Aanhef
De Raad van de gemeente Rotterdam,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 november 2022 (raadsvoorstel nr. 22bb007946/23bo003255);
gelet op de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en gelet op de motie Nooren van de Eerste Kamer d.d. 28-1-2020;
besluit:
Tot het vaststellen van de Nota Participatiebeleid t.a.v. de kerninstrumenten van de Omgevingswet – Rotterdam, gebaseerd op de volgende uitgangspunten, zoals omschreven in paragraaf 2.1 t/m 2.6:
-Participatie is maatwerk
-Betrokken bij de eigen leefomgeving
-Heldere verwachtingen en goede terugkoppeling
-Uitgaan van het initiatief
-Beter en inclusiever
-Participatie is een vak.
Voorwoord
De gemeente Rotterdam wil dat Rotterdammers kunnen meedenken, meepraten en in sommige gevallen ook kunnen meebeslissen over hun leefomgeving. Want in Rotterdam vinden we participatie belangrijk. Daarbij is het de ambitie dat er bij elke visie, programma, plan of initiatief een gedegen afweging wordt gemaakt over het inzetten en vormgeven van participatie.
Dit participatiebeleid geeft invulling aan deze ambitie, specifiek gericht op kerninstrumenten van de Omgevingswet: de omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. De Omgevingswet verplicht gemeenten namelijk om participatiebeleid vast te stellen dat aansluit bij de nieuwe wettelijke verplichtingen van participatie bij de Omgevingswet.
Als gemeente willen we het goede voorbeeld geven. Daarom schrijven we onszelf een werkwijze voor bij de instrumenten waar we als gemeente voor aan zet zijn: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en het omgevingsplan. Ook voor initiatieven waarvoor we als gemeente zelf een omgevingsvergunning nodig hebben hanteren we een afgesproken werkwijze. Bij initiatieven van anderen stimuleren we om altijd aan participatie te doen en verplichten we het als het initiatief buitenplans is. Daarmee stimuleren wij de (toekomstige) aanvrager voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning om goed na te denken over de manier waarop de omgeving betrokken kan worden bij de voorgestelde ontwikkeling. Daarvoor zijn er factsheets ontwikkelt die initiatiefnemers op weg helpen en zijn we beschikbaar voor vragen.
Participatie in Rotterdam is maatwerk: het is een middel en geen doel op zich. Maar wel een belangrijk middel om een prettige stad te maken voor en samen met Rotterdammers. Dit participatiebeleid moet gaan bijdragen aan het draagvlak voor de besluitvorming, de inhoudelijke kwaliteit van beleid en plannen, en de uitvoering daarvan.
Chantal Zeegers
Wethouder Klimaat, Bouwen en Wonen
3. Participatie bij de kerninstrumenten van de Omgevingswet
3.1 De wettelijke kaders voor participatie onder de Omgevingswet
3.1.1 De Omgevingswet: welke kaders stelt de wet voor participatie?
Voor de invoering van de Omgevingswet bestonden er geen verplichtingen ten aanzien van participatie in de leefomgeving. De Omgevingswet brengt hier verandering in. De Omgevingswet beschrijft drie verplichtingen ten aanzien van participatie bij de kerninstrumenten (zie voor toepassing 3.2). De kennisgeving, de motiveringsplicht en de aanvraagvereiste. De motiveringsplicht en kennisgeving stimuleren het bevoegd gezag tot participatie. De aanvraagvereiste stimuleert de initiatiefnemer tot participatie. Samengevat houden deze verplichtingen het volgende in:
Kennisgeving: het bevoegd gezag publiceert een kennisgeving
5Bijvoorbeeld een participatie aanpak (zie begrippenlijst)
waarin zij beschrijft wie worden betrokken, waarover en wanneer, wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer en waar meer informatie beschikbaar komt. De publicatie van de kennisgeving dient als formele start van het participatietraject;
Motiveringsplicht: het bevoegd gezag publiceert bij het besluit een motivering
6Bijvoorbeeld een participatieverslag (zie begrippenlijst)
waarin zij beschrijft hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn;
Aanvraagvereiste: de initiatiefnemer moet aangeven of, en zo ja hoe, hij participatie heeft vormgegeven en wat hij met het resultaat heeft gedaan. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging.
7De gemeente kan zowel optreden als initiatiefnemer als het bevoegd gezag zijn. Zie voor rolverdeling hoofdstuk 5.
In de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit, de Omgevingsregeling en bijbehorende Nota’s van Toelichting zijn de regels over participatie opgenomen die voorschrijven welk vorm participatie van toepassing is op de verschillende instrumenten (tabel 1).
Tabel 1 – Wettelijke regels voor participatie bij de Omgevingswet
Daarbij is opgenomen wie er verantwoordelijk is voor de uitvoering van de participatie. Bij elk van de instrumenten kan het bevoegd gezag - gemeenteraad dan wel college (zie figuur 1) – op basis van de wettelijke toetsingscriteria het finale oordeel vellen over de participatie. Dus als de initiatiefnemer aan zet is voor verplicht gestelde participatie bij een vergunning, kan het college ervoor kiezen de vergunning niet te verlenen als de participatie niet is uitgevoerd (zie 4.4 Omgevingsvergunning).
Deze nota beschrijft de kaders voor het uitvoeren van voldoende participatie bij de Omgevingswet in de gemeente Rotterdam.
3.1.2 Procedures onder de Algemene wet bestuursrecht blijven intact
Naast participatie bij de kerninstrumenten van de Omgevingswet, kent de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplichtingen als het gaat om het meewegen van de belangen van belanghebbenden bij besluitvorming: zienswijzen, bezwaar en beroep. Deze formele procedures worden niet vervangen door dit participatiebeleid bij de Omgevingswet.
3.2 De Rotterdamse vertaling naar de kerninstrumenten
3.2.1 Participatie bij de omgevingsvisie
De omgevingsvisie beschrijft de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van de fysieke leefomgeving. De visie is een integrale lange termijnvisie over de samenhang van alle thema’s in de leefomgeving zoals verkeer, vervoer, water, milieu, natuur, cultureel erfgoed, etc. Elke gemeente is verplicht om een omgevingsvisie op te stellen onder de Omgevingswet. De raad stelt de omgevingsvisie vast
8De eerste omgevingsvisie is vastgesteld op 2 december 2021
. Het is een levend document dat de fysieke ontwikkeling van de stad continu voedt en er sturing aan geeft. Monitoring van de voortgang, nieuwe beleidsinzichten en uitwerking van opgaven leiden tot actualisatie van de Rotterdamse omgevingsvisie. Bij de ontwikkeling of wijziging van de omgevingsvisie hoort een passend participatietraject.
Participatie bij de omgevingsvisie: wat verplicht de Omgevingswet?
Voor participatie bij de omgevingsvisie geldt de motiveringsplicht (tabel 1). Participatie is in het kader van de omgevingsvisie “vormvrij”. De gemeente moet kenbaar maken hoe inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en andere overheden zijn betrokken bij de totstandkoming van de visie en hoe zij hun mening hierover kenbaar hebben kunnen maken. De manier waarop deze participatie heeft plaatsgevonden en wat er uiteindelijk met de inbreng is gedaan maakt onderdeel uit van het besluit tot het vaststellen van de omgevingsvisie door de gemeenteraad. De gemeenteraad is dan ook bevoegd gezag voor besluitvorming en toetsing van de participatie bij de omgevingsvisie.
Rotterdamse keuzes voor participatie bij de omgevingsvisie
Bij het opstellen van de omgevingsvisie heeft de gemeente Rotterdam gekozen voor een intensief participatietraject waarbij Rotterdammers actief hebben meegedacht en -gedaan. Nu de omgevingsvisie is vastgesteld, heeft de gemeente zich ook gecommitteerd aan een van de uitgangspunten daarin: samen stadmaken. De essentie hiervan is dat we Rotterdammers uitnodigen om mee te denken en te doen, omdat we als gemeente de energie in de stad nodig hebben om verder te komen. De gemeente Rotterdam blijft dan ook in gesprek met de stad over de doelstellingen en ambities van de omgevingsvisie en brengt één- a tweejaarlijks een voortgangsrapportage uit. Daarmee faciliteren we het gesprek met de stad over de omgevingsvisie. Die voortgangsrapportage kan aanleiding zijn om de omgevingsvisie te herijken, met een daarbij passend participatietraject. In lijn met de uitgangspunten van Betrokken Stad gaat de gemeente Rotterdam daarin verder dan alleen de wettelijk verplichte motiveringsplicht. De herijking van de omgevingsvisie geven wij actief en aan de voorkant met de stad vorm. Bij het wijzigen van de omgevingsvisie gelden voor participatie het Uitvoeringsprogramma Betrokken stad en de Omgevingswet de basis van ons handelen als gemeente.
Als we participeren bij (het wijzigen van) de omgevingsvisie doorlopen we de volgende stappen:
1Bij het voornemen tot de ontwikkeling van een nieuw programma of nieuw beleid, benutten we de continue dialoog met de omgeving
9De gemeente Rotterdam is voortdurend in gesprek met haar omgeving om aangehaakt te zijn op hetgeen er de gemeente speelt. Hiervoor worden o.a. de in de wijken aanwezige netwerken gebruikt.
om de kaders hiervoor te bepalen;
2We maken een plan van aanpak voor de participatie (participatie-aanpak) en betrekken hierbij de raad vanaf het begin. Daar wordt ook een afweging gemaakt over de inzet van de wijkraad;
3We roepen mensen op om mee te denken en we houden hierbij rekening met het hoge abstractieniveau van de omgevingsvisie. We integreren de lessen uit het opstellen de omgevingsvisie en hanteren de principes van het Strategische Omgevingsmanagement.
4Het participatieproces voor de omgevingsvisie wordt afgestemd met het proces voor een eventuele plan-milieurapportage (m.e.r.). We gebruiken informatie uit de m.e.r. om participanten inzicht te geven in effecten van beleid, alternatieve oplossingen en de te maken afwegingen bij beleidskeuzen en gebruiken omgekeerd participatie als bron voor de m.e.r.
5We nemen een participatieverslag in de besluitvorming over de omgevingsvisie op, deze doet dienst als de motiveringsplicht. Dit verslag voldoet minimaal aan de uitgangspunten zoals geformuleerd onder paragraaf 4.4.
6We evalueren het participatietraject met de deelnemers en (daarna) met de raad.
3.2.2 Participatie bij omgevingsprogramma en omgevingsbeleid
Een omgevingsprogramma is uitvoeringsbeleid waarin maatregelen zijn opgenomen om doelstellingen op het gebied van de fysieke leefomgeving te bereiken. In andere woorden: in een omgevingsprogramma werkt de gemeente het beleid voor (een onderdeel van) de fysieke leefomgeving uit. Het college formuleert bijvoorbeeld in omgevingsprogramma’s hoe zij de in de omgevingsvisie opgenomen strategische ambities en opgaven wil gaan realiseren, en welke maatregelen hiervoor nodig zijn. Het kan gericht zijn op een thema (klimaatadaptatie), een gebied (binnenstad), een omgevingswaarde (geluid) of een combinatie hiervan. Het doel van participatie voor omgevingsprogramma’s is het onderzoeken welke maatregelen mogelijk en/of nodig zijn, wat de voor- en nadelen zijn van verschillende maatregelen vanuit het perspectief van verschillende deelnemers en hoe deze worden gewogen en gekozen. Omgevingsbeleid is al het beleid dat van toepassing is op de fysieke leefomgeving.
Participatie bij omgevingsprogramma: wat verplicht de Omgevingswet?
Wanneer we omgevingsprogramma’s opstellen of wijzigen conform de eisen van de Omgevingswet is participatie verplicht: de motiveringsplicht (zie tabel 1). Dit betekent dat bij vaststelling duidelijk is hoe en met wie er geparticipeerd is. Het college is het bevoegd gezag voor de besluitvorming over omgevingsprogramma’s.
In het participatiebeleid zoals beschreven in de Motie Nooren is de bedoeling van de participatie bij een omgevingsprogramma dat er niet alleen bij de ontwikkeling en uitvoering van omgevingsprogramma’s vroegtijdig geparticipeerd wordt, ook dat gelijkwaardigheid en vertrouwen tijdens de participatie een centrale rol spelen.
Bij het ontwikkelen en uitvoeren van omgevingsprogramma’s wordt onderscheid gemaakt tussen de verplichte omgevingsprogramma’s en niet-verplichte omgevingsprogramma’s (zie kaders). Voor de verplichte omgevingsprogramma’s volgt Rotterdam de kaders voor participatie die wettelijk gesteld worden binnen deze programma’s.
Er zijn twee wettelijk verplichte programma’s:
√ Verplichte omgevingsprogramma’s die volgen uit, vaak Europese, regelgeving. Voor de gemeente Rotterdam is het Actieplan Geluid vooralsnog het enige verplichte programma.
√ Verplichte omgevingsprogramma’s bij overschrijding van omgevingswaarden: als de gemeente een omgevingswaarde heeft vastgesteld en daaraan zelf niet voldoet of dreigt niet te voldoen, geldt een programmaplicht. De gemeente Rotterdam moet dan een programma opstellen met maatregelen waardoor ze wel kan voldoen aan de omgevingswaarde.
Rotterdamse niet-verplichte programma’s:
De gemeente Rotterdam kan naast de verplichte omgevingsprogramma’s op eigen initiatief omgevingsprogramma’s inrichten: de niet-verplichte omgevingsprogramma’s. In Rotterdam kennen we meerdere soorten mogelijke niet-verplichte programma’s, bijvoorbeeld:
√ Een thematisch programma omvat de beleidsuitwerking op onderwerpniveau. Denk aan duurzaamheid en mobiliteit. Hierin worden de strategische doelstellingen uit de omgevingsvisie zo concreet mogelijk uitgewerkt.
√ Gebiedsprogramma’s hebben als doel integraal aan een gebied te werken. Maatregelen die zijn opgenomen in de diverse thematische programma’s worden vertaald in gebiedsprogramma’s. Ook sociaal maatschappelijke vraagstukken, zoals jeugd en gezondheid zijn onderdeel van een gebiedsprogramma.
De gemeente kan op termijn ook gaan werken met een Programma met Programmatische Aanpak. Dit is een bijzondere variant van het instrument omgevingsprogramma en is bedoeld voor gebieden waarin de omgevingswaarden onder druk staan, waardoor er moeilijk nieuwe activiteiten kunnen worden ontplooid. De wijze waarop participatie bij de programmatische aanpak wordt vormgegeven zal te zijner tijd worden uitgewerkt.
Rotterdamse keuzes voor participatie bij omgevingsprogramma’s
In de gemeente Rotterdam werken we met meerdere soorten niet-verplichte programma’s: bijvoorbeeld thematische programma’s, gebiedsprogramma’s (zie kader) of combinaties hiervan. Voor het vrijwillig omgevingsprogramma wordt nog een keuze gemaakt. Voor de niet-verplichte programma’s richten wij participatie in, in de geest van de zes uitgangspunten van de Betrokken Stad (zie hoofdstuk 2). Daarbij is het uitgangspunt dát we participeren en zoeken we naar de meest passende Rotterdamse invulling van de participatie bij een omgevingsprogramma. Mocht besloten worden dat er geen participatie hoeft plaats te vinden, dan wordt de argumentatie daarvoor getoetst in het kader van de motiveringsplicht.
Bredere toepassing, ook voor nieuw beleid voor de fysiek leefomgeving
Het maken van nieuw beleid voor de fysiek leefomgeving (=omgevingsbeleid) en het inrichten van programma’s ligt in elkaars verlengde. Daarom wil de gemeente hetzelfde stappenplan t.a.v. participatie hanteren, als het gaat om het opstellen en inrichten hiervan. Dit is een belangrijke Rotterdamse keuze.
1Bij het voornemen tot het ontwikkelen van een nieuw programma of nieuw beleid, benutten we de continue dialoog met de omgeving om de kaders hiervoor te bepalen.
2We besluiten op basis van het al dan niet verplicte karakter en de aard van het omgevingsprogramma welke type participatie wenselijk is. Daar wordt ook een afweging gemaakt over de inzet van de wijkraad;
3We maken een participatie-aanpak en betrekken het college
10Afhankelijk van omvang, aard van het programma kan besloten worden dat de verantwoordelijk wethouder i.p.v. het college de participatie aanpak, uitvoering en evaluatie bestuurlijk richting geeft.
hierin vanaf het begin, binnen het proces van het komen tot een omgevingsprogramma of omgevingsbeleid;
4a. Bij verplichte programma’s volgen we voor het benaderen en betrekken van doelgroepen de wettelijke doelstellingen van het omgevingsprogramma; b. Bij de niet verplichte programma’s bepalen we op basis van het onderwerp van het programma wie we actief benaderen voor participatie. We werken met een voor het thema relevante mix van (semi-) professionele ketenpartners, belangenorganisaties, maatschappelijke instellingen en de bewoners. Hierbij betrekken we bijvoorbeeld het wijknetwerk;
5We nemen een verslag van de participatie in de besluitvorming over een programma of omgevingsbeleid op. Dit verslag voldoet minimaal aan de uitgangspunten zoals geformuleerd onder paragraaf 4.4.
Figuur 3 – Rotterdamse fasering richting definitief omgevingsplan
3.2.3 Participatie bij het omgevingsplan
Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Het omgevingsplan is de opvolger van het bestemmingsplan.
Participatie bij het omgevingsplan: wat verplicht de Omgevingswet?
Voor het opstellen en wijzigen van het omgevingsplan heeft het bevoegd gezag de verplichting tot kennisgeving en een motivatieplicht (zie tabel 1). Bij bekendmaken van het voornemen om een (deel van het) omgevingsplan te maken en bij het bekendmaken van de vaststelling daarvan, moet duidelijk zijn hoe er geparticipeerd wordt of is. De participatie voor wijziging in het omgevingsplan vindt eerder in het traject plaats: bijvoorbeeld bij opstellen van beleid of in de voorfase van een ontwikkeling. Deze bepalingen dwingen ertoe dat al in een vroeg stadium participatie heeft plaatsgevonden.
Rotterdamse keuzes voor participatie bij het omgevingsplan
Op 1 januari 2030 moet er wettelijk één definitief omgevingsplan voor heel de gemeente Rotterdam zijn vastgesteld. Vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, ontstaat er rechtswege een tijdelijk omgevingsplan.
In de transitiefase vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt tot 1 januari 2030 bouwt de gemeente toe naar het definitieve omgevingsplan. De gemeente Rotterdam stelt het definitieve omgevingsplan in de transitiefase beleidsneutraal op. Dat wil zeggen dat we in principe
11Bestaande regels op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt in geldende bestemmingsplannen worden gecontinueerd in het definitieve Omgevingsplan. In sommige gevallen moeten wegvallende regels worden hersteld of invulling gegeven worden aan nieuwe wettelijk verplichte regels (bv. inrichting van geurcontouren).
nog geen beleidswijzigingen verankeren bij de opbouw van het definitieve omgevingsplan.
Wijzigingen van het omgevingsplan: van tijdelijknaar definitief
Wijzigingen van het omgevingsplan in de transitiefase
Het definitieve omgevingsplan ontstaat niet in één keer. Vanaf het moment dat deOmgevingswet in werking treedt ontstaat er van rechtswege een tijdelijk omge-vingsplan. Dit bestaat uit de op dat moment geldende bestemmingsplannen. In dejaren tot aan 1 januari 2030 wordt het tijdelijke omgevingsplan “omgebouwd” naaréén definitief omgevingsplan. Vanaf het moment dat de Omgevingswet in werkingtreedt bouwt de gemeente Rotterdam verschillende delen van het omgevingsplanop aan de hand van:
1Gebiedsgerichte opbouw: om een nieuw kader te maken voor de bestaandeomgeving. Het gaat hier om delen van het omgevingsplan op gebiedsniveau;
2Projectgerichte opbouw: ten behoeve van ontwikkelingen. Het gaat het hierom delen van het omgevingsplan op projectniveau.
Wijzigen van het definitieve omgevingsplan
Als er sprake is van één definitief omgevingsplan (na de transitiefase) dan kan hetdefinitieve omgevingsplan gewijzigd worden. Dat is nodig om:
√ ontwikkelingen mogelijk te maken;
√ beleid te verankeren in het omgevingsplan.
Door de aard van het instrument, en de transitie van het tijdelijke naar het definitieve omgevingsplan, kent participatie bij het omgevingsplan in Rotterdam drie gevallen:
1Participatie bij gebiedsgerichte opbouw van het definitieve omgevingsplan (tijdens de transitiefase)
De opbouw van het omgevingsplan doorloopt eerst een transitiefase waarin het tijdelijke omgevingsplan wordt omgezet naar een nieuw definitief omgevingsplan. Deze opbouw van het definitieve omgevingsplan gebeurt voor een aanzienlijk deel gebiedsgericht (zie kader). Door de in Rotterdam gekozen beleid neutrale aanpak in de transitiefase, is in beginsel geen sprake van de verankering van nieuwe ontwikkelingen of beleid in het omgevingsplan. In andere woorden: inhoudelijk verandert er in deze transitiefase niet veel aan de beleidskaders ten opzichte van beleidskaders in de tot inwerkingtreding de geldende bestemmingplannen. De gemeente Rotterdam vindt wel het belangrijk inwoners en betrokkenen mee te nemen in de verandering die de komst van het omgevingsplan als nieuw wettelijk instrument met zich meebrengt. Bij de gebiedsgerichte opbouw van het omgevingsplan, kiest de gemeente Rotterdam er daarom voor om in de vooroverlegfase een informatiebijeenkomst te organiseren waarbij inwoners van het gebied en ook de wijkraden zijn uitgenodigd. Deze bijeenkomsten richten zich op het informeren van inwoners en belanghebbenden over de overgang van het bestemmingsplan naar het omgevingsplan.
2Participatie bij projectgerichte opbouw van het omgevingsplan en faciliteren van ontwikkelingen (tijdens én na de transitiefase)
Zowel tijdens de transitiefase, als na vaststelling van het definitieve omgevingsplan op uiterlijk 1 januari 2030, blijft de noodzaak bestaan tot het wijzigen van een deel van het omgevingsplan om ontwikkelingen mogelijk te maken (zie kader). In dit geval moet de participatie over die ontwikkeling hebben plaatsgevonden in de fase waarin wordt nagedacht de wenselijkheid en haalbaarheid van de ontwikkeling.
3Participatie bij verankeren van beleid in het omgevingsplan (vanaf de transitiefase)
Als er met het omgevingsplan wordt beoogd beleid te verankeren, moet de participatie hebben plaatsgevonden bij het opstellen van het beleid. Ook hier is dus sprake van participatie in de voorfase en niet bij de verankering in het omgevingsplan. Dit is het geval vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt.
Bij een voorgenomen wijziging van het omgevingsplan bij een beleidswijziging of ontwikkeling doorlopen we de volgende stappen met betrekking tot participatie:
1Er is een afweging gemaakt over participatie in andere processen die hebben geleid tot de noodzaak tot een voorgenomen wijziging van het omgevingsplan;
2Herleiden bij interne organisatie of bij initiatiefnemer van de gemaakte afwegingen en eventuele resultaten van participatie in eerdere processen
12De gemeente is ten alle tijden zelf verantwoordelijk voor de motivering van participatie (evt. al uitgevoerd in de voorfase) bij een voorgestelde wijziging van het omgevingsplan. Ook als zij niet zelf, maar een initiatiefnemer de participatie (in de voorfase) heeft uitgevoerd. Dit vraagt dus overleg en samenwerking tussen de gemeente en de initiatiefnemer over de motivering van de participatie bij een voorgestelde wijziging van het omgevingsplan. Bijvoorbeeld tijdens de voorbereiding van een initiatief.
;
3Voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan organiseren van kennisgeving over de voorgenomen/in andere processen reeds uitgevoerde participatie;
4We nemen een toelichting van de participatie op in de besluitvorming over wijziging in het omgevingsplan op in het kader van de motiveringsplicht.
3.2.4 Participatie bij een omgevingsvergunning
Voor bepaalde activiteiten in de fysieke leefomgeving is een omgevingsvergunning nodig. Denk daarbij aan de aanleg van een weg, het bouwen van woningen, het kappen van bomen of het wijzigen van het gebruik van een pand naar horeca. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen, die door de gemeente wordt getoetst.
De Rotterdamse wijze: participatie voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning
Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning geldt een aanvraagvereiste (tabel 1). Dat betekent dat op het moment dat de vergunning wordt aangevraagd, de aanvrager moet aangeven of er geparticipeerd is en wat er met de resultaten is gedaan. Dat betekent dat de participatie bij een omgevingsvergunning al vóór de aanvraag plaats moet vinden.
In de gemeente Rotterdam zien wij participatie als een belangrijk middel om een prettige stad te maken voor en samen met Rotterdammers. Voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning stimuleren wij de (toekomstige) aanvrager dan ook actief om goed na te denken over de manier waarop de omgeving betrokken kan worden bij de voorgestelde ontwikkeling.
Toekomstige aanvragers van een omgevingsvergunning worden via een factsheet participatie gestimuleerd en geïnformeerd over de mogelijkheden en middelen die er binnen de gemeente Rotterdam zijn voor passende participatie (zie bijlage 2). Met de GPS bieden wij informatie, een breed scala aan instrumenten en inspiratie voor de inrichting en uitvoering door de initiatiefnemer zelf van Rotterdamse participatie.
De afdeling Bouw- en woningtoezicht kan adviseren, conform de huidige praktijk. Bij complexe initiatieven waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, wordt een ondersteuner aangewezen die een initiatiefnemer kan adviseren ten aanzien van participatie. Wanneer het initiatief een gemeentelijk project wordt, is de RSPW binnen de gemeente Rotterdam leidend voor de uitvoering van participatie in de uitvoerings- en gebruiksfase (indien van toepassing).
Een enkele keer wordt bij een initiatief van eigenaar gewisseld. De uitkomsten van het eventueel eerder voltrokken participatietraject blijven van toepassing evenals de verantwoording in het kader van de motiveringsplicht. De nieuwe eigenaar heeft daarnaast wel de mogelijkheid om een nieuw participatietraject op te starten binnen de kaders van dit beleid.
13Conform de raadsmotie d.d. 23 juni 2022: ‘Snoei niet aan participatie’.
Figuur 4 – Fasering bij omgevingsvergunning
Verplichte participatie binnen de gemeente Rotterdam
Zoals hierboven beschreven stimuleert de gemeente Rotterdam dat voorafgaand aan elke aanvraag om een omgevingsvergunning een gedegen afweging wordt gemaakt met betrekking tot participatie. Aanvullend daarop kiest de gemeente Rotterdam ervoor participatie in een aantal gevallen verplicht te stellen. Als de aanvrager bij zo’n aangewezen geval niet aan participatie heeft gedaan, zal het college de aanvraag buiten behandeling stellen, nadat de aanvrager eerst de gelegenheid is gegeven het gebrek te herstellen. Als er sprake is van verplichte participatie, moet de initiatiefnemer bij de aanvraag een participatieverslag indienen (zie hoofdstuk 4). De gemeente mag hierbij geen aanvullende (vorm-)eisen stellen aan de wijze waarop initiatienemers de participatie hebben ingericht. In andere woorden: de initiatiefnemer kan het doel en het proces van participatie zelf bepalen.
Bij iedere aanvraag toetst de gemeente Rotterdam óf er is geparticipeerd, of participatie verplicht is en als participatie verplicht is of aan de minimale eisen voor participatie is voldaan. De minimale eisen waaraan in Rotterdam participatie dient te voldoen staan beschreven in hoofdstuk 4 en dienen te worden vastgelegd in een participatieverslag.
Als een externe initiatiefnemer aan zet is voor de aanvraag van een omgevingsvergunning, kan deze aan de hand van een factsheet voor initiatiefnemers (zie bijlage 2) een afweging maken over de inrichting van participatie. Daarin is omschreven welke mogelijkheden en verplichtingen de initiatiefnemer heeft ten aanzien van participatie voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Bij de verlening van de vergunning wordt een aantal documenten aan de initiatiefnemer verstrekt. Hierin staan o.a. de rechten en plichten verbonden aan de vergunning. Ook bijgevoegd wordt een instructie ten aanzien van de communicatie en informatieverstrekking richting omgeving gedurende de uitvoering. De gemeente verwacht van iedere initiatiefnemer dat zij de omgeving op de hoogte brengen van de geplande activiteiten en bereikbaar en beschikbaar zijn voor reacties vanuit de omgeving in de fase van uitvoering.
Aanvraagvereiste: wat is verplicht bij alle aanvragen van een omgevingsvergunning? (zie 3.1.1)
Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet altijd aangegeven worden óf er is geparticipeerd. Indien er geparticipeerd is moet in bij de aanvraag worden opgenomen wat er met de resultaten is gedaan. Als het initiatief valt binnen de door de gemeenteraad aangewezen gevallen waarbij participatie verplicht is gesteld, kan geen participatie leiden tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag.
Figuur 5 – Stroomschema participatie bij omgevingsvergunning
Bijlage 1: Begrippenlijst
In deze nota wordt een aantal begrippen gehanteerd. Hieronder volgt een korte toelichting:
Aanvraagvereiste
Eén van de drie wettelijke verantwoordingsverplichtingen binnen de Omgevingswet ten aanzien van participatie. De initiatiefnemer moet aangeven of, en zo ja hoe, hij participatie heeft vormgegeven en wat hij met het resultaat heeft gedaan. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. De aanvraagvereiste geldt uitsluitend bij de aanvraag van een omgevingsvergunning.
Bevoegd gezag
Het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor vergunningverlening, toezicht, handhaving, meldingen en het toestaan van afwijken van algemene regels. Dat kan een rijksorganisatie, een provincie, een waterschap, een gemeente of een vervoersregio zijn.
Binnenplanse en buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Het nieuwe omgevingsplan (wat in de plaats komt van het bestemmingsplan) geeft aan welke activiteiten zijn toegestaan op een locatie en een welke regels daarbij horen. Naast deze regels is in het omgevingsplan opgenomen in welke gevallen er mag worden afgeweken. We spreken dan van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is sprake wanneer de plannen niet passen binnen de kaders van het omgevingsplan.
Initiatiefnemer
Individu of partij die voornemens is om activiteiten uit te voeren in de fysieke leefomgeving en daar mogelijk een omgevingsvergunning voor nodig heeft. Ook de gemeente zelf kan initiatiefnemer zijn.
Kerninstrumenten van de Omgevingswet
De omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning.
Kennisgeving
Eén van de drie wettelijke verantwoordingsverplichtingen binnen de Omgevingswet ten aanzien van participatie. Het bevoegd gezag publiceert een kennisgeving waarin zij beschrijft wie worden betrokken, waarover en wanneer, wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer en waar meer informatie beschikbaar komt. De publicatie van de kennisgeving dient als formele start van het participatietraject.
De motie Nooren
In deze motie wordt de regering verzocht in het Invoeringsbesluit Omgevingswet een regeling op te nemen die ervoor zorgt dat er een plicht ontstaat voor gemeenten, provincies en waterschappen om het Participatiebeleid op te stellen waarin vastgelegd wordt hoe participatie wordt vormgegeven en welke eisen daarbij gelden. Dit Participatiebeleid moet worden vastgesteld door de gemeenteraad.
Motiveringsplicht
Eén van de drie wettelijke verantwoordingsverplichtingen binnen de Omgevingswet ten aanzien van participatie. Het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. De motiveringsplicht geldt voor opstellen of wijzigen van omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan.
Omgevingsbeleid
Omgevingsbeleid is bestuurlijk vastgesteld beleid dat gaat over de fysieke leefomgeving. Hierin zijn doelstellingen opgenomen, evenals maatregelen en middelen om deze doelstellingen te bereiken.
Participatie
Participatie onder de Omgevingswet houdt in dat burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden in een vroegtijdig stadium bij de besluitvorming over visies, plannen, programma’s en projecten in de fysieke leefomgeving worden betrokken, of dat deze partijen zelf initiatief nemen voor ontwikkelingen in de leefomgeving. Participatie is dus meer dan formele momenten, waarop burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties, zienswijzen kunnen indienen. Het betreft juist het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat de formele besluitvorming van start gaat.
Participatie aanpak
Een participatie aanpak wordt gemaakt voordat de voorgenomen participatie heeft plaatsgevonden. Het is een document waarin de voorgenomen aanpak is opgenomen voor de inrichting van de participatie bij een van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Document bevat tevens een toelichting waarom voor deze aanpak is gekozen. De participatie aanpak kan worden gepubliceerd als onderdeel van de kennisgeving.
Participatie verslag
Het participatieverslag wordt gemaakt nadat de participatie heeft plaatsgevonden. Het is een document waarin wordt toegelicht hoe de participatie bij een van de kerninstrumenten van de Omgevingswet is uitgevoerd. Het participatieverslag kan worden gepubliceerd als onderdeel van de motiveringsplicht.
RSPW
Rotterdamse Standaard voor Projectmatig werken. De RSPW is de professionele lat binnen de gemeente Rotterdam voor projectmatig werken en omvat naast de visie ook de (uitgewerkte) basisprincipes (afsprakenkader), het handboek RSPW, standaarddocumenten en formats.
Vooroverleg(fase)
Tijdens het vooroverleg gaan (toekomstige) initiatiefnemers in gesprek met de gemeente over de haalbaarheid van het (toekomstige) initiatief. Ook kan de gemeente zelf het vooroverleg opstarten door partijen aan de voorkant bij een bepaalde ontwikkeling te betrekken.
Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl