Gemeentelijke regelgeving

Integraal Huisvestigingsplan 2024- 2039 Rijssen- Holten

Gemeente Rijssen-Holten · geldt sinds 16 augustus 2024

Aanhef

De raad van de gemeente Rijssen-Holten

overwegingen:

•gezien het feit dat het gewenst is de toekenningscriteria van de voorziening duurzaamheidslening schoolgebouwen bijlage H bij de verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Rijssen-Holten 2010 uit te breiden met maatregelen binnenklimaat;

•gelet op het gevoerde overleg met de schoolbesturen;

•gelet op de bepalingen in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs;

•gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders op 14 mei 2024.

•gezien de behandeling in de commissie MDV op 10 juni 2024.

besluit:

-in te stemmen met de inhoud van bijgevoegd IHP 2024 - 2039 en de benodigde middelen voor de voorzieningen onderwijshuisvesting beschikbaar te stellen;

besluit genomen in de vergadering van de raad van Rijssen-Holten op 27 juni 2024.

G.H. Veerman griffier

J.C.R. van Houdt voorzitter

Integraal Huisvestigingsplan 2024- 2039 Rijssen- Holten

5. Beleidsregels bij nieuw IHP

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a.

Bbl:

Besluit bouwwerken leefomgeving;

b.

BENG:

Bijna Energieneutraal Gebouw; is van toepassing op de gebouw gebonden energie.

De gebruik gebonden energie zoals energie voor smartboards, laden van ICT- apparatuur en keukenfaciliteiten wordt buiten beschouwing gelaten. De energie-prestaties voor BENG-gebouwen worden vastgelegd aan de hand van drie eisen:

•De maximale energiebehoefte per kWh/ m²/jaar;

•Het maximaal primair fossiel energiegebruik in kWh/m²/jaar;

•Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten.

Het is per project maatwerk hoe aan deze prestatie-eisen kan worden voldaan.

c.

ENG:

Energieneutraal gebouw; is ook van toepassing op de gebouw gebonden energie.

De gebruik gebonden energie wordt buiten beschouwing gelaten. Het verschil met BENG is dat het saldo energieverbruik en opbrengst, ten aanzien van de gebouw gebonden energie, nul is.

d.

Gemeente:

Gemeente Rijssen-Holten;

e.

IHP:

Integraal (Onderwijs)Huisvestingsplan;

f.

Inclusief onderwijs:

Onderwijs waarbij kinderen, ongeacht hun beperking, naar hetzelfde onderwijs gaan als kinderen zonder beperking;

g.

MJOP:

Meerjaren onderhoudsplan;

h.

NEN 2767:

Norm voor technische staat van bouw- en installatieonderdelen;

i.

NOM:

Nul op de meter; hierbij wordt zowel het gebouw gebonden als het gebruik gebonden energieverbruik gecompenseerd. Het verschil met ENG is dat het saldo energiegebruik en energieopbrengst, ten aanzien van het gebouw gebonden en gebruik gebonden energie, nul is.

j.

Passend onderwijs:

Onderwijs waarbij alle kinderen een plek krijgen op een school die bij ze past.

Ook als zij extra ondersteuning nodig hebben;

k.

PO:

Primair onderwijs - een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 WPO;

l.

Verordening:

Onderwijshuisvestingsverordening Rijssen-Holten 2021.

m.

VO:

Voortgezet onderwijs - een school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 WVO;

n.

WEC:

Wet op de expertisecentra;

o.

WPO:

Wet op het primair onderwijs;

p.

WVO:

Wet op het voortgezet onderwijs;

Artikel 2 Bbl

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (voorheen Bouwbesluit 2012) noemt de eisen waaraan bouwwerken moeten voldoen om de benodigde kwaliteit en veiligheid te kunnen garanderen. Nieuwe schoolgebouwen moeten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit. Per 1 januari 2021 zijn de BENG-eisen opgenomen in het Bouwbesluit. Per 1 januari 2024 is het Bouwbesluit 2012 vervangen door het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Nieuwe schoolgebouwen moeten voldoen aan de eisen van dit besluit.

Artikel 3 Levensduur schoolgebouw

a) De minimale levensduur van een permanent schoolgebouw (zowel voor PO als VO) is 60 jaar. Binnen deze termijn komen aanpassingen en groot onderhoud voor rekening van het schoolbestuur.

b) Als een schoolgebouw 60 jaar oud is, vindt overleg plaats tussen gemeente en schoolbestuur over vervangende nieuwbouw. Bij scholen met ruimten uit verschillende bouwjaren wordt uitgegaan van een gewogen bouwjaar.

c) Reguliere renovatie komt voor rekening van het schoolbestuur. Volgens artikel 7 van deze beleidsregels kan voor renovatie als levensduurverlening (revitalisatie) of renovatie als gelijkwaardig alternatief voor nieuwbouw (vernieuwbouw) worden afgeweken van de termijn van 60 jaar.

Artikel 4 Normvergoeding stichtingskosten

1In de verordening wordt de omvang van scholen niet meer uitgedrukt in lokalen maar in m² bvo (bruto vloeroppervlakte). De stichtingskostenvergoeding bestaat bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding uit een startbedrag en een bedrag per m² bvo.

2In de basis dient te worden voldaan aan artikel 2 Bbl van deze beleidsregels. Financiering van de stichtingskosten bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding op basis van het Bbl behoren daarmee voor 100% aan de gemeente. De VNG-normbedragen zijn daarin een richtlijn, waarbij de daadwerkelijke stichtingskosten na aanbesteding bepalend zijn.

3Alle extra kosten die worden gemaakt voor kwaliteitsverbeteringen en de onomkeerbare maatregel van Bbl (BENG-eisen) naar ENG van een schoolgebouw, komen voor rekening van het schoolbestuur. In lijn van de ENG ambitie is bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding de afspraak gemaakt dat het schoolbestuur bijdraagt in 10% van de bekostiging, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel. De bijdrage wordt gebruikt voor de exploitatie verbeterende maatregelen boven op de eisen van het Bbl en de VNG-normbedragen. Naast de exploitatie verbeterende maatregelen gaat het dan ook om de onomkeerbare maatregelen om de sprong van BENG naar ENG te kunnen maken. Het schoolbestuur kan voor dit deel een beroep doen op de duurzaamheidslening in artikel 6.

4Bij het naar voren halen van voorzieningen (anders dan renovatie zoals vermeld in artikel 7 van deze beleidsregels en niet opgenomen in dit IHP) wordt een hogere eigen bijdrage van het schoolbestuur verwacht. Voor ieder jaar eerder dan de termijn van 60 jaar zal het schoolbestuur zelf 1,67% van de werkelijke kosten voldoen.

5Afrekening vindt plaats op basis van de notitie nieuwbouw onder de onderwijshuisvestingsverordening.

De vraag is hoe bij nieuwbouw en uitbreiding van scholen om te gaan met het bouwkrediet (normvergoeding die geldt als een taakstellend maximum) in relatie tot de te realiseren bvo. Bij nieuwbouw of uitbreiding kunnen zich namelijk verschillende situaties voordoen, bijvoorbeeld als een schoolbestuur voor eigen rekening extra ruimte wil realiseren. Aan de hand van een voorbeeld (zie de bijlage) wordt bezien welke situaties zich kunnen voordoen en hoe we daarmee om willen gaan bij de afrekening en de vaststelling van de werkelijke/fictieve bvo van de nieuwe school.

Artikel 5 Toetsingskader leerlingenaantallen en capaciteitsbehoefte

1De basis voor het IHP zijn goede leerlingenprognoses. Voor elke prognose geldt echter dat die op de langere termijn minder betrouwbaar wordt. Daarom heeft het college besloten om elke 2 à 3 jaar nieuwe leerlingenprognoses te laten maken.

2Bij het bepalen van het aantal benodigde vierkante meters voor nieuwbouw en uitbreiding worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

a.De teldatum voor leerlingenaantallen betreft 1 oktober van het jaar volgens bijlage III deel B1 van de verordening,

b.Het gemiddeld aantal leerlingen gedurende 15 jaar als er sprake is van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening volgens de bijlage I deel A1 en A3 van de verordening,

c.Het gemiddeld aantal leerlingen gedurende 5 jaar als er sprake is van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening volgens de bijlage I deel A1 en A3 van de verordening,

d.Een toeslag zorgruimte van maximaal 40 m² bvo zoals vermeld in artikel 13 lid 1 van deze beleidsregels.

Artikel 6 Duurzaamheidslening schoolgebouwen

1Een frisse school is een schoolgebouw met een laag energieverbruik en een gezond binnenklimaat als het gaat om luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. Frisse scholen dragen bij aan een duurzaam gebouw, omdat ze het energieverbruik terugdringen en de CO² uitstoot beperken. Een gezond binnenmilieu draagt ook bij aan het welbevinden van de gebruikers en vermindert gezondheidsklachten.

Zoals vermeld in de visie op onderwijshuisvesting streven we ernaar om alle scholen te laten voldoen aan het kwaliteitsniveau Frisse Scholen Klasse B.

2Voor (nog te treffen) fysieke maatregelen in of aan een schoolgebouw gelegen in de gemeente Rijssen-Holten, die leiden tot vermindering van de CO2-uitstoot, maar ook voor (nog te treffen) binnenklimaat-maatregelen biedt het college schoolbesturen PO en VO op basis van de verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Rijssen-Holten 2010 de mogelijkheid gebruik te maken van de duurzaamheidslening schoolgebouwen.

3De voorziening geldt voor zowel hoofdgebouwen, dislocaties als nevenvestigingen. De voorziening kan worden gecombineerd met nieuwbouw, uitbreiding of groot onderhoud/renovatie.

4Voor gebruik van de duurzaamheidslening dient het schoolbestuur een schriftelijk verzoek in te dienen bij het college. Een indieningsdatum is niet van toepassing. Uiteraard mogen de duurzaamheidsmaatregelen, waarop de aanvraag betrekking heeft, nog niet zijn getroffen. Het schoolbestuur dient de aanvraag te motiveren en te voorzien van een deugdelijke financiële onderbouwing (begroting/offertes).

5De aanvraag moet aantoonbaar leiden tot CO2-reductie en of verbetering van de temperatuur, het binnenklimaat en de akoestiek binnen een gebouw. Het schoolbestuur dient stukken te overhandigen waaruit blijkt dat de kosten van de lening gedragen kunnen worden.

6De duur van de lening is minimaal 2 jaar en wordt in principe gekoppeld aan de technische levensduur van de voorziening, maar er wordt ook rekening gehouden met de verwachte levensduur van het gebouw. De daadwerkelijke verstrekking van de lening hangt af van de gunning van de opdracht door het schoolbestuur. De lening wordt in principe in één keer verstrekt. De rente begint te lopen op de valutadatum dat de gemeente het bedrag overmaakt aan het schoolbestuur. Het schoolbestuur blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het nakomen van de financiële verplichtingen, ook als het betreffende schoolgebouw tussentijds buiten gebruik wordt gesteld. In dat geval wordt het restant van de lening direct opeisbaar.

7De maximale omvang van de lening wordt bepaald aan de hand van de door het schoolbestuur bij de aanvraag over te leggen begroting/offertes. Op basis van de opdrachtverstrekking door het schoolbestuur kan de omvang van de lening naar beneden worden bijgesteld. De minimumomvang van de lening is € 10.000 per aanvraag.

8Als percentage wordt gehanteerd de BNG-rente verhoogd met 0,5%. De BNG-rente op de 1e werkdag van januari geldt voor het gehele kalenderjaar. De datum waarop de lening wordt verstrekt is bepalend voor het van toepassing zijnde kalenderjaar. De rente van dit kalenderjaar geldt voor de hele looptijd van de lening. De hoogte van de rente is afhankelijk van de duur van de lening.

9De lening wordt lineair afgelost. De eerste aflossing vindt plaats in december van het jaar volgende op het verstrekken van de lening. Jaarlijks ontvangt het schoolbestuur begin december een factuur (rente en aflossing) van de gemeente over het aflopende kalenderjaar. De factuur moet uiterlijk 31 december worden betaald. Bij overschrijding wordt de wettelijke rente in rekening gebracht. Versnelde aflossing is mogelijk, maar dit moet minimaal 10% van de oorspronkelijke hoofdsom zijn.

10Aan het verstrekken van een lening kunnen voorwaarden worden verbonden. Zo zal de lening voor een bepaalde datum (te bepalen door het college) moeten worden opgenomen. En de maatregelen dienen binnen 1 jaar na het verstrekken van de lening te zijn uitgevoerd. De lening moet uiteraard gebruikt worden voor het doel waarvoor ze is aangevraagd.

11Van iedere lening wordt een overeenkomst opgesteld.

12Binnen 3 maanden na realisatie van de voorziening dient (mede met het oog op accountantscontrole) het schoolbestuur een bewijs van oplevering te overleggen of een verklaring dat de voorziening volgens de aanvraag is gerealiseerd.

13In bijzondere gevallen kan het college afwijken van deze regeling.

Artikel 7 Renovatie

Onder de huidige wetgeving is ‘renovatie’ geen officiële voorziening in de onderwijshuisvesting (als bedoeld in art. 92 lid 1 Wpo, art. 90 lid 1 Wec en art. 6.2 lid 1 Wvo) omdat – zo was de gedachte – het begrip niet eenduidig is te definiëren. Gemeenten en schoolbesturen worden daarom geacht in goed overleg met elkaar tot een redelijk vergelijk te komen over de verdeling van de kosten en een eventuele keuze tussen renovatie en nieuwbouw. Met dit artikel is nu geprobeerd in aansluiting op de verwachte wetswijziging hier een richting aan te geven. Waarbij het uitgangspunt is dat renovatie een combinatie kan betreffen van instandhoudings-, onderwijskundige-, functionele- en kwaliteit verhogende ingrepen.

Hieronder worden in de leden 2 en 3 van dit artikel wordt de mogelijkheid geboden voor:

1Renovatie als levensduurverlening – revitalisatie, of

2Renovatie als gelijkwaardig alternatief voor nieuwbouw – vernieuwbouw

1Het uitgangspunt is dat renovatie een combinatie kan betreffen van instandhoudings-, onderwijskundige-, functionele- en kwaliteit verhogende ingrepen. De volgende afwegingen liggen ten grondslag aan de motivatie om te kiezen voor renovatie in plaats van (vervangende) nieuwbouw:

a.Het gebouw heeft een goede uitstraling, ligging en/of functionaliteit, en/of;

b.Het pand heeft verschillende bouwdelen en/of;

c.Het pand heeft nog een hoge boekwaarde, en;

d.De exploitatie vormt geen probleem, en/of;

e.Renovatie is een goedkoper alternatief voor nieuwbouw, en/of;

f.Met renovatie zijn dezelfde duurzaamheidsambities te behalen als bij dan (vervangende) nieuwbouw.

2Renovatie als levensduurverlening - revitalisatie

De gemiddelde levenscyclus van een gebouw bedraagt 65 jaar (40 + 25), waarbij de gemeente na het 40e levensjaar bijdraagt aan een levensduur verlengende renovatie. Het uitgangspunt is dat renovatie in combinatie met het reguliere onderhoud bijdraagt aan en levensduurverlenging van 25 jaar.

Na het 65e levensjaar wordt vervangende nieuwbouw opgenomen. Renovatie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van schoolbesturen en gemeente.

De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan deze oplossingsrichting voor renovatie:

a.Na renovatie is te minste nieuwbouw kwaliteit BENG gerealiseerd;

b.Het schoolbestuur blijft verantwoordelijk voor het uitvoeren van adequaat onderhoud volgens een MJOP, volgens NEN 2767 en het gebouw minimaal op conditieniveau 3 te onderhouden;

c.De gemeente draagt in het 40e levensjaar van een gebouw, in het kader van een renovatie, 30% van de bijdrage van de normvergoeding voor nieuwbouw voor het aanpassen van het gebouw ter verbetering van het binnenklimaat, de energieprestaties en de onderwijskundige functionaliteit. Uitgangspunt voor de gemeentelijke bijdrage is de permanente ruimtebehoefte van een school. Dit kan afwijken van de werkelijke omvang van een gebouw;

d.Schoolbesturen dragen, in het kader van een renovatie, de overige lasten om te komen tot nieuwbouw kwaliteit. Deze bijdrage valt te bekostigen uit het onderhoudsbudget. Insteek hierbij is dat schoolbesturen met goed onderhouden schoolgebouwen naar verwachting minder of niet hoeven bij te dragen;

e.Als de kosten van de renovatie, exclusief onderhoudsmaatregelen, meer dan 60% van de kosten voor vervangende nieuwbouw bedragen, gaan de gemeente en schoolbesturen in gesprek om te onderzoeken of vervangende nieuwbouw geen optimaler alternatief is;

f.Schoolbesturen investeren in extra maatregelen ten behoeve van de ENG of NOM ambitie, onder de voorwaarde dat de terugverdientijd van de extra investering binnen 15 jaar gerealiseerd kan worden.

3Renovatie als gelijkwaardig alternatief voor nieuwbouw – vernieuwbouw

Hierbij is het uitgangspunt dat renovatie een gelijkwaardig alternatief vormt voor (vervangende) nieuwbouw. Bij renovatie wordt, indien de noodzaak aanwezig is, na het 40e levensjaar het bestaande gebouw, met dezelfde eisen als bij (vervangende) nieuwbouw, kwalitatief verbeterd.

De technische levensduur wordt bij deze ingreep met minimaal 40 jaar verlengd. Na de ingreep zijn de gebouwen duurzaam, passend aan het onderwijsconcept en passend aan de functionele wensen en eisen.

De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan deze oplossingsrichting voor renovatie:

a.Renovatie vormt een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw, de wettelijke eisen en ambities die gelden voor (vervangende) nieuwbouw zijn ook van toepassing op renovatie;

b.Vijf tot drie jaar voordat het gebouw het einde van de economische levensduur (40 jaar) heeft bereikt wordt er een businesscase opgesteld. De businesscase toont aan of en wanneer er een noodzaak tot huisvestingsingrijpen aan de orde is op basis van een conditiemeting van het betreffende gebouw. Ook dient de businesscase aan te tonen of renovatie dan wel vervangende nieuwbouw de best passende oplossing is;

c.Het opstellen van de businesscase is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en schoolbesturen;

d.De gemeente draagt in het 40e levensjaar van een gebouw, in het kader van een renovatie, 60% van de bijdrage van de normvergoeding voor nieuwbouw.

e.Als de gemeentelijke bijdrage, op basis van de werkelijk benodigde investering, niet toereikend blijkt voor het bekostigen van BENG dragen de schoolbesturen bij. Deze bijdrage valt te bekostigen uit het onderhoudsbudget. De insteek hierbij is dat schoolbesturen met goed onderhouden schoolgebouwen naar verwachting minder of niet hoeven bij te dragen en/of meer met het beschikbare budget kunnen realiseren;

f.Uitgangspunt is dat de ingrepen die met deze totale vergoeding (vanuit de gemeente en schoolbestuur) te bekostigen zijn ervoor zorgen dat de technische levensduur van het totale schoolgebouw met minimaal 40 jaar wordt verlengd;

4De VNG-normbedragen gelden ook als uitgangspunt bij de berekening van de gemeentelijke vergoeding bij renovatie. Basis voor de vergoeding is de normvergoeding voor nieuwbouw dan wel uitbreiding. Met name bij renovatie van een gedeelte van een gebouw ligt het meer voor de hand uit te gaan van de normvergoeding voor uitbreiding.

Artikel 8 Medegebruik

1Medegebruik kan zoals vermeld in artikel 27 en 28 van de verordening plaatsvinden als er sprake is van leegstand in een schoolgebouw waarbij het volgende onderscheid kan worden gemaakt:

a.Medegebruik door een andere, door het rijk bekostigde, school of onderwijsinstelling.

b.Medegebruik door instellingen met een ideëel doel (cultureel, maatschappelijk of recreatief) die met overheidsmiddelen worden bekostigd, bijvoorbeeld een bibliotheek.

2Medegebruik (of verwijzing naar leegstand elders) is een instrument om de kosten van (tijdelijke) onderwijshuisvesting te beheersen.

