Aanhef
Wareco is het Nederlandse ingenieursbureau op het gebied van water, bodem en funderingen. Onze kracht is de integratie en combinatie van de specialisaties. We doen onderzoek en geven advies. We maken plannen en begeleiden de uitvoering. Enthousiast, persoonlijk en innovatief. Al 35 jaar leveren we maatwerk, met als resultaat hoge kwaliteit en duurzame, kostenbesparende oplossingen.
Vanuit haar vestigingen in Deventer en Amstelveen bedient Wareco met circa 60 professionals overheden, bedrijfsleven en particulieren.
Wareco beschikt over een ISO 9001 gecertificeerd kwaliteitssysteem en een ISO 14001 gecertificeerd milieumanagementsysteem. Daarin worden de kwaliteit van onze adviseurs, de producten die we leveren en het adviesproces duurzaam geborgd.
3. GRONDWATERBELEID
3.4. Strategie maatregelen
3.4.1 Mogelijke maatregelen tegen grondwateroverlast
Om grondwateroverlast tegen te gaan worden de volgende type maatregelen onderscheiden:
1ophogen van het maaiveld;
2aanleggen van extra oppervlaktewater;
3bouwtechnische maatregelen;
4treffen van grondwater technische maatregelen.
Ad 1. Ophogen van het maaiveld
Bij nieuwbouw en binnenstedelijke renovatieprojecten kan het betreffende terrein worden opgehoogd. Hierdoor neemt de ontwatering toe en vermindert de kans op grondwateroverlast.
Ad 2. Het aanleggen van extra oppervlaktewater
Door het aanleggen van nieuwe waterlopen of vijvers verbeteren de afwaterings- en ontwateringsmogelijkheden in een wijk. Daarnaast nemen hierdoor de mogelijkheden voor afkoppelen toe. Ook kan open water worden gebruikt voor bluswater.
Ad 3. Bouwtechnische maatregelen
Indien de woningen voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit zal een geringe ontwateringsdiepte niet leiden tot vochtoverlast in het pand. De meest voorkomende bouwtechnische maatregelen zijn:
§ het dampdicht maken van de begane grond vloer;
§ het injecteren van bouwmuren om optrekkend vocht tegen te gaan;
§ het isoleren van de kruipruimtebodem, bijvoorbeeld met schelpen.
Ad 4. Treffen van grondwater technische maatregelen
Om de ontwatering in bestaand stedelijk gebied te verbeteren, kunnen in het openbaar gebied grondwater technische maatregelen worden uitgevoerd. Gedacht kan worden aan drainagesystemen (horizontale, verticale), gecombineerde drainage infiltratiesystemen, grindpalen, grondverbetering, et cetera.
Ook kan gedacht worden aan het wijzigen van (regionale) grondwateronttrekkingen, zoals van Vitens. Of aan een peilverlaging in het oppervlaktewater, hierdoor wordt de drainagebasis verlaagd. De watergang voert dan meer grondwater af. Daarnaast is het oppervlaktewaterpeil vaak bepalend voor het laagst haalbare ontwateringsniveau van drains. Door een peilverlaging kunnen drains in de wijken op een lager niveau ontwateren.
Bij renovatie- en herstelprojecten dienen panden conform het Bouwbesluit water- dicht gemaakt te worden. Nadat bouwtechnische maatregelen zijn uitgevoerd kan de grondwaterstand natuurlijker gaan fluctueren zonder dat dit tot wateroverlast in de panden hoeft te leiden. Dit zijn over het algemeen duurzame maatregelen. Veelal zijn, aanvullend ten opzichte van maatregelen in de openbare ruimte, bouwtechnische maatregelen nodig bij panden die lager liggen dan de wegen. Of bij panden die zich op grote afstand van de openbare ruimte bevinden. In dergelijke situaties zijn maatregelen in het openbaar gebied vaak niet doeltreffend voor de wateroverlast bij de desbetreffende panden.
Het uitvoeren van bouwtechnische maatregelen is een taak van de eigenaar van het pand en wordt daarom in dit gemeentelijk plan niet verder behandeld.
3.4.2 Voorkeursvolgorde maatregelen
De gemeente voert alleen grondwatermaatregelen uit in de openbare ruimte.
Bij de keuze van maatregelen wordt niet alleen gekeken naar de aanlegfase, maar ook naar de beheer- en onderhoudsfase. Dit geldt ook voor de bijbehorende kosten. Maatregelen zijn duurzaam: robuust, met een lange levensduur en beperkt onderhoud.
Om in bestaand stedelijk gebied en voor te ontwikkelen stedelijk gebied grondwateroverlast te voorkomen, wordt uitgegaan van de volgende voorkeursvolgorde:
§ ophogen van het maaiveld;
§ het aanleggen van extra oppervlaktewater;
§ het aanleggen van grondwater technische maatregelen.
Er wordt uitgegaan van het duurzaamheidsprincipe. Duurzaam betekent in dit geval dat de bij een gebied behorende ‘natuurlijke’ hydrologische situatie bij stedelijke ontwikkelingen zo veel mogelijk wordt gehandhaafd. Tevens betekent dit dat zo min mogelijk technische voorzieningen worden gebruikt om de grondwaterstand te reguleren. Het verhogen van het maaiveldniveau heeft dan ook de voorkeur boven de aanleg van drainage of het op een andere manier structureel verlagen van de grondwaterstand.
Voor de aanleg van drainage geldt dat in beginsel het grondwater onder vrij verval naar oppervlaktewater moet afvoeren, zonder toepassing van bemaling. Bemaling is namelijk niet nodig vanwege het doorgaans voldoende diepe oppervlaktewaterpeil ten opzichte van het maaiveld (drooglegging) in de gemeenten en hiermee wordt een onnodig grote afvoer van grondwater naar het oppervlaktewatersysteem voorkomen. Ook geldt voor grondwaterstandverlagingen dat het zo ondiep en verspreid mogelijk plaatsvindt, zodanig dat zo weinig mogelijk grondwater wordt onttrokken en afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat een netwerk van ondiepe (horizontale) drains de voorkeur.
In bestaand bebouwd gebied is het verhogen van het maaiveld of het aanleggen van extra open water vaak lastig realiseerbaar, zeker op korte termijn. Dit neemt niet weg dat per project de mogelijkheden hiervan moeten worden nagegaan. Indien deze maatregelen niet mogelijk zijn, is de gemeentelijke inzet om de structurele grondwateroverlast in het bestaand bebouwd gebied op te lossen via de aanleg van grondwater technische maatregelen (zoals bijvoorbeeld drainage) in openbaar gebied.
Bijlage 2: Verantwoordelijkheden en taken
De volgende partijen hebben een gedeelde verantwoordelijkheid en taken aan- gaande de kwantiteit van het stedelijk en ondiep grondwater: de perceeleigenaar, de gemeente, het waterschap, de provincie en het waterleidingbedrijf. Hieronder worden per instelling de taken en verantwoordelijkheden benoemd.
a.De perceeleigenaar:
§ Is primair verantwoordelijk voor de ontwatering van zijn terrein. Hij houdt bij grondwaterstand verlagende maatregelen rekening met het gemeentelijk beleid en belangen van aangrenzende percelen. Hij kan de gemeente verzoeken het water te mogen lozen op een gemeentelijke voorziening of het oppervlakte water. De gemeente stemt dit verzoek dan eventueel verder af met het waterschap. De gemeente maakt daarbij een doelmatigheidsafweging. De perceeleigenaar is tevens verantwoordelijk voor de bouwkundige staat en het onderhoud van zijn bouwwerken.
b.De gemeente:
§ Is verantwoordelijk voor de ontwatering van openbaar terrein.
§ Biedt particulieren de mogelijkheid zich structureel te ontdoen van grondwater, voor zover deze daartoe geen andere mogelijkheden hebben en dit passend is binnen het gemeentelijk beleid. Voor tijdelijke bronneringen en het kwijtraken van het bronneringswater is de particulier zelf verantwoordelijk.
§ Draagt zorg voor de aanleg en het onderhoud van de benodigde voorzieningen en aansluitpunten in de openbare ruimte voor de ontwatering van het particuliere terrein voor zover passend binnen het gemeentelijke beleid.
§ Neemt meldingen van grondwateroverlast in ontvangst en neemt naar aanleiding van meldingen over (grond)wateroverlast het initiatief om de oorzaak van de overlast te onderzoeken.
§ Stelt als initiatiefnemer in ruimtelijke plannen een waterparagraaf op.
Hierin worden de aspecten van het grondwater meegenomen. Het waterschap heeft een adviserende rol voor respectievelijk het oppervlakte- en grondwater.
§ Ziet erop toe dat de van “nature” voorkomende grondwaterstanden (representatief hoogste grondwaterstand) en het anticiperen daarop door de bouwer in het watertoets proces worden meegenomen.
§ Bevoegd gezag voor de toepassing van warmte-koude opslag (WKO), specifiek voor gesloten systemen.
c.Waterschap Vallei en Veluwe:
§ Heeft haar verantwoordelijkheid voor het kwantitatieve en kwalitatieve oppervlaktewater, voor zover in haar beheer. Omdat grond- en oppervlaktewater elkaar beïnvloeden heeft het waterschap tevens een (afgeleide) rol in het beheer van het ondiepe grondwater.
§ Is verantwoordelijk voor de afvoer van drainage- en grondwater via het oppervlaktewater, dat door de gemeente of particulieren wordt aangeboden.
§ Is verantwoordelijk voor het leveren van kennis en advies (waar het oppervlaktewater en het ondiepe grondwater betreft), zowel ten behoeve van het uitvoeren van de watertoets c.q. waterparagraaf, als bij het aanpakken van problemen in bestaand bebouwd gebied.
§ Verleent vergunningen voor kleine onttrekkingen.
d.Provincie Utrecht en Gelderland:
§ De provincie is strategisch beleidsbepaler voor de inrichting van de fysieke leefomgeving en het toekennen van gebruiksfuncties aan water- en grondwatersystemen.
§ De provincie is met de invoering van de Waterwet (2009) geen grondwaterbeheerder meer. Het beheer van grondwater is met de Waterwet in handen gelegd van de waterschappen, uitgezonderd winningen voor de openbare drinkwatervoorziening, industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar en warmte-koude opslag (WKO) specifiek open systemen. Voor deze onderdelen is de provincie verantwoordelijk en bevoegd gezag.
§ De provincie is bevoegd gezag voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater op grond van de Waterwet (Kaderrichtlijn Water en Grondwater- richtlijn) en de Wet Milieubeheer.
§ De provincie heeft een centrale rol in het grondwaterbeschermingsbeleid. De gebieden waar grondwater voor drinkwater aan de bodem wordt onttrokken en de gebieden die daarvoor in reserve worden gehouden worden afdoende beschermd. De provincie stelt beperkingen aan activiteiten en ruimtelijke functies in het zogeheten grondwaterbeschermingsgebied en in mindere mate aan het intrekgebied.
e.Waterleidingbedrijf Vitens:
§ Het waterleidingbedrijf heeft als primaire taak het leveren van drinkwater.
Het heeft geen wettelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de grondwaterstand of de handhaving van de grondwaterkwaliteit.
Bijlage 3: Beleidskaders
Bron: Startdocument Grondwaterbeleid- en beheerplan (GWBBP) Woudenberg & Scherpenzeel.
In deze bijlage is het vigerende en/of in ontwikkeling zijnde grondwaterbeleid(skader)
opgenomen zoals dat in de volgende vier documenten is vastgelegd:
A) AWP 2013-2017
B) Strategisch plan grondwaterbeheer
C) WBP Waterschap Vallei en Veluwe
D) Normering en uitgangspunten voor stedelijk gebied
A) Afvalwaterplan 2013-2017 (visie + beleid(sambities) + opgave)
§2.5 “Visie”
Water in de grond is een natuurlijk verschijnsel dat we zoveel mogelijk op een natuurlijke manier willen laten functioneren. Nieuwe hinder wordt voorkomen en op langere termijn is bestaande hinder weggenomen.
§4.3.4 “Ambitie(besluit) grondwater”
De zorgplicht grondwater is in de wet (Waterwet art. 3.6) als volgt geformuleerd: “het in het openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoort.”
De zorgplicht heeft duidelijk het karakter van een inspanningsverplichting, waarbij de gemeente bij de uitvoering van haar taak de beleidsvrijheid heeft die aanpak te kiezen die, gelet op de lokale omstandigheden, doelmatig is. De gemeentelijke taken liggen voornamelijk in de openbare ruimte en bij coördinatie en onderzoek.
Om afwegingen rond het grondwater te kunnen maken moet een beeld bestaan over eventuele grondwaterproblemen. Nadelige gevolgen van de grondwaterstand moeten structureel zijn. Calamiteiten zoals extreme neerslag en overstroming door beken kunnen leiden tot een tijdelijk hogere grondwaterstand. De gebruiksfunctie wordt daardoor weliswaar tijdelijk verminderd, maar dat betekent niet dat deze ook op de langere termijn wordt aangetast. Wat is structurele grondwateroverlast?
Net als bij de hemelwaterzorgplicht is op particulier terrein primair de eigenaar verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen grondwateroverlast. Voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van de buur (overheid of particulier). Tot hoever gaat de particuliere verantwoordelijkheid?
De grondwaterzorgplicht richt zich op het voorkomen en/of oplossen van structurele grondwateroverlast. De invulling van de zorgplicht bestaat uit de volgende onderwerpen:
•Bepalen wat er onder structurele grondwateroverlast wordt verstaan.
•In beeld brengen van actuele grondwaterstanden door een grondwatermeetnet.
•Keuze aanpak bestrijden grondwateroverlast.
•Inrichten van een (grond)waterloket.
Voor de langere termijn betekent dit dat het beleid erop gericht is om met een duurzaam functionerend grondwatersysteem:
•Bestaande hinder weg te nemen door het aanpakken van grondwateroverlast;
•Nieuwe hinder te voorkomen. Bij de (her)inrichting van het gebied en het (opnieuw) bouwrijp maken moet de natuurlijke afwatering via de bodem en het oppervlaktewater zodanig zijn dat geen aanvullende voorzieningen voor grondwater nodig zijn en zodanig dat er geen problemen gaan ontstaan.
In beide gemeenten is sprake van hoge grondwaterstanden zonder dat sprake is van het optreden van echte problemen.
Ambitiebesluit 10: Grondwaterbeleid
Om te beginnen gaan we door onderzoek en analyse van meetgegevens meer inzicht verkrijgen in de grondwatersituatie. Ons grondwaterbeleid zal in deze periode vooral bestaan uit het onderzoeken van grondwaterstanden en -overlast. Daarna gaan we grondwaterbeleid formuleren dat aansluit bij onze situatie, rekening houdend met de altijd aanwezige hoge grondwaterstanden die weinig tot geen overlast veroorzaakt.
§6.2.4 De opgave voor “grondwater”
Aanleg nieuwe voorzieningen
Op dit moment staat geen aanleg van nieuwe grondwatervoorzieningen gepland bij bestaande bebouwing. Bij nieuwbouw worden de vereisten gevolgd die in het Programma van Eisen en de bouwverordening zijn vastgelegd. Hierin staan onder andere regels omtrent de ontwateringsdiepte, infiltratie, afvoer van water en waterdichtheid van woningen (het is de verantwoordelijkheid van de eigenaren om een waterdichte woning te bouwen, zowel aan de boven- als onderkant).
Aanleg, beheer en monitoring grondwatermeetnet
Om een goede invulling te geven aan de grondwaterzorgplicht is een grondwatermeetnet opgezet. Dit grondwatermeetnet moet leiden tot meer inzicht in de grondwatersituatie, zodat de gemeenten inwoners beter van dienst kunnen zijn en grondwateroverlast beter kan worden aangepakt.
Er is al een grondwatermeetnet per gemeente. Deze grondwatermeetnetten hebben nu enkele malen meetgegevens doorgegeven, waardoor een steeds beter beeld kan worden gevormd van de grondwaterstanden. De komende jaren zal daarom meer tijd worden besteed aan monitoring van de grondwaterstanden, zodat lange reeksen meetgegevens worden gebruikt om inzicht te krijgen in het grondwaterpeil. Het opzetten en monitoren van het grondwatermeetnet gebeurt binnen PWVE-verband.
Het grondwatermeetnet moet worden onderhouden: apparatuur moet worden gecontroleerd en gegevens moeten worden verwerkt. Hiervoor is door de gemeente Scherpenzeel jaarlijks € 5.100,- gereserveerd en jaarlijks € 3.000,- door de gemeente Woudenberg.
(Grond)waterloket
Bij het waterloket van de gemeenten (in Woudenberg is dit onderdeel van het loket Leefomgeving) kunnen inwoners terecht voor vragen en meldingen over grondwater. Procedures zijn opgesteld om vragen van inwoners naar de juiste personen in de organisatie te leiden. Dit verloopt goed. Indien het beleid en de regels veranderen zullen de gemeenten kijken hoe dit moet worden verwerkt in het (grond)waterloket
Opstellen grondwaterbeleidplan
De afgelopen jaren zijn de gemeenten onderzoek gaan doen naar de grondwatersituatie door een peilbuizennetwerk aan te leggen. De hieruit te verkrijgen informatie moet worden vastgelegd en er moet worden bepaald hoe de zorgplicht invulling gaat krijgen. Dit gaat gebeuren in de vorm van een grondwaterbeleidplan. Het waterschap speelt hierin ook een grote rol, omdat zij het oppervlaktewaterpeil regelen en hiermee de grondwaterstand kunnen beïnvloeden. Het grondwaterbeleidplan van Woudenberg en Scherpenzeel wordt in 2013 opgesteld.
B) Strategische plan grondwaterbeheer Waterschap Vallei en Veluwe
Inzet voor WBP 2016-2012 (§4.1)
De strategie zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3 wordt concreet gemaakt aan de hand van mijlpalen en activiteiten voor grondwaterbeheer voor het WBP 2016-2021.
We benoemen drie mijlpalen, die we aan het eind van de planperiode behaald willen hebben:
•We zijn een speler binnen het pluimbeheer van verontreinigingen in de bodem;
•We zijn dé samenwerkingspartner voor gemeenten die nader invulling willen geven aan de grondwaterzorgplicht en willen werken aan klimaatrobuuste inrichting;
•We werken proactief mee aan ontwikkelingen binnen het grondwaterbeheer waarbij we (indirect) belanghebbend zijn, zoals het Bodemconvenant en anti-verdroging van natuurgebieden.
Naast deze mijlpalen zien we de volgende activiteiten voor de komende periode:
•We verbeteren het modelinstrumentarium AZURE dusdanig dat het ook toepasbaar is op het detailniveau van de gemeentelijke grondwatervraagstukken. De huidige samenwerking met de provincie binnen de AZURE-ontwikkeling zetten we door en daarnaast breiden we uit door samen met tenminste 2 gemeenten het gewenste detailniveau te halen;
•We ontwerpen een beleid en monitoringsopzet voor natuurlijke lozingen. We hebben vorderingen gemaakt in de uitvoering van het pluimbeheer, te beginnen in de uitvoering onder mandaat van de provincie Gelderland;
•Voor minimaal 2 gemeenten hebben we een analyse uitgevoerd voor nieuw en bestaand stedelijk gebied: wat is nodig om rondom bestaand stedelijk gebied te kunnen bouwen en is bestaand en potentieel nieuw stedelijk gebied bestand tegen de veranderingen in het grondwaterregime als gevolg van klimaatverandering;
•Met minimaal 2 gemeenten werken we aan een mandaat voor de uitvoering van de grondwaterzorgplicht;
•We maken afspraken met minimaal 1 gemeente omtrent de vergunningverlening en analyse voor gesloten KWO inrichtingen;
•Met de provincie Gelderland maken we afspraken omtrent de uitvoering van de vergunningverlening van open KWO systemen. En we verkennen met Gelderland de mogelijkheden om de vergunningverlening uit te voeren voor industriële onttrekkingen;
•We adviseren de strategische grondwaterbeheerders provincies Gelderland en Utrecht vanuit onze kennis en expertise. Eerste mogelijkheid is de nadere uitwerking van de Omgevingsvisie Gelderland op de thema’s GGOR, visie op de ondergrond, e.a.;
•We breiden onze kennis betreffende het functioneren van het Veluwesysteem uit samen met universiteit(en) en de provincie Gelderland. Dit is belangrijk, omdat de Veluwe de Blauwe Motor is voor de lager liggende delen van het beheergebied en de grootste ondergrondse zoetwatervoorraad van Nederland;
•We verhogen het informatieniveau door deel te nemen aan SAT data, het consortium van waterschappen dat gebruik maakt van satellietdata voor de kwantitatieve monitoring van het grond- en oppervlaktewatersysteem. Dit doen we ten behoeve van het proces GGOR en tevens benutten we de kennis bij calamiteiten;
•Binnen koepeloverleggen (UvW, IPO en VNG) werken we actief mee aan het positioneren van de waterschappen.
•Bij herstel van verdroogde natuurgebieden werkt het waterschap proactief, mogelijk door het uitbreiden van de rol naar gebiedsadviseur/-trekker;
•We versterken de samenwerking met drinkwaterbedrijven en bedrijven in de voedingsindustrie door te adviseren over kansen voor nieuwe onttrekkings- mogelijkheden;
•We werken mee aan de provinciale uitwerking KRW-Grondwater, met bijzondere aandacht voor kleine winningen voor menselijke consumptie.
C) Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei & Veluwe
In het WBP 2016-2021 heeft het waterschap haar “visie en ambities”, doelen en maatregelen” en voorziene ontwikkelingen vastgelegd voor de komende periode. Hieronder zijn de tekstpassages betreffende grondwater(beheer) eruit gelicht.
Visie en ambities
•We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners: Oppervlaktewater, grondwater en afvalwater zijn niet alleen aan elkaar verbonden, maar ook met het bodemsysteem. De taken en verantwoordelijkheden hiervoor liggen bij verschillende partijen. Het is onze ambitie om de hele waterhuishouding (oppervlakte-, grond- en afvalwater) aan te sturen als één systeem vanuit een gezamenlijke en integrale benadering. Zodoende kan het optimale resultaat worden bereikt in waterkwaliteit, waterkwantiteit en de maatschappelijke kosten van het waterbeheer. Dit doen we in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, drinkwaterbedrijven en bedrijfsleven. Daarbij beginnen we met kleine initiatieven om werkenderwijs onze meerwaarde en de efficiencytoename aan te tonen.
•Oppervlaktewater en grondwater zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In 2014 hebben we een grondwaterstrategie opgesteld en waterpotentiekaarten gemaakt. In de grondwaterstrategie is de ambitie uitgesproken om een speler te zijn binnen het pluimbeheer van verontreinigingen in de bodem. Op de waterpotentiekaarten staan kansrijke gebieden voor waterinitiatieven van anderen. Met deze kaarten gaan we in gesprek met belanghebbenden in het gebied over hoe wij een bijdrage kunnen leveren aan hun waterinitiatieven.
Doel en maatregelen t/m 2021
•Wij hebben samen met andere partijen kennis ontwikkeld op het gebied van grondwater en de samenhang met de bodem en oppervlaktewater.
ü We starten met de vorming van een gezamenlijk grondwaterkennisteam. We focussen het eerste jaar op pluimbeheer, kennisontwikkeling en samenwerking. Via de jaarlijkse rapportage scherpen we de grondwaterstrategie verder aan en delen we de resultaten.
•Wij hebben een gezamenlijk inzicht in het functioneren en de risico’s van het (afval)watersysteem.
ü We breiden het gezamenlijke meet- en monitoringssysteem (incl. grondwater) verder uit en uniformeren dit systeem waar nodig en mogelijk.
ü We integreren de waterketendata en de watersysteemdata.
•In beeld brengen van de consequenties voor vergunningverlening en handhaving van de uitbreiding van grondwatertaken. Aansluitend maken we een uitvoeringsplan en voeren dit uit.
Het beleidskader voor het verlenen van een (grond-)watervergunning ligt vast in de Waterwet en de beleidsregels van de keur. In bepaalde gevallen gelden algemene regels in plaats van de vergunningplicht.
Ontwikkelingen
•We groeien steeds meer in onze rol als grondwaterbeheerder, sinds in 2010 de taken van de provincie aan ons zijn overgedragen. We beseffen heel goed dat het grondwater en het oppervlaktewater onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Maar ook de samenhang met rioolbeheer, bodembeheer en ruimtelijke ordening is van belang. Meerdere partijen hebben in het grondwaterbeheer hun eigen taak en verantwoordelijkheid. Binnen die verdeling van verantwoordelijkheden willen wij samen met provincies, gemeenten en drinkwaterbedrijven de samenwerking rondom grondwater initiëren en uiteindelijk als grondwaterloket te fungeren. Daarvoor is inzicht in het grondwater noodzakelijk.
•We willen uitgroeien tot de integrale regionale beheerder van grond- en oppervlaktewater. Wij willen ons ontwikkelen op het gebied van grondwaterbeheer. Dat heeft ook gevolgen voor vergunningverlening en handhaving. We willen meer efficiency en duidelijkheid creëren. We zoeken de samenwerking met onze partners, onder andere gemeenten en provincies. Hoe dit voor onze vergunningverlening en handhaving precies vorm krijgt, gaan we concreet uitwerken. Dit alles leidt tot doorontwikkeling en het investeren in meer expertise.
D) Normering en uitgangspunten stedelijk gebied
(beleid vml. Wwaterschap Vallei en Eem)
Ontwateringsnorm (§1.7)
Teneinde droge voeten te hebben en te houden dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Drooglegging is het verschil tussen oppervlaktewaterpeil en maaiveldhoogte.
Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van nieuw stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting).
Het waterschap is geen voorstander van het creëren van nieuwe onderbemalingen t.b.v. het realiseren van voldoende ontwateringsdiepte bij nieuwbouwprojecten. Zo dienen ondergrondse parkeervoorzieningen als waterdichte constructie te worden uitgevoerd.
Om voldoende ontwateringsdiepte te bereiken, en toch aan te sluiten bij bestaande grond- en oppervlaktewaterpeilen kan overwogen worden het terrein integraal op te hogen, dan wel om over te gaan op selectief ophogen in combinatie met kruipruimteloos bouwen.
Bijlage 4: Samenvatting enquêteresultaten
Notitie
Datum: 10 september 2015
Betreft: Samenvatting enquêteresultaten Woudenberg enScherpenzeel
Kenmerk: BP77, NOT20150828_D
Bestemd voor: de inwoners van Woudenberg en Scherpenzeel die de enquête hebben ingevuld
Opgesteld door: ir. F.A.A.R. Aalbers
Onlangs heeft u een enquête over de grondwatersituatie ingevuld. Hartelijk dank hiervoor! Hier vindt u de uitkomsten van de enquête.
Aanleiding van de enquête
Om een goed grondwaterbeleid te kunnen maken doen de gemeenten Woudenberg en Scherpenzeel onderzoek naar de grondwatersituatie binnen hun gemeenten. De gemeenten trekken hierbij gezamenlijk op omdat de regionale ligging (in de Gelderse Vallei) en lokale problematiek grote gelijkenis vertonen en zich lenen voor een gezamenlijke analyse en aanpak. Om te achterhalen hoe de inwoners de grondwatersituatie rondom hun woning/bedrijfspand ervaren, hebben beide gemeenten in juni-juli 2015 een bewonersenquête gehouden.
Conclusies
Uit de resultaten volgt dat verspreid over de kernen Woudenberg en Scherpenzeel sprake is van water- of vochtoverlast in de kruipruimte en de kelder of kelderkast. De overlast wordt veelal een groot deel van het jaar ervaren en is al jaren geleden ontstaan. Het enquêteresultaat geeft gemeenten Woudenberg en Scherpenzeel waardevolle informatie over de locaties en aard van de grondwaterproblemen. Tevens bevestigt uw inbreng voor de gemeenten de urgentie om de grondwatersituatie en eventuele verbetermogelijkheden nader te onderzoeken.
Toelichting resultaten
In Woudenberg en Scherpenzeel hebben respectievelijk 21% en 14% van de aangeschreven adressen de vragenlijst daadwerkelijk ingevuld. Behalve bewoners met wateroverlast hebben ook bewoners die geen grondwateroverlast ervaren de vragenlijst ingevuld. Hierdoor geven de antwoorden een goed inzicht in de situatie.
Situatie in woningen
In beide kernen wordt water- of vochtoverlast ervaren in de woning (op de begane grond). In Woudenberg is dat bij 21% van de mensen die de enquête hebben ingevuld en in Scherpenzeel bij 16%. Deze klachten uiten zich voornamelijk als vocht- en schimmelplekken, of een muffe en bedompte geur in huis. In onderstaande figuur zijn de gebieden weergegeven met relatief veel vochtproblemen in de woning.
Figuur: Gebieden met relatief veel vochtproblemen in de woning (op begane grond).
Situatie in kruipruimte
In Woudenberg ervaart 47% van de mensen die de enquête hebben ingevuld water- of vochtoverlast in de kruipruimte. In Scherpenzeel is dat 27%. Deze overlast is vaak meer dan vijf jaar geleden ontstaan en treedt gedurende een groot deel van het jaar op. De overlast bestaat uit een vochtige kruipruimtebodem, water in de kruipruimte, stank en roestvorming op leidingen. Het valt op dat vooral in het noordelijk gedeelte van Woudenberg meer meldingen van een (altijd) natte kruipruimte voorkomen dan in het zuiden. In Scherpenzeel wordt in de ‘Schildersbuurt’ en ter plaatse van Dorperhoek en omgeving, relatief weinig overlast ervaren. In onderstaande figuur zijn de gebieden weergegeven met relatief veel vochtproblemen in de kruipruimte.
Figuur: Gebieden met relatief veel vochtproblemen in de kruipruimte.
Situatie in kelder of kelderkast
In zowel Woudenberg als Scherpenzeel ervaart 47% van de mensen die de enquête hebben ingevuld en een kelder of kelderkast bezitten, water- of vochtoverlast in de kelder of kelderkast. Deze overlast uit zich als loszittend stuc- en/of tegelwerk, schimmel op de muur, water in de kelder en stank. De problemen zijn vaak al lang aanwezig. Vooral in het centrale deel van Woudenberg en Scherpenzeel komen deze problemen voor. Deze concentraties van de klachten zijn te verklaren met de leeftijd van de woningen. In deze delen staan overwegend oudere woningen waar vaker kelders of kelderkasten aanwezig zijn. Ook in het noordelijk gedeelte van Scherpenzeel zijn meer meldingen van vochtoverlast in de kelder of kelderkast. De meeste overlast wordt ervaren tijdens of vlak na hevige regenbuien. In onderstaande figuur zijn de gebieden weergegeven met relatief veel vochtproblemen in de kelder of kelderkast.
Figuur: Gebieden met relatief veel vochtproblemen in de kelder of kelderkast.
Situatie in tuinen en op binnenplaatsen
In tuinen en op binnenplaatsen wordt relatief weinig overlast ervaren. In Woudenberg ervaart 16% van de mensen die de enquête hebben ingevuld, water- of vochtoverlast in de tuin en op binnenplaats. In Scherpenzeel is dat 7%. Deze overlast bestaat voornamelijk uit waterplassen in de tuin. In sommige gevallen was er sprake van afstervende begroeiing. De overlast doet zich bovendien vooral voor bij (hevige) regenval. In onderstaande figuur zijn de gebieden weergegeven met relatief veel vochtproblemen in de tuin en op de binnenplaats.
Figuur: Gebieden met relatief veel vochtproblemen in de tuin en op binnenplaats.
Vervolgaanpak
De enquêteresultaten hebben geleid tot een actueel beeld van de ervaren grondwatersituatie. Uw inbreng bevestigt voor de gemeenten de urgentie om de grondwatersituatie en mogelijke verbetermogelijkheden nader te onderzoeken. Momenteel wordt daarom een gebiedsanalyse uitgevoerd die samen met het enquêteresultaat de basis vormt voor de uitwerking van gebiedsgericht beleid en een concrete aanpak.
Dit beleid en de aanpak worden de komende maanden door beide gemeenten samen met het waterschap Vallei en Veluwe uitgewerkt in een grondwaterbeleid- en beheerplan. De gemeenten geven met het beleid aan wat bewoners van de gemeente mogen verwachten om grondwateroverlast zoveel mogelijk te beperken en te voorkomen. En omgekeerd wat de gemeente van bewoners zelf verwacht in de aanpak van grondwateroverlast.
Het grondwaterbeleid- en beheerplan zal medio 2016 gereed zijn. Het plan wordt te zijner tijd ter inspraak gelegd. Dit betekent dat u als bewoners en belanghebbenden straks via de formele inspraakprocedure uw mening kunt geven over het plan. Na behandeling van de inspraakreacties wordt het plan bijgesteld en ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.