Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
gelezen het voorstel van de wethouder Klimaat, Bouwen en Wonen van 27 januari 2026; kenmerk M2511-997;
overwegende, dat het vaststellen van een strategisch VTH-beleidsplan verplicht is op grond van artikel 18.19 Omgevingswet en de artikelen 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit;
besluit:
Artikel 1
Het college van burgemeester en wethouders stelt vast het Beleidsplan Naleving Fysieke Leefomgeving 2026-2030.
Artikel 2
Het besluit van 29 juni 2021 tot vaststelling Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2021-2025 wordt ingetrokken.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.
Beleidsplan Naleving Fysieke Leefomgeving 2026 - 2030
Dit beleidsplan is een samenwerking tussen verschillende instanties:
Inhoudsopgave
Deel A Beleidsplan Naleving Fysieke Leefomgeving 2026 - 2030
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.1 Juridische basis en wettelijke kaders voor het beleidsplan
1.2 Partners
1.3 Leeswijzer
1.4 Begrippenlijst
Hoofdstuk 2 Strategisch beleidskader Naleving Fysieke Leefomgeving
2.1 Visie naleving Omgevingsrecht
2.2 Uitgangspunten
2.3 Werkwijze: beleidssystematiek
2.4 Programmering, prioritering en organisatie
2.5 Rapportage en evaluatie
De BIG-8 beleidscyclus
Deel B Nalevingsstrategieën
Hoofdstuk 3 Nalevingsstrategieën
3.1 Inleiding programmatisch en integraal VTH: de nalevingsstrategie
3.2 Strategie Preventie
3.3 Strategie Vergunningen
3.4 Strategie Toezicht
3.5 Strategie Sanctie
3.6 Strategie Gedogen
Deel C Ontwikkelingen
Hoofdstuk 4 Ontwikkelingen
4.1 Wettelijke veranderingen en stelselwijziging
4.2 Maatschappelijke en technologische trends
4.3 Digitalisering en datagedreven werken
4.4 Leren, innovatie en samenwerking
Bijlage
Bijlage 1 Beschrijving organisaties en prioriteiten
Naleving Fysieke Leefomgeving 2026 - 2030 Beleidsplan Naleving Fysieke Leefomgeving 2026 - 2030
Visie, uitgangspunten en systematiek
Hoofdstuk 3 – Nalevingsstrategieën
3.2 Strategie Preventie
3.2.1 Aanpak van de strategie
Het onderzoeken wie wel of niet naleeft en waarom, en het bieden van ondersteuning aan bewoners en bedrijven, vergroten vaak de kans op het gewenste gedrag. Communicatie en advisering kunnen effectieve instrumenten zijn voor de uitvoering van de preventiestrategie. Afhankelijk van eerdergenoemde analyse kan communicatie een goed middel zijn om te beïnvloeden, bijvoorbeeld met onderstaande algemene communicatievormen. De DCMR gebruikt de zogenoemde *BEAST-methodiek, waarbij instrumentarium wordt afgestemd op de doelgroep.
•Beschikbaar stellen
De juridische kaders zijn eenvoudig vindbaar via bijvoorbeeld de website van de gemeente Rotterdam of www.mijnoverheid.nl.
•Zenden
Met (pers)berichten wordt geïnformeerd wanneer een maximaal effect wordt verwacht. Doelgroepencommunicatie is ook mogelijk. Het verhogen van het bewustzijn bij woningeigenaren voor brandveiligheid in portieken wordt bijvoorbeeld gestimuleerd met een korte film als onderdeel van een campagne. De politie werkt bijvoorbeeld met Motus om de bewustwording rondom ondermijning te verhogen.
•Interactief
Door het contact van medewerkers van de verschillende organisaties met bewoners en bedrijven, zijn (aankomende) overtredingen vaak te verhelpen of voorkomen. Ook contacten met buurtorganisaties en accountmanagement bij (grotere) bedrijven hebben dit effect
•Ondersteuning en advisering
Bij deze vorm gaat het contact met belanghebbenden een stap verder. Heeft een grotere partij in de stad tijdelijk hulp en ondersteuning nodig, zoals bijvoorbeeld bij de renovatie van Boijmans van Beuningen, dan wordt een team samengesteld. Een ander voorbeeld hierbij was de inzet van het Quick Scan Team. In afwachting op landelijke wetgeving is het multidisciplinaire team met gebouweigenaren van zorginstellingen om tafel gegaan om hen te adviseren over functiewijzigingen. Het team informeerde eigenaren over procedures en eisen. De private partijen stonden hierdoor tijdig gesteld op de aanstaande wettelijke veranderingen.
3.3 Strategie Vergunningen
3.3.1 Uitgangspunten
Vergunningverlening is omgevingsgericht en integraal
Uit het oogpunt van dienstverlening is het proces van vergunningverlening gebaseerd op een loketbenadering. Maar ook voor de overige vergunningverlening en de Omgevingswet is een integrale benadering belangrijk. Het nieuwe stelsel legt de verantwoordelijkheid voor het indienen van een complete aanvraag grotendeels neer bij de aanvrager. De een-loketbenadering ondersteunt de aanvrager hierbij, ook om handhaving in een later stadium te voorkomen. Ook kan een vooroverleg bijdragen aan een voorspoedig traject. Dit geldt voor de huidige situatie en na de invoering van de Omgevingswet. Casemanagement is van belang bij de een-loket- benadering. Bij de intake en behandeling van een aanvraag wordt per geval beoordeeld of sprake is van een complexe of eenvoudige situatie. Onderstaande taken worden uitgevoerd:
•uitvoeren toets op volledigheid documenten, indieningsvereisten en dwarsverbanden
•organiseren en begeleiden van overleg met de aanvrager, vooroverleg indien nodig
•bewaken proces, integraliteit en voortgang van de aanvraag
•inschakelen van vakdisciplines en wanneer nodig externe partijen (coördineren inhoudelijke volledigheid)
•uitzetten van adviesaanvragen bij de wettelijke adviseurs
•samenstellen en coördineren besluit op de aanvraag
Vergunningverlening is transparant en betrouwbaar
•vergunningen zijn op maat, helder, transparant, openbaar en digitaal beschikbaar, begrijpelijk voor burger en bedrijf en handhaafbaar
•toepassing van doelvoorschriften heeft de voorkeur boven middelvoorschriften
Vergunningverlening is afgestemd op naleefbeeld en integriteit
•besluiten voor activiteiten die bij niet naleven schade kunnen veroorzaken aan leefomgeving, gezondheid, veiligheid en natuur, worden intensiever behandeld en bevatten meer maatwerk- en/of middelvoorschriften. De aanvraag (wat wordt precies gevraagd), het besluit (wat wordt toegestaan) en de voorschriften (wat zijn de exacte condities) worden in detail geformuleerd
•maatwerk- en/of middelvoorschriften worden opgenomen wanneer wettelijke voorschriften onvoldoende helder zijn in de toepassing op een specifieke situatie en/of als sprake is van slecht naleefgedrag. Maatwerk- en/of middelvoorschriften geven de vergunninghouder ten opzichte van doelvoorschriften meer duidelijkheid en minder speelruimte voor eigen invulling. Dat geldt ook voor toezichthouders en handhavers. Om het argument van echtsongelijkheid te voorkomen, vragen maatwerkbesluiten een zorgvuldige motivering
•maatwerk- en/of middelvoorschriften worden opgenomen wanneer wettelijke voorschriften onvoldoende helder zijn in de toepassing op een specifieke situatie en/of als sprake is van slecht naleefgedrag. Maatwerk- en/of middelvoorschriften geven de vergunninghouder ten opzichte van doelvoorschriften meer duidelijkheid en minder speelruimte voor eigen invulling. Dat geldt ook voor toezichthouders en handhavers. Om het argument van rechtsongelijkheid te voorkomen, vragen maatwerkbesluiten een zorgvuldige motivering.
Communicatie en participatie
Met goed contact en goede informatie streven we een betere kwaliteit van besluiten na. Ook heeft de gemeente mensen die zelf iets willen ondernemen ruimte en vertrouwen. Helpen iets mogelijk te maken is het uitgangspunt. Op het gebied van communicatie en participatie binnen vergunningverlening is daarom voorzien in:
•een abonnement op de digitale berichtgeving over aanvragen in het eigen postcodegebied op www.overheid.nl
•inzage en opvragen van informatie van alles wat gepubliceerd is op www.overheid.nl
•inzage van bouwtekeningen bij balie en het archief voor de oude bouwvergunningen
•beantwoording van vragen die (o.a.) binnenkomen via 14010
3.3.2 Objectieve criteria
De basis voor vergunningverlening is vastgelegd in wet- en regelgeving. Hierdoor is voor iedereen duidelijk welke administratieve stappen in een proces worden gezet. Denk aan het sturen van een ontvangstbevestiging, het uitvoeren van een ontvankelijkheidstoets, het beschikken op de aanvraag etc. Denk bij toetsingsgronden aan het Omgevingsplan, Welstandsnota, Besluit bouwwerken leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Erfgoedwet, Erfgoedverordening, de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam, Waterschapsverordening, Algemene regels van de waterschappen, etc.Daarnaast kan de gemeente voor specifieke beleidsterreinen aanvullende objectieve criteria vaststellen voor het beoordelen van aanvragen en het afhandelen van meldingen, bijvoorbeeld via de Nadere regels reclame met verlichting, en de Horecanota en het stedelijk beleidskader Vergunningen, Toezicht en Handhaving.
3.3.3 Stappenplan en werkwijze
Vergunningverlening kent een grote verscheidenheid aan toepassingen. Om dit instrument transparant, voorspelbaar en betrouwbaar te gebruiken, hanteren de organisaties een stappenplan. Onderstaand zijn de reguliere stappen in het proces van vergunningverlening weergegeven. Voor veel processtappen kan een nadere uitwerking in protocollen en werkinstructies door de uitvoerende organisatie vereist zijn. Het hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure, zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet. We vatten die hier samen:
1Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag en registeren van de aanvraag in backoffice-applicatie
2ontvangstbevestiging sturen
3de casemanager of behandelaar van de omgevingsvergunning of watervergunning bepaalt:
a.bevoegd gezag
b.het type vergunning dat aangevraagd wordt of melding die gedaan wordt bepalen: uitgebreide of reguliere procedure
c.meervoudige of enkelvoudige aanvraag: bepalen of meerdere besluiten of meldingen vereist zijn in het vergunningentraject
d.aanvragen en (concept)beschikkingen volgens wetgeving en kwaliteitseisen publiceren
e.overzicht bewaken over lopende procedures en de voortgang. De doorlopen stappen en genomen besluiten verifieerbaar vastleggen (motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, verbod van willekeur)
4De casemanager of behandelaar is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag, en
a.toetst volledigheid en ontvankelijkheid
b.bepaalt de politiek maatschappelijke context;
c.bepaalt de technisch inhoudelijke complexiteit van de vergunning of melding
d.toetst (vak)inhoudelijke aan alle relevante beoordelingskader
e.stelt de samenwerkingspartners en het inhoudelijk casemanagement vast
f.zet uit bij interne- en externe adviseur
g.bepaalt het naleefbeeld van de aanvrager: is een Bibob-toets aan de orde.
h.bewaakt de termijn en voortang
i.is aanspreekpunt voor de aanvrager en informeert aanvrager
j.stelt (concept)beschikking op
5Archiveren beschikkingen, op termijn alleen digitaal
6Mogelijk bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening.De mate waarin getoetst wordt is afhankelijk van de risico’s voor de fysieke veiligheid en gezondheid. De diepgang van de toets aan het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt met behulp van de landelijk ontwikkelde toetsmatrix uitgevoerd.
