Bijlage 4 – Begrippenlijst
In de verschillende wet en regelgeving zijn diverse begrippen opgenomen. De belangrijkste hiervan zijn hierna vermeld.
Algemeen
Rentevisie
Toekomstverwachting over de renteontwikkeling, uitgaande van een aantal rentebepalende factoren, op basis waarvan een financierings-en beleggingsbeleid wordt gevoerd.
Solvabiliteit
De mate waarin een organisatie op lange termijn aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen.
Liquiditeitspositie
De mate waarin op korte termijn aan de opeisbare verplichtingen kan worden voldaan.
Liquiditeitsopslag
De liquiditeitsopslag is naast de basisrente en de debiteurenopslag een van de drie componenten van de rentevoet voor het vreemd vermogen. Met de liquiditeitsopslag worden de liquiditeitskosten voor de bank gedekt, oftewel de kosten die banken moeten maken om geld aan te kunnen trekken en die vervolgens vertaald worden naar de klant.
Near banking
Het is de decentrale overheden verboden om te lenen met het enkele doel de middelen tegen een hoger rendement uit te zetten (near banking). Dit verbod, impliciet geregeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet fido, is expliciet opgenomen in artikel 2a, eerste lid, van de Ruddo.
Rating
Overzicht ratingkwalificaties Moody’s, Standard & Poor en Fitch Lange termijn ratings, AAA, AA en A. Deze verplichtingen zijn van hoge kwaliteit en brengen laag of bij AAA zelfs minimaal kredietrisico met zich mee.
Netto schuldquote
De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van de medeoverheid ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft zodoende een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken.
Omdat bij leningen er onzekerheid kan bestaan of ze allemaal terug worden betaald wordt bij de berekening van de netto schuldquote onderscheid gemaakt door het kengetal te berekenen, zowel inclusief als exclusief de doorgeleende gelden.
Solvabiliteitsratio
De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin de medeoverheid in staat is aan in financiële verplichtingen te voldoen.
Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het totale balanstotaal. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat volgens artikel 42 van het BBV uit de reserves (zowel de algemene reserve als de bestemmingsreserves) en het resultaat uit het overzicht van baten en lasten.
Kengetal grondexploitatie
Dit kengetal geeft weer hoe de waarde van grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. Voor de berekening van dit kengetal worden de bouwgrond in exploitatie bij elkaar opgeteld en gedeeld door de totale baten uit de programmabegroting of jaarstukken.
Structurele exploitatieruimte
Dit kengetal is van belang om te kunnen beoordelen welke structurele ruimte een gemeente of provincie heeft om de eigen lasten de dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Voor de beoordeling van het structurele en reële evenwicht van de begroting wordt thans het onderscheid gemaakt tussen structurele en incidentele lasten.
De structurele exploitatieruimte wordt bepaald door het saldo van de structurele baten en lasten en het saldo van de onttrekkingen en toevoegingen aan reserves gedeeld door de totale baten (zie artikel 17, onderdeel c, van het BBV) en uitgedrukt in een percentage
Belastingcapaciteit
De belastingcapaciteit geeft inzicht hoe de belastingdruk in de gemeente zich verhoudt ten opzichte van het landelijke gemiddelde. Woonlasten meerpersoonshuishouden in jaar t (het begrotingsjaar) ten opzichte van het landelijk gemiddelde in jaar t-1 (het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar) uitgedrukt in een percentage.
De ruimte die een gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen, wordt vaak gerelateerd aan de totale woonlasten. Het COELO publiceert ieder jaar deze lasten in de Atlas van de lokale lasten.
Onder de woonlasten worden verstaan de OZB, de rioolheffing en de reinigingsheffing voor een woning met gemiddelde waarde in die gemeente. Deze cijfers worden voortaan ook in de jaarlijkse meicirculaire bekend gemaakt zodat de gemeenten tijdig op de hoogte zijn van de hoogte van de lasten die voor de berekening moeten worden gebruikt.
Wet fido
Rentetypische looptijd
Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningsvoorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare constante rentevergoeding.
Financiële derivaten
Financiële instrumenten belichaamd in contracten waarin de voorwaarden zijn vastgelegd waartegen een transactie op een bepaald moment zal of kan plaatsvinden en waarvan de waarde afhankelijk is van een of meer onderliggende activa, referentieprijzen of indices.
Kasgeldlimiet
Een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar.
Renterisico vaste schuld
Mate waarin het saldo van rentelasten en rentebaten van een openbaar lichaam verandert door wijzigingen in het rentepercentage op leningen en uitzettingen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van een jaar of langer.
Rente risiconorm
Een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van het begrotingstotaal van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar.
Begrotingstotaal
De totale lasten op de begroting.
Deposito
Het creditbedrag op een aan de rekening-courant gekoppelde rekening, waarover een vooraf vastgestelde periode door het openbaar lichaam niet vrij beschikt kan worden.
Regeling schatkistbankieren decentrale overheden
Schatkistbankieren
Het aanhouden van publieke middelen bij het ministerie van Financiën.
Meer informatie is te vinden op www.schatkistbankieren.nl
Actuele marktwaarde
De waarde die kan worden berekend aan de hand van de actuele marktrente van de resterende looptijden van de toekomstige kasstromen (rente en aflossing) van een deposito.
Agentschap
Het Agentschap van de Generale Thesaurie van het ministerie van Financiën.
Basispunt
Een honderdste van een procent (0,01%).
Borgstelling
Het recht van een derde partij om op eerste afroep te kunnen beschikken over een maximaal overeengekomen bedrag van een openbaar lichaam die middelen in rekening-courant bij ’s Rijks
schatkist aanhoudt.
Deposito
Het creditbedrag op een aan de rekening-courant gekoppelde rekening, waarover gedurende een vooraf vastgestelde periode door het openbaar lichaam niet vrij beschikt kan worden.
Daggeldrente
De dagelijkse vaststelling door de Europese Centrale Bank van de rente waartegen gemiddeld genomen overnight en zonder onderpand liquiditeit zijn geleend in de eurogeldmarkt door een panel van banken (EONIA, afgerond op 2 decimalen).
DSL-rente
De dagelijks door een door de minister van Financiën aangewezen elektronisch handelsplatform vastgestelde rentes voor Nederlands schatkistpapier (Dutch Treasury Certificates) van verschillende looptijden.
Intradaglimiet
Het maximum bedrag dat gedurende de dag rood mag worden gestaan op de tussenrekening.
Tussenrekening
De rekening die het openbaar lichaam aanhoudt bij een bank via welke de zero-balancing plaatsvindt.