Aanhef
Dit besluit treedt in werking na bekendmaking in het elektronisch gemeenteblad.
Hoofdstuk 4 Acties door belastingschuldige
4.8 Uitstel van betaling (art 25 IW)
4.8.1 Uitstel van betaling algemeen
Er zijn 3 redenen op grond waarvan een uitstelverzoek kan worden ingediend:
-de belastingschuldige is het niet eens met de hoogte van de aanslag en heeft bezwaar ingediend;
-de belastingschuldige kan de aanslag niet binnen de betalingstermijn(en) betalen, omdat hij geen of onvoldoende geld heeft;
-de belastingschuldige heeft zich gemeld bij schuldhulpverlening en de schuldhulpverlener wil starten met de minnelijke schuldsanering natuurlijke personen (MSNP). Regels voor uitstel van betaling in dit geval staan vermeld in artikel 4.16.1.
De invorderingsambtenaar kan in een brief (beschikking) en onder diens voorwaarden een belastingschuldige uitstel van betaling verlenen. Als uitstel wordt verleend, wordt de invordering stopgezet. De invorderingsambtenaar kan hiervan afwijken als hij vreest dat de belangen van de gemeente worden geschaad of als er misbruik gemaakt wordt van het uitstel van betaling.
De invorderingsambtenaar verleent geen uitstel van betaling voor de aanslagen toeristenbelasting.
4.8.2 Aanvragen van uitstel van betaling
De belastingschuldige kan op 5 manieren uitstel van betaling aanvragen:
-via de Digitale Belastingbalie. Hiervoor is DigiD of eHerkenning nodig;
-per e-mail: invordering@rijswijk.nl
-per post: Gemeente Rijswijk, t.a.v. Team Belastingen, Postbus 5305, 2280 HH Rijswijk;
-per telefoon: 14 070;
-via het bezwaar of beroepschrift.
4.8.3 Uitstel van betaling in verband met bezwaar of beroep
Het indienen van een bezwaar of beroep tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting (parkeerboete) op de voorgeschreven wijze, binnen de wettelijke termijn van 6 weken, geeft automatisch uitstel van betaling van de naheffingsaanslag totdat de uitspraak op bezwaar is gedaan.
Het indienen van een bezwaar of beroep tegen overige belastingaanslagen geeft niet automatisch uitstel van betaling van de belastingaanslag. De belastingschuldige moet in zijn bezwaar of beroep vragen om uitstel van betaling. De invorderingsambtenaar verleend bij deze overige aanslagen alleen uitstel voor het deel van de aanslag waar de belastingschuldige bezwaar of beroep tegen maakt (het betwiste bedrag). Het niet betwiste bedrag moet gewoon op tijd betaald worden.
Het uitstel van betaling eindigt automatisch bij uitspraak op het bezwaar of het beroep.
4.8.4 Uitstel van betaling omdat de belastingschuldige de aanslag niet op tijd of in één keer kan betalen
Als de belastingschuldige de belastingaanslag niet op tijd of in één keer kan betalen dan kan de belastingschuldige een betalingsregeling aanvragen. Een betalingsregeling is een vorm van uitstel van betaling waarbij de invorderingsambtenaar de voorwaarde stelt dat er iedere maand een deel van de aanslag wordt betaald.
Onder 'betalingsregeling' valt ook het uitstel van betaling tot een bepaalde datum vanwege betalingsproblemen.
Voorwaarden betalingsregeling
De invorderingsambtenaar kan de volgende voorwaarden stellen aan het verlenen van een betalingsregeling:
-dat de betalingen dienen plaats te vinden door middel van automatische incasso;
-dat de belastingschuldige eerst een aanbetaling moet doen;
-dat de belastingschuldige zekerheid stelt. Het stellen van zekerheid betekent dat de belastingschuldige de gemeente de garantie geeft dat de schuld wordt betaald. Deze garantie kan worden gegeven bijvoorbeeld via een bankgarantie of hypotheek.
