Gemeentelijke regelgeving

Bodemenergieplan ’t Zand & De Hoogt

Gemeente Roosendaal · geldt sinds 7 mei 2018

Aanhef

Burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal;

gelet op:

-Wet milieubeheer;

-artikelen 2.2a lid 6 en 2.2b Besluit Omgevingsrecht;

-de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen;

overwegende dat:

-er geen gasinfrastructuur wordt aangelegd in ’t Zand en De Hoogt;

-het wenselijk is het gebruik an bodemenergie door toekomstige particuliere eigenaren van kavels in ’t Zand en De Hoogt te reguleren;

BESLUITEN

vast te stellen het Bodemenergieplan ’t Zand & De Hoogt.

Bijlage A: Geohydrologische beschrijving.

De grondwaterstromingssnelheid in de verschillende watervoerende pakketten is berekend op basis van de hydraulische doorlatendheid (m/d) en stijghoogtegradiënten. Deze laatste zijn bepaald met de isohypsen uit het grondwatermodel voor Noord-Brabant (TNO, 1995) waarin drie watervoerende pakketten zijn onderscheden.

De in deze studie onderscheiden watervoerende pakketten 1 en 2 komen overeen met het eerste en tweede watervoerende pakket uit het grondwaterkaart voor Nederland: Toelichting bij de kaartbladen 49 Oost Bergen op Zoom en 50 West Breda (TNO, 1970). Het derde watervoerende pakket ligt echter onder de Boomse Klei (TNO, 1970) welke in dit rapport als hydrologische basis is gehanteerd.

Figuur A1 geeft een samenvatting van de geohydrologische schematisatie en parameterisatie voor interferentiegebieden De Hoogt (boven) en ’t Zand (onder) op basis van virtuele boringen uit het REGIS II 2.2 model.

Figuur A1 Virtuele boringen op een centrale locatie van interferentiegebieden De Hoogt (boven) en ’t Zand (onder). BX = Formatie van Boxtel, SY = Formatie van Stamproy, WAk1 = Formatie van Waalre, eerste kleiige eenheid; Wak2 = Formatie van Waalre, tweede kleiige eenheid, PWZA = Formatie van Peize en Waalre; MS = Formatie van Maassluis, OOk1 = Formatie van Oosterhout, eerste kleige eenheid, OOz = Formatie van Oosterhout, BR = Formatie van Breda, z = zandige eenheden. Kh-waarde = horizontale doorlatendheid, Kv-waarde = verticale doorlatendheid, kD-waarde = transmissiviteit, c-waarde = hydraulische weerstand.

Isohypsenkaarten Roosendaal

De grondwaterstromingssnelheid in de verschillende watervoerende pakketten is berekend op basis van de hydraulische doorlatendheid (m/d) en stijghoogtegradiënten. Deze laatste zijn bepaald met de isohypsen uit het grondwatermodel voor Noord-Brabant (TNO, 1995).

De in deze studie onderscheiden watervoerende pakketten 1 en 2 komen overeen met het eerste en tweede watervoerende pakket uit het grondwaterkaart voor Nederland Toelichting bij de kaartbladen 49 Oost Bergen op Zoom en 50 West Breda (TNO, 1970). De isohypsen van Noord-Brabant (TNO, 1995) zijn voor drie watervoerende pakketten onderscheden, het derde watervoerende pakket ligt echter onder de Boomse Klei (TNO, 1970) welke in dit rapport als hydrologische basis is gehanteerd. De gehanteerde doorlatendheden zijn afkomstig van het REGIS II 2.2 model (TNO, 2017).

Grondwaterstroming ’t Zand

Bij interferentiegebied ’t Zand is onder het oppervlak een freatisch grondwaterpakket van enkele meters aanwezig, onderlegen door een scheidende laag. Hieronder bevind zich het eerste watervoerend pakket (figuur A2) en het tweede watervoerend pakket (figuur A3).

In het eerste watervoerend pakket is het stijghoogteverschil 2 meter over 2590 m, een stijghoogtegradient van 0,00077 m/m. Bij een horizontale doorlatendheid (Kh) van 5,0 – 25,0 m/d (REGIS II 2.2) resulteert dit in een Darcy grondwaterstroming van 1,41 tot 7,02 meter per jaar. Uitgaande van een gemiddelde horizontale doorlatendheid van 17,5 m/d komt de Darcy grondwaterstroming op 4,91 meter per jaar. Het grondwater stroomt in Noordwestelijke richting.

Figuur A2. 't Zand: isohypsen 1e watervoerende pakket.

Figuur A3. 't Zand: isohypsen 2e watervoerende pakket.

In het tweede watervoerend pakket bedraagt de stijghoogteverschil 2 meter over 2330 m, een stijghoogtegradient van 0,00146 m/m. Bij een horizontale doorlatendheid (Kh) van 2,5 – 50,0 m/d (REGIS II 2.2) resulteert dit in een Darcy grondwaterstroming van 1,33 tot 26,64 meter per jaar. Het grondwater stroomt in Noordwestelijke richting.

Grondwaterstroming De Hoogt

In het eerste watervoerend pakket (figuur A4) is het stijghoogteverschil 2 meter over 1490 m, een stijghoogtegradient van 0,00134 m/m. Bij een horizontale doorlatendheid (Kh) van 10,0 – 25,0 m/d (REGIS II 2.2) resulteert dit in een Darcy grondwaterstroming van 4,89 tot 12,22 meter per jaar. Het grondwater stroomt in noordelijke richting.

Figuur A4. De Hoogt isohypsen 1e watervoerende pakket.

Figuur A5. De Hoogt isohypsen 2e watervoerende pakket.

In het tweede watervoerend pakket (figuur A5) is het stijghoogteveschil 2 meter over 2218 m, een stijghoogtegradient van 0,00077 m/m. Bij een horizontale doorlatendheid (Kh) van 5 – 25,0 m/d (REGIS II 2.2) resulteert dit in een Darcy grondwaterstroming van 1,41 tot 7,02 meter per jaar. Het grondwater stroomt in noordelijke richting.

Bijlage B: Aanvullende informatie bijzondere aandachtspunten

Indien van toepassing wordt hier aanvullende informatie gegeven over onder andere:

-Bodemverontreiniging

-Archeologische vindplaatsen

-Niet ge-explodeerde munitie

-Natuurgebieden

-Voor de interferentiegebieden in de bodemenergieplan zijn deze niet van toepassing.

Bijlage C: Wettelijk kader, regelgeving

Voor overheden geven de BUM (Besluitvormings Uitvoerings Methode bodemenergie-systemen) en HUM (Handhavings Uitvoerings Methode bodemenergiesystemen) een overzicht van het juridische kader en taken van de bevoegde gezagen. Deze documenten hebben geen formele status, maar geven een handreiking en invulling van de eisen en toetsingscriteria. De documenten zijn verkrijgbaar via de website van het SIKB (http://www.sikb.nl).

Op 1 juli 2013 is een nieuw wettelijk kader voor open en gesloten bodemenergiesystemen van kracht geworden. Open bodemenergiesystemen zijn gereguleerd via de Waterwet, in het Waterbesluit zijn instructievoorschriften voor bodemenergiesystemen opgenomen. Voor gesloten bodemenergiesystemen zijn algemene regels opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor systemen binnen inrichtingen) en in het Besluit Lozen Buiten Inrichtingen (BlBi). Het wijzigingsbesluit bodemenergie (ook wel AmvB Bodemenergie), regeling bodemenergie en rectificatie regeling bodemenergie geven de diverse wijzigingen aan de besluiten aan. Een verdere aanpassing is gepubliceerd in de Staatscourant van 22 augustus 2013, deze betreft methoden om het rendement van bodemenergiesystemen te bepalen.

Voor open bodemenergiesystemen is de Provincie het bevoegd gezag, voor gesloten bodemenergiesystemen is in eerste instantie de Gemeente bevoegd gezag (provincie kan bevoegd zijn voor systemen aangelegd binnen een inrichting waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn).

Naast de diverse specifieke bepalingen met betrekking tot het ontwerpen, realiseren en in bedrijf hebben van bodemenergiesystemen is een belangrijk onderdeel van het wettelijke kader de erkenningsregeling. Dit houdt in dat iedereen die werkzaamheden aan een bodemenergiesysteem verricht erkend moet zijn. De erkenning wordt bijgehouden door Bodem+ en is gekoppeld aan certificering en beoordelingsregelingen.

Voor het ondergrondse deel van het bodemenergiesysteem is certificering vereist op grond van de BRL 11000 en protocol 11001 (Ontwerp, realisatie, beheer en onderhoud van het ondergrondse deel van bodemenergiesystemen). Voor het bovengrondse deel gelden criteria vastgelegd in de BRL 6000-21 (Ontwerpen, installeren en beheren van energiecentrales van bodemenergiesystemen). Voor het uitvoeren van boorwerkzaamheden moet een bedrijf tevens gecertificeerd zijn voor de BRL 2100 en het protocol 2101 (Protocol Mechanisch Boren). Onderdeel van de certificering zijn ook de documenten ISSO-publicatie 39 (Lange termijn koudeopslag in de bodem), ISSO-publicatie 72 (Ontwerpen van individuele en klein elektrische warmtepompsystemen voor woningen) en ISSO-publicatie 73 (Ontwerp en uitvoering van verticale bodemwarmtewisselaars).

Regulering en bevoegdheden gesloten bodemenergiesystemen

De BUM BE gemeentelijke taken deel 2_2_3 geeft een overzicht van de regulering en bevoegdheden met betrekking tot gesloten bodemenergiesystemen. Deze worden in onderstaande schema's samengevat.

Schema C1.1 (BUM BE Gemeentelijke taken): Regulering bodemenergiesystemen.

Gebied

Type systeem

Klein gesloten systeem (< 70kW)

Groot gesloten systeem (≥ 70kW)

Open bodemenergie-systeem

Binnen inrichting

Buiten inrichting

Binnen inrichting

Buiten inrichting

Aanleg en gebruik buiten interferentiegebied

ABM

BlBi

ABM + OBM

BlBi + OBM

Watervergunning, met instructieregels voor bevoegd gezag (bij provinciale verordening kan vrijstelling zijn verleend voor systemen < 10 m3/uur)

Aanleg en gebruik binnen interferentiegebied

ABM + OBM

BlBi + OBM

ABM + OBM

BlBi + OBM

Aanleg in milieubeschermings-gebied

Ontheffing provinciale milieuverordening

ABM: Activiteitenbesluit Milieubeheer; BlBi: Besluit Lozen Buiten Inrichtingen; OBM: Omgevingsvergunning beperkte milieutoets.

Schema C1.2 (BUM BE Gemeentelijke taken): Regulering aanverwante handelingen.

Handeling

Binnen inrichting

Buiten inrichting

Lozen (spoelwater) op oppervlaktewater

Watervergunning

Lozen (spoelwater) op bodem/grondwater

Activiteitenbesluit Milieubeheer

Besluit lozen buiten inrichtingen

Lozen (spoelwater) op riolering

Activiteitenbesluit Milieubeheer

Besluit lozen buiten inrichtingen

Schema C1.3 (BUM BE Gemeentelijke taken): Bevoegdheden bodemenergiesystemen.

Gebied

Type systeem

Klein gesloten systeem (< 70kW)

Groot gesloten systeem (≥ 70kW)

Open bodemenergie-systeem

Binnen inrichting

Buiten inrichting

Binnen inrichting

Buiten inrichting

Aanleg en gebruik buiten interferentiegebied

B&W of GS

B&W

B&W of GS

B&W

Gedeputeerde Staten

Aanleg en gebruik binnen interferentiegebied

B&W of GS

B&W*

B&W of GS

B&W

Aanleg in milieubeschermings-gebied

Gedeputeerde Staten (GS)

* Soms zijn Gedeputeerde Staten bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning, namelijk als het bodemenergiesysteem onderdeel uitmaakt van een project waarvoor de provincie een ruimtelijk besluit neemt (een provinciaal inpassingsplan of een afwijking van het bestemmingsplan vanwege een provinciaal belang).

Schema C1.4 (BUM BE Gemeentelijke taken): Bevoegdheden aanverwante handelingen.

Handeling

Binnen inrichting

Buiten inrichting

Lozen (spoelwater) op oppervlaktewater

Waterbeheerder of Gedeputeerde Staten

Lozen (spoelwater) op bodem/grondwater

B&W of GS

B&W

Lozen (spoelwater) op riolering

B&W of GS

B&W

Andere relevante documenten met betrekking tot de protocollen, beoordelingsrichtlijnen en erkenningsregelingen zijn samengevat in tabel 1.5 van de BUM BE Gemeentelijke taken:

Tabel 1.5 (BUM BE Gemeentelijke taken): Overzicht relevante documenten.

Document

Onderwerp

Van toepassing op

Document beheerder

BRL SIKB 2100 en protocol 2101 'Mechanisch boren'

Eisen aan mechanisch boren en buiten gebruik stellen van bodemenergiesystemen

Boorbedrijven

SIKB

BRL SIKB 11000 en protocol 11001 'Ontwerp, realisatie en beheer en onderhoud ondergronds deel bodemenergiesystemen'

Eisen aan ontwerp, realisatie en beheer van het ondergrondse deel van open en gesloten bodemenergiesystemen.

Bodemkundige adviesbureaus en boorbedrijven

SIKB

AS 3000 'Laboratoriumanalyses van grond- waterbodem- en grondwatermonsters'

Eisen aan laboratoriumanalyses (tbv bijvoorbeeld monitoring).

Laboratoria

SIKB

BRL KvINL 6000 Deel 21 'Ontwerpen, installeren en beheren van installaties', bijzonder deel 'Ontwerpen, installeren en beheren van energiecentrales bodemenergiesystemen'

Eisen aan installatietechnisch ontwerp en aanleg van het bovengrondse deel van bodemenergiesystemen.

Installatie-bedrijven in het gebouw

KvINL

ISSO-publicatie 72 'Ontwerpen van individuele en klein elektrische warmtepompsystemen' ISSO-publicatie 73 'Ontwerp en uitvoering van verticale bodemwarmtewisselaars' ISSO-publicatie 80 'Handboek integraal ontwerpen van collectieve installaties met warmtepompen in de woningbouw'

Beschrijving van het installatietechnisch ontwerp en aanleg van het bovengrondse deel van gesloten bodemenergiesystemen.

Installatie-bedrijven in het gebouw

ISSO

ISSO-publicatie 39 'Ontwerp, realisatie en beheer van een energie-centrale met warmte en koude opslag (WKO)'

Beschrijving van het installatietechnisch ontwerp en aanleg van het bovengrondse deel van open bodemenergiesystemen.

Installatie-bedrijven in het gebouw

ISSO

Algemene meldings- en vergunningplicht

De algemene meldings- en vergunningplicht voor open en gesloten bodemenergiesystemen geldt altijd. Daarnaast kan het aanleggen van systemen in grondwaterbeschermingsgebieden of boringsvrije zones verboden zijn, of aan striktere regels gebonden. Ook kunnen er andere wetten en regels van kracht zijn, zoals wanneer een systeem nabij een dijk of spoorlichaam wordt aangelegd.

Gesloten systemen

Voor gesloten systemen geldt in beginsel een meldingsplicht, voor systemen met een netto vermogen (thermische vermogen aan de bodem) groter dan 70 kW geldt een vergunningplicht. De vergunning voor grote gesloten systemen betreft een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM).

De regeling bodemenergiesystemen geeft verschillende algemene regels waaraan een gesloten bodemenergiesysteem moet voldoen. Bij de melding of vergunningaanvraag moet een studie worden gevoegd waarin wordt aangetoond dat er geen sprake is van negatieve interferentie met andere aanwezige (vergunde of gemelde) bodemenergiesystemen.

De belangrijkste algemene regels zijn:

•Bij vermoeden van lekkage wordt het systeem buiten werking gesteld en wordt de circulatievloeistof verwijderd, tenzij water zonder toevoegingen wordt gebruikt.

•Temperatuur van de circulatievloeistof in de retourbuis van een gesloten bodemenergiesysteem bedraagt niet minder dan -3 oC en niet meer dan 30 oC. Het bevoegd gezag kan bij maatwerk een temperatuur hoger dan 30 oC toestaan.

•Het gesloten bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na ingebruikname een moment waarop geen sprake is van een warmteoverschot. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een warmteoverschot toestaan.

•Het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem leidt niet tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd (gemeld of vergund) gesloten of open bodemenergiesysteem, dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad.

•Er wordt een registratie bijgehouden van de volgende elementen: Temperatuur van de circulatievloeistof in de retourbuis, hoeveelheid warmte en koude die vanaf ingebruikname met de bodem is uitgewisseld, jaarlijkse energierendement. Voor een vergunningplichtig systeem worden deze gegevens elk kalenderjaar aan bevoegd gezag toegestuurd, voor kleine systemen worden zij tien jaar in de inrichting bewaard. Individuele gesloten bodemenergiesystemen in woningen zijn uitgezonderd van de verplichting tot meten en registreren.

•Regels met betrekking tot buitengebruikstelling, met name het verwijderen antivriesmiddelen en opvullen ondergrondse deel van het systeem.

Bij de melding of vergunningaanvraag moeten verschillende gegevens worden aangeleverd en in de digitale loketten ingevoerd, dit betreffen ten minste:

•Naam en adres van degene die de boringen of andere werkzaamheden aan de installatie uitvoert. In de praktijk zal ook het erkenningsnummer opgegeven moeten worden.

•Een situatieschets met een schaal van ten minste 1:1.000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van het systeem ten opzichte van de omgeving is aangegeven.

•De einddiepte waarop het systeem zal worden geïnstalleerd.

•De x- en y-coördinaten van het middelpunt van het systeem

•Een onderbouwing waaruit blijkt dat het in werking hebben van het systeem niet leidt tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad.

•Het energierendement, uitgedrukt als SPF, dat het bodemenergiesysteem zal behalen bij voorzien gebruik van het gebouw overeenkomstig de bestemming waarvoor het systeem is ontworpen.

•Het bodemzijdig vermogen van het systeem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem voorziet.

Open systemen

Voor open systemen, die grondwater onttrekken en injecteren, geldt een vergunningplicht in het kader van de waterwet. Provincies hebben de mogelijkheid om kleine open systemen (< 10 m3/uur) van vergunning vrij te stellen. Bij de vergunningaanvraag dient een effectenstudie te worden gevoegd waarin de effecten van het open bodemenergiesysteem in kaart worden gebracht en waarin wordt aangetoond dat het systeem geen negatieve invloed heeft op grondwaterafhankelijke belangen van andere gebruikers.

Aan de vergunning worden door middel van instructieregels voorschriften verbonden.

Naast de algemene wet- en regelgeving is er vooral voor open bodemenergiesystemen vaak sprake van specifiek provinciaal beleid.

Belangrijke algemene regels zijn:

•Temperatuur van de circulatievloeistof in de retourbuis van een open bodemenergiesysteem bedraagt niet meer dan 25 oC. Het bevoegd gezag kan bij maatwerk een temperatuur hoger dan 25 oC toestaan.

•Het open bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na ingebruikname een moment waarop geen sprake is van een warmteoverschot. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een warmteoverschot toestaan.

•Het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem leidt niet tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd (gemeld of vergund) gesloten of open bodemenergiesysteem, dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad.

•Eisen aan monitoring en rapportage van monitoringgegevens worden in de vergunning uitgewerkt.

•Regels met betrekking tot buitengebruikstelling.

Bij de melding of vergunningaanvraag moeten verschillende gegevens worden aangeleverd en in de digitale loketten ingevoerd, dit betreffen ten minste:

•Naam en adres van degene die de boringen of andere werkzaamheden aan de installatie uitvoert. In de praktijk zal ook het erkenningsnummer opgegeven moeten worden.

•Een situatieschets met een schaal van ten minste 1:1.000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van het systeem ten opzichte van de omgeving is aangegeven.

•De dieptes waarop de filters gesteld worden en de diameters van de filters.

•De x- en y-coördinaten van de warme en koude bronnen van het systeem

•Een onderbouwing waaruit blijkt dat het in werking hebben van het systeem niet leidt tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad.

•Het energierendement, uitgedrukt als SPF, dat het bodemenergiesysteem zal behalen bij voorzien gebruik van het gebouw overeenkomstig de bestemming waarvoor het systeem is ontworpen, blijkend uit een schriftelijke verklaring van de installateur.

•De hoeveelheden onttrokken en geïnjecteerd grondwater, in m3/uur, per etmaal, per maand, per kwartaal en per jaar.

•De injectietemperatuur van de warme en koude bron.

•Het bodemzijdig vermogen van het systeem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem voorziet.

Procedure vaststellen interferentiegebied

Omdat open bodemenergiesystemen in principe altijd vergunningplichtig zijn en de voorwaarden voor de vergunning in provinciale beleidsregels kunnen worden vastgelegd is het aanwijzen van een (provinciaal) interferentiegebied vaak niet nodig. Wel kan het nodig zijn de regels en de onderbouwing van de regels in een bodemenergieplan (ook wel Masterplan genoemd) uit te werken.

Gesloten bodemenergiesystemen zijn niet per definitie vergunningplichtig en, als ze wel vergunningplichtig zijn, zijn de eisen die aan de OBM vergunning kunnen worden opgelegd zeer beperkt. De gemeente kan daarom per verordening een interferentiegebied aanwijzen waarbinnen wel aanvullende regels gelden. Ook de provincie kan, in uitzonderlijke gevallen, een interferentiegebied aanwijzen. De gemeente blijft ook dan bevoegd gezag.

Het aanwijzen van een interferentiegebied gebeurt ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie. Binnen een interferentiegebied zijn alle bodemenergiesystemen vergunningplichtig.

De procedure is als volgt:

1De raad wijst het gebied aan als interferentiegebied in een raadsbesluit.

2Het college van B&W stelt de beleidsregels vast waaraan de bodemenergiesystemen in het interferentiegebied dienen te voldoen.

Overleg tussen de provincie en gemeente bij het vaststellen van de beleidsregels voor een interferentiegebied is aan te bevelen.

Bijlage D: Vergelijking resultaat bodemenergieplan met standaard ontwerp bodemenergiesysteem

Het bodemenergieplan heeft energiebudgetten bepaald voor de verschillende deelgebieden, zodanig dat bij de gegeven specifieke warmte-onttrekking voor alle systemen in samenhang er geen sprake is van negatieve interferentie. Bij het bepalen van de energiebudgetten is rekening gehouden met de bebouwingsdichtheid, aantal bodemwarmtewisselaars per systeem en totale clusteromvang.

Om de gevolgen van de bepaalde energiebudgetten voor de individuele systeemontwerpen in te schatten is een berekening gemaakt met het standaard ontwerpprogramma Earth Energy Designer (EED) voor een enkele woning, een cluster van 15 en een cluster van 40 woningen. Voor elk van de drie clusters is uitgegaan van een gemiddeld energievraag profiel en een energievraagprofiel voor een grotere woning. De energiegegevens en rendementen zijn bepaald aan de hand van enkele referentieprojecten.

Bodemeigenschappen zijn gekozen op basis van de resultaten van het bodemenergieplan, gemiddelde waarden:

•warmtegeleidingscoëfficiënt 2,07 W/mK.

•warmtecapaciteit 2,44 MJ/m3K.

•bodemtemperatuur 10,5 oC.

Ontwerpparameters die bepalend zijn voor de bodemwarmtewisselaar zijn zo ingesteld dat een reële prestatie wordt verkregen (thermische boorgatweerstand ± 0,12 ((m.K)/W)).

Er is voor alle scenario's uitgegaan van 1 bodemwarmtewisselaar per woning, met een tussenafstand van 7 meter. Vervolgens is de nodige totale lengte bodemwarmtewisselaar berekend met als uitgangspunt een gemiddelde brontemperatuur van 0 oC na 40 jaar. Om de energievraag van de woning om te rekenen naar netto-energievraag aan het bodemenergiesysteem is voor ruimteverwarming een SPF van 4,5; voor tapwater van 2,7 en voor ruimtekoeling van 20 gebruikt. Voor de pieklast in het ontwerp is uitgegaan van 2250 vollasturen, hiermee heeft de pieklast slechts een klein effect op het ontwerp.

Energievraag en aantal bodemwarmtewisselaars per scenario is in tabel D1 samengevat.

Tabel D1: Energievraagpatroon (totaal ruimteverwarming, tapwater en koeling) en aantal bodemwarmtewisselaars en opstellingsvorm voor de zes verschillende scenario's.

De resultaten van de berekeningen zijn in tabel D2 samengevat. Een "worst case" vergelijking kan worden gemaakt door de ontwerpberekening van een woning te vergelijken met het minimaal toegekende energiebudget.

Een enkele woning die binnen het gebied gerealiseerd wordt zal met de omliggende systemen rekening moeten houden. Ten opzichte van een ontwerpberekening waarbij dat niet wordt gedaan neemt de omvang van het bodemenergiesysteem in het ergste geval met bijna 100% toe.

Vergelijken we een enkele woning in een ontwerp van een cluster van 15 woningen, dan zal op basis van het bodemenergieplan een maximaal 10% grotere omvang dan bij een standaard ontwerpprocedure nodig zijn. Wanneer grotere clusters in samenhang ontworpen worden dan is de specifieke warmteonttrekking zelfs kleiner dan de in het bodemenergieplan toegekende energiebudget.

Het bodemenergieplan biedt overigens voldoende ruimte om verschillende projecten te realiseren:

-Het blijft mogelijk om voor collectieve systemen een geïntegreerd ontwerp op te stellen wat van de energiebudgetten in het bodemenergieplan afwijkt. Dan moet wel in een effectenstudie worden aangetoond dat er geen negatieve effecten op andere systemen optreden.

-De energiebudgetten zijn netto op jaarbasis, door een goede energiebalans of andere maatregelen kan de ontwerper binnen het toegekende energiebudget blijven.

Tabel D2: Berekende lengte van het bodemenergiesysteem, specifieke onttrekking uit ontwerpberekening en in het bodemenergieplan toegekende minimale (worst case) energiebudget. De afwijking is het percentage extra lengte wat geplaatst zou moeten worden.

Bijlage E: Aanleveren aanvullende gegevens

Bij een reguliere melding of vergunningaanvraag van een gesloten bodemenergiesysteem worden op de meldingsformulieren van het omgevingsloket (OLO) of Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) diverse gegevens verplicht aangeleverd. Deze gegevens betreffen:

-Algemene projectgegevens en gegevens bevoegd gezag.

-Gegevens aanvragend bedrijf

-Algemene gegevens van de locatie, waaronder X- en Y-coördinaten

-Meldingsgegevens systeem:

o Gegevens ontwerper en uitvoerder boorwerkzaamheden inclusief erkenningsnummer.

o Kenmerken van het gesloten systeem, waaronder het type, toepassingstype, lengte en einddiepte bodemwarmtewisselaars, circulatiemedium.

o Gegevens over het bodemzijdige vermogen en de energievraag.

o Bepaling mogelijke interferentie met andere gesloten systemen.

o Opgave van het totale rendement (SPF) van het systeem.

o X- en Y-coördinaat middelpunt van het bodemenergiesysteem (bij een gebundelde melding

8Een gebundelde melding betreft de melding van een aantal individuele systemen die in volledige samenhang zijn ontworpen, bij dit ontwerp is dan al met onderlinge interacties rekening gehouden. Een gebundelde melding is mogelijk wanneer aan verschillende voorwaarden wordt voldaan:1. De systemen bevinden zich in aan elkaar grenzende gebouwen of woningen;2. Het ontwerp (gebouwzijdig en bodemzijdig) van alle betrokken gesloten systemen vindt gelijktijdig plaats. Daarbij wordt het ondergrondse deel van de systemen als 1 geheel ontworpen. Dat wil zeggen dat de onderlinge thermische invloed tussen de individuele systemen bij het ontwerp van het ondergrondse deel van de systemen wordt betrokken;3. De systemen worden door dezelfde partijen aangelegd (boring, bodemlussen en installaties).

van gelijke systemen een lijst van alle X- en Y-coördinaten).

o Bijlagen met onderbouwing van bepalen interferentie en rendement.

Binnen het gebied worden de aanvullende gegevens gevraagd, deze worden als bijlage aan het de vergunningaanvraag toegevoegd. Een formulier voor de aanvullende gegevens wordt in deze bijlage gegeven. Doel van de aanvullende gegevens is een controle op het naleven van de gebruiksregels binnen het gebied mogelijk te maken.

De aanvullende gegevens met betrekking tot vermogen en rendement warmtepomp zijn nodig omdat bij de standaardgegevens alleen een totale SPF wordt opgegeven.

Bodemenergieplan de Hoogt en ’t Zand (Gemeente Roosendaal), sjabloon bijlage aanvullende informatie te verstrekken bij vergunningaanvraag.

Aanvraagnummer

Identiek aan aanvraagnummer vergunningaanvraag

Betreft deelgebied

0't Zand

0De Hoogt

Dit is nodig om vast te stellen of de juiste tabel is toegepast.

Straatnaam

Huisnummer

Selectie Energiebudget

uit tabellen 5.2a t/m g bodemenergieplan

Toegepaste tabel (5.2 of 5.3)

Aantal bodemwarmtewisselaars per systeem

Energiebudget (kWh/m/j)

Uitgangspunt ontwerptemperatuur (oC)

De ontwerptemperatuur waarbij rendement van de warmtepomp gerealiseerd wordt

Energievraag ruimteverwarming (kWh/jaar)

Rendement warmtepomp ruimteverwarming

Temperatuur verwarmingscircuit (oC)

Energievraag tapwaterbereiding (kWh/jaar)

Temperatuur tapwaterbereiding (oC)

Rendement warmtepomp tapwaterbereiding

Energievraag ruimtekoeling (kWh/jaar)

Rendement levering ruimtekoeling

Vermogen bronpomp (kW)

Heeft u specifieke voorzieningen moeten treffen (bv zonthermische installatie) om aan eisen te voldoen?

Indien ja: omschrijf kort welke voorziening getroffen is

Bodemenergieplan, sjabloon bijlage aanvullende informatie te verstrekken bij vergunningaanvraag.

Na realisatie van het betreffende bodemenergiesysteem wordt documentatie met betrekking tot de oplevering aan de gemeente aangeleverd, deze betreffen een revisie van de meldingsgegevens en tenminste:

-Tekening waarop aangegeven de boringen en horizontale leidingtracés, voorzien van maatvoering en X- en Y-coördinaten (rijks driehoekstelsel) van de individuele boringen en de gerealiseerde einddiepte.

Bijlage F: Checklist gemeente

De checklist voor de gemeente bestaat uit twee onderdelen, de eerste lijst geeft de standaard punten weer waarop een vergunningaanvraag beoordeeld wordt (op basis van de HUM BE Gemeente). De tweede lijst is een aanvullende lijst waarmee gecontroleerd wordt of de aanvraag aan de gebruikseisen voldoet.

1Standaard checklist

Betreft

Controlepunt

Gegevens aanvrager

-KvK nummer, vestigingsnumme

-Statutaire naam

-Handelsnaam

-Contactpersoon, naam en functie

-Vestigingsadres

-Correspondentieadres

-Contactgegevens

Controle op volledigheid

Locatiegegevens

-Postcode

-Huisnummer

-Huisletter

-Huisnummertoevoeging

-Straatnaam

-Plaatsnaam

-Gelden de werkzaamheden voor meerdere percelen (ja/nee)

-Eigendomssituatie

Controle op volledigheid

Melding, algemeen

-Betreft het aanleg van een nieuw of wijzigen bestaand systeem

-Een bestaand systeem

-Buiten gebruik stellen van een systeem

Controle op volledigheid

Kenmerken gesloten systeem

-Individueel of collectief

Controle op volledigheid

Type systeem

-Verticaal

-Horizontaal

-Korf

-Anders

Indien het een systeem anders dan een verticaal systeem betreft moet aangetoond zijn dat er geen negatieve interferentie optreedt.

Gebouwtype

-Woningbouw, niet gestapeld

-Woningbouw, gestapeld

-Utiliteit

-Industrie

-Anders

Controle op volledigheid

Circulatiemedium

-Uit welke stoffen bestaat de circulatievloeistof

Volgens gebruiksregels

monopropyleenglycol of water toepassen

Totale lengte van de bodemlussen

Controle op volledigheid

Eindiepte bodemlussen

Controle op volledigheid

Vermogen gesloten bes

-Bodemzijdig vermogen (kW)

-Warmtevraag (MWh/jaar)

-Tapwatervraag (MWh/jaar)-Koudevraag (MWh/jaar)

Controle op volledigheid

Let op: aanvullende eisen binnen gebied

X- en Y-coördinaten middelpunt systeem

Controle op volledigheid

Let op: aanvullende eisen binnen gebied: valt binnen eigen kavel?

Bijlagen

-Verklaring SPF

-Aanvullende gegevens

-Indien afwijkend systeem: interferentiebepaling

Controle op volledigheid

Binnen het gebied hoeft alleen voor afwijkende systemen een interferentieberekening aangeleverd te worden. Dit zijn o.a. systemen anders dan verticale bes systemen of systemen die collectief ontworpen worden en waar van de eisen mbt energiebudget wordt afgeweken.

2Checklist regels interferentiegebied

Betreft

Controlepunt

1

2

Vorm bodemwarmtewisselaarsysteem

Indien anders dan verticaal: er dient een systeemontwerp ter goedkeuring te worden voorgelegd en de interferentiebepaling moet worden uitgevoerd.

4a

Bij ontwerp juiste thermische parameters toegepast?

Warmtegeleidingscoëfficiënt bodem: De Hoogt: 2,15 W/mK, 't Zand: 2,05 W/mK

Warmtecapaciteit bodem De Hoogt: 2,48 MJ/m3K, 't Zand: 2,43 MJ/m3K

Ongestoorde gemiddelde bodemtemperatuur: 10,5 oC

4b

Ontwerp gebaseerd op beoogde levensduur

Controleer in ontwerpberekening of de simulatietijd van tenminste 40 jaar is toegepast

Toegepaste materialen in overeenstemming met protocol 11001

4c

Netto specifieke energievraag bodem

Vergelijk met energiebudget kavels (tabellen 5.2 en 5.3), voor berekening zie hieronder.

4e

Ontwerp als collectief systeem

Effectenstudie interferentie beoordelen

4f

Minimale afstand tussen warmtewisselaars

Stel vast dat de minimale afstand tot naburige warmtewisselaars gehaald wordt. De afstand tussen twee warmtewisselaars wordt berekend door:

4g

Warmtewisselaars op eigen kavel?

Kan gecontroleerd worden met GIS systeem

4h

Rendement gesplitst in ruimteverwarming, tapwater en passieve koeling

Controle met doelstelling uit gebruiksregels.

Ruimteverwarming SPF ≥ 4,3

Tapwater SPF ≥ 2,7

Passieve koeling SPF ≥ 20

5

Afdichten boorgaten

Scheidende lagen ten minste zoals benoemd in tabel 3.1a en 3.1b.

Toegepast materiaal conform Besluit Bodemkwaliteit (certificaat of analyse).

7

Lozing

Niet toegestaan, afvoer georganiseerd?

8

Verwerken vrijgekomen boormateriaal

Moet worden afgevoerd

9

Warmteoverdrachtsmedium

Water, drinkwaterkwaliteit, geen toevoegingen

10

Dieptetraject

Voor gesloten systemen geen beperking

Maximale einddiepte boringen open systemen 80 meter

De controle op het niet overschrijden van het toegewezen energiebudget is als volgt:

1Bereken de systeemrendementen (R) op basis van de verstrekte gegevens:

De bij de vergunningaanvraag opgegeven gegevens betreffen de capaciteit en het rendement van de warmtepomp. Eerst bepalen we het systeemrendement inclusief de circulatiepomp.

2Bereken de netto hoeveelheden energie die door het bodemenergiesysteem geleverd worden:

a.Verwarming (warmte onttrokken aan bodemenergiesysteem):

b.Koeling (warmte toegevoerd aan bodemenergiesysteem):

De netto hoeveelheden energie worden vervolgens bepaald met de opgegeven energievraag voor ruimteverwarming, tapwaterbereiding en ruimtekoeling. Hierbij worden de rendementen (bepaald bij 1) gebruikt.

3Bereken de specifieke netto warmteonttrekking bodemenergiesysteem (kWh/meter/jaar):

Met de opgegeven totale lengte van het bodemenergiesysteem en de berekende netto warmteonttrekking en warmtetoevoer bepalen we de specifieke netto warmteonttrekking voor het systeem. Deze moet kleiner of gelijk zijn aan het opgegeven eneergiebudget uit het BEP.

Symbolen:

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.