Aanhef
De Raad van de gemeente Sittard-Geleen,
Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 april 2025, met registratienummer Z/25/690759.
b e s l u i t :
Akkoord te gaan met bijgevoegde geactualiseerde kadernota vaste activa 2025-2028 en in het bijzonder met:
1De intrekking van de kadernota vaste activa 2020-2023, vastgesteld door de raad op 13 november 2019 per 1 januari 2025;
2De inwerkingtreding van de kadernota vaste activa 2025-2028 per 1 januari 2025.
2 ACTIVERING
2.2 IMMATERIËLE VASTE ACTIVA
2.2.1 KOSTEN VERBONDEN AAN HET SLUITEN VAN GELDLENINGEN EN HET SALDO VAN AGIO EN DISAGIO
Het disagio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het lagere bedrag dat aan de gemeente wordt uitgekeerd. Dit verschil kan worden geactiveerd.
De kosten van het sluiten van geldleningen kunnen betrekking hebben op de boete die moet worden betaald bij het vervroegd aflossen van een lening. Ook deze kosten kunnen worden geactiveerd, als een nieuwe lening wordt afgesloten.
Indien geen nieuwe lening wordt afgesloten, moet de boete ten laste van de exploitatie komen.
2.2.2 KOSTEN VAN ONDERZOEK EN ONTWIKKELING VOOR EEN BEPAALD ACTIEF
Een voorbeeld van deze kosten kan zijn een onderzoek naar een brede school. Deze kosten kunnen worden geactiveerd, omdat er sprake is van een bepaald actief.
De kosten van het ontwikkelen van bestemmingsplannen behoren niet tot de immateriële vaste activa omdat er geen directe koppeling met een specifiek actief is, wat hiervoor een vereiste is.
De kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd, indien wordt voldaan aan de voorwaarden die in artikel 60 van het BBV zijn opgenomen.
Deze voorwaarden luiden:
▪︎ het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
▪︎ de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien staat vast;
▪︎ het actief zal in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereren en
▪︎ de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen kunnen betrouwbaar worden vastgesteld.
Deze voorwaarden bepalen dat de kosten alleen dan mogen worden geactiveerd als de plannen omtrent het actief waarvoor de kosten worden gemaakt al redelijk zijn omlijnd, de plannen uitvoerbaar zijn en de kosten zijn in te schatten.
Indien echter niet aan het bovenstaande wordt voldaan, dan moeten de kosten in één keer ten laste van de exploitatie worden gebracht.
Als in de verdere uitwerking van een vaste activa project blijkt dat afgezien wordt van verdere ontwikkeling komen de geactiveerde uitgaven direct geheel ten laste van de exploitatie.
De kosten voor algemene beleidsnotities komen direct ten laste van de exploitatie.
Het activeren van voorbereidingskosten voor grondexploitaties als kosten van onderzoek en ontwikkeling onder de immateriële vaste activa is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
1de kosten moeten passen binnen de kostensoortenlijst van het Besluit Ruimtelijke Ontwikkeling; en
2de kosten mogen maximaal 5 jaar geactiveerd blijven staan onder de immateriële vaste activa. Na maximaal 5 jaar moeten de kosten hebben geleid tot een actieve grondexploitatie dan wel worden afgeboekt t.l.v. het jaarresultaat; en
3plannen tot ontwikkeling van de grond waarvoor de voorbereidingskosten worden gemaakt, moeten bestuurlijke instemming hebben, blijkend uit een raadsbesluit of indien gedelegeerd –een collegebesluit.
2.2.3 BIJDRAGEN AAN ACTIVA IN EIGENDOM VAN DERDEN
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen bijvoorbeeld bijdragen zijn voor gemeenschapshuizen. Deze bijdragen mogen slechts worden geactiveerd indien ze voldoen aan de cumulatieve bepalingen van artikel 61 van het BBV. Deze bepalingen luiden:
a.er is sprake van een investering door een derde;
b.de investering draagt bij aan de publieke taak;
c.de derde verplicht zich tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en
d.de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Zoals hiervoor aangegeven zijn de voorwaarden cumulatief. Indien aan één van deze voorwaarden niet wordt voldaan, dan mogen de kosten niet geactiveerd worden en moeten deze in één keer ten laste van de exploitatie worden genomen.
Een belangrijk onderdeel van deze voorwaarden betreft punt d. In de beschikking aan de derde moet deze bepaling nadrukkelijk worden opgenomen.
2.3 MATERIËLE VASTE ACTIVA
2.3.1 INVESTERINGEN MET EEN ECONOMISCH NUT
Investeringen met een economisch nut zijn alle investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/of die verhandelbaar zijn.
