Aanhef
De Raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, elk voor zover het zijn bevoegdheden betreft,
gelezen het voorstel van 14 maart 2023,
(raadsvoorstel nr. 23bb001702/23bo003549); 23bb003494;
–gelet op artikel 13, 27, 28, 29, 37 en 38 van de Wet bodembescherming, artikel 44 en 47 van het Besluit bodemkwaliteit, de Regeling bodemkwaliteit en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht
overwegende dat:
–de ontwerp-Nota bodembeheer Rotterdam is aangepast conform de Zienswijzenrapportage;
besluit:
de Nota bodembeheer Rotterdam vast te stellen en de Nota Actief Bodem- en Baggerbeheer Rotterdam 2013 in te trekken.
Leeswijzer
De Nota Bodembeheer geeft aan hoe binnen de gemeente Rotterdam, in aanvulling op wettelijke regels, eigen regels zijn gesteld voor werken met grond of werken in, op en aan de bodem. Daarmee is deze Nota een leidraad voor aannemers, ingenieursbureaus, projectontwikkelaars, gemeentelijke diensten, water- schappen, Rijkswaterstaat en anderen.
De Nota is sterk technisch van aard en daarom is per hoofdstuk kort een samenvatting op hoofdlijnen opgenomen. Zo is sneller duidelijk waar de betreffende hoofdstukken over gaan.
3 Gemeentelijk beleid voor PFAS, lood, asbest en boor.
3.1 Poly- en Perfluoralkylstoffen (PFAS)
3.1.1 PFAS-verdachte locaties
Onder andere de volgende locaties zijn verdacht voor het voorkomen van een verontreiniging met PFAS in de grond en het grondwater:
1vliegvelden;
2brandweeroefenplaatsen;
3in het havengebied: opslagplaatsen van PFAS- houdend blusschuim en plekken, waar dit schuim is toegepast vanwege branden, morsingen van chemicaliën en andere calamiteiten;
4bedrijven waar de productie van fluorpolymeren zoals teflon plaatsvindt of waar verwerking plaats- vindt in eindproducten en/of sprake is van andere toepassingen van PFAS in bedrijfsprocessen;
5(glas)tuinbouwbedrijven: plaatsen waar bestrijdings- middelen (met mogelijk toegevoegd PFAS) zijn opgeslagen of gebruikt;
6galvanobedrijven: bij het verchroomproces is mogelijk PFOS gebruikt als mistonderdrukker om het vrijkomen van giftige chroom(VI)-dampen tegen te gaan;
7PFAS-houdende lozingen belasten de grote rivieren nog zodanig dat de onderhoudsbagger in het Rijnmondgebied diffuus belast is met PFAS. Dit geldt niet voor de onderhoudsbaggerspecielocaties van voor 1980, omdat de productie van PFAS pas rond die tijd is gestart;
8emissies van PFAS naar de lucht hebben mogelijk geleid tot een omvangrijke belasting in de wijde omgeving van een bron als gevolg van depositie vanuit de lucht op de bodem. Mogelijk speelt dit ook bij afvalverbrandingsinstallaties.
De verdachte locaties binnen Rotterdam zijn geïnventariseerd en vermeld op de PFAS-verwachtingenkaart (zie bijlage 4). Het gaat daarbij onder andere om:
1de voormalige brandweeroefenplaatsen van Rotterdam. Daarnaast zijn er enkele bestaande brandweertrainingslocaties in het havengebied waar regelmatig met PFAS-houdend blusschuim is geoefend;
2Rotterdam The Hague Airport, waar PFAS behalve in brandblusmiddelen ook bij het ijsvrij maken (de-icing) wordt gebruikt;
3locaties in het havengebied, waar calamiteiten (branden, morsingen van chemicaliën) zijn bestreden met fluorhoudend blusschuim. Blusschuim geldt vooralsnog als de grootste bron van PFAS-emissies in het milieu.
Wanneer op de bodem een verdenking rust van een verontreiniging met één of meerdere PFAS, dan is het noodzakelijk de bodem te analyseren op het volledige, landelijke standaardpakket PFAS. Bovendien is dan ook onderzoek naar PFAS in het grondwater noodzakelijk (zie paragraaf 4.1). Omdat bij onderzoeken in Rotterdam geen aanwezigheid van GenX is aangetoond, is de analyse op deze stof in Rotterdam alleen noodzakelijk wanneer er aanwijzingen zijn voor het gebruik van deze stof op de betreffende locatie.
Het landelijke standaardpakket PFAS omvat nu 30 stoffen die zijn opgenomen in de ‘Advieslijst te meten PFAS’ (lit 12) van 12 juli 2019 (Bodem+). Via een bekendmaking op de website van DCMR of via Bodem+, kan dit pakket aangepast worden.
3.1.2 Lokale Achtergrondwaarden PFAS
In het handelingskader PFAS zijn de generieke Achtergrondwaarden voor PFAS opgenomen.
De LAW voor PFAS zijn binnen de gemeente Rotterdam mede op verzoek van de minister bepaald. Het onderzoek en de resultaten zijn beknopt weergegeven in bijlage 4.
De Rotterdamse Bodemkwaliteitskaart kent vier kwaliteitsklassen. Per kwaliteitsklasse is voor de bovengrond (tot 1 m-mv) de PFAS-achtergrondconcentratie bepaald op basis van de 80-percentielwaarde (ofwel de P80) van alle metingen per kwaliteitsklasse. De P80-waarde is de waarde die in 80 % van alle gedane waarnemingen niet wordt overschreden. In de ondergrond (tussen 1 en 2 meter onder het maaiveld) is vrijwel geen PFAS aangetoond. Daarom is voor de ondergrond geen onderscheid gemaakt naar kwaliteitsklasse.
In tabel 3 zijn achtergrondconcentraties weergegeven.
Tabel 3 Achtergrondconcentraties in µg/kg ds
Op basis van de aangetroffen achtergrondconcentraties en de generieke Achtergrondwaarden zijn voor Rotterdam de volgende LAW voor PFAS vastgesteld. In tabel 4 zijn deze LAW weergegeven.
Tabel 4 LAW PFAS in µg/kg ds
PFOS
PFOA
Overige PFAS
Bovengrond (tot 1 m-mv)
1,6
1,9
1,4
Ondergrond (1 - 2 m-mv)
0,2
0,2
0,7
3.1.3 Lokale Maximale Waarden PFAS
Voor de klassen Natuur en Landbouw gelden als LMW bij hergebruik van grond de aangetroffen LAW van de bovengrond voor PFAS (zie tabel 5). Deze komen overeen met het gemiddelde verontreinigingsniveau in Rotterdam op onbelaste bodems.
Voor de klasse Wonen hanteert de gemeente Rotterdam de ecologische risiconorm voor Natuur. De gemeente Rotterdam volgt hiermee het landelijke beleid.
Voor de klasse Industrie is de LMW vastgesteld op 7 µg/ kg ds voor PFOS. Bij dit gehalte zijn er geen risico’s voor mens en milieu te verwachten, terwijl deze waarde het
Tabel 5 LMW en generieke MW voor PFAS in de grond (µg/kg ds)
hergebruik van grond sterk stimuleert. Deze norm ligt ruim onder de risiconormen van het RIVM (INEV’s) (paragraaf 3.1.4). Deze verruiming is alleen van toepassing op grond die afkomstig is uit de gemeente Rotter- dam. Via bekendmakingen op de websites van de gemeente Rotterdam en DCMR kan deze verruiming ook van toepassing worden verklaard op grond van regiogemeenten.
3.1.4 INEV’s PFAS
Door het RIVM zijn INEV’s voor PFAS vastgesteld
13https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstuk- ken/2022/05/02/verzamelbrief-bodem-en-ondergrondhttps://www.rivm.nl/documenten/risicogrenzen-ten-behoe- ve-van-vaststelling-van-interventiewaarden-voor-pfos-pfoa-en-0
zoals weergegeven in tabel 6 (lit. 9). In de grond of het grondwater kan een geval van ernstige verontreiniging worden bepaald op basis van de INEV’s. Hiervoor gelden dezelfde uitgangspunten als een geval van ernstige verontreiniging die wordt bepaald op basis van een interventiewaarde.
Tabel 6 INEV’s voor PFAS in de grond (µg/kg ds)
INEV’s
voor PFAS
Grond µg/kg ds
Grondwater (drinkwater) ng/l
Grondwater (zonder drink- water) ng/l
PFOS
59
9,9
2.700
PFOA
60
20
8.600
FRD-903
(GenX)
57
330
60.000
Op het moment van schrijven van deze Nota is het landelijke beleid rondom PFAS nog sterk in ontwikkeling.
Op het moment dat er nieuwe INEV’s of interventie- waarden worden vastgesteld, zijn deze ook van toepassing voor (het beleid van) de gemeente Rotterdam.
3.1.5 Zorgplicht PFAS
Wanneer een verontreiniging met PFAS is ontstaan als gevolg van incidenten of bedrijfsvoering op de locatie na 1987, is er in principe sprake van een nieuw geval van verontreiniging en geldt de zorgplicht.
Als de kwaliteitsklasse van de bodem wat betreft PFAS voldoet aan de kwaliteitsklasse van de kaartlaag bo- demkwaliteit, dan is er geen sprake van een nieuw geval van verontreiniging met PFAS. Terugsaneren tot de LMW behorend bij de kwaliteitsklasse van de kaartlaag bodemkwaliteit is daarmee mogelijk.
3.1.6 Saneringsmaatregelen PFAS
Het saneren van grond die met PFAS is verontreinigd, is nog niet goed mogelijk. Daar zijn verschillende redenen voor:
1voor PFAS-houdende grond is een beperkte niet-reinigbaarheidsverklaring afgegeven door Rijkswaterstaat-leefomgeving/Bodem+, op grond van de argumentatie dat binnen vijf jaar reinigings- technieken beschikbaar komen;
2het storten van PFAS-houdend slib is tot op heden maar op enkele stortplaatsen mogelijk;
3omdat er (nog) geen landelijke normering is voor PFAS in grond, is het voor grondreinigers te risicovol om PFAS-grond te reinigen. De afzet van de gereinigde grond is immers niet geregeld.
In gevallen van bodemverontreiniging waarbij de sanering van met PFAS verontreinigde grond nodig is, is het noodzakelijk in overleg met DCMR te zoeken naar maatwerkoplossingen.
3.2 Loodverontreiniging bij gevoelig gebruik
3.2.1 Definities
Voor het loodbeleid bij gevoelig gebruik worden de onderstaande definities gehanteerd:
1gevoelig gebruik: van gevoelig gebruik is sprake op plaatsen waar kinderen in de leeftijd tot 7 jaar spelen, op plaatsen waar gewassen worden gekweekt (moestuinen) en op plaatsen waar beide gebruiksvormen mogelijk zijn (wonen met tuin);
2contactzone: de contactzone is het onbedekte bovenste deel van de bodem bij gevoelig gebruik. In normale situaties geldt voor de contactzone een dikte van 0,5 meter.
3.2.2 Bepalen risico’s bij diffuus lood
Volgens de GGD is blootstelling aan lood in de bodem een risico voor kleine kinderen tot ongeveer 7 jaar. Zij zijn extra gevoelig zijn voor lood én zij lopen een reële kans om loodhoudende grond binnen te krijgen door grond in hun mond te stoppen en gronddeeltjes in te slikken (lit. 4). Inname van lood kan ook plaatsvinden door het eten van gewassen die zijn gekweekt in verontreinigde grond. Op basis van bovenstaande bloot- stellingsroutes adviseert de GGD nader te kijken naar de bodemkwaliteit op plaatsen waar sprake is van gevoelig gebruik (paragraaf 3.2.1). Voor oudere kinderen en volwassenen is er bij werkzaamheden in grond, zoals bij tuinieren, met gebruikelijke hygiënemaatregelen (zoals het wassen van de handen) weinig risico.
Blootstelling kan vooral plaatsvinden bij onbedekte grond waar lood aanwezig is in de contactzone. Verontreinigde grond die is afgedekt, levert weinig risico op.
Het belangrijkste gezondheidskundig effect van de opname van lood bij kinderen is de invloed op de hersenen. Dit effect wordt uitgedrukt in verlies van IQ-punten. De GGD GHOR Nederland (lit. 4) heeft gezondheidskundige risicowaarden voor lood in de bodem afgeleid bij 1 en 3 IQ-puntverlies voor kinderen tot 7 jaar. Het advies is om bij meer dan 3 IQ-puntverlies direct maatregelen te treffen. De streefsituatie op termijn is om te komen tot een voldoende bodemkwaliteit voor lood.
De gezondheidskundige risicowaarden die de GGD hanteert (voor 1 en 3 IQ-puntverlies) zijn van toepassing op twee categorieën gebruik. In de eerste categorie vallen kinderspeelplaatsen, wonen met tuin en kleine moestuinen (moestuinen kleiner dan 200m2). De tweede categorie geldt voor grotere moestuinen. De risicowaar- den zijn gebaseerd op de mogelijke opname van lood via het direct binnenkrijgen van grond of via voedsel dat is gekweekt in verontreinigde grond. Dit beleid gaat ervan uit dat bij moestuinen kleiner dan 200 m2 minder dan 50 % van de gewasconsumptie uit de eigen tuin komt. Meer dan de helft komt dus elders vandaan.
In tabel 7 staan de gezondheidskundige risicowaarden voor lood in de bodem vermeld, die door GGD GHOR Nederland zijn afgeleid. De gezondheidskundige risico- waarden gaan uit van het werkelijk gemeten loodgehalte, dus zonder correctie voor het gehalte organische stof en lutum.
De gemeente Rotterdam neemt de gezondheidskundige risicowaarden zoals bepaald door GGD GHOR Nederland over als norm voor het genoemde gevoelige gebruik in de contactzone.
De gemeente hanteert deze waarden bij bodem- onderzoeken en meldingen voor saneringen en meldingen voor het toepassen van grond. In de volgende situaties vindt een beoordeling plaats:
1bij werkzaamheden in sterk verontreinigde grond Wbb);
2bij een aanvraag voor het wijzigen van het bestem- mingsplan (Wabo);
3bij het indienen van een bouwplan voor een woning (Wabo);
4bij het toepassen van grond (Bbk).
3.2.3 Aanvullende beoordeling contactzone bij gevoelig gebruik
Bij gevoelig gebruik vindt voor lood een aanvullende beoordeling plaats van de contactzone op basis van het gemiddelde van de in de contactzone gemeten gehalten (zoals vermeld op het analysecertificaat). Er vindt geen correctie plaats van de gemeten concentraties naar de standaardbodem op basis van organische stof en lutum. De beoordeling van de bodemkwaliteit met betrekking tot lood in de contactzone kent de volgende categorieën:
1de bodemkwaliteit is voldoende en daarmee is de bodem geschikt voor het betreffende gebruik (zie
tabel 7). Er zijn geen maatregelen noodzakelijk;
2de bodemkwaliteit is matig (zie
tabel 7). Saneringsmaatregelen zijn niet noodzakelijk, maar het advies is om de blootstelling aan lood vanuit de bodem te beperken;
3de bodemkwaliteit is onvoldoende en daarmee is de bodem niet geschikt voor het betreffende gebruik (zie
tabel 7). Sanering is noodzakelijk, maar in bepaalde gevallen zijn tijdelijke maatregelen voorlopig voldoende.
NB: De bovenstaande beoordeling betreft alleen de aanvullende beoordeling op de parameter lood in de grond. De geschiktheid van de bodem is daarnaast vanzelfsprekend afhankelijk van het resultaat van de reguliere beoordeling van de bodem op basis van de Wbb.
Tabel 7 Gezondheidskundige risicowaarden voor lood in mg/kg ds (op basis van gemeten gehalten)
Bij het toepassen van grond in de contactzone (tot 0,5 m-mv) moet deze grond voldoen aan de eisen uit het Bbk en aan de GGD-waarden voor voldoende bodem- kwaliteit voor lood. Bij toepassing van schone grond (klasse Natuur) voor deze contactzone, is een expliciete toetsing niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit van schone grond voor lood is voldoende.
Als er geen sprake is van gevoelig gebruik of van een mogelijke blootstellingsroute (bijvoorbeeld wanneer de verontreiniging onder de contactzone of onder een gesloten verharding ligt), dan vindt er in huidige situaties geen aanvullende toetsing van grond plaats aan de normen voor bodemloodkwaliteit.
Bij gesloten bovenafdichtingen gaat het om:
1een aaneengesloten verharding (asfalt, beton) inclusief doorgroeitegels en speeltuintegels;
2een halfopen verharding van ten minste 20 centimeter dikte. Daarbij kan het gaan om een halfopen verharding van (bijvoorbeeld) grind of steenslag die voldoet aan de kwaliteitsnormen uit het Bbk voor niet-vormgegeven bouwstoffen;
3kunstgras met een fundering van grond van vol- doende kwaliteit of bouwstof, zoals bij sportvelden.
Andere vormen van bodembedekking zoals gras of boomschors verminderen het risico op contact met open grond. Het bevoegd gezag beschouwt deze (bij beoordeling) echter niet als een gesloten bovenafdichting.
3.2.4 Onderzoek contactzone bij gevoelig gebruik
Voor een juiste bepaling van het gemiddelde gehalte aan diffuus lood in de contactzone gelden de volgende uitgangspunten:
1onderzoek van de contactzone: het onderzoek richt zich in principe op de huidige, of de na herin- richting te realiseren, bovenlaag van de bodem van maaiveld tot 0,5 meter onder het maaiveld. Dit is van toepassing op alle situaties waarin onderzoeksplicht voor de bodem geldt, zoals nieuwbouw of bestem- mingswijziging. In bestaande situaties kan een minder dikke contactzone aanwezig zijn of worden aangebracht, zoals bij een eigen of tijdelijke beveiligingsmaatregel. Het onderzoek richt zich dan op die laag en de bemonsteringsdiepte is dan gelijk aan die laagdikte;
2onderzoeksstrategie: de strategie volgens de NEN 5740 wordt gehanteerd bij nieuwbouw en bestemmingswijziging. Een specifieke bemonsteringsstrategie voor het bepalen van de gemiddelde loodkwaliteit van de contactzone is opgenomen in de SIKB-handreiking 8102 (lit. 16).
In deze strategie omvat het nemen van meer grepen van de bovengrond, wat een beter beeld van het gemiddelde gehalte oplevert. Deze strategie is specifiek voor de stof lood opgesteld voor kinder- speelplaatsen, maar is ook geschikt voor andere stoffen die diffuus in de bodem aanwezig kunnen zijn, en voor bemonstering van tuinen;
3bodembedekking: het onderzoek richt zich alleen op de onbedekte bodem. Als er een gesloten bovenafdichting is, is geen contact met de bodem mogelijk en is er dus ook geen sprake van een contactzone;
4gemeten concentraties: voor lood vindt een toetsing plaats op basis van de gemeten concentraties in de bodem zoals vermeld op het analysecertificaat.
Er vindt geen correctie plaats van de gemeten concentraties naar de standaardbodem op basis van organische stof en lutum;
5de gemiddelde loodconcentraties: de beoordeling van de bodemkwaliteit gaat uit van het gemiddelde van de gemeten concentraties in de huidige of beoogde contactzone. Wanneer van een te beoordelen oppervlak meerdere metingen beschikbaar zijn, is het nodig hiervan een gewogen gemiddelde te berekenen, zoals aangegeven in bijlage 10.
3.2.5 Saneringsmaatregelen bij gevoelig gebruik
Bij saneringsmaatregelen waarbij sprake is van het aanbrengen van een leeflaag dient de kwaliteit van de leeflaag minimaal te voldoen aan de voorschriften van het Bdk. Op basis van het aanvullend loodbeleid geldt dat bij saneringsmaatregelen bij gevoelig gebruik de kwaliteit van de onbedekte contactzone (0-0,5 m-mv) ook moet voldoen aan de waarde voor Gezondheidskundige risicowaarden (zie tabel 7). Dit geldt ook voor de aanvullaag bij saneringen door middel van ontgraving en aanvullen. Bij sanering door middel van isolatie met een gesloten verharding gelden voor de ondergrond alleen de voorschriften van het Bbk.
Wanneer de saneringsmaatregelen binnen het Besluit uniforme saneringen (BUS) vallen, bepaalt art. 3.1.6 van de Regeling uniforme saneringen (RUS) dat de terugsaneerwaarde ten hoogste gelijk is aan de MW voor de functieklasse van het gebied waarbinnen de saneringslocatie ligt. De gemeente mag aan het het BUS en de RUS geen verplichte regels toevoegen. Indien sprake is van een loodverontreiniging en sanering plaatsvindt op basis van een BUS-melding, is het raadzaam om de LAW als terugsaneerwaarde op het meldingsformulier in te vullen. DCMR zal bij de beoordeling van een BUS-melding informatie over de geadviseerde bodem- kwaliteit voor lood bij gevoelig gebruik vermelden. In- dien bij een BUS-sanering sprake is van toepassing van grond in de contactzone die niet voldoet aan de waarde voor Gezondheidskundig Voldoende Bodemkwaliteit voor Lood, dan maakt de beoordeling van de evaluatie hier expliciet melding van.
3.2.6 Tijdelijke beveiligingsmaatregelen
Een laag grond van ten minste 0,2 meter dikte van vol- doende kwaliteit geldt als afdoende verbetering van de contactzone. Het is mogelijk een dergelijke laag aan te brengen als tijdelijke beveiligingsmaatregel in afwachting van definitieve saneringsmaatregelen. Voorwaarde hierbij is dat er geen menging optreedt met de onder- liggende verontreinigde bodem. In bestaande situaties, wanneer saneringsmaatregelen niet mogelijk zijn of onevenredig zwaar of ingrijpend zijn, kan dit een goede tijdelijke oplossing bieden. Uiterlijk bij herinrichting is het noodzakelijk de sanering uit te voeren.
Vastlegging van de tijdelijke beveiligingsmaatregel en aanmelding bij het bevoegd gezag is verplicht. Dit kan onder andere door middel van een bodemonderzoek van de aangebrachte contactzone, zoals toegelicht in paragraaf 3.2.4.
3.2.7 Advies vrijwillige maatregelen
Wanneer op de locatie geen beschikking rust in het kader van de Wbb, geldt in bestaande situaties geen
verplichting om de bodemkwaliteit te onderzoeken of te saneren.
Een eigenaar of gebruiker van een locatie kan echter zelf besluiten maatregelen te nemen bij een onvoldoende of matige bodemkwaliteit om het risico op blootstelling aan lood in de bodem te verminderen. Drie typen maat- regelen verlagen de mate van blootstelling aan lood in de bodem:
1het uitvoeren van een sanering op vrijwillige basis volgens de regels van de Wbb;
2het aanbrengen van een afdekking en daarmee het voorkomen van contact met verontreinigde bodem. Dit kan bijvoorbeeld een laag schone grond zijn, een grasmat of een verharding. Het is vervolgens nodig deze maatregelen in stand te houden. Als de wens of noodzaak bestaat om de situatie met een aangebrachte contactzone vast te leggen, bijvoorbeeld ten behoeve van overdracht van een woning, dan is het mogelijk dit vast te leggen en te melden bij het bevoegd gezag. Hiervoor is een bodemonderzoek nodig van de aangebrachte contactzone. Een erkend adviesbureau moet dit onderzoek uitvoeren;
3het nemen van praktische maatregelen op het gebied van hygiëne en het voorkomen van contact met en verspreiding van verontreinigde bodem. Deze praktische maatregelen zijn opgenomen op de website van de gemeente Rotterdam en in de folder, ‘Let op Lood! Tips om minder lood binnen te krijgen. (Rotterdam.nl)’ (lit. 11). De folder en website bieden ook tips en adviezen om blootstelling te voorkomen of te beperken. Bij opvolging van deze adviezen is de blootstelling minimaal. Het opvolgen van gebruiks- adviezen vraagt wel een voortdurend bewustzijn van de gebruiker van de locatie.
3.3 Asbest
3.3.1 Puntbronnen asbest
Puntbronnen kunnen aanleiding zijn om verontreinigingen tot boven de interventiewaarde te verwachten. Als uit het vooronderzoek blijkt dat een locatie asbest- verdacht is op basis van een puntbron, dan dient voor het vaststellen van de kwaliteit een verkennend of nader asbestonderzoek (NEN 5725 en NEN 5707) plaats te vinden. Asbestverdachte puntbronnen betreffen locaties waar (voormalige) activiteiten en gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die de bodem asbestverdacht maken. Deze locaties zijn in het kader van het opstellen van het landsdekkend beeld geïdentificeerd en opgenomen in het Historische bodembestand, waarbij gebruik is gemaakt van de Uniforme Bron Indeling (UBI).
Als aanvulling hierop gelden voor Rotterdam de volgende locaties:
1overslaglocaties van stukgoed en/of droge bulk daterend van vóór 1965;
2plaatsen waar regenwater van asbestdaken in de grond is gelopen;
3lintbebouwing.
Toelichting:
Bij bedrijven waar vóór 1965 stukgoed en/of droge bulk werd op- en overgeslagen (bijlage 5) kunnen asbest- vezels als stukgoed (juten en/of plastic zakken) zijn overgeslagen en mogelijk ook als droge bulk. Voor deze locaties geldt dat deze verdacht zijn voor asbest.
Bij oude gebouwen en schuren kunnen asbesthoudende plaatmaterialen in gebruik zijn als dakbedekking. Door verwering van de daken kunnen asbestvezels en stukjes asbesthoudend materiaal loskomen. Dit kan leiden tot bodemverontreiniging. Op plaatsen waar het regenwater van deze daken is gebruikt voor begieting of in de bodem infiltreert (breedte in het algemeen 1 meter, diepte 0,1 m) rust een verdenking van het voorkomen van asbest in de bodem. Deze locaties zijn niet op de kaart met asbest- verdachte activiteiten weergegeven, omdat deze niet worden geregistreerd. Binnen de Uniforme Bron Indeling (UBI) is er geen ‘activiteit’ asbestdak. En de mogelijke verontreinigingen zijn niet geïnventariseerd in het kader van het Landsdekkend beeld.
3.3.2 Diffuse asbestverontreinigingen
Gebieden die potentieel verdacht zijn voor diffuse verontreinigingen met asbest zijn geïdentificeerd op
basis van bouwhistorie (gesloopt, gebouwd of aangelegd in de periode tussen 1945 en 1998). De verdenking betreft met name grond waarin puinbijmengingen voorkomen. In beginsel zijn puinbijmengingen in deze gebieden diffuus verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Uitzondering hierop zijn duidelijk onverdachte bijmengingen, zoals slakken, koolassen, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers, straatstenen en/of trottoir- banden (lit. 8 en 14).
Bij diffuse verontreinigingen is het aannemelijk dat puinbijmengingen zonder zichtbare asbestverdachte materialen, niet leiden tot gehalten boven de interventie- waarde op basis van lokaal onderzoek.
Voor de gemeente Rotterdam is een asbestverwachtingenkaart beschikbaar (bijlage 5). Hierop is aangegeven of er binnen een RE (of een uit verschillende RE’s samen- gestelde grotere RE) sprake is van een verdenking voor diffuse verontreinigingen met asbest tot de interventie- waarde. Deze kaart is samengesteld op basis van historische gegevens (van de meest verdachte bodem- laag) en in het verleden aangetroffen asbestgehalten (bodemlaag tot 1 m-mv).
3.3.3 Toepassen van niet sterk verontreinigde asbesthoudende grond
Voor asbest vindt bij toepassen van grond geen dubbele toets plaats. Er wordt alleen getoetst aan de functieklasse van de locatie.
Wanneer uit vooronderzoek blijkt dat grond afkomstig is van een onverdachte locatie, kan de grond op basis van de Bodemkwaliteitskaart elders worden toegepast.
Als uit het vooronderzoek blijkt dat de grond afkomstig is van een puntbron, moet de grond verkennend en zo nodig nader op asbest onderzocht zijn. De resultaten van dit asbestonderzoek bepalen mede de klasse van de grond.
Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat de grond alleen verdacht is voor diffuse verontreinigingen met asbest (zonder puntbron), kan de grond op basis van de Bodemkwaliteitskaart als klasse Industrie elders worden toegepast. Voorwaarde is wel dat deze grond ook op basis van andere parameters toepasbaar is. Deze vrijstelling van onderzoek geldt alleen voor grond afkomstig uit het beheergebied van de gemeente Rotterdam. Via de website van DCMR wordt aangegeven welke gemeenten buiten Rotterdam binnen het beheer- gebied van de Bodemkwaliteitskaart liggen.
Uitsluitend voor toepassingen op locaties met een functieklasse Industrie is het toegestaan dat grond zichtbaar asbesthoudende stukjes bevat.
Het aantreffen van asbestverdachte materialen tijdens ontgraving kan aanleiding zijn voor een verkennend of nader asbestonderzoek.
3.3.4 Lokale Maximale Waarden voor asbest
Er geldt voor de gemeente Rotterdam een LMW voor de klassen Natuur, Landbouw en Wonen van 50 mg asbest/ kg ds. Het Rotterdamse beleid sluit hiermee aan bij het beleid van de andere gemeenten in het Rijnmondgebied. De genoemde LMW geldt ook als terugsaneerwaarde.
3.3.5 Tijdelijke uitname en tijdelijke uitplaatsing asbesthoudende grond
Op basis van de Richtlijn tijdelijke uitname asbest en puin (lit. 10) is asbest geen belemmering voor tijdelijke uitname en tijdelijke uitplaatsing van (puinhoudende) grond. De tijdelijke uitplaatsing kan plaatsvinden als ‘tijdelijk uitnemen’ binnen het Bbk
14Bbk, art 36, lid 3
. of als ‘tijdelijk uitplaatsen’ in het kader van het BUS
15BUS, art. 7, lid 1b
. Dit echter alleen wanneer tijdelijke uitname, of tijdelijke uitplaatsing voldoet aan de eisen en randvoorwaarden die de richtlijn beschrijft.
Verwijdering van toegepaste asbesthoudende materialen uit de bodem, dient overeenkomstig de regelgeving van asbestsloop plaats te vinden. Bij vragen kan contact worden opgenomen met de zogeheten ‘asbesttelefoon’ van DCMR. Hiervoor zijn het telefoonnummer 010 - 246 86 56 en het e-mailadres info@dcmr.nl beschikbaar.
Als aanvulling op de richtlijn geldt in Rotterdam dat bij het aantreffen van intacte asbestbuizen waarbij de omliggende grond geen visueel zichtbare buis- en/of kitresten bevat, voortzetting van het werk mogelijk is. Voorwaarde hierbij is dat hiervan melding plaatsvindt bij DCMR.
Ook wanneer tijdens de werkzaamheden onverhoopt blijkt dat de buis kapot is, of wanneer deze tijdens het graafwerk kapot gaat, dan dient hiervan direct melding plaats te vinden bij DCMR. In overleg worden dan de vervolgstappen bepaald.
5 Specifieke vereisten bodem onderzoek.
5.5 Bepalen risico’s
5.5.1 Bepalen humane risico’s
In specifieke situaties kan er al sprake zijn van humane risico’s wanneer er (nog) geen overschrijding van de interventiewaarde plaatsvindt. Aanvullend onderzoek is dan vereist. Het gaat om situaties waar humane risico’s ontstaan door:
1inname van stoffen (zoals cadmium, lood en/of drins) als gevolg van gewasconsumptie van knol- en/of bladgewassen uit moestuinen, volkstuinen, stadslandbouwtuinen of tuinbouwpercelen. Hier is het nodig het gemiddelde gehalte van de stof op basis van 20 steken uit de bovenste 50 centimeter in de contactzone te bepalen. Zo nodig kan er een analyse van gewassen, geteeld op de verontreinigde grond plaatsvinden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de SIKB-handreiking 8102 (lit. 16);
2uitdamping van vluchtige verbindingen uit de bodem onder woningen of kantoorpanden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om lichte oliesoorten [c6-c10], naftalenen en chlooroplosmiddelen). In dergelijke gevallen is een kwaliteitsonderzoek van de lucht in leef- en/of kruipruimtes noodzakelijk;
3de aanwezigheid van diffuse loodverontreiniging in de contactzone bij gevoelig gebruik (zie paragraaf 3.2).
Voor vinylchloride (monochlooretheen) ligt de grondwaternorm voor uitdamping (0,4 µg/l) onder de interventie- waarde (5 µg/l). Vinylchloride blijkt zelden in binnenlucht aantoonbaar, ook niet als dat volgens modelberekeningen (bijvoorbeeld Sanscrit) te verwachten is. Het RIVM heeft in een verkennende studie onderzocht of dit ligt aan de meetmethoden of aan de modelberekeningen (lit. 1).
Er zijn sterke aanwijzingen dat vinylchloride afbreekt en om die reden niet in de binnenlucht is terug te vinden.
Het Rotterdamse beleid verplicht onderzoek van de binnenlucht daarom alleen op basis van een VOLASOIL- berekening bij een overschrijding van de interventie- waarde voor vinylchloride in het grondwater.
Voor grondverontreinigingen met vluchtige verbindingen in de onverzadigde zone is de kans voor uitdamping en accumulatie van damp in afgesloten ruimten vele malen groter dan wanneer deze verontreinigingen alleen in het grondwater worden aangetroffen. Het onderzoeken van de binnenlucht is daarom noodzakelijk in afgesloten ruimten als overschrijding plaatsvindt van de interventie- waarden voor vluchtige verbindingen in de grond boven de grondwaterstand.
Voor het bepalen van de actuele humane risico’s biedt de notitie Toetsingskader actuele gezondheidsrisico’s bij bodemverontreiniging van de GGD Rotterdam- Rijnmond van 20 februari 2020 (meest actuele versie via website) (lit. 11) een handvat.
5.5.2 Bepalen ecologische risico’s
De ontwikkelingsmogelijkheden voor ecologie en bio- diversiteit in een stedelijk gebied zijn beperkt door het intensieve menselijke ruimtegebruik. De (chemische) bodemkwaliteit is zelden de beperkende stressfactor. Binnen de gemeente Rotterdam is het dan ook niet nodig om met het oog op ecologie in onder meer woongebieden, glastuinbouwgebieden, volkstuinen en moestuinen, industriegebieden, en op sportvelden en golfbanen beschermende of sanerende maatregelen te treffen.
Ook is een maatschappelijke afweging niet verplicht.
Een maatschappelijke afweging van de ecologische risico’s is wel verplicht wanneer er sprake is van:
1specifieke natuurdoelstellingen (NATURA 2000 gebieden, Natuurnetwerk Nederland of ecologische verbindingszones);
2een ecologisch gevoelige bodemfunctie. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om terreinen in de stad met bestemming natuur, grotere (deels) ecologisch beheerde stadsparken, buiten-stedelijke recreatie- gebieden en landbouwgebieden.
Voor het beantwoorden van de vraag of het zinvol dan wel noodzakelijk is om de ecologische risico’s (in stap 3 van de risicobepaling van het webbased computer- programma Sanscrit) locatiespecifiek te bepalen, is de NEN 5737 beschikbaar. Voor het locatiespecifiek bepalen van ecologische risico’s heeft het RIVM een handleiding opgesteld (lit. 5) en is door SIKB protocol 2301 opgesteld (lit. 16).
7 Werken met niet sterk verontreinigde grond of bouwstof.
7.3 Toepassen immobilisaat en stabilisaat
7.3.1 Werkzaamheden binnen een inrichting (mixed in plant)
Voor het immobiliseren of stabiliseren van grond binnen een inrichting (mixed in plant, off site) zijn binnen het Bbk, de Wet milieubeheer en de vigerende beoordelingsrichtlijnen de regels grotendeels voldoende vastgelegd. Als deze werkzaamheden plaatsvinden buiten de contouren van het saneringsplan of het Plan van Aanpak, dan kan er sprake zijn van een vergunningplichtige activiteit. Het advies is om in dat geval contact op te nemen met het bevoegd gezag Wabo.
7.3.2 Werkzaamheden op locatie (mixed in place)
Voor het immobiliseren of stabiliseren van grond op de locatie zelf (mixed in place, on site) is het nodig duidelijke afspraken met het bevoegd gezag te maken. Daarvoor zijn hieronder de uitgangspunten vastgelegd. Deze werkzaamheden kunnen op locatie zowel in- als ex-situ plaatsvinden. Bij grootschalige en/of langdurige bewerkingen is het advies om contact op te nemen met het bevoegd gezag Wabo, omdat er sprake kan zijn van een vergunningplicht.
7.3.3 Immobiliseren
Voorwaarden voor immobiliseren zijn:
1er moet sprake zijn van een nuttige toepassing;
2er is sprake van een verbetering van de milieu- hygiënische kwaliteit. Onderdeel hiervan is ook de optimale receptuur (mengverhouding);
3de opdrachtgever en (toekomstige) eigenaar van de toepassing moeten akkoord gaan met de werkzaamheden;
4het te immobiliseren uitgangsproduct betreft (sterk) verontreinigde grond. De immobilisatie van sterk verontreinigde grond binnen een geval van ernstige verontreiniging moet als onderdeel van een saneringsplan zijn opgenomen. In andere gevallen (veelal zorgplicht) is vooraf een Plan van Aanpak noodzakelijk dat moet zijn goedgekeurd. De beoordeling van dergelijke plannen vindt plaats binnen een termijn van zes weken. In alle gevallen is een melding Bbk noodzakelijk;
5het immobiliseren van (sterk) verontreinigde en Niet Toepasbare grond en bagger wordt aangemerkt als een bewerking. Deze bewerking valt echter niet onder de reikwijdte van BRL SIKB 7500 almede van protocol 7510. Wel is het noodzakelijk om bij het opstellen van het Plan van Aanpak – waar relevant – aan te sluiten bij de processtappen zoals deze in de genoemde BRL’en staan beschreven;
6de gemiddelde kwaliteit van de grond voldoet aan de gehalten die in de Factsheet Koude Immobilisatie grond (lit. 10) staan vermeld waarbij de fysische samenstelling ‘goed’ of ‘mogelijk’ is. Wanneer de kwaliteit van de grond hieraan niet voldoet, dient de initiatiefnemer aannemelijk te maken dat de aanwezige gehalten geen belemmering zijn voor een geslaagde immobilisatie;
7na het toevoegen van bindmiddel en andere noodzakelijke additieven is er sprake van een bouwstof. Toepassing van het immobilisaat (het geïmmobiliseerde uitgangsmateriaal) moet daarom terugneembaar zijn. Bij terugname is melding noodzakelijk aan het bevoegd gezag;
8het bindmiddel en de noodzakelijke additieven (ingangsproducten) moeten voldoen aan de samen- stellings- en emissiewaarden van een zogeheten niet-vormgegeven bouwstof uit het Bbk (stand-still). Hiervoor is een bewijsmiddel noodzakelijk volgens Bbk (productcertificaat, kwaliteitsverklaring, etc.). Indien deze middelen voorafgaand aan de immobilisatie niet aan de emissiewaarden voldoen, maar als onderdeel van het immobilisaat wel, dan is het noodzakelijk dit aannemelijk te maken;
9als het uitgangsmateriaal sterk verontreinigd was en onderdeel van een geval van ernstige verontreiniging, dan mag het immobilisaat de maximale emissie- waarden voor een niet-vormgegeven bouwstof niet overschrijden. Hiervoor is een onderzoek van proefstukken via een schudproef voldoende. Als de schudproef – worst-case – een verhoogde waarde oplevert, is het alsnog mogelijk voor een diffusieproef te kiezen. Een andere mogelijkheid is het monitoren van het immobilisaat voor een bepaalde periode. De initiatiefnemer dient in dat geval in het Plan van Aanpak een monitoringsplan op te nemen met een terugvalscenario voor het geval er sprake blijkt van ongewenste uitloging.
7.3.4 Stabiliseren
Voor het stabiliseren van grond gelden de volgende uitgangspunten:
1er moet sprake zijn van een nuttige toepassing. Onderdeel hiervan is ook de optimale receptuur (mengverhouding);
2de opdrachtgever en (toekomstige) eigenaar van de toepassing moeten akkoord gaan met de werkzaam- heden;
3er moet sprake zijn van grondverbetering die civieltechnisch van aard is. Hieronder vallen niet alleen een verbeterde stabiliteit maar ook andere aspecten als doorlatendheid, draagkracht en dergelijke;
4het te stabiliseren uitgangsproduct kan zowel her te gebruiken grond als (sterk) verontreinigde grond zijn. Het stabiliseren van sterk verontreinigde grond binnen een geval van ernstige verontreiniging moet als onderdeel van een saneringsplan zijn opgenomen. In andere gevallen is het nodig een Plan van Aanpak in te dienen bij DCMR. De beoordeling van dergelijke plannen vindt plaats binnen een termijn van zes weken. In alle gevallen is een melding Bbk noodzakelijk;
5het stabiliseren van sterk verontreinigde grond wordt aangemerkt als een bewerking en is daarmee erkenningsplichtig. Deze bewerking valt echter niet onder de reikwijdte van BRL SIKB 7500. Wel is het noodzakelijk om bij het opstellen van het Plan van Aanpak (waar relevant) aan te sluiten bij de proces- stappen zoals deze in de genoemde BRL’en staan beschreven. Het stabiliseren van her te gebruiken grond (zogeheten hergebruikgrond) binnen de kaders van het Bbk wordt aangemerkt als een bewerking en is daarmee erkenningsplichtig. Deze activiteit valt onder de reikwijdte van BRL SIKB 9335, protocol 9335-1 eventueel aangevuld met protocol 9335-9;
6de kwaliteit van het uitgangsmateriaal mag niet verslechteren. Het is noodzakelijk dit aan te tonen door het uitvoeren van een indicatief onderzoek voor en na stabilisatie. Hierbij dient analyse plaats te vinden op alle verdachte stoffen;
7het bindmiddel en de noodzakelijke additieven dienen te voldoen aan de samenstellings- en emissiewaarden van een niet-vormgegeven bouwstof uit het Bbk (stand-still). Hiervoor is een bewijsmiddel noodzakelijk volgens Bbk (productcertificaat, kwaliteitsverklaring, et cetera);
8als uit het onderzoek blijkt dat het gestabiliseerde materiaal uitloogt, is het noodzakelijk vooraf een monitoringsplan in te dienen en te laten goedkeuren.
9het gestabiliseerde materiaal dient te voldoen aan de emissiewaarde voor een niet-vormgegeven bouwstof. Hiervoor is een onderzoek van proef- stukken via een schudproef voldoende. Als de schudproef (worst-case) een verhoogde waarde oplevert, is het mogelijk alsnog voor een kolomproef te kiezen. Ook is het mogelijk het gestabiliseerde materiaal na toepassing voor een bepaalde periode te monitoren. De initiatiefnemer moet in dat geval in het Plan van Aanpak een monitoringsplan opnemen met een terugvalscenario voor het geval er sprake blijkt van ongewenste uitloging;
10de totale hoeveelheid bodemvreemd materiaal mag na toevoeging van bindmiddel/toeslagstof de 20 % (gewicht) niet overschrijden. Het is dus noodzakelijk het bindmiddel/de toeslagstof als bodemvreemd materiaal in de berekening mee te nemen;
11de toepassing van het gestabiliseerde materiaal moet terugneembaar zijn, behalve wanneer op laboratoriumschaal is aangetoond dat de grond na stabilisatie grond blijft en niet meer afzonderlijk te onderscheiden of te verwijderen is. Bij terugname is het noodzakelijk dit te melden aan DCMR;
12bij toepassing van het eindproduct is een melding Bbk noodzakelijk.
7.3.5 Plan van Aanpak toepassen immobilisaat of stabilisaat
Voor het toepassen van immobilisaat of stabilisaat is het nodig een Plan van Aanpak dan wel een saneringsplan op te stellen. Het bevoegd gezag moet het betreffende plan goedkeuren.
In het plan moet het volgende zijn opgenomen:
1bewijsmiddelen dat de voorgenomen toepassing voldoet aan de genoemde uitgangspunten;
2bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor de toepassing en nazorg zowel in aanlegfase als in de gebruiksfase;
3de ligging en omvang van de toepassing dienen met locatietekeningen en doorsneden helder in kaart te zijn gebracht. Ook moeten de locatietekeningen duidelijk maken waar de feitelijke toepassing plaatsvindt;
4wat de periode is waarin uitvoering van de werkzaamheden plaatsvindt;
5het onderzoek van proefstukken (zie ook hierboven). In overleg met DCMR is het mogelijk de resultaten van dit onderzoek ook op een later moment in te dienen.
Het bevoegd gezag kan aanvullende verplichtende eisen en maatregelen opnemen. Pas na goedkeuring van het plan en een startmelding, is het toegestaan tot uitvoering over te gaan. De gemeente dient de gelegen- heid te krijgen om de toepassingslocatie te inspecteren en eventueel controleproeven uit te voeren. De initiatief- nemer/opdrachtgever dient deze controles te faciliteren. Na afronding van de toepassing is het noodzakelijk een eindmelding te doen en een verslag van werkzaamheden (dan wel een evaluatieverslag) in te dienen bij DCMR. Dit verslag dient met name om de nieuwe situatie voor de toekomst vast te leggen in het bodembeheersysteem van DCMR.
7.4 Tijdelijke uitname
7.4.1 Bij bouwen of onderhoud binnen een werk
Bouw- en onderhoudsprojecten kunnen lang duren, tot wel enkele jaren. Bij dergelijke projecten kunnen grote hoeveelheden grond vrijkomen. Voor het ‘opzijzetten’ van deze grond binnen een werk gelden de volgende aanvullende eisen:
1op basis van bodemonderzoek of een ander geldig bewijsmiddel moet duidelijk zijn dat de grond niet boven de interventiewaarde verontreinigd is;
2om bijstort van grond of afvalstoffen te voorkomen moeten gronddepots zijn afgesloten met deugdelijke hekken van tenminste 1,8 meter hoog;
3het is noodzakelijk stofoverlast door verstuiving te voorkomen. Dit kan – wanneer nodig – door het nemen van maatregelen zoals het afdekken, bespuiten met preparaten of inzaaien van de depots;
4bouwstoffen dienen gescheiden te zijn van ontgraven grond;
5verschillende kwaliteitsklassen grond dienen gescheiden te zijn;
6bij het afronden van het werk is het noodzakelijk depots te verwijderen.
Bij grote projecten kunnen de grondbewegingen worden beschreven in een Plan van Aanpak, een grondstromen- plan of een saneringsplan. Door de grondbewegingen op basis van het plan te registreren in een kwaliteitssysteem, zijn separate meldingen van grond, die binnen het plan- gebied vrijkomt, tijdelijk wordt opgeslagen en wordt hergebruikt, niet noodzakelijk.
7.4.2 Bij aanleg en onderhoud van kabels en/of leidingen
Het tijdelijk uitnemen van grond bij aanleg en onderhoud van kabels en/of leidingen is toegestaan op de volgende voorwaarden:
1op basis van bodemonderzoek of een ander geldig bewijsmiddel moet duidelijk zijn dat de grond niet boven de interventiewaarde verontreinigd is;
2de grond dient teruggeplaatst te worden op dezelfde plaats en op dezelfde diepte. Hiervoor is het nodig de verschillende grondlagen separaat te ontgraven en op te slaan;
3depots dienen verwijderd te zijn bij het afronden van het werk.
Bijlage 2: Lokale waarden Rotterdam.
2.1Deel I: Normwaarden voor grond
In het eerste deel van deze bijlage zijn voor de gemeente Rotterdam de lokale normwaarden weergegeven voor stoffen in een standaardbodem (10 % humus, 25 % lutum).
Alle normwaarden zijn vermeld in mg/kg ds. Lokale verhoogde of afgeleide normwaarden zijn vet gedrukt. Tussen haakjes staan Indicatieve Niveaus Ernstige Verontreiniging (INEV’s), zoals opgenomen in de Circulaire bodem- sanering per 1 juli 2013 en het Handelingskader PFAS.
Parameter
AW
LMW
Landbouw
(L)MW
Wonen
(L)MW
Industrie
I
Waarde
Opmerkingen
metalen:
aluminium
30.000
70.000
antimoon
4,0
5
15
22
22
arseen
20
30
40
76
76
barium
190
280
550
920
920
antropogeen
beryllium
1,5
1,9
3,4
30
30
cadmium
0,60
1,0
3,7
13
13
chroom(III)
55
80
120
180
180
chroom(VI)
0,5
0,5
0,5
78
[78]
kobalt
15
25
50
190
190
koper
40
60
100
190
190
kwik
0,15
2,0
4,8
4,8
36
lood
50
200
300
530
530
Bij gevoelig gebruik zie
§3.2.2
molybdeen
1,5
10
88
190
190
nikkel
60
60
75
100
100
seleen
3,0
9,0
50
100
[100]
thallium
1,0
2,6
8,0
15
[15]
tin
6,5
40
200
900
[900]
vanadium
80
100
150
250
[250]
zilver
2,5
5
7,5
10
[15]
zink
140
200
350
720
720
organometalen:
som organisch tin
0,15
0,5
1,3
2,5
2,5
tributyltin (TBT)
0,065
0,065
0,13
0,50
organisch kwik
0,3
0,3
2,2
4,0
4,0
Parameter
AW
LMW
Landbouw
(L)MW
Wonen
(L)MW
Industrie
I-
Waarde
Opmerkingen
overige anorganische stoffen:
asbest
50
50
50
100
100
gewogen norm
boor
25
55
100
200
200
zie bijlage 6
chloride
200
200
200
570
[570]
fluoride
500
-
-
-
cyaniden-complex
5,5
10
10
50
50
thiocyanaten
60
10
10
20
20
olefinen
< 200
min. olie (C10-C40)
190
300
500
1.000
5.000
MTBE
0,20
0,20
0,20
0,20
[100]
ETBE
0,20
0,20
0,20
0,20
[100]
TBA (tertbutylalcohol)
0,1
-
16
-
26
vluchtige aromaten:
benzeen
0,20
0,20
0,20
1,0
1,1
ethylbenzeen
0,20
0,20
0,20
11,25
110
tolueen
0,20
0,20
0,20
1,25
32
xylenen
0,45
0,45
0,45
1,25
17
styreen (vinylbenzeen)
0,25
0,25
0,25
86
96
dodecylbenzenen
0,35
0,35
0,35
0,35
fenol
0,25
0,25
0,25
1,25
14
som cresolen
0,30
0,30
0,30
5,0
13
aromatische oplosmiddelen
2,5
2,5
2,5
2,5
poly-aromaten:
PAK’s totaal (som 10)
1,5
5,5
11
40
40
benzidine
0,043
dibenzofuran
40
difenyl/difenyloxide
10
pyridine
0,15
0,15
0,15
1,0
11
tetrahydrofuran
0,45
0,45
0,45
2,0
7,0
tetrahydrothiofeen
1,5
1,5
1,5
8,8
8,8
gehalogeneerde oplosmiddelen:
dichloormethaan
0,10
0,10
0,10
3,9
3,9
chloroform
0,25
0,25
0,25
3,0
5,6
tetrachloormethaan (tetra)
0,30
0,30
0,30
0,70
vinylchloride
0,10
0,10
0,10
0,10
0,10
1,1-dichlooretheen
0,30
0,30
0,30
0,30
0,30
1,2-dichloorethenen (som)
0,30
0,30
0,30
0,30
1,0
trichlooretheen (tri)
0,25
0,25
0,25
2,5
2,5
tetrachlooretheen (per)
0,15
0,15
0,15
4,0
8,8
1,1- dichloorethaan
0,02
0,20
0,20
0,20
15
1,2-dichloorethaan
0,20
0,20
0,20
4,0
6,4
1,1,1-trichloorethaan
0,25
0,25
0,25
0,25
15
1,1,2-trichloorethaan
0,30
0,30
0,30
0,30
10
dichloorpropanen (som)
0,80
0,80
0,80
0,80
2,0
bromoform
0,20
0,20
0,20
0,20
75
Parameter
AW
LMW
Landbouw
(L)MW
Wonen
(L)MW
Industrie
I-
Waarde
Opmerkingen
chlooraromaten
monochloorbenzeen
0,20
0,20
0,20
5,0
dichloorbenzenen (som)
2,0
2,0
2,0
5,0
5,0
trichloorbenzenen (som)
0,0030
0,65
0,65
5,0
11
tetrachloorbenzenen (som)
0,0090
0,22
0,22
2,2
2,2
pentachloorbenzeen
0,0025
1,4
2,5
5,0
6,7
hexachloorbenzeen
0,0085
0,22
0,75
1,4
2,0
hexachloorbutadiëen
0,0030
monochloorfenolen (som)
0,045
0,045
0,045
5,4
5,4
dichloorfenolen (som)
0,20
0,20
0,20
6,0
22
trichloorfenolen (som)
0,0030
1,0
1,9
6,0
22
tetrachloorfenolen (som)
0,015
0,50
1,0
6,0
21
pentachloorfenol
0,0030
1,0
1,4
5,0
12
gechloreerde PAK’s:
monochlooranilinen (som)
0,20
0,20
0,20
0,20
50
pentachlooraniline
0,15
0,15
3,0
5,9
[10]
chloornaftaleen (som)
0,070
0,070
0,070
10
23
chloorpolyaromaten/chloorbestrijdingsmiddelen:
α- HCH
0,0010
0,15
0,25
0,50
17
β- HCH
0,0020
0,10
0,20
0,50
1,6
γ- HCH (lindaan)
0,0030
0,10
0,30
0,50
1,2
δ-HCH
aldrin
0,0015
0,075
0,20
0,32
0,32
som drins (3)
0,015
0,20
0,50
4,0
4,0
DDT (som)
0,20
0,30
0,40
1,0
1,7
DDE (som)
0,10
0,20
0,25
1,3
2,3
DDD (som)
0,020
0,20
0,85
4,0
34
PCB’s (som 7)
0,020
0,10
0,25
0,50
1,0
som dioxines (I-TEQ)
0,000055
0,000055
0,000055
0,000055
0,00018
α-endosulfan
0,00090
0,050
0,10
0,50
4
chloordaan
0,0020
0,050
0,10
0,50
4
heptachloor
0,00070
0,050
0,10
0,50
4
heptachloorepoxide (som)
0,0020
0,050
0,10
0,50
4
overige bestrijdingsmiddelen:
4-chloormethylfenolen (som)
0,60
0,60
0,60
0,60
atrazine
0,035
0,035
0,035
0,50
0,71
azynfos-methyl
0,0075
0,0075
0,0075
0,0075
carbaryl
0,15
0,15
0,15
0,45
0,45
carbofuran
0,017
0,017
0,017
0,017
0,017
furfural
120
MCPA
0,55
0,55
0,55
0,55
4,0
TCPP
271
quintozeen
0,5
som niet-chloor-pesticiden
0,090
0,090
0,090
0,5
Parameter
AW
LMW
Landbouw
(L)MW
Wonen
(L)MW
Industrie
I-
Waarde
Opmerkingen
ftalaten:
dimethylftalaat (DMP)
0,045
1,0
9,2
60
82
diëthylftalaat (DEP)
0,045
0,60
5,3
53
53
di-isobutylftalaat (DIBP)
0,045
0,15
1,3
17
17
dibutylftalaat (DBP)
0,070
0,75
5,0
36
36
butylbenzylftalaat (BBP)
0,070
0,25
2,6
48
48
dihexylftalaat (DHP)
0,070
2,3
18
60
220
di (2-ethylhexylftalaat DEHP
0,045
1,0
8,3
60
60
perfluoralkylstoffen (PFAS):
PFOA
0,0019
0,0019
0,003
0,003
[1,1]
PFOS
0,0016
0,0016
0,003
0,007
[0,110]
FRD-903 (GenX)
0,0014
0,0014
0,003
0,003
[0,097]
overige PFAS, individueel
0,0014
0,0014
0,003
0,003
alcoholen, glycolen en ketonen:
methanol
3,0
3,0
3,0
3,0
[30]
butanol
2,0
2,0
2,0
2,0
[30]
isopropanol
0,75
0,75
0,75
0,75
[220]
diëthyleenglycol
8,0
8,0
8,0
8,0
[270]
ethyleenglycol
5,0
5,0
5,0
5,0
[100]
catechol
0,05
resorcinol
0,05
hydrochinon
0,05
cyclohexanon
2,0
2,0
2,0
150
150
methylethylketon
2,0
2,0
2,0
2,0
[35]
formaldehyde
b.g.
b.g.
b.g.
b.g.
[0,1]
overige stoffen:
(1,2-) butylacetaat
[0,50]
[0,50]
[0,50]
[0,50]
[200]
acrylonitril
b.g.
b.g.
b.g.
b.g.
[0,1]
ethylacetaat
2,0
2,0
2,0
2,0
[75]
b.g. = bepalingsgrens (zie Rbk, bijlage L. behorende bij artikel 1.1)
2.2Deel II: Normwaarden voor grondwater
In dit tweede deel van deze bijlage zijn de normwaarden voor de gemeente Rotterdam weergegeven voor stoffen in het grondwater.
Alle normwaarden zijn vermeld in µg/l. Lokaal verhoogde of afgeleide normwaarden zijn vet gedrukt. Tussen haak- jes staan waarden die zijn gebaseerd op Indicatieve Niveaus Ernstige Verontreiniging (INEV’s), zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en het Handelingskader PFAS.
Streefwaarde
Tussen- waarde
Interventie- waarde
Parameter
Ondiep
Diep
metalen:
aluminium
50
50
antimoon
5,0
5,0
12
20
arseen
50
15
75
100
barium
400
700
800
1.000
beryllium
0,050
[7,5]
[15]
cadmium
0,4
0,3
3,2
6,0
chroom(III)
1,0
2,4
16
30
kobalt
20
3,0
60
100
koper
15
3,0
45
75
kwik
0,05
0,05
0,17
0,30
lood
15
3,0
45
75
molybdeen
5,0
0,7
152
300
nikkel
5,0
20
40
75
seleen
0,070
[80]
[160]
thallium
2,0
3,5
7
tin
2,2
[26]
[50]
vanadium
1,2
[36]
[70]
zilver
[20]
[40]
zink
100
250
500
800
organometalen:
organotin verbindingen (som)
0,016
0,016
0,40
0,70
overige anorganische stoffen:
boor
300
630
bromide
3.000
chloride
300.000
300.000
650.000
1.000.000
fluoride
1.000
200
cyaniden-vrij
5,0
5,0
750
1.500
cyaniden-complex
10
10
755
1.500
thiocyanaten
5,0
5,0
750
1.500
componenten minerale olie:
min. olie (C10-C40)
50
50
600
MTBE
15
15
9.400
ETBE
15
15
9.400
TBA (tertiaire butanol)
50.000
50.000
100.000
d.l. = detectielimiet
NAW = natuurlijke achtergrondwaarde
Streefwaarde
Tussen- waarde
Interventie- waarde
Parameter
Ondiep
Diep
vluchtige aromaten:
benzeen
0,2
0,2
15
30
ethylbenzeen
4,0
4,0
127
150
tolueen
7,0
7,0
504
1.000
xylenen
0,20
0,20
35
70
styreen (vinylbenzeen)
6,0
6,0
253
300
styreen (vinylbenzeen)
6,0
6,0
253
300
dodecylbenzenen
[0,02]
fenol
0,20
0,20
1.000
2.000
som cresolen
0,20
0,20
100
200
aromatische oplosmiddelen
[75]
[150]
poly-aromaten:
naftaleen
0,010
0,010
35
70
fenantreen
0,010
0,010
2,5
5,0
antraceen
0,010
0,010
2,5
5,0
fluorantheen
0,010
0,010
0,5
1,0
chryseen
0,010
0,010
0,15
0,20
benzo(a)antraceen
0,010
0,010
0,25
0,50
benzo(a)pyreen
0,010
0,010
0,030
0,050
benzo(k)fluorantheen
0,020
0,020
0,035
0,050
indeno(1,2,3cd) pyreen
0,010
0,010
0,030
0,050
benzo(ghi)peryleen
0,020
0,020
0,035
0,050
pyridine
0,50
0,50
15
30
tetrahydrofuran
0,50
0,50
150
300
tetrahydrothiofeen
0,50
0,50
2.500
5.000
gehalogeneerde oplosmiddelen:
dichloormethaan
0,20
0,20
500
1.000
chloroform
6,0
6,0
203
400
tetrachloormethaan (tetra)
0,20
0,20
5,0
10
vinylchloride
0,10
0,10
2,5
5,0
1,1-dichlooretheen
0,10
0,10
5,0
10
1,2-dichlooretheen (cis+tr)
0,20
0,20
10
20
trichlooretheen (tri)
24
24
250
500
tetrachlooretheen (per)
0,010
0,010
20
40
1,1- dichloorethaan
7,0
7,0
8,5
10
1,2-dichloorethaan (EDC)
7,0
7,0
13,5
20
1,1,1-trichloorethaan
0,20
0,20
150
300
1,1,2-trichloorethaan
0,20
0,20
65
130
som dichloorpropanen
0,50
0,50
40
80
bromoform
0,10
0,10
315
630
Streefwaarde
Parameter
Ondiep
Diep
Tussenwaarde
Interventiewaarde
chlooraromaten:
monochloorbenzeen
7,0
7,0
94
180
dichloorbenzenen
3,0
3,0
28
50
trichloorbenzenen
0,10
0,10
5,0
10
tetrachloorbenzenen
0,020
0,020
5,0
10
pentachloorbenzenen
0,005
0,005
0,50
1,0
hexachloorbenzeen
0,005
0,005
1,0
2,0
monochloorfenolen
0,30
0,30
50
100
dichloorfenolen
0,20
0,20
15
30
trichloorfenolen
0,20
0,20
5,0
10
tetrachloorfenolen
0,050
0,050
5,0
10
pentachloorfenol
0,050
0,050
1,5
3,0
gechloreerde PAK’s:
monochlooranilines (som)
0,10
0,10
15
30
dichlooranilines
0,10
0,10
[50]
[100]
trichlooranilines
0,10
0,10
[5,0]
[10]
tetrachlooranilines
0,10
0,10
[5,0]
[10]
pentachlooraniline
0,050
0,050
[0,50]
[1,0]
chloorpolyaromaten/chloorbestrijdingsmiddelen:
α- HCH
0,020
0,020
β- HCH
0,010
0,010
ɣ- HCH (lindaan)
0,010
0,010
som HCH’s
0,050
0,050
0,5
1,0
aldrin
0,010
0,010
dieldrin
0,010
0,010
endrin
0,010
0,010
drins (som)
0,030
0,030
0,65
0,10
DDT/DDE/DDD (som)
0,060
0,060
PCB’s (som 7)
0,010
0,010
0,010
0,010
som dioxines (I-TEQ)
0,0000010
α-endosulfan
0,010
0,010
2,5
5,0
chloordaan
0,020
0,020
0,11
0,20
heptachloor
0,010
0,010
0,15
0,30
heptachloorepoxide
0,010
0,010
1,5
3,0
perfluoralkylstoffen (PFAS):
PFOA
[170]
PFOS
[56]
FRD-903 (GenX)
[140]
overige bestrijdingsmiddelen:
azynfos-methyl
0,010
0,010
[1,0]
[2,0]
ftalaten:
som ftalaten (8)
0,50
0,50
2,3
5,0
Streefwaarde
Tussen- waarde
Interventie- waarde
Parameter
Ondiep
Diep
alcoholen, glycolen en ketonen:
methanol
[12.000]
[24.000]
butanol
[2.800]
[5.600]
isopropanol
[15.500]
[31.000]
diëthyleenglycol
[6.500]
[13.000]
ethyleenglycol
[2.750]
[5.500]
catechol
0,2
0,2
[625]
[1.250]
resorcinol
0,2
0,2
[300]
[600]
hydrochinon
0,2
0,2
[400]
[800]
cyclohexanon
0,50
0,50
7.500
15.000
methylethylketon
[3.000]
[6.000]
formaldehyde
[25]
[50]
overige stoffen:
(1,2-) butylacetaat
[3.150]
[6.300]
ethylacetaat
[7.500]
[15.000]
Bijlage 4: PFAS onderzoek.
4.1BIO PFAS Rotterdam
De tekst in deze bijlage is afkomstig uit de notitie ‘Indicatieve bodemkwaliteitskaart PFAS Rotterdam’ van 19 juni 2020 en de daaropvolgende overleggen en documenten die zijn gemaakt voor het vaststellen van LMW.
In september 2019 is het onderzoek gestart voor het bepalen van de LAW in Rotterdam. Behalve data uit reguliere onderzoeken is ook apart onderzoek binnen het grondgebied van de Gemeente Rotterdam uitgevoerd om over vol- doende data te kunnen beschikken uit gebieden waar geen werkzaamheden of herontwikkelingen plaatsvinden.
4.1.11e ronde boringen
In november en december 2019 zijn er, verdeeld over heel Rotterdam, 100 boringen uitgevoerd. Het grondgebied van Rotterdam is opgedeeld in een raster van 2 x 2 kilometer met 100 vakken. In elk vak is in de onverharde bodem een boring tot 0,5 m-mv uitgevoerd. 1 op de 10 boringen is afgewerkt met een peilbuis.
4.1.22e ronde boringen
Na de eerste ronde analyses in het najaar van 2019 zijn begin 2020 ter plaatse van en rondom de boringen waar verhoogde waarden zijn gemeten, aanvullende boringen uitgevoerd. Het boorpunt waar de verhoogde waarden zijn gemeten is als middelpunt genomen en hieromheen is een vak van 2 x 2 km geplaatst. Dit vak is vervolgens opge- deeld in 9 afzonderlijke vakken. In elk van deze vakken is een nieuwe boring uitgevoerd.
Ter plaatse van de boringen waar in de eerste ronde verhoogde waarden zijn gemeten is een peilbuis geplaats en is het grondwater ook onderzocht.
4.1.3Grond (maaiveld tot 1,0 m-mv)
Er zijn data verzameld uit in totaal 152 projecten. Daarbij ging het om projecten van het Ingenieursbureau Rotter- dam, het Havenbedrijf, DCMR en externen. Dit betreft het Bijzonder Inventariserend Onderzoek (BIO) PFAS (IB- 2019-0302).
Onderstaand is het aantal waarnemingen, het minimale en maximale gehalte en de mediaan en 80-percentielwaar- de van de waarnemingen voor de gehele dataset, zonder uitschieters (waarnemingen die niet bij de overige warnemingen lijken te passen), gecorrigeerd voor organische stof en per kwaliteitsklasse van de kaartlaag bodemklasse weergegeven.
Kwaliteitsklasse Natuur
PFOS
PFOA
Overige PFAS
GenX
Minimaal gehalte
0,07
0,07
0,04
0,07
Maximaal gehalte
8,3
7,4
3,7
0,14
Aantal waarnemingen
211
191
192
89
Mediaan
0,5
0,3
0,7
0,07
80percentielwaarde
1,5
0,8
0,7
0,07
Kwaliteitsklasse Landbouw
PFOS
PFOA
Overige PFAS
GenX
Minimaal gehalte
0,07
0,07
0,05
0,05
Maximaal gehalte
24
8,6
2,3
0,2
Aantal waarnemingen
110
110
107
53
Mediaan
0,7
0,7
0,7
0,07
80percentielwaarde
1,6
1,8
0,7
0,07
Kwaliteitsklasse Wonen
PFOS
PFOA
Overige PFAS
GenX
Minimaal gehalte
0,07
0,07
0,02
0,03
Maximaal gehalte
71
20
19
0,07
Aantal waarnemingen
188
185
175
70
Mediaan
0,8
0,9
0,7
0,07
80percentielwaarde
1,8
2,2
0,7
0,07
Kwaliteitsklasse Industrie
PFOS
PFOA
Overige PFAS
GenX
Minimaal gehalte
0,07
0,07
0,06
0,07
Maximaal gehalte
28
5
18
0,07
Aantal waarnemingen
102
104
105
42
Mediaan
0,95
0,5
0,7
0,07
80percentielwaarde
1,8
1,3
0,7
0,07
Kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’
PFOS
PFOA
Overige PFAS
GenX
Minimaal gehalte
0,07
0,07
0,07
0,07
Maximaal gehalte
2,5
2,6
0,7
0,07
Aantal waarnemingen
27
28
26
5
Mediaan
0,3
0,2
0,7
0,07
80percentiel
1,4
0,8
0,7
0,07
Ondergrond alle kwaliteitsklassen (1,0-2,0 m-mv)
PFOS
PFOA
Overige PFAS
GenX
Minimaal gehalte
0,03
0,04
0,03
0,05
Maximaal gehalte
20,00
3,60
15,00
0,07
Aantal waarnemingen
134
117
125
26
Mediaan
0,10
0,10
0,70
0,07
80percentielwaarde
0,2
0,2
0,7
0,07
4.1.4Analyse data
Uit de dataset blijkt dat er geen relatie is te leggen tussen de gemeten waarden en de functieklasse. Verspreid over Rotterdam laat een aantal metingen waarden zien boven de toepassingsnorm zonder dat daar een aanwijsbare oorzaak voor is.
De vergelijking van de totale database met enkel de metingen van BIO PFAS laat een klein verschil zien. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat in BIO PFAS hoofdzakelijk metingen van 0 tot 0,2 m-mv en van 0,2 tot 0,5 m-mv zitten. De totale database bevat ook metingen van de diepere (0,5 tot 1,0 m-mv) en minder belaste bodemlagen. Een analyse van de data van BIO PFAS laat dit ook zien. De 80-percentielwaarde van de monsters maaiveld tot 0,2 m-mv is hoger dan die van 0,2 tot 0,5 m-mv.
4.1.5Voorstel Lokale Maximale Waarden PFAS-verbindingen
Voor de afleiding van de LMW is de totale dataset zonder uitschieters (uitbijters) gebruikt. De klasse Industrie en ‘sterk verontreinigd’ zijn samengevoegd.
Stof
Klasse
LMW
PFAS-verbindingen in µg/kg ds
PFOS
Natuur
1,6
Landbouw
1,6
Wonen
3
Industrie/sterk verontreinigd
7
PFOA
Natuur
1,9
Landbouw
1,9
Wonen
7
Industrie/sterk verontreinigd
7
Overige PFAS, GenX
Natuur
1,4
Landbouw
1,4
Wonen
3
Industrie/sterk verontreinigd
3
Bijlage 6: Afleiding lokale normering boor in de grond en het grondwater.
6.1Gedrag boor in het (natuurlijke) milieu
In de meestal neutrale klei- en zandbodems (pH 6,5 à 8) van het Rijnmondgebied is boor vooral in de vorm van anionen aanwezig: als boraat (HBO 1-), dan wel als perboraat (B O 2-) bij hoge concentraties. In zuurdere (venige) gronden zijn vrijwel alleen boraten aanwezig.
Boraten en perboraten zijn zeer goed oplosbaar in water tot meer dan 10 g/l. In de bodem vindt nauwelijks binding plaats van aan organische stof (humus) omdat het gaat om een negatief geladen anion. Wel vindt binding plaats aan ijzer(III)- en alumimiumoxiden, maar het ijzergehalte van zeekleigronden is in zijn algemeenheid laag en de bindings- ruimte aan de positief geladen zijkanten van kleiplaatjes is beperkt, mede door de afschermende en competitieve werking van organische stof. In de zuurdere venige gronden is de binding aan ijzer/aluminiummineralen minder sterk maar neemt de binding aan organische stof toe. In de bodem is boor is zijn algemeenheid dan ook zeer mobiel.
Boraten zijn zeer weinig vluchtig, waardoor depositie nauwelijks een rol speelt bij de verspreiding van boraten in het milieu. Wel kan door zogeheten inwaai van zout water sprake zijn van een verhoogde depositie in kustgebieden tijdens het stormseizoen.
Boor is een essentieel micronutriënt voor plant, dier en mens. Vanwege de mobiliteit van boor in de bodem, is het gemakkelijk opneembaar door planten, ook als de boorgehalten in de grond zeer laag zijn (0,1 à 0,5 mg/kg ds).
In de dalgronden in Noordoost-Nederland is er dan ook sprake van boriumgebrek voor diverse gewassen en vindt bijmesting met boraten plaats.
Overmaat van boor komt echter ook voor, met name in vulkanische gronden en soms ook in zeekleigronden. De gehalten in het grondwater zijn dan giftig voor planten. Bij een gehalte van meer dan 50 à 60 mg/kg ds zouden er voor de meest gevoelige plantensoorten (waaronder gerst) fyto-toxische effecten optreden. Voor de meeste landbouw- gewassen ligt deze waarde waarschijnlijk veel hoger en is een fyto-toxische norm van 200 mg/kg ds realistischer.
Ook bodemtype speelt hierbij evenwel een rol. Zover bekend, treedt er geen bio-accumulatie op in de voedselketen.
6.2Toepassing boraten door de mens
Boor is weinig giftig voor mensen. De drinkwaternorm is hierdoor hoog (Nederland: 500 µg/l, WHO en EU: 1.000 µg/l). Ook de ADI is relatief hoog: 0,2 (RIVM) à 0,4 (WHO) mg/kg lg/dag. Omdat boor, in dit geval booroxiden en boraten, reprotoxisch zijn, staat ze op de lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS).
Het gebruik van boor vindt op grote schaal toepassing in:
1houtverduurzamingsmiddelen, waaronder wolmanzouten (boraten);
2cosmetische producten: zeep, tandpasta, make-up, etc. (boraten);
3wasmiddelen als bleekmiddel (perboraten)l;
4geharde glassoorten, glasvezels en emaille (boor);
5staalsoorten (boor);
6nucleaire toepassingen.
Daarnaast komen er boraten vrij via de verbranding van steenkool; het meeste wordt afgevangen in de vliegas.
Vanwege het algemene gebruik van boraten in wasmiddelen en cosmetische producten komen boraten ook in water- zuiveringsinstallaties terecht. Ze worden deels afgevangen in het zuiveringsslib (indicatief: 10 à 50 mg/kg ds) en verder geloosd via het effluent (indicatieve concentraties: 1.000 à 6.500 µg/l).
Belangrijke puntbronnen van bodemverontreiniging met boraten zijn:
1houtverduurzamingsbedrijven (in Overijssel tot 88.000 µg/l gemeten in grondwater);
2stortplaatsen van steenkoolvliegas;
3overslag- en verwerkingsbedrijven van boraten;
4opslagplaatsen van RWZI- en/of riool- en kolkenslib.
In het Rotterdamse havengebied (Botlek-Welplaathaven) vindt overslag van boor plaats en bewerking tot boorzuur, boortrioxide, boraten en perboraten. In het verleden hebben er op grote schaal morsingen plaatsgevonden op de bodem door de op- en overslag van boorerts, waardoor de bodem en het grondwater onder het terrein verontreinigd zijn geraakt met boraten.
6.3Afleiding en voorstellen normen in grond
Boraten komen van nature voor in de moedergesteenten, waaruit de sedimenten en bodems in Nederland zijn opgebouwd. Het gaat hierbij vooral om het mineraal toermalijn, een aluminium-boorsilicaat, waarin ongeveer 3,1 % boor aanwezig is. De boorgehalten boor in Europees gesteente variëren van 5 mg/kg ds in basalt tot 100 mg/kg ds in leisteen. De boorgehalten in Nederlandse gronden zijn in zijn algemeen laag: van minder dan 0,1 mg/kg ds in dal- gronden tot mogelijk 200 mg/kg ds in zeekleigronden.
In het kader van het ‘exotenonderzoek’ is in Rotterdamse antropogene bodems in 2002 - 2003 onderzoek gedaan naar de boorgehalten, met het volgende (statistische) resultaat:
aantal
min.
P50
rek.gem
P80
P90
P95
max.
Rolbezem 0 tot 1 m-mv (2002 - 2005):
2.508
2,5
7,5
13
23
Rolbezem 1 tot 2 m-mv (2002 - 2005):
2.510
2,5
8,9
15
29
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is een voorlopige achtergrondwaarde voor boor afgeleid van 25 mg/ kg ds. Deze is als indicatieve normwaarde vastgelegd in de Rotterdamse Nota ‘Actief Bodem- en Baggerbeheer 2013’. Door TTE, die onderzoek deed naar boor in de provincie Gelderland, is een achtergrond-waarde van 20 mg/kg ds voorgesteld voor zandgronden. Op basis van expert-judgement is verondersteld dat in kleigronden de achtergrond- gehalten mogelijk veel hoger zijn, tot 200 mg/kg ds.
Daarnaast zijn door het RIVM humane en ecologische normen afgeleid. De humane risiconormen zijn veel hoger dan de ecologische, maar de onderbouwing van vooral de ecologische risiconormen is zwak. Op basis van de beschikbare normvoorstellen zijn in de Rotterdamse beheerNota van 2013 indicatieve normen voor de kwaliteitsklasse Land- bouw, Wonen en Industrie afgeleid (zie bijlage 2). Op basis hiervan wordt een indicatieve interventiewaarde van 200 mg/kg ds voorgesteld.
6.4Afleiding en voorstellen normen in grondwater
Het adviesbureau TTE heeft in opdracht van de provincie Gelderland normwaarden voor boor in grondwater afgeleid. Zij doen de volgende voorstellen:
1streefwaarde grondwater: 100 µg/l;
2interventiewaarde grondwater: 750 µg/l.
Deze voorstellen zijn gebaseerd op expert-judgement (normering grond) en de statistische analyse van grondwater- data uit Gelderland en Overijssel. De grondwaterdata zijn waarschijnlijk representatief voor de niet-mariene gronden in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland.
aantal
min.
P50
rek.gem
P80
P90
P95
max.
Freatisch grondwater (5 m-mv):
49
2,4
38
44
±60
±80
±97
261
Middeldiep grondwater (10 m-mv):
26
4,0
27
29
±40
±60
±97
111
Diep grondwater (20 m-mv):
11
5,1
9,0
14
±17
±30
±38
41
Deze normvoorstellen wijken aanzienlijk af van de streefwaarden voor grondwater, zoals deze voor 2000 door het RIVM in het kader van de Nota Integrale Normstelling Stoffen (INS) zijn afgeleid:
1Streefwaarde ondiep grondwater: 6,5 µg/l;
2Streefwaarde diep grondwater: 262 µg/l.
Deze voorstellen zijn hebben nooit een formele status gekregen in het kader van het bodemsaneringsbeleid. De normwaarde voor ondiep grondwater is zelfs veel lager dan de voorstellen van TTE voor de provincie Gelderland.
Uit een statistische analyse van beschikbare grondwaterdata binnen Rotterdam, blijkt dat in (peri )mariene klei- en veengebieden de achtergrondwaarden aanzienlijk hoger zijn dan elders in Nederland. Dit is niet onlogisch, aangezien in zeewater de boorgehalten van nature zeer hoog zijn, zo’n 4.600 mg/l (= 46.000.000 µg/l).
In het kader van het Bijzonder Inventariserend Onderzoek (BIO) freatisch grondwater Rotterdam, zijn in 2005 alle beschikbare data uit geheel Rotterdam geanalyseerd. De staart van de statistische verdeling (P90 - maximum) levert zeer hoge waarden op; dit is niet onverwacht, aangezien ook de data van een verontreinigd bedrijfsterrein in de Botlek in deze dataset zijn opgenomen. Dit beïnvloedt de statistische verdeling in belangrijke mate, waardoor geen goed beeld ontstaat van de achtergrondwaarden voor boor in Rotterdam.
Het BIO diep grondwater Rotterdam van 2015 levert wel een bruikbaar beeld op als op basis van de chloridengehalten een onderscheid wordt gemaakt tussen zoet (Cl ≤ 300 mg/l), brak (300 > Cl ≤ 1.000 mg/l) en zout (Cl > 1.000 mg/l) water. Aanvullend inzicht leveren de monitorings-data, verzameld in het kader van Pilot Botlek voor Gebiedsgericht Grondwaterbeheer.
De data van grondwater in Rotterdam, gesorteerd op zoet (Cl ≤ 300 mg/l), brak (300 < Cl ≤ 1.000 mg/l) en zout (Cl > 1.000 mg/l), leveren voor boor het volgende beeld op:
aantal
min.
P50
rek.gem
P80
P90
P95
max.
BIO freatisch grondwater Rotterdam (2005):
44
25
320
37.200
650
46.000
190.000
780.000
Monitoring GGB-pilot Botlek, zoet (2014):
11
180
420
421
440
510
530
570
BIO diep grondwater Rotterdam, zoet (2015):
35
14
77
162
160
290
380
1.800
Monitoring GGB-pilot Botlek, brak (2014):
65
320
800
737
960
1.000
1.100
1.200
BIO diep grondwater Rotterdam, brak (2015):
15
44
210
202
290
310
330
aantal
min.
P50
rek.gem
P80
P90
P95
max.
Monitoring GGB-pilot Botlek, zout (2014):
86
310
1.000
1.105
1.500
2.000
2.100
2.400
BIO diep grondwater Rotterdam, zout (2015):
5
190
1.100
924
[1.800]
2.000
Opvallend is dat in de zoete gebiedsdelen van Rotterdam de achtergrondwaarden voor freatisch en diep grondwater maar weinig verschillen. Dit is in het havengebied echter geheel anders, omdat hier het grondwater in de diepte steeds zouter wordt. In de randzones langs de rivier en het Hartelkanaal is door verzoeting van het grondwater ook op grotere diepte (holoceen) nog zoet water aanwezig, maar zijn de boorgehalten nog duidelijk hoger dan in het stedelijke gebied meer oostwaarts.
Op basis van de 90-percentielwaarden van de diverse onderzoeken worden de volgende streefwaarden voor boor in grondwater voor de Rijnmondregio voorgesteld:
1zoet en brak grondwater in de binnendijkse gebieden (tot in het 1e watervoerende pakket): 300 µg/l;
2zoet grondwater in het havengebied: 500 µg/l;
3brak grondwater in het havengebied: 1.000 µg/l;
4zout grondwater: 2.000 µg/l.
Mogelijk zijn de normwaarden voor het havengebied ook van toepassing op Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee. Hiervoor is echter een nadere analyse nodig.
Daarnaast zijn er door het RIVM voor boor normwaarden voor ernstig risico afgeleid, waarbij de laagste risicowaarde maatgevend is voor het interventiewaarde-voorstel:
1ernstig risico humaan: 30.000 µg/l;
2ernstig risico humaan via drinkwater: 6.280 µg/l;
3ernstig risico ecologie: 6.800 µg/l in 2010, in 2012 herzien tot 7.100 µg/l.
De voorgestelde interventiewaarde ligt daarmee op 6.300 µg/l, maar deze normwaarde is niet formeel vastgesteld.
Het ernstig risico humaan via drinkwater is bepaald op basis van volledige opvulling van de ADI (Acceptable Daily Intake). Omdat de WHO-opvulling van 10 % van de ADI via drinkwater-consumptie maximaal toelaatbaar acht, zou een landelijke interventiewaarde van 630 µg/l meer voor de hand liggen. Deze normwaarde ligt echter net onder de voorgestelde achtergrondwaarde voor freatisch grondwater in het havengebied en is daarmee dus niet hanteerbaar als interventiewaarde.
Voorgesteld wordt de volgende interventiewaarden voor boor in grondwater vast te stellen voor Rotterdam, gekoppeld aan het chloridegehalte (zoet-brak-zout) in het grondwater:
1voor zoet en brak grondwater in de poldergebieden 630 µg/l. Het gaat hier om het grondwater in de ophooglaag (freatisch), het holoceen en het pleistocene 1e watervoerende pakket;
2voor zout grondwater in de poldergebieden: 6.300 µg/l. Het gaat hier veelal om het 2e watervoerende pakket en mogelijk ook om het ‘zoutvenster van Zoetermeer’;
3voor alle grondwater (zoet, brak en zout) in het havengebied 6.300 µg/l.
6.5Concentraties in oppervlaktewater
Over de (natuurlijke) achtergrondwaarden in oppervlaktewater is relatief weinig bekend. De voorgestelde waarden variëren nogal:
1voor de Dommel: 17 µg/l (zoet water);
2door Deltares voorgesteld (P10 landelijke dataset) en overgenomen door Rijkswaterstaat: 26 µg/l voor zoet water en 3.000 µg/l voor zout water;
3voorgesteld door het RIVM in 1997: 62 µg/l (zoet water).
In de Nieuwe Waterweg (meetponton Maassluis) is in de periode 2009-2014 ±50 µg/l (range: 34 tot 77 µg/l) aan boor gemeten. Hoewel de invloed vanuit zee hier groot is, liggen deze waarden relatief dicht bij de natuurlijke achter- grondwaarde van 26 µg/l, zoals deze waarschijnlijk van toepassing is op het watersysteem van Rijn en Maas.
De concentratie in Noordzeewater ligt op 4.600 µg/l.
In het kader van de Kaderrichtlijn Water zijn milieukwaliteitsnormen (MKN) vastgesteld voor zoet water, jaargemiddeld (JG) en maximaal aanvaardbaar (MAC):
1JG-MKN: 180(+AC) µg/l;
2MAC-MKN: 450(+AC) µg/l.
Het oppervlaktewater in Rotterdam voldoet ruimschoots aan deze normen.
6.6Voorstel normwaarden boor
grondwater (µg/l)
opper vlakte- water (zoet)
havengebied
normwaarde
grond
(mg/kg ds)
zoet/brak
polders
zout
brak
zoet
Achtergrondwaarde
25
300
2.000
1.000
500
26
LMW Landbouw
55
LMW Wonen
100
LMW Industrie
200
I-waarde/JG-MKN
200
630
6.300
6.300
6.300
[206]
MAC-MKN
[476]
6.7Literatuur
Onderstaande literatuur heeft specifiek betrekking op het onderwerp in deze bijlage en is daarom separaat opgenomen:
1A.B. Roeloffzen, 20 juni 2013, Nota Actief bodem- en Baggerbeheer Rotterdam 2013; Bijlagen, DCMR Milieudienst Rijnmond, Schiedam.
2P.O. de Vries, H.C.M. Koomen, 19 juli 2005, Voorkomen, gedrag en risico’s van boor, TTE, Deventer (rapportnummer C0428).
3R. van Herwijnen, C.E. Smit, 2010, Environmental risk limits for boron, RIVM, Bilthoven (letter report 60178203/2010).
4L. Osté, G.J. Zwolsman, J. Klein, 2012, Methods to derive natural background concentrations of metals in surface water, Deltares, Utrecht.
5L. Osté, 2013, Derivation of dissolved background concentrations in Dutch surface water based on a 10th-percentile of monitoring data, Deltares, Utrecht.
Bijlage 7: Uitbreiding standaardpakket.
7.1Stoffenpakket, als geen voorinformatie beschikbaar is en voor grond uit het buitenland
Wanneer geen voorinformatie over de aard en herkomst van partijen grond of baggerspecie beschikbaar is, is het niet mogelijk om uit te sluiten dat:
1de partij afkomstig is van een puntbronlocatie, waar de bodem met stoffen is belast, die niet in het standaard- pakket zijn opgenomen;
2de partij afkomstig is uit een oude ophoog/verhardingslaag, waarin stoffen (bijvoorbeeld asbest) voorkomen, die niet in het standaardpakket zijn opgenomen;
3de partij afkomstig is van een baggerspecieloswal, zodat aanvulling op het standaardpakket nodig is met enkele metalen, organotinverbindingen en persistente (chloor) bestrijdingsmiddelen;
4de partij afkomstig is van een voormalig (glas)tuinbouw- of akkerbouwgebied of een oude boomgaardlocatie, zodat aanvulling noodzakelijk is met diverse veel gebruikte persistente (chloor)bestrijdingsmiddelen.
Een uitbreiding van het stoffenpakket is dan onvermijdelijk en omvat tenminste de volgende stoffenlijst:
Tabel 11 Stoffenpakket, als geen voorinformatie beschikbaar is
Anorganische stoffen
Organische stoffen
–droge stof
–lutum
–asbest
–chloride
–organische stof
Metalen:
–arseen
–barium
–cadmium
–chroom
–kobalt
–koper
–kwik
–molybdeen
–lood
–nikkel
–zink
Organische somparameters:
–minerale olie
–PAK’s totaal (som 10)
–PCB’s (som 7)
–DDT (som), DDD (som), DDE (som)
–aldrin, dieldrin, endrin telodrin, isodrin
–OCB-scan
–PFAS
Overige stoffen:
–cyaniden-totaal
In feite is dit stoffenpakket een worst-casepakket voor de meest voorkomende gevallen van diffuse bodemveront- reiniging. Door alsnog voorinformatie te verzamelen, is het mogelijk het stoffenpakket te beperken en daarmee keuringskosten te besparen.
7.2Stoffenpakket baggerspecieloswallen en onderhoudsbagger uit haven of rivier
Als uit het vooronderzoek blijkt dat op de te onderzoeken locatie mogelijk uit de rivier of aanliggende havenbekkens afkomstig onderhoudsbaggerspecie aanwezig is, is het noodzakelijk het standaardpakket uit te breiden. Dit leidt tot de volgende stoffenlijst, waarin de extra stoffen zijn onderstreept:
Tabel 12 Stoffenpakket baggerspecieloswallen en onderhoudsbagger uit haven of rivier
Anorganische stoffen
Organische stoffen
–droge stof
–lutum
–organische stof
Metalen:
–arseen
–barium
–cadmium
–chroom
–kobalt
–koper
–kwik
–molybdeen
–lood
–nikkel
–zink
Organische somparameters:
–minerale olie
–PAK’s totaal (som 10)
–PCB’s (som 7)
Overige organische stoffen:
–aldrin, dieldrin, endrin, telodrin, isodrin
–PFAS (na 1980)
Dit aanvullende pakket is gebaseerd op dat wat bekend is van maatgevende stoffen in baggerspecie die afkomstig is van een groot aantal onderhoudsbaggerloswallen in de regio. Drins komen vanwege de regionale productie en lozing sterk verhoogd voor in de bodem (en grondwater) van oude baggerloswallen en zijn daarom toegevoegd aan de stoffenlijst.
7.3Stoffenpakket oude boomgaarden
Als uit het vooronderzoek blijkt dat een partij grond afkomstig is uit een (voormalige) oude boomgaard, die al voor 1980 aanwezig was, dan is aanvulling van het standaardpakket noodzakelijk. Dit omdat in oude boomgaarden op grote schaal DDT als insecticide werd gebruikt. Daarnaast werden voor 1940 mogelijk ook organisch arseen en koperverbindingen toegepast. Deze stoffen zullen inmiddels door biologische afbraak zijn omgezet in anorganische arseen- en koperverbindingen. Het stoffenpakket is dan als volgt:
Tabel 13 Stoffenpakket oude boomgaarden
Anorganische stoffen
Organische stoffen
–droge stof
–lutum
–organische stof
Metalen:
–arseen
–barium
–cadmium
–kobalt
–koper
–kwik
–molybdeen
–lood
–nikkel
–zink
Organische somparameters:
–minerale olie
–PAK’s totaal (som 10)
–PCB’s (som 7)
Overige organische stoffen:
–DDT (som), DDD (som), DDE (som)
–PFAS
7.4Stoffenpakket (glas)tuinbouwgebieden
Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat er sprake is van een oud (glas)tuinbouwgebied, dat aanwezig was tussen 1948 en 1980, is aanvulling op het stoffenpakket noodzakelijk. In oude glastuinbouwgebieden werden op grote schaal diverse persistente chloorbestrijdingsmiddelen gebruikt. De modernere bestrijdingsmiddelen zijn meestal niet chloorhoudend en goed/beter afbreekbaar, zodat de kans dat ze zijn geaccumuleerd in de bodem klein is. Daar- naast is in de voegkit – die in kassen werd gebruikt – vaak asbestvezel toegepast en zijn asbestplaten gebruikt voor het isoleren van verwarmingsketels. Het stoffenpakket ziet er als volgt uit:
Tabel 14 stoffenpakket (glas)tuinbouwgebieden
Anorganische stoffen
Organische stoffen
–droge stof
–lutum
–asbest
–organische stof
Metalen:
–barium
–cadmium
–kobalt
–koper
–kwik
–molybdeen
–lood
–nikkel
–zink
Organische somparameters:
–minerale olie
–PAK’s totaal (som 10)
–PCB’s (som 7)
–OCB’s (som landbodem)
–PFAS
Bijlage 8: Overzicht stoffen en normen ten behoeve van het hergebruik van thermisch gereinigde grond en grondproducten.
Samenstelling
Parameter
Eenheid
Gemeten*
AW
MW
Industrie
Max. emissie waarde L/S 10
Emissie toetswaarde
Standaardpakket protocol 9335-2:
lutum
Gewicht-%
< 1,0 - 9,2
organische stof
Gewicht-%
0,4 - 1,8
barium
mg/kg ds
< 20 - 3.000
190
920
4,1
413
cadmium
mg/kg ds
0,28 - 1,2
0,6
4,3
0,051
4,3
kobalt
mg/kg ds
3,8 - 30
15
190
0,24
130
koper
mg/kg ds
31- 97
40
190
1,0
113
kwik
mg/kg ds
0,20 - 0,65
0,15
4,8
0,49
4,8
lood
mg/kg ds
23- 151
50
530
15
308
molybdeen
mg/kg ds
< 1,5 - 5,2
1,5
190
0,48
105
nikkel
mg/kg ds
5- 414
35
100
0,21
100
zink
mg/kg ds
151- 551
140
720
2,1
430
minerale olie
mg/kg ds
20- 244
190
500
PAK’s totaal (som 10)
mg/kg ds
0,35 - 0,85
1,5
40
PCB’s (som 7)
mg/kg ds
0,0049
-0,0055
0,020
0,5
Aanvullend stoffenpakket:
pH
9,5 - 12
[7,5]
[9,0]
asbest
mg/kg ds
100
antimoon
mg/kg ds
< 1,1 - 3,0
4,0
22
0,070
9
arseen
mg/kg ds
8- 125
20
76
0,61
42
chroom
mg/kg ds
28- 211
55
180
0,17
180
seleen
mg/kg ds
< 1,5
[0,7]
[9]
[0,15]
tin
mg/kg ds
2,9 - 15
6,5
900
0,093
450
vanadium
mg/kg ds
30- 137
80
250
1,9
146
chloride
mg/kg ds
230- 1.550
200
[570]
616**
8.800**
bromide
mg/kg ds
< 5 - 385
[1,5]
[20]
20**
34**
fluoride
mg/kg ds
5- 152
[500]
55**
1.500**
fosfaat
mg/kg ds
109- 730
[500]
sulfaat
mg/kg ds
1.540
-10.200
[1.500]
2.430**
20.000**
natrium
mg/kg ds
1.480
-4.100
[3.700]
kalium
mg/kg ds
2.000
-5.400
[10.400]
calcium
mg/kg ds
12.800
-69.000
[57.000]
benzeen
mg/kg ds
< 0,25 - 3,1
0,20
1,0
tolueen
mg/kg ds
< 0,25 - 2,4
0,20
1,25
Parameter
Eenheid
Samenstelling
Max. emissie waarde L/S 10
Emissie toetswaarde
Gemeten*
AW
MW
Industrie
ethylbenzeen
mg/kg ds
< 0,25 - <0,5
0,20
1,25
xylenen (som)
mg/kg ds
0,25 - 2,4
0,45
1,25
Fenol
mg/kg ds
0,25
1,25
monochloorfenolen
mg/kg ds
< 0,15
0,045
5,4
dichloorfenolen
mg/kg ds
< 0,3
0,20
6
trichloorfenolen
mg/kg ds
< 0,3
0,0030
6
tetrachloorfenolen
mg/kg ds
< 0,15
0,015
6
pentachloorfenol
mg/kg ds
< 0,05
0,0030
5
trimethylbenzenen
mg/kg ds
< 1,4 - 2,1
creosolen (som)
mg/kg ds
< 0,15
0,30
5
α-HCH
mg/kg ds
< 0,001 - 0,5
0,0010
0,5
β-HCH
mg/kg ds
< 0,002 - 1,1
0,0020
0,5
trichloorbenzenen
mg/kg ds
0,015
5
pentachloorbenzeen
mg/kg ds
0,0025
5
drins (som)
mg/kg ds
< 0,025
0,015
0,14
dioxines (I-TEQ)
ng/kg ds
2,8 - 31
55
55
PFOS
µg/kg ds
<0,1 - 1,3
[1,6]
[7]
PFOA
µg/kg ds
<0,1
1,9
7
overige PFAS (indiv.)
µg/kg ds
<0,1 - 2,4#
1,4
3
FRD-902/903 (GenX)
µg/kg ds
< 0,1
[1,0]
som BDE’s
µg/kg ds
< 0,1 - 11,2
* Gebaseerd op de analyseresultaten van de toepassingslocaties Westdijk, Perkpolder en Plas van Heenvliet, en partijkeuringsresultaten;
** Emissiewaarden L/S 10 voor niet-vormgegeven bouwstoffen, vanwege het ontbreken van een normwaarde voor grond. Het gaat om een voorlopige invulling van normwaarden door DCMR, andere bevoegde gezagen kunnen hiervan afwijken;
[ ] Door DCMR afgeleide normwaarden in het kader van invulling van de zorgplicht;
# Hoogst gemeten concentratie betrof perfluorobutyrate (PFBA).
De partijen worden getoetst aan Bijlage B, behorende bij hoofdstuk 4 en tabel 1 van de Rbk Achtergrondwaarden en MW Industrie voor grond en baggerspecie en de zorgplicht.
Bijlage 9: Definities en termen.
Achtergrondwaarden (AW) - Gehalten aan stoffen zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouw- gronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen.
Activiteitenbesluit - Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Dit besluit bevat verplichtingen voor inrichtingen (bedrijven) ter bescherming van het milieu, waaronder verplichtingen bij uit te voeren bodemonderzoek en het herstellen van de bodemkwaliteit (sanering).
Baggerspecie (of bagger) - Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater, of de voor dat water bestemde ruimte, en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en ook van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (artikel 1 Bbk). In deze Nota is gekozen voor het gebruik van de term bagger.
Bbk - Besluit bodemkwaliteit.
Beschikking ernst en spoed - Een beschikking volgens de Wbb waarin het bevoegd gezag vaststelt of er op een locatie sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en of de locatie volgens het saneringscriterium met spoed moet worden gesaneerd.
Bevoegd gezag - De gemeente Rotterdam is het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. DCMR Milieudienst Rijnmond voert namens de gemeente deze taak uit. DCMR is te bereiken via info@dcmr.nl en 010 246 8000. De website van DCMR is www.dcmr.nl.
BIO - BIO staat voor bijzonder inventariserend onderzoek en wordt gebruikt voor specifieke onderzoeken, bijvoorbeeld bij het bepalen van achtergrondgehalten, of voor het opstellen van verwachtingskaarten zoals voor lood, asbest of PFAS.
Bodem - Het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen (artikel 1 Wet bodembescherming). Volgens vaste jurisprudentie is een stortlaag die voor meer dan 50 % uit bodemvreemd materiaal bestaat geen bodem meer als bedoeld in de Wbb.
Bodembedreigende stof - Stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in bijlage 4 van deel 3 van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, en stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels die de bodem kunnen verontreinigen.
Bodembeheergebied - Het gebied waarvoor het gebiedsspecifieke beleid is vastgesteld.
Bodemfunctie - De bodemfunctie is een type gebruik van de bodem, zoals beschreven in de Rbk (art. 4.7.1) De Rbk onderscheidt zeven bodemfuncties, waaronder ‘wonen met tuin’, ‘landbouw’, ‘ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’. De bodemfuncties zijn gegroepeerd in (bodem)functieklassen.
Bodemkwaliteitskaart - De Bodemkwaliteitskaart van Rotterdam is een verzameling van kaartlagen met betrekking tot de functie en kwaliteit van de bodem en mogelijkheden voor hergebruik zoals gedefinieerd in paragraaf 2.1 van deze Nota.
Bodemvreemd materiaal - Materiaal dat zich in de bodem of in een partij grond bevindt, maar dat niet voldoet aan de definitie van grond en ook niet van nature in de grond voorkomt (wortels, en schelpen in het geval van zeezand).
Besluit Uniforme Saneringen (BUS) - Wettelijke regeling om eenvoudige standaard saneringen uit te kunnen voeren. Er is geen goedgekeurd saneringsplan vooraf nodig, maar er moet aan standaard landelijke regels worden voldaan.
Contactzone - De contactzone is het bovenste deel van het onbedekte deel van de bodem bij gevoelig gebruik. In normale situaties geldt voor de contactzone een dikte van 0,5 meter.
DCMR - DCMR Milieudienst Rijnmond voert de bevoegd gezagstaken uit voor de gemeente Rotterdam voor de Wbb en het Bbk. DCMR is te bereiken via info@dcmr.nl en 010 246 8000. De website van DCMR is www.dcmr.nl.
Diffuse bodemverontreiniging - Bodemaantasting die zich uitstrekt over grote oppervlakten, vaak uit meerdere en niet duidelijk te lokaliseren bronnen.
Erkende bodemintermediairs in het kader van het Besluit bodemkwaliteit - Alle bedrijven en personen die voor specifieke bodemwerkzaamheden zijn erkend door Rijkswaterstaat en als zodanig zijn genoemd op de website www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu/.
Functieklassen - De (bodem)functieklassen geven de op basis van de bodemfuncties gewenste kwaliteit aan. Er zijn generieke functieklassen Wonen en Industrie. De gemeente Rotterdam hanteert aanvullend Landbouw en Natuur.
Gebiedsspecifiek beleid - Door de gemeente vastgesteld bodembeleid op basis van het Besluit bodemkwaliteit. Dit beleid biedt de mogelijkheid om lokaal maatwerk te leveren voor een optimaal hergebruik van grond.
Generiek beleid - Het kader dat is vastgelegd in het Besluit bodemkwaliteit met de landelijke Achtergrondwaarde (AW) en Maximale Waarden (MW). Dit kader geldt altijd tenzij gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld.
Geval van ernstige verontreiniging - Bij een geval van ernstige verontreiniging (grond- en grondwaterverontreiniging) wordt de interventiewaarde van één of meerdere stoffen overschreden of is er sprake van concentraties met stoffen waarbij er actuele risico’s bestaan. We spreken over een geval van ernstige verontreiniging, wanneer het gemiddelde gehalte van 25 m3 de interventiewaarde overschrijdt of bij grondwater, meer dan 100 m3, gemeten als bodemvolume. Er zijn situaties waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden, maar toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (in zogenaamde gevoelige situaties). Ook bij verontreinigingen met stoffen zonder formele interventie- waarde kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Voor bodemverontreiniging met asbest is het bovengenoemde volumecriterium niet van toepassing.
Gevoelig gebruik - Gevoelig gebruik betreft drie functies, namelijk: plaatsen waar kinderen tot 7 jaar spelen (kinderspeelplaatsen), locaties waar gewassen worden gekweekt (moestuinen) en die plekken waar beide gebruiks- vormen mogelijk zijn (wonen met tuin).
Grond - Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en ook van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie (Bbk, art. 1).
Grootschalige bodemtoepassing - Toepassingen zoals dijken, terpen en geluidwallen, waarbij onder strikte voorwaarden geen rekening hoeft te worden gehouden met de kwaliteit van de ontvangende bodem.
Herschikken - Het binnen een saneringslocatie op een andere plaats neerleggen van sterk verontreinigde grond. Herschikken is alleen mogelijk binnen het geval van verontreiniging (daarom wordt ook de term herschikken en niet de term hergebruik gehanteerd). Herschikken dient te worden vastgelegd in een saneringsplan.
Interventiewaarden - Waarden voor het verontreinigingsniveau per stof of stofgroep waarboven de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier of plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De interventiewaarden droge bodem zijn gebaseerd risico’s voor de mens of voor het ecosysteem Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013.
Locatiebeheersplan - Plan dat de werkzaamheden in de bodem beschrijft voor een locatie waar gedurende een lange periode de aanwezige, historische verontreiniging wordt beheerst.
Lokale Maximale Waarden (LMW) - Door de gemeenteraad vastgestelde normen, die aangeven aan welke (milieu- kundige) kwaliteit grond of baggerspecie moeten voldoen om te mogen worden toegepast. De Lokale Maximale Waarden fungeren ook als terugsaneerwaarde bij bodemsanering.
Onverdachte locatie - Locatie zonder concrete aanwijzingen op basis van historie, gebruik of bodemonderzoek voor één of meer verontreinigende stoffen in de bodem.
Raamsaneringsplan - Plan dat de sanering beschrijft van een grote of uitgestrekte locatie, waarbij verschillende gevallen van bodemverontreiniging worden aangepakt.
Risicotoolbox - Door het RIVM ontwikkeld instrument om te bepalen of bij een gekozen Lokale Maximale Waarde sprake is van risico’s. Het gebruik van de Risicotoolbox is verplicht bij het opstellen van gebiedsspecifiek beleid.
Saneringscriterium - Systematiek waarbij locatiespecifiek kan worden bepaald of de verontreiniging van de bodem zorgt voor een zodanig risico voor mens (gezondheidseffecten), plant en dier (bio-accumulatie, doorvergiftiging, bedreiging van soorten en natuurlijke processen) en/of van risico’s van verspreiding van verontreiniging, dat er spoedig moet worden gesaneerd. Het saneringscriterium is vastgelegd in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Op basis van de vastgestelde risico’s wordt bepaald of maatregelen (beheersen, saneren) al dan niet met spoed moeten worden uitgevoerd.
Saneringsdoelstelling - Bij overschrijding van het saneringscriterium dient een bodemsanering plaats te vinden. In het saneringsplan moet worden aangegeven wat het doel van de sanering is en welke terugsaneerwaarden daarbij horen.
Saneringslocatie - Locatie waarop een saneringsplan, LBP of een BUS-melding betrekking heeft.
Sanscrit - (afkorting van Saneringscriterium, zie boven) een webapplicatie om het saneringscriterium te berekenen.
Standaardbodem - bodem met 25 % lutum en 10 % organische stof. Toelichting: om concentraties in verschillende bodemtypen aan dezelfde normen te kunnen toetsen, worden de meetwaarden omgerekend naar standaardbodem.
Standstill principe - Uitgangspunt waarbij geldt dat de kwaliteit van een bepaalde milieucomponent, bijvoorbeeld bodem, als gevolg van activiteiten niet mag verslechteren. Onder het Besluit bodemkwaliteit geldt het stand-still principe voor het hele bodembeheergebied. Zolang grondverzet uitsluitend plaatsvindt met grond uit hetzelfde beheergebied wordt voldaan aan dit principe.
Sterk verontreinigde grond - Grond waarin één of meer verontreinigingen in concentraties boven de interventie- waarden aanwezig zijn.
Tijdelijke opslag - Opslag van grond van beperkte duur op een plaats voorafgaand aan het gebruik van de grond in een nuttige toepassing op een andere plaats. Zie art. 35 van het Besluit bodemkwaliteit.
Tijdelijke uitname (Besluit bodemkwaliteit) - Het tijdelijk verplaatsen, of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie en deze vervolgens zonder bewerking op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities, opnieuw in de toepassing aanbrengen.
Tijdelijk uitplaatsen (Besluit Uniforme Saneringen) - Het na uitplaatsen zoveel mogelijk terugbrengen van de tijdelijk uitgeplaatste grond in hetzelfde ontgravingsprofiel, onder dezelfde bodemomstandigheden, zonder dat de grond een bewerking heeft ondergaan. Eventueel kan het van de locatie afvoeren van de overtollige verontreinigde grond aan de orde zijn.
Verdachte locatie - Locatie waar concrete aanwijzingen zijn aanwijzingen op basis van historie, gebruik of bodemonderzoek voor één of meer verontreinigende stoffen in de bodem.
VOLASOIL - Rekenmodel voor het bepalen van het risico van bodemverontreiniging met vluchtige stoffen. Het rekenmodel voert een actuele risicoanalyse uit in het geval van verontreiniging met vluchtige verbindingen. Voor de Nederlandse bouwpraktijk berekent VOLASOIL de binnenluchtconcentratie in huizen gebouwd op bodems die verontreinigd zijn met vluchtige stoffen. Het model wordt beschouwd als een optimum tussen een degelijke theore- tische onderbouwing en de toepasbaarheid in de praktijk van het bodemonderzoek. Een combinatie van meten en rekenen is mogelijk. Het model berekent voor verschillende verontreinigingssituaties, zoals bij een drijflaag, puur product in de onverzadigde zone of gecontamineerd grondwater in de kruipruimte, de locatiespecifieke risico’s.
VOLASOIL kan worden gebruikt voor de onderbouwing van beslissingen over eventuele sanering (Wet bodem- bescherming).
Bijlage 10: Vaststellen van het gewogen gemiddelde van de gemeten concentraties.
1stel vast welke analyses betrekking hebben op de te beoordelen laag (in in dit geval een tuin), of het te onderzoeken grondoppervlak, en uit hoeveel deelmonsters of grepen elk analysemonster is samengesteld. De monsters MM1, MM2 tot en met MMx;
2vermenigvuldig elke gemeten concentratie (C) met het aantal deelmonsters of grepen (n) waar het analysemonster (MM) uit is samengesteld;
3tel alle vermenigvuldigde concentraties bij elkaar op;
4deel het resultaat door het totale aantal deelmonsters/grepen (n). Dit is het gewogen gemiddelde van de concentraties.
Onderstaand is dit in formulevorm weergegeven. In kader 1 zijn twee rekenvoorbeelden gegeven.
gewogen concentratie =
(n1 * C[MM1] + n2 * C[MM2] + ... nx * C[MMx])
(n1 + n2 + ... nx)
n1Aantal deelmonsters of grepen dat hoort bij monster 1
CConcentratie mg/kg ds van een monster
MM1 (meng)monster 1
De contactzone van een tuin is geanalyseerd met een mengmonster van drie deelmonsters, een enkelvoudig monster en een oppervlakte-monster volgens SIKB Handreiking 8102 van 20 grepen.
Voorbeeld 1
Analysemonster
C
N
C * n
MM01
300
3
900
002-01
100
1
100
MM02
450
20
9.000
Som
24
10.000
Gewogen gemiddelde
Som C/Som n
417
Voorbeeld 2
Analysemonster
C
N
C * n
MM01
450
3
1350
002-01
300
1
300
MM02
100
20
2000
Som
24
3650
Gewogen gemiddelde
Som C/Som n
152
Kader 1 Voorbeelden van de bepaling van een gewogen gemiddelde