Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Rijssen-Holten 2025

Gemeente Rijssen-Holten · geldt sinds 10 januari 2025

Aanhef

Inleiding

De beleidsregels zoals deze nu zijn geformuleerd, zijn ontstaan naar aanleiding van de Wmo 2015. De invoering van de Wmo 2015 ging gepaard met een flink aantal wijzigingen. De gemeente heeft de plicht inwoners met beperkingen maatschappelijke ondersteuning te bieden, aldus de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo). Hoe de gemeente Rijssen-Holten deze plicht invult, is opgenomen in de verordening maatschappelijke ondersteuning, het besluit maatschappelijke ondersteuning en deze beleidsregels. In deze beleidsregels staan de te bereiken resultaten centraal. In een onderzoek wordt de situatie van belanghebbende in kaart gebracht en wordt samen gezocht naar oplossingen voor de ervaren belemmeringen. Daarbij wordt in eerste instantie gekeken naar de eigen mogelijkheden, het eigen sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen en of een algemene voorziening een voldoende oplossing biedt. Als deze niet of onvoldoende leiden tot het te bereiken resultaat, dan kan de gemeente dit compenseren door het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Dit alles onder het motto: Iedereen moet mee kunnen doen in onze samenleving!

Dit hoofdstuk is een nadere uitwerking van artikel 8, 9 en 10 van de verordening.

2. Criteria maatwerkvoorzieningen

2.2. Algemeen gebruikelijke voorzieningen

2.1.1 Lijst met algemeen gebruikelijke voorzieningen

Het college merkt de volgende voorzieningen als algemeen gebruikelijke voorzieningen (niet uitputtend) aan, waarbij sommige voorzieningen ook tweedehands kunnen worden gekocht:

•fiets (met lage instap);

•fietskar, aanhangfiets;

•ligfiets;

•tandem (met elektrische ondersteuning);

•bakfiets;

•stalling (driewiel)fiets;

•het gebruik van een (eigen) auto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn

2Het gebruik de eigen auto is niet altijd algemeen gebruikelijk. Bijvoorbeeld wanneer voor alle verplaatsingen, ook voor korte afstanden, de auto noodzakelijk is.

;

•autoaccessoires zoals: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak, cruise control;

•openbaar vervoer;

•wandelstok;

•kreuk-/strijkvrije kleding;

•boodschappendienst;

•(kant en klare) maaltijdvoorziening;

•glazenwasser;

•aanrechtblad;

•antislipvloer/coating;

•antislip mat;

•sta-op-stoel;

•keramische- of inductiekookplaat;

•(een) hendelmengkraan;

•thermostaatkraan;

•keukenapparatuur;

•vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair;

•herinrichtingskosten;

•schoonmaakmiddelen;

•aanschaf van een stofzuiger met HEPA-filter;

•robotstofzuiger;

•uittrekbare stoffer/plumeau;

•ophogen tuin/bestrating bij verzakking;

•eenvoudige toiletstoel;

•verhoogd toilet of toiletverhoger;

•tweede toilet/ sanibroyeur;

•wandbeugels;

•een tweede trapleuning;

•eenvoudige douchestoel;

•zonwering (inclusief elektrische bediening).

•eenvoudige rollator.

3. Zelfredzaamheid en participatie

3.1 Zelfredzaamheid

3.1.1. Wonen in een leefbaar huis

Inleiding

Het kunnen beschikken over een leefbaar huishouden heeft betrekking op de ruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. Uitgezonderd zijn de zorg voor dieren en werkzaamheden die buiten de woning plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld ramen lappen buiten, de straat vegen en tuinonderhoud. Er is alleen sprake van een maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning als het gaat om regie bij het voeren van een huishouden en het verzorgen van de maaltijdvoorziening en/of de verzorging van jonge kinderen.

Artikel 2.3.5, sub 3 van de Wmo 2015 geeft het volgende aan over maatwerkvoorzieningen:

•Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

•Om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen, moet duidelijk zijn dat er geen andere oplossingen, zoals beschreven in artikel 5, lid 2 van de Verordening, voorhanden zijn. Er zal een aanvraagprocedure moeten worden doorlopen waarin het wel of niet toegekend krijgen van een maatwerkvoorziening, wordt meegedeeld in een beschikking. Tegen de beschikking kan bezwaar en beroep aangetekend worden.

Afwegingskader voor maatwerkvoorziening

Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden.

1Als uit het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening de meest adequate oplossing is, dan zal de gemeente hiermee ondersteunen. De afspraken over de te realiseren resultaten worden beschreven in een tussen aanbieder en cliënt op te stellen plan. Het opgestelde plan van de aanbieder voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

-het plan is samen met (een wettelijk vertegenwoordiger van) de inwoner opgesteld. Bij het vaststellen van een plan is het maatschappelijk ondersteuningsplan van de gemeente het uitgangspunt;

-het plan wordt minimaal één keer per jaar met de inwoner en/of de inwonervertegenwoordiger besproken. In het plan wordt dit vastgelegd. Bijstellingen en veranderingen in het ondersteuningsplan worden schriftelijk vastgelegd;

-het plan wordt conform het gemaakte maatschappelijk ondersteuningsplan geboden;

-het plan vertaalt de opdracht in concrete werkafspraken: welke huishoudelijke ondersteuning ontvangt de inwoner, op welke dagen en tijdstippen, passend in zijn dag- weekprogramma;

-het plan bevat ook praktische afspraken, zoals over het omgaan met sleutels van inwoner;

-het plan beschrijft hoe de ondersteuning is afgestemd met eventuele mantelzorgers en hoe het eigen netwerk van de inwoner daar waar mogelijk een actieve rol speelt in de huishoudelijke ondersteuning;

-het plan dient door zowel inwoner als aanbieder ondertekend te zijn;

-het plan wordt aan de inwoner ter beschikking gesteld.

De uiteindelijke invulling wordt tussen cliënt en aanbieder vastgesteld.

2De hulp kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Toelichting: Kiest de cliënt voor zorg in natura, dan heeft de cliënt de keuze uit een aantal aanbieders waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. De gemeente zorgt er dan voor dat het resultaat wordt behaald. Kiest de cliënt voor een pgb, dan ontvangt hij een bepaald budget, waarmee de betreffende ondersteuning bij een leverancier van zijn eigen keuze kan worden ingekocht. Het pgb wordt overgemaakt naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Vanuit de Wet is vastgelegd dat het zogenaamde trekkingsrecht geldt voor pgb’s vanuit de Wmo. Degene die de ondersteuning levert dient per periode een factuur in. Na goedkeuring door de SVB wordt het pgb direct naar de leverancier van ondersteuning overgemaakt. Hiervoor moet een ondertekende en goedgekeurde zorgovereenkomst tussen cliënt en leverancier naar de SVB worden opgestuurd. Bij Huishoudelijke Ondersteuning kent het college hulp toe in te behalen resultaten.

3Ook bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon huis. Dit is een afgeleid recht van de verzorgde, zodat geen zelfstandig recht ontstaat.

Normen maatwerkvoorziening HO

3Normtijden gebaseerd op de HHM-normtijden

-tabel 1 en 2:basisuren 'schoon en leefbaar huis' 96,1 uur per jaar

-tabel 3: gemiddelde schoonmaaktijd per schoonmaakcategorie en per woonruimte

-tabel 4: extra hygiëne 26,0 uur per jaar

-tabel 5: wasverzorging 33,0 uur per jaar

-tabel 6 :regie 26,0 uren per jaar

-tabel 7: maaltijdbereiding

-tabel 8: verzorging jonge kinderen

Bij de toekenning van het totaal aantal uren HO worden deze omgerekend per week en in het voordeel van de cliënt afgerond op een kwartier (15 minuten).

Tabel 1: Basismodule ondersteuning bij het huishouden reguliere basisactiviteiten (tabel 1 en 2 maximaal 96,1 uur per jaar)

Woonruimte

Basisactiviteit

Frequentie / norm

Woonkamer

Stof afnemen hoog

1xper 2 weken

Stof afnemen midden

1xper week

Stof afnemen laag

1xper week

Opruimen

1xper week

Stofzuigen

1xper week

Dweilen

1xper week

Slaapkamer

Stof afnemen hoog

1xper 2 weken

Stof afnemen midden

1xper week

Stof afnemen laag

1xper week

Opruimen

1xper week

Stofzuigen

1xper week

Dweilen

1x4 weken

Bed verschonen

1xper 2 weken

Keuken

Stofzuigen

1xper week

Dweilen

1xper week

Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast eventueel tafel

1xper week

keukenapparatuur (buitenzijde)

1xper week

Afval opruimen

1xper week

Sanitair

Badkamer schoonmaken

1xper week

Toilet schoonmaken

1xper week

Hal

Stof afnemen hoog

1xper week

Stof afnemen midden

1xper week

Stof afnemen laag

1xper week

Stofzuigen

1xper week

Trap stofzuigen

1xper week

Dweilen

1xper week

Afstemming/sociaal contact

Aankomst, vertrek, evt. afstemming derden, contact cliënt

1xper bezoek

Tabel 2: Basismodule ondersteuning bij het huishouden incidentele activiteiten (tabel 1 en 2 maximaal 96,1 uur per jaar)

Woonruimte

Incidentele activiteit

Frequentie/norm

Woonkamer

Gordijnen wassen

1xper jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

2xper jaar

Ramen binnenzijde

4xper jaar

Deuren/deurposten nat afdoen

1xper 8 weken

Meubels afnemen (droog/nat)

1xper 8 weken

Radiatoren afnemen

2xper jaar

Keuken

Gordijnen wassen

1xper jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

3xper jaar

Ramen binnenzijde

4xper jaar

Deuren/deurposten nat afdoen

1xper 8 weken

Radiatoren afnemen

2xper jaar

Keukenkastjes (binnenzijde)

2xper jaar

Koelkast (binnenzijde)

3xper jaar

Oven/magnetron (binnenzijde)

4xper jaar

Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)

1xper jaar

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasser bestendig

2xper jaar

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasser bestendig

2xper jaar

Bovenkant keukenkastjes

1xper 6 weken

Tegelwand (los van keukenblok)

2xper jaar

Sanitair

Radiatoren afnemen

2xper jaar

Tegelwand badkamer afnemen

4xper jaar

Gordijnen wassen

1xper jaar

Ramen binnenzijde

4xper jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

3xper jaar

Deuren/deurposten nat afdoen

2xper jaar

Hal

Radiatoren afnemen

2xper jaar

Deuren/deurposten nat afdoen

2xper jaar

Tabel 3: gemiddelde schoonmaaktijd per schoonmaakcategorie en per woonruimte (in uren per jaar)

Woonkamer

Slaapkamer

Keuken

Badkamer en toilet

Hal

Totaal

Afnemen nat en droog

13,3

5,8

0,3

4,9

24,3

Stofzuigen en dweilen

9,2

4,4

5,4

3.6

22,6

Ramen en gordijnen

1,1

1,0

0,6

0,1

2,8

Bed verschonen

3,6

3,6

Keuken schoonmaken

16,3

16,3

Sanitair schoonmaken

15,9

15,9

Opruimen

0,2

0,3

Indirecte tijd bij cliënt

19,0

Totaal

4Totaal wijkt door afronding af van som van der onderdelen

23,8

15,0

22,6

16,0

8,6

104,9

Tabel 4: Overzicht activiteiten module Extra hygiëne (maximaal 26,0 uur per jaar)

Activiteiten

Frequentie

Licht huishoudelijk werk (bijvoorbeeld afstoffen)

Wekelijks

Zwaar huishoudelijk werk (bijvoorbeeld stofzuigen en dweilen)

Wekelijks

Tabel 5: Overzicht activiteiten module Wasverzorging (maximaal 33 uur per jaar)

Activiteiten

Frequentie

Wasgoed sorteren en wassen in wasmachine

1xper week

Wasgoed ophangen en afhalen

1xper week

Wasgoed drogen in de droger

1xper week

Wasgoed vouwen en opbergen

1xper week

Tabel 6: Overzicht activiteiten module regie (maximaal 26 uur per jaar)

Activiteit

Frequentie

Organisatie van huishoudelijke taken

1xper week

Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden

1xper week

Tabel 7: Overzicht activiteiten maatwerkmodule Maaltijden

Activiteiten

Frequentie

Tijdsbesteding per maaltijd

Broodmaaltijd bereiden (smeren)

Maximaal twee keer per dag

15minuten

Broodmaaltijd klaar zetten, tafel dekken

Koffie/thee zetten

Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine

Warme maaltijd bereiden, koken of opwarmen

Maximaal één keer per dag

15minuten (opwarmen)

Warme maaltijd klaar zetten, tafel dekken

Koffie/thee zetten

30minuten (koken)

Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine

Tabel 8: Overzicht activiteiten module Zorg voor kinderen

Activiteiten

Tijdsbesteding

Naar bed brengen/ uit bed halen

10minuten per keer per kind

Wassen en kleden

30minuten per keer per kind

Eten en/of drinken geven

20minuten per broodmaaltijd

25minuten per warme maaltijd

Babyvoeding (flesje/ borstvoeding)

20minuten per keer per kind

Luier verschonen

10minuten per keer per kind

Naar school/crèche brengen/halen

15minuten per keer per kind

3.1.1. Wonen in een voor cliënt geschikt huis

Inleiding

De Wmo 2015 stelt dat het college de zelfredzaamheid en participatie van haar inwoners moet bevorderen, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen. Hiermee wordt nadrukkelijk niet bedoeld dat dit in de huidige woning moet plaatsvinden. Bedoeld wordt dat inwoners zolang mogelijk extramuraal moeten kunnen blijven wonen.

Als de inwoner met een beperking niet zelfstandig kan wonen in een voor hem geschikt huis, kan het college een woonvoorziening treffen. De woonvoorziening verhelpt of vermindert de beperkingen of problemen zodat de inwoner zelfstandig kan wonen in een voor hem geschikte woning. Hiervoor moet de inwoner in staat zijn om normale (elementaire) woonfuncties te kunnen verrichten, zoals:

-slapen

-eten

-lichaamsreiniging

-toiletgebruik

-het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden

-koken en keukengebruik

-horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning en

-toegang tot de woning

-het veilig kunnen spelen in de woonruimte (ingeval van kinderen)

-het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby

Uit het bovenstaande blijkt dat woonvoorzieningen betrekking kunnen hebben op het verbeteren van de bereikbaarheid, de toegankelijkheid, de doorgankelijkheid en de bruikbaarheid van de woning. Als richtlijn hanteert het college hierbij het “Handboek voor Toegankelijkheid” (bijlage 2). Problemen die alleen te maken hebben met het bereiken van hobby-, werk-, of recreatieruimten zijn, in principe, geen reden voor het toekennen van een woonvoorziening.

Daarbij is er één belangrijke voorwaarde voordat er ondersteund kan worden: Er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedere Nederlandse inwoner dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keuze van een woning wordt uiteraard rekening gehouden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende beperkingen rekening wordt gehouden. Als de woning dan nog niet geschikt is kan het college hierbij ondersteunen.

Uitraaskamer

Bepaalde stoornissen van mensen met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem, bijvoorbeeld hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen (op bepaalde tijden) aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woonruimte. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uitraaskamer te beschikken. Onder een uitraaskamer wordt verstaan een kamer (verblijfsruimte), waarin een persoon met gedragsproblemen zich kan afzonderen of tot rust kan komen. De uitraaskamer dient het belang van de persoon met gedragsproblemen. Als de uitraaskamer de belangen van anderen dient, bijvoorbeeld hinder voorkomen, dan is er geen sprake van een uitraaskamer in de zin van de Wmo.

Een of meer van de volgende criteria worden gehanteerd:

-betrokkene beschadigt zichzelf (zelfverwonding);

-betrokkene beschadigt de omgeving (vernielzucht);

-er is sprake van ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening of een pgb voor kosten voor verhuizing en herinrichting moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

1verhuizen naar een adequate(re) woning is voorliggend op een woonvoorziening;

2de beperkingen worden niet veroorzaakt door de aard van de, in de woning, gebruikte materialen;

3de aan te passen woning moet niet een van de volgende woonruimten betreffen: hotel, pension, trekkerswoonwagen, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen die niet zijn bestemd voor permanent gebruik, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers. kamer in een Wlz-instelling (met uitzondering van de in- en aanleunwoningen). Voor iemand die in een instelling verblijft, kan in bijzondere omstandigheden een woning "bezoekbaar" gemaakt worden. Dit betekent dat iemand de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken;

4de voorziening is niet bedoeld voor gemeenschappelijke ruimten. Uitzonderingen hierop kunnen zijn: automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimten.

5de noodzaak tot aanpassen is geen gevolg van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestond op basis van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er was een belangrijke reden voor verhuizing. Een belangrijke reden voor verhuizing kan zijn het aanvaarden van een andere baan, samenwonen of huwelijk. Dit moet per situatie worden beoordeeld;

6cliënt is verhuisd naar de, voor hem of haar beperkingen, meest geschikte woning. Verhuizen naar een niet geschikte woning kan alleen met vooraf schriftelijke toestemming van het college.

Afwegingskader

Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de gevolgen hiervan voor de toekomst (de eigen woon-carrière). Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt gesproken van woning:

a.het college beoordeelt of het resultaat wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing.

Toelichting: Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Bij het in kaart brengen van de financiële consequenties geldt het uitgangspunt dat iedereen geacht wordt de huur voor sociale woningbouw te kunnen betalen.

Als cliënt in staat wordt geacht het resultaat middels een verhuizing te behalen, kan hij ervoor kiezen de vergoeding die hij hiervoor ontvangt, in te zetten om de woning aan te passen. Voorwaarde hiervoor is dat het van te voren vastgestelde resultaat wordt bereikt. Voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening om te verhuizen (voorheen verhuiskostenvergoeding) wordt uitgegaan van de daadwerkelijk te maken kosten.

b.Als voor het bereiken van het resultaat, het noodzakelijk is, dat de woning wordt aangepast, wordt beoordeeld welke aanpassing in de betreffende situatie het goedkoopst adequaat is.

c.De kosten van aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten, komen voor rekening van de Woningstichting of de betreffende Vereniging voor eigenaren anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte.

d.De woningaanpassing wordt in natura of in een pgb verstrekt. De kosten van de voorziening wordt bepaald door het opvragen van één (bij aanpassingen < € 50.000,--) of twee (bij aanpassingen > € 50.000,--) offertes op basis van het opgestelde programma van eisen. Bij de vaststelling van de kosten wordt rekening gehouden met de vastgestelde prijzen voor woningaanpassing (bijlage IV bij het Besluit maatschappelijke ondersteuning). Bij een pgb wordt dit uitbetaald aan de leverancier of zorgaanbieder door de SVB. Tenzij het gaat om een eenmalig pgb. Dan verstrekt de gemeente het eenmalig pgb zelf op basis van een mandaatconstructie (het Besluit mandaat- en volmachtverlening eenmalige pgb’s SVB). Bij een voorziening in natura wordt de factuur uitbetaald aan de leverancier of degene die de voorziening heeft gerealiseerd. Toelichting: De gemeente beoordeelt welke offerte als basis geldt voor het vaststellen van de kosten van de woonvoorziening. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen. Na voltooiing van de werkzaamheden, maar uiterlijk 12 maanden na het verlenen van de maatwerkvoorziening, verklaart de woningeigenaar, dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder de maatwerkvoorziening is verleend.

e.Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.

f.Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers en professionele hulpverleners, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers of professionele hulpverleners bediend moeten worden.

3.1.2. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren

Inleiding

De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppasoma, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken.

De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing.

Afwegingskader

a.Als het resultaat niet anders behaald kan worden, zal het college ondersteunen met een maatwerkvoorziening. De afspraken over de te realiseren resultaten worden beschreven in een tussen aanbieder en cliënt op te stellen plan. Het opgestelde plan van de aanbieder voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

-is samen met (een wettelijk vertegenwoordiger van) de inwoner opgesteld. Bij het vaststellen van een plan is het maatschappelijk ondersteuningsplan van de gemeente het uitgangspunt;

-wordt minimaal één keer per jaar met de inwoner en/of de inwonervertegenwoordiger besproken. In het plan wordt dit vastgelegd. Bijstellingen en veranderingen in het ondersteuningsplan worden schriftelijk vastgelegd;

-wordt conform het gemaakte maatschappelijk ondersteuningsplan geboden;

-vertaalt de opdracht in concrete werkafspraken: welke huishoudelijke ondersteuning ontvangt de inwoner, op welke dagen en tijdstippen, passend in zijn dag- weekprogramma;

-bevat ook praktische afspraken, zoals over het omgaan met sleutels van inwoner;

-beschrijft hoe de ondersteuning is afgestemd met eventuele mantelzorgers en hoe het eigen netwerk van de inwoner daar waar mogelijk een actieve rol speelt in de huishoudelijke ondersteuning;

-dient door zowel inwoner als aanbieder ondertekend te zijn;

-wordt aan de inwoner ter beschikking gesteld. De uiteindelijke invulling wordt tussen cliënt en aanbieder vastgesteld.

b.Bij tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Bij de toekenning stelt het college bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing. Het college kent huishoudelijke ondersteuning toe in te behalen resultaten.

c.Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

d.Als er sprake is van zorg voor thuiswonende kinderen kan een beroep gedaan worden op het pluspakket huishoudelijke ondersteuning. Dit pluspakket wordt ingezet als aanvulling op het reguliere pakket huishoudelijke ondersteuning.

3.1.3. Ondersteuning bij het zelfstandig leven

De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor begeleiding. Het doel van begeleiding is het bevorderen, behouden en/of compenseren van zelfredzaamheid en participatie, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Begeleiding kan in de vorm van begeleiding individueel en dagbesteding plaatsvinden.

1.2 Algemene uitgangpunten

•De ondersteuningsvraag/behoefte van de inwoner staat centraal. Deze wordt integraal bekeken waarbij de verschillende leefgebieden worden meegenomen.

•Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. Er wordt ingezet op o.a. reablement (herstelgerichte zorg en ondersteuning), met als doel dat mensen vaardigheden (weer) aanleren zodat ze zich langer zelfstandig kunnen redden.

•Er wordt gestuurd op doelen, casusregie en tussentijdse resultaatevaluatie.

1.3Maatwerkvoorziening begeleiding individueel

Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee producten: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus.

De volgende uitgangspunten zijn voor begeleiding individueel van toepassing:

•Inzet van de individuele begeleiding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarmee wordt bedoeld:

○ Bij basis wordt eerst gekeken of de ondersteuning in de sociale basis kan worden opgelost;

○ Bij plus wordt eerst gekeken of de ondersteuning door inzet van begeleiding basis kan worden opgelost;

•De aanbieder leidt (indien mogelijk) de inwoner toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk;

•De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de inwoner woont. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen;

•Samenloop met andere ondersteuning, bijvoorbeeld dagbesteding, is mogelijk.

1.3.1 Begeleiding individueel basis

Begeleiding individueel basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden.

De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;

•De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;

•De inwoner is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;

•De inwoner heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;

•Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de inwoner;

•De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie;

•De inwoner is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.

1.3.2 Begeleiding individueel plus

Begeleiding individueel plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden.

De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;

•De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;

•De inwoner is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;

•De inwoner heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;

•De inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;

•De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie;

•De inwoner is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.

1.3.3 Uitwerking kenmerken begeleiding individueel basis en plus

Basis

Plus

De inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig

● Met een positieve en motiverende benadering en aanmoediging komt de inwoner tot resultaat en neemt verantwoordelijkheid voor de eigen vooruitgang.

● Met een herinnering, een voorbeeld, oefenen of een instructie kan de inwoner een taak volbrengen of een haalbare vaardigheid eigen maken.

● De inwoner kan door middel van informatieverstrekking, verkennen van opties en ondersteunende gesprekken tot juiste beslissingen komen

De inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig

● Met een intensieve en proactieve benadering komt de inwoner tot resultaat door middel van motiveren, inspireren en ondersteunen. Intensief gaat over de methodische benadering en niet over de frequentie.

● De inwoner heeft bij herhaling aanmoediging, positieve feedback en ondersteuning nodig om verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen vooruitgang.

● De inwoner heeft in grote mate sturing/toezicht nodig om een taak te volbrengen.

● Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de inwoner als professional veel geduld en doorzettingsvermogen. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de inwoner.

● De inwoner heeft in grote mate ondersteuning nodig om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Zonder ondersteuning overziet de inwoner de risico’s niet en maakt de inwoner beslissingen die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn of haar functioneren of dat van de omgeving.

De inwoner kan de behoefte/ ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken

● Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de inwoner de ander begrijpt.

● De inwoner kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).

● Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

De inwoner kan de behoefte/ ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken

● Hier wordt ook onder verstaan dat de inwoner moeite heeft om de ander te begrijpen.

● Het is moeilijk voor de inwoner om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de professional, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.

● Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

De inwoner is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken

● De inwoner is gemotiveerd om te werken aan de ondersteuningsvraag en staat open voor feedback van de professional.

● De inwoner komt afspraken voldoende na om de resultaten te behalen.

De inwoner is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken

● De inwoner vindt het moeilijk om afspraken na te komen en feedback van de professional aan te nemen. De inwoner trekt bijvoorbeeld alles in twijfel en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Dit is een terugkomend kenmerk. De professional moet beschikken over methodische kennis en vaardigheden om samen met de inwoner de resultaten te halen.

De inwoner heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden

● De inwoner heeft een (beperkt) realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.

De inwoner heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden

● De inwoner heeft geen of beperkt realistisch beeld van de eigen problematiek. De inwoner is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of inwoner kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de inwoner in de problemen komen. De professional moet dit tekort compenseren om escalatie en/of verwaarlozing te voorkomen.

Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de inwoner

● De inwoner vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. De professional moet alert zijn op signalen en kunnen bijsturen. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.

De inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek

● De inwoner is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is

● De professional moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen.

● Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf.

● De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is.

De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie

● Er is problematiek op één of meerdere leefgebieden zoals bijvoorbeeld financiën, sociale contacten, dag invulling, persoonlijke zelfzorg. Er is geen acute interventie noodzakelijk om escalaties te voorkomen.

De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en/of escalaties

● De inwoner is niet stabiel in zijn leefsituatie, denk hierbij aan zaken die de bestaanszekerheid raken. Bijvoorbeeld financiële problematiek, dreigende uithuiszetting, dakloosheid, werkloosheid en verwaarlozing. Er zijn interventies noodzakelijk om escalaties te voorkomen.

● De dynamiek van het gezin/netwerk en de complexiteit van problematiek van verschillende gezinsleden kan hierin een rol spelen.

De inwoner is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag

● Er zijn afgesproken contactmomenten met de professional en hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt (bijvoorbeeld een telefoontje of berichtje). Voor de inwoner is dit voldoende om de resultaten te behalen zonder dat er aanvullende interventies noodzakelijk zijn.

De inwoner is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag

● De inwoner heeft aanvullende interventies nodig naast de afgesproken contactmomenten met de professional en afspraken over hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt. Dit is noodzakelijk om niet vast te lopen in het dagelijks leven.

● Dit is een structureel terugkerend patroon van de inwoner.

3.2. Participatie

3.2.1. Zich verplaatsen in en om de woning

Inleiding

Hierbij gaat het om het zich kunnen verplaatsen in en om de woning. Dat sluit op zich de rolstoel voor incidenteel gebruik bijna altijd uit, omdat die nu juist daar niet voor bedoeld is, maar voor verplaatsingen over langere afstanden elders, tijdens uitstapjes.

Afwegingskader

a.Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel.

b.De sportvoorziening, waaronder een sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning.

c.Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal wanneer nodig via een medisch en/of ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld.

d.Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een pgb.

e.Bij verstrekking in natura, wordt de voorziening in bruikleen verstrekt en vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking.

f.Ten aanzien van het verstrekken van een rolstoel in de vorm van een pgb, wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgenomen in het hierna volgende hoofdstuk.

g.Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Toelichting: Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verschaft kan worden.

3.2.1. Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Inleiding

Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning tot maximaal 1.500 km op jaarbasis. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het boven-regionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Hiervoor is een Wmo-toekenning voor een vervoersvoorziening, rolstoel of scootmobiel nodig. Het hebben van een OV begeleiderskaart of een gehandicaptenparkeerkaart voldoet ook.

Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Zoals ook voor personen zonder beperkingen geldt, moet men voor het vervoer een bijdrage te betalen al dan niet in de vorm van een tarief.

Afwegingskader

a.Als iemand gebruik kan maken van het openbaar vervoer, waaronder RRReisFlex, en ook het openbaar vervoer kan bereiken, dan is dit voorliggend. Het criterium “gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer is onmogelijk” wordt als volgt ingevuld:

-de persoon met beperkingen (hierna belanghebbende) is niet in staat om zich zelfstandig te verplaatsen, met of zonder loophulpmiddel;

-belanghebbende kan de wachttijden bij de bushalte niet overbruggen;

-of belanghebbende kan de instap in de bus niet maken;

-of belanghebbende is niet in staat langere tijd te zitten of de beweging van de bus of de trein te doorstaan.

Naast lichamelijke beperkingen is het ook mogelijk dat iemand wegens psychische of psychosociale problemen niet in staat is met het openbaar vervoer te reizen.

Verder is het ontbreken van openbaar vervoer geen criterium of argument voor het verkrijgen van een vervoersvoorziening. Voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt, zijn: tandems, reguliere fietsen, fietsen met lage instap, fietsen met hand- of terugtraprem of fietsen met andere vrij verkrijgbare kleine aanpassingen.

b.Als blijkt dat ondersteuning nodig is, wordt eerst gekeken waar de vervoersbehoefte van de aanvrager/betrokkene uit bestaat.

c.Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met het systeem van de maatwerkvoorziening vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager/betrokkene. Toelichting: Op basis van een lichte toets wordt beoordeeld of een persoon gebruik kan maken van de maatwerk voorziening vervoer’, waarmee men tegen gereduceerd tarief kan reizen.

d.Als blijkt dat cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft dan 1.500 km op jaarbasis, dan dient cliënt dit aan te tonen via concrete verifieerbare gegevens.

e.Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere maatwerkvoorziening moet tenminste een afstand van 1500 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Als daar aanleiding voor is, kan het college dit aantal ophogen. De omvang van het gebied, waarvoor de compensatieplicht geldt, omvat een straal van 20 – 30 kilometer te rekenen vanaf de woning van de persoon met beperkingen. Daarnaast moet een persoon met beperkingen zich zodanig kunnen verplaatsen, dat aansluiting gevonden kan worden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen.

f.Bij personen met een zeer beperkte loopafstand zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand.

g.Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een voorziening in natura of een pgb te besteden aan vervoer verstrekken.

h.Ten aanzien van het verstrekken van een vervoermiddel in de vorm van een pgb, wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgenomen in het hierna volgende hoofdstuk.

i.Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening.

Kinderen en vervoersvoorzieningen

Doorgaans hebben kinderen tot 4 jaar geen zelfstandig vervoerspatroon en komen zij niet in aanmerking voor een Wmo-vervoerpas, dan wel een maatwerkvoorziening. Het is wel mogelijk dat kinderen jonger dan 4 jaar een vervoersprobleem hebben, omdat de ouders hen niet kan vervoeren zonder dat er een aparte voorziening is getroffen. In die situaties kunnen inwoners een beroep doen op de gemeente. Voor kinderen van 4 tot 12 jaar geldt hetzelfde, zij worden bij het verplaatsen bijna altijd begeleid door ouders. Kinderen van 12 jaar en ouder hebben, evenals volwassenen, een zelfstandige vervoersbehoefte.

Op basis van bovenstaande wordt het volgende beleid gehanteerd:

-Cliënten beneden de 4 jaar ontvangen geen vervoerspas, maar kunnen in aanmerking komen voor een maatvoorziening.

-Cliënten vanaf 4 jaar komen in aanmerking voor een vervoerspas of een maatwerkvoorziening, als daarmee voorzien kan worden in hun vervoersbehoefte en er geen alternatief is.

-Situaties waarin deze regel onredelijk zou werken, worden individueel beoordeeld.

3.2.2. De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan maatschappelijke, recreatieve en religieuze activiteiten

Inleiding

Het gaat hierbij om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.

Afwegingskader

Als het gaat om een vervoerprobleem zal het college eerst beoordelen of dit via het hiervoor besproken resultaat opgelost kan worden.

3.2.3. Ondersteuning bij maatschappelijke deelname

Inwoners die niet of onvoldoende kunnen deelnemen aan de maatschappij met behulp van algemene voorzieningen, kunnen eventueel een beroep doen op de maatwerkvoorziening dagbesteding.

Maatwerkvoorziening dagbesteding

Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus.

De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing:

•Inzet van dagbesteding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarmee wordt bedoeld:

○ Bij basis wordt eerst gekeken of de ondersteuning in de sociale basis kan worden opgelost;

○ Bij plus wordt eerst gekeken of de ondersteuning door inzet van dagbesteding basis kan worden opgelost;

•De aanbieder leidt (indien mogelijk) de inwoner toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk;

•Dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de inwoner;

•Samenloop met andere ondersteuning, bijvoorbeeld begeleiding individueel is mogelijk.

Dagbesteding basis

Dagbesteding basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere levensgebieden.

De inwoner voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken:

•De inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;

•De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;

•De inwoner kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen;

•De inwoner vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.

Dagbesteding plus

Dagbesteding plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden.

De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;

•De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;

•De inwoner heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning;

•De inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;

•De inwoner is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen.

Uitwerking kenmerken dagbesteding basis en plus

Basis

Plus

De inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig

● De inwoner heeft een positieve benadering en aanmoediging nodig om tot activiteit te komen.

● Een gestructureerd programma aangevuld met een instructie of voorbeeld is voldoende voor de inwoner om een taak te volbrengen.

● De inwoner heeft een aanmoediging nodig om mee te doen in het groepsproces.

● Door middel van oefenen, herhaling en aanmoediging kan de inwoner een haalbare vaardigheid eigen maken.

De inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig

● De inwoner heeft om tot activiteit te komen een intensieve en proactieve benadering nodig, die gericht is op motiveren, inspireren en activeren.

● Bij het uitvoeren van een taak (die gekoppeld is aan de te behalen resultaten) is bij herhaling sturing en/of toezicht nodig.

● De inwoner heeft moeite om mee te doen met het groepsproces. Dit heeft een negatieve invloed op het groepsproces en de inwoner zelf. De inwoner heeft gedurende de dag meerdere momenten ondersteuning nodig.

● Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de inwoner als professional veel geduld en doorzettingsvermogen. Dit is een terugkerend patroon bij de inwoner. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de inwoner.

De inwoner kan de behoefte/ondersteuningvraag voldoende begrijpelijk maken

● Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de inwoner de ander begrijpt.

● De inwoner kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).

● Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

Inwoner kan de behoefte/ ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken

● Hier wordt ook onder verstaan dat de inwoner moeite heeft om de ander te begrijpen.

● Het is moeilijk voor de inwoner om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de professional, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.

● Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

De inwoner kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen

● De inwoner heeft een realistisch of beperkt realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.

De inwoner heeft beperkt inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning.

● De inwoner heeft beperkt of geen realistisch beeld van de eigen problematiek. De inwoner is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of inwoner kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de inwoner in de problemen komen. De professional moet dit tekort compenseren om escalatie en/of passiviteit te voorkomen.

De inwoner vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.

● De inwoner vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.

● Gedragsproblematiek matig van aard is bij te sturen middels interventies van de professional op de dagbesteding en heeft weinig tot geen consequenties voor de deelname van de inwoner aan de dagbesteding. De inwoner verstoort het groepsproces niet of nauwelijks.

De inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek.

● De inwoner is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is.

● De professional moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen.

● Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf.

● De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is.

● Ernstige gedragsproblematiek heeft consequenties voor de deelname van de inwoner en/of groepsleden. Er is ondersteuning nodig om dit te compenseren.

De inwoner is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen

● Bij een inwoner ontstaan grote problemen door kleine (dagelijkse) veranderingen buiten de vaste structuur. Het lukt de inwoner niet om zich aan te passen aan deze kleine veranderingen. Hierdoor raakt de inwoner bijvoorbeeld in de stress, wordt emotioneel, of kan zich op een andere manier niet meer beheersen

3.2.5 Vormen van verblijf

Beschermd wonen

De Wmo verstaat onder beschermd wonen het volgende: Wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Voor het bieden van beschermd wonen kan aanleiding bestaan indien iemand er vanwege psychische problematiek niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht of ondersteuning. Tot nu toe wonen veel mensen die zich vanwege psychische problemen niet zelfstandig kunnen handhaven in regionale instellingen voor beschermd wonen (RIBW). Vanaf 2025 is de doelgroep voor beschermd wonen uitgebreid met inwoners die vanwege een lichtverstandelijke beperking verblijf nodig hebben. Deze inwoners stromen vervolgens soms door naar de Wet Langdurige Zorg, tot die tijd is de gemeente verantwoordelijk.

Als blijkt of wordt gesignaleerd dat de inwoner (mogelijk) beschermd wonen nodig heeft, wordt deze situatie gemeld bij de Centrale Intake Maatschappelijke Opvang Twente (CIMOT). Vanuit het CIMOT wordt, samen met de gemeente van herkomst en de melder de noodzaak beoordeeld. Indien een voorziening in de vorm van beschermd wonen noodzakelijk is, wordt bij voorkeur een plaats in de gemeente van herkomst gerealiseerd.

De maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt door de centrumgemeente toegekend en gerealiseerd. Het criterium is dat de voorziening erin moet voorzien dat cliënt, indien dat kan en zo snel mogelijk, weer in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de maatschappij.

Opvang

Opvang houdt onder de Wmo in het bieden van onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Als blijkt of wordt gesignaleerd dat de inwoner (mogelijk) opvang nodig heeft, wordt deze situatie gemeld bij de Centrale Intake Maatschappelijke Opvang Twente (CIMOT). Vanuit het CIMOT wordt, samen met de gemeente van herkomst en de melder de noodzaak beoordeeld. Indien een voorziening in de vorm van opvang noodzakelijk is, wordt bij voorkeur een plaats in de gemeente van herkomst gerealiseerd. De uitvoering van opvang is voor de gemeente Rijssen-Holten belegd bij de Centrumgemeenten Almelo en Enschede.

Logeerzorg ter ontlasting van de mantelzorger

Kortdurend verblijf ter ontlasting van de mantelzorger is mogelijk via de Wmo. De taken van de mantelzorger worden dan tijdelijk overgenomen, zodat de mantelzorger tot rust kan komen of tijd voor zichzelf heeft. In principe kan een inwoner 14 dagen aaneengesloten logeren, maar hier wordt maatwerk toegepast. Meerdere logeermomenten per jaar zijn mogelijk. Het doel is dat inwoners langer thuis kunnen wonen met een vitale mantelzorger.

Bijlage 1: richtlijn gebruikelijke hulp

1.Algemeen

1.1.Definitie

Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont.

In het onderzoek wordt beoordeeld of de gevraagde hulp en ondersteuning tot de gebruikelijke hulp behoort en of de gebruikelijke hulp ook daadwerkelijk geleverd kan worden.

Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties:

-Kortdurend: er is uitzicht op herstel. Het gaat hierbij is het algemeen over een periode van maximaal drie maanden;

-Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn.

In kortdurende situaties is het uitgangspunt dat deze als gebruikelijk wordt aangemerkt. Door het kortdurend karakter treedt doorgaans geen overbelasting op. In langdurige situaties is de hulp waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere inwonende huisgenoten) moet worden geleverd, algemeen gebruikelijke hulp.

1.2.Algemene uitzonderingen

Afhankelijk van de individuele situaties kan hulp, die naar algemeen aanvaarde maatstaven als gebruikelijke kan worden beschouwd hier toch niet gebruikelijk zijn. Bijvoorbeeld wanneer:

-Uit onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, handicap of probleem, of dat deze kennis/vaardigheden mist en deze ook niet kan aanleren, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden.

-In een leefeenheid overbelasting dreigt, doordat, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van iemand uit de leefeenheid gezinsleden alsnog onevenredig belast worden.

-de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot. Ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening zal dan van korte duur zijn (3-6 maanden) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.

-de zieke partner/huisgenoot zich in de terminale levensfase bevindt.

Er wordt daarbij telkens onderzoek gedaan naar de verhouding tussen draagkracht en draaglast van de individuele cliënt. Zie hiertoe hoofdstuk 4 van deze richtlijn. Ten aanzien van hulp bij ADL

5Algemene levensverrichtingen

-activiteiten en ondersteuning worden deze uitzonderingen in hoofdstuk 3 nader uitgewerkt.

1.3.Fysieke afwezigheid

Indien de huisgenoot van een hulpvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is, wordt hiermee bij het indiceren uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd. Wanneer de fysieke afwezigheid van de partner minder dan 7 etmalen bedraagt, zal er altijd onderzocht moeten worden of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van de hulp.

1.4.Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding

Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp voor het huishouden en de onderlinge hulp bij ADL-activiteiten van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder door te kijken naar de voor de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten.

Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende -uitgevallen- ouder zijn kan er dan een indicatie voor opvang zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een eenoudergezin.

2Huishoudelijke taken

2.1. Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar

Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken.

-Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen/opwarmen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;

-Uitstelbare taken zijn wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.

2.2. Bijdrage van kinderen en jong-volwassenen aan het huishouden

In geval de leefeenheid van de hulpvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.

-Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

-Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, kleding in de wasmand gooien.

-Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

2.3. Taken van een 18-23 jarige

Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze een gedeelte van de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.

Een 18-23 jarige wordt verondersteld de volgende taken uit te kunnen voeren:

-schoonhouden van sanitaire ruimte,

-keuken en een kamer,

-de was doen,

-boodschappen doen

-maaltijd verzorgen,

-afwassen en opruimen.

Dit is genormeerd naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week.

Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden opvangen en ondersteunen. Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen.

2.4. Kinderen jonger dan 23 jaar

Of en in welke mate de kinderen en jongvolwassenen in het huishouden betrokken worden in het overnemen van taken, is afhankelijk van de specifieke situatie en derhalve maatwerk. Ook het sociale netwerk van het gezin wordt betrokken.

2.5. Gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind

6Bron: CIZ-indicatiewijzer AWBZ 2014

Kinderen 0 tot 3 jaar

-Hebben bij alle activiteiten hulp van een ouder nodig;

-Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

-Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

-Hebben ondersteuning en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

-Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

-Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld de ouder kan de was ophangen in een andere kamer);

-Hebben ondersteuning en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

-Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

-Ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verhulpers;

-Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

-Hebben ondersteuning nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

-Zijn niet in staat zich zonder ondersteuning in het verkeer te begeven;

-Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

-Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;

-Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is);

-Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun hulp bij ADL-activiteiten;

-Hebben ondersteuning en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

-Zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

-Hebben ondersteuning van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan.

-Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

-Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

-Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

-Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

-Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

-Hebben bij hun hulp bij ADL-activiteiten geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

-Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

-Hebben ondersteuning en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

-Hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

3Gebruikelijke hulp bij de ADL-activiteiten en ondersteuning

3.1.Algemeen

Dit hoofdstuk heeft specifiek betrekking op het bepalen van gebruikelijke hulp bij ADL-activiteiten en ondersteuning. De richtlijn is gebaseerd op de voormalige Beleidsregels indicatiestelling AWBZ van het CIZ. Vanuit het oogpunt van continuïteit worden deze beleidsregels nu opgenomen in voorliggende richtlijn.

Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde zorg bieden, is de ondersteuningsbehoevende niet aangewezen op gemeentelijke maatwerkondersteuning voor hulp bij ADL-activiteiten en ondersteuning. Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer zorg mensen elkaar horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot de aanspraak op gemeentelijke maatwerkondersteuning.

3.2.Hoofdregels gebruikelijke hulp bij ADL-activiteiten en ondersteuning

Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties zoals beschreven in hoofdstuk 1.

Algemeen aanvaarde maatstaven:

-In kortdurende situaties moet alle hulp bij de ADL en ondersteuning door de gebruikelijke helper worden geboden.

-In langdurige situaties is de zorg waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de ondersteuningsbehoevende moet worden geboden gebruikelijke hulp.

Hieronder een schematische weergave van de hoofdregels gebruikelijke hulp. De inhoud van dit schema wordt in de rest van het hoofdstuk verder uitgeschreven.

Kortdurende situatie

Langdurige situatie

Partners onderling

-Alle hulp bij ADL

-Gebruikelijke en bovengebruikelijke ondersteuning

Gebruikelijke ondersteuning

Ouders aan kinderen

-Alle hulp bij ADL

-Gebruikelijke en bovengebruikelijke ondersteuning

-Beschermende woonomgeving

-Gebruikelijke hulp bij ADL

-Gebruikelijke ondersteuning

-Beschermende woonomgeving

Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

-Gebruikelijke en niet gebruikelijke ondersteuning

-gebruikelijke ondersteuning

3.3.Afweging gebruikelijke en boven-gebruikelijke hulp

Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke) maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt.

Van boven-gebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is. Voorbeeld: het is niet gebruikelijk dat een volwassene langdurig hulp nodig heeft bij de toiletgang. Hier is dus sprake van boven-gebruikelijke hulp.

3.4. Algemene uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp aan volwassenen en kinderen bij ADL-activiteiten en ondersteuning

1Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp bij ADL-activiteiten, en/of ondersteuning voor de ondersteuningsbehoevende uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hen geen bijdrage verwacht. De betreffende ondersteuning kan worden geïndiceerd. Geobjectiveerde beperkingen zijn beperkingen gerelateerd aan gezondheidsproblemen. De reden dat de gebruikelijke helper de vaardigheden niet kan aanleren, moet worden gemotiveerd.

2Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem geen gebruikelijke hulp bij ADL-activiteiten/of ondersteuning verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Er kan in een dergelijke situatie in eerste instantie enkel een kortdurende indicatie worden afgegeven. Hierbij geldt het volgende:

a.Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/ of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen moeten deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde ondersteuning/zorg moet men die overbelasting opheffen door deze ondersteuning/zorg door (andere) hulpverleners uit te laten voeren/in te kopen;

b.Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp bij ADL-activiteiten en/of ondersteuning, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp bij ADL-activiteiten en/of ondersteuning voor op die maatschappelijke activiteiten.

3Voor zover de ondersteuningsbehoevende zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van een partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot.

3.5.Hulp bij ADL-activiteiten

Partners onderling

Kortdurende situaties

Van partners wordt verwacht dat zij elkaar hulp bij ADL-activiteiten bieden als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de ondersteuningsbehoevende, dat maatwerkondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Bijvoorbeeld wanneer de partner een been breekt.

Deze zorg valt buiten de aanspraken van de gemeentelijke ondersteuningsplicht. De zorgplicht van partners onderling betreft de persoonlijke, lichaamsgebonden zorg in de vorm van assistentie bij, of overname van alle activiteiten die onder de functie PV vallen. Maar ook aandacht en ondersteuning bij een aandoening horen hierbij. Cliëntsoevereiniteit behoort bij partners onderling niet tot de categorie uitzonderingen en is daarom hier niet van toepassing, ook niet vanwege geloofsovertuiging, culturele achtergrond of binnen een gezinssituatie waarin partners ruzie hebben.

Langdurende situaties

Als vanaf de start van de zorgsituatie duidelijk is dat de zorgsituatie een langdurig karakter heeft, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Er hoeft dan dus niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden, alvorens maatwerkondersteuning kan worden geïndiceerd.

Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

Hulp bij ADL-activiteiten van volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp.

Partners onderling en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderlingAanleren aan derden

Het aanleren van handelingen op het gebied van Hulp bij ADL-activiteiten aan derden (familie, vrienden) is gebruikelijke hulp. Als anderen dan de gebruikelijke helper de handelingen uitvoeren als de gebruikelijke helper niet aanwezig is, wordt van de gebruikelijke helper verwacht dat hij die handelingen zelf aan de desbetreffende persoon aanleert.

3.6.Ondersteuning

Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

Kortdurende situaties

Alle ondersteuning van de ondersteuningsbehoevende door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de ondersteuningsbehoevende, dat maatwerkondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

Langdurige situaties

Als het gaat om een chronische situatie is de Ondersteuning van een volwassen ondersteuningsbehoevende gebruikelijke hulp wanneer die Ondersteuning naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van ondersteuning aan een ondersteuningsbehoevende:

-Het geven van ondersteuning aan een ondersteuningsbehoevende op het terrein van de maatschappelijke participatie;

-Het begeleiden van ondersteuningsbehoevende bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort;

-Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte ondersteuningsbehoevende werd uitgevoerd.

Aanleren aan derden

Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de ondersteuningsbehoevende is gebruikelijke hulp.

4Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoten

4.1. Algemeen

De zorg voor een ziek kind of een zieke partner, kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is. In de meeste gevallen is de bovengebruikelijke hulp die geïndiceerd wordt voldoende om deze overbelasting te voorkomen. Maar soms blijkt deze geïndiceerde hulp niet voldoende te zijn. In zulke gevallen kan de gebruikelijke Hulp bij ADL-activiteiten en/of Ondersteuning zo nodig geheel of gedeeltelijk geïndiceerd worden. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk.

4.2.Beoordeling van overbelasting

Aan het indiceren van gebruikelijke hulp gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de gebruikelijke helper zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de ziekte van het kind of de partner (draaglast verhoging).

De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch gebruikelijke hulptaken moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij taken overnemen, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn de gebruikelijke hulp te leveren. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel gebruiken behandelaars en hulpverleners vragenlijsten waarmee overbelasting (mede) onderbouwd kan worden. Niet alleen de omvang van de zorgtaken, maar ook de leveringsvoorwaarde van de zorg zijn van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke helper. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke helper noodzakelijk is.

Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis (DSM-IV-TR) optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals:

-angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen;

-depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid;

-gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag;

-gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag;

-lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.

Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand (aan partner of kind) biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van teveel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Steeds zal daarom moeten worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.

Bijlage 2: Handboek voor Toegankelijkheid

Handboek voor Toegankelijkheid is fysiek in te zien op afdeling Sociaal Consulenten.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.