Gemeentelijke regelgeving

Verordening Inburgering gemeente Rijswijk 2012

Gemeente Rijswijk · geldt sinds 1 juli 2012

Aanhef

De gemeenteraad van Rijswijk, bijeen in openbare vergadering op 12 juni 2012 gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk d.d. , nr. 12.013

Gelet: - op de artikelen 8, 19, vijfde lid , 19A, eerste lid, 23, derde lid, 24a, vijfde lid, 24e, tweede lid, 24f en 35 van de Wet inburgering;

Overwegende: dat de Wet inburgering aan de gemeenteraad opdraagt bij verordening regels te stellen metbetrekking tot informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen en vrijwilligeinburgeraars, alsmede over inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen en over rechten en plichten vanwege een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening;dat de Wet inburgering tevens aan de gemeenteraad opdraagt bij verordening het bedrag van deboete te bepalen die kan worden opgelegd voor de verschillende in de wet genoemde overtredingen; dat de Wet Participatiebudget een ruimere doelgroep definieert dan de in de Wet inburgering genoemde doelgroep; B E S L U I T: vast te stellen de

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1 - Begripsomschrijvingen

1Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet inburgering en de daarop gebaseerde regelgeving dan wel de Wet Participatiebudget en de daarop gebaseerde regelgeving, alsmede de Algemene wet bestuursrecht.

2In deze verordening wordt verstaan onder:

a.college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk;

b.gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Rijswijk

c.de wet: de Wet inburgering (WI);

d.het Besluit: het Besluit tot uitvoering van de Wet inburgering (Besluit inburgering);

e.inburgeringstraject: geheel van voorzieningen gericht op het behalen van het inburgeringsexamen dan wel het Staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II dan wel noodzakelijk voor het kunnen afronden van een beroepsopleiding;

f.doelgroep: belanghebbenden aan wie op grond van de Wet inburgering en daarop gebaseerde regelgeving, de Wet Participatiebudget en daarop gebaseerde regelgeving, artikel 7 van de WWB, artikel 4.23 van het Besluit, en de Wsw ondersteuning op het gebied van inburgering en participatie kan worden geboden;

g.boete: bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 2, van de wet;

h.nalatige gedraging: de gedraging waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 2, van de wet;

i.regio Haaglanden: het gebied dat wordt gevormd door de gemeenten ’s-Gravenhage, Zoetermeer, Delft, Westland, Pijnacker-Nootdorp, Midden-Delfland, Wassenaar, Leidschendam-Voorburg, Rijswijk.

Hoofdstuk 2: Beleid

Artikel 2.1 – Opdracht college

1Het college biedt ondersteuning bij inburgering en voor zover dat noodzakelijk wordt geacht een voorziening gericht op inburgering, eventueel in combinatie met een voorziening gericht op participatie of arbeidsinschakeling, aan personen die behoren tot de doelgroep als omschreven in artikel 1, tweede lid, onder f., van deze verordening.

2Het college maakt een afweging bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen waarbij, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, gekeken wordt of de voorziening het meest doelmatig is om de beoogde inburgering en/of participatie te realiseren.

3Het college draagt zorg voor voldoende en taakgerichte diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.

4Het college kan, bij het bepalen van het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen, prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. Onverlet opname in de beleidsregels, kunnen de financiële mogelijkheden en kaders worden bijgesteld indien daartoe de noodzaak aanwezig wordt geacht.

5Het college kan, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), voorzieningen als bedoeld in deze verordening aanbieden aan belanghebbenden die in Rijswijk woonachtig zijn en aan wie het UWV een uitkering verstrekt, alsmede aan inwoners van andere gemeenten uit de regio Haaglanden.

6Ten aanzien van de vergoeding aan het college van de kosten, welke verbonden zijn aan het aanbieden van voorzieningen aan belanghebbenden als bedoeld in het vijfde lid, kan het college nadere afspraken maken met het UWV.

7Het college kan werkzaamheden in het kader van ondersteuning of voorzieningen laten verrichten door contractanten.

Artikel 2.2 – Aanspraak op ondersteuning

1Personen die behoren tot de doelgroep zijn de belanghebbenden die aanspraak kunnen hebben op ondersteuning bij de inburgering en een naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op inburgering en/of participatie.

2Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria van deze verordening en de in artikel 2.3, eerste lid, aangehaalde beleidsregels.

Artikel 2.3 – Beleidsregels

1Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast.

2Deze beleidsregels omvatten in elk geval:

a.de middelen waarvan gebruik wordt gemaakt voor de informatieverstrekking;

b.met inachtneming van het gestelde in artikel 4.1, tweede lid, de prioriteit die wordt gegeven aan bepaalde doelgroepen die in aanmerking kunnen komen voor een aanbod van een inburgeringstraject;

c.de procedure die wordt gevolgd bij het doen van een aanbod van een inburgeringstraject;

d.een omschrijving van de verschillende inburgeringsvoorzieningen en mogelijke andere voorzieningen die kunnen worden ingezet;

e.nadere voorwaarden waaronder een persoonsgebonden inburgeringsbudget kan worden toegekend;

f.nadere voorwaarden waaronder een inburgeringstraject kan worden beëindigd;

g.nadere voorwaarden met betrekking tot de terugbetaling van gemaakte kosten voor een inburgeringstraject indien een vrijwillige inburgeraar verwijtbaar nalatig is in de nakoming van de verplichtingen zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen.