3.4 Strategie Toezicht
3.4.1 Controlefrequentie, planning en programmering
De betrokken organisaties hanteren verschillende methoden (risicoanalyses) om prioriteiten te stellen. Planning en programmering vinden plaats op basis van de uitkomsten van de verschillende risicoanalyses en de gestelde prioriteiten. Dit is de basis voor het MJP Fysieke Veiligheid (MJP), het IHP en de jaarlijkse uitvoeringsplannen van de verschillende organisaties. De prioriteiten, doelen en het naleefgedrag van de doelgroepen zijn de basis voor het bepalen van de controlefrequenties. Ook wordt aan de hand hiervan bepaald welke vormen van toezicht nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren. Zo wordt het toezichtinstrumentarium op een effectieve en efficiënte wijze ingezet. Vanuit het oogpunt van integraliteit en de uitbreiding van het aantal organisaties dat betrokken is bij VTH in Rotterdam, is een gezamenlijke risicomatrix belangrijk. In de lijn van een gezamenlijk beleidsplan en de hieraan gekoppelde uitvoeringsplannen ligt een gezamenlijk model voor risicoweging voor de hand.
Toezicht is risico- en informatiegestuurd. Partners gebruiken een gezamenlijke omgevingsanalyse en gedeelde programmering om locatie-, branche- en themarisico’s te wegen. Daarbij worden geo-data, signalen uit de openbare ruimte (signaaltoezicht) en analyses van naleefgedrag benut. Innovatieve middelen kunnen worden ingezet waar toegestaan (bijv. sensoren/e-noses, datapatronen, digitale zelfcontroles). Bij brandveiligheid en gebruikstoezicht werkt VRR integraal samen met BWT en DCMR.
3.4.2 Uitvoeren van controles
De betrokken organisaties zorgen ervoor dat de toezichthouders de controles eenduidig uitvoeren. Werkinstructies en werkprocessen borgen de eenduidigheid en worden zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. Integraliteit wordt hierdoor mogelijk gemaakt en gestimuleerd. Om de kwaliteit van het toezicht optimaal te houden, vindt op uitvoeringsniveau structureel afstemming plaats. Afhankelijk van de noodzaak om individueel of gezamenlijk op te trekken, stemmen organisaties af of spreken een strategie af. Per controle kan de rol van een individuele organisatie verschillen: trekker, deelnemer, adviseur, signalist of uitvoerder. De effectiviteit van de werkwijze heeft zich in de praktijk bewezen. Het aantal overtredingen bij bijvoorbeeld kinderdagverblijven en ziekenhuizen is aanzienlijk afgenomen en het naleefgedrag is sterk toegenomen. Datzelfde geldt voor programmatisch toezicht bij woningbouw. De positieve resultaten hebben ertoe geleid dat het aantal controles is teruggebracht.
3.4.3 Soorten controles
De organisaties zetten diverse soorten controles in. De controles kunnen vooraf worden aangekondigd óf onaangekondigd plaatsvinden. De verschillende soorten controles – zie een opsomming van controlemogelijkheden hieronder – kunnen op integrale wijze of zelfstandig door een dienst worden uitgevoerd.
•Preventieve controlerondes
Controles kunnen individueel of integraal worden ingezet. Wanneer een organisatie zelfstandig controleert, worden – op aangeven van andere organisaties – wel meerdere aspecten betrokken om naderhand terug te kunnen koppelen. De gezamenlijke controles zijn meer gericht op inhoud. Verder worden standaardcontroles uitgevoerd op objecten of branches waarvan de verschillende risicomatrices een slecht tot matig naleefgedrag laten zien. De resultaten van de controles vormen de basis van de jaarlijkse actualisering van het IHP.
•Klachten, meldingen en incidenten
Klachten worden opgepakt en geregistreerd. Daarna worden controlerondes of specifieke controles uitgevoerd. Iedere organisatie heeft een specifieke ingang voor klachten, meldingen en incidenten. Hierdoor is opvolging ervan gegarandeerd.
•Acties
De projectmatige, themagerichte controles. Daar- bij wordt een specifieke doelgroep gecontroleerd op specifieke onderdelen. Vaak is een actueel probleem de aanleiding. De controles die onder deze noemer worden uitgevoerd, zijn zoveel mogelijk integraal voor een maximaal effect.
Toezicht en handhaving zijn voortdurend in ontwikkeling. Ook op het gebied van controlesoorten worden nieuwe methoden ontwikkeld. Voortdurend kijken we of nieuwe controlesoorten van meerwaarde zijn voor de naleving in Rotterdam. Bijvoorbeeld door zelfcontroles of digitale controles. Wanneer de meerwaarde van een nieuwe vorm van controle is gebleken, wordt deze in de organisatie geïmplementeerd. Ook hier geldt dat wijziging in wet- en regelgeving effect heeft op de uitvoering van taken. Met de komst van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen verschuift het accent in controles van vooraf (vergunningverlening) naar achteraf (handhaving). Op dit moment is nog niet duidelijk wat dit in de praktijk voor extra werkzaamheden gaat opleveren.
3.5 Strategie Sanctie
3.5.1 Toepassen van een interventie
Toepassing van de interventiematrix betekent aangepast optreden, waarbij passende sanctie-instrumenten worden ingezet. Verschillende interventies kunnen naast elkaar worden toegepast. Bij ernstige belemmering van toezicht, opzettelijke gevarencreatie of fraude wordt standaard overleg gevoerd met politie/OM en kan (ook) strafrecht worden ingezet. Afstemming tussen bestuurs- en strafrecht gebeurt conform LHSO en lokale afspraken. Vastlegging volgt de motiverings- en zorgvuldigheidsbeginselen; termijnen en voorwaarden zijn transparant.
Hieronder staat een korte opsomming van de interventies, oplopend van licht naar zwaar en uitgesplitst naar categorie.
Bestuursrecht – herstellend
•Aanspreken en informeren
•Waarschuwen (brief met hersteltermijn)
•Bestuurlijk gesprek
•Verscherpt toezicht
•Last onder dwangsom (LOD)
➢ Bestuurlijke waarschuwing
➢ Sanctiebeschikking
➢ Verbeuren en innen dwangsom.
•Last onder bestuursdwang (LOB)
➢ Bestuurlijke waarschuwing
➢ Sanctiebeschikking
•Uitvoeren bestuursdwang.
•Tijdelijk stilleggen
Bestuursrecht bestraffend
•Bestuurlijke boete
•Schorsen of intrekken vergunning, certificaat of erkenning
•Exploitatieverbod, sluiting
Strafrecht
•Bestuurlijke strafbeschikking milieu (BSBm)
•Proces-verbaal (PV)
3.5.2 Handhavend optreden tegen de eigen organisatie en tegen andere overheden
Als overtredingen binnen de interne organisatie worden geconstateerd, wordt de directeur van de betrokken gemeentelijke organisatie aangeschreven. Als niet adequaat wordt gereageerd, wordt het dossier voorgelegd aan het college.
3.5.3 Werelderfgoed
Een bijzondere positie is weggelegd voor de Van Nellefabriek. Dit complex heeft de status van werelderfgoed. Dit legt ook verplichtingen op aan de toezichthoudende instanties. Het college is zich hiervan bewust en organiseert voldoende toezicht en een consequente handhaving.
3.5.4 Andere overheden
Op overtredingen van overheden volgt inhoudelijk dezelfde reactie als op overtredingen van bewoners van Rotterdam en Rotterdamse bedrijven. Overheden of publieke ondernemingen die overtredingen plegen, worden bestuursrechtelijk op dezelfde wijze behandeld als particulieren.
Beleidsplan Naleving Fysieke Leefomgeving 2026 – 2030
Toelichting
Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl
Bijlage 1 Beschrijving organisaties en prioriteiten
Bouw- en Woningtoezicht Stadsontwikkeling
Als onderdeel van Stadsontwikkeling stelt Bouw- en Woningtoezicht (BWT) Rotterdam als doel om Rotterdam een aantrekkelijke en veilige stad te laten zijn, met een hoge bouwkundige en ruimtelijke kwaliteit en mogelijkheden voor een duurzaam en flexibel gebruik.
Daarvoor bewaakt BWT de kwaliteit van de gebouwde omgeving met als uitgangspunt de ondergrens van de regels. Tegelijkertijd is het een uitdaging de partijen die (ver)bouwen in de stad uit te nodigen, te verleiden en te prikkelen naar de opgave te kijken vanuit een uitgekiende langetermijnvisie. Dat levert een stad op die nog bruikbaarder en duurzamer is.
Om dit alles mogelijk te maken zet BWT haar kennis van de regelgeving in op het gebied van onderhoud, bouwen, beheer en slopen. Bij deze inzet zoekt BWT voortdurend, in samenwerking met de partners, naar de balans tussen de toepassing van de regels en het te bereiken resultaat. Als een besluitvaardige toezichthouder, die werkt vanuit de bedoeling van de regels.
Voor het stellen van prioriteiten gebruikt Stadsontwikkeling het risicoafwegingsmodel DBC Risico. Dit model veronderstelt dat prioriteiten volgen uit de uiteenlopende negatieve effecten, die optreden als taken niet of onvoldoende worden uitgevoerd. Verwaarlozing van de ene taak heeft ernstigere gevolgen dan verwaarlozing van een andere taak. Hoe groter het negatieve effect, hoe hoger de betreffende taak op de prioriteitenlijst komt te staan.
Voor het vaststellen van het negatieve effect beantwoorden we aan de hand van een aantal stappen de vraag: wat gaat er mis als de taak niet of onvoldoende wordt uitgevoerd, rekening houdend met het naleefgedrag van bewoners en bedrijven? Hiervoor gebruikt Stadsontwikkeling een methode, gebaseerd op een zogenaamd Maximaal Calamiteiten Model.
De methode kent de volgende stappen:
•bepaal welke taken (het handhaven van de voorschriften die betrekking hebben op …) we moeten meenemen in de afweging
•bepaal de kenmerkende maximale verstoring (calamiteit), die optreedt als een bepaalde taak niet of onvoldoende wordt uitgevoerd. Ga hierbij uit van doorsnee-omstandigheden of gebeurtenissen en wat hierin mis kan gaan. Een voorbeeld is brand met ernstige gevolgen in een illegale verblijfsinrichting
•leg de verstoring vast in het programma, dit dient als uitgangspunt bij de verdere beoordeling
•stel de frequentie, impact en omvang vast van de typerende calamiteit
•kijk bij impact en omvang naar de beoordelingsaspecten fysieke veiligheid, milieu, maatschappelijk welbevinden, financieel-economische schade en bestuurlijk imago
De risicoscores ontsluiten we digitaal en zijn voor de gebruikers op ieder moment opvraagbaar en eventueel aan te passen. Aan de hand van de risicoscores stelt Stadsontwikkeling de prioriteiten vast.
Op basis van de uitkomsten van de risicoanalyse en het stellen van (politieke) prioriteiten programmeren we de daadwerkelijke uitvoering van de taken op basis van de beschikbare capaciteit. Bij deze programmering geldt dat we van een de taak met een hoge prioriteit percentueel gezien aanzienlijk meer dossiers afhandelen dan van de taken met een lage prioriteit.
DCMR
DCMR voert milieutaken uit in opdracht van de provincie Zuid-Holland en dertien gemeenten in het Rijnmondgebied. Daarnaast voert DCMR in opdracht van de provincie Zeeland milieutaken uit bij de grote risicobedrijven in Zeeland. De afdeling Toezicht en Handhaving van de DCMR bewaakt en bevordert naleving bij bedrijven met het oog op het voorkomen en oplossen van ongewenste situaties voor een veilige, gezonde en schone leefomgeving. Daarbij heeft de afdeling systematisch aandacht voor risico-ontwikkelingen bij bedrijven en activiteiten. De DCMR bepaalt haar prioriteiten in een vierjarig meerjarenprogramma (MJP) waarin focuspunten worden benoemd in de uitvoering. Het uitvoeringsbeleidsplan VTH (UP), dat na instemming van het algemeen bestuur van de DCMR, door de afzonderlijke colleges van provincie en gemeenten is vastgesteld, vormt hierbij het beleidskader.
De afdeling Toezicht en Handhaving voert de missie concreet uit door een programmatische organisatie van inspecties op basis van informatie gestuurde uitvoering in branche- en themaplannen, mede gebaseerd op het MJP en het UP. Deze werkwijze betekent het op efficiënte wijze verzamelen van informatie, het deskundig beoordelen van deze informatie en het inzetten van doeltreffende interventies, gericht op het bereiken van effect. Op basis van regelmatige monitoring en evaluaties worden de toezichtplannen periodiek bijgesteld met nieuwe prioriteiten en kaders voor de uitvoering.
Concreet betekent de visie van de afdeling Toezicht en Handhaving dat het volgende wordt gedaan:
1De toezichtcyclus verloopt programmatisch, aansluitend op de Big8 beleidscyclus.
2Inspecties worden tactisch ingezet.
3Er wordt gereageerd op meldingen van bedrijven en signalen uit de omgeving.
4Sancties worden consequent opgelegd en voortvarend opgevolgd.
5Waar nuttig worden aanvullende instrumenten en innovatieve interventies toegepast.
6Samenwerking met en beïnvloeding van externe stakeholders.
7Transparantie naar de omgeving.
Prioriteiten t.a.v. toezicht, handhaving en naleving zoals deze in het UP zijn benoemd:
•Inzet op effectief toezicht: daar waar de risico’s het grootst zijn en met instrumenten die effectief zijn en die we voortdurend innoveren.
•Uitgangspunten voor het toezicht: vertrouwen moet verdiend worden en toezicht is noodzakelijk.
•Frequentie van het toezicht: aan de hand van een branchegerichte benadering en de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het houden van risicogericht toezicht, wordt bepaald wanneer en op welke wijze toezicht wordt gehouden
•Risicogericht en informatiegestuurd werken: focus op die activiteiten en bedrijven en locaties die de grootste risico’s met zich meebrengen. Het gaat daarbij voor de DCMR om alle risico’s voor een veilige, gezonde en schone leefomgeving. Een belangrijke voorwaarde voor een goede risicoafweging is goede en consistente data. Daarnaast signaleert de DCMR blinde vlekken en potentiële ondermijnende activiteiten door het koppelen en analyseren van databestanden. Deze signalen worden doorgeven aan de gemeente. Ook dit draagt bij aan het risicogericht toezicht houden. Het optimaliseren van de gegevensuitwisseling tussen de verschillende diensten zou de samenwerking kunnen verbeteren en dient een plek te krijgen in het beleidsplan.
•Sturen op effect: een doordachte mix aan toezichtinstrumenten, die zijn toegesneden op de branche, met ruimte voor vernieuwend of alternatief instrumentarium dat traditioneel niet tot het toezichtinstrumentarium hoort, maar in sommige situaties wel (kosten)effectiever is. Bij deze interventies wordt gebruik gemaakt van gedragsinzichten, data-analyses en voorspellingen, en moderne sensortechnologie. Alternatieve en/of innovatieve interventies dienen in de Strategie Toezicht van het beleidsplan te worden opgenomen.
•Milieuthema’s: de beleidsprioriteiten van de participanten spelen een belangrijke rol. In combinatie met de feitelijke impact op de fysieke leefomgeving en het ingeschatte inherente risico wordt bepaald welke thema’s het zwaarste wegen en waar DCMR de meeste capaciteit op inzet. In het meerjarenprogramma (MJP) zijn samen met de participanten specifieke doelen geïdentificeerd (het betreft hier dus het MJP van de DCMR).
Directie Veiligheid
De gemeente werkt samen met partners aan een veilige stad om in te wonen en in te werken. De vijf veiligheidsthema’s voor de komende jaren zijn: het bouwen aan veilige wijken, voorkomen van jeugdcriminaliteit, bestrijden van ondermijning in stad en haven, omgaan met polarisatie en tegengaan radicalisering en het aanpakken van (digitale) criminaliteit met grote impact op slachtoffers. Met de Veiligheidskoers 2023-2027 beschrijven we de aanpak voor deze opgaven. Voor iedere opgave staat beschreven wat het is, wat we willen bereiken en wat we op hoofdlijnen gaan doen. De veiligheidskoers geeft richting hoe de gemeente en partners Rotterdam veiliger maken. Hiervoor is het belangrijk dat maatregelen worden aanpast als de stad en de wereld om ons heen verandert. Daarom wordt:
•Voor elk van de vijf opgaven een plan van aanpak opgesteld.
•Met de clusters van gemeente Rotterdam een jaaragenda met activiteiten opgesteld. Elk jaar wordt de agenda getoetst en besloten welke activiteiten het komende jaar een bijdrage leveren aan de opgaven van de veiligheidskoers.
•Samengewerkt met de wijkraden die zelf ook plannen opstellen. We zorgen voor verbinding zodat stedelijk beleid de aanpak in wijken kan versterken en de stedelijke aanpak versterkt kan worden met goede initiatieven uit de wijken.
De vijf veiligheidsthema’s
De thema’s vragen om structurele inzet van gemeente en veiligheidspartners.
Hieronder is kort en samenvattend weergegeven wat het doel is.
1Veilige wijken
Overlast, straatintimidatie, geweld achter de voordeur en incidenten met verwarde personen drukken op de veiligheid en beleving. De gemeente pakt dit integraler aan (zorg–veiligheid–fysiek), met extra aandacht voor kwetsbare wijken, om veiligheid en veiligheidsgevoel te vergroten.
2Voorkomen jeugdcriminaliteit
We versterken de preventieve aanpak en samenwerking, zodat jongeren veilig kunnen opgroeien en minder met politie in aanraking komen. First offenders krijgen naast straf ook zorg, en we maken jongeren en hun omgeving weerbaar tegen (georganiseerde) criminaliteit.
3Aanpak ondermijning in stad en haven
We blijven inzetten op bestrijding van ondermijning, zoals vastgoedfraude, mensenhandel en drugscriminaliteit. Extra focus ligt op zorgfraude, malafide uitzendbureaus en uitbuiting. In de haven werken we aan weerbaarheid, snelle signalering en samenwerking met andere Europese havens.
4Polarisatie en extremisme tegengaan
Rotterdam moet een stad zijn waar iedereen zich welkom en veilig voelt. We signaleren polarisatie sneller via analyses en samenwerking met partners en netwerken in de wijken. De aanpak richt zich op alle vormen van extremisme, met inzet van interventies en het Meld- en Adviespunt Radicalisering.
5Aanpakken van (digitale) criminaliteit
Digitalisering biedt kansen maar vergroot de risico’s. We versterken digitale weerbaarheid van inwoners en ondernemers, o.a. via kennisdeling en samenwerking. Ook blijven we High Impact Crimes voorkomen, met meer zichtbare en onzichtbare interventies in kwetsbare gebieden.
Stadsbeheer
Stadsbeheer is onderdeel van de gemeente Rotterdam en verantwoordelijk voor beheer, onderhoud, inzameling, reiniging, parkeren, toezicht en handhaving in de openbare buitenruimte. De afdeling Handhaving van Stadsbeheer is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving in de openbare buitenruimte. De afdeling Handhaving bestaat uit vier uitvoeringsclusters. Drie uitvoeringsclusters zijn verantwoordelijk voor gebiedsgebonden toezicht en handhaving van met name de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam en de Afvalstoffenverordening Rotterdam. Het vierde uitvoeringscluster is het cluster Stedelijke Inzet, dat door de gehele stad specialistische taken uitvoert.
Toezicht en handhaving Stadsbeheer omgevingsrecht.
Het uitvoeringscluster Stedelijke Inzet van de afdeling Handhaving van Stadsbeheer is verantwoordelijk voor een tweetal taken op het gebied van het omgevingsrecht.
•het uitvoeren van toezicht en handhaving op milieuwetgeving in de openbare buitenruimte en het vervullen van de signaalfunctie op milieuwetgeving ten behoeve van ketenpartners.
•het uitvoeren van toezicht en handhaving op drank- en horecawet- en regelgeving en het vervullen van de signaalfunctie op het omgevingsrecht voor ketenpartners.
Het team Milieu en team Drank en Horeca voert deze taken uit.
Jaarplannen
De vier uitvoeringsclusters van de afdeling Handhaving van Stadsbeheer stellen ieder jaar een jaarplan op. Daarin staat de wijze van uitvoering van de diverse taken van elk van de clusters. Ook de uitvoering van de taken milieutoezicht en -handhaving en toezicht en handhaving drank- en horecawet- en regelging staat in deze jaarplannen. Hieronder staat de uitvoering van deze beide taken beschreven.
Taakuitvoering milieutoezicht en -handhaving
Team Milieu richt zich op toezicht en handhaving op de middelzware milieuzaken in de openbare buitenruimte, zoals grootschalige dumpingen en lozingen van (gevaarlijke) afvalstoffen, het verkeerd aanbieden of inzamelen van bedrijfsafval, het onjuist verwijderen en dumpen van asbest, bodemvervuiling en watervervuiling door onder andere gevelreiniging en lozingen op het oppervlaktewater of de riool-waterafvoer.
Ketenpartners
Team Milieu werkt voornamelijk samen met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, de DCMR, de Milieupolitie en de NVWA. Team Milieu participeert in diverse overlegstructuren met de ketenpartners en neemt deel aan gecoördineerde acties met deze ketenpartners.
Prioriteit bedrijfsafval
Een van de prioriteiten van het college is toezicht en handhaving op verkeerd aangeboden bedrijfsafval. Het betreft een milieudelict dat een relatief geringe milieuschade tot gevolg heeft, maar wel een sterk negatieve impact heeft op de leefbaarheid binnen de gemeente Rotterdam. Team Milieu werkt bij de aanpak van verkeerd aangeboden bedrijfsafval samen met de drie gebiedsclusters van de afdeling Handhaving van Stadsbeheer. Om de pakkans en het effect van handhaving op overtredingen te verhogen, wordt vanaf 2021 ingezet op een bredere bestuursrechtelijke aanpak. De drie gebiedsclusters richten zich daarbij op de bestuursrechtelijke handhaving van verkeerd aangeboden bedrijfsafval. Team Milieu zal hierbij strafrechtelijk handhaven bij recidive.
Overige milieudelicten als dumpingen en lozingen.
Het betreft vooral lozingen, gevelreinigingen, grootschalige dumpingen van hennep of rugsafval. Toezicht vindt vooral plaats op basis van informatiesturing. Op basis van eerdere meldingen en eigen waarnemingen van handhavers zijn er dumplocaties bekend, die in de surveillance worden opgenomen. Daarnaast zal informatiegestuurde maatwerkinzet plaatsvinden op de autoreparatiebranche en winkelstrips. In combinatie met ketenpartners kunnen we doorpakken op basis van gerichte observaties, elektronisch toezicht door middel van tijdelijke mobiele camera’s, integrale controles, publieksvoorlichting en informatiecampagnes.
Taakuitvoering Drank en Horeca
Team Drank en Horeca richt zich op zes domeinen: horeca, slijterijen, paracommercie, supermarkten, avondwinkels en evenementen. De reguliere controles richten zich vooral op inrichtingen en locaties met een horecaexploitatievergunning en/of een Drank- en horecawetvergunning. Daarnaast controleert team Drank en Horeca de voorschriften uit Drank- en Horecawetvergunning, of men zich houdt aan de leeftijdsgrenzen (geen alcohol verkopen onder de 18 jaar), of de voorschriften en bepalingen uit de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam en de Wet op de Kansspelen wordt nageleefd.
Ketenpartners
Team Drank en Horeca werkt voornamelijk samen met de directie Veiligheid van de gemeente Rotterdam, de politie, de NVWA, cluster Stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam (vooral de afdeling Bouw- en Woningtoezicht), de Veiligheids-regio Rotterdam-Rijnmond (i.c. de brandweer), de douane, het cluster Werk & Inkomen van de gemeente Rotterdam (i.c. de unit Bijzonder Onderzoeken), de Inspectie SZW, de Belastingdienst, Youz en andere onderdelen van de afdeling Toezicht en Handhaving van Stadsbeheer. Hieronder staat voor de belangrijkste ketenpartners de wijze van samenwerken beschreven:
Meervoudig en signaaltoezicht
Team Drank en Horeca werkt nauw samen met en begeleidt testaankopers bij controles op leeftijdsgrenzen. Team Drank en Horeca moet niet alleen handhavend, maar ook signalerend kunnen optreden (voor partners) en hieraan vervolg kunnen geven. Team Drank en Horeca verricht horeca-gerelateerd meervoudig en signaaltoezicht in afstemming met betreffende partners, zoals het controleren van inrichtingen tot 150 vierkante meter op brandveiligheid (brandblusmiddelen, vluchtroutes, brandbare versieringen, koolmonoxideflessen en gaskooktoestellen volgens het convenant met de VRR/Brandweer.
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) heeft tot doel de (brand)veiligheidsrisico’s in de fysieke leefomgeving binnen de regio Rotterdam-Rijnmond te beheersen en duurzaam te borgen. Dat bereikt de VRR onder andere door beïnvloeding van gedrag en het verrijken van kennis bij initiatiefnemers en gebruikers, met als basis communicatie en samenwerking. De gemeente Rotterdam heeft de VRR gemandateerd voor de advisering en het toezicht op de brandveiligheid.
De kennis en expertise van de VRR op het risicobeheersingsdomein (de afdelingen Risicobeheersing en Industriële Veiligheid) is cruciaal voor deze advies- en toezicht staken. De basis hiervan is uiteraard de vigerende wet- en regelgeving. Maar de VRR investeert ook in communicatietechnieken en gedragsbeïnvloeding, om zo kennis en expertise optimaal in te kunnen zetten en over te brengen. Dit is nodig om de veiligheid in de fysieke leefomgeving verder te bevorderen.
Daarnaast is de VRR gestart met structurele data-analyse om binnen de risicogerichte benadering te kunnen focussen op de risico’s die ertoe doen. Dit wordt gebruikt voor zowel de prioritering van risico’s binnen gebouw- en gebruikscategorieën, als ook voor de relatief ongereguleerde risico’s die de technische en maatschappelijke ontwikkelingen steeds met zich meebrengen.
Het toezicht vindt plaats op basis van het jaarlijks vastgestelde Integraal Handhavingsprogramma (IHP) dat wordt opgesteld op grond van het Meerjarenprogramma Fysieke Veiligheid (MJP), waarbinnen de VRR samenwerkt met haar partners. Jaarlijks vindt een evaluatie en eventuele bijsturing plaats volgens de ‘plan, do, check, act-cyclus’.
De (sub)doelstellingen van de VRR binnen het domein Risicobeheersing zijn:
•Het beperken en beheersen van risico’s op de veiligheid in de fysieke leefomgeving;
•Het voorkomen van onveilige situaties en omstandigheden in de fysieke leefomgeving door hierop toezicht te houden;
•De risico’s in kaart brengen en duiden aan bevoegde gezagen, bedrijven, instellingen en bewoners (de maatschappij) en hen daarin adviseren;
•Het veilig en effectief optreden van hulpdiensten borgen;
•De regionaal expert en partner zijn voor advisering en toezicht op risico’s binnen het gebied van de fysieke leefomgeving (ruimtelijke ordening, milieu, bouw en gebruik).
Voor programmatisch handhaven heeft de VRR een systematiek ontwikkeld waarmee prioriteiten worden gesteld. Voor het indelen van de gebruiksfunctie in prioriteitsklassen hanteert de VRR criteria die in een tweetal hoofdklasse onder te verdelen zijn:
1De kwetsbaarheid van een object:
Deze wordt bepaald door de risico’s die het gebruik van het object met zich mee brengt. Een object waarin slapende of verminderd zelfredzame personen verblijven vormt bijvoorbeeld een hoger risico dan een vergelijkbaar object waar dat niet het geval is. Daarnaast bepaalt het aantal personen in een object en de bekendheid met de omgeving voor een belangrijke mate het potentiële risico.
2Het risicoprofiel van een object:
Deze wordt bepaald door enerzijds het wezenlijke risico van een object, en anderzijds het historische naleefgedrag. Het risicoprofiel wordt o.b.v. analyse van beschikbare informatie vormgegeven.
Waterschappen
De drie waterschappen in Rotterdam zijn: Hoogheemraadschap van Delfland (HHvD), Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en Waterschap (HHSK) en het Waterschap Hollandse Delta (WSHD). Hierna gezamenlijk: de waterschappen.
Met de instandhouding van waterkeringen beschermen de waterschappen hun beheersgebieden (waar het grondgebied van de gemeente Rotterdam deel uitmaakt) tegen overstroming bij hoge waterstanden op de Noordzee, de Nieuwe Waterweg en de rivieren. Als doelcorporaties beheren zij het peil en de waterkwaliteit in de binnendijks gelegen oppervlaktewateren, zuiveren het door de gemeente ingezamelde afvalwater en beheren binnendijks gelegen vaarwegen. Zij beheren hun infrastructuur voor het veilig en duurzaam wonen, werken en recreëren voor bewoners, bedrijven en ander gebruikers. In de context van dit beleidsplan zijn de waterschappen verantwoordelijk voor het reguleren van het (mede)gebruik van waterkeringen, wateren, vaarwegen en wegen waarvoor zij bevoegd gezag zijn.
Onder de Omgevingswet is de voormalige ‘keur’ opgegaan in de waterschapsverordening. De regels over activiteiten in en rond waterkeringen en watergangen zijn daarmee opgenomen in deze verordening en vormen het actuele kader voor vergunningverlening en toezicht.
In het licht van de beoogde vernieuwing van de overheid (zie deel 3) richten de waterschappen zich op een (meer) integrale benadering, voorbereiding en uitvoering van hun VTH-taken. Als betrouwbare en deskundige waterautoriteit onderhouden en versterken zij daartoe een nauwe samenwerking met partners. Samen met partners willen zij invulling geven aan het idee van één overheid. Dat wil zeggen overheden die bewoners en bedrijven zoveel mogelijk één integrale, samenhangende dienstverlening bieden. De in dit beleidsplan met bijlagen vermelde vormen van samenwerking zijn daarvan een voorbeeld.
Bevorderen naleving
De waterschappen voeren hun VTH-taken uit in lijn met het in deze nota geschetste algemene nalevingsbeleid. Zij leggen het accent op het bevorderen van goed naleefgedrag door het werken aan de voorkant. Dat doen zij onder andere door:
•een gedegen communicatie met en participatie van doelgroepen en partners bij het stellen van regels
•een actieve begeleiding van initiatieven en activiteiten van bewoners en bedrijven
•afstemming met partners bij het vergunnen van activiteiten via zogenoemde omgevingstafels belonen van goed naleefgedrag door toezichtlast te beperken
De waterschappen hebben elk hun eigen nalevingsbeleid dat te vinden is op hun website.
Toegesneden toezicht/prioritering
De uitvoering van het toezicht is probleem- en risicogericht. Op basis van periodieke probleem en risicoanalyses vindt gericht toezicht plaats, gebaseerd op diverse toezichtstrategieën voor diverse branches en specifieke, samenhangende activiteiten. De waterschappen geven hoge prioriteit aan de uitvoering van toezicht op activiteiten die (bij niet naleving van regels) hoge risico’s inhouden voor het functioneren van waterkeringen en watersystemen. Denk bij dit functioneren aan bescherming tegen hoge zee- en rivierwaterstanden, bescherming van watergangen en wateren beschermen ter voorkoming van wateroverlast of watertekort en bescherming tegen handelingen die de waterkwaliteit in oppervlaktewateren ernstig aantasten (o.a. bescherming aquatisch milieu).
De waterschappen houden binnen hun toezichtcapaciteit en prioritering (flexibele) ruimte om op onvoorziene ontwikkelingen adequaat te kunnen inspelen. Bijvoorbeeld bij het traceren van de bronnen van ernstig verontreinigende lozingen van stoffen in wateren of rioleringen. Zo zijn de waterschappen extra alert op de lozing van (nieuwe) zeer zorgwekkende stoffen.
Samenwerking
De waterschappen werken bij de voorbereiding en uitvoering van het toezicht samen met diverse overheidspartners. Bijvoorbeeld bij risicovolle bedrijven met de omgevingsdiensten (DCMR), bij agrarische activiteiten (waaronder de glastuinbouw) met NVWA en omgevingsdiensten. WSHD werkt nauw samen met DCMR bij het toezicht op indirecte lozingen, onder meer door het toezicht op relevante lozingen voor een belangrijk deel uit te voeren. WSHD doet dit met het oog op de bescherming van de goede werking van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), die bij dit waterschap in beheer zijn.
Met partners wordt de samenwerking vernieuwd of versterkt via het ontwikkelen van (nu nog experimentele) nalevingstafels en gebiedsgerichte watertafels. Ook wordt het algemene VTH-beleid geactualiseerd en met partners afgestemd door het vaststellen van gezamenlijk of eensluidend beleid. Verder wordt de samenwerking bij het maken van gebieds-, probleem- en risicoanalyses versterkt.
Speerpunten
Voor de komende periode leggen de waterschappen prioriteit bij met VTH- middelen inspelen op het voorkomen van en het optreden tegen het lozen van zeer zorgwekkende stoffen door bedrijven.