Een betalingsregeling heeft alleen zin als de betalingsproblemen van belastingschuldige niet structureel zijn. Als de betalingsproblemen structureel zijn, wordt er geen betalingsregeling afgesproken.
4.8.4.1 Betalingsregeling voor particulieren
Omdat de meeste belastingen jaarlijks worden opgelegd, streeft de invorderingsambtenaar naar een betalingsregeling waarbij de openstaande aanslag volledig betaald is voordat de nieuwe belastingaanslag wordt opgelegd. Dit wordt gedaan om een opstapeling van schulden zoveel mogelijk te voorkomen.
Verder geldt dat een betalingsregeling maximaal 10 maanden duurt. De betalingsregeling start vanaf de datum waarop de regeling is verleend. Alleen als de invorderingsambtenaar vindt dat er bijzondere omstandigheden zijn, kan deze termijn verlengd worden.
Een betalingsregeling kan in principe slechts één keer worden getroffen. Een uitzondering geldt wanneer de invordering is overgedragen aan het deurwaarderskantoor. In dat geval kan het deurwaarderskantoor eventueel akkoord gaan met een nieuwe aanvraag voor een betalingsregeling.
4.8.4.2 Betalingsregeling voor ondernemers
Een betalingsregeling voor ondernemers duurt maximaal 6 maanden. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, kan deze periode langer worden. Dat beslist de invorderingsambtenaar.
Een betalingsregeling kan in principe slechts één keer worden getroffen. Een uitzondering geldt wanneer de invordering is overgedragen aan het deurwaarderskantoor. In dat geval kan het deurwaarderskantoor eventueel akkoord gaan met een nieuwe aanvraag voor een betalingsregeling.
4.9 Tweede verzoek voor uitstel van dezelfde aanslag (herhaald verzoek)
4.9.1 Verrekening van teruggaven
Gedurende de looptijd van de betalingsregeling kunnen teruggaven of andere uit te betalen bedragen worden verrekend. De verrekening kan ertoe leiden dat het aantal termijnen dat de belastingschuldige moet aflossen wordt verminderd en/of de laatste aflossing afwijkt van het oorspronkelijk overeengekomen bedrag.
4.9.2 Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance van betaling
De invorderingsambtenaar kan tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor belastingaanslagen waarvoor de wettelijke schuldsaneringsregeling niet geldt. Faillissementsschulden en belastingaanslagen waarvoor de wettelijke schuldsanering geldt, vallen niet onder een betalingsregeling.
4.9.3 Wanneer wordt een betalingsregeling beëindigd?
De betalingsregeling wordt in ieder geval beëindigd als:
-de belastingschuldige zich niet houdt aan de voorwaarden van de betalingsregeling;
-blijkt dat de belastingschuldige onjuiste gegevens heeft verstrekt;
-de reden voor de betalingsregeling is komen te vervallen;
-de belastingschuldige is toegelaten tot de minnelijke of wettelijke schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen.
Als de belastingschuldige een betalingstermijn van de betalingsregeling niet heeft betaald, voldoet hij niet aan de voorwaarden van de betalingsregeling en wordt de betalingsregeling beëindigd.
4.9.4 Invordering voortzetten
Als de invorderingsambtenaar geen nieuw uitstel van betaling geeft of het uitstel stopt, of als het beroep tegen de afwijzing van het uitstel is afgewezen, wordt de invordering pas na 14 dagen opgestart dan wel voortgezet.
4.9.5 Beroep
De belastingschuldige kan beroep aantekenen in de volgende gevallen:
-zijn verzoek om uitstel van betaling is afgewezen; of
-een eerder verleend uitstel is ingetrokken.
Het beroepschrift moet binnen 10 dagen na dagtekening van de beschikking worden ingediend bij de invorderingsambtenaar, en moet worden gericht aan het college van B&W.
Als blijkt dat het beroepschrift onvoldoende gemotiveerd is, wordt de belastingschuldige verzocht om het beroepschrift nader te motiveren.
Als het college van B&W op het beroepschrift heeft beslist, wordt de beslissing in een brief en gemotiveerd bekendgemaakt aan de belastingschuldige en/of zijn gemachtigde.
