2. Keuzes voor functies
2.2 Wonen
2.2.1 Waar is wonen een geschikte functie?
Over de ruimtelijke afwegingen voor wonen schrijft het regionale beleid:
Gemeentelijke uitwerking:
Ruimtelijke afwegingen locaties functieveranderingswoningen
Om te werken aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied maken gemeenten strategische- en landschappelijke keuzes. Zo ook gebieden waar functieveranderingswoningen wel of niet gewenst zijn. Het kan voorkomen dat het toevoegen van meerdere woonvolumes ruimtelijk aanvaardbaar is. Of dat in bepaalde gebieden waar slooplocaties liggen het toevoegen van woonvolume(s) ruimtelijk of anderszins niet aanvaardbaar of gewenst is. Bijvoorbeeld door de aanwezige ecologische- landschappelijke of cultuurhistorische waarden. We nodigen gemeenten dan ook uit om hiervoor een ruimtelijke afweging te maken.
Gemeenten kunnen functieveranderingswoningen elders toestaan. Dit zijn aangewezen gebieden waar doorontwikkeling naar de functie Wonen ruimtelijk aanvaardbaar is. Deze gebieden hebben meer draagkracht, bijvoorbeeld in de dorpsranden of de buurtschappen. Hierop zijn de mogelijkheden en voorwaarden vanuit het functieveranderingsbeleid ook van toepassing.
We nodigen gemeenten uit om hiervoor een uitwerking te maken. Denk bij het opstellen van een dergelijk kader aan een ruimtelijke afweging voor ontwikkellocaties aan de onderstaande mogelijkheden:
1door de gemeenten aangewezen locaties (bijvoorbeeld dorpsrandzones of gebieden met overwegend woonfuncties);
2bestaande bebouwingsclusters of ~linten (bijvoorbeeld buurtschappen); en
3op eigen erf (bijvoorbeeld alleen inzet eigen sloopmeters).
Om iets te zeggen over de wenselijkheid van woningen op locaties gebruiken we twee methoden die beiden op een kaart zijn weergegeven. De ene methode kijkt naar bedrijven die blijven en de andere gebruikt een zonering.
Wonen 1: Zonering rondom bestaande agrarische bedrijven
Tenzij een locatie of situatie uitzonderlijk is willen we géén functieveranderingen naar wonen binnen een straal van 75 meter van het erf van een bestaand agrarisch bedrijf. Als dat betekent dat niet (precies) op eigen erf kan worden gebouwd willen we daar in principe aan meewerken.
Met functieveranderingen naar wonen wordt hier bedoeld; het toevoegen van woningen, ook wel ‘compensatiewoningen’ genoemd. Dat is wat anders dan de woning die bij het voormalige boerenbedrijf hoort en er al staat. Met die bestaande agrarische bedrijfswoning moet sowieso wat gebeuren. Als het bedrijf er niet meer is, is er namelijk ook geen sprake meer van een bedrijfswoning. Deze woning mag een ‘normale’ woning worden. Dat mag altijd bij een functieverandering.
Met het erf van een bestaand agrarisch bedrijf bedoelen we het bouwvlak van het agrarische bedrijf. Het bouwvlak is in onze gemeente altijd gelijk aan het bestemmingsvlak. Milieu- en hinderafstanden (de cirkel waarbinnen een bepaalde functie op grond van de wet niet mag) worden vaak berekend van de gevel van een woning tot de gevel van een stal. Daarmee kan de situatie ontstaan dat uitbreidingsruimte voor een boerderij verdwijnt. De gevel van de stal mag na het bouwen van de compensatiewoning namelijk niet dichterbij komen. De afstand van 75 meter wordt dus gemeten vanaf de dichtstbijzijnde grens van het vlak waarmee de functie ‘wonen’ is aangewezen tot de dichtstbijzijnde grens van het vlak waarmee de functie ‘agrarisch – bedrijf’ is aangewezen. Hier is dus sprake van een bovenwettelijke eis. Die stellen we om bestaande agrarische bedrijven te beschermen.
Met niet (precies) op eigen erf bedoelen we dat we openstaan voor het verschuiven van het bouwvlak. Als er geen, of niet genoeg, plekken zijn op het voormalige bouwblok van de boerderij die stopt op een afstand die groot genoeg is, dan kan het bouwvlak opschuiven.
We willen ook rekening houden met agrarische bedrijven die gevestigd zijn buiten de gemeente Scherpenzeel. Ook bij die bedrijven willen we geen nieuwe woningen binnen een afstand van 75 meter.
Figuur 4: Zonering rondom bestaande agrarische bedrijven
(doelen: 1, 2, 3, 4, 5 en 6)
Wonen 2: Zonering rondom bestaande niet agrarische bedrijven
Tenzij een locatie of situatie uitzonderlijk is willen we géén functieveranderingen naar wonen binnen de grootste richtafstand voor milieu bij andere dan agrarische bedrijven.
In het buitengebied komen ook andere dan agrarische bedrijven voor. Ook deze bedrijven kunnen in hun bedrijfsvoering worden gehinderd door woningen. Problemen rondom uitbreiding spelen hier minder een rol. Voor alle andere bedrijven is namelijk in het omgevingsplan bepaald hoeveel oppervlakte mag worden bebouwd, waar een agrarisch bedrijf binnen het bestemmingsvlak in theorie onbeperkt bouwmogelijkheden heeft.
De systematiek voor bescherming is bij andere bedrijven is ook anders. Bij agrarische bedrijven is (bijna) altijd geur bepalend. Bij andere bedrijven kan dat ook bijvoorbeeld gevaar of geluid zijn. Voor die bedrijven is de systematiek van de ‘bedrijven en milieuzonering’ leidend. Daaruit volgt een grootste hinderafstand (50, 100 of 200 meter bijvoorbeeld). Soms kan die afstand worden gehalveerd. We willen in principe alleen geen nieuwe woningen binnen deze afstand.
Ook hier houden we rekening met de afstand tot niet-agrarische bedrijven die niet in de gemeente Scherpenzeel gevestigd zijn.
Figuur 5: Zonering rondom bestaande bedrijven (in het buitengebied)
(doelen: 1, 3 en 5)
Figuur 5.1 Zonering rondom bestaande agrarische en niet-agrarische bedrijven (in het buitengebied)
Wonen 3: Kansrijke en minder kansrijke gebieden
Binnen de kansrijke gebieden is een functieverandering naar wonen eerder denkbaar dan daarbuiten en daarbinnen zijn meer woningen (dan twee) eerder denkbaar.
Met functieverandering naar wonen wordt hier bedoeld het bouwen van compensatiewoningen. De bestaande agrarische bedrijfswoning kan een reguliere woning worden. Bij voorkeur een voormalige bedrijfswoning.
De kansrijke gebieden voor wonen zijn hieronder op een kaart weergegeven. De grens op de kaart is geen harde grens maar een indicatie.
