrens overschrijden, dan draagt de gemeente zelf het drempelbedrag bij. Dit drempelbedrag bedraagt 2,50 euro per inwoner van de betreffende gemeente. De gemeente dient vervolgens een aanvraag in bij het rijk met een beroep op de regeling. Deze aanvraag wordt alleen geweigerd als het rijksbuget hiervoor al op is of als zij vindt dat het onderzoek te weinig (nationaal) belang heeft.
8.6.5 Gemeentelijke (archeologie)fonds
In hoeverre schade al dan niet ten laste moet blijven van de aanvrager is, zoals uit het bovengenoemde blijkt, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gemeenten kunnen zelf beleid maken over de schadevergoedingen (MW, ex art. 42). Daarbij is het verstandig om rekening te houden met de vereisten omschreven in de Bamz.
Tegenover de verantwoordelijkheid van de ‘verstoorder’ om te betalen voor de ‘schade’ die hij toebrengt aan het archeologische erfgoed, staat de verantwoordelijkheid van het verplichtende bestuursorgaan de redelijkheid van de kosten te bewaken.
42Uit de memorie van toelichting (Memorie van toelichting nr. 29 259, vergaderjaar 2003-2004, p. 48.) bij artikel 42.
Met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer is het verplichtende bestuursorgaan in bijzondere situaties gehouden een vergoeding toe te kennen.
Archeologiefonds opzetten
In verband met de gerede kans op aanvullende kosten voor de gemeente als gevolg van een situatie met excessieve kosten en kosten samenhangend met toevalsvondsten is het van belang gelden hiertoe te genereren. Een fondsconstructie kan hierin uitkomst bieden. Het vullen van een fonds kan op verschillende manieren gebeuren. Zo kan een vast percentage uit de gemeentelijke begroting voor bodemroerende projecten (rioleringskosten, sloopkosten, bodemsaneringen etc.) in het fonds worden gestort. Ook zou een deel van de leges (op de omgevingsvergunningen) in de fondsconstructie kunnen worden ondergebracht. Het verdient aanbeveling om de tegemoetkoming in de kosten op basis van het legesfonds in een subsidievorm te presenteren. Dit heeft twee voordelen:
1De gemeente kan vooraf duidelijk voorwaarden stellen voor het in aanmerking komen voor subsidiëring van een archeologieproject. Op die manier kan de gemeente de kleinere particulier tegemoet komen, maar kunnen bijvoorbeeld de gemeente zelf en eventueel grote ontwikkelprojecten uitgesloten worden;
2Het maximale subsidiebedrag kan op jaarbasis worden vastgesteld (het op is op-principe).
Bijlagen
Gemeentelijketoetsingsrichtlijnen voor Archeologisch Bureauonderzoek
Gemeentelijke toetsingsrichtlijnen voor Inventariserend Veldonderzoek
Toetsingsschema Archeologie voor aanvraag Omgevingsvergunning
Standaardregels Archeologie voor bestemmingsplannen
Bijlage 1 Gemeentelijke toetsingsrichtlijnen voor inventariserend veldonderzoek
Richtlijnen voor Bureauonderzoek binnen de gemeente Soest versie 1, januari 2011
De Gemeente Soest kijkt bij de toetsing van bureauonderzoeken of deze voldoen aan de in de
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) gestelde minimale kwaliteitseisen. Bij de beoordeling worden tevens de hieronder beschreven richtlijnen gehanteerd. Ze dienen ter verduidelijking van, en aanvulling op, de eisen en specificaties zoals vermeld in de geldende versie KNA.
Deze Richtlijnen zijn bestemd voor bedrijven, organisaties en particulieren die archeologisch bureauonderzoek (laten) uitvoeren in de gemeente Soest.
I. Aanlevering
1) Ter toetsing wordt een conceptversie van het rapport aangeleverd aan het bevoegd gezag.
2) Het concept-rapport wordt bij voorkeur digitaal aangeleverd.
3) In het concept-rapport dient duidelijk vermeld te zijn dat het een conceptversie betreft (inclusief conceptversie-nummer en datum).
4) De definitieve versie van het rapport kan pas worden opgesteld ná inhoudelijke goedkeuring door het bevoegd gezag.
5) Het definitieve rapport wordt analoog én digitaal aangeleverd.
6) De uitvoerder en de authorisator (senior archeoloog/prospector) van het onderzoek dienen in het rapport vermeld te worden.