3Bij een moeilijke(re) financiële positie van de gemeente zal vaker een beroep op dit instrument moeten worden gedaan. Hierbij zal een verschil in identiteit geen belemmering mogen vormen, al zal hiermee prudent worden omgegaan. Wat betreft verwijzing naar leegstand elders zijn er geen “harde” grenzen zoals Reggesingel en spoorlijn. Indien nodig kan van het vorderingsrecht gebruik gemaakt worden.

4Dit artikel betreft een vangnet. Het staat schoolbesturen vrij om medegebruik samen op te lossen.

Artikel 9 Verhuur onderwijsruimte

1Als er sprake is van leegstand bij een school, kan die (volgens WPO 108 en WEC 106) door het schoolbestuur worden verhuurd aan organisaties voor kinderopvang en of buitenschoolse opvang.

2Zoals vermeld in artikel 29 van de verordening verzoekt het schoolbestuur het college schriftelijk om toestemming voor verhuur van onderwijsruimte, voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.

3Voor toestemming van de verhuur van (leegstaande) onderwijsruimte verbindt het college de volgende voorwaarden:

a.dat er huur wordt voldaan;

b.de verhuur/het gebruik eindigt zodra de betreffende lokalen nodig zijn voor het onderwijs;

c.de verhuur/het gebruik eindigt ook zodra het schoolgebouw niet langer nodig is voor het onderwijs.

4Het schoolbestuur draagt jaarlijks zorg voor het innen van een marktconforme huurbijdrage.

5Het marktconforme huurbedrag wordt bepaald op basis van genormeerde stichtingskosten en de exploitatiekosten.

6De huurbijdrage voor exploitatiekosten wordt door het schoolbestuur als verhuurder vastgesteld en jaarlijks geïndexeerd.

7De hoogte van het genormeerd bedrag per vierkante meter is in 2017 (zie bijgevoegde notitie toepassing financiële voorwaarden bij verhuur schoolgebouwen) na goedkeuring van alle schoolbesturen tijdens een BOLEA-werkgroep overleg, door het college vastgesteld.

8De huurbijdrage voor stichtingskosten wordt gebaseerd op een genormeerd bedrag per vierkante meter zoals vermeld in de tabel hieronder.

Huurprijs voor een heel jaar

2024

(Genormeerd) leegstaand lokaal per m2

€ 140,84

(Genormeerd) niet-leegstaand lokaal per m2

€ 70,42

9Het genormeerd bedrag per vierkante meter uit de tabel bij lid 8 van dit artikel wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de VNG-normvergoedingen bouwkosten.

10In lijn van artikel 4 lid 3 van deze beleidsregels wordt het jaartarief stichtingskosten van de huurbijdrage vastgesteld op 90% van het totaalbedrag.

11Het schoolbestuur draagt jaarlijks de huurbijdrage zoals vermeld in lid 9 van dit artikel af aan de gemeente.

Artikel 10 Bouwen voor kinderopvang, zorg - en of maatschappelijke functies

1Om diverse beleidsmatige ontwikkelingen te stimuleren biedt de gemeente naast passende onderwijshuisvesting ook ruimte in het voorzien in overige huisvesting. De voorwaarden waaronder kan worden meegewerkt aan het verzoek staan hieronder beschreven.

2Het schoolbestuur kan een schriftelijk verzoek bij het college indienen voor nieuwbouw of uitbreiding van een schoolgebouw voor realisatie van kinderopvang, zorg - en of maatschappelijke functies.

3Het college kan meewerken aan het verzoek van nieuwbouw of uitbreiding als:

a.Het schoolbestuur optreedt als juridisch eigenaar, bouwheer en beheerder;

b.De gemeente als volledig (100%) financier van de stichtingskosten economisch eigenaar blijft;

c.De gemeente het gebouw of bouwdeel (niet zijnde onderwijshuisvesting) in gebruik geeft of verhuurt aan het schoolbestuur;

d.Het schoolbestuur verantwoordelijk is voor de exploitatie, klein en groot onderhoud;

e.Het schoolbestuur een MJOP opstelt;

f.Het schoolbestuur met deelnemende partner(s) een huurovereenkomst van ten minste 10 jaar aangaat;

g.Het schoolbestuur de huurder(s) een marktconform huurbedrag in rekening brengt;

h.Het marktconforme huurbedrag wordt bepaald op basis van de stichtingskosten en de exploitatiekosten;

i.Het schoolbestuur jaarlijks het deel stichtingskosten van het marktconforme huurbedrag afdraagt aan de gemeente;

j.Het jaarlijks bedrag voor stichtingskosten wordt bepaald op basis van:

i.De totale gemeentelijke stichtingskosten tegen een afschrijving van 60 jaar,

ii.Een annuïteitenhypotheek,

iii.Een rentepercentage gebaseerd op de dan geldende marktrente.

k.Het jaarlijks bedrag voor exploitatiekosten wordt bepaald op basis van:

i.De vaste lasten (zoals belasting en verzekering),

ii.De beheer- en verhuurkosten, zoals financiële administratie, aansturing van het onderhoud en zorgdragen voor servicekosten,

iii.De onderhoudskosten voor de instandhouding van het gebouw,

iv.De gebruikers gebonden exploitatiekosten, zoals klein onderhoud, schoonmaak, energie, beveiliging, ICT en facilitair beheer,

v.De verdeling van de diverse (begrote) exploitatiekosten vindt plaats op basis van verdeelsleutels,

vi.Een jaarlijkse herijking van (begrote) exploitatiekosten (inflatiecorrectie).

4Indien grondaankoop nodig is om nieuwbouw of uitbreiding mogelijk te maken zal dit aankoopbedrag meegenomen worden in het bedrag voor de stichtingskosten zoals vermeld in lid 3, sub j van dit artikel.

5Als het gebouw of bouwdeel leeg komt te staan, dan valt dit terug aan de gemeente en is de gemeente vrij om hier invulling aan te geven. Alle hierbij horende kosten (bijvoorbeeld exploitatiekosten) vallen daarmee ook onder verantwoordelijkheid van de gemeente.

6De financiering van de inrichtingskosten dienen gedagen te worden door de deelnemende partner(s) en/of huurders.

Artikel 11 Thuisnabij onderwijs binnen bestaande onderwijsgebouwen

1Om (maatschappelijk) renderend onderwijs mogelijk te maken wordt schoolbesturen de ruimte geboden hun gebouwen in te richten voor meer functies. Het bieden van een doorgaande ontwikkellijn kan ervoor zorgen dat thuisnabij onderwijs en opvang, zo mogelijk in combinatie met zorg voor de kinderen meer toegankelijk is. Door thuisnabij onderwijs wordt onze jeugd te ontzien, want reizen kost tijd en energie. Het kunnen volgen van onderwijs binnen de eigen gemeente zorgt er ook voor dat kinderen direct na schooltijd met vriendjes kunnen spelen. Dit zeer belangrijk sociaal aspect wordt wel eens vergeten.

2Om thuisnabij onderwijs mogelijk te maken kan het schoolbestuur een aanvraag voor een bijdrage thuisnabij onderwijs bij het college indienen om daarmee de ruimten voor aanvullende kind-functies (opvang en zorg) te realiseren binnen bestaande onderwijsgebouwen.

3De aanvraag voor een bijdrage thuisnabij onderwijs dient te zijn voorzien van een verbouwplan waarin duidelijk wordt vermeld welke aanpassingen en hoeveel m2 bvo nodig zijn om thuisnabij onderwijs mogelijk te maken.

4Voor aanpassingen binnen bestaande onderwijsgebouwen wordt voor de ruimtebehoefte uitgegaan van 8,8 m2 bvo per leerling SO en 12,2 m2 bvo per leerling VSO.

5De bijdrage thuisnabij onderwijs voor de verbouwkosten (leerplekaanpassing, plaatsing scheidingswanden, et cetera) bedraagt 50% van de werkelijke verbouwkosten, met een maximaal bedrag van € 500,- voor elke m2 bvo.

Artikel 12 Capaciteitsbenadering schoolgebouwen

1Bij capaciteitsbenadering schoolgebouwen wordt gestreefd naar een totaaloplossing per bestuur.

2Uitgangspunt daarbij is dat structurele capaciteitsproblemen structureel worden opgelost.

3Schoolbesturen met meerdere scholen zijn zelf verantwoordelijk voor een goede verdeling van de leerlingen over hun scholen.

4Bij aanvragen voor capaciteitsuitbreiding wordt eerst beoordeeld of bij de scholen van desbetreffend schoolbestuur sprake is van (genormeerde) leegstand. Daarvan zal eerst gebruik gemaakt moeten worden. Als het een aanvraag voor tijdelijke uitbreiding betreft zal ook beoordeeld worden of er nog sprake is van leegstand bij andere schoolbesturen.

Artikel 13 Toeslag zorgruimte

1Bij (vervangende)nieuwbouw, uitbreiding en renovatie wordt boven op de structurele ruimtebehoefte zoals vermeld in artikel 5 lid 2 sub b. van deze beleidsregels bij het PO uitgegaan van een toeslag van maximaal 40 m² bvo, voor de realisering van een spreekkamer voor zorg gerelateerde functies (zoals ambulante begeleiding of schoolarts).

2Schoolbesturen zorgen altijd voor een onderbouwing van deze toeslag.

3Voorwaarde voor de toeslag zorgruimte is dat de extra vierkante meters ingezet worden voor onderwijsruimte als er binnen het onderwijs sprake is van pieken in de ruimtebehoefte.

4De exploitatieverantwoordelijkheid is voor de school zelf.

In de bijlage staat een voorbeeldberekening van dit artikel vermeld.

Artikel 14 Maatregelen binnenklimaat

Bij maatregelen binnenklimaat gaat het bijvoorbeeld om maatregelen ter verbetering van de temperatuur, het binnenklimaat en de akoestiek binnen een gebouw. Binnen het onderwijs spreken we dan ook wel van ‘frisse scholen’. Vaak gebeurt een aanpak van het binnenklimaat in combinatie met verduurzaming, zodat de stijgende energielasten van installaties gecompenseerd kan worden. In bepaalde gevallen kan het schoolbestuur een beroep doen op rijkssubsidie variërend van 30% tot 60% van de werkelijke kosten. Voor de kosten van verduurzaming kan een schoolbestuur een beroep doen op de in artikel 6 van deze beleidsregels gemelde duurzaamheidslening schoolgebouwen.

1Onder voorwaarde dat een aanvraag om rijkssubsidie wordt ingediend, kan het schoolbestuur voor de kosten van maatregelen binnenklimaat een aanvraag bijdrage maatregelen binnenklimaat indienen bij het college.

2De bijdrage maatregelen binnenklimaat bedraagt 1/3 deel van de werkelijke kosten, met een maximum van € 50.000,- voor het PO en € 100.000,- voor het VO.

3Bij toekenning van rijkssubsidie zal dit subsidiebedrag in mindering worden gebracht op de werkelijke kosten zoals vermeld in lid 2 van dit artikel.

Artikel 15 Beschikbare middelen

Voor de bekostiging van voorzieningen onderwijshuisvesting zal het college een aanvraag om middelen indienen bij de gemeenteraad. Het IHP 2024 - 2039 kan daarom pas na het vaststellen van de begroting (al dan niet gewijzigd) definitief vastgesteld worden.

Bijlagen 1. Schoolgebouwen en informatie per schoolbestuur (Holten)

1.1.Openbaar basisonderwijs Holten en Dijkerhoek (Varietas)

Openbaar basisonderwijs Holten en Dijkerhoek

Na de opheffing van de Bosschool per 1 augustus 2015 zijn er in Holten en Dijkerhoek nog 3 openbare basisscholen, die alle zijn gehuisvest in nieuwe gebouwen en die beschikken over een capaciteit van in totaal 21 permanente lokalen. Hieronder volgt een toelichting per afzonderlijke school:

Scholen Holten

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

m² zorgfunctie

Tekort m²

structureel

1Dijkerhoek

668

547

495

40

-133

2De Holterenk (= daltonschool)

1007

1070

1263

40

296

3Haarschool

1315

1251

1452

40

177

Totaal

2990

2868

3210

120

340

1Schoolgebouw

o.b.s. Dijkerhoek, Dijkerhoekseweg 30 in Dijkerhoek

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 668 m²`(fictief 670 m²), bouwjaar 2014,

Ruimten: 4 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte

2Schoolgebouw

o.b.s. Holterenk, Dorsmolen 1 in Holten

Permanent gebouw, 2 bouwlagen, bvo 1007 m² (begane grond 594 m², 1e verdieping 413 m2), bouwjaar 2012, Ruimten: 7 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte

3Schoolgebouw

o.b.s. Haarschool, Koningin Wilhelminastraat 15 in Holten

Permanent gebouw, 1 bouwlaag (na verbouwing), bvo 1315 m², bouwjaren 2017 en 2023,

Ruimten: 10 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte

1.2.Protestants-Christelijk basisonderwijs Holten (PCO)

Het PCO Holten beschikt over één basisschool, namelijk De Regenboog.

School Holten

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

m² zorgfunctie

Leegstand m²

structureel

De Regenboog

Noodgebouw

1641

138

1513

1349

40

252

390

1Schoolgebouw

De Regenboog, Schoolstraat 9 in Holten

Gehuisvest in 2 gebouwen op hetzelfde terrein:

a.Permanent gebouw, 2 bouwlagen (gedeeltelijk) en kelderruimten, bvo 1728 m² (begane grond 1472 m², 1e verdieping 256 m², exclusief kelder), bouwjaren 1956, 1969, 1994, 2000, 2004 en 2010,

Ruimten: 8 lokalen (7 genormeerd) en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1956, 2 lokalen van 1969, 1 lokaal van 1994, 1 lokaal van 2000, 1 lokaal en 1 speellokaal van 2004 en 1 lokaal (van het schoolbestuur) van 2010

b.Noodgebouw (semipermanent) met 2 lokalen, 1 bouwlaag, bvo 138 m², bouwjaar 2007

Deze school ligt centraal in Holten, en heeft 12 permanente lokalen en 2 tijdelijke lokalen uit 2007. De school is in 2017 door middel van renovatie/groot onderhoud ook aangepast aan de onderwijskundige vernieuwingen.

Het schoolbestuur heeft in 2010 voor eigen rekening een lokaal (87 m² bvo) extra gerealiseerd, maar dat behoort niet tot de capaciteit van de school.

1.3.Openbaar VO De Waerdenborch Holten

De Waerdenborch verzorgt openbaar onderwijs voor vmbo-b/k/t, havo, vwo/atheneum en gymnasium in Goor en in Holten. Leerlingenkunnen in Goor hun vmbo-tl schoolloopbaan afsluiten. De leerlingen van de vmbo-basis/kader uit Goor maken de overstap naar Holten na leerjaar twee en de havo/vwo -leerlingen na leerjaar drie.

School Holten

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

Leegstand m²

structureel

OSG Waerdenborch

14266

10879

9909

4357

1Schoolgebouw

OSG De Waerdenborch, Haarstraat 14 in Holten

De school (hoofdvestiging) is gehuisvest in 3 gebouwen op hetzelfde terrein:

A. Permanent hoofdgebouw, 2 bouwlagen en kelderruimten, bvo 12332 m² (excl. gymlokaal 534 m²) en 12866 m² (inclusief gymlokaal), bouwjaren 1964, 1965 (gymnastieklokaal), 1978, 1988 (aanbouw 6 lokalen met 2 conrectorskamers), 1993 (uitbreiding met technieklokaal) en ± 1998

B. Semipermanent gebouw met 7 lokalen, bvo 715 m², bouwjaar 2002

C. Semipermanent gebouw, bvo 1210 m², bouwjaar 2005

Scholengemeenschap De Waerdenborch heeft een VO-locatie in Goor en Holten. Het hoofdgebouw in Holten is gehuisvest in een permanent gebouw van diverse bouwjaren (1964, 1965, 1978, 1988, 1993 en 1998) met semipermanente uitbreidingen in 2002 en 2005.

2.Schoolgebouwen en informatie per schoolbestuur (Rijssen)

Door de verplichte opheffing van obs De Salto per 1 augustus 2020, is er geen openbaar onderwijs meer in Rijssen. Het schoolgebouw is per gemelde datum weer eigendom van de gemeente.

Het gebouw (dat beschikt over 8 lokalen en een speellokaal van bouwjaar 1977) wordt voorlopig in stand gehouden als tijdelijke opvanglocatie gedurende de vervangende nieuwbouw van de Haarschool in Rijssen. Ook wordt het gebouw ingezet voor tijdelijke huisvesting voor onderwijs aan Oekraïense kinderen. De kosten van eventuele aanpassingen aan het gebouw is opgenomen in het beschikbaar gestelde krediet voor de vervangende nieuwbouw van de Haarschool.

Schoolgebouw

De Salto, Keizersdijk 25 in Rijssen

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bruto vloeroppervlakte (bvo) 1091 m², bouwjaar 1977,

Ruimten: 2 werklokalen, 1 speellokaal, 6 leslokalen en 1 gemeenschapsruimte

2.1.Protestants-christelijk basisonderwijs Rijssen (PCPO)

Het PCPO heeft 6 basisscholen en 1 speciale basisschool (de Elimschool). De 6 basisscholen (7 locaties) zijn goed gespreid over Rijssen en beschikken over 76 permanente lokalen.

De wens om een school in het Opbroek te bouwen staat hoog op de PCPO lijst. Maar de “gewijzigde” prognoses van de leerlingaantallen van de gemeente Rijssen-Holten wijzen uit dat het PCPO met een gelijkblijvend deelname percentage geen rendabele school overeind kan houden. Daarnaast blijkt uit de 0-meting voor de MJOP’s van de PCPO-gebouwen dat de “gewogen” berekening voor nieuwbouw, (te)veel onderhoudsgeld kost. Ook moet het PCPO een significant bedrag beschikbaar hebben voor onderhoud doordat ze “juridisch” eigenaar zijn de schoolgebouwen. Het PCPO-schoolbestuur wil graag vanuit de gemeentelijke prognoses meewerken aan een oplossing voor het structurele ruimteoverschot door een gebouw terug te geven aan de gemeente. Daarnaast kan PCPO (op dit moment) met de huidige beleidskaders, niet zelfstandig (als bouwheer en juridisch eigenaar) een school in het Opbroek bouwen.

Het PCPO-schoolbestuur denkt met de volgende voorstellen en het teruggeven van het gebouw van de Elimschool aan de gemeente een passende oplossing en een passende koers te hebben.

2028 Nieuwbouw Wilhelminaschool

Dit gebouw is voor het overgrote gedeelte ouder dan 60 jaar. De onderwijskundige vernieuwing is nog niet ingezet en het PCPO ziet een toename van aanmeldingen uit het Opbroek. Daarvoor wordt op dit moment (2024) extra ruimte gehuurd (buiten het gebouw) om onderwijs te kunnen geven.

In het kader van thuisnabij onderwijs en de geografische verdeling is het meer dan wenselijk om aan deze kant van het centrum een basisschoolvoorziening te hebben.

2029 Verplaatsing Elimschool naar locatie Roerdomp Julianaschool.

Teruggave locatie Elimschool aan de gemeente.

De prognoses geven een duidelijk overschot aan vierkante meters voor de PCPO-scholen. Het overschot komt voornamelijk door de krimp in de wijk van de Julianaschool. Daarnaast is de Elimschool verouderd en gedateerd. Bij de verplaatsing moet er in de Roerdomp worden geïnvesteerd t.a.v. duurzaamheid en moeten er dan onderwijskundige aanpassingen worden gedaan. De kinderopvang heeft nu (2024) een ruimte bij de Julianaschool. Deze komt in de verdrukking op de locatie Stroekeld bij deze aanpassing. Hier wil het PCPO-schoolbestuur graag een oplossing voor zoeken.

2035Nieuwbouw Willem Alexanderschool

Vanuit de gemeentelijke prognoses blijkt dat op deze locatie een tekort aan beschikbare ruimte komt. Een gedeelte van het gebouw is in 2035 meer dan 60 jaar oud. Daarnaast verwachten en ziet het PCPO-groei (in de prognoses) door de nieuwbouwplannen van de gemeente nabij deze school.

Visie en investeringen op overige gebouwen

Duurzaamheids- en levensverlengende investeringen moeten worden gedaan voor de Beatrixschool en de Constantijnschool. Deze twee scholen hebben een redelijk stabiele plek in de prognoses. Daarnaast ziet het PCPO op de Beatrixschool een toename van de aanmeldingen uit het Opbroek. Die worden nu opgevangen met de huur van tijdelijke huisvesting (die zijn geplaatst en tot 2024 zijn bekostigd uit de NPO-middelen).

Financiële kaders en positie PCPO Rijssen

PCPO wil binnen de wet- en regelgeving graag investeren in uitstekende onderwijsgebouwen. Onder andere door de verwachte verplichting in het regeringsbeleid t.a.v. het meerjaren onderhoud van de gebouwen, zijn de gevolgen van de “beleidsregels bij IHP” (o.a. de afspraak van 10% bijdrage van de stichtingskosten bij nieuwbouw vooraf/ het bouwheerschap voor het schoolbestuur) op dit moment niet te overzien. Het PCPO-schoolbestuur pleit ervoor om de punten t.a.v. de eigen bijdrage van 10% van de stichtingskosten uit de beleidsregels bij het IHP en het bouwheerschap in de planvorming van een project mee te nemen als gesprekspunt en niet als vaststaand feit.

Onderzoek en vaststelling van het IHP moet duidelijkheid geven over de (on)mogelijkheden van de financiële keuzes die PCPO moet en kan maken.

Overzicht Scholen PCPO

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

m² zorgfunctie

Leegstand m²

structureel

Beatrix

1575

1644

1764

40

-229

Constantijn

1247

1161

1264

40

-57

Johan Friso

1245

5Na de vervangende nieuwbouw van de Johan Frisoschool betreft het werkelijk aantal meters onderwijsruimte 1327 m² bvo.Het fictief aantal meters komt daarmee op 1248 m² bvo.

995

965

40

240

Juliana (Roerdomp)

1458

2705

2305

40

959

Juliana (Stroekeld)

1846

Wilhelmina

1113

1266

1110

40

-37

Willem-Alexander

1358

1161

1338

40

-20

Elim (SBO)

1123

1068

1059

40

24

Totaal

10965

10000

9805

280

880

1Schoolgebouw

Beatrixschool, Van Broekhuizenstraat 4 in Rijssen

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1575 m², bouwjaren 1992 en 2005,

Ruimten: 10 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1992 en 2 lokalen met buitenberging van 2005

2Schoolgebouw

Wilhelminaschool, Bevervoorde 17 in Rijssen

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1113 m², bouwjaren 1959, 1963, 1988 en 2001,

Ruimten: 3 lokalen van 1959, 2 lokalen van 1963, 3 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1988 en 1 lokaal van 2001. Totaal 9 permanente lokalen,

3Schoolgebouw

Julianaschool, locatie Roerdomp 24 in Rijssen

Julianaschool, locatie Stroekeld 139 in Rijssen

Locatie Roerdomp: Permanent gebouw, 2 bouwlagen, bvo 1550 m² werkelijk en 1458 fictief (begane grond 1487 m2, 1e verdieping 63 m2), bouwjaren 1991, 1992 en 2014,

Ruimten: 8 lokalen, personeelskamer en nevenruimten van 1991, 4 lokalen van 1992 en 1 (techniek)lokaal van 2014

Totaal 11 permanente lokalen. * Het schoolbestuur heeft zelf 92 m² gefinancierd.

Locatie Stroekeld: Permanent gebouw, 2 bouwlagen, bvo 2067 m2 werkelijk en 1846 fictief (begane grond 1214 m2, 1e verdieping 853 m2), bouwjaar 2014,

Ruimten 16 lokalen, 2 speellokalen en aula

* Het schoolbestuur heeft voor eigen rekening nog 2 lokalen (221 m²) extra gerealiseerd, maar die blijven verder buiten beschouwing). In totaal heeft de school dus een capaciteit van 3617 m² bvo (25 lokalen).

4Schoolgebouw

Willem-Alexanderschool, Koninginneweg 44a in Rijssen

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1358 m², bouwjaren 1975 en 1993,

Ruimten: 1 werklokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1975 en 10 lokalen en 1 speellokaal van 1993 (norm 8 groepen = 1130 m² bvo). De school heeft 11 permanente lokalen.

5Schoolgebouw

Johan Frisoschool, Johannes Vermeerstraat 8 in Rijssen

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1324 m² (fictief 1245 m²)

6Na de vervangende nieuwbouw van de Johan Frisoschool betreft het aantal meters onderwijsruimte 1327 m² bvo.Het fictief aantal meters komt daarmee op 1248 m² bvo.

, bouwjaren 1973, 2005 en 2015, Ruimten: 6 leslokalen en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1973, 1 lokaal van 2005 en 2 lokalen en een speellokaal van 2015. De school beschikt over 9 permanente lokalen. * Het schoolbestuur heeft zelf 79 m² gefinancierd.

6Schoolgebouw

Constantijnschool, Braakmansdijk 7 in Rijssen

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1247 m², bouwjaren 1989 en 2003,

Ruimten: 8 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1989 en 2 lokalen van 2003

De school beschikt over 10 permanente lokalen.

7Schoolgebouw

Elimschool, Molenstraat 3 in Rijssen

Permanent gebouw (incl. gymnastieklokaal), 1 bouwlaag, bvo 1123 m² + 78 m² bestuursruimte + 254 m² gymlokaal, bouwjaren 1972 en 2003,

Ruimten: 4 leslokalen, 1 leswerklokaal, 1 vaklokaal, 1 keuken en 1 gymnastieklokaal van 1972 en 2 lokalen en bestuursruimte van 2003

Gymlokaal Elimschool

De gemeente blijft verantwoordelijk voor aanpassing en groot onderhoud van het gymlokaal (bouwjaar 1972). Voor het gymlokaal geldt dat wat betreft renovatie/nieuwbouw (op zijn vroegst in 2032).

2.2.Reformatorisch basisonderwijs Rijssen (RSVR)

De RSVR heeft 5 basisscholen met een capaciteit van 7698 m² bvo (59 permanente lokalen, inclusief de 3 lokalen van tussenvoorziening Brekeldschool – De Brug). Het schoolbestuur zorgt door de hantering van schoolgrenzen voor een gelijkmatige spreiding van de leerlingen over de verschillende scholen. De scholen zijn redelijk goed gespreid over Rijssen. Het schoolbestuur ziet op grond van de huidige prognoses geen potentie voor een eigen school in het Opbroek. Leerlingen uit het Opbroek kunnen worden opgevangen op de basisscholen In den Climtuin en de Haarschool. Wel houdt het schoolbestuur er rekening mee dat De Ronde Maat in de toekomst (2032) wordt afgestoten om zo te komen tot 4 robuuste scholen. Het schoolbestuur wacht daarvoor de komende ontwikkeling van het leerlingenaantal af.

Scholen

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

m² zorgfunctie

Leegstand m²

structureel

Banis

1771

1679

1498

40

233

Brekeld

1282

1286

1236

40

6

De Brug (SBO in de Brekeld)

346

627(396)

608(381)

-262

7De Brug is volgens de onderwijsregels geen SBO school.

De Ronde Maat

1235

1186

1207

40

-12

Haarschool Rijssen

1360

1271

1118

40

202

In den Climtuin

1705

1392

1389

40

276

Totaal

7698

7441

7057

200

443

1Schoolgebouw

Banisschool, Erve den Boom 5 in Rijssen

Permanent gebouw, 2 bouwlagen (gedeeltelijk), bvo 1771 m² + 42 m² administratieruimte (920 begane grond + 893 m² 1e verdieping), bouwjaren 1999 en 2003,

Ruimten: 10 lokalen, 1 speellokaal/gemeenschappelijke ruimte en administratieruimte van 1999 en 4 lokalen van 2003. De school (bouwjaren 1999 en 2003) beschikt over 14 permanente lokalen.

2Schoolgebouw

Brekeldschool, Prins Bernhardstraat 37 in Rijssen

De school is gehuisvest in 2 gebouwen op hetzelfde terrein:

A. Permanent gebouw, 2 bouwlagen, bvo 1347 m² werkelijk en 1282 fictief (begane grond 858 m2,

1everdieping 489 m2), bouwjaar 2014,

Ruimten: 9 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte

* Het schoolbestuur heeft zelf 65 m² gefinancierd.

B. Permanent gebouw tussenvoorziening, 2 bouwlagen, bvo 346 m2 (begane grond 244 m2,

1everdieping 102 m2), bouwjaar 2017,

Ruimten: 3 lokalen en nevenruimten

3Schoolgebouw

In den Climtuin, C.B.J. Landweerlaan 3 in Rijssen

Permanent gebouw, met 2 bouwlagen, bvo 1811 m², bouwjaar 2022, waarvan 106 m² zelf bekostigd (bestuurskamer)

Ruimten: 13 leslokalen (waarvan 2 in gebruik door ’t Kruimeltje), 3 leerpleinen, 1 atelier / werkruimte en 1 gemeenschappelijke ruimte. Een bestuurskantoor bestaande uit 2 ruimten en een vergaderruimte ( de vergaderruimte is deelbaar en voor de helft van de school). Daarnaast verdeeld over het gebouw 8 gespreksruimtes.

4Schoolgebouw

Haarschool, Haarzijde 3 in Rijssen

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1340 m², bouwjaren 1976, 1988 en 2001,

Ruimten: 6 leslokalen en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1976, 2 werklokalen van 1988 en 2 lokalen en 1 speellokaal van 2001. De school beschikt over 10 permanente lokalen.

5Schoolgebouw

De Ronde Maat, Braakmansdijk 11 in Rijssen

Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1235 m², bouwjaren 1982, 1986, 1987 en 2001,

Ruimten: 2 werklokalen, 1 speellokaal, 3 leslokalen en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1982, 2 leslokalen van 1986, 1 leslokaal van 1987 en 2 leslokalen van 2001. De school heeft 10 permanente lokalen.

2.3.Katholiek basisonderwijs Rijssen (SKOT)

De Stichting Katholiek Onderwijs Twenterand (SKOT) beschikt over één basisschool in Rijssen, namelijk Klim-Op.

School Rijssen

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

m² zorgfunctie

Leegstand m²

structureel

De Klim-Op

1488

1473

1389

40

59

Schoolgebouw

De Klim-Op, Lentfersweg 29 in Rijssen

Permanent gebouw, 2 bouwlagen, bvo 1611 m² werkelijk en 1488 fictief (begane grond 825 m2, 1e verdieping 786 m2), bouwjaar 2011,

Ruimten: 12 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte

Het schoolbestuur heeft in 2011 voor eigen rekening 2 lokalen extra gerealiseerd. Om de capaciteit naar 11 lokalen op te hogen is in 2022 het schoolbestuur financieel gecompenseerd voor 1 van de 2 zelf gerealiseerde lokalen.

* Het schoolbestuur heeft zelf 123 m² gefinancierd

2.4.Bijzonder VO Reggesteyn Rijssen

Visie op toekomst

Het onderwijsaanbod van de Reggesteyn bestaat uit Praktijkonderwijs, Vmbo, Havo, Vwo-atheneum, Vwo-gymnasium en Technasium.

CSG Reggesteyn Rijssen (Catelaar in Rijssen)

De vbo-profielen Economie en Ondernemen (EO), Produceren en Dienstverlening en Producten (DP) zijn opnieuw toegevoegd aan de vestiging.

CSG Reggesteyn Rijssen (Kampus in Rijssen)

De Kampus is het opleidingscentrum in Rijssen voor verschillende vakopleidingen uit sectoren waar veel vraag is naar talentvolle vakmensen zoals de techniek, zorg en bouw. Het ROC van Twente, Bouwmensen Rijssen, REMO West-Twente en Zorggilde zijn hier gehuisvest. Leerlingen van CSG Reggesteyn die de profielen vbo-profiel Bouwen, Wonen en Interieur (BWI) en Produceren, Installeren en Energie (PIE) en Mobiliteit en Transport (MTR) hebben gekozen, volgen hier veel van hun praktijklessen.

School Rijssen

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

Leegstand m²

structureel

CSG Reggesteyn exclusief gym

13.050

11.067

10.510

2.540

CSG Reggesteyn inclusief gym

15.204

12.744

12.088

3.116

Gymbehoefte structureel

1.578

Schoolgebouw

CSG Reggesteyn, Cattelaar 2 in Rijssen

De school betreft een nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak en is gehuisvest in 2 gebouwen op hetzelfde terrein:

A. Permanent gebouw, 2 bouwlagen, bvo 13050 m² (exclusief sporthal met 4 zaaldelen van 2154 m²) en

15204 m² (inclusief sporthal), bouwjaar 2005

B. Noodgebouw (Dock 16) met 4 lokalen, een dubbellokaal en nevenruimten, bvo 622 m2, bouwjaar 2016

De school beschikt over een totale capaciteit van ongeveer 15.204 m² (bvo gebouw 13.050 m² en sporthal met 4 zaaldelen 2.154 m²). Als gevolg van verplaatsing van onderwijsprofiel aanbod is de school aan de Cattelaar per 2016 tijdelijk uitgebreid met enkele theorielokalen (DOC 16). Sloopkosten van deze tijdelijke lokalen zijn niet aan de orde, want deze kosten komen in dit geval voor rekening van het schoolbestuur.

2.5.Bijzonder VO Jacobus Fruytier Rijssen (JFSG)

De vestiging Rijssen zal samen met de andere twee vestigingen van de JFSG opgaan in een nieuwe eenheid onder een gefuseerd bestuur (JFSG en het Van Lodenstein College). De voorgenomen datum van de fusie is 1 januari 2025.

Deze fusie heeft vier kernpunten:

1thuisnabij onderwijs;

2doorgaande leerlijnen;

3kwalitatief sterk en

4aantrekkelijk onderwijs en een krachtige zorgschil.

Ambitie JFSG in Rijssen

Elke vestiging heeft als uitwerking van deze hoofdpunten een eigen ontwikkelagenda opgesteld. De vestiging in Rijssen kiest op korte termijn voor een nieuw aanbod van cluster 4-onderwijs en bereidt verder de komst van een tweede fase Vwo voor. Het is in het kader van de huidige RPO-afspraken nog niet mogelijk afsluitend onderwijs voor Vwo te verzorgen, wel kunnen de klassen 4 en 5 aangeboden worden in samenwerking met de vestiging Apeldoorn. Het betreft in beide gevallen onderwijs aan leerlingen, die nu dagelijks ruim 50 kilometer enkele reis moeten maken om onderwijs in Apeldoorn te volgen. De stijgende vervoerskosten daarvoor zijn een extra aanjager om onderwijsaanbod te verplaatsen naar Rijssen.

Daarnaast wordt de komende tijd overleg met de RPO-partners in gang gezet om na te denken over een eventueel aanbod voor Vmbo-bb op de langere termijn.

Planning

1) Een groei van het aantal VSO-leerlingen naar ongeveer 22 leerlingen (in overleg met de voorziening in Apeldoorn is het structurele aantal leerlingen dat aangewezen is op gespecialiseerd onderwijs geraamd op dit aantal leerlingen voor de locatie JFSG Rijssen).

Startdatum: 1e groep (ongeveer 11 lln.) schooljaar 2024-2025

Startdatum: 2e groep (ongeveer 11 lln.) schooljaar 2025-2026

2) Uitbreiding van het onderwijsaanbod met VWO-diplomering door toevoeging van een bovenbouw VWO. De verwachting is dat hiervoor ongeveer 75 leerlingen in beeld komen, die nu aangewezen zijn op reformatorisch onderwijs in Apeldoorn (i.p.v. het in het ambitiedocument genoemde aantal van 45 Vwo-leerlingen).

Voorgenomen geplande startdatum: 1 augustus 2027

3) Uitbreiding van het onderwijsaanbod met beroepsgericht VMBO (leerjaren 3 en 4). Het gaat hier om ongeveer 60 basis-/kaderleerlingen die nu voor de beroepsgerichte opleidingen na leerjaar 2 aangewezen zijn op de locatie Apeldoorn.

Voorgenomen geplande startdatum: 1 augustus

School Rijssen

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

Leegstand m²

structureel

RSG Jacobus Fruytier

4668

4426

4053

615

Schoolgebouw

RSG Jacobus Fruytier, De Stroekeld 142 in Rijssen

De school betreft een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak.

Permanent gebouw, 3 bouwlagen en kelder, bvo 4668 m² werkelijk en 4645 fictief (geen gymzaal aanwezig), bouwjaren 1997, 2003 en 2014,

Ruimten: 11 theorielokalen, 4 theorie / vaklokalen en 4 vaklokalen van 1997, 6 lokalen van 2003 en 7 lokalen plus kelder van 2014

2.6.Bijzonder VO Pius X College Rijssen

Profiel van de vestiging

Het Pius X College in Rijssen heeft een brede onderbouw (vmbo-TL (mavo), havo, en vwo) bovenbouw VMBO-TL (mavo). De school staat bekend om haar kleinschaligheid, onderwijskwaliteit en goede begeleiding. Het ICT-rijke onderwijsaanbod biedt de leerling onderwijs op maat. Daarnaast biedt de school talenturen aan.

Visie op de toekomst

De school is in 2020 verbouwd. Bij binnenkomst in de school kom je in een school die open en transparant oogt. Je komt binnen in het “hart” van de school. Een school die meer is dan een gang met lokalen. De onderwijsvisie vertalen we in 5 oneliners: “het gaat om jou; leren doe je overal; ook hier ben je thuis; school zijn we samen en onderwijs van deze tijd.” Op het Pius X College halen medewerkers en leerlingen het maximale uit zichzelf en elkaar.

School Rijssen

Capaciteit m² nu

Behoefte m²

1-10-2023

Behoefte m²

structureel

Leegstand m²

structureel

Pius X College exclusief gym

3353

3088

2935

418

Pius X College inclusief gym

3813

3654

3468

345

Gymbehoefte structureel

533

Schoolgebouw

Pius X College, Graaf Ottostraat 48 in Rijssen

De school betreft een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak.

Permanent gebouw, 2 bouwlagen, bvo 3353 m² werkelijk en 3363 m2 fictief (exclusief gymlokaal van 460 m²) en 3813 m² werkelijk en 3823 m2 fictief (inclusief gymlokaal), bouwjaren 1993, 2009, 2013 en 2018,

Ruimten: 15 theorielokalen, 5 theorie/vaklokalen en 1 gymnastieklokaal.

De school beschikt over een permanent gebouw van 3.813 m² (inclusief een gymlokaal van 460 m²).

3.Overzicht bouwjaren

School

Bouwjaar

60jaar

Opmerkingen

Rijssen PO

De Salto

1977

2037

Wordt ingezet als tijdelijke huisvesting

Beatrixschool

1992, 2005

2052

Julianaschool (Roerdomp)

1991, 1992

2051

Julianaschool (Stroekeld)

2014

2074

Wilhelminaschool

1959, 1963, 1988, 2001

2032

Gewogen gemiddelde bouwjaren 1959/1963 is 1961, van de hele school 1972

Willem-Alexanderschool

1975, 1993

2035

Johan Frisoschool

2024

2084

Vervangende nieuwbouw start in 2024

Constantijnschool

1989, 2003

2049

Elimschool (SBO)

1972, 2003

2032

Gewogen gemiddelde bouwjaar is 1974

Banisschool

1999, 2003

2059

Brekeldschool

2014, 2017

2074

Uitbreiding de Brug in 2017 is tussenvoorziening

In den Climtuin

2022

2082

Haarschool R.

2024

2084

Vervangende nieuwbouw start in 2024

De Ronde Maat

1982, 1986, 1987, 2001

2042

Klim-Op

2011

2071

Holten PO

Dijkerhoek

2014

2074

De Holterenk

2012

2072

Haarschool H.

2017, 2023

2077

Start uitbreiding 2023 en afronding in 2024

De Regenboog

1956, 1969, 1994,

2000, 2004, 2010

2042

In 2017 heeft renovatie plaatsgevonden, waarmee in een levensduurverlenging van 25 jaar is voorzien

De Regenboog - N

2007

Tijdelijke lokalen

Opmerkingen:

•Bij scholen met lokalen van verschillende bouwjaren uitgegaan van oudste bouwjaar.

•In kolom opmerkingen staat eventueel een gewogen gemiddelde leeftijd.

•Gewogen gemiddelde is op basis van oppervlakte per bouwjaar.

•Johan Frisoschool en Haarschool daarvan heeft het college anders besloten (bouwjaar 2024).

•In 2017 is de Regenboog gerenoveerd. Hiermee is voorzien in een levensduurverlenging van 25 jaar.

4.Bijlagen beleidsregels bij nieuw IHP

A.Voorbeelden bij artikel 4 Normvergoeding stichtingskosten

Voorbeeld

Een schoolbestuur krijgt toestemming voor het bouwen van een nieuwe school met een bvo van 1.400 m².

Daarvoor wordt een bouwkrediet beschikbaar gesteld van € 2.204.500.

Dit bedrag is opgebouwd als volgt:

-startbedrag (incl. eerste 350 m²)

€ 787.000

-volgende m² (1400 minus 350 is) 1050 m² x € 1.350

€ 1.417.500

-totaal bouwkrediet

€ 2.204.500

Het bouwkrediet uitgedrukt in een bedrag per m² is € 1.574,64 (€ 2.204.500 : 1400 m²).

In de praktijk kunnen zich 3 situaties voordoen. Het schoolbestuur realiseert minder, evenveel of meer bvo dan waarvoor medewerking is verleend.

Situatie 1 : het schoolbestuur realiseert minder bvo

Deze situatie mag zich eigenlijk niet voordoen, omdat vooraf de plannen worden getoetst (als vooraf al blijkt dat minder gebouwd wordt, zullen hierover afspraken moeten worden gemaakt). Als echter achteraf blijkt dat een schoolbestuur te weinig bvo heeft gerealiseerd (bijvoorbeeld 1390 m²) dan zijn er de volgende opties:

1De werkelijke bvo van de nieuwe school wordt vastgesteld op 1390 m² en de maximale normvergoeding wordt verminderd tot € 2.191.000 (startbedrag plus 1040 x € 1.350). Vergoed worden de werkelijke bouwkosten tot maximaal € 2.191.000. Nadeel van deze optie is dat de school wellicht eerder aanspraak kan maken op uitbreiding.

2De bvo wordt fictief vastgesteld op 1400 m² en de maximale normvergoeding wordt niet verminderd. Vergoed worden de werkelijke bouwkosten tot maximaal € 2.204.500. In dit geval ontvangt het schoolbestuur eigenlijk te veel vergoeding voor een te kleine school. Bij een eventuele toekomstige uitbreiding zou het verschil weer kunnen worden rechtgetrokken, maar dat zou dan voor rekening van het schoolbestuur moeten gebeuren (en het is de vraag of dat zal lukken).

3De bvo wordt fictief vastgesteld op 1400 m² en de maximale normvergoeding wordt verminderd tot € 2.191.000. Vergoed worden de werkelijke kosten tot maximaal € 2.191.000. De nadelen van de eerste 2 opties worden zo ondervangen. Bij een eventuele toekomstige uitbreiding kan het verschil tussen werkelijke en fictieve bvo worden rechtgetrokken en kan hiervoor alsnog een normvergoeding worden verstrekt.

In het geval een schoolbestuur te weinig bvo realiseert kiezen wij voor toepassing van optie 3.

Situatie 2 : het schoolbestuur realiseert evenveel bvo

Dit is de "ideale" situatie. De werkelijke bvo wordt vastgesteld op 1400 m² en vergoed worden de werkelijke bouwkosten tot maximaal het bedrag van de normvergoeding van € 2.204.500.

Situatie 3 : het schoolbestuur realiseert meer bvo

Deze situatie zal in de praktijk waarschijnlijk het meest voorkomen, zeker als een schoolbestuur met "eigen geld" extra ruimte wil creëren. Stel het schoolbestuur realiseert een gebouw van 1550 m² bvo. Er kunnen zich dan 2 situaties voordoen, namelijk de werkelijke bouwkosten blijven binnen de normvergoeding of de werkelijke kosten (wat meer waarschijnlijk is) overschrijden de normvergoeding.

Werkelijke bouwkosten blijven binnen de normvergoeding

In dit geval zijn er de volgende opties:

1De werkelijke bvo wordt vastgesteld op 1550 m² en vergoed worden de werkelijke bouwkosten tot maximaal het bedrag van de normvergoeding van € 2.204.500. In dit geval heeft de gemeente er "gratis" 150 m² bvo bijgekregen, maar het is de vraag of deze extra ruimte vanuit gemeentelijk oogpunt wenselijk/noodzakelijk is. Immers het deel van het krediet dat eigenlijk niet nodig was geweest, had ook elders kunnen worden aangewend. Zeker in een tijd van financiële krapte zal zorgvuldig met de beschikbare middelen moeten worden omgegaan.

2De bvo wordt fictief vastgesteld op 1400 m² en de maximale normvergoeding wordt evenredig verminderd tot € 1.991.161 (1400/1550 x € 2.204.500). Vergoed wordt 1400/1550-deel van de werkelijke bouwkosten tot maximaal € 1.991.161. De meerkosten zijn voor rekening van het schoolbestuur.

3Een tussenoplossing is de bvo fictief vast te stellen ergens tussen 1400 en 1550 m² en de maximale normvergoeding evenredig te verminderen. Stel de fictieve bvo wordt vastgesteld op 1500 m². De maximale normvergoeding wordt dan € 2.133.387 (1500/1550 x € 2.204.500). Vergoed wordt dan 1500/1550-deel van de werkelijke bouwkosten tot maximaal € 2.133.387. De meerkosten zijn voor rekening van het schoolbestuur.

Voor welke optie wordt gekozen kan van geval tot geval verschillen. Optie 1 kan betekenen dat een toekomstige uitbreiding niet meer nodig zal zijn. Bij de opties 2 en 3 blijft dat deel van het schoolgebouw dat met eigen geld is gefinancierd (het verschil tussen werkelijke en fictieve bvo) "van het schoolbestuur". Bij een eventueel toekomstig recht op uitbreiding is het een mogelijkheid dat dit deel door de gemeente wordt "afgekocht" (maar hieraan kunnen nog wel haken en ogen zitten vanwege de in acht te nemen begrotingsvoorschriften).

Om meer maatschappelijk rendement met de nieuwbouw van een schoolgebouw te kunnen realiseren (zie visie op onderwijshuisvesting) zou er juist voor gekozen kunnen worden om nadere invulling te geven aan optie 3.

Werkelijke bouwkosten overschrijden de normvergoeding

Van belang is hierin hoeverre de werkelijke kosten de normvergoeding overschrijden. Bepalend is of de werkelijke bouwkosten, uitgedrukt in een bedrag per m², meer of minder bedragen dan de normvergoeding per m2 (€ 1.574,64 zoals we hiervoor zagen). Er zijn dus 2 opties:

1In dit geval bedragen de werkelijke kosten per m² meer dan het normbedrag.

Stel de werkelijke bouwkosten komen € 300.000 hoger uit op € 2.504.500. Per m² is dit € 1.615,81 (€ 2.504.500 : 1550). Omdat de werkelijke bouwkosten per m² meer bedragen dan de normvergoeding per m², mag verondersteld worden dat de normvergoeding volledig nodig was om 1400 m² bvo te realiseren en wordt de bvo van de school fictief vastgesteld op 1400 m² en de bouwkosten worden vergoed tot € 2.204.500. De meerkosten van € 300.000 komen voor rekening van het schoolbestuur. Bij een eventueel toekomstig recht op uitbreiding is het een mogelijkheid het verschil tussen werkelijke en fictieve bvo af te kopen (maar hieraan kunnen zoals gezegd haken en ogen zitten).

2In dit geval bedragen de werkelijke kosten per m² minder dan het normbedrag.

Stel de werkelijke bouwkosten komen € 100.000 hoger uit op € 2.304.500. Per m² is dit € 1.486,77 (€ 2.304.500 : 1550). Omdat dit lager is dan de normvergoeding per m², wordt bekeken hoeveel m² bvo gerealiseerd had kunnen worden met de normvergoeding op basis van de werkelijke prijs per m². En dat is 1483 m² (€ 2.204.500 : € 1.486,77). Daarom wordt de bvo van de school fictief vastgesteld op 1483 m² en de bouwkosten worden vergoed tot € 2.204.500. De meerkosten van € 100.000 komen voor rekening van het schoolbestuur. Bij een eventueel toekomstig recht op uitbreiding is het een mogelijkheid het verschil tussen werkelijke en fictieve bvo af te kopen (maar hieraan kunnen wel haken en ogen zitten).

Om meer maatschappelijk rendement met de nieuwbouw van een schoolgebouw te kunnen realiseren (zie visie op onderwijshuisvesting) zou er hier juist voor gekozen kunnen worden om de bvo fictief vast te stellen ergens tussen 1400 en 1483 m² en de maximale normvergoeding naar rato daarop aan te passen.

Op deze manier kan op een redelijke wijze worden bepaald welk deel "van de gemeente" is (met gemeenschapsgeld is betaald) en welk deel door het schoolbestuur is betaald. Uiteraard berust de juridische eigendom van het hele gebouw bij het schoolbestuur. Tegen het realiseren van extra ruimte bestaat op zich geen bezwaar, maar het gebeurt wel onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat voor het gehele schoolgebouw (inclusief de voor eigen rekening gecreëerde ruimte) de bepalingen van de onderwijswetgeving onverkort van kracht zijn en blijven. In het uiterste geval kan dit betekenen dat, wanneer het schoolgebouw buiten gebruik wordt gesteld, het gehele gebouw vrij van lasten aan de gemeente komt. Op de gemeente rust dan geen enkele verplichting het schoolbestuur enigerlei vergoeding voor de "eigen" ruimte te betalen.

o Het systeem hiervoor vermeld kan ook worden gehanteerd bij uitbreiding van scholen.

o Bij nieuwbouw van scholen in samenwerking met bijvoorbeeld kinderdagopvang dient ook duidelijk te zijn welke kosten toe te rekenen zijn aan de school en welke aan de kinderdagopvang. In een dergelijk geval zullen álle kosten moeten worden verantwoord, dus ook van een eventuele bouwpartner.

o Bij de afrekening/verantwoording dient de werkelijk gerealiseerde bvo te worden aangetoond door middel van een prestatieverklaring van de architect. De bvo dient te worden berekend volgens de meetinstructie van de onderwijshuisvestingsverordening. Dit betekent dat de bvo moet worden vastgesteld volgens NEN 2580 (meetinstructie) met de volgende aantekeningen:

•de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bvo gerekend;

•de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;

•bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandig gelegen gymnastieklokalen wordt de bvo gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.

o Uiteraard geldt dit systeem alleen voor normvergoedingen, zoals de bouwkosten. Het geldt dus niet voor bijvoorbeeld de grondkosten, omdat deze worden vergoed op basis van werkelijke kosten.

o Mochten er zich situaties voordoen die hiervoor niet zijn beschreven, dan zal gehandeld worden in de geest hiervan.

B.De toepassing financiële voorwaarden bij artikel 9 verhuur onderwijsruimte

Toepassing financiële voorwaarden bij verhuur schoolgebouwen

Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat bij verhuur van schoolruimte aan commerciële partijen de gemeente via een huurvergoeding een deel van de met gemeenschapsgeld betaalde stichtingskosten terugontvangt. Bij verhuur van leegstaande schoolruimten geldt een vergoeding van € 100 per m² en bij volgtijdelijke leegstand van € 50 per m² per jaar. Deze bedragen zijn geïndexeerd. De schoolbesturen werken mee aan dit beleid door als juridisch eigenaar van de schoolgebouwen een huurovereenkomst af te sluiten waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met hun eigen kosten (de exploitatiekosten etc.) maar ook met de stichtingskostenvergoeding voor de gemeente. Het schoolbestuur int de totale huurvergoeding en betaalt het stichtingskostendeel vervolgens door aan de gemeente. Wat betreft het gemeentelijk aandeel treedt het schoolbestuur dus slechts op als doorgeefluik, het heeft er voor- noch nadeel van. Hieronder gaan we nader in op verschillende praktijksituaties bij toepassing van de financiële voorwaarden bij verhuur schoolgebouwen.

Standaardsituatie

In de standaardsituatie is de bouw van de school volledig bekostigd door de gemeente. Dit is bij de meeste scholen het geval. Stel dat een commerciële partij een leegstaand leslokaal van 55 m² netto vloeroppervlakte (nvo) huurt. De huurprijs (stichtingskostenvergoeding) bedraagt dan 55 m² x € 100 is € 5.500 per jaar, te innen door het schoolbestuur, waarvan op basis van lid 7 van dit artikel 90% (is € 4.950,-) doorbetaald wordt aan de gemeente. Bedacht moet worden dat bij het gebruik van een leslokaal het gebruik van nevenruimten (en schoolplein) is inbegrepen. De omvang van een lokaal met nevenruimten is op grond van de onderwijshuisvestingsverordening genormeerd te stellen op 105 of 115 m² bruto vloeroppervlakte (bvo), afhankelijk van of de school niet of wel is aangepast aan onderwijskundige vernieuwingen. Feitelijk komt het huurbedrag dus neer op € 5.500 gedeeld door 105 of 115 m² is € 52,38 dan wel € 47,83 per m² bvo.

Niet-standaardsituatie

In de niet-standaardsituatie is de bouw van een school weliswaar bekostigd door de gemeente, maar het schoolbestuur heeft voor eigen rekening extra ruimte gerealiseerd. Een situatie die steeds meer voor komt. De ruimte die het schoolbestuur voor eigen rekening heeft gebouwd wordt bepaald op basis van de notitie “Nieuwbouw onder de nieuwe onderwijshuisvestingsverordening”. Onder de nieuwe verordening wordt de capaciteit van scholen niet meer uitgedrukt in lokalen maar in m² bvo. In de niet-standaardsituatie maken we onderscheid tussen de werkelijke bvo en de fictieve bvo. De fictieve bvo is het gedeelte van de school dat is gerealiseerd met gemeenschapsgeld. Het verschil tussen werkelijke bvo en fictieve bvo is het deel van de school dat is gefinancierd door het schoolbestuur, de “eigen” ruimte. De berekening van de huur (stichtingskosten-vergoeding) gebeurt in de niet-standaardsituatie in principe op dezelfde manier als in de standaardsituatie. Voor een leegstaand leslokaal van 55 m² bedraagt de huur € 5.500 per jaar, te innen door het schoolbestuur. De vraag is echter wie recht heeft op dit bedrag. Is dat de gemeente, het schoolbestuur of moet het verdeeld worden? Een verdeling die recht doet aan het “ondernemerschap” van de betreffende schoolbesturen wordt bereikt door als uitgangspunt te nemen dat eerst de door het schoolbestuur bekostigde bvo wordt verhuurd (ongeacht welk gebouwdeel daadwerkelijk wordt verhuurd). Hieronder wordt dit verduidelijkt met een aantal voorbeelden.

Voorbeeld 1

Een school heeft een werkelijke bvo van 1500 m² en een fictieve bvo van 1300 m². Het verschil van 200 m² is “eigen” ruimte door het schoolbestuur gefinancierd. De school is aangepast aan onderwijskundige vernieuwingen. Verhuurd wordt een leegstaand leslokaal van 55 m² nvo. De huurprijs (stichtingskostenvergoeding) bedraagt 55 m² x € 100 is € 5.500 per jaar. De genormeerde bvo van het leslokaal is 115 m². Aangezien dit minder is dan de door het schoolbestuur gefinancierde bvo van 200 m², mag het schoolbestuur de stichtingskostenvergoeding zelf houden en hoeft er dus niets te worden doorgesluisd naar de gemeente.

Voorbeeld 2

Van dezelfde school als in voorbeeld 1 worden nu 2 leegstaande lokalen van 55 m² nvo verhuurd. De huur bedraagt dus 2 x 55 m² is 110 m² x € 100 is € 11.000 per jaar. De genormeerde bvo van de leslokalen is 2 x 115 m² is 230 m² bvo. Dit is meer dan de door het schoolbestuur gefinancierde bvo van 200 m², dus de huur moet verdeeld worden tussen schoolbestuur en gemeente.

Het schoolbestuur heeft recht op de huuropbrengst van 200 m² bvo en de gemeente heeft recht op de huuropbrengst van de resterende 30 m² bvo. De huurverdeling wordt dan als volgt. Het schoolbestuur heeft recht op 200/230 x € 11.000 is € 9.565,22 en de gemeente heeft recht op 30/230 x € 11.000 is € 1.434,78. Lid 7 van dit artikel geeft aan dat het schoolbestuur maar 90% van € 1.434,78 (is € 1.291,30) aan de gemeente hoeft te voldoen.

Voorbeeld 3

Van dezelfde school als in voorbeeld 1 en 2 worden weer 2 lokalen van 55 m² nvo verhuurd, waarvan 1 leegstaand en 1 niet-leegstand. De huur bedraagt dus 55 m² x € 100 plus 55 x € 50 is in totaal € 8.250 per jaar. De genormeerde bvo van de 2 lokalen is 230 m², dus het schoolbestuur heeft recht op 200/230 x € 8.250 is € 7.173,91 en betaalt 30/230 x € 8.250 is € 1.076,09 door aan de gemeente. Lid 7 van dit artikel geeft aan dat het schoolbestuur maar 90% van € 1.076,09 (is € 968.48) aan de gemeente hoeft te voldoen.

o Dit systeem van huur bepalen op basis van nvo en toedeling aan gemeente en schoolbestuur op basis van bvo kan ook worden toegepast in gevallen waarin een andere ruimte dan een leslokaal wordt verhuurd. We hebben gezien dat de bvo van een leslokaal gemiddeld genomen het dubbele is van de nvo van dat leslokaal. Deze verdubbeling kunnen we ook toepassen bij andere ruimten. Een verdubbeling van de nvo bij ruimten groter dan een leslokaal (bijvoorbeeld een speellokaal) leidt naar onze mening echter tot een onevenredig grote bvo. Daarom stellen wij voor de verdubbeling te beperken tot maximaal 55 m² (als bij een standaard klaslokaal).

Voorbeeld 1. Een schoolbestuur verhuurt een schoolruimte van 18 m² nvo. De huur wordt bepaald op basis van 18 m². Vervolgens wordt de nvo van 18 m² omgezet in bvo en dat wordt dus 36 m² bvo (een verdubbeling).

Voorbeeld 2. Een schoolbestuur verhuurt een speellokaal van 100 m² nvo. De huur wordt bepaald op basis van 100 m². De verdubbeling naar bvo is beperkt tot 55 m². De bvo wordt dus niet 200 m² maar 155 m².

Voor beide voorbeelden geldt vervolgens dat aan de hand van de werkelijke en fictieve bvo van de school kan worden beoordeeld of de gemeente al dan niet recht heeft op (een deel van) de stichtingskostenvergoeding.

o In de voorbeelden hierboven zijn we ervan uitgegaan dat de schoolbesturen ook de stichtingskosten-vergoeding in rekening brengen voor de door hen zelf gefinancierde bvo. De schoolbesturen zijn echter volkomen vrij welk huurtarief zij voor hun “eigen” ruimte hanteren. Om concurrentievervalsing tussen commerciële partijen te voorkomen is het gewenst dat de schoolbesturen ook voor hun “eigen” ruimte de afgesproken stichtingskostenvergoeding in rekening brengen bij de gebruiker.

C.Voorbeeld bij artikel 13 Toeslag zorgruimte

Voorbeeld

Een PO schoolbestuur krijgt toestemming voor vervangende nieuwbouw/uitbreiding/renovatie van de school. Op basis van het gemiddeld aantal leerlingen gedurende 15 jaar is er een structurele ruimtebehoefte van 1260 m² bvo. Rekening houdend met 40 m² extra zorgruimte voor het bieden van passend onderwijs wordt de structurele ruimtebehoefte bijgesteld naar 1300 m² bvo.

5.Prognoses leerlingenaantallen 2023 - 2040 PO en VO Rijssen-Holten

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.