4.10 Kwijtschelding (art. 26 IW)
4.10.1 Uitleg van begrippen
Normbedragen bij kwijtschelding
normbedragen zijn standaardbedragen die de gemeente gebruikt bij de berekening van kwijtschelding. De gemeente gaat er bij deze berekening vanuit dat dit de kosten zijn die de belastingschuldige heeft gemaakt om te leven. De hoogte van de bestaanskosten is afhankelijk van de persoonlijke situatie.
Vermogen
is de waarde van alle bezittingen van de belastingschuldige en diens partner.
Motorvoertuig
met motorvoertuig wordt niet alleen een auto of een motor verstaan, maar alle voertuigen die met behulp van mechanische of elektrische kracht worden voortbewogen. Dus ook bromfietsen, scooters, brommobielen en elektrische fietsen.
Betalingscapaciteit
is het verschil tussen het verwachte netto inkomen per maand van de belastingschuldige en zijn of haar partner en de verwachte maandelijkse kosten voor levensonderhoud in de 12 maanden na de aanvraag voor kwijtschelding.
Besteedbaar inkomen
is het totaal aan inkomsten (bijvoorbeeld loon, pensioen, sociale uitkeringen, vakantiegeld, huurtoeslag etc. ) verminderd met de maandelijkse kosten, zoals woonlasten en de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering en de nominale premies volgens de Zorgverzekeringswet.
4.10.2 Beleidskeuzes kwijtschelding
In artikel 255 van de Gemeentewet staat dat de gemeente bij het verlenen van volledige of gedeeltelijke kwijtschelding moet voldoen aan de regels die de Minister van Financiën heeft vastgesteld op basis van artikel 26 van de Invorderingswet. Deze regels staan in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (UR IW).
De gemeente kan binnen de wettelijke grenzen afwijken van de regels die in de UR IW staan. De mogelijkheden hiervoor zijn vastgelegd in de Gemeentewet, de UR IW en de Regeling Kwijtschelding belastingen voor medeoverheden.
De afwijkende regels staan in de door de gemeente opgestelde kwijtscheldingsverordening. Deze verordening is te vinden op www.overheid.nl
4.10.3 Aanvragen kwijtschelding en aanleveren informatie
Het verzoekformulier om kwijtschelding kan op de volgende manieren worden aangevraagd:
-via de Digitale Belastingbalie;
-telefonisch via 14 070;
-schriftelijk: door het vragenformulier via de website te downloaden en terug te sturen naar: Gemeente Rijswijk, t.a.v. Team Belastingen, Postbus 5305, 2280 HH Rijswijk;
Als de belastingschuldige hulp nodig heeft bij het aanvragen van kwijtschelding, dan kan de belastingschuldige contact opnemen met het Financieel Servicepunt (FSP) van de gemeente Rijswijk op telefoonnummer 070 – 326 1955.
Als een formulier niet goed is ingevuld, krijgt de belastingschuldige de kans om de ontbrekende gegevens alsnog binnen 14 dagen aan te leveren.
Als uit de toetsing bij het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN) blijkt dat er meer informatie nodig is, kan de invorderingsambtenaar deze informatie opvragen. Deze informatie moet door de belastingschuldige binnen 14 dagen worden aangeleverd.
De invorderingsambtenaar vraagt de gegevens maximaal 2 keer op. Als de aanvrager niet alle gevraagde informatie levert, wordt het verzoek afgewezen.
4.10.4 Geautomatiseerde kwijtschelding
De gemeente maakt voor het beoordelen van het recht op kwijtschelding gebruik van het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN). Het BIDN helpt de gemeente bij het controleren van aanvragen voor kwijtschelding. Ieder kwijtscheldingsverzoek dat de gemeente ontvangt wordt door het BIDN getoetst.
Voor deze toetsing vergelijkt het BIDN verschillende gegevens van andere overheidsorganisaties (onder andere van de Belastingdienst, het RDW en het UWV) met de voor het BIDN vastgestelde normbedragen.
Uit deze toetsing kunnen verschillende bevindingen komen. Deze bevindingen worden doorgestuurd naar de gemeente. Op basis van de bevindingen vraagt de gemeente aanvullende informatie op bij de belastingschuldige. Op basis van deze informatie wordt het kwijtscheldingsverzoek afgehandeld.
Zijn er geen bevindingen dan kan de gemeente het kwijtscheldingsverzoek toekennen zonder verdere beoordeling.
De gemeente kan het BIDN ook vragen om ieder jaar automatisch te controleren of er nieuwe bevindingen zijn bij belastingschuldige(n) die het afgelopen jaar kwijtschelding hebben gekregen.
Als er geen bevindingen zijn kan de gemeente automatisch, zonder kwijtscheldingsverzoek, kwijtschelding aan deze belastingschuldige(n) verlenen. De belastingschuldige(n) moet toestemming hebben gegeven voor deze automatische kwijtscheldingstoets.
4.10.5 Kwijtschelding van al betaalde belastingaanslagen
De invorderingsambtenaar kan belasting die al betaald is, alsnog kwijtschelden. Dit gebeurt alleen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
-de belastingschuldige moet het verzoek om kwijtschelding binnen drie maanden na de laatste betaling op de belastingaanslag indienen; en
-de belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die normaal gesproken zouden hebben geleid tot kwijtschelding, als hij daar eerder om had gevraagd.
Als de invorderingsambtenaar het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige het bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend.
4.10.6 Gegevens en normen bij het indienen van een verzoek om kwijtschelding
Bij het beoordelen van het verzoek om kwijtschelding wordt gekeken naar de gegevens en normen die op dat moment gelden.
4.10.7 Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden
De invorderingsambtenaar kan kwijtschelding verlenen onder voorwaarden. Deze voorwaarden zullen worden vermeld in de beslissing op het kwijtscheldingsverzoek.
4.10.8 Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding
Als de invorderingsambtenaar het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet duidelijk worden uitgelegd waarom de invorderingsambtenaar dit besluit heeft genomen en wat de redenen voor de afwijzing zijn.
4.10.9 Na afwijzing: 14 dagen wachten bij voortzetting invordering
Als de invorderingsambtenaar het verzoek om kwijtschelding afwijst, of als een beroepschrift tegen een afwijzing is afgewezen, moet de belastingschuldige het verschuldigde bedrag binnen 14 dagen of binnen de betalingstermijn die op het aanslagbiljet staat betalen.
4.10.10 Wanneer wordt er geen kwijtschelding verleend?
Er wordt geen kwijtschelding verleend als:
-uit de verstrekte gegevens blijkt dat de uitgaven hoger zijn dan het inkomen, en de belastingschuldige heeft niet voldoende uitleg gegeven over het verschil;
-het de belastingschuldige is te verwijten dat de belastingaanslag niet kan worden betaald, bijvoorbeeld wanneer:
-een belastingteruggave niet is gebruikt om de schuld te betalen (tenzij het om een voorlopige teruggave gaat);
-er op enig moment voldoende geld aanwezig was om de aanslag te betalen, maar de belastingschuldige toch niet heeft betaald;
-de belastingaanslag(en) binnen de minnelijke en/of wettelijke schuldsaneringsregeling valt, tenzij er een akkoord is zoals bedoeld in de wet;
-de invorderingsambtenaar heeft extra voorwaarden gesteld waaraan nog niet is voldaan. Als aan die voorwaarden wordt voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend;
-daarnaast wordt geen kwijtschelding verleend voor belasting die waarschijnlijk binnen korte tijd betaald kan worden, bijvoorbeeld als:
-er binnen een jaar na het verzoek een verbetering in de financiële situatie van de belastingschuldige wordt verwacht;
-er binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggave wordt verwacht, anders dan de voorlopige teruggave.