7) In het rapport dient duidelijk vermeld te zijn dat het de definitieve versie betreft, inclusief de naam van de deskundige die het rapport inhoudelijk heeft getoetst en de datum van goedkeuring.
II. Bureauonderzoek
1Administratieve gegevens
a) De oppervlakte van het plangebied én het onderzoeksgebied dienen specifiek vermeld te worden. Verschil in omvang dient toegelicht te worden.
b) De begrenzing van het plangebied én het onderzoeksgebied dienen te worden weergegeven op een recente topografische kaart, op relevante schaal.
c) De voorgenomen inrichting en de aard, omvang en diepte van de daarbij geplande bodemingrepen dienen vermeld en indien relevant op kaart te worden aangegeven.
d) De RO-procedure (voor zover van toepassing) in het kader waarvan het onderzoek is uitgevoerd dient vermeld te worden.
2Landschappelijke gegevens
a) De geologische kaart 1:50.000, de geomorfologische kaart 1:50.000 en de bodemkaart 1:50.000 dienen altijd geraadpleegd te worden. Indien een kaartblad niet uitgegeven is dient dit nadrukkelijk vermeld te worden.
b) Van de geraadpleegde kaarten wordt vermeld en toegelicht welke kaarteenheden in en om het plangebied voorkomen en wordt (indien relevant) ter verduidelijking een afbeelding opgenomen in het rapport.
c) Eventueel beschikbare andere bronnen met (gedetailleerde) informatie over de geologische, geomorfologische of bodemkundige gesteldheid van het plangebied (bijv. uit bodemkundig- of milieuonderzoek, luchtfoto’s) dienen geraadpleegd te worden.
3Archeologische en historische gegevens
a) Bij in de regio actieve werkgroepen van amateur-archeologen en historische verenigingen dient navraag gedaan te worden of deze aanvullende informatie hebben met betrekking tot het plangebied, zoals nog niet gemelde vondsten. De geraadpleegde personen en de eventueel verstrekte aanvullende informatie dienen in het rapport opgenomen te worden. Lijst metcontactpersonen van archeologische werkgroepen is te raadplegen via www.stamu.nl.
b) Bij de Provincie Utrecht (Ton van Rooijen, 06-18300526) en de gemeente dient navraag te worden gedaan naar nog niet in Archis opgenomen vondstmeldingen.
c) Gemeentelijke archeologische verwachtings- of beleidsadvieskaarten dienen geraadpleegd en opgenomen te worden in het rapport. De IKAW dient niet meer gehanteerd te worden!
d) Eventueel beschikbare andere bronnen zoals de Archeologische Kroniek Utrecht en ‘grijze’ literatuur dienen tevens geraadpleegd te worden. Lijsten van rapporten en van tijdschriftartikelen zijn te raadplegen via www.stamu.nl.
4Archeologisch verwachtingsmodel
a) Van de te verwachten vindplaatsen dient - per archeologisch relevante niveau - altijd minimaal de datering, het complextype, de omvang, de diepteligging en de (prospectie)kenmerken vermeld te worden.
b) De onder a) genoemde onderdelen dienen helder en overzichtelijk gepresenteerd te worden, bij voorkeur in een tabel.
III. Rapportage
1Algemeen
a) Delen van het rapport als de samenvatting en de verklarende woordenlijst zijn specifiek bedoeld voor de opdrachtgever en zijn de verantwoordelijkheid van de opsteller van het rapport. Deze delen van het rapport worden niet getoetst en mogen geen unieke of afwijkende informatie bevatten.
b) De rapporttitel bevat een directe verwijzing naar het plangebied, de gemeente en de uitgevoerde KNA-onderzoeksfase(n).
c) In het rapport dient expliciet de doel- en vraagstelling voor het onderzoek te worden geformuleerd.
d) Het rapport dient voorzien te zijn van relevant kaartmateriaal en relevante afbeeldingen.
e) Alle kaarten en afbeeldingen dienen voorzien te zijn van de begrenzing van het plangebied en onderzoeksgebied.
f) Het uitgevoerde onderzoek, de resultaten, de analyse en de conclusie en aanbevelingen dienen toetsbaar en controleerbaar te zijn; de rapportage dient daarom helder en volledig te zijn en voorzien van alle relevantie informatie.
g) Het rapport dient een overzicht van alle geraadpleegde literatuur en bronnen te bevatten, inclusief kaarten, digitale bronnen en geraadpleegde archieven, instellingen en personen.
2Resultaten
a) In het rapport dient, indien relevant, een kaart (of kaarten) opgenomen te worden met daarop aangegeven de resultaten van het onderzoek. De geplande bodemingrepen worden, indien relevant, hierop ook aangegeven.
3Conclusies en advies
a) Indien de gespecificeerde archeologische verwachting afwijkt van de gemeentelijke verwachtingskaart, dient dit te worden vermeld en toegelicht.
b) Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient dit (indien relevant) te worden weergegeven op een advieskaart, met daarop de nader te onderzoeken delen van het plangebied en de voorgestelde methode van onderzoek.
c) Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient specifiek te worden vermeld welk onderzoek (KNA-onderzoeksfase(n)), inclusief beargumentatie, en welk doel dat vervolgonderzoek heeft.
IV. Overig
Een veldinspectie (terreininspectie) dient deel uit te maken van een bureauonderzoek; de resultaten daarvan dienen specifiek vermeld te worden in het rapport. Indien er bij de inspectie (controle)boringen worden gezet, valt dit onder het Inventariserend Veldonderzoek.
Bijlage 2 Toetsingsschema archeologie voor omgevingsvergunningaanvraag
Richtlijnen voor Inventariserend Veldonderzoek in de gemeente Soestversie 1 - januari 2011
De Gemeente Soest kijkt bij de toetsing van rapportages van Inventariserend Veldonderzoek of deze voldoen aan de in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) gestelde minimale kwaliteitseisen. Bij de beoordeling worden tevens de hieronder beschreven richtlijnen gehanteerd. Ze dienen ter verduidelijking van, en aanvulling op, de eisen en specificaties zoals vermeld in de geldende versie KNA.
Deze Richtlijnen zijn bestemd voor bedrijven, organisaties en particulieren die archeologisch onderzoek (laten) uitvoeren in de gemeente Soest.
I. Aanlevering
1Ter toetsing wordt een conceptversie van het rapport aangeleverd aan het bevoegd gezag.
2Het concept-rapport wordt bij voorkeur digitaal aangeleverd.
3In het concept-rapport dient duidelijk vermeld te zijn dat het een conceptversie betreft (inclusief conceptversie-nummer en datum).
4De definitieve versie van het rapport kan pas worden opgesteld ná inhoudelijke goedkeuring door het bevoegd gezag.
5Het definitieve rapport wordt analoog én digitaal aangeleverd.
6De uitvoerder en de authorisator (senior archeoloog/prospector) van het onderzoek dienen in het rapport vermeld te worden.
7In het rapport dient duidelijk vermeld te zijn dat het de definitieve versie betreft, inclusief de naam van de deskundige die het rapport inhoudelijk heeft getoetst en de datum van goedkeuring.
Plan van Aanpak
Bij het uitvoeren van niet-gravend onderzoek (zoals booronderzoek) hoeft volgens het KNA geen Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden, maar kan volstaan worden met een Plan van Aanpak (PvA). Het PvA is een beperkte variant van het PvE en dient aan de volgende eisen en specificaties te voldoen:
1Algemeen
a) Het PvA dient voorafgaand aan de uitvoering van het veldonderzoek door een deskundige namens de bevoegde overheid inhoudelijk getoetst en goedgekeurd te worden.
2Administratieve gegevens
a) De oppervlakte van het plangebied én het onderzoeksgebied dienen specifiek vermeld te worden. Verschil in omvang dient toegelicht te worden.
b) De begrenzing van het plangebied én het onderzoeksgebied dienen te worden weergegeven op een recente topografische kaart, op relevante schaal.
c) De voorgenomen inrichting en de aard, omvang en diepte van de daarbij geplande bodemingrepen dienen vermeld te worden en indien relevant op kaart aangegeven.
d) De RO-procedure (voor zover van toepassing) in het kader waarvan het onderzoek is uitgevoerd dient vermeld te worden.
