Aanhef
In dit beleid wordt beschreven hoe Smallingerland haar participatietraject voor initiatieven, (beleids-) plannen en projecten in de fysieke leefomgeving wil invullen. En hoe de gemeente participatie bij particuliere initiatieven verplicht stelt óf wil stimuleren en sturen.
Dit participatiebeleid is bedoeld voor en kan worden gebruikt door:
•De gemeente: in de rol van initiatiefnemer, bijvoorbeeld van projecten en (beleids-)plannen;
•Inwoners: in de rol van omwonende en/of belanghebbende;
•Inwoners, bedrijven, ondernemers en maatschappelijke organisaties: in de rol van initiatiefnemer.
Het participatiebeleid bindt het bestuursorgaan en ook de inwoners of initiatiefnemers wanneer er sprake is van verplicht gestelde participatie.
Inleiding
De Gemeente Smallingerland vindt het belangrijk dat initiatieven, (beleids-)plannen en projecten voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig worden voorbereid en ontwikkeld. Een goed participatieproces is een belangrijk onderdeel van het proces.
Onder participatie wordt verstaan:
‘het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een plan, project of activiteit’.
Met belanghebbenden worden de bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden (zoals provincie, waterschap en andere gemeenten) bedoeld.
Participatie ondersteunt een beter plan en eindresultaat. Het betrekken van de ideeën en belangen van inwoners maken een initiatief vaak beter. Inwoners weten goed welke knelpunten of kansen er kunnen zijn en hoe het initiatief kan worden verbeterd. Wanneer inwoners in een vroeg stadium bij een initiatief worden betrokken en input kunnen leveren, zijn ze onderdeel van het proces en begrijpen ze de keuzes beter die bij dat initiatief worden genomen. De kwaliteit van oplossingen wordt vergroot en verschillende perspectieven, belangen, wensen, kennis en creativiteit komen aan het begin op tafel.
Tegelijkertijd is participatie een uitdaging. De uitgangspunten en voorwaarden voor een goed proces zijn talrijk. De kans op teleurstelling is door de verschillende belangen, meningen en de wijze van bijdrage bij participanten aanwezig. Het zoeken naar de juiste balans tussen participatie en de representatieve democratie is complex.
Kortom, participatie is maatwerk.
2. Wettelijk kader: hoe en waar is participatie geregeld
2.1 Omgevingswet
2.1.1 Procedurele verplichtingen kerninstrumenten
Als samenleving staan we voor grote maatschappelijke uitdagingen, zoals op het gebied van energietransitie, klimaatverandering, duurzame landbouw en de woningbouwopgave. De Omgevingswet streeft er naar om deze en andere maatschappelijke vraagstukken integraal aan te pakken. Dat betekent dat alle belangen in beeld moeten zijn om vervolgens tot de best mogelijke oplossing te komen. Participatie is daarom een belangrijk thema binnen de Omgevingswet.
Gemeenten, provincies en waterschappen moeten aangeven op welke wijze invulling is gegeven aan hun eigen participatiebeleid (motie Nooren). De motie roept decentrale overheden op om eigen participatiebeleid op te stellen.
De Omgevingswet kent procedurele verplichtingen voor participatie toe aan de kerninstrumenten van de wet. Het laat daarbij ook zien wie tot participatie verplicht is en wie het bevoegd gezag is. Afhankelijk van het instrument (omgevingsvisie, omgevingsprogramma, omgevingsplan en omgevingsvergunning), heeft het bevoegd gezag procedurele verplichtingen bij participatie. Deze verplichtingen zijn verdeeld in kennisgeving, motiveringsplicht, aanvraagvereiste of participatieplicht.
In de navolgende tabel is per kerninstrument inzichtelijk gemaakt wat de wettelijke procedurele plichten zijn en wie verantwoordelijk is voor het naleven van deze plichten.
Instrument
Procedurele plichten
Wie is verantwoordelijk voor het naleven van de procedurele plichten?
Omgevingsvisie
•Motiveringsplicht
Het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn.
Bevoegd gezag (gemeenteraad)
Omgevingsbesluit (art. 10.7)
Programma
•Motiveringsplicht
Het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn.
Bevoegd gezag (College van B&W)
Omgevingsbesluit (art. 10.8)
Omgevingsplan
•Kennisgeving
•Motiveringsplicht
Het bevoegd gezag geeft bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen aan hoe het de participatie vormgeeft.
Het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn.
Bevoegd gezag (is B&W gemeente)
Omgevingsbesluit (art. 10.2, eerste lid)
Omgevingsbesluit (art. 10.2, tweede lid)
Omgevingsvergunning
•Algemene aanvraagvereiste
In de Omgevingsregeling wordt een aanvraagvereiste participatie opgenomen. De initiatiefnemer moet aangeven óf (ja of nee) en zo ja, hoe hij aan participatie heeft gedaan.
Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Dit is altijd indieningsvereiste bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning maar geen weigeringsgrond.
Bevoegd gezag (College van B&W)
Omgevingswet (art. 16.55)
Omgevingsvisie
De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie van een bestuursorgaan voor de hele fysieke leefomgeving en haar grondgebied. Volgens de Omgevingswet moet de gemeenteraad bij de vaststelling van de (actualisatie van de) omgevingsvisie voldoen aan de motiveringsplicht. Dit betekent dat de gemeente aangeeft hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het opstellen van de omgevingsvisie betrokken zijn. En wat de resultaten daarvan zijn. Een participatieverslag van de participatie is een verplichte bijlage van een omgevingsdocument. In het verslag staan de resultaten van het participatieproces en een beeld van de verschillende belangen. En hoe daarmee is omgegaan.
Belangrijk is dat vóórafgaand aan de start van de werkzaamheden aan de (actualisatie van de) omgevingsvisie een Participatieplan wordt opgesteld en door de gemeenteraad akkoord wordt bevonden. Het participatieverslag kan op dit plan worden gebaseerd. De gemeenteraad betrekt dit verslag bij de afweging en besluitvorming.
Omgevingsplan
Het omgevingsplan zorgt dat de doelen en het beleid uit de gemeentelijke omgevingsvisie en de programma’s in de vorm van juridische regels doorwerken naar derden. Het gaat bijvoorbeeld om het toewijzen van functies aan locaties, toestaan of niet-toestaan van bepaalde activiteiten in bepaalde gebieden, algemene regels en meldingsplichten bij activiteiten, vergunningplichten en beoordelingsregels en regels over omgevingswaarden.
Voor het maken en wijzigen van het omgevingsplan moet de gemeente zorgen voor kennisgeving vooraf. De gemeente beschrijft vooraf wie worden betrokken, waarover en wanneer. En wat de rol is van een ieder en waar meer informatie beschikbaar komt. Bij de besluitvorming over het omgevingsplan door de gemeenteraad moet de gemeente voldoen aan de motiveringsplicht met een participatieverslag over de resultaten van het participatieproces.
Is de gemeente niet de initiatiefnemer, maar een andere partij (bijvoorbeeld een inwoner of bedrijf), dan verzorgt deze partij (in afstemming met de gemeente) het participatieproces en de verslaglegging daarvan.
Afhankelijk van de aard en omvang van het omgevingsplan kan ervoor worden gekozen om voor de start van de werkzaamheden aan het omgevingsplan een Participatieplan op te stellen en door de raad te laten accorderen. Dit plan vormt de basis voor de kennisgeving. Het participatieverslag kan op dit plan worden gebaseerd. De gemeenteraad betrekt dit verslag bij de afweging en besluitvorming.
Programma
Voor de programma’s geldt eveneens een kennisgevingsplicht en een motiveringsplicht. Het programma is een bevoegdheid van het college. Het college geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn.
Afhankelijk van de aard en omvang van het programma kan ervoor worden gekozen om voor de start van de werkzaamheden aan het programma een Participatieplan op te stellen en door het college te laten accorderen. Dit plan vormt de basis voor de kennisgeving. Het participatieverslag kan op dit plan worden gebaseerd. Het college betrekt dit verslag bij de afweging en besluitvorming.
Omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning is een bevoegdheid van het college. In het geval van een omgevingsplanactiviteit moet de initiatiefnemer aangeven óf (ja of nee) en zo ja, hoe hij aan participatie heeft gedaan.
Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (bopa) is participatie verplicht. Voor een aantal eenvoudige bopa's is een uitzonderingslijst opgesteld. Voor deze gevallen wordt participatie niet verplicht gesteld, maar gestimuleerd. Zie voor meer informatie hoofdstuk 3 (categorie 3).
Voor bepaalde categorieën van de bopa geldt het adviesrecht van de gemeenteraad. Dit advies is bindend: bij een negatief advies zal het college van burgemeester en wethouders de vergunning moeten weigeren. De resultaten van (niet) verplichte participatie betrekt de raad bij de advisering.
2.1.2 Vereisten bij de uitvoering van participatie
Het moet helder zijn waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van participatie ligt. De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van participatie ligt bij het bevoegde gezag bij de volgende instrumenten:
•Omgevingsvisie (gemeente)
•Omgevingsplan / wijzigingsbesluit omgevingsplan (gemeente)
•Omgevingsverordening (provincie)
•Programma’s (gemeente, provincie, rijk)
•Projectbesluiten (Rijk, provincie, waterschap)
•Omgevingsvergunning: omgevingsplan activiteit én buitenplanse omgevingsactiviteit (gemeente)
De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van participatie bij een initiatief van een derde (inwoner, ondernemer/bedrijf, maatschappelijke organisatie of instantie), ligt bij de initiatiefnemer zelf. Dit is mogelijk bij initiatieven die via de volgende instrumenten mogelijk worden gemaakt:
•Omgevingsplan / wijzigingsbesluit omgevingsplan
•Omgevingsvergunning / buitenplanse omgevingsactiviteit (bopa)
Participatie bij een omgevingsvergunning of bopa is niet altijd een verplichting. Wanneer participatie bij een omgevingsvergunning of bopa wel of geen verplichting is, komt in hoofdstuk 3 aan bod. Bij de gevallen waarbij participatie verplicht is, is de initiatiefnemer (gemeente of derde) verplicht om aan te geven hoe de participatie is uitgevoerd en wat de resultaten daarvan zijn en wat ermee is gedaan. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging.
Bijlage 1 Handreiking participatie Omgevingswet van Smallingerland 2022
In deze is de Handreiking Participatie Omgevingswet van Smallingerland opgenomen. Iedere initiatiefnemer kan deze praktische vragenlijst doorlopen en zo tot een participatieplan komen voor een klein of groot initiatief.
Bijlage 2 Lijst met uitzonderingen verplichte participatie
De gemeente Smallingerland kiest ervoor om voor de onderstaande eenvoudige bopa's participatie niet verplicht te stellen. Participatie wordt in deze gevallen wel gestimuleerd. Er is sprake van een eenvoudige bopa als maximaal 1 van de volgende situaties aan de orde is:
1een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, dat voldoet aan de volgende eisen:
•a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
•b. de oppervlakte niet meer dan 150 m²;
2een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening dat voldoet aan de volgende eisen:
•a. niet hoger dan 5 m, en
•b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
3een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, dat voldoet aan de volgende eisen:
•a. niet hoger dan 10 m, en
•b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
4een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;
5een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;
6het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;
7het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein en geen kamerverhuur betreft;
8het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, dat voldoet aan de volgende eisen:
•a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, aan een bestaande woning gestelde eisen;
•b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, zoals die wetten luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet
•c. de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
•d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;
9ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 7, voor een termijn van ten hoogste tien jaar;
10het wijzigen van de gebruiksmogelijkheden voor snippergroen ten behoeve van de woonactiviteit.
Bijlage 3 Vragen participatieverslag
Geachte Heer/ Mevrouw,
Hierbij treft u de vragen voor het participatieverslag aan. Het is belangrijk dat u onderstaande vragen (inclusief toelichting) eerlijk en volledig beantwoord.
BELANGRIJK: in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), vragen wij u vooraf (schriftelijk) akkoord te vragen bij de betrokkenen (die in onderstaande verslaglegging genoemd worden), dat u hun persoonsgegevens aan ons doorgeeft. Deze gegevens delen wij als gemeente niet met derden en gebruiken we strikt voor de behandeling van uw aanvraag. Indien betrokkenen bezwaar hebben, vragen wij u hun inbreng te anonimiseren.
1Wie heeft u allemaal benaderd bij het delen van uw plan?
2Heeft u alle mensen en partijen die iets gaan merken van uw plan benaderd?
Licht toe waarom u dat denkt.
3Wanneer heeft u de belanghebbenden benaderd (voor of na het indienen van de aanvraag)?
4Op welke manier zijn betrokkenen benaderd (telefonisch, bezoekje, brief, bijeenkomst, anders)?
5Hoe heeft u uw plan gedeeld met de betrokkenen? (ontwerp ter inzage, presentatie gehouden enzovoort.)?
6Wat waren de reacties op uw plan?
Bij uiteenlopende reacties graag de verschillende reacties benoemen.
7Wat heeft u gedaan met de reacties? Heeft u aanpassingen gedaan?
Zo ja, leg uit welke. Zo nee, leg uit waarom niet.
8Als u aanpassingen op uw plan heeft gedaan, heeft u daarna het plan opnieuw gedeeld met de belanghebbenden? Zo ja, wat was hun reactie? Zo nee, waarom niet?
9Heeft u zelf nog opmerkingen ten aanzien van het participatietraject voor uw plan?