4.11 Kwijtschelding van belastingen voor particulieren
4.11.1 Beoordeling kwijtschelding en bevindingen van het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN)
Een kwijtscheldingsverzoek wordt beoordeeld op basis van de bevindingen van het BIDN. In de basis worden alleen de onderdelen beoordeeld waar BIDN een bevinding heeft gemeld. De invorderingsambtenaar kan hiervan afwijken als hij daar aanleiding toe ziet.
4.11.2 De auto en vermogen
De waarde van een motorvoertuig telt niet mee voor het vermogen als het op het moment van het verzoek minder dan € 3.350,00 waard is. Is het voertuig meer waard, dan wordt de volledige waarde meegenomen als vermogen.
Als er geld is geleend voor het voertuig en er een pandrecht gevestigd is, dan wordt de lening afgetrokken van de waarde van het voertuig. Een pandrecht geeft degene (bijvoorbeeld een bank) die het geld aan de belastingschuldige heeft geleend een extra garantie. Als de belastingschuldige niet betaalt, heeft de bank het recht om de auto te verkopen, voordat andere schuldeisers dit kunnen doen.
Als de belastingschuldige failliet gaat, kan de schuldeiser zijn pandrecht blijven gebruiken en proberen zijn geld te krijgen, alsof er geen faillissement is.
Als het voertuig na de verzending van het aanslagbiljet is gekocht, wordt dit als verwijtbaar gedrag gezien. Dit betekent dat de kosten voor de aanschaf van het voertuig worden opgeteld bij het banksaldo.
Als 'waarde' geldt de prijs die de autohandel wil betalen bij inkoop van de auto zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto. De waarde van de auto wordt in beginsel bepaald op basis van de bevindingen van het BIDN of de ANWB Koerslijst. Daarbij wordt uitgegaan van de door de belastingschuldige doorgegeven kilometerstand.
Als het niet mogelijk is om met de AWNB Koerslijst een waarde te bepalen wordt er gekeken naar een vergelijkbare auto op de tweedehands (online) automarkt.
Een auto telt niet mee als vermogen als de belastingschuldige aan de invorderingsambtenaar aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor zijn werk of in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgeno(o)t(e) van belastingschuldige, diens geregistreerde partner of diens kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waarmee de auto kan worden betaald.
Noodzakelijkheid van de auto in verband met de uitoefening van het beroep kan onder andere aannemelijk gemaakt worden met een verklaring van de werkgever of als aannemelijk is dat een ander vervoersmiddel (bijvoorbeeld fiets of openbaar vervoer) niet mogelijk is.
Noodzakelijkheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk gemaakt worden door het overleggen van een gehandicaptenparkeerkaart of een verklaring van een arts waaruit blijkt dat de auto noodzakelijk is.
Als er meer dan één motorvoertuig in eigendom is, wordt de vrijstelling toegepast op de waarde van het goedkoopste motorvoertuig. Alle andere motorvoertuigen worden volledig als vermogen aangemerkt.
4.11.3 Geld op bankrekening(en) en vermogen
-Vakantiegeld en de eindejaarsuitkering (of vergelijkbare eenmalige ontvangsten) worden in mindering gebracht op het vermogen als deze korter dan 3 maanden geleden zijn ontvangen.
-De kredietruimte van een doorlopend krediet wordt niet als vermogen gezien.
-Spaartegoeden tellen mee als vermogen.
4.11.4 Vermogen en studielening
Het vermogen van studenten kan gedeeltelijk gespaard zijn met het lening deel van de studiefinanciering. Als de student dit kan aantonen wordt dit gedeelte van het vermogen buiten beschouwing gelaten voor de berekening.
4.11.5 Eigen woning en vermogen
Als een woning meer waard is dan de hypotheek, telt de overwaarde mee als vermogen. Dit kan betekenen dat het verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen. In sommige gevallen kan de invorderingsambtenaar uitstel van betaling geven, met een hypotheek op de woning als zekerheid. Dit gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen. Voor het bepalen van de waarde van de woning gebruikt de gemeente de meest recente WOZ-waarde.