3Archeologische gegevens
a) Als er nog geen bureauonderzoek is uitgevoerd, dient minimaal aan de hand van de gebiedskenmerken, de landschappelijke situatie (geologisch, geomorfologisch en bodemkundig), de trefkans volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart, de monumenten van de AMK en waarnemingen uit Archis (ook in directe omgeving), bekende of verwachte historische elementen volgens de CHS of historische kaarten een globale archeologische verwachting (inclusief verwachte prospectiekenmerken) opgesteld te worden (zie Richtlijnen voor Bureauonderzoek).
b) Indien al een bureauonderzoek is uitgevoerd dient een samenvatting daarvan met de gespecificeerde archeologische verwachting opgenomen te worden (inclusief literatuurverwijzing).
4Onderzoeksvoorstel
a) In het PvA/PvE dient de keuze van de onderzoeksmethode voldoende beargumenteerd te worden en dit met name in relatie tot de opgestelde specifieke verwachting voor het plangebied. Hierbij dient nadrukkelijk meegewogen te worden dat de afwezigheid van een archeologische laag en/of intact bodemprofiel op de pleistocene zandgronden géén aanwijzing vormt voor de afwezigheid van archeologische resten.
b) De fase(n) van het beoogde onderzoek (verkenning, kartering, en/of waardering) dienen specifiek benoemd te worden, inclusief per onderzoeksfase de bijbehorende doelstelling, mogelijkheden en relevante onderzoeksvragen.
c) Het karterend onderzoek dient geschikt te zijn om de te verwachten vindplaatsen ook daadwerkelijk op te sporen. Indien er voor gekozen wordt in eerste instantie nog niet alle typen vindplaatsen te karteren, dient nadrukkelijk vermeld te worden dat dit in een later stadium nog moet gebeuren.
d) Bij een booronderzoek dient het boorsysteem (raai of grid), de onderzoeksintensiteit (boringen/ha), het aantal boringen, het type boor met boordiameter (tot/vanaf welke diepte), de boordiepte en de waarnemingsmethode (zeven, snijden) specifiek vermeld te worden.
e) Bij een oppervlaktekartering dient de raaiafstand, de verzamelwijze en de vondstzichtbaarheid specifiek vermeld te worden, inclusief motivering en onderbouwing. Bij een oppervlaktekartering dient het oppervlak systematisch onderzocht te worden met een afstand tussen de loopraaien van maximaal 6 meter en mag alleen bij voldoende vondstzichtbaarheid uitgevoerd te worden (een slootkanten- of molshopeninspectie geldt dus niet als voldoende betrouwbare kartering).
5Operationalisering
a) Het PvA dient volgens de KNA gebaseerd te zijn op een Bureauonderzoek. Indien het PvA al voor uitvoering van het Bureauonderzoek is opgesteld, dient de geldigheid van het PvA getoetst te worden aan de hand van de resultaten van het Bureauonderzoek. Indien daar aanleiding toe is, dient het onderzoeksvoorstel aangepast te worden; in dat geval dient het opnieuw ter goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegde gezag.
b) Voorafgaand aan het booronderzoek dient op de onderzoekslocatie een visuele inspectie te worden uitgevoerd om de boorstrategie af te stemmen op aan het maaiveld zichtbare (geologische) verschijnselen. De resultaten van visuele inspectie moeten vermeld worden in de rapportage.
c) De methode van inmeten van boorpunten of waarnemingen en de meetfout/nauwkeurigheid (maximale afwijking) moeten worden vermeld.
d) Indien relevante hoogteverschillen in het maaiveld verwacht of aangetroffen worden, dient de maaiveldhoogte van de boorpunten of waarnemingen nauwkeurig bepaald te worden door middel van metingen (met waterpas of Total Station), of afgeleid te worden van het AHN.
III. Rapportage
1Algemeen
a) Delen van het rapport als de samenvatting en de verklarende woordenlijst zijn bedoeld voor de opdrachtgever en zijn de verantwoordelijkheid van de uitvoerder. Deze delen van het rapport worden niet getoetst en mogen geen unieke of afwijkende informatie bevatten.
b) De rapporttitel bevat een directe verwijzing naar het plangebied, de gemeente en de uitgevoerde KNA-onderzoeksfase(n).
c) In het rapport dient expliciet de doel- en vraagstelling voor het onderzoek te worden geformuleerd.
d) Het rapport dient voorzien te zijn van relevant kaartmateriaal en relevante afbeeldingen.
e) Alle kaarten en afbeeldingen dienen voorzien te zijn van de begrenzing van het plangebied en onderzoeksgebied.
f) Het uitgevoerde onderzoek, de resultaten, de analyse en de conclusie en aanbevelingen dienen toetsbaar en controleerbaar te zijn; de rapportage dient daarom helder en volledig te zijn en voorzien van alle relevantie informatie.
g) Het rapport dient een overzicht van alle geraadpleegde literatuur en bronnen te bevatten, inclusief kaarten, digitale bronnen en geraadpleegde archieven, instellingen en personen.
2Methoden en resultaten
a) De resultaten van het Bureauonderzoek (zie Richtlijnen voor Bureauonderzoek) en eventueel ander eerder uitgevoerd onderzoek dienen in het rapport opgenomen te worden. Indien dat reeds apart is gerapporteerd, kan volstaan worden met een samenvatting daarvan en de gespecificeerde archeologische verwachting.
b) Het rapport dient een verwijzing te bevatten naar het PvA of PvE; alle relevante onderdelen daaruit dienen te worden opgenomen in het rapport.
c) In het rapport dient een kaart (of kaarten) opgenomen te worden met daarop aangegeven de resultaten van het onderzoek (waaronder indicatoren en vondsten, bodemopbouw, relevante geologische en/of bodemkundige eenheden). Voor zover relevant worden daarop ook de geplande bodemingrepen aangegeven.
d) Indien een waarderend onderzoek is uitgevoerd, dient van iedere vindplaats een waardestelling volgens KNA te zijn opgenomen.
3Conclusies en Advies
a) In de conclusies dient een terugkoppeling naar de gespecificeerde archeologische verwachting en eerder uitgevoerd onderzoek te worden opgenomen, met een verklaring van eventuele afwijkingen.
b) De geformuleerde onderzoeksvragen dienen beantwoord te worden.
c) Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient een advieskaart met daarop de nader te onderzoeken delen van het plangebied te worden opgenomen, met voorgestelde onderzoeksmethode, inclusief argumentatie.
d) Het advies dient afgestemd te zijn op de voorgenomen bodemingrepen en dient rekening te houden met het vastgestelde archeologiebeleid.
Bijlage 3 Toetsingsschema archeologie voor aanvraag omgevingsvergunning
Toetsingsschema Archeologie (Beslisboom) Omgevingsvergunning:
Verwijzingen en aanvullende informatie:
1Onder ‘ bodemverstoring’ worden diverse uiteenlopende activiteiten verstaan. Meest gangbare ingrepen zijn bouw-, sloop- of aanlegwerkzaamheden. Daarnaast kunnen echter ook grondwaterstandwijziging, (diep)ploegen en andere agrarische werkzaamheden schade aan het archeologisch erfgoed aanrichten.
2Als de bodemingreep binnen een plangebied niet dieper reikt dan 30 cm onder het maaiveld, is de kans dat archeologisch interessante zaken vernietigd worden dermate gering, dat het plangebied vrij kan worden gegeven van archeologisch onderzoek. Dit geldt alleen voor deze betreffende ingrepen! Overigens geldt hier nog wel de Meldingsplicht uit de Monumentenwet: “Indien bij bodemverstorende werkzaamheden zaken worden aangetroffen, waarvan de vinder weet of redelijker wijs moet vermoeden dat het gaat om archeologische vondsten of sporen, dan is hij volgens de Monumentenwet (art. 53) verplicht dit direct te melden.” Deze melding dient te geschieden bij het Centrum voor Archeologie Amersfoort, 033-4637797 / 06-21950997.
3Sinds augustus 2009 heeft de gemeente Soest een officiële samenwerkingsovereenkomst met de gemeente Amersfoort op het gebied van de archeologie. In deze overeenkomst is vastgelegd dat het Centrum voor Archeologie (CAR) van de gemeente Amersfoort de gemeente Soest adviseert over archeologische onderzoeken, inventariserende veldonderzoeken, archeologische opgravingen en begeleidingen, alsmede adviezen verstrekt met betrekking tot archeologische beleidstaken. Daarnaast is het CAR in het bezit van een opgravingsvergunning die het mogelijk maakt in de gemeente Soest archeologisch onderzoek uit te voeren. Het advies van het CAR aan de gemeente Soest kan bestaan uit: vrijgeven, nader bureauonderzoek, veldonderzoek, begeleiden of beschermen.