We hebben deze kaart opgenomen om een idee te geven van waar nieuwe woningen zouden kunnen komen (doelen 1 en 2). Daarbij is rekening gehouden met:
-De afstand van een woning tot voorzieningen, zoals sport of een supermarkt; (doel 4)
-Gebieden met concentraties aan (intensieve) veehouderij; (doel 4 en 5)
-Landschappelijk waardevolle gebieden en de openheid van het buitengebied (doel 3)
Figuur 6: Zonering kansrijke en minder kansrijke gebieden voor wonen
(doelen: 1, 2, 3, 4, 5 en 6)
2.2.2 Wat voor woningen zijn geschikt bij een functieverandering?
Dit wordt met een duur woord ook wel ‘woningdifferentiatie’ genoemd. Uit het verleden blijkt dat in het buitengebied vaak grote vrijstaande woningen worden gebouwd.
Het regionale beleid schrijft hierover:
Woningdifferentiatie stimuleren
Gebaseerd op de ervaring van de afgelopen jaren zien we dat veelal vrijstaande woningen en woongebouwen gebouwd zijn. Echter de vraag naar andere woonvormen kan per gebied of gemeente anders zijn. Op basis van de rekenregels is het voor gemeenten mogelijk om met een afwijkende sloopmetereis andere typologieën te stimuleren. Denk hierbij aan rug-aan-rug woningen, drie/vier-kappers of erfdelen (een collectief erf met verschillende woonvormen op een voormalige agrarische functie).
Ook denkbaar is het dat gemeenten actief sturen op woonvormen. Bijvoorbeeld wanneer er behoefte is aan betaalbare starterswoningen. Dan zouden minder sloopmeters ingezet kunnen worden om deze te realiseren.
Uit het woonbehoefteonderzoek dat door Stecc is uitgevoerd voor de regio FoodValley blijkt dat slechts 21% van de behoefte aan woningen een behoefte aan ‘Dure koop (vanaf 390.000 euro)’ is. Het bouwen van dure woningen (in het buitengebied) betekent vaak bouwen voor mensen buiten de regio.
7‘Woningbehoefteonderzoek regio Foodvalley’ Stec Groep, scherpenzeel.bestuurlijkeinformatie.nl ID 845, nummer 202456 datum 27-11-2024, bijlage 1.
Desalniettemin zijn woningen in het buitengebied, ongeacht hun grootte, vanwege de ligging vaak al duurder dan woningen binnen het dorp. Echt goedkoop bouwen is daarom moeilijk. Toch wil de gemeente, aanvullend op het regionale beleid, goedkopere woningen stimuleren.
Wonen 5: Aangepaste regeling voor sloopmeters
Daarvoor maken we het mogelijk om binnen dezelfde inhoud (1.000 m3), en in hetzelfde woongebouw, méér woningen dan twee te realiseren. Daarvoor houden we dezelfde kosten in sloopmeters aan als voor de eerste twee woningen. Een eventuele derde of vierde woning kost dus telkens weer 300 m2 aan sloopmeters voor het woonrecht. De kosten per kuub (1,5 sloopmeter) blijven gelijk. In principe werken we mee aan 4 woningen in één woongebouw maar in bijzondere gevallen zijn meer woningen mogelijk. Deze worden dan wel erg klein. We vinden het belangrijk dat de footprint vergelijkbaar blijft. Er mag dus niet per woning een grote tuin ontstaan. We blijven bij het uitgangspunt van het regionale beleid dat sprake moet zijn van een compact erf.
Een vergelijkbare footprint is belangrijk omdat dit de meest in het oog springende eigenschap van een gebouw is. Of er 2 of meer voordeuren in een gebouw zitten is niet altijd direct zichtbaar maar de afbakening tussen wat tuin is en wat een akker of weide is, is vaak wel goed zichtbaar. In het algemeen is geen oppervlaktemaat te geven voor hoe groot een erf of footprint mag zijn maar uitganspunt, net als in het regionale beleid, is dat erven compact zijn. Dat betekent ook dat hoe meer wooneenheden in een gebouw zitten, hoe kleiner de bijbehorende tuinen zijn en dat sommige voorzieningen moeten worden gedeeld. Denk daarbij aan een gezamenlijke parkeerplaats of groenvoorziening.
We willen altijd dat bebouwing past in het buitengebied. Daarvoor is de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (de welstandsnota) leidend. Zeker bij een woongebouw met meer dan 2 wooneenheden willen we dit in een vorm die past bij het buitengebied, zoals (het uiterlijk van) een schuur.
Het bouwen van kleinere woningen, zeker voor de verhuur, kan een uitdaging zijn. Waar dit kansrijk is wil de gemeente het gesprek tussen de initiatiefnemer en de lokale woningcorporatie (Woonstede) faciliteren.
(doel: 3 en 5)
2.2.3 Brede inzet sloopmeters bij woonfuncties
Sloopmeters kunnen ook gebruikt worden bij ontwikkelingen rondom woningen die al bestaan. Dit noemen we de brede inzet. Het regionale beleid laat het aan de gemeenten om te kiezen of zij daar gebruik van willen maken of niet:
Brede inzet sloopmeters bij woonfunctie
Sloopmeters kunnen ook ingezet worden als compensatie voor andere mogelijkheden bij woonfuncties. Dit noemen we bredere inzet sloopmeters. Regionaal hebben we afspraken gemaakt over de werkwijze en/of de maximale benutting. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om wel of geen gebruik te maken van deze mogelijkheden. Hiervoor kunnen gemeentelijke voorwaarden gelden, bijvoorbeeld milieuvereisten of landschappelijke aanvaardbaarheid.
Wonen 6: Brede inzet sloopmeters
De gemeente blijft gebruik maken van de mogelijkheden voor brede inzet bij zowel bestaande woonfuncties als bij nieuwe woonfuncties. Aanvullend stelt de gemeente een systematiek op voor het buitenplans splitsen van woningen en woongebouwen.
De gemeente blijft gebruik maken van de mogelijkheden voor brede inzet bij zowel bestaande woonfuncties als bij nieuwe woonfuncties. Aanvullend stelt de gemeente een systematiek op voor het buitenplans splitsen van woningen en woongebouwen.
Omzetten woning naar woongebouw of toevoegen woonrecht in woongebouw
Sloopmeters
1extra woonrecht
300m2 sloopmeters
Blijft omdat in de bestaande situatie in het omgevingsplan is voorzien in een regeling met sloopmeters. Die regels kunnen gebruikt worden voor het vergroten van de inhoud van een woning, of het toestaan van meer bijgebouwen.
8Voor de oppervlakte van bijgebouwen: artikel 23.4, onder a, voor een grotere inhoud van de woning artikel 23.5, aanhef en onder c., van het bestemmingsplan (tijdelijk omgevingsplan) ‘Buitengebied 2013’ van de gemeente Scherpenzeel.
De regeling voor het buitenplans splitsen breiden we uit. Ook voor splitsen staan regels in het omgevingsplan.
9Artikel 23.6, aanhef en onder a., Ibid.
Daarmee is het alleen mogelijk om een woning te splitsen in een woongebouw met twee woningen. Waar sprake is van hele grote woningen of woongebouwen willen we, waar dat kan, meewerken aan het splitsen in twee of meer woningen. Dit geldt alleen voor normale woningen. Niet voor bedrijfswoningen.
(doel: 3 en 5)
2.3 Bedrijf
2.3.1 Waar is bedrijf een geschikte functie?
Over de ruimtelijke afwegingen voor bedrijf schrijft het regionale beleid:
Gemeentelijke uitwerking:
Ruimtelijke afweging:
We nodigen gemeenten uit om op basis van de gebiedskenmerken en de ontwikkelrichting van de landschappen een uitwerking te maken. Om hiermee sturing te geven waar bedrijven/werkfuncties wel en niet passen.
Ruimtelijk kunnen gebieden kwetsbaar zijn voor het toevoegen van werkfuncties. Bijvoorbeeld omdat sprake is van een kwetsbaar gebied, gebieden waar de functie te veel belemmeringen aan de omgeving oplegt aan bestaande functies of waarbij de locatie niet goed ontsloten is door infrastructuur. Het is denkbaar om deze gebieden inzichtelijk te maken. In deze gebieden kan de gemeente dan ook terughoudend omgaan met het honoreren van initiatieven.
Een ander uitgangspunt is dat er geen verslechtering van de milieukundige situatie mag zijn. Bijvoorbeeld door ‘rustige’ delen van het landelijk gebied, op het gebied van milieu en hinder, ook rustig te houden. In gemengde delen van het landelijk gebied, bijvoorbeeld bij drukke wegen of clusters van bebouwing met bedrijfsfuncties, lijkt meer mogelijk.
Vanuit het werken aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied is het daarnaast belangrijk om gebieden/zones aan te wijzen waar voor werkfuncties een maximale oppervlakte (m2) wordt toegestaan.
Bedrijven 1: Kleine, geschikte bedrijven tot 500m² zijn altijd mogelijk, mits er geen nadelige effecten op de omgeving zijn
In het belang van de initiatiefnemer is een passend bedrijf tot 500m² op het eigen erf altijd mogelijk als er geen nadelige effecten op de omgeving zijn.
Met een passend bedrijf bedoelen we een bedrijf dat een plek heeft in het buitengebied.
Het liefst zijn dit bedrijven die gerelateerd zijn aan (agrarische) activiteiten. Bedrijven die een recreatieve functie hebben komen in paragraaf 2.3 aan bod.
Het oude functieveranderingsbeleid (uit 2016) maakte nog een onderscheid in bedrijfstypen:
•Gebiedspassende bedrijven;
•Gebiedsgebonden bedrijven;
•Autonome ontwikkelingen bij bedrijven; en
•Bedrijven die niet in één van bovenstaande groepen horen.
10Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016:VAB_RFV_beleid_Regio_FoodValley_functieveranderingsbeleid_2016.pdf
Wij zoeken aansluiting bij deze systematiek voor de uitleg van het begrip passend bedrijf. De uitleg is niet-limitatief. Dat betekent dat een ander soort bedrijf ook altijd bespreekbaar is. Dan ligt de bewijslast dat het bedrijf wel in het buitengebied past bij de initiatiefnemer. Daartoe vragen we onder meer naar een ladderonderbouwing.
We sluiten letterlijk aan bij de tekst uit het oude beleid zodat de uitleg die over de jaren in de praktijk is ontstaan, mee kan naar de toekomst
Passende bedrijven zijn volgens het oude beleid in ieder geval de volgende:
•“Gebiedsgebonden bedrijven zijn bedrijven die vanuit de aard van hun bedrijfsvoering in principe geplaatst kunnen worden in (bepaalde delen van) het buitengebied, dan wel die vanouds aan het buitengebied gerelateerd kunnen worden. Deze bedrijven hebben naar hun aard een zekere relatie met het buitengebied. Hier worden ook de agrarisch verwante bedrijven (landelijke bedrijven) onder verstaan. Het kan bijvoorbeeld gaan om:
° loonwerkbedrijven;
° veevoederbedrijven; en
° landbouwmechanisatiebedrijven.
•Gebiedspassende bedrijven zijn kleinschalige bedrijven die in beginsel thuis horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in de (delen van) het buitengebied. Het kan bijvoorbeeld gaan om:
° aannemersbedrijven;
° constructiebedrijven;
° aan agrarische functie verwante bedrijven zoals:
•︎ paardenpensions;
•︎ hoveniers;
° ambachtelijke bedrijven zoals:
•︎ dakdekker;
•︎ rietdekker;
•︎ schildersbedrijf;
•︎ meubelmaker; of
° zakelijke dienstverlening zoals een adviesbureau.”
Daaraan voegen wij alle bedrijven en soorten bedrijven toe die nu al, op grond van het omgevingsplan, in het buitengebied aanwezig zijn. Daarbovenop vinden we alle nevenfuncties die bij een agrarisch bedrijf zijn toegestaan als hoofdfunctie ook een passend bedrijf:
•paardenhouderijen;
•kabelmontagebedrijf;
•caravanstalling
11Artikel 3.1, aanhef en onder e., g. en l., van het bestemmingsplan (tijdelijk omgevingsplan) ‘Buitengebied 2013’ van de gemeente Scherpenzeel.
;
•grondverzetbedrijf;
•loonwerkbedrijf
12Vanaf 9: Artikel 6.1, aanhef en onder c. en d., Ibid.
;
•verkoop van streekgebonden producten;
•kinderopvang, educatie, kunstuitstalling en zorgfuncties; en
•agrarisch verwante bedrijven zoals: agrarische hulpbedrijven, loon- en veehandelsbedrijven, vis- en wormkwekerijen, bijenhouderijen en dierenpensions
13Vanaf 10: Artikel 3.6.1, onder a., b. en f., Ibid.
;
Deze bedrijven zijn ongeacht de locatie tot een grootte van 500 m2 kansrijk.
Buiten het eigen erf is het verschuiven van bouwmogelijkheden bespreekbaar.
(doelen 1, 2, 3, 4, 5 en 6)
Bedrijf 2: Zware bedrijvigheid op de bedrijventerreinen
Grote bedrijven en bedrijven met veel negatieve effecten op de omgeving staan we niet toe in het buitengebied.
We vinden het belangrijk dat het landelijk gebied zijn karakter behoud. Daarom staan we grote bedrijven van boven de 1.000 m2 niet toe in het buitengebied. Bedrijven die zoveel ruimte nodig hebben horen thuis op een bedrijventerrein.
Sommige bedrijven hebben ook te veel effecten op de omgeving. Dat kan vanwege milieuaspecten zo zijn of vanuit het oogpunt van verkeer. Het overgrote deel van de infrastructuur in het buitengebied is niet bedoeld voor veel vrachtverkeer.
Een harde grens van deze eis is niet op voorhand te geven. Als vuistregel kan worden gehanteerd:
•niet boven milieucategorie 3.2 waarbij de grootste richtafstand tot een beschermde functie 100 meter of meer is.
(doelen 1, 3, 4 en 5)
Bedrijf 3: Bedrijven tot 1.000 m2 onder voorwaarden langs de provinciale Wegen
Voor bedrijven tussen de 500 en 1.000 m2 in oppervlakte die passend zijn is, onder voorwaarden, plaats langs de provinciale wegen.
Omdat de provinciale wegen zelf al hinder veroorzaken op het gebied van geluid en fijnstof zijn wat grotere bedrijven in deze zone meer kansrijk.
Daar komt bij dat deze wegen meer verkeer kunnen verwerken.
Een harde grens van wat kan worden toegestaan is op voorhand niet te geven. Als vuistregels kan worden gehanteerd:
•niet boven milieucategorie 3.2, waarbij de grootste richtafstand tot een beschermde functie 100 meter is of meer; en
•als er sprake is van een in/uitrit op de provinciale weg, niet meer dan één.
Ook bij bedrijven is het bespreekbaar om het bouwperceel te verschuiven.
Figuur 7: Zonering kansrijke en minder kansrijke gebieden voor grotere bedrijven
(doelen 1, 3, 4, 5 en 6)
2.3.2 Hoe ziet een functieverandering naar bedrijf er uit?
De voormalige agrarische bedrijfswoning blijft altijd als bedrijfswoning verbonden aan het nieuwe bedrijf.
Bedrijf 4: Bedrijfswoningen bij bedrijven
Bij een agrarisch bedrijf is in de regel een agrarische bedrijfswoning aanwezig.
We willen voorkomen dat deze omgezet wordt in een normale woning met een bedrijf ernaast. Dat doen we omdat we niet willen dat zo’n woning te veel hinder ondervindt en zodat diegene die de bedrijfswoning bewoont toezicht kan houden op het bedrijf.
(doelen 1, 3, 4 en 5)
Bedrijf 5: Geen buitenopslag bij bedrijven
Over buitenopslag bij bedrijven schrijft het regionale beleid het volgende:
Buitenopslag
In principe staan we bij een functieverandering naar Werken geen buitenopslag toe. Toch kan een gemeente ervoor kiezen om buitenopslag mogelijk te maken bij bedrijfsfuncties. Hiervoor kan de gemeente voorwaarden stellen zoals het aantonen van de noodzakelijkheid, de landschappelijke aanvaardbaarheid en de omvang van de buitenopslag. Regionaal is afgesproken dat dit een gemeentelijke keuze is en dat buitenopslag mogelijk is met de inzet van sloopmeters. Hiervoor geldt de inzet van 2 m2 sloopmeters voor 1 m2 buitenopslag.
Het is niet mogelijk om met sloopmeters buitenopslag bij een bedrijf mogelijk te maken. Buitenopslag is in principe niet toegestaan.
Buitenopslag is vanwege de openheid van het buitengebied te goed zichtbaar. In principe werken we daar dus niet aan mee.
Met buitenopslag bedoelen we de opslag van materialen en spullen voor langere tijd met een min of meer permanent karakter. De opslag van trucks/trekkers/trailers/kiepwagens/machines en ander verrijdbaar materiaal ten behoeve van het eigen bedrijf is toegestaan.
(doel 4)
2.3.3 Brede inzet sloopmeters bij bedrijfsfuncties
Over brede inzet van sloopmeters bij bedrijfsfuncties schrijft het regionale beleid het volgende:
Bredere inzet sloopmeters bij werkfuncties
Naast de mogelijkheden voor nieuwe werkfuncties kunnen sloopmeters ook worden ingezet als compensatie voor andere mogelijkheden bij werkfuncties. Dit noemen we brede inzet sloopmeters. Regionaal hebben we hierover afspraken gemaakt. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om wel of geen gebruik te maken van deze mogelijkheden.
De bredere inzet sloopmeters is mogelijk voor:
1) Uitbreiding van één van de bestaande werkfuncties;
2) Grotere inhoud (m3) van de bedrijfswoning dan regulier is toegestaan.
Bedrijf 6: Vergroten bedrijfsfuncties tot 500 m2
Anders dan tot 500 m2 werken we in principe niet mee aan de uitbreiding van bedrijfsfuncties.
Zoals onder 2.2.1., nummer 1. al beschreven vindt de gemeente passende bedrijven tot 500 m2 een geschikte functie bij een functieverandering. Bestaande bedrijven mogen dan ook tot die grootte uitbreiden. Omdat het gaat om bestaande bedrijven is het niet relevant wat voor bedrijf het is.
(doelen 1, 3, 4, 5 en 6)
Bedrijf 7: Grotere inhoud van de bedrijfswoning
Bedrijfswoningen mogen vergroot worden tot 1.000 m3 conform de regels uit het omgevingsplan.
Net als voor het uitbreiden van woningen is voor het uitbreiden van bedrijfswoningen een regeling opgenomen in het omgevingsplan. Het is niet nodig die verder (buitenplans) uit te breiden.
14Artikel 6.3, aanhef en onder e., Ibid.
Het splitsen van bedrijfswoningen in woongebouwen is niet wenselijk.
(doelen 4 en 6)
Bedrijf 8: Toepassen sloopmetersystematiek op niet-agrarische bedrijven
Als een ander bedrijf dan een agrarisch bedrijf zich wil verplaatsen, naar bijvoorbeeld een bedrijventerrein willen we dat ondersteunen. Dat kan door sloopmeters toe te kennen voor gesloopte bebouwing. Deze sloopmeters zijn dan alleen te gebruiken binnen Scherpenzeel. Het regionale beleid nodigt hier ook toe uit:
Gemeentelijke uitwerking:
Met het opstellen van het gezamenlijke afwegingskader functieveranderingsbeleid is een werkwijze c.q. systematiek ontwikkeld voor veranderende agrarische functies. Deze werkwijze kan binnen de eigen gemeente ook op andere functies toegepast worden, bijvoorbeeld voor niet-agrarische bedrijvigheid en recreatie.
Wanneer een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied stopt, om zich bijvoorbeeld te verplaatsen naar een bedrijventerrein, kennen we sloopmeters toe. Die sloopmeters kunnen binnen Scherpenzeel worden ingezet.
Hiermee willen we bedrijven die te groot zijn geworden voor het buitengebied een steuntje in de rug geven. Deze bebouwing zal dan verdwijnen en er worden sloopmeters afgeroomd, waardoor de kwaliteit in het buitengebied verbeterd.
(doelen 3, 4 en 5)
2.4 Recreatie
2.4.1 Waar is recreatie een geschikte functie?
Het regionale beleid maakt geen onderscheid tussen bedrijf en recreatie. Daarom is hier de tekst voor ‘werken’ herhaald:
Gemeentelijke uitwerking:
Ruimtelijke afweging:
We nodigen gemeenten uit om op basis van de gebiedskenmerken en de ontwikkelrichting van de landschappen een uitwerking te maken. Om hiermee sturing te geven waar bedrijven/werkfuncties wel en niet passen.
Ruimtelijk kunnen gebieden kwetsbaar zijn voor het toevoegen van werkfuncties. Bijvoorbeeld omdat sprake is van een kwetsbaar gebied, gebieden waar de functie te veel belemmeringen aan de omgeving oplegt aan bestaande functies of waarbij de locatie niet goed ontsloten is door infrastructuur. Het is denkbaar om deze gebieden inzichtelijk te maken. In deze gebieden kan de gemeente dan ook terughoudend omgaan met het honoreren van initiatieven.
Een ander uitgangspunt is dat er geen verslechtering van de milieukundige situatie mag zijn. Bijvoorbeeld door ‘rustige’ delen van het landelijk gebied, op het gebied van milieu en hinder, ook rustig te houden. In gemengde delen van het landelijk gebied, bijvoorbeeld bij drukke wegen of clusters van bebouwing met bedrijfsfuncties, lijkt meer mogelijk.