Het gaat hierbij nadrukkelijk om de mogelijkheid middelen te verwerven. Dat een gemeente ervoor kan kiezen ergens geen of geen kostendekkende prijs te vragen, is niet van belang voor de vraag of een actief economisch nut heeft. Deze redenering geldt ook voor de verhandelbaarheid.
Het gaat om de mogelijkheid de activa te verkopen en niet om de vraag of de gemeente het actief ook daadwerkelijk wil verkopen. Dit betekent bijvoorbeeld, dat alle gebouwen een economisch nut hebben, omdat er een markt is voor gebouwen.
De verslaggevingsregels voor software waren niet eenduidig. Vanaf 2007 is software (als afzonderlijk actief) gerangschikt binnen de materiële vaste activa met economisch nut, artikel 35 lid1a BBV.
Ook gebruiksrechten op software voor onbepaalde duur die ineens in rekening worden gebracht vallen hieronder. Jaarlijkse betalingen voor het gebruik van software zijn exploitatielasten. Als gebruiksrechten voor een bepaald aantal jaren in rekening worden gebracht moeten deze kosten als transitorische post “vooruitbetaalde bedragen” worden geboekt.
Software welke samen met een vast actief worden gekocht en ook uitsluitend hiervoor te gebruiken zijn volgen het regiem van het betreffende activum. Zo behoort software van een verkeersregelinstallatie (VRI) bij deze VRI en is deze niet voor andere doeleinden dan een VRI te gebruiken.
VRI’s zijn investeringen met een maatschappelijk nut. De software is dan ook een investering met maatschappelijk nut.
Implementatiekosten van nieuwe hard- en/of software kunnen worden geactiveerd, ze vallen onder de bijkomende kosten die op grond van artikel 63, lid 2 BBV als onderdeel van de verkrijgingsprijs worden gezien. De implementatie is noodzakelijk om het actief in gebruik te kunnen nemen.
Met betrekking tot de opleidingskosten die de gemeente maakt om haar eigen medewerkers vertrouwd te maken met de nieuwe software geldt dat deze net als andere opleidingskosten als exploitatielast worden verwerkt. In tegenstelling tot implementatiekosten zijn opleidingskosten niet nodig om het actief zelf gebruiksklaar te krijgen.
2.3.2 INVESTERINGEN MET EEN ECONOMISCH NUT, WAARVOOR TER BESTRIJDING VAN DE KOSTEN EEN HEFFING KAN WORDEN GEHEVEN
Een bijzondere groep van investeringen met economisch nut zijn de investeringen waarvan de kapitaallasten afgedekt worden door heffingen. Dit zijn de investeringen waarop de riool- en afvalheffing van toepassing is.
De voorzieningen, bedoeld in artikel 44 lid 1 letter d, moeten in mindering worden gebracht op deze investeringen. Dit betreft voorzieningen die gevormd zijn wegens bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven.
2.3.3 INVESTERINGEN IN DE OPENBARE RUIMTE MET EEN MAATSCHAPPELIJK NUT
De gemeente heeft investeringen die geen middelen genereren, maar wel duidelijk een publieke taak vervullen. Het gaat hierbij om investeringen in water, wegen, civiele kunstwerken, groen en kunstwerken.
2.6 INVESTERINGEN IN BESTAANDE ACTIVA
2.6.1 LEVENSDUURVERLENGING
Dit zijn investeringen die worden gepleegd ten behoeve van een bestaand actief en expliciet leiden tot een levensduurverlenging van het betreffende actief met minimaal ¼ gedeelte. Er is dan sprake van een significante kwaliteitsverbetering. Bijvoorbeeld: het renoveren van een gebouw. Het gaat dus niet om (groot) onderhoud.
De afschrijvingsduur van de levensduur verlengende investering bestaat uit de resterende levensduur en de verlenging van de levensduur. De afschrijvingsduur van het “oude” activum wijzigt niet.
Indien (delen van) bestaande kapitaalgoederen ingrijpend worden gerenoveerd, met als doel de levensduur van het object te verlengen, worden de betreffende uitgaven in principe aangemerkt als investering. Deze renovatie mag niet bestaan uit posten welke door de Commissie BBV als groot onderhoud worden bestempeld.
2.6.2 UITBREIDINGSINVESTERINGEN
Dit zijn investeringen die worden gepleegd in een bestaand actief waarbij geen sprake is van een levens-duurverlenging van het betreffende actief. Door deze investering wordt de functie van het actief gedurende de rest van de levensduur verbeterd. De afschrijvingsduur bestaat uit de resterende levensduur van het actief. Voorbeeld hiervan is de aanbouw van een computerserver ruimte bij een kantoorpand.
2.7 ONDERHOUD
2.7.1 KLEIN ONDERHOUD
Bij klein onderhoud gaat het om periodieke kosten, die nodig zijn om het object in goede staat te houden. Kosten van klein onderhoud keren in principe jaarlijks terug.
Deze kosten mogen niet worden geactiveerd, maar moeten in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie worden gebracht. Kosten van het wegwerken van achterstallig onderhoud dienen altijd ineens ten laste van de exploitatie te worden gebracht.
2.7.2 GROOT ONDERHOUD
Kosten groot onderhoud ontstaan na een langere gebruiksperiode van een object en zijn veelal ingrijpend van aard en betreffen een groot of belangrijk deel van het object.
Het binnen de vaste activa verantwoorden van groot onderhoud is niet toegestaan volgens het BBV.
De kosten van groot onderhoud kunnen op de volgende twee manieren worden onderverdeeld en verwerkt in de administratie:
1kosten in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie brengen;
2kosten ten laste van een gevormde voorziening brengen (artikel 44, lid 1c BBV).
In beide situaties wordt onderhoud niet geactiveerd en vormt dus geen investering in de vaste activa.
De commissie BBV heeft een niet-limitatieve lijst opgenomen met onderwerpen die vallen onder groot onderhoud namelijk:
▪︎ vervangen van pompen van een rioolstelsel;
▪︎ vervangen van rioolbuizen;
▪︎ periodiek baggeren van watergangen;
▪︎ vervangen van dakbedekking (dakpannen, bitumen laag) van een gebouw;
▪︎ vervangen van zink van een goot;
▪︎ vervangen van deuren, ramen en/of kozijnen van een gebouw;
▪︎ uitvoeren periodiek schilderwerk;
▪︎ vervangen van slijtlagen van asfaltwegen;
▪︎ vervangen van de cv-ketel;
▪︎ vervangen van vloerbedekking;
▪︎ vervangen zonwering;
▪︎ vervangen vloer- en wandtegels;
▪︎ vervangen van een voetbalveld met dezelfde materialen (gras door gras, kunstgras door kunstgras);
▪︎ vervangen lichtinstallatie.
3 WAARDERING
3.3 MATERIËLE VASTE ACTIVA
3.3.1 VASTGOED
Vastgoed wordt ook wel een onroerend goed of een onroerende zaak genoemd. Vastgoed kenmerkt
zich door de vereniging met de grond en omvat de grond en de opstal. Het vastgoed van een gemeente kan ook worden ingedeeld in de categorieën ‘met een maatschappelijke functie’ en ‘met een bedrijfseconomische functie’.
Tot welke categorie het actief behoort, is afhankelijk van de bestuurlijke intentie.
Bij ‘met een bedrijfseconomische functie’ gaat het om vastgoed dat door de decentrale overheid wordt gehouden om bewust winst te realiseren en/of om bewust waardestijgingen te realiseren
In welke situaties er door een gemeente op het vastgoed moet worden afgewaardeerd, is afhankelijk
van drie factoren:
1de huidige functie;
2de bestuurlijke intentie;
3de directe opbrengstwaarde
Maatschappelijk vastgoed
Bij vastgoed ‘met een maatschappelijke functie’ gaat het om het gemeentehuis, maar ook om gebouwen of terreinen met een maatschappelijk functie op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, sport, cultuur, welzijn, maatschappelijke opvang en / of zorg. Vastgoed met een maatschappelijke functie is niet gelijk aan de materiële vaste activa met maatschappelijk nut in de openbare ruimte. Immers, vastgoed met een maatschappelijk nut behoort tot de categorie materiële vaste activa met een economisch nut vanwege de mogelijkheid dat deze activa verhandelbaar zijn.
Kenmerk van vastgoed met een maatschappelijke functie is dat bij negatieve exploitatie saldi er feitelijk sprake is van het duurzaam verstrekken van subsidie.
Indien de bestuurlijke intentie bestaat dat dit vastgoed duurzaam wordt geëxploiteerd kan er hierdoor nooit sprake zijn van een duurzame waardevermindering. Bij een duurzaam negatieve exploitatie kan een maatschappelijke functie worden verondersteld.
Indien bestuurlijk de intentie bestaat om het vastgoed met een maatschappelijke functie te verkopen of als de bestemming wijzigt naar vastgoed met een bedrijfseconomische functie, dan bestaat de mogelijkheid dat een duurzame waardevermindering moet worden verantwoord.
Bedrijfseconomisch vastgoed
Bij vastgoed met een bedrijfseconomische functie gaat het om vastgoed dat door de decentrale overheid wordt aangehouden om bewust winst te realiseren en/of waardestijgingen te realiseren. Bij vastgoed met een bedrijfseconomische functie bestaat de mogelijkheid dat een duurzame waardevermindering moet worden verantwoord.
Het beleid van de Gemeente Sittard-Geleen is om het vastgoed zo gunstig mogelijk te exploiteren, in principe is er geen winstoogmerk.
Waardevermindering van vastgoed
Om vast te stellen of een duurzame waardevermindering moet worden toegepast, moet de directe opbrengstwaarde worden bepaald. Een middel om de directe opbrengstwaarde te bepalen, is een onafhankelijke taxatie. Afwaarderen kan door extra afschrijvingen of door het vormen van een voorziening voor de waardevermindering. Herwaarderen is niet toegestaan, ook niet nadat een extra afschrijving heeft plaatsgevonden. Wel kan de hoogte van de voorziening afwaardering fluctueren.
De voorziening afwaardering kan nooit hoger zijn dan de boekwaarde van het vastgoed.
Schema waardevermindering vastgoed:
3.3.2 ERFPACHTGRONDEN
Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van een eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.
3.3.3 OVERDRACHT GRONDEN BOUWGRONDEXPLOITATIE
Gronden uit grondexploitatie worden tegen de actuele waarde overgeboekt naar de vaste activa waarbij rekening gehouden wordt met de afwaardering als deze duurzaam lager is dan de boekwaarde. Een duurzame waardevermindering dient in de boekwaarde tot uitdrukking te komen. Afwaarderen is uitsluitend toegestaan bij een verandering in de bestemming. Het overhevelen vanuit de grondexploitatie naar de vaste activa impliceert een verandering in de bestemming. Herwaarderen is niet toegestaan.
Transitie van gronden uit de vaste activa naar de bouwgrondexploitatie geschiedt tegen boekwaarde. Hierna volgen deze gronden de waarderingsrichtlijnen van de bouwgrondexploitatie.
3.3.4 WARME GRONDEN
Gemeenten verwerven gronden met het oog op gebiedsontwikkeling die op langere termijn gaat spelen. Dergelijke gronden, waarvan op voorhand vaststaat dat deze als bouwgrond zullen gaan fungeren, maar waarvoor nog geen operationele grondexploitatie is vastgesteld worden in de regel als ‘warme grond’ geduid. Deze gronden worden op de balans opgenomen onder de materiele vaste activa tegen verwervingskosten. Het toerekenen (activeren) van andere kosten is daarbij niet toegestaan.
Ingeval de gronden nog geen bestemming hebben gekregen als bouwgrond, bestaat de kans dat (tijdelijk) afwaardering moet plaatsvinden naar de waarde volgens de geldende bestemming.
Aangezien het hierbij gaat om een naar verwachting tijdelijke en niet duurzame waardevermindering, mag onder voorwaarden - bij de waardering worden uitgegaan van de grond tegen toekomstige bestemming in plaats van de huidige bestemming. Daarbij is als een van de voorwaarden aangegeven dat het moet gaan om woningbouw en niet om bedrijfsterreinen. De achtergrond hiervan is dat grootschalige aankoop van gronden voor ontwikkeling van bedrijfstermijnen op de zeer lange termijn in zijn algemeenheid als zeer risicovol wordt aangemerkt. Voor woningbouw zijn deze risico’s in de regel beperkter.
Cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van artikel 65 BBV, uitgaande van de toekomstige bestemming in plaats van de geldende bestemming:
▪︎ de gronden moeten deel uitmaken van een door de gemeenteraad vastgestelde visie of masterplan voor (een) concrete en binnen afzienbare tijd te starten grondexploitatie(s), waarin de gebiedsontwikkeling van totaalplan naar deelgrondexploitaties is vastgelegd;
▪︎ de gebiedsontwikkeling mag niet zodanig conflicteren met de uitkomst van de inventarisatie van bedreigingen die de ontwikkeling in de weg kunnen staan, bijvoorbeeld op het gebied van milieu of bereikbaarheid;
▪︎ de visie / het masterplan mag niet strijdig zijn met beleid van de provincie en/of rijk;
▪︎ er is een betrokkenheid bij de gebiedsontwikkeling van provincie of rijksoverheid;
▪︎ het mag alleen gaan om gebiedsontwikkeling voor de bouw van woningen en niet voor bedrijfsterreinen;
▪︎ periodiek (minimaal eens in de 2 jaar) worden de gronden getaxeerd tegen de waarde volgens de toekomstige woningbouwbestemming, met inachtneming van de inherente onzekerheden van de ontwikkelmogelijkheden.
De gronden bestemd voor toekomstige bedrijventerreinen worden gewaardeerd naar de geldende bestemming.
3.3.5 NIET STRATEGISCHE EIGENDOMMEN
Als de Gemeente Sittard-Geleen het besluit heeft genomen een gebouw te verkopen wordt dit naar de voorraden handelsgoederen overgeboekt (verschuiving in de balans) rekening houdend met een eventuele waardevermindering en als een gemeente het gebouw dan nog in exploitatie heeft (verhuurt), is er sprake van slijtage en wordt dus gewoon afgeschreven. Ook op voorraad handelsgoederen kan worden afgeschreven.
4 AFSCHRIJVING
4.3 AFSCHRIJVINGSBASIS
4.3.1 KOSTPRIJS ALGEMEEN
In het BBV is verplicht voorgeschreven dat de investeringen worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Op basis van deze prijs moet dan ook worden afgeschreven.
Op grond als ondergrond van investeringen wordt niet afgeschreven, deze wordt als een afzonderlijk activum in de vaste activa administratie opgenomen.
4.3.2 RESTWAARDE
De restwaarde is de waarde van een activum aan het eind van de gebruikstermijn tegen het huidige prijspeil. Het vertegenwoordigt de schatting tegen het huidige prijspeil van de opbrengstwaarde die na de gebruikstermijn nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het activum. Er wordt bij de bepaling van de restwaarde dus geen rekening gehouden met mogelijke waardeveranderingen vanwege inflatie of deflatie, veranderende marktomstandigheden en dergelijke.
Wanneer de verwachte gebruikstermijn korter is dan de verwachte economische levensduur van het activum, zal er altijd sprake zijn van een restwaarde. Aan het einde van de economische levensduur zal er slechts sprake zijn van sloopwaarde.
Aan het eind van de afschrijfperiode kan hooguit een boekwaarde overblijven ter grootte van de geschatte restwaarde op basis van het prijspeil op het moment van ingebruikneming.
Omdat activa worden gebruikt en gedurende de afschrijfperiode technisch en economisch slijten/verouderen zal de praktijk veelal zijn dat naar een boekwaarde € 0 moet worden afgeschreven, als het voornemen bestaat de activa tot het einde van de mogelijke gebruiksduur te benutten. Verder geldt dat geen rekening mag worden gehouden met voorgenomen toekomstige bestemmingswijzigingen.
Bij parkeergarages wordt de restwaarde vastgesteld op 25% van de aanschafwaarde, uitgaande dat deze nog een functie hebben in de omgeving aan het einde van de levensduur.
4.3.3 INRUILWAARDE
De restwaarde moet los worden gezien van de inruilwaarde. Een nieuw actief moet worden gewaardeerd op de verkrijgingsprijs, omdat de verkrijgingsprijs de inkoopprijs en de bijbehorende kosten omvat. De inruilwaarde mag hierdoor niet in mindering worden gebracht op de verkrijgingsprijs. De inruilwaarde resulteert ten opzichte van de boekwaarde in een winst of verlies in de exploitatie (incidenteel resultaat).
De inruilwaarde wordt op de boekwaarde van het oude (ingeruilde) actief geboekt. Deze mag niet ten gunste van het nieuwe actief geboekt worden.
4.3.4 VERKOOPRESULTATEN
Indien een object met een bepaalde restwaarde wordt verkocht (afgestoten), dient afboeking van de restwaarde (sanering) plaats te vinden. Het verkopen van vaste activa verloopt via de voorraad handelsgoederen. Het actief wordt overgeboekt naar de voorraad handelsgoederen nadat bestuurlijk besloten is het actief te vervreemden.
Door de daadwerkelijke verkoop wordt de boekwaarde van het handelsgoed naar de exploitatielasten overgeboekt. De boekwaarde van het verkochte actief is een incidentele last in de exploitatie bij de verkoop. De verkoopopbrengst is een incidente bate in de exploitatie. Boekwinsten en -verliezen worden op deze wijze zichtbaar in de exploitatie.
Het transactieresultaat mag niet met de aanschafwaarde van het eventuele vervangingsobject worden verrekend.
4.3.5 BUITENGEBRUIKSTELLING EN DIEFSTAL
Als door buitengebruikstelling, inclusief sloop, de boekwaarde duurzaam lager wordt dient dit tot uitdrukking gebracht te worden door extra afschrijving ten laste van de exploitatie. Bij diefstal dient altijd de boekwaarde geheel afgeschreven te worden. Dit is dan een exploitatielast. Een verzekeringsuitkering komt ten gunste van de exploitatie, verantwoording als een bate.
4.3.6 HERTAXATIE
Vaste activa waarvan de boekwaarde duurzaam lager ligt dan de taxatiewaarde dient de waardevermindering tot uitdrukking gebracht te worden door extra afschrijving ten laste van de exploitatie. Herwaardering is niet toegestaan.
4.4 AFSCHRIJVINGSMETHODEN
4.4.1 ALGEMEEN
Ingevolge artikel 51 van het BBV moet in de toelichting op de balans worden aangegeven volgens welke methoden de afschrijvingen worden berekend.
Wat betreft de afschrijvingsmethoden hebben wij 2 methodieken:
▪︎ de lineaire en
▪︎ de annuitaire methode.
De afschrijvingen zijn in principe lineair tenzij expliciet door de Raad voor een andere wijze van afschrij-ven is gekozen. Zo kan annuïtair afgeschreven worden als tegenover de lasten baten komen te staan die een kostendekkend stabiel niveau dienen te hebben, zoals bijvoorbeeld huren of rechten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat voor desbetreffende kapitaalgoederen toereikende beheerbudgetten in de begroting zijn opgenomen.
4.4.2 LINEAIR
De lineaire methode wil zeggen dat de afschrijving plaatsvindt op basis van een vast bedrag per jaar.
4.4.3 ANNUÏTAIR
Bij de annuïtaire methode blijft de annuïteit, zijnde de component rente en afschrijving gelijk. De afschrijving neemt jaarlijks toe en de rente neemt jaarlijks af. Het jaarlijks actualiseren van de omslagrente zorgt voor een jaarlijks wisselende annuïteit. Tegenover een annuïteit staat minimaal een gelijk bedrag aan kostendekkende inkomsten (tarieven).
4.5 AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN
4.5.1 ALGEMEEN
De te hanteren afschrijvingstermijn op vaste activa is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
4.5.2 START AFSCHRIJVINGEN
Investeringen starten met afschrijvingen in het jaar volgend op het jaar van gereed melding.
Voor het ramen van de kapitaallasten van nieuwe investeringskredieten worden de afschrijvingen geraamd in het jaar volgend op het geprognosticeerde jaar waarin het krediet wordt afgesloten.
4.5.3 AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN
Voor de lengte van de afschrijvingstermijnen wordt aansluiting gezocht met de periode dat een actief nut oplevert voor de gemeente. De indicatief te hanteren afschrijvingstermijnen zijn opgenomen in bijlage 1, deze lijst is niet limitatief. De verwachte (budgettaire) economische levensduur van een actief is bepalend voor de levensduur.
Immateriële vaste activa
Artikel 64 lid 4 t/m 6 BBV bevat bepalingen over de afschrijving van immateriële vaste activa
Afschrijvingsduur: kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen
Wanneer kosten van het afsluiten van geldleningen (bijvoorbeeld boeterente) en het saldo van agio en disagio geactiveerd worden, dan is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. Wordt een lening aangegaan met een looptijd van 25 jaar, dan bedraagt de afschrijvingsduur ook maximaal 25 jaar.
Afschrijvingsduur: kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief
Kosten van onderzoek en ontwikkeling (voorbereidingskosten) voor een bepaald actief kunnen geactiveerd worden, mits aan de voorwaarden wordt voldaan zoals gesteld in de onderdelen a t/m d van artikel 60 BBV. De afschrijvingsduur van deze immateriële vaste activa bedraagt op grond van artikel 64 lid 5 BBV ten hoogste vijf jaar.
Afschrijvingsduur: voor bijdragen aan activa in eigendom van derden
Wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 61 BBV, kunnen bijdragen aan activa in eigendom van derden geactiveerd worden onder de immateriële vaste activa. De afschrijvingsduur van deze bijdragen is op grond van artikel 64 lid 6 BBV maximaal gelijk aan de afschrijvingsduur van de activa die door de betreffende derden wordt gehanteerd, waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt. Een gemeente kan dus wel een kortere afschrijvingsduur, maar geen langere afschrijvingsduur hanteren dan de afschrijvingsduur die gehanteerd wordt bij derden. De gehanteerde afschrijvingstermijn bij derden kan dus afwijken van de gehanteerde afschrijvingstermijnen bij de gemeente.
Materiële vaste activa
Op grond van artikel 64, lid 3 BBV dient op vaste activa met een beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven te worden volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De gebruiksduur is gelijk aan de verwachte economische of technische levensduur.
Dit is niet alleen van toepassing op bijvoorbeeld gebouwen die door de gemeente zelf worden gebruikt of geëxploiteerd, maar ook op gebouwen die door middel van een zakelijk recht ter beschikking worden gesteld (worden vervreemd) aan derden. Ook hierbij is sprake van slijtage en een beperkt verwachte gebruiksduur, waarop de afschrijving moet worden afgestemd.
De afschrijvingsduur van de levensduur verlengende investering bestaat uit de resterende levensduur en de verlenging van de levensduur. De afschrijvingsduur van het “oude” activum wijzigt niet.
Gebouwen
De Gemeente Sittard-Geleen maakt voor de gebouwen onderscheid tussen strategisch en niet strategisch vastgoed. Bij het strategisch vastgoed is het uitgangspunt dat het in stand gehouden wordt totdat er per gebouw anders over besloten wordt.
Ook de onderhoudsplannen van dit vastgoed is afgestemd op het in stand houden van deze gebouwen. In de besluitvorming over het herstelplan van de begroting 2018 heeft de Raad ingestemd om de levensduur van het strategisch vastgoed te verlengen van 40 jaar naar 50 jaar.
Wegen
De Raad heeft in het herstelplan van de begroting 2018 ingestemd met het voorstel om de levensduur van de wegen buiten de stadscentra te verlengen van 25 naar 40 jaar.
De rekenmethodiek en analyses die gehanteerd zijn bij de totstandkoming van het IBOR beleidsplan 2016 gaan uit van een afschrijvingstermijn van de wegen van 40 jaar. De berekening van de benodigde middelen voor vervangingsinvesteringen voor deze wegen is hier op gebaseerd. De ervaring van de afgelopen jaren duidt erop dat de wegen over het algemeen een minimale levensduur van 40 jaar hebben, met uitzondering van de wegen in de stadscentra. In een vergelijking met andere Limburgse gemeenten is gekozen de levensduur van de wegen buiten de stadcentra op 40 jaar te stellen. De wegen in de stadscentra zijn door het intensieve gebruik en de dynamiek eerder aan vervanging toe.
5 RENTELASTEN
5.2 ONDERHANDEN WERKEN
5.2.1 RAMEN RENTELASTEN NIEUW INVESTERINGSPROJECT
•1e jaar: De rentelasten op basis van de verwachte uitgaven in het 1e jaar (jaar t) (verwachte uitgaven 1e jaar x omslagrentepercentage jaar t x verwachte maanden liquiditeitenbeslag / 12 maanden).
•2e e.v. jaren (jaar t +): Op basis van de verwachte boekwaardes per 1 januari van het desbetreffende jaar. (verwachte boekwaarde per 1 januari x omslagrentepercentage jaar t+1).
5.2.2. RENTELASTEN BEGROTEN
Bij het opstellen van de primitieve begroting wordt een inschatting gemaakt van het moment van gereed komen van de lopende investeringsprojecten. En worden op basis van een liquiditeiten prognose de geprognosticeerde boekwaardes per 1 januari voor de komende 4 jaar berekend (verwachte boekwaarde per 1 januari x omslagrentepercentage).
Activa die gefinancierd zijn door projectfinanciering maken geen deel uit van de omslagrente. De rentelasten en -baten van de projectfinanciering wordt toegerekend aan deze activa.
5.2.3. RENTELASTEN BOEKEN
De rente wordt met behulp van het omslagrentepercentage op basis van de bij de jaarrekening van het voorafgaande jaar vastgestelde boekwaarde geboekt (vastgestelde boekwaarde 1 januari x omslagrente-percentage).
Activa die gefinancierd zijn door projectfinanciering maken geen deel uit van de omslagrente. De rentelasten en -baten van de projectfinanciering wordt toegerekend aan deze activa.
5.4 VASTE ACTIVA GEREED
5.4.1. RENTELASTEN BEGROTEN
Rentelasten worden begroot op basis van boekwaarde per 1 januari x omslagrentepercentage.
Activa die gefinancierd zijn door projectfinanciering maken geen deel uit van de omslagrente. De rentelasten van de projectfinanciering wordt toegerekend aan deze activa.
5.4.2. RENTELASTEN BOEKEN
De rente wordt met behulp van het omslagrentepercentage op basis van de bij de jaarrekening van het voorafgaande jaar vastgestelde boekwaarde geboekt (vastgestelde boekwaarde 1 januari x omslagrente-percentage).
Activa die gefinancierd zijn door projectfinanciering maken geen deel uit van de omslagrente. De rentelasten van de projectfinanciering wordt toegerekend aan deze activa.
BIJLAGE 1 AFSCHRIJVINGSTABEL VASTE ACTIVA
Activa categorie
Afschrijvingstermijn in jaren
1Immateriële activa
➢ Kosten voor het sluiten van geldleningen
Restant looptijd van de lening
➢ Kosten van onderzoek en ontwikkeling
5
➢ Bijdragen aan eigendommen van derden
Maximaal jaren door derde gehanteerd
2Materiële vaste activa:
➢ Investeringen met een economisch nut:
▪︎ Grond
Geen afschrijving
▪︎ Gebouwen (strategisch vastgoed):
-nieuwbouw
50
-renovatie
25
▪︎ Gebouwen (niet strategisch vastgoed):
-nieuwbouw
40
-renovatie
25
▪︎ Scholen
40
▪︎ Tijdelijke gebouwen
Variabel, afhankelijk van gebruiksduur
▪︎ Parkeergarages
50met restwaarde 25% van de aanschafwaarde
▪︎ Woonwagenlocaties
25
▪︎ Woonwagens
15
▪︎ Technische installaties
15
▪︎ Inventaris en meubilair
10
▪︎ Inrichting schoolgebouwen
10
▪︎ Kantoormachines (niet zijnde automatiseringsapparatuur)
5
▪︎ Parkeervoorzieningen
25
▪︎ Parkeermeters en -automaten
10
▪︎ Gereedschappen en overig materiaal
10
▪︎ Kleine gereedschappen en materialen
Niet activeren, direct nemen
▪︎ Containers 14 tot 30 m3 (o.a. milieuparken)
15
▪︎ Minicontainers 40, 120 en 240 liter (huisvuilinzameling)
10
▪︎ Grote werktuigen (o.a. rollpacker, perscontainerinstallatie)
10
▪︎ Bovengrondse afvalinzamelingstallaties
10
▪︎ Ondergrondse afvalinstallaties
10
▪︎ Tractoren
10
▪︎ Kraanwagens
10
▪︎ Vrachtauto’s
10
▪︎ Heftrucks
10
▪︎ Pick-ups
10
▪︎ Personenauto’s
5
▪︎ Automatisering hardware incl. gekoppelde software
5
▪︎ Software
7
▪︎ Telefooncentrale
7
▪︎ Pc’s, laptops, printers en tablets
Niet activeren, direct nemen
▪︎ Riolering
40
▪︎ Haven:
50
➢ Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut
▪︎ Wegen (stadscentra):
-eerste aanleg (excl. grond)
25
-ingrijpende reconstructies
25
▪︎ Wegen (buiten stadscentra):
-eerste aanleg (excl. grond)
40
-ingrijpende reconstructies
40
▪︎ Grond openbare ruimte, aankoop vanaf 2024
Geen afschrijving
▪︎ Openbare verlichting
25
▪︎ Verkeersregelinstallaties
15
▪︎ Civieltechnische kunstwerken
40
▪︎ Openbaar groen
25
▪︎ Begraafplaatsen
25
▪︎ Speeltuinen:
-aanleg
25
-inrichting
10
3Financiële vaste activa:
Geen afschrijving.
BIJLAGE 2 DIVERSE ARTIKELEN BESLUIT BEGROTING EN VERANTWOORDING (BBV)
Het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is sinds 1 januari 2004 van kracht. Onderstaand zijn de richtlijnen opgenomen met betrekking tot de indeling van de balans en de waardering van activa.
Paragraaf 4.5.3. Vaste activa
Artikel 33
Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa.
Artikel 34
In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;
b.kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief;
c.bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Artikel 35
1In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.investeringen met een economisch nut;
b.investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;
c.investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
2Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven.
Artikel 36
In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.kapitaalverstrekkingen aan:
1deelnemingen;
2gemeenschappelijke regelingen;
3overige verbonden partijen;
b.leningen aan:
1openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden;
2woningbouwcorporaties;
3deelnemingen;
4overige verbonden partijen;
c.overige langlopende leningen;
d.uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rente typische looptijd van één jaar of langer;
e.uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rente typische looptijd van één jaar of langer;
f.overige uitzettingen met een rente typische looptijd van één jaar of langer.
Hoofdstuk V. Waardering, activeren en afschrijven
Artikel 59
1Alle investeringen worden geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd.
Artikel 60
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd indien:
a.het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
b.de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
c.het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en;
d.de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
Artikel 61
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien:
a.er sprake is van een investering door een derde;
b.de investering bijdraagt aan de publieke taak;
c.de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en;
d.de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Artikel 62
1Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden de bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief op de waardering daarvan in mindering gebracht.
3In afwijking van het eerste lid moeten de voorzieningen, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, in mindering gebracht worden op de investeringen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.
Artikel 63
1Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
2De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.
3De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd.
4Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.
5Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen.
6In afwijking van het eerste lid is waardering tegen actuele waarde toegestaan voor de activa van de Nazorgfondsen bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer.
7Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd.
8Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend.
Artikel 64
1De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
2Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiele positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.
3Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
4In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening.
5In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar.
6Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.
Artikel 65
1Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
2Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
3Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.