4.11.6 Vermogen van kinderen
Het vermogen van kinderen die thuis wonen telt niet mee, tenzij de ouder (een deel van) zijn vermogen aan het kind heeft gegeven om een belastingvoordeel te behalen.
4.11.7 Erfenissen en vermogen
Bij het beoordelen van een verzoek om kwijtschelding na het overlijden van de belastingschuldige, wordt gekeken of de belastingaanslag uit de erfenis kan worden betaald. De financiële situatie van de erfgenamen is meestal niet van belang, tenzij de overgebleven of erfgenaam het verzoek indient. In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel meegenomen
4.11.8 Schadevergoedingen en vermogen
Ontvangen schadevergoedingen worden gedurende een bepaalde periode niet meegerekend als vermogen. Materiële schadevergoedingen zijn één jaar vrijgesteld. Immateriële schadevergoedingen zijn 3 jaar vrijgesteld.
4.11.9 Vakantiegeld
Vakantiegeld telt mee als inkomen. Voor vakantiegeld wordt gerekend met 7% van het inkomen, tenzij het werkelijk ontvangen vakantiegeld meer of minder is dan dit percentage.
4.11.10 Studenten
Bij het berekenen van het netto besteedbare inkomen wordt gekeken naar de studiefinanciering die de student ontvangt en andere inkomsten die de student heeft.
Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget (bepaald bedrag) voor hun levensonderhoud. In het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de één-oudertoeslag.
De inkomsten van een student worden op een standaardbedrag gesteld.
A. Voor studenten in het hoger onderwijs wordt dit bedrag berekend door het normbudget voor levensonderhoud te verminderen met een standaardbedrag voor boeken en leermiddelen.
B. Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs wordt dit bedrag berekend door het normbudget voor levensonderhoud te verminderen met een standaardbedrag voor boeken en leermiddelen en met het bedrag aan onderwijsretributie (is een vergoeding).
Het standaardbedrag voor boeken en leermiddelen wordt jaarlijks door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bepaald.
Als een student naast studiefinanciering ook eigen inkomen heeft, wordt het inkomen van de student bepaald zoals hierboven bij A en B is beschreven.
Als de studiefinanciering (zonder het collegegeldkrediet voor hoger onderwijs) en de eigen inkomsten samen hoger zijn dan de kosten van levensonderhoud voor het huishouden, wordt de betalingscapaciteit berekend met de volgende formules:
Formule 1: (P + Q) – R – S = X
P is de studiefinanciering die de student heeft gekregen zonder het collegegeldkrediet (is geld dat de student kan lenen om het collegegeld te betalen).
Q is het totaal van de eigen inkomsten van de student
R is het normbudget voor levensonderhoud dat geldt voor de student
S is de lening die de student van de DUO heeft ontvangen
De uitkomst (X) kan nooit lager zijn dan nul.
Formule 2: X + Y = T
Y is het standaardbedrag voor inkomsten van de student, zoals eerder beschreven.
T is het totaal van de inkomsten van de student. Dit inkomen wordt gebruikt om het netto besteedbaar inkomen te berekenen.
Als de studiefinanciering voor een groot deel uit een lening bestaat, wordt dezelfde berekening gebruikt zoals hierboven beschreven.
4.11.11 Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage
Uitkeringen die de belastingschuldige ontvangen als bijzondere bijstand en die bedoeld zijn om specifieke kosten te dekken, worden niet als inkomen beschouwd. Maar de bijzondere bijstand voor belastingschuldige jonger dan 21 jaar wordt wel als inkomen gezien. Dit komt omdat deze bijzondere bijstand niet bedoeld is voor specifieke kosten, maar voor het aanvullen van een zeer lage bijstandsuitkering.
Ook ouderlijke bijdragen worden als inkomen aangemerkt, ongeacht de leeftijd van de belastingschuldige.
4.11.12 Persoonsgebonden budget
Geld dat wordt ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor zorg, begeleiding of hulp, en dat niet gedekt wordt door de zorgverzekering of reguliere bijstand, wordt niet als inkomen meegerekend.
4.11.13 Betalingen op belastingschulden
Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening gehouden met belastingaanslagen die binnen 12 maanden na de aanvraag voor kwijtschelding nog opgelegd zullen worden.
Er wordt in principe alleen rekening gehouden met betalingen aan de Rijksbelastingdienst.
4.11.14 Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering
Een deel van de premie ziektekosten die de belastingschuldige betaalt, wordt niet meegenomen als uitgave, in de berekening van de kwijtschelding. Dat deel noemen wij de normpremie ziektekosten die door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt vastgesteld.
4.11.15 Kwijtschelding tijdens WSNP
Als de belastingschuldige vraagt om kwijtschelding van belastingen die zijn ontstaan na de datum van de schuldregelingsovereenkomst, wordt het verzoek behandeld volgens het bestaande beleid.
Dit betekent onder andere dat bij het berekenen van de betalingscapaciteit, zoals beschreven in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, het inkomen van de belastingschuldige niet wordt verlaagd met het deel van het inkomen dat onder het financieel beheer van de schuldhulpverlener valt.
Ook wordt opgemerkt dat het geld dat onder het financieel beheer van de schuldhulpverlener valt, niet wordt gezien als vermogen volgens artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
4.11.16 Onderhoud gezinsleden in het buitenland
Als de belastingschuldige in Nederland woont, maar gezinsleden in het buitenland onderhoudt, wordt voor zijn betalingscapaciteit het normbedrag voor echtgenoten gehanteerd. Er wordt rekening gehouden met de huur die in Nederland wordt betaald. De werkelijke bedragen die de belastingschuldige naar het buitenland overmaakt, tellen niet mee.
4.15 Insolventieprocedures
4.15.1 De minnelijke schuldsaneringsregeling (MSNP) door leden van de NVVK of gemeenten
Stabilisatiefase
In deze fase worden de inkomsten en uitgaven van de belastingschuldige in kaart gebracht en gestabiliseerd. Lopende invorderingsmaatregelen worden opgeschort. Als de invorderingsambtenaar van de schuldhulpverlener een melding over de stabilisatie-overeenkomst ontvangt, wordt de invordering voor maximaal 240 dagen (8 maanden) stopgezet.
Voorwaarden MSNP
Als de schuldhulpverlener meldt dat er een schuldregelingsovereenkomst is afgesloten, krijgt de belastingschuldige uitstel van betaling voor maximaal 18 maanden, onder de volgende voorwaarden:
-de regeling geldt voor natuurlijke personen (mensen dus);
-de schuldhulpverlener is lid van de NVVK (Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet) of de regeling wordt uitgevoerd door een gemeente;
-de schuldregeling is opgesteld volgens de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK, of een gelijkwaardige overeenkomst. Met hulp van de VTLB-Calculator wordt het vrij te laten bedrag (Vtlb) en de afloscapaciteit van de belastingschuldige bepaald;
-voor ondernemers is de regeling opgesteld volgens specifieke regels (Module Schuldregeling voor ondernemers van de NVVK);
-er is een redelijke verwachting dat het bedrijf of zelfstandig beroep van de belastingschuldige na de regeling levensvatbaar blijft;
-het is waarschijnlijk dat de belastingschuldige in aanmerking komt voor een dwangakkoord; en
-aan het eind van de regeling wordt er een bedrag betaald dat gelijk is aan wat er anders bij een wettelijke schuldsanering zou worden verkregen.
Het uitstel van betaling begint vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Na het afsluiten van de overeenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener binnen 120 dagen (maar uiterlijk 240 dagen) of een regeling met de schuldeisers kan worden bereikt.
Op welke belastingaanslagen is het uitstel van toepassing?
Het uitstel geldt voor belastingaanslagen tot en met de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Ook is de regeling van toepassing op belastingaanslagen die normaal gesproken niet worden kwijtgescholden.
Gevolgen van het MSNP-uitstel:
-als er een schuldregeling tussen de belastingschuldige en de schuldeisers wordt bereikt, vervallen eventuele beslagen die eerder zijn gelegd;
-er kan verrekening plaatsvinden met belastingteruggaven die te maken hebben met belasting, die is ontstaan tot de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen;
-als de belastingschuldige vraagt om kwijtschelding van belastingen die zijn ontstaan na de datum van de schuldregelingsovereenkomst, wordt het verzoek behandeld volgens het bestaande beleid.
Intrekken uitstel tijdens de MSNP
De invorderingsambtenaar kan het uitstel intrekken als een of meer van onderstaande situaties aan de orde is:
-de schuldhulpverlener niet binnen 240 dagen na de datum van de schuldregelingsovereenkomst heeft aangegeven dat de schuldregeling doorgaat;
-de belastingschuldige probeert om zijn schuldeisers te benadelen; of
-daarvoor een andere goede reden is.
De invorderingsambtenaar trekt het uitstel pas in nadat deze de schuldhulpverlener schriftelijk heeft laten weten dat hij dat van plan is, en de belastingschuldige veertien dagen de tijd heeft om zijn verplichtingen correct na te komen.
Na de toepassing van de MSNP-regeling
De belastingaanslagen, die betrekking hebben op de periode waarin de MSNP van toepassing was, zullen worden kwijtgescholden. Dit gebeurt alleen als de belastingschuldige zich tijdens de MSNP-regeling aan de afspraken heeft gehouden.
4.15.2 Minnelijke schuldsanering door anderen dan NVVK-leden of gemeenten
Hoe vindt beoordeling van het verzoek plaats?
Verzoeken voor een minnelijke schuldsanering, ingediend door een persoon of organisatie die geen NVVK-lid of gemeente is, worden door de invorderingsambtenaar beoordeeld op basis van de volgende overwegingen:
-is het voorstel goed en duidelijk vastgelegd?
-is het voorstel het hoogste wat de belastingschuldige financieel kan bieden?
-is een eventueel faillissement of schuldsanering voordeliger voor de belastingschuldige?
-heeft invorderingsambtenaar kans om evenveel of meer te krijgen als het faillissement of de schuldsanering doorgaat?
-is er al eerder een soortgelijk geval geweest dat als voorbeeld kan dienen?
-hoe belangrijk is het voor de invorderingsambtenaar om datgene wat afgesproken is, volledig te ontvangen?
-hoe groot is het aandeel van de weigerende invorderingsambtenaar in de totale schuld?
-staat de weigerende invorderingsambtenaar alleen tegenover de andere schuldeisers die wel akkoord zijn met het voorstel?
-is er eerder een poging geweest om een schuldregeling te treffen die niet goed is uitgevoerd?
Als na beoordeling blijkt dat kan worden ingestemd met het verzoek, dan verleent de invorderingsambtenaar voor 18 maanden uitstel van betaling.
Hoofdstuk 5 (Vervolg)acties invorderingsambtenaar
5.4 Aansprakelijk voor belastingschuld van een ander (art. 32 tot en met 57a IW)
5.4.1 Uitstel bij aansprakelijkheid
Uitstel van betaling kan ook worden verleend aan iemand die aansprakelijk is gesteld. De regels (het beleid) bij uitstel aan een aansprakelijkgestelde zijn hetzelfde als de regels voor uitstel aan een belastingschuldige.
5.4.2 Bezwaar tegen de aansprakelijkstelling
De aansprakelijkgestelde kan een bezwaarschrift indienen tegen zowel de aansprakelijkstelling zelf als tegen de belastingaanslag. Dat laatste kan alleen als de oorspronkelijke belastingschuldige niet al bezwaar heeft gemaakt. Als de invorderingsambtenaar het bezwaarschrift heeft afgewezen, kan de aansprakelijkgestelde een beroepschrift indienen bij de rechtbank. Tegen de uitspraak van de Rechtbank staat hoger beroep open bij het Gerechtshof.
Tegen de schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof kunnen zowel de aansprakelijkgestelde als het college van B&W eventueel in cassatie gaan. Cassatie vindt plaats bij de hoogste rechterlijke instantie van Nederland, de Hoge Raad. De Hoge Raad bekijkt of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd.