Gemeentelijke regelgeving

VTH-beleid Ridderkerk 2025-2028

Gemeente Ridderkerk · geldt sinds 30 augustus 2025

Aanhef

Uitvoerings- en handhavingsstrategie fysieke leefomgeving 2025-2028

Burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk hebben op 15 juli 2025 het VTH-beleid 2025-2028 vastgesteld. Dit beleid treedt in werking vanaf 15 juli 2025. Het VTH-beleid regelt de uitvoerings- en handhavingsstrategie van de fysieke leefomgeving binnen de gemeente Ridderkerk.

3. Ontwikkelingen

3.2 Probleem- en risicoanalyse

3.2.1 Vergunningverlening

Vergunningverlening richt zich op het beoordelen van aanvragen en initiatiefvoorstellen (waaronder conceptverzoeken) in het kader van de Omgevingswet. Het doel is om binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen tot een zorgvuldig, goed gemotiveerd besluit te komen. Daarmee draagt vergunningverlening bij aan een veilige, gezonde en duurzame fysieke leefomgeving.

De gemeente handelt conform de eisen uit afdeling 18.3 van de Omgevingswet en afdeling 13.2 van het Omgevingsbesluit. Deze regels vereisen dat voor VTH voldoende capaciteit, deskundigheid en kwaliteit aanwezig is. De uitvoering sluit aan bij de landelijke Kwaliteitscriteria VTH 3.0, die sinds 1 januari 2025 van kracht zijn.

De gemeente werkt met een risicogerichte werkwijze. Dit betekent dat aanvragen worden gewogen op basis van complexiteit, impact op de fysieke leefomgeving en potentiële risico’s. Hoog risico-aanvragen vereisen een uitgebreide beoordeling. Door onderscheid te maken in verschillende type aanvragen zorgen we voor een efficiënte inzet van mensen en middelen. Daarnaast waarborgen we hiermee dat besluitvorming plaatstvindt binnen de gestelde termijnen.

De gemeente legt jaarlijks verantwoording af over de inzet, prestaties en kwaliteit van de VTH-taken via de VTH-jaarstukken. Deze jaarstukken vormen tevens de basis voor bijsturing en voortgangsmonitoring.

Risico’s binnen het vergunningverleningsproces

Ondanks een efficiënte werkwijze en naleving van de geldende wet- en regelgeving zijn er factoren die het proces kunnen beïnvloeden:

•toename van bezwaar- en beroepsprocedures;

•strikte wettelijke beslistermijnen;

•uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van vergunningsvoorschriften;

•maatschappelijke weerstand tegen ruimtelijke besluiten.

Om deze risico’s te beperken, worden aanvragen beoordeeld op juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid en maatschappelijke consequenties. Elk besluit wordt zorgvuldig afgewogen, met oog voor rechtszekerheid en bestuurlijke legitimiteit.

3.3 Doelstellingen

3.3.1 Vergunningverlening

Vergunningverlening streeft naar tijdige, correcte en integrale besluitvorming, met de volgende doelen als uitgangspunt:

-efficiënte en zorgvuldige besluitvorming binnen wettelijke termijnen;

-bescherming en verbetering van de fysieke leefomgeving;

-een servicegerichte mentaliteit;

-proactief meedenken.

3.3.2 Toezicht en handhaving

Met het handhaven van de wet- en regelgeving willen wij bereiken dat de regels worden nageleefd. Zo voorkomen we risico’s die voortkomen uit het niet-handhaven. Daarnaast zorgen we voor een veilige, leefbare, gezonde en duurzame leef-, woon- en werkomgeving voor burgers en bedrijven. Vanuit handhaving streven we de volgende doelen na:

-naleving van de wet- en regelgeving;

-inperken van (veiligheids) risico’s;

-een veilige, gezonden en aantrekkelijke fysieke leefomgeving.

4. VTH-prioriteiten en strategieën

4.1 Prioriteiten

4.1.1 Prioriteiten vergunningverlening

Binnen de vergunningverlening ligt de prioriteit bij het vroegtijdig in gesprek gaan met initiatiefnemers via een vooroverleg. Dit vooroverleg biedt de mogelijkheid om samen te verkennen wat binnen de geldende kaders mogelijk is, zodat al in een vroeg stadium helderheid ontstaat over het plan, de vereisten en het standpunt van de gemeente.

Deze aanpak draagt bij aan een efficiënter vergunningproces. Door vroegtijdige afstemming sluiten aanvragen beter aan op de regelgeving en kan de behandeltermijn vaker binnen de wettelijke kaders worden gewaarborgd. Daarnaast verbetert het de voorspelbaarheid en kwaliteit van besluitvorming en voorkomt het onnodige vertraging of aanpassing in een later stadium.

Voor eenvoudige aanvragen, zoals dakkapellen of aanbouwen, onderzoeken we mogelijkheden om procedures te versnellen of te vereenvoudigen, bijvoorbeeld via standaardregels of (deels) geautomatiseerde afhandeling. Ook bij deze aanvragen streven we naar duidelijke communicatie en een voorspelbaar proces.

Met deze werkwijze geven we invulling aan een servicegerichte en zorgvuldige vergunningverlening die aansluit op de behoeften van inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen.

4.1.2 Prioriteiten handhaving

Prioriteiten worden gesteld op basis van de risicoanalyse in de bijlage. In deze risicoanalyse is onderscheid gemaakt tussen hoog-, midden- en laagrisico-overtredingen. Overtredingen worden op basis van kans en effect geclassificeerd en geprioriteerd als hoog, gemiddeld of laag risico.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bevoegd bestuursorgaan in beginsel gebruikmaken van zijn handhavingsbevoegdheid. Dit kan door het opleggen van een last onder bestuursdwang of een dwangsom. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan hiervan afzien. Dit kan het geval zijn als er concreet zicht is op legalisatie of wanneer handhavend optreden in een specifieke situatie onevenredig zwaar is in verhouding tot het belang dat daarmee wordt gediend.

Naast ons toezicht en handhavingsbeleid, biedt de gemeente Ridderkerk ook ruimte voor signalen van inwoners en bedrijven. Zij kunnen een formeel verzoek tot handhaving indienen op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Deze verzoeken worden beoordeeld aan de hand van dezelfde uitgangspunten als genoemd in dit beleid.

4.2 Strategieën

4.2.1 Preventiestrategie

De preventiestrategie richt zich op het voorkomen van aantasting van de leefomgeving of het ontstaan van risico’s. Dit doen we door voorlichting te geven en helder te communiceren over de regels waaraan inwoners en bedrijven zich moeten houden.

Door heldere communicatie over geldende regels stimuleren wij naleving door inwoners en bedrijven. Via onze website en informatieavonden bij actuele onderwerpen geven wij op een informele en toegankelijke manier voorlichting aan inwoners en bedrijven.

4.2.2 Toezichtstrategie

In de bijlage is onze toezichtstrategie opgenomen. In onze toezichtstrategie worden de uitvoeringsvormen en bijbehorende werkwijze beschreven. Ook wordt hierin toegelicht hoe de afstemming tussen handhavingspartners is georganiseerd.

4.2.3 Sanctiestrategie

De sanctiestrategie in de bijlage bevat een stappenplan voor het optreden bij overtredingen waarvoor legalisatie niet meer mogelijk is. Hierin staat welke strategie kan worden toegepast bij een overtreding. Hierbij wordt ook gekeken of bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk gehandhaafd kan worden. De afweging wordt gemaakt op basis van de ernst en het effect van de overtreding.

In onze sanctiestrategie wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Landelijke Handhaving strategie Omgevingswet (LHSO). Deze landelijke strategie bevordert uniforme en proportionele handhaving door bestuursorganen. De LHSO is een beleidskader voor de handhaving op zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk gebied. Het doel van deze strategie is de naleving van de beginselplicht tot handhaving te waarborgen, adequaat optreden bij overtredingen, het maken van vergelijkbare keuzes in vergelijkbare situaties en het op consistente wijze kiezen en toepassen van interventies.

4.2.4 Gedoogstrategie

De gemeente Ridderkerk voert in beginsel geen actief gedoogbeleid. Een gedoogbeschikking biedt immers geen formele rechtszekerheid aan belanghebbenden. Alleen in uitzonderlijke situaties kan worden overwogen om een gedoogbeschikking af te geven. In dat geval wordt deze voorzien van een duidelijke motivering en wordt gemotiveerd waarom wordt afgeweken van het vastgestelde beleid.

Deze lijn is in overeenstemming met jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (2019), waarin is vastgesteld dat een schriftelijke gedoogbeslissing in beginsel geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat daartegen geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld.

Het komt voor dat wij overtredingen met een lage prioriteit constateren. Wanneer directe handhaving niet passend is wordt een waarschuwingsbrief verstuurd. Daarin wijzen wij de overtreder op de geconstateerde overtreding en behouden wij ons het recht voor om in de toepkomst handhavend op te treden.

4.2.5 Overige strategieën

Wet Goed Verhuurderschap

In juli 2023 is de Wet goed Verhuurderschap in werking getreden. Deze wet bevat algemene regels over wat er onder goed verhuurderschap wordt verstaan. Verhuurders en verhuurbemiddelaars moeten goed verhuren en zich correct gedragen tegenover huurders. Zij mogen bijvoorbeeld niet discrimineren of huurders intimideren. Bovendien moet het voor een huurder duidelijk zijn welke servicekosten hij moet betalen en dat bedrag mag niet te hoog zijn. Als een verhuurder zich niet aan de regels houdt, kan een huurder dit melden via het meldpunt van de gemeente Ridderkerk.

Wet kwaliteitsborging

Per 1 januari 2024 is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking getreden. Deze wet beoogt de bouwkwaliteit te verbeteren en wijzigt de gemeentelijke rol in het bouwproces. Voor bouwwerken in gevolgklasse 1, zoals grondgebonden woningen en kleine bedrijfspanden, is de preventieve bouwtechnische toetsing overgegaan naar private kwaliteitsborgers. Gemeenten zijn voortaan verantwoordelijk voor het toetsen van de bouw- en gereedmelding, en blijven toezichthouder op omgevingsveiligheid en naleving van de Omgevingswet.

Hoewel dit leidt tot een verandering in de werkzaamheden in de toetsingsfase, ontstaat er extra inzet bij toezicht en handhaving, onder andere door gebrekkige gereedmeldingen en signalen van kwaliteitsborgers. Deze taken vragen om heldere werkprocessen, gerichte monitoring en afstemming binnen de teams.

Bijlage toelichting risicomatrix

In dit hoofdstuk staat een toelichting op de risicomatrix in de bijlage. De matrix helpt om risico’s gestructureerd te beoordelen en onderbouwen en zo te bepalen welke handhavingstaken prioriteit krijgen binnen onze gemeente. Hiermee kunnen we onze capaciteit gericht inzetten en weloverwogen keuzes maken.

Opbouw van de matrix

De risicomatrix bestaat uit twee hoofdelementen:

1Impactscore per thema

2Kans op overtreding

Dit samen geeft een risicoscore, die bepaalt of een situatie laag, gemiddeld of hoog geprioriteerd wordt.

Impactscore

Bij ieder handhavingsthema wordt gekeken wat de mogelijke impact of schade is bij het niet naleven van de regels. We beoordelen de impact middels zes thema’s:

-Fysieke veiligheid: Denk aan instortingsgevaar, brandrisico’s of andere situaties die direct gevaar kunnen opleveren.

-Sociaal: De invloed op de leefomgeving, op belanghebbende of overlast van de openbare orde.

-Financieel: Mogelijke financiële schade voor de gemeente of derden, bijvoorbeeld door misgelopen leges of herstelkosten.

-Natuur en cultuur: Aantasting van waardevolle natuurgebieden, cultuurhistorische gebouwen of monumenten.

-Gezondheid: Risico’s voor de volksgezondheid, zoals brandveiligheidsproblemen of slechte luchtkwaliteit.

-Bestuurlijk: Imagoschade, politieke druk of aantasting van de geloofwaardigheid van de overheid.

Voor elk van deze aspecten wordt een score gegeven tussen 0 (geen impact) en 5 (zeer grote impact).Deze scores worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door zes, wat leidt tot een gemiddelde impactscore.

Kans op overtreding

Naast de impact is het ook belangrijk om in te schatten hoe waarschijnlijk het is dat een overtreding voorkomt. Hiervoor gebruiken we een schaal van 1 (komt bijna nooit voor) tot 5 (komt regelmatig of structureel voor).

De inschatting is gebaseerd op:

•Eerdere handhavingsdata en ervaringscijfers;

•Signalen vanuit toezicht;

•Klachten en meldingen uit de omgeving.

Risicoscore en prioritering

De risicoscore wordt als volgt berekend:

Risicoscore = Gemiddelde impactscore × Kans op overtreding

Deze risicoscore leidt tot een indeling in een van de volgende prioriteitscategorieën:

•Laag (0 – 3): Incidenteel toezicht, verzoeken om handhaving.

•Gemiddeld (3 – 6): Gericht toezicht, afhankelijk van capaciteit en urgentie.

•Hoog (>6): Proactief toezicht, actieve inzet van handhaving.

Door deze risico gestuurde aanpak kijken we binnen onze capaciteit welke keuzes we maken. De matrix zorgt ervoor dat handhaving en toezicht daar plaatsvindt waar de maatschappelijke of fysieke risico’s het grootst zijn.

Bijlagen risicomatrix

Handhavingstaak

Fysieke veilig-heid

Sociaal

Financieel

Natuur/Cultuur

Gezondheid

Bestuurlijk

Kans op overtreding

Risico score

Prioriteit

1het bouwen van een bouwwerk in afwijking van een omgevingsvergunning grote bouwwerken (constructieve eisen en brandveiligheid uit het BBL)

4

2

3

2

2

3

3

8

hoog

2het bouwen van een bouwwerk in afwijking van een omgevingsvergunning kleine bouwwerken (constructieve eisen en brandveiligheid uit het BBL)

2

1

1

0

0

2

4

4

gemiddeld

3het bouwen van een bouwwerk in afwijking van een omgevingsvergunning (gebruikseisen en energie-eisen uit het BBL)

1

1

1

0

1

1

2

2

laag

4het bouwen van een bouwwerk in afwijking van een omgevingsvergunning (strijd omgevingsplan, of de algemene regels en aanwijzingen van provincie of Rijk)

0

3

3

3

1

3

2

4,5

gemiddeld

5het bouwen van een bouwwerk in strijd met een omgevingsvergunning (strijd welstandseisen)

0

3

2

3

0

1

2

3

laag

6het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning; klein bouwwerk

1

2

1

0

0

2

2

2,5

laag

7het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning; groot bouwwerk

4

3

3

2

1

3

2

5,5

Gemiddeld

8het bouwen van een omgevingsvergunningsvrij bouwwerk met welstandsexces

0

2

2

0

0

2

2

1,8

laag

8het bouwen van een omgevingsvergunningsvrij bouwwerk in strijd met de eisen uit het BBL

2

1

2

0

2

2

3

4,9

gemiddeld

10het plaatsen van reclame-uitingen zonder omgevingsvergunning

0

2

1

0

0

2

3

1,9

laag

11het niet voldoen aan de eisen voor bestaande bouw uit het BBL (constructieve veiligheid en brandveiligheid)

4

3

3

0

3

3

2

6

hoog

12het gebruik in strijd met brandveiligheidsvoorschriften voor bouwwerken voor niet openbaar toegankelijke gebouwen

3

2

2

0

1

2

2

3,5

gemiddeld

13het gebruik in strijd met brandveiligheidsvoorschriften voorbouwwerken met omgevingsvergunning voor brandveilig

x

x

x

x

x

x

x

x

o.b.v. afspraken met de VRR & jaarlijks uitvoeringsprogramma

14het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met het omgevingsplan of voorbereidingsbesluit, zonder omgevingsvergunning

2

3

2

2

1

2

2

5

gemiddeld

15het slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning/ melding

3

2

3

3

3

3

2

6

hoog

16het niet op tijd verwijderen van een bouwwerk met tijdelijke omgevingsvergunning

0

2

2

1

1

2

2

2

laag

17het uitvoeren van werkzaamheden of een werk, geen bouwwerk zijnde, zonder omgevingsvergunning op basis van het omgevingsplan of voorbereidingsbesluit

0

2

3

3

0

2

2

3

laag

18het uitvoeren van werkzaamheden of een werk, geen bouwwerk zijnde, op basis van het omgevingsplan of voorbereidingsbesluit, in afwijking van een omgevingsvergunning

1

2

2

2

1

2

2

3

laag

19de staat van erven en terreinen

0

3

1

1

1

2

2

2,5

laag

20het veroorzaken van woonoverlast

0

3

0

0

2

2

3

3

laag

21de staat van een monument in strijd met de eisen van bestaande bouw uit het BBL

3

3

3

3

0

2

2

5

gemiddeld

22de staat van een monument in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand (welstandsexces)

0

4

3

3

0

3

2

5

gemiddeld

23het zonder vergunning of in strijd met de vergunning uitvoeren van een werk (omgevingsvergunning voor het aanleggen van een werk)

1

2

2

2

1

2

2

3

laag

24het in gebruik nemen van een bouwwerk zonder een daarvoor benodigde gereed melding en/of volledige verklaring van een daarvoor bevoegde kwaliteitsborger

3

2

3

1

1

3

3

6

hoog

Bijlage: Toezichtstrategie

Het college heeft op grond van de Omgevingswet een toezichthoudende taak op het gebied van de fysieke leefomgeving. Het college is hierdoor belast met het toezicht op de naleving en handhaving van de wet- en regelgeving van vergunningen, openbare ruimte en milieu.

Toezicht betekent controleren of regels worden nageleefd. De juridische maatregelen die mogelijk worden getroffen tegen geconstateerde overtredingen vallen onder handhaving.

In deze toezichtstrategie worden de vormen van uitvoering beschreven die het college heeft en de werkwijze die daarbij wordt toegepast. Ook geeft het aan hoe de afstemming tussen de verschillende handhavingspartijen geregeld is.

Er zijn vier vormen van toezicht:

1toezicht na het verlenen van een vergunning;

2ad hoc (incidenteel) toezicht na meldingen, klachten en calamiteiten;

3toezicht na een specifiek verzoek tot handhaving;

4projectmatig toezicht.

De Omgevingswet geeft relevante aspecten die een nieuwe invulling moeten geven aan de bovengenoemde strategieën. De toezichtstrategie is opgesteld volgens de nalevingstrategie en geeft invulling aan: (a) brede inzet van capaciteit, (b) integraal toezicht, (c) efficiënt en effectief toezicht en een (d) adequate rapportage.

A) Brede inzet van toezichtscapaciteit

In dit handhavingsbeleid komen verschillende toezichtstaken naar voren. Er zijn verschillende aanleidingen voor het houden van toezicht:

-Vergunningstoezicht – Controle na verlening van een vergunning.

-Incidentgericht toezicht – Naar aanleiding van meldingen, klachten of calamiteiten.

-Handhavingsverzoeken – Op verzoek van derden.

-Projectmatig toezicht – Gericht op specifieke thema’s (bijv. energielabels, monumenten, veiligheid).

De Omgevingswet en Wkb hebben toezicht verder gestructureerd en afgestemd op risicogericht en efficiënt werken.

Voor de wijze waarop toezichtscapaciteit ingezet kan worden zal het college het volgende hanteren:

-Fysieke controles bij bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden (met of zonder vergunning).

-Controle op meldingen (o.a. afwijkingen in private kwaliteitsborging onder de Wkb).

-Integrale controles op bouw en brandveiligheid.

-Afhandeling van klachten en handhavingsverzoeken.

-Opsporing van illegale situaties door actieve signalering.

-Projectmatig toezicht (bijv. monumenten, energielabels, veiligheidscontroles).

Reguliere controles zullen het grootste gedeelte van de capaciteit innemen. Afhankelijk van de aard en het risico van de betreffende activiteit, kan een afweging worden gemaakt hoe de capaciteit ingezet wordt. De keuzes worden gemotiveerd in ons uitvoeringsprogramma.

Naast capaciteit voor reguliere controles dient er capaciteit ingezet te worden voor het behandelen van meldingen, klachten en handhavingsverzoeken. Ook is het belangrijk dat er capaciteit wordt ingezet voor de opsporing van illegale situaties. De vierde vorm van het inzetten van toezichtscapaciteit is projectmatig. Per project kunnen de doelstellingen en prioriteiten bepaald worden. Hierdoor kan er efficiënter gewerkt worden.

Toezichtsgebieden

Verschillende toezichtsgebieden vragen om verschillende vormen van toezicht. Het controleren van een verleende vergunning voor een woning (bouwen) is heel wat anders dan het toezicht houden op een nieuwe bedrijfshal. Aan de hand van de prioriteitenlijst van het handhavingsbeleid is er onderscheid gemaakt tussen de volgende 8 toezichtsgebieden:

1toezicht op verleende omgevingsvergunningen voor de omgevingsplanactivteit (OPA) of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA);

2toezicht op verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen; of controle n.a.v. afwijkingen bij meldingen private kwaliteitsborging onder de Wkb;

3toezicht op constructieve veiligheid en brandveiligheid in de gebruiksfase;

4toezicht op monumenten;

5toezicht op slopen, kappen, inritten en reclame;

6incidenteel toezicht (o.a. bij vergunningsvrij bouwen);

7toezicht op technische onderdelen voortkomend uit de APV, m.n. constructieve veiligheid bij evenementen;

8preventief toezicht op milieubelastende activiteiten.

Toezicht op verleende omgevingsvergunningen voor de binnenplanse omgevingsplanactivteit (OPA) of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

Een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar waar toch een vergunningplicht voor geldt. Denk hierbij aan de activiteit bouwen (ruimtelijk), het kappen van een boom of het aanpassen van een monument. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en ook niet vergunningvrij is.

Toezicht op verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen

Het gaat hier om toezicht op het naleven van de voorschriften van een verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Hierbij wordt onder andere gecontroleerd op voorschriften uit het besluit bouwwerken leefomgeving en voorschriften in de omgevingsvergunning die daarop gebaseerd zijn.

Het is van belang dat er voorafgaand aan en tijdens het bouwen gecontroleerd wordt of gebouwd wordt volgens de omgevingsvergunning. Tijdens de uitvoeringsfase wordt op locatie gecontroleerd op de vereiste technische voorschriften. De controlefrequentie wordt bepaald door de aard van het bouwwerk, de beschikbare capaciteit en de prioriteit die aan de controle wordt gegeven.

Controle n.a.v. afwijkingen bij meldingen private kwaliteitsborging onder de Wkb

De Wkb betekent een groot aantal veranderingen in het toezicht en de handhaving bij bouwactiviteiten. De gemeente blijft verantwoordelijk voor het toezicht op de bestaande bouw, bouw- en sloopveiligheid en blijft het bevoegd gezag voor het bouwdomein. Bouwtoezicht voor gevolgklasse 1 bouwwerken wordt echter primair belegd bij private kwaliteitsborgers.

De gemeente toetst niet meer inhoudelijk aan bouwtechnische voorschriften, maar controleert of de opdrachtgever werkt met een toegelaten, bij de bouwactiviteit passend instrument en een onafhankelijke kwaliteitsborger. Ook controleert de gemeente of alle specifieke risico’s voor dat bouwwerk in de risicobeoordeling in kaart zijn gebracht en in het borgingsplan zijn vastgelegd. Mocht toezicht en handhaving noodzakelijk zijn, dan biedt de Wkb in aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht verschillende handvatten om te kunnen beschikken over de noodzakelijke informatie.

Bij een onvolledige bouwmelding is juridisch geen sprake van een melding. De gemeente geeft aan de melder aan dat hij geen melding heeft gedaan, dat er gegevens ontbreken en ook welke. Als de melding vervolgens compleet wordt ingediend, is de melding op dat moment gedaan en gaat de termijn van vier weken lopen. Datzelfde geldt bij een onvolledige gereedmelding. Als die onvolledig is, is hij niet gedaan. Als de gereedmelding vervolgens compleet wordt ingediend, is de melding alsnog op dat moment gedaan. Een mededeling dat een melding niet aan de eisen voldoet (en dus onvolledig is), moet uiteraard wel binnen de termijn van vier weken worden gedaan.

Toezicht op brandveiligheid en constructieve veiligheid in de gebruiksfase

Het gaat hier om periodiek toezicht op algemene voorschriften van brandveiligheid van bestaande bouwwerken. Hier wordt samen met de VRR op de locatie gecontroleerd op de kwaliteit en veiligheid van de bouwwerken voor brandgevaar. Onder toezicht op brandveiligheid valt ook controle op de constructieve veiligheid bij bijvoorbeeld interne verbouwingen bij bestaande bouw. Ook kan op projectmatige basis toezicht worden gehouden op de constructieve veiligheid van bijvoorbeeld panden op een bedrijventerrein (bestaande bouw). Het doel van dit toezicht is voorkomen dat schade wordt geleden door onveilige situaties.

Toezicht op gemeentelijke monumenten

Hier wordt voornamelijk gecontroleerd op het naleven van de voorschriften van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument. Door hierop toezicht te houden wordt geprobeerd verloedering of verandering van monumentale waarden te voorkomen.

Toezicht op slopen

Het gaat hier om het naleven van de voorschriften voor sloopactiviteiten zonder asbestcomponent. Tijdens de sloopfase wordt op de locatie gecontroleerd of echt volgens de voorschriften wordt gesloopt. Daarnaast wordt gecontroleerd op het slopen zonder de benodigde melding vooraf. Na melding van sloopwerkzaamheden kunnen vanuit de gemeente voorwaarden worden verbonden aan de sloop, bijvoorbeeld met betrekking tot afvalscheiding, veiligheid en beperking van hinder.

Incidenteel toezicht (o.a. bij vergunningsvrij bouwen)

Het gaat hier om controles naar aanleiding van klachten (signalen) en meldingen door toezichtpartners of anderen. Het college neemt naar aanleiding van een klacht of melding actie om het voorval, de overlast of overtreding te onderzoeken en indien nodig op te lossen. De mate waarin actie wordt ondernomen hangt af van de aard en de gestelde prioriteit van de betreffende activiteit, klacht of melding.

Toezicht op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

Voor een aantal regels in de APV geldt een omgevingsvergunningplicht. Bij toezicht op onderwerpen van de APV die raakvlakken hebben met ruimtelijke ordening en constructieve veiligheid ligt de nadruk bij controle op de zaken waarbij risico’s aanwezig kunnen zijn voor de veiligheid van burgers en/of de leefbaarheid van de omgeving. Toezicht vindt plaats naar aanleiding van verleende omgevingsvergunningen of meldingen door anderen.

Toezicht op milieubelastende activiteiten

Het college heeft het toezicht op milieu uitbesteed aan DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR). Voor de toezicht strategieën van de DCMR verwijzen wij naar de daarvoor relevante beleidsstukken.

B) Integraal toezicht

Afstemming handhavingspartners

Uitgangspunt van de Omgevingswet is integraal toezicht. De wet verplicht het college het toezicht af te stemmen met andere betrokken handhavingspartners. Bij het afstemmen van toezicht gaat het om wanneer, wat en waar gecontroleerd moet worden.

Toezicht vindt hier plaats door de faseringsketen. De faseringsketen beschrijft de verschillende fasen van een activiteit. De keten kent de volgende fasen: de planfase, realisatiefase, gebruiksfase en sloopfase. De bedoeling is dat per fase toezicht wordt gehouden door een toezichthouder. De overgangen tussen de fasen vormen belangrijke momenten voor afstemming. Deze afstemming kan belangrijk zijn voor zaken die in een andere fase aan de orde komen.

Het college hanteert voor de uitvoering van integrale controles twee modellen:

-controleren met elkaar: vooral in situaties die complexer zijn of een hogere bestuurlijke prioriteit hebben, zal vanuit bouw, milieu, (brand)veiligheid en andere beleidsvelden gezamenlijk een integrale controle worden uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is het toezicht op constructieve veiligheid en brandveiligheid;

-signaleren voor elkaar: de toezichthouder neemt tijdens de inspectie punten van andere beleidsvelden mee. Een toezichthouder milieu kan bijvoorbeeld in een buitengebied ook letten op situaties op het gebied van ruimtelijke ordening, bouwen etc.

Periodiek vindt er integraal handhavingsoverleg plaats. Bij dit overleg zijn vertegenwoordigers van onze gemeente, de DCMR, de VRR en, indien gewenst, andere partners (politie, Waterschap) aanwezig. Tijdens dit overleg worden bepaalde handhavingszaken besproken en wordt een gezamenlijke aanpak afgestemd.

Onafhankelijkheid van eigen organisatie

Goed handhaven vraagt om een functionele scheiding tussen vergunningverlening en handhaving. Op die manier kan niet dezelfde persoon een vergunning verlenen en deze controleren op regelnaleving. In onze gemeente is deze functionele scheiding volledig gerealiseerd.

De inspecteur heeft, binnen de door het bestuur en leidinggevende gegeven werkinstructies, een onafhankelijke rol in het aanpakken van overtredingen van de eigen organisatie (bijvoorbeeld gemeentelijke bouw- en sloopprojecten). Hierin wordt niet anders opgetreden dan als de overtreding door een externe partij wordt begaan.

Borging processen

De handhavingsprocessen moeten worden geborgd. De processen voor een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang zijn opgenomen en beschreven in dit handhavingsbeleidsplan. Daarnaast zijn de verschillende werkprocessen voor handhaving beschreven. Het toezichtprotocol is gebruikt om het proces voor toezicht te borgen in Rx-mission. Afstemming met de handhavingspartners is opgenomen in de processen. Hierdoor wordt integraal toezicht geborgd.

C) Efficiënt en effectief toezicht

Door de juiste toezichtsmiddelen in te zetten om de gestelde doelen te bereiken, probeert de gemeente te zorgen voor minder overlast van toezicht bij de burgers en bedrijven. Voor het houden van toezicht zal de controlefrequentie afgestemd worden op het risico van de activiteit, de aard van de inrichting of van het bouwwerk. Ook zal het tijdstip van de controles afgewogen worden om het doel te bereiken.

Toezichtsprotocol

Het “integraal Toezicht Protocol (iTP)” wordt toegepast. Het integraal Toezicht Protocol is een gezamenlijk product van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, Platform milieuhandhaving grote gemeenten en Brandweer Nederland (voorheen de Nederlandse vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding). Het integraal Toezichtprotocol wordt door de Rijksoverheid ondersteund en geaccepteerd als landelijk standaard hulpmiddel bij de uitvoering van het omgevingstoezicht.

De inspecteurs moeten inhoudelijk goed op de hoogte zijn van die diepgang en daarnaar handelen. Ook het minimaal aantal vereiste bezoeken en in welk stadium van het bouwproces deze kunnen plaatsvinden, liggen per categorie bouwwerk vast.

Het toezichtsprotocol bevat:

-een categorie-indeling waarbij de bouwprojecten worden onderverdeeld in verschillende categorieën op basis van soort en omvang;

-een toezichtmatrix waarin tijdstip en diepgang van de controle per bouwfase worden aangegeven;

-een werkinstructie met een checklist waarin de te controleren onderdelen worden aangegeven;

-een richtlijn waarin gedetailleerd de technische eisen worden vermeld waaraan een onderdeel moet voldoen.

In het systeem kunnen gegevens die door toezicht en bij handhaving worden verkregen, worden geregistreerd en kan de voortgang van de handhavingszaken worden bewaakt. Hierdoor kan managementinformatie worden verkregen en kunnen de resultaten en de voortgang van het uitvoeringsprogramma worden bewaakt.

D) Adequate rapportage

De rapportage geeft inzicht in de bevindingen van de toezichthouders. Ook staat in het rapport wat wordt gedaan nadat een overtreding is geconstateerd. De toezichthouders zullen periodiek rapportages opstellen over de voorgenomen activiteit, de uitvoering en de naleving daarvan. Dit draagt bij aan dossiervorming voor de bestuursrechtelijke vervolgprocedure.

Voor het maken van de rapportage kan gebruik worden gemaakt van een standaarddocument. Dit document is opgenomen in het geautomatiseerde systeem waarmee bij toezicht en handhaving wordt gewerkt. Hoe uitgebreid er gerapporteerd wordt, is afhankelijk van de aard van het inspectiebezoek en de geconstateerde overtreding(en). De rapportage kan variëren van een aantekening in het systeem tot een uitgebreide schriftelijke rapportage met fotomateriaal.

De rapportage omvat informatie zoals in de Wet open overheid (Woo) wordt bedoeld. Een rapportage moet in elk geval de volgende onderdelen bevatten: algemene gegevens van het toezichtbezoek, de (contact)persoon waarmee gesproken is, de bevindingen, advies over handhaving, de gemaakte afspraken en eventueel of er een vervolgbezoek nodig is.

Alleen als er overtredingen geconstateerd zijn, zal dit per brief aan de betrokkene bekend worden gemaakt. Worden er geen overtredingen geconstateerd, dan wordt dit mondeling meegedeeld aan de contactpersoon of -personen. Het kan zijn dat niet altijd direct kan worden opgetreden tegen overtredingen. Als dat het geval is, kan de toezichthouder een zogenaamde waarschuwingsbrief sturen. In deze brief wordt aan de overtreder meegedeeld dat er een overtreding is geconstateerd en aangegeven dat een handhavingstraject zal worden opgestart.

Bijlage: Sanctiestrategie

Onder de handhavingsstrategie valt ook de sanctiestrategie. In de sanctiestrategie staat een stappenplan dat aangeeft hoe wordt opgetreden tegen een geconstateerde overtreding waarbij legalisatie niet meer mogelijk is. Dit betekent dat met de sanctiestrategie wordt bepaald welke maatregel of straf wordt opgelegd als er een overtreding is geconstateerd. Hierbij wordt ook gekeken of bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk gehandhaafd kan worden. De afweging wordt gedaan op basis van de ernst en het effect van de overtreding.