4Indien het plangebied / de vindplaats als behoudenswaardig is gewaardeerd zal het daartoe bevoegde gezag moeten besluiten of - indien behoud in situ (planaanpassing of fysieke bescherming van de archeologische waarden) niet tot de mogelijkheden behoort of niet gewenst is - behoud ex situ (opgraving)
kan plaatsvinden. Zo ja, dan kunnen in de betreffende vergunning archeologische voorwaarden opgenomen worden. Over de inhoud van deze voorwaarden kan contact worden gezocht met het CAR.
5De primaire beleidsdoelstelling van de archeologische monumentenzorg is het behoud van de archeologische waarden in de bodem ter plaatse (in situ) als bron van kennis en beleving. Behoud in situ heeft daarom altijd de voorkeur boven het uitvoeren van een opgraving. Dit kan worden gerealiseerd door bij de inrichting van het plangebied rekening te houden met de archeologische waarden, door planologische bescherming d.m.v. een dubbelbestemming en een vergunningenstelsel vastgelegd in de bestemmingsplanregels en door fysieke bescherming. Bij inpassing en inrichting van archeologische vindplaatsen worden beschermingsmaatregelen getroffen die aantasting van de archeologische waarden voorkomen. Behoud door planaanpassing betekent dat de archeologische waardevolle resten in situ worden behouden door de plannen zo aan te passen dat op de plaats waar ze zich bevinden geen bodemverstorende activiteiten hoeven plaats te vinden.
6Zodra het CAR de gemeente Soest heeft geadviseerd over een aanbevolen vervolgtraject, zal de gemeente Soest een (selectie)besluit nemen, waarbij dit advies gebruikt kan worden. De aanvrager / planindiener zal door de gemeente Soest op de hoogte moeten worden gesteld van de te volgen procedure.
Bijlage 4 Standaardregels archeologie voor bestemmingsplannen
Artikel 23 Waarde - Archeologie Waardevol gebied
23.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie Waardevol gebied aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van terreinen met hoge archeologische waarden die geen beschermde monumentenstatus hebben, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol gebied voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).
23.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
23.2.1 Verbod
Op de voor Waarde - Archeologie Waardevol gebied mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking zoals bedoeld in 23.3 te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).
23.2.2 Uitzonderingen
Het onder 23.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
a.bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;
b.bebouwing op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de waardevolle laag al is geroerd, of;
c.bebouwing waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad, of;
d.bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;
e.de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
1de bestaande fundering wordt gebruikt;
2de bestaande oppervlakte met niet meer dan 50 m² wordt uitgebreid.
23.3 Afwijken van de bouwregels
23.3.1 Afwijking
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in 23.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.
23.3.2 Beperkingen
Het bevoegd gezag kan onder beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:
a.de verplichting tot het (laten) treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het (laten) doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
23.3.3 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.
23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
23.4.1 Verbod
Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie Waardevol gebied aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:
a.de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;
b.het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
c.de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
d.het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;
e.de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
f.de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
g.het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;
h.andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
23.4.2 Uitzonderingen
Het onder 23.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden:
a.die het normale onderhoud betreffen, of;
b.die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of:
c.die het archeologisch onderzoek betreffen, of;
d.die een oppervlakte van 50 m² of minder beslaan, of;
e.die zijn voorzien op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de waardevolle laag al is geroerd, of;
f.waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
23.4.3 Toetsingscriteria
De vergunning wordt verleend, indien de in 23.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
23.4.4 Voorwaarden
Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de aanlegvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het (laten) treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het (laten) doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
23.4.5 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.
23.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol gebied geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Artikel 24 Waarde - Archeologie hoge verwachting
24.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie hoge verwachting aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie hoge verwachting voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).
24.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
24.2.1 Verbod
Op de voor Waarde - Archeologie hoge verwachting mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking zoals bedoeld in 24.3 te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemming (en).
24.2.2 Uitzonderingen
Het onder 24.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
a.bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;
b.bebouwing op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de laag met verwachtingen al is geroerd, of;
c.bebouwing waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad, of;
d.bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;
e.de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
1de bestaande fundering wordt gebruikt;
2de bestaande oppervlakte met niet meer dan 100 m² wordt uitgebreid, of;
f.bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m² en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).
24.3 Afwijken van de bouwregels
24.3.1 Afwijking:
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in 24.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.
24.3.2 Beperkingen
Het bevoegd gezag kan onder beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:
a.de verplichting tot het (laten) treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het (laten) doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
24.3.3 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.
24.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
24.4.1 Verbod
Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie hoge verwachting aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:
a.de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;
b.het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
c.de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
d.het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;
e.de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
f.de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
g.het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;
h.andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
24.4.2 Uitzonderingen
Het onder 24.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden:
a.die normale onderhoud betreffen, of;
b.die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of;
c.die het archeologisch onderzoek betreffen, of;
d.die een oppervlakte van 100 m² of minder beslaan, of;
e.die zijn voorzien op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de laag met verwachtingen al is geroerd, of;
f.waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
24.4.3 Toetsingscriteria
De vergunning wordt verleend, indien de in 24.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
24.4.4 Voorwaarden
Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden:
a.de verplichting tot het (laten) treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het (laten) doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
24.4.5 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.
24.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie hoge verwachting geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Artikel 25 Waarde - Archeologie middelhoge verwachting
25.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie middelhoge verwachting aangewezen gronden zijn,behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie middelhoge verwachting voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).
25.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
25.2.1 Verbod
Op de voor Waarde - Archeologie middelhoge verwachting mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking van het bevoegd gezag te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen.
25.2.2 Uitzonderingen
Het onder 25.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
a.bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;
b.bebouwing op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de laag met verwachtingen al is geroerd, of;
c.bebouwing waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad, of;
d.bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;
e.de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
1de bestaande fundering wordt gebruikt;
2de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500 m² wordt uitgebreid, of;
f.bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m² en die kanworden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).
25.3 Afwijken van de bouwregels
25.3.1 Afwijking:
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in 25.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.
25.3.2 Beperkingen
Het bevoegd gezag kan onder beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:
a.de verplichting tot het (laten) treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het (laten) doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
25.3.3 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.
25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
25.4.1 Verbod
Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie middelhoge verwachting aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:
a.de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;
b.het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
c.de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 500 m² zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
d.het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;
e.de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
f.de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
g.het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;
h.andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
25.4.2 Uitzonderingen
Het onder 25.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden:
a.die het normale onderhoud betreffen, of;
b.die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of;
c.die het archeologisch onderzoek betreffen, of;
d.die een oppervlakte van 500 m² of minder beslaan, of;
e.die zijn voorzien op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de laag met verwachtingen al is geroerd, of;
f.waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
25.4.3 Toetsingscriteria
De vergunning wordt verleend, indien de in 25.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
25.4.4 Voorwaarden
Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden:
a.de verplichting tot het (laten) treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het (laten) doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
25.4.5 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.
25.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie middelhoge verwachting geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Artikel 26 Waarde - Archeologie lage verwachting
26.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie lage verwachting aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie lage verwachting voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).
26.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
26.2.1 Verbod
Op de voor Waarde - Archeologie lage verwachting mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking van het bevoegd gezag te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen.
26.2.2 Uitzonderingen
Het onder 26.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
a.bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;
b.bebouwing op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de laag met verwachtingen al is geroerd, of;
c.bebouwing waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad, of;
d.bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;
e.de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
1de bestaande fundering wordt gebruikt;
2de bestaande oppervlakte met niet meer dan 10.000 m² wordt uitgebreid, of;
f.bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10.000 m² en die kanworden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).
26.3 Afwijken van de bouwregels
26.3.1 Afwijking:
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in 26.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.
26.3.2 Beperkingen
Het bevoegd gezag kan onder beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:
a.de verplichting tot het (laten) treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het (laten) doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
26.3.3 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.
26.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
26.4.1 Verbod
Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie lage verwachting aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:
a.de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;
b.het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
c.de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 10.000 m² zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
d.het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;
e.de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
f.de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;
g.het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;
h.andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
26.4.2 Uitzonderingen
Het onder 26.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden:
a.die het normale onderhoud betreffen, of;
b.die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of;
c.die het archeologisch onderzoek betreffen, of;
d.die een oppervlakte van 10.000 m² of minder beslaan, of;
e.die zijn voorzien op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de laag met verwachtingen al is geroerd, of;
f.waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie nietonevenredig wordt geschaad.
26.4.3 Toetsingscriteria
De vergunning wordt verleend, indien de in 26.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
26.4.4 Voorwaarden
Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden:
a.de verplichting tot het (laten) treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het (laten) doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
26.4.5 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.
26.5 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie lage verwachting geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.