3Het college kan aan een voorziening of een inburgeringstraject nadere verplichtingen verbinden, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en voor zover van toepassing uit de WWB, de IOAW, de IOAZ, de Wet Participatiebudget, de WEB, de Participatieverordening 2012, en deze verordening.

Hoofdstuk 3: Informatie

Artikel 3:1 – Informatieverstrekking

1Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang tot de voorzieningen.

2Het college draagt er zorg voor dat voor de informatieverstrekking als bedoeld in het eerste lid verschillende middelen worden ingezet.

Hoofdstuk 4: Gemeentelijk aanbod inburgeringstraject

Artikel 4.1 – Gemeentelijk aanbod

1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1 biedt het college

a.aan asielmigranten die houder zijn van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000 een inburgeringsvoorziening dan wel een taalkennisvoorziening aan;

b.aan geestelijke bedienaren een voor deze doelgroep bedoelde inburgeringsvoorziening aan;

c.een inburgeringsplichtige die in een eerdere gemeente reeds een aanbod voor een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening heeft geaccepteerd, dan wel voor wie een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld in geval van verhuizing naar de gemeente Rijswijk, dezelfde of een gelijkwaardige inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan.

2Het college wijst de overige groepen inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars aan wie hij bij voorrang een inburgeringstraject kan aanbieden op basis van de volgende criteria:

· arbeidsperspectief;

· maatschappelijke participatie;

· opvoedingstaak;

· sociale zelfredzaamheid.

Artikel 4.2 – Procedure van het doen van een aanbod

1Het college doet het aanbod schriftelijk doch niet eerder dan dat over de samenstelling van het aanbod van het inburgeringstraject met belanghebbende overleg is geweest.

2Wanneer belanghebbende het aanbod weigert of niet binnen de daarvoor door het college gestelde termijn op het aanbod heeft gereageerd, vervalt het aanbod.

3In geval van bijzondere omstandigheden die naar het oordeel van het college niet aan de inburgeringsplichtige kunnen worden tegengeworpen en om te voorkomen dat belanghebbende in een achterstandssituatie terecht komt die zijn participatie aan de arbeidsmarkt of de samenleving belemmert, kan het college besluiten dat een inburgeringsplichtige voor een tweede aanbod van een inburgeringstraject in aanmerking wordt gebracht.

Artikel 4.3 – Samenstelling van het inburgeringstraject

1Het college draagt er zorg voor dat het aanbod van het inburgeringstraject zoals bedoeld in artikel 19, respectievelijk artikel 24a van de wet voor de belanghebbende doeltreffend en doelmatig is.

2Het college stemt het inburgeringstraject, met uitzondering van de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar.

3Het college streeft ernaar het inburgeringstraject zoveel mogelijk duaal te laten lopen met een activiteit gericht op arbeidsparticipatie of maatschappelijke participatie.

4Indien voor de uitkeringsgerechtigde belanghebbende tevens een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is of wordt ingezet, draagt het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de voorziening gericht op arbeidsinschakeling, met dien verstande dat de inburgeringsvoorziening de arbeidsinschakeling niet in de weg mag staan.

Artikel 4.4 – Subsidie- en budgetplafonds

1Het college kan een voorziening ook in de vorm van een subsidie toekennen.

2Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de duur, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.

3Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.

4Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.

Artikel 4.5 – Eigen bijdrage

1Het college draagt er zorg voor dat de wijze van betaling van de eigen bijdrage zoals bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet wordt afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende.

2Van een vrijwillige inburgeraar van wie het totale gezinsinkomen niet hoger is dan maximaal 130% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm, vraagt het college op grond van het bepaalde in artikel 24e, tweede lid, van de wet geen eigen bijdrage.

3Het college bepaalt voor de inburgeringsplichtige in de beschikking en voor de vrijwillige inburgeraar in de overeenkomst betreffende het inburgeringstraject:

a.de termijnen van betaling;

b.in hoeverre de betaling van de termijnen geschiedt door verrekening met een uitkering op grond van de WWB, de IOAW of de IOAZ.;

c.of het college het UWV verzoekt om het bedrag van de eigen bijdrage van de belanghebbende aan het college te betalen indien degene die de eigen bijdrage verschuldigd is een uitkering ontvangt op grond van één van de in artikel 4.23, van het Besluit aangewezen socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen waarmee de eigen bijdrage wordt verrekend en die wordt uitgevoerd door het UWV.

Artikel 4.6 – Inhoud van het besluit van het college

Het besluit van het college tot toekenning van een inburgeringstraject bevat in ieder geval:

a.een beschrijving van het inburgeringstraject;

b.een opgave van de rechten en verplichtingen van de belanghebbende waaronder ingeval van de vrijwillige inburgeraar, de verplichting om een naar het oordeel van het college redelijk deel van de gemaakte kosten terug te betalen indien aan het geaccepteerde inburgeringstraject onvoldoende medewerking wordt verleend en dit de vrijwillige inburgeraar te verwijten is;

c.voor de inburgeringsplichtige de datum waarop het examen dat aansluit op de in het inburgeringstraject genoemde voorziening moet zijn behaald en voor de vrijwillige inburgeraar de datum waarop aan dit examen moet zijn deelgenomen;

d.voor zover van toepassing, de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage;

e.ingeval van een oudkomer die inburgeringsplichtig is, de datum waarop de termijn van de handhaving van de inburgeringsverplichting, bedoeld in artikel 26 van de wet, aanvangt.

Hoofdstuk 5: Handhaving

Artikel 5:1 – Handhaving zonder gemeentelijk aanbod

1a. Aan de inburgeringsplichtige die oudkomer is en aan wie het college besluit geen aanbod van een inburgeringstraject te doen stuurt het college een beschikking waarin toepassing wordt gegeven aan artikel 26 van de wet.

b.De beschikking bevat tevens informatie over rechten en verplichtingen, het eindniveau dat belanghebbende ten minste moet hebben behaald bij het inburgeringsexamen of een daaraan ten minste gelijk te stellen examen en de uiterste datum zoals bedoeld in artikel 7 van de wet waarop aan de inburgeringsverplichting moet zijn voldaan.

2Aan de inburgeringsplichtige die nieuwkomer is en aan wie het college besluit geen aanbod te doen van een inburgeringstraject, stuurt het college een kennisgeving met daarin vermeld informatie over rechten en verplichtingen, het eindniveau dat belanghebbende ten minste moet hebben behaald bij het inburgeringsexamen of een daaraan ten minste gelijk te stellen examen en de uiterste datum zoals bedoeld in artikel 7 van de wet waarop aan de inburgeringsverplichting moet zijn voldaan.

Artikel 5:2 – Bestuurlijke boete

1a. Indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het voor hem vastgestelde inburgeringstraject, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet kan het college hem een schriftelijke waarschuwing geven zonder oplegging van een bestuurlijke boete.

b.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is, ook na de verleende waarschuwing als bedoeld onder a. geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet.

2De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het voor hem vastgestelde inburgeringstraject, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet.

3Indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding van artikel 23, eerste lid, van de wet opnieuw schuldig maakt aan een dergelijke overtreding, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste € 500,00.

4De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de inburgeringsplichtige niet binnen een in artikel 7, eerste lid, van de wet, bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a., van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen of een daarmee ten minste gelijk te stellen examen dat leidt tot vrijstelling van de inburgeringsverplichting, heeft behaald.

5De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,00 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen of een daaraan ten minste gelijk te stellen examen dat leidt tot vrijstelling van de inburgeringsverplichting, heeft behaald.

6De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,00 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 33 van de wet vastgestelde termijn, het inburgeringsexamen of een daaraan ten minste gelijk te stellen examen dat leidt tot vrijstelling van de inburgeringsverplichting heeft behaald.

7Het college stemt de hoogte van de boete af op de ernst van de nalatige gedraging, de mate waarin deze nalatige gedraging aan de inburgeringsplichtige kan worden verweten en houdt rekening met de omstandigheden waarin de inburgeringsplichtige verkeert waarvan zijn inkomenspositie onderdeel kan uitmaken.

Hoofdstuk 6 – Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 6:1 – Uitvoering

De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk.

Artikel 6:2 – Hardheidsclausule

a.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

b.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening indien strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 6:3 – Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2012.

Artikel 6:4 – Intrekking

Per datum als genoemd in artikel 11 wordt de Verordening Inburgering 2010 ingetrokken.

Artikel 6:5 – Overgangsrecht

Rechten welke zijn verkregen op grond van de Verordening inburgering 2007 of de Verordening inburgering 2010 blijven onverlet voor de duur dat er aanspraak is op deze rechten.

Artikel 6:6 – Citeerartikel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening inburgering 2012.

Aldus besloten door de Raad van de Gemeente Rijswijk, in zijn openbare vergadering van 12 juni 2012.

de waarnemend griffier, de voorzitter,

J.A. Massaar bpa N.J. van Dam RA

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 – Begripsbepalingen

Voor de duidelijkheid worden in de verordening zoveel mogelijk dezelfde begrippen gehanteerd die ook gebruikt worden in de Wet Inburgering, het Besluit inburgering en de Ministeriële regeling en die daarmee dezelfde betekenis krijgen. Ook begrippen uit de Wet Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing. In bepaalde gevallen ontbreken de definities echter en worden daarvoor nadere omschrijvingen gebruikt. In de omschrijving van het begrip doelgroep is de aansluiting met andere wetgeving waaronder de Wet Participatiebudget gemaakt. Daarnaast zijn nog enkele specifieke begrippen die lokale betekenis hebben nader gedefinieerd.

Artikel 2.1 – Opdracht college

Lid 1

In het eerste lid is de opdracht aan het college zodanig ruim geformuleerd dat deze zich niet beperkt tot inburgering maar in relatie wordt gebracht met de ontplooiing van de belanghebbende en zijn deelname aan de Nederlandse samenleving.

Lid 2

In het tweede lid is bepaald dat het college zoveel mogelijk op de individuele situatie afgestemde ondersteuning moet bieden om daarmee ook zo groot mogelijk rendement te bereiken.

Lid 3

In aansluiting op de opdracht in lid 2 is het noodzakelijk om meerdere keuzemogelijkheden te hebben binnen het beschikbare instrumentarium en om zoveel mogelijk belanghebbenden ondersteuning te kunnen bieden. Dit is met name van belang omdat het college de aanspraak op een voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is. Er dient altijd een alternatief te zijn.

Lid 4

In het vierde lid worden kaders en criteria gegeven voor prioritering van het aanbod van voorzieningen.

Lid 5

Het vijfde lid is een vertaling van artikel 21, WI, waarin is geregeld dat, ondanks de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeente en UWV zoals neergelegd in de Wet SUWI, het college aan belanghebbenden die van het UWV een uitkering ontvangen, een voorziening kan aanbieden.

Op basis van de Wet Participatiebudget is het mogelijk om ook voor personen die in een andere gemeente wonen voorzieningen in te zetten. Daarom wordt de mogelijkheid geboden om een traject aan te bieden aan andere inwoners dan die van de gemeente Rijswijk, zonder dat sprake is van verhuizing. Dit wordt beperkt tot de regio Haaglanden. Dit is in lijn met de wijze waarop wordt omgegaan met re-integratietrajecten voor uitkeringsgerechtigden op grond van de WWB binnen de regio.

Lid 6

Het zesde lid definieert de voorwaarden waaronder met het UWV het vijfde lid kan worden toegepast.

Lid 7

In het zevende lid is geregeld dat het college, indien het college dit noodzakelijk acht, de ondersteuning of de inzet van voorzieningen door derden kan laten uitvoeren.

Artikel 2.2 – Aanspraak op ondersteuning

Lid 1

Uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen in het eerste lid. Zoals blijkt uit artikel 2.1, eerste lid, van de verordening is de opdracht aan het college zodanig ruim geformuleerd dat deze in relatie wordt gebracht met de ontplooiing van de belanghebbende en zijn deelname aan de Nederlandse samenleving. Dit gaat verder dan de aanspraak op een gemeentelijk aanbod voor een inburgeringsvoorziening die in de Wet inburgering zelf is opgenomen en past ook binnen de kaders van de Wet Participatiebudget.

Lid 2

In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak van de belanghebbende en de criteria die worden gehanteerd bij het aanbieden van voorzieningen.

Artikel 2.3 – Beleidsregels

Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, geeft de WI aan de gemeenteraad de opdracht om een aantal taken op het gebied van inburgering in een verordening vast te leggen. In deze verordening is gekozen voor een systematiek waarbij niet alles in de verordening uitputtend wordt geregeld, maar waarbij gebruik gemaakt wordt van beleidsregels en uitvoeringsbesluiten.

Lid 1

Het eerste lid geeft aan dat het college, ter uitvoering van de verordening beleidsregels opstelt.

Lid 2

In het tweede lid is geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beleidsregels aan de orde dienen te komen. Deze vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Het staat het college vrij daar andere onderdelen aan toe te voegen.

Lid 3

In het derde lid wordt de koppeling gemaakt naar andere beleidsterreinen en de relatie gelegd met de participatie van de belanghebbende.

Artikel 3:1 – Informatieverstrekking

Lid 1

De gemeente heeft de taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de WI. Voor inburgeringsplichtigen heeft de informatieverstrekking ook betrekking op een aanbod van alsmede de toegang tot een inburgeringstraject. De gemeenteraad moet bij verordening regels vaststellen over de informatieverstrekking. De WI laat de gemeente overigens vrij om zelf te bepalen op welke wijze dit wordt vormgegeven. In het eerste lid wordt deze nadere uitwerking opgedragen aan het college.

Lid 2

Aan het college wordt opgedragen om ter uitvoering van het eerste lid meerdere informatiemogelijkheden te benutten zodat voor de belanghebbende de meest passende vorm bereikt kan worden.

Artikel 4.1 – Gemeentelijk aanbod

Lid 1

In het eerste lid worden de belanghebbenden genoemd aan wie de gemeente op grond van artikel 19, eerste lid en artikel 23, vierde lid, WI verplicht een aanbod van een inburgeringstraject moet doen.

Lid 2

Aan alle overige inburgeringsplichtigen en aan vrijwillige inburgeraars kan een aanbod worden gedaan. Het betreft hier een bevoegdheid van het college. Belanghebbenden kunnen er dus geen rechten aan ontlenen. Het college bepaalt binnen deze doelgroepen aan wie en wanneer zij een inburgeringstraject aanbiedt. Daarbij zijn nadere criteria geformuleerd welke belanghebbenden met voorrang in aanmerking komen. Het college houdt de ruimte om aan andere belanghebbenden dan behorend tot de aangewezen prioritaire groepen een aanbod te doen.

Artikel 4.2 – Procedure van het doen van een aanbod

Lid 1

De eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende wordt ingevuld op het moment dat hij betrokken wordt bij de bepaling van de inhoud van het inburgeringstraject. Doordat een belanghebbende door middel van een handtekening instemt met het gemeentelijk aanbod van een inburgeringstraject kan er geen onduidelijkheid bestaan over wat het aanbod inhoudt.

Lid 2

Een belanghebbende is niet verplicht het aanbod te accepteren. De weigering kan ook blijken uit het feit dat het college niet binnen de gestelde termijn een reactie heeft ontvangen of doordat belanghebbende geen handtekening wil plaatsen waarmee het aanbod wordt geaccepteerd. Om onduidelijkheden te voorkomen bevestigt het college indien belanghebbende een weigering kenbaar heeft gemaakt, dit schriftelijk. In het geval een inburgeringsplichtige het aanbod weigert of niet tijdig aanvaardt, dan zal hij zich zelfstandig moeten voorbereiden op het inburgeringsexamen.

Indien een vrijwillige inburgeraar het aanbod weigert vervalt het aanbod zonder dat er voor belanghebbende verdere rechtsgevolgen zijn.

Lid 3

Inburgering wordt gezien als belangrijke voorwaarde om te kunnen participeren. Dit artikellid geeft het college de ruimte om in de individuele situatie maatwerk te kunnen leveren.

Artikel 4.3 – Samenstelling van het inburgeringstraject

Lid 1

Het eerste lid geeft aan het college de opdracht om het inburgeringstraject af te stemmen op de behoefte en de mogelijkheden van de belanghebbende.

Lid 2

De samenstelling van het inburgeringstraject voor geestelijke bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Voor de overige belanghebbenden bepaalt het college de inhoud en samenstelling van het inburgeringstraject, maar houdt daarbij uitdrukkelijk rekening met de persoonlijke situatie van belanghebbende, met inachtneming van het bepaalde van artikel 4.2, eerste lid, van deze verordening.

Lid 3

Het derde lid benadrukt het belang om inburgering in relatie te zien met participatie.

Lid 4

In het vierde lid wordt inburgering in samenhang gezien met re-integratie. Hiermee wordt het belang voor uitkeringsgerechtigden benadrukt om de toetreding tot de arbeidsmarkt te bevorderen. Bovendien geeft het uitdrukking aan het uitgangspunt dat werk boven inburgering gaat.

Artikel 4.4 – Subsidie- en budgetplafonds

Lid 1

Er is binnen de Wet inburgering of de Wet Participatiebudget geen wettelijke grondslag aanwezig als reden voor de afwijzing van een aanvraag om ondersteuning of een voorziening. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. In de begroting stelt de Raad op hoofdlijnen het te voeren inburgerings- en participatiebeleid vast. De hoogte van het in te zetten budget is gelijk aan de gelden die door het Rijk aan de gemeente voor dit doel beschikbaar zijn gesteld. Daarmee wordt aan het college de mogelijkheid geboden om invulling te geven aan de aan haar gegeven opdracht om met de inzet van verschillende voorzieningen ondersteuning te bieden aan de inburgering en de participatie van bepaalde doelgroepen. Een voorziening kan als een subsidie worden toegekend in de vorm van een persoonsgebonden inburgeringsbudget.

Lid 2

Het opnemen in de verordening dat het college nadere regels stelt ten aanzien van, onder andere, de duur en de hoogte van een voorziening voorkomt daarmee een ongewenste overschrijding van de beschikbare middelen. Het college heeft namelijk de opdracht om binnen de financiële kaders te blijven. In dat verband kan het college, indien een belanghebbende een inkomen heeft dat hoger is dan 130% van de van toepassing zijnde norm, de subsidie in de vorm van een persoonsgebonden budget weigeren. Bij de vaststelling van de plafonds kan verwezen worden naar de bedragen die in de (Programma)begroting of in een beleidsplan voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd.

Lid 3

Het college kan indien voorzien wordt dat de beschikbare budgetten overschreden zullen worden een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen om de financiële risico’s te kunnen beheersen. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan namelijk op zich nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om het weigeren van een voorziening mogelijk te kunnen maken is in de verordening vastgelegd dat plafonds door het college kunnen worden ingesteld. Het college dient na te gaan welke andere alternatieven er dan beschikbaar zijn. Dit laat de mogelijkheid open dat er een andere voorziening wordt ingezet.

Lid 4

Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Op grond van artikel 4:27, eerste lid, Awb dient een subsidieplafond bekendgemaakt te worden vóór de periode waarover deze geldt. Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het kader van voorzieningen. Indien er geen subsidie- of budgetplafond kan worden vastgesteld, kan het college besluiten een plafond in te stellen aan het aantal personen dat gebruik kan maken van de subsidie. Zodra het college een situatie voorziet, waarin het instellen van een subsidie- of budgetplafond gewenst is, kan zij dit in beleidsregels vastleggen.

Artikel 4:5 – Eigen bijdrage

Lid 1

Het is een wettelijke verplichting om een financiële bijdrage van belanghebbende te vragen voor zijn inburgeringstraject. Het hangt van het inkomensniveau en de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende af of deze bijdrage in een keer dan wel in termijnen dient te worden betaald. Omdat dit maatwerk betreft is het aan het college om dit in de individuele situatie te bepalen.

Lid 2

De kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving kan bij vrijwillige inburgeraars onvoldoende zijn om volwaardig deel te nemen aan de maatschappij. Om de deelname aan inburgeringstrajecten door vrijwillige inburgeraars te stimuleren en daarmee het voorkomen c.q. het wegnemen van achterstandssituaties bij deze belanghebbenden, wordt van degenen met een laag inkomensniveau geen eigen bijdrage gevraagd. Als meetcriterium wordt aansluiting gezocht bij de normen zoals die gelden binnen de WWB.

Lid 3

Voor belanghebbende is vanuit oogpunt van rechtszekerheid van belang om duidelijkheid te hebben. Het derde lid bepaalt dat de betalingsregeling wordt vastgelegd. Ook wordt overeenkomstig artikel 23, derde lid, WI en artikel 24, eerste lid, WI bepaald dat bij verrekening met een uitkering en bij afspraken hierover met het UWV, dit wordt vastgelegd.

Artikel 4:6 – Inhoud van het besluit van het college

Voor de inburgeringsplichtige is het besluit dat het college neemt een beschikking in de zin van de Awb. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In de beschikking zullen het vastgestelde inburgeringstraject en onder andere de daaraan verbonden rechten en verplichtingen van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden vermeld (onderdelen a. en b.). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van het inburgeringstraject (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt.

Voor de vrijwillige inburgeraar geldt dat er een overeenkomst wordt gesloten, waarin de afspraken over rechten en verplichtingen en alle overige aspecten die betrekking hebben op het inburgeringstraject worden vastgelegd. Dit is een overeenkomst volgens burgerlijk recht (Burgerlijk Wetboek, boek 6). Deze overeenkomst gaat uit van wilsovereenstemming tussen beide partijen over de afspraken. Voor wijziging van deze afspraken is dan ook de instemming nodig van de andere partij.

In het kader van de privaatrechtelijke overeenkomst past geen bestuursrechtelijk middel als de boete. Naleving van de gemaakte afspraken moet eventueel worden afgedwongen via de civiele rechter. Bovendien verhoudt het karakter van vrijwilligheid van de deelname aan een inburgeringstraject door de vrijwillige inburgeraar zich ook niet met het opleggen van bestuurlijke boetes. In de wet is daarover dan ook niets opgenomen. In de met belanghebbende te sluiten overeenkomst kan echter tegenover het recht op een inburgeringstraject de verplichting worden opgenomen tot terugbetaling van gemaakte kosten indien de belanghebbende verwijtbaar onvoldoende medewerking verleent aan het geaccepteerde inburgeringstraject.

In de wet is vastgelegd binnen welke termijn aan de inburgeringsverplichtingen moet zijn voldaan (artikel 7, eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding te worden gemaakt. Voor inburgeringsplichtigen geldt dat binnen een termijn van 3,5 jaar aan de inburgeringsverplichting moet zijn voldaan. Voor nieuwkomers is de start van de handhavingstermijn gekoppeld aan de beschikkingsdatum van de IND waarop de verblijfsvergunning is verleend. Voor oudkomers start de handhavingstermijn pas als het college hiertoe op grond van artikel 26, WI een besluit neemt. Het college kan in geval sprake is van een inburgeringstraject bepalen dat deelname aan het examen voor betrokkene op een eerder tijdstip dient plaats te vinden, gelet op en afhankelijk van de duur van het inburgeringstraject (onderdeel c.)

Voor vrijwillige inburgeraars geldt geen inburgeringsverplichting en dus ook geen resultaatsverplichting of handhavingstermijn. Het college zal wel een termijn kunnen stellen waarbinnen het inburgeringstraject dient te worden afgerond door deelname aan een bij het inburgeringstraject behorend examen. Dit wordt in de overeenkomst vastgelegd.

Onderdeel d. bepaalt dat moet worden vastgelegd in hoeveel termijnen de eigen bijdrage wordt betaald en op welke wijze de betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering). Voor inburgeringsplichtigen vindt de vastlegging plaats in de beschikking, voor vrijwillige inburgeraars in de overeenkomst.

Onderdeel e. heeft betrekking op beschikkingen voor inburgeringsplichtige oudkomers. Indien het college een inburgeringstraject vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in dezelfde beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van de handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26, WI).

Artikel 5:1 – Handhaving zonder gemeentelijk aanbod

Lid 1

Het college kan bepalen dat aan een inburgeringsplichtige met uitzondering van asielmigranten, geestelijke bedienaren en verhuizers, geen inburgeringstraject wordt aangeboden. Het ligt voor de hand dat voor oudkomers in een dergelijk geval wel de handhavingstermijn wordt gestart waarbinnen de oudkomer aan zijn inburgeringsverplichtingen moet hebben voldaan. Tevens kan door de gemeente dan voldaan worden aan de informatieverplichting zoals bedoeld in artikel 8 van de wet.

Lid 2

Voor nieuwkomers is de handhavingstermijn al gestart op het moment dat de IND de beschikking met betrekking tot verblijfsvergunning heeft geslagen. De inburgeringsverplichting vloeit uit de wet voort en wordt niet opgelegd. Er is geen sprake van een besluit zoals bedoeld in de Awb. Er staat ook geen bezwaar en beroep tegen open. Indien de nieuwkomer door het college niet in aanmerking worden gebracht voor een aanbod van een inburgeringstraject stuurt het college geen beschikking maar een kennisgeving waarin tevens de informatie die betrekking heeft op de inburgeringsverplichting kan worden vermeld.

Artikel 5:2 – Bestuurlijke boete

In de Awb (artikel 5:4) is geregeld dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie alleen ontstaat als deze bij of krachtens de wet is verleend. Ook de nalatige gedraging waarop een bestuurlijke boete betrekking heeft moet in een wettelijk voorschrift zijn omschreven. In de WI is in artikel 35 de bevoegdheid om de bedragen van de boetes vast te stellen aan de gemeenteraad verleend. In de artikelen 29 tot en met 33 zijn de nalatige gedragingen benoemd die tot een boete leiden. Aan het college is de uitvoering van de bestuurlijke boete opgedragen. In artikel 34 zijn de maximale bedragen genoemd, maar de gemeenteraad mag daarvan, mits in neerwaartse zin, afwijken.

In het kader van de uitvoering van een gecombineerd re-integratie- en inburgeringstraject kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen voor een intake en gegevens te verstrekken) zowel aanleiding is voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstandsuitkering (afstemming) op grond van de WWB of het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere socialezekerheidswet of –regeling. In artikel 37 WI is bepaald dat in een dergelijk geval van samenloop de WI wijkt voor de andere wet- of regelgeving.

Voor vrijwillige inburgeraars geldt geen inburgeringsverplichting. In dat verband past dan ook geen boeteclausule. Nakoming van de gemaakte afspraken die zijn vastgelegd in de overeenkomst moet eventueel worden afgedwongen via de civiele rechter.

Lid 1

Indien een persoon van wie het college veronderstelt maar nog niet heeft vastgesteld dat hij inburgeringsplichtig is, geen gehoor geeft aan de uitnodiging voor een intakegesprek is het direct opleggen van een boete een zwaar middel. Een herhaalde oproep waarin tevens een waarschuwing wordt gegeven voor de gevolgen van het niet reageren op de oproep, biedt de betrokkene de gelegenheid alsnog te verschijnen. Indien ook op de tweede uitnodiging niet wordt gereageerd, is een boeteprocedure aan de orde.

Lid 2

Indien het aanbod van een inburgeringstraject eenmaal is geaccepteerd mag van belanghebbende worden verlangd dat hij daaraan zijn volle medewerking verleent. Indien hij hierin in gebreke blijft past het college een punitieve maatregel in de vorm van een boete toe.

Lid 3

Als belanghebbende binnen een termijn van een jaar wederom nalatig is in het nakomen van de verplichting om medewerking te verlenen aan het inburgeringstraject is een verhoging van de boete op zijn plaats. Van recidive zoals bedoeld in het derde lid is geen sprake als de vorige keer dat de nalatige gedraging aan de orde was, nog sprake was van een gecombineerd re-integratie- en inburgeringstraject en met toepassing van artikel 37 WI een afstemming van de uitkering heeft plaatsgevonden, terwijl de gecombineerde voorziening inmiddels is overgegaan in een enkelvoudig inburgeringstraject.

Lid 4

Indien de inburgeringsplichtige niet binnen de handhavingstermijn aan zijn inburgeringsverplichting heeft voldaan en dit valt hem te verwijten, legt het college hem een boete op (artikel 31, WI). Het college koppelt hieraan een verlenging van de handhavingstermijn (artikel 32, WI). De inburgeringsplichtige moet binnen deze nieuwe termijn alsnog aan zijn inburgeringsverplichtingen voldoen.

Lid 5

Als de inburgeringsplichtige ook binnen de in het vierde lid bedoelde termijn niet aan zijn inburgeringsverplichtingen heeft voldaan, legt het college wederom een boete op en verlengt het wederom de termijn waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog aan zijn inburgeringsverplichtingen moet hebben voldaan.

Lid 6

Deze procedure herhaalt het college net zo vaak als nodig is voor belanghebbende om aan zijn inburgeringsverplichtingen te voldoen, tenzij het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. In dat geval kan het college besluiten dat ontheffing van de inburgeringsplicht wordt verleend op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel c., WI. Ook indien op andere gronden niet langer sprake is van een inburgeringsverplichting voor belanghebbende, bijvoorbeeld op basis van leeftijd, laat het college de herhaalde procedure achterwege.

Lid 7

De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Dit betekent dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige. Het college kan in de overwegingen de inkomenspositie van de belanghebbende tevens betrekken.

Artikel 6:1 – Uitvoering

In dit artikel is vastgelegd dat het college bevoegd is de Verordening uit te voeren. Onder college worden tevens begrepen personen aan wie op grond van afdeling 10.1.1. van de Awb mandaat is verleend om in naam van het college besluiten te nemen.

Artikel 6:2 – Hardheidsclausule

In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college stelt de gemeenteraad de beleidskaders vast in een verordening. Het college is belast met de uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van overwegende aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van de inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die afwijken van deze verordening.

Artikel 6:3 – Inwerkingtreding

Omdat de vrijwillige inburgering met ingang van 1 januari 2010 in de wet is opgenomen en daarbij tevens is bepaald dat voor nader omschreven taken de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen, is het noodzakelijk dat per genoemde datum rechtskracht wordt verleend aan besluiten van het college. Dit wordt mogelijk gemaakt door aan de bewuste artikelen terugwerkende kracht te verlenen. Echter, in de Awb (artikel 5:4) is geregeld dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. Dit betekent dat aan de bepalingen die betrekking hebben op de bestuurlijke boete (artikel 8 van de verordening) geen terugwerkende kracht kan worden verleend. Voor de Verordening inburgering 2012 geldt dat ten aanzien van de boetebepalingen geen wijzigingen zijn aangebacht. Er verzet zich dan ook niets tegen om per 1 juli 2012 de volledige verordening in te voeren.

Artikel 6:4 – Intrekking

Het is een bevoegdheid van de gemeenteraad die de Verordening heeft vastgesteld om deze ook in te trekken. Ter voorkoming van onduidelijkheid omdat er meerdere verordeningen naast elkaar bestaan is daarom bepaald dat per datum als genoemd in artikel 11 de Verordening Inburgering 2010 wordt ingetrokken.

Artikel 6:5 – Overgangsrecht

Ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe verordening bestaan er voor bepaalde inburgeringsplichtigen nog aanspraken op basis van de Verordening Inburgering 2007 of de Verordening 2010. Met dit artikel wordt bereikt dat rechten welke zijn verkregen op grond van deze verordeningen uit 2007 of 2010 onverlet blijven voor de duur dat er aanspraak is op deze rechten.

Artikel 6:6 – Citeerartikel

Deze bepaling spreekt voor zich en wordt dan ook niet verder toegelicht.

Lijst van afkortingen

EU

Europese Unie *¹)

EER

Europese Economische Ruimte*²)

IND

Immigratie- en Naturalisatiedienst

Awb

Algemene Wet Bestuursrecht

UWV

Uitvoeringsorganisatie Werknemersverzekeringen

WI

Wet Inburgering

WWB

Wet werk en bijstand;

IOAW

Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkeloze werknemers

IOAZ

Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

WIJ

Wet investeren in jongeren

WEB

Wet educatie en beroepsonderwijs;

Wsw

Wet sociale werkvoorziening;

Wet SUWI

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

*¹) EU

Tot de Europese Unie behoren de volgende landen:

België;Bulgarije;Cyprus;Denemarken;Duitsland; Estland; Finland;

Frankrijk; Griekenland; Hongarije; Ierland; Italië; Letland Litouwen;

Luxemburg; Malta; Nederland; OostenrijkPolen; Portugal; Roemenië;

Slovenië; Slowakije; Spanje; Tsjechië; Verenigd Koninkrijk; Zweden.

Opmerking: Hoewel Zwitserland geen lid is van de EU gelden er daar wel veel EU-regels.

*²) EER

De EER is het akkoord tussen de landen van de Europese Unie en de Europese Vrijhandels Associatie (EVA), met uitzondering van Zwitserland. Het akkoord bevordert vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal tussen de deelnemende landen. Ook wordt er samengewerkt op economisch gebied. De EER bestaat sinds 1992. Tot de Europese Economische Ruimte (EER) behoren de volgende landen:

alle landen van de Europese Unie hierboven genoemd; Liechtenstein; Noorwegen; IJsland.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.