De wet zegt dat van de overheid verwacht mag worden dat zij handhavend optreedt tegen geconstateerde overtredingen. Het is echter niet mogelijk tegen alle overtredingen handhavend op te treden. Handhavend optreden kan bijvoorbeeld onevenredig zijn. Hiervoor is deze strategie opgesteld. De strategie helpt om effectief te handhaven en daarbij rekening te houden met de beperkingen en prioriteiten van de gemeente en de omstandigheden van het geval.

In de sanctiestrategie wordt bij elke omstandigheid het volgende getoetst:

-de bevoegdheid van het bestuursorgaan om handhavend op te treden;

-of er na een belangenafweging afgezien kan/mag worden van handhaving;

-of handhavend optreden in verhouding staat tot het belang om de regels na te leven (onevenredigheid);

-of er redenen zijn om de overtreding voor een bepaalde termijn toe te staan (te gedogen).

Transparantie

Vooraf is moeilijk vast te stellen welke termijnen en sancties worden aangehouden bij overtredingen. Voor de hoogte van een geldelijke sanctie wordt gekeken naar de (mogelijke) gevolgen van de overtreding voor het milieu, de veiligheid, gezondheid, precedentwerking etc. Ook wordt gekeken naar wat de kosten van het herstellen van de overtreding zouden zijn. De hoogte van een dwangsom ligt over het algemeen hoger dan de herstelkosten om de overtreder te bewegen zelf de overtreding op te heffen.

Om het voor de overtreder zo transparant mogelijk te maken is het noodzakelijk om zowel in de vooraankondiging als in het besluit een duidelijke belangafweging te maken. Ook is het noodzakelijk om duidelijk te motiveren waarom bepaalde termijnen worden aangehouden en waarom bepaalde sancties worden opgelegd.

Stap 1

Hierbij wordt gekeken naar de overtreding en de doelen en prioriteiten zoals die gesteld zijn in het handhavingsbeleidsplan en het jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma. Afhankelijk van de ernst van de overtreding en de gestelde doelen en prioriteiten wordt doorgegaan naar stap 2 of wordt gewacht met het oppakken van de overtreding. Wordt er gewacht, dan gebeurt dat wel met het doel om deze in de toekomst op te pakken.

Stap 2

Bij de tweede stap wordt gekeken of het bestuursorgaan wel mag handhaven. Er zijn situaties waaruit blijkt dat het college niet het bestuursorgaan is dat mag handhaven. Ook kan het zijn dat er geen strijd is met de wet. Kortom, mag het bestuursorgaan handhaven?

Stap 3

Als het bestuursorgaan bevoegd is te handhaven, moet worden afgewogen of er redenen zijn om van handhavend optreden af te zien. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen het algemeen belang en de belangen van betrokkenen en derden. Bij deze afweging wordt ook gekeken of handhavend optreden in verhouding staat met het belang om wetten en regels na te leven.

Stap 4

Hierbij is het uitgangspunt dat er sprake is van een overtreding waar feitelijk en juridisch tegen gehandhaafd kan worden. In deze stap wordt bepaald of er feiten en omstandigheden zijn die dwingen om te handhaven of om van handhaving af te zien of alleen een waarschuwingsbrief te versturen.

Stap 5

Stap 5 geeft de formele vormen van interventie aan die volgen op het constateren van een overtreding. Aan de hand van de ernst van de overtreding wordt bepaald in welk “vak” van onderstaande tabel de overtreding het beste geplaatst kan worden. Het vak waar de overtreding in geplaatst kan worden geeft de maatregel aan die opgelegd kan worden.

Stap 6 (optioneel)

Het college kan er voor kiezen om voor één of meerdere activiteiten een correctiestap toe te passen. In deze stap wordt bepaald of er verzwarende of verzachtende omstandigheden zijn. Zijn deze aanwezig dan wordt een hokje naar linksonder, linksboven, rechtsboven of rechtsonder opgeschoven.

Stap 7

Als alle voorgaande stappen zijn doorlopen kan uit de tabel worden gelezen welke sanctie opgelegd kan worden. Ook kan worden bepaald of strafrechtelijk optreden nodig is. De doorlopen stappen worden transparant vastgelegd. Als de uitkomst van de matrix is dat een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd, wordt vervolgens bepaald welke specifieke maatregel wordt ingezet. In de meeste gevallen zal het gaan om het opleggen van een last onder dwangsom, een last onder bestuursdwang of een besluit tot (gedeeltelijke) intrekking van de vergunning.

De volgende stap

Wanneer alle stappen zijn doorlopen, wordt bepaald of de sanctie ook echt wordt opgelegd.

Afhankelijk van de aard van de overtreding heeft het opleggen van het