Vanuit het werken aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied is het daarnaast belangrijk om gebieden/zones aan te wijzen waar voor werkfuncties een maximale oppervlakte (m2) wordt toegestaan.
Recreatie 1: Kleinschalige recreatie tot 500m² aan binnen- en buitenruimte (exclusief parkeerplaatsen) is altijd mogelijk, mits er geen nadelige effecten op de omgeving zijn
In het belang van de initiatiefnemer is een passende recreatieve functie tot 500m² aan binnen- en buitenruimte (exclusief parkeerplaatsen) op het eigen erf altijd mogelijk als er geen nadelige effecten op de omgeving zijn.
Met een passende recreatieve functie bedoelen we een recreatief bedrijf dat een plek heeft in het buitengebied. Hieronder is een niet-limitatieve lijst van passende recreatieve functies opgenomen:
•scoutingactiviteiten;
•dagrecreatieve doeleinden zoals:
° speelvelden;
° ligweides;
° picknickplaatsen; en
° speelvoorzieningen
15Artikel 14.1, aanhef en onder a., b. en c., Ibid.
; zoals boerengolf.
•recreatief nachtverblijf voor niet meer dan 15 personen (zie voor 15 3.6.1, onder e, onder 3.) in de vorm van:
° recreatiewoningen; en
° kampeermiddelen, zoals tenten, campers en caravans;
16Artikel 16.1, Recreatiewoningen tevens Artikel 17.1, Ibid.
en
•de volgende horecavoorzieningen, uitsluitend geopend tijdens de dag periode
17Artikel 3.6.1, onder h., Ibid.
, die ook als kleinschalige en ondergeschikte horecavoorzieningen bij de hierboven benoemde recreatieve bedrijven zijn toegestaan:
° een theetuin;
° automatiek;
° broodjeszaak;
° croissanterie;
° koffiebar; en
° lunchroom.
Deze bedrijven zijn ongeacht de locatie, op eigen erf, tot een grootte van 500 m2 kansrijk.
Bovenstaande zegt iets over de oppervlakte van de gebouwen. Omdat bij recreatie vaak ook buitenruimte een rol speelt houden we als vuistregel aan dat de totale oppervlakte van de functie niet groter mag zijn dan die van het voormalige agrarische bedrijf.
Buiten het eigen erf is het verschuiven van bouwmogelijkheden bespreekbaar.
(doelen 1, 3, 4, 5 en 6)
Recreatie 2: Intensieve recreatie niet in het buitengebied
Intensieve recreatieve bedrijven staan we niet toe in het buitengebied.
Intensieve recreatieve bedrijven zijn bedrijven die een heel hoog bezoekersaantal hebben, openingstijden hebben die niet bij het buitengebied passen of een grote hoeveelheid lawaai produceren.
Daaronder vallen, bijvoorbeeld:
•nachtclub;
•evenemententerrein;
•voorziening voor schiet- of gemotoriseerde sporten;
•bierhuis;
•café;
•dancing;
•discotheek.
(doelen 3, 4, 5 en 6)
Recreatie 3: Recreatieve bedrijven zonder hoog bezoekersaantal tot 1.000 m2 in het kansrijke gebied
Dagrecreatieve bedrijven zonder hoog bezoekersaantal tussen de 500 en 1.000 m2 in oppervlakte zijn onder voorwaarden toegestaan in het kansrijke gebied.
Bij voorkeur zien we recreatieve bedrijven in de buurt van de bosrijke gebieden. Die zijn hieronder op de kaart aangeduid als kansrijk gebied (voor niet bezoekers intensieve recreatieve bedrijven). Daarom geven we in dit gebied in principe meer ruimte voor bebouwing, tot 1.000 m2.
Bovenstaande zegt iets over de oppervlakte van de gebouwen. Omdat bij recreatie vaak ook buitenruimte een rol speelt houden we als vuistregel aan dat de totale oppervlakte van de functie niet groter mag zijn dan die van het voormalige agrarische bedrijf.
Ook hier is het bespreekbaar om bouwmogelijkheden te schuiven.
Figuur 8: Zonering kansrijke en minder kansrijke gebieden voor recreatieve bedrijven met meer dan 500 m2 aan bebouwing die niet bezoekersintensief zijn. Daarnaast voorkeurszones voor recreatieve bedrijven.
(doelen 1, 3, 4 en 6)
Recreatie 4: Recreatieve bedrijven met een hoog bezoekersaantal tot 1.000 m2 onder in het kansrijke gebied
Dagrecreatieve bedrijven met een hoog bezoekersaantal tussen de 500 en 1.000 m2 in oppervlakte zijn onder voorwaarden toegestaan langs de provinciale wegen (kansrijke gebied).
Omdat de provinciale wegen zelf al hinder veroorzaken op het gebied van geluid en fijnstof zijn wat grotere dagrecreatieve bedrijven met een hoog bezoekersaantal in deze zone meer kansrijk.
Daar komt bij dat deze wegen meer verkeer kunnen verwerken.
Met deze bedrijven bedoelen we, niet limitatief:
•escaperooms;
•rijhallen
18Artikel 15.1, aanhef en onder a., Ibid.
;
•paintball;
•padel en andere balsporten; en
•andere dagrecreatieve bedrijven en voorzieningen die een grote verkeersaantrekkende werking of behoefte aan parkeervoorzieningen hebben.
Een harde grens van wat kan worden toegestaan is op voorhand niet te geven. Als vuistregel kan worden gehanteerd:
•als er sprake is van een in/uitrit op de provinciale weg, niet meer dan één.
Ook hier is het bespreekbaar om bouwmogelijkheden te schuiven.
(doelen 1, 3, 4 en 6)
Figuur 8: Zonering kansrijke en minder kansrijke gebieden voor bezoekersintensieve recreatie
3. Verantwoording en onderbouwing
3.1 Beleidsanalyse
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
In de Nationale Omgevingsvisie komt ook het onderwerp vrijkomende agrarisch bebouwing aan bod. Deze kan “omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer.” Hierbij moet een gezond en goed functionerend bodem-watersysteem het uitgangspunt zijn. Dat hangt samen met het benutten van mogelijkheden voor verduurzaming en vergroening.
Om kwalitatief, duurzaam groen te stimuleren geeft deze lokale uitwerking handvatten voor de landschappelijke inpassing.
De Omgevingsvisie vraagt ook aandacht voor de infrastructuur en de investeringen die op enig moment nodig zijn. De belastbaarheid van de bestaande infrastructuur is ook meegenomen in deze lokale uitwerking.
3.1.2 Relatie Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De provincie heeft een voorkeur voor clustering van bebouwing in combinatie met een open landschap tegenover versnippering. Doordat de agrarische bedrijven versnipperd zijn in het buitengebied is het op gemeenteniveau lastig te realiseren. Op perceelsniveau wordt wel aandacht besteed aan clustering van bebouwing. Zo blijft het landschap open.
Daarnaast wil provincie Gelderland 2050 klimaatbestendig zijn. “We zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar”. Ook is voor de provincie verduurzaming belangrijk.
Omdat functieveranderingen in het buitengebied spelen is niet snel sprake van wateroverlast of hittestress. Hoe dan ook neemt bij een functieverandering in de systematiek van de regio de bebouwing en de (mogelijkheden voor) verharding af.
In de regel wordt ook oude bebouwing vervangen door nieuwe. Nieuwe gebouwen moeten energiezuiniger zijn.
3.1.3 Relatie Omgevingsverordening Gelderland
Het belangrijkste uit de Omgevingsverordening voor dit beleidsstuk zijn de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. Scherpenzeel valt in het gebied van de Gelderse Vallei. Hierbij worden de volgende relevante aspecten meegegeven:
De regionale waterhuishouding wordt als basis gebruik waardoor zoveel mogelijk de landschappelijke gradiënt gerespecteerd wordt.
Het open gebied worden bewaard. Het aanleggen, herstellen en beheren van groene landschapselementen, passende grondgebruiksvormen en verbetering van recreatieve toegankelijkheid wordt wel gevraagd. Overigens is in de omgevingsverordening al de regel opgenomen dat functieveranderingen zoals in het regionale systeem zijn toegestaan.
3.1.4 Relatie Regionaal perspectief landelijk gebied (RPLG)
Het RPLG biedt voor de lange termijn een perspectief op een gezonde en duurzame leefomgeving voor iedereen en herstel van de verbinding tussen stad en platteland.
Over toerisme en recreatie wordt in het beleidsstuk gezegd dat zowel de Utrechtse Heuvelrug als de Veluwe nu al (te) drukbezochte gebieden zijn. We willen daarom delen van de regio recreatief en toeristisch ontwikkelen en 2000 ha uitloopgebied realiseren in de regio. Bijvoorbeeld rond de grote natuurgebieden en in de buurt van dorpen en steden.
Ook over de natuur staat er veel in het RPLG. De uitvoering hierbij ligt vaak bij de gemeente. In het RPLG wordt aangegeven dat de gemeente verantwoordelijk is voor o.a. de volgende dingen:
•Voorwaarden stellen m.b.t. landschappelijke inpassing en biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen;
•Bij ruimtelijke ontwikkelingen (wonen, werken, mobiliteit) zoveel mogelijk biodiversiteit/groen behouden en toevoegen in het projectgebied;
•Verbinden groenstructuren binnen-buiten bebouwde kom; en
•Klimaatbestendige inheemse en diverse flora inzetten.
Deze principes zijn verankerd in zowel het regionale als het lokale beleid. Door voor te schrijven welke flora wordt toegepast bij de landschappelijke inpassing dragen wij bij aan de doelen. Er is met dit beleidsstuk relatief veel ruimte voor recreatieve functies. Deze kunnen bijdragen aan het laten afnemen van de druk op de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe.
3.1.5 Relatie Omgevingsvisie Scherpenzeel
In de gebiedsbeschrijving van Scherpenzeel Noord en Zuid staat dat de biodiversiteit versterkt wordt. Ook streven we een scherpe ambitie na ten aanzien van groen en water. De locaties voor wonen, recreatie en bedrijven in het buitengebied zijn ruimtelijk niet specifiek aangegeven. Wel wordt benadrukt dat het behoud van het landschappelijke karakter belangrijk is.
Op het gebied van milieu zoeken we een balans tussen veilige en gezonde leefomgeving voor bewoners en ruimte voor economische ontwikkeling. Dat betekent ook dat er voldoende afstand moet zijn tussen schadelijke bronnen (zoals drukke verkeerswegen en veehouderijen) en gevoelige bestemmingen zoals woningen.
De lokale uitwerking is dus een nadere uitwerking van de omgevingsvisie.
3.1.6 Relatie Toekomstvisie
In de huidige toekomstvisie staat dat de agrarische sector in transitie is, maar voor Scherpenzeel belangrijk blijft. De transitie gaat vooral over de balans tussen een productieve en rendabele agrarische sector, duurzaamheid én omgevingskwaliteit.
De agrarische sector kan ook de toeristische versterken door kleinschalige voorzieningen (camping, evenementenlocatie, theehuis, kaaswinkel) en door medegebruik van de landbouwgrond voor wandel- en fietsroutes.
Door het nieuwe functieveranderingsbeleid worden ook nevenfuncties mogelijk gemaakt. Dat is dus in lijn met de toekomstvisie.
3.1.7 Relatie Bomenstructuurplan 2016
Het bomenstructuurplan is vooral belangrijk in relatie met landschappelijke inpassing. De uitgangsprincipes voor bomen moeten zijn:
•Beschermen wat waardevol is
•Saneren wat geen toekomst heeft
•Versterken en benutten wat kansrijk is
Deze zijn vervolgens nader uitgewerkt. In het beleidsstuk wordt ook ingegaan op de factoren die belangrijk zijn om de juiste boom op de juiste plaats te krijgen.
In de bijlagen worden richtlijnen voor groeiplaatsinrichting en een basissortimentslijst met bomen die zijn aangepast aan de plaatselijke groeiomstandigheden aangegeven.
3.1.8 Relatie Motie M1 bij regionale beleid
Ten tijde van het vaststellen van het regionale beleid is ook een motie aangenomen. Hierin wordt gevraagd om de volgende aspecten te betrekken in de behandeling van functieveranderingsplannen:
•Gebouwen die aantoonbaar illegaal zijn gebouwd tellen niet mee voor het aantal sloopmeters, ondanks dat handhaafbaar optreden tegen zo’n gebouw niet realistisch is;
•Zeer terughoudend zijn met het creëren van zogenaamde nieuwe natuur, omdat deze onderhouden moet worden, verrommeling kan veroorzaken en ten koste kan gaan van ons unieke kampenlandschap;
•Sloopmeters kunnen niet gecompenseerd worden door aanleg van groen en/of natuur;
•Geen functieverandering toestaan die de uitstraling van ons unieke buitengebied te veel aantast, zoals bijvoorbeeld een concentratie van burgerbebouwing (minidorpjes) of niet passende bebouwing voor andere functies;
•Monitoren van onbalans in de uitwisseling van sloopmeters tussen gemeenten en eventueel die betrekken in de behandeling van initiatieven;
Ook moeten we onze omgevingsvisie controleren op tegengestelde belangen en kaders met betrekking tot het regionale functieveranderingsbeleid en het aanvullende lokale beleid en waar nodig aanpassingen van de omgevingsvisie voor te leggen aan de raad.
Deze aspecten zijn meegenomen in de lokale uitwerking van het functieveranderingsbeleid, met uitzondering van het eerste punt. Hiervoor volgen we het regionale beleid (Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024, regio Foodvalley, regio Amersfoort).
3.2 Participatietraject
3.2.1 Inwoners Enquête en open link
Voor dit project is gebruik gemaakt van een enquête. De enquête is verspreid onder:
•De deelnemers aan het inwonerspanel;
•En via open link:
° Opgenomen in de brief met de uitnodiging voor de inwoners- en stakeholdersbijeenkomst;
° Via de nieuwsbrief van de gemeente;
° Op de website van de gemeente;
° Via de nieuwsbrief van de ondernemersvereniging;
° Via de sociale mediakanalen van de gemeente; en
° In de krant.
De enquête stond online tussen 5 december 2024 en 12 januari 2025. In totaal hebben 333 mensen de enquête ingevuld. Dat is 3,2 % van de bevolking van Scherpenzeel.
In bijlage 4.2 ziet u de opgehaalde resultaten.
3.2.2 Inwonersavond en brief
De meest direct betrokkenen zijn uitgenodigd voor een inwoners- en stakeholdersbijeenkomst. Hiervoor is een brief verstuurd naar (bijna) alle adressen in het buitengebied. De brief bevatte ook de hiervoor genoemde open link.
De bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 7 januari 2025.
In bijlage 4.1 vindt u de resultaten van deze avond.
3.2.3 Ruimte voor aanvullende opmerkingen
In de enquête, tijdens de inwonersavond en via de brief werden mensen uitgenodigd om nog andere aanvullende opmerkingen met ons te delen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
3.2.4 Integrale afstemming
Ook met adviseurs, vergunningverleners en specialisten op het gemeentehuis en bij Omgevingsdienst de Vallei zijn er 3 sessies gehouden om input op te halen.
De eerste vergadering was op de projectentafel op 14 november 2024 waar alle beleidsdisciplines input konden meegeven. Hierdoor konden collega’s die niet direct een betrokkenheid hebben bij het beleid alsnog hun input aan ons meegeven. Ook is hier de projectgroep samengesteld.
De tweede vergadering op 02 december 2024 was met adviseurs en specialisten van onder andere Verkeer, Wonen, Recreatie, Economie en Duurzaamheid. De opzet was vergelijkbaar met de opzet van de inwonersavond. Bovendien is over de onderwerpen type woningen, soort woningen, nevenfunctie en buitenopslag besproken. De derde vergadering op 06 februari 2025 was met de collega’s uit sessie 2. Van tevoren werd de conceptversie van de Lokale uitwerking Functieverandering verstuurd. De opmerkingen hierover werden in de derde vergadering besproken en verwerkt.
3.2.5 Tweede inwonersavond en brief
De meest direct betrokkenen zijn uitgenodigd voor een inwoners- en stakeholdersbijeenkomst. Hiervoor is een brief verstuurd naar (bijna) alle adressen in het buitengebied. De brief bevatte ook een verwijzing naar de website waar het voorontwerp te vinden was. Belangrijke stakeholders zijn per mail uitgenodigd. In ieder geval iedereen die uitgenodigd was voor de eerste avond was ook uitgenodigd voor de tweede.
De bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025.
In de bijlage 4.3 is een samenvatting van de bijeenkomst.
4. Bijlagen
4.1 Verslag Inwonersavond
4.1.1 Wonen
De uitkomsten van de 3 groepen waren redelijk vergelijkbaar. Daarom wordt de conclusie gezamenlijk van alle groepen.
Woningen moeten ook op een andere locatie gebouwd mogen worden
De belangrijkste wens was dat woningen ook op een andere locatie dan de slooplocatie gebouwd (moeten) mogen worden. Als een boer die tussen heel veel andere boeren zit wil stoppen dan zou het wenselijker zijn als de woningen dan niet per se op deze locatie gebouwd moeten worden. Het is daarom wenselijk als de gemeente een gebied aanwijst waar de woningen dan wel gebouwd kunnen worden.
Woningen het liefst rond het dorp
Als voorkeurslocatie voor nieuwe woningen uit functieveranderingsplannen werd het gebied rondom de bebouwde kom aangegeven ten noorden van de N224. Dat heeft meerdere voordelen:
•Boeren worden niet beperkt in uitbreidingsplannen
Bij elk functieveranderingsplan worden onderzoeken uitgevoerd of het plan milieutechnisch uitvoerbaar is. Daarbij wordt uitgegaan van de planologische situatie. Het kan daarom gebeuren dat boeren b.v. niet meer kunnen uitbreiden buiten het bouwvlak omdat de afstanden dan te klein zijn. Hoe groter de afstand tussen woningen en agrarische bedrijven hoe beter.
•Kans op overlast van boeren minimaal
Ondanks de onderzoeken voorafgaand aan een functieveranderingsplan kan het voorkomen dat de nieuwe buren stankoverlast hebben als de wind verkeerd staat. Dat kan in het ergste geval tot burenruzie lijden.
•Goede verkeersontsluiting belangrijk
Gezien de discussie rondom de bereikbaarheid in Zuid (Nieuwe Koepel), werd meegegeven dat we in het buitengebied in het Noorden van Scherpenzeel moeten opletten dat we niet dezelfde situatie krijgen. Een goede verkeersafwikkeling is daarom belangrijk.
•Voorzieningen zijn dichtbij
Er werd aangegeven dat jonge gezinnen liever dicht bij de voorzieningen wonen. Als de woningen aan de noordkant van het dorp gebouwd worden dan zijn de afstanden minimaal.
Woningsplitsing en kleine groepen woningen wenselijk
Versnippering van woningen kan om de bovenstaande redenen beperkend zijn voor agrariërs. Als er een boer stopt die geen andere boeren om zich heen heeft, dan zijn wel meerdere woningen denkbaar. Hiervoor is wenselijk dat de woningen een landelijke uitstraling hebben. Als mooie voorbeeldprojecten werd de Vlieterweg 151 en een project in Elst genoemd. Hierbij gaat het om rijtjeswoningen die er gezamenlijk uitzien als een landelijke schuur. Daar is het voordeel dat een erf dan compact blijft en het landschap nog steeds open is. Dat is anders dan bij losse vrijstaande woningen. Deze hebben vaak grote percelen waardoor het buitengebied ‘opgesnoept’ wordt. Ook woningsplitsing van bestaande woningen is wenselijk omdat deze vaak veel te groot zijn voor de meeste gezinnen.
4.1.2 Bedrijf
Ook voor dit onderwerp zijn de uitkomsten van alle drie groepen gebundeld.
Kleinschalige, lokale bedrijven met een lage milieucategorie zijn gewenst
De participanten waren het eens over het type bedrijf wat in het buitengebied moest komen. Daarbij waren de volgende factoren belangrijk:
•De weg moet geschikt zijn voor de verkeersbewegingen
Een belangrijk aspect is dat de wegen geschikt moeten zijn. De wegen in het buitengebied zijn bijvoorbeeld niet geschikt voor transportbedrijven. Zulke bedrijven kunnen beter langs de provinciale wegen gevestigd worden. Daarom zijn vooral kleinschalige bedrijven gewenst. Het aantal verkeersbewegingen mag niet toenemen. Dus ook de impact op de omgeving moet gemonitord worden.
•Een binding met het dorp is wenselijk
De wens gaat uit naar lokale ondernemers die een binding hebben met Scherpenzeel.
•Bedrijven moeten een lage milieucategorie hebben
Zware industrie is niet wenselijk. De voorkeur gaat uit naar kleinschalige ambachtsbedrijven. Als voorbeeld werden timmerbedrijven genoemd.
•Goede landschappelijke inpassing is belangrijk
Enerzijds ging het hierbij om de architectuur van het gebouw die esthetisch verantwoord moet zijn. Anderzijds moet het bedrijf zich goed in het landschap invoegen, zodat het open landschap intact blijft.
Bestaande agrarische bedrijven mogen niet gehinderd worden
Het wel belangrijkste onder de aanwezigen was dat de bestaande agrarische bedrijven niet gehinderd mogen worden. Ook uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven moeten mogelijk zijn. Aangezien woningen gevoeliger zijn voor naburige agrarische bedrijven gaat de voorkeur uit naar bedrijven. Om het probleem te voorkomen is er een wens om flexibel om te gaan met het bouwblok. Een uitruil binnen de regio of het verplaatsen van het bouwblok op het perceel zou daar een optie kunnen zijn.
4.1.3 Recreatie
Ook al leken functieveranderingen naar wonen of bedrijven een beter verdienmodel te zijn, waren de participanten grote voorstander van een beleefbaar buitengebied. Hierbij werd al op detailniveau gesproken welke soort recreatie wenselijk is.
Alleen kleinschalige overnachtingsmogelijkheden
Door park Ruwinkel is er al een grootschalige overnachtingsmogelijkheid. Toekomstige overnachtingsmogelijkheden moeten daarom vooral kleinschalig zijn. Als voorbeeld werd een boerencamping en trekkershut/ tiny houses genoemd. Laatste kan een onderdeel van het verdienmodel van het landgoed zijn. Hierdoor kan het landgoed en de wegen in stand gehouden worden. Andere overnachtingsmogelijkheden passen beter in het dorp omdat daar de voorzieningen zijn. Hier werd als voorbeeld een Bed & Breakfast genoemd.
Geen recreatie met grote verkeersaantrekkende werking
Om het buitengebied rustig te houden, is dagrecreatie waar veel mensen op af komen niet gewenst. Ook is er geen behoefde voor vergaderlocaties of bezoekerscentrum. Wat wel passend geacht wordt is laagdrempelige horeca zoals een theehuis. Ook dagbesteding of dagopvang voor ouderen zou gewaardeerd worden.
Wandel- en rustgebied aanwijzen
Een belangrijke wens was het om de rust in het buitengebied te houden. Daarom moeten er gebieden aangewezen worden waar wandelroutes lopen. De voorkeur hebben de gebieden bij het bos, de schietbaan en de Grebbelinie.
Ook is er behoefde aan mountainbikeroutes. Hierbij is belangrijk dat de routes gepland worden voordat ze er spontaan ontstaan.
4.3 Verslag tweede inwonersbijeenkomst
4.3.1 Algemeen
De aanwezigen maakten een compliment ervoor dat de input van de eerste inwonersavond goed is meegenomen in het conceptstuk.
Inhoudelijk was een grote meerderheid (14 personen) voor het gebruik van zones op de kaart. De andere optie was dat in tekstvorm beschreven wordt waar welke functie kansrijk is.
Ook werd aangegeven dat de term “achtervang” niet duidelijk is.
In de mentimeter vroegen we ook wat de belangrijkste zorgen en kansen bij deze plannen zijn. Hieronder zijn een aantal opmerkingen per categorie weergegeven:
Natuur
•Er moet aandacht zijn voor de natuur/ milieu
•Verrommeling/ versnippering van het platteland
•Een zorg is dat het mooie landschap verdwijnt, waardoor het een wens is om zoveel mogelijk groen te behouden rondom Scherpenzeel
•Er werd de zorg genoemd dat de natuur achteruitgaat (“Moestuinen worden golfbanen”)
•Ontstening is belangrijk
•Groen, weides en grasland zijn belangrijk voor de opname van stikstof
•Aan de andere kant is er ook een persoon die als zorg aangeeft dat alles natuur wordt
Wonen
•Er moet geen villawijk komen
•Deze plannen bieden de kans voor meer diverse type woningen
Economisch
•Deze plannen bieden perspectief
•Toekomstbestendig werd als zorg en als kans genoemd
•Door deze plannen hoeven agrarische bedrijven niet bang te zijn voor belemmeringen
•Een zorg is dat er bedrijfsgebouwen in het buitengebied komen, want deze horen op een bedrijventerrein. De wens is daarom om een regeling te maken die stoppende agrarische ondernemers de mogelijkheid geeft om op een bedrijventerrein te bouwen
•Een persoon maakt zich ook zorgen dat er niet agrarische bedrijven en grote recreatieve functies/ horeca in het buitengebied komst
Algemeen
•Deze plannen bieden de kans voor maatwerk
•Goede regelgeving biedt de mogelijkheid om de kwaliteit en leefbaarheid van het buitengebied te verbeteren/ behouden
•Een zorg is de toename van verkeersbewegingen en tegenstrijdige belangen
•Er is wel de zorg dat er te veel regels komen
4.3.2 Wonen
Bij de mentimeter waren 13 personen ervoor dat de afstand tussen de boerderij en de woning gemeten wordt van het functievlak tot het functievlak. De resterende 5 mensen waren ervoor dat de afstand tussen de gebouwen gemeten wordt. De afstand tussen de functie wonen en de functie agrarisch moet volgens 9 mensen 75m zijn. Vier mensen zijn voor een afstand van 100m en 5 mensen voor een afstand van 150m. Dat betekent dat 50% een grotere afstand dan 75m wil hebben. Verder werd nog de opmerking gemaakt dat het jammer is dat de mogelijkheden van stoppende agrariërs die in de buurt van andere bedrijven liggen relatief beperkt zijn.
De soort woningen die in het buitengebied gewenst zijn is heel breed. Acht mensen zijn voor veel woningen onder 1 kap. Aan de ene kant, werd wel opgemerkt dat 1.000m³ voor 5 woningen heel weinig is. Aan de andere kant, wouden ook 7 mensen vooral kleine woningen in het buitengebied. Betaalbare woningen waren van 6 mensen gewenst.
Daarnaast kregen we nog de opmerking dat onduidelijk is of de tabel onder Wonen 5 alleen in de kansrijke gebieden geldt of voor het hele buitengebied.
Ook werd aangegeven dat het erg lastig is om bebouwing dicht bij het dorp te stimuleren want in het noordelijke en in het zuidelijke kansrijke gebied zit bijna geen agrarisch bedrijf.
4.3.3 Bedrijf
De grote meerderheid stemde tegen bedrijfsverzamelgebouwen (12). Maar 3 mensen gaven aan dat bedrijfsverzamelgebouwen wenselijk zijn. Drie mensen gaven aan dat bedrijfsverzamelgebouwen “alleen onder voorwaarden” wenselijk zijn. De voorwaarden zouden vooral moeten gaan over het soort bedrijf wat er komt, de grootte en aantal van de bedrijven en de effecten op de verkeersbewegingen.
4.3.4 Recreatie
De discussie bij recreatie ging vooral over de mogelijkheid dat er overal 500m² aan bebouwing mag komen. Er kwam de vraag op of dit niet te veel lawaai en verkeersbewegingen oplevert. Sommige aanwezigen stelden dat 500m² niet kleinschalig is. De aanwezigen waren het wel eens met het feit dat de soort recreatie met de bezoekersaantallen belangrijker zijn dan de gebouwoppervlakte. Vandaar werd de idee geuit om een onderscheid te maken tussen binnen- en buitenruimte. Voor de economische haalbaarheid is het ook belangrijk dat deze niet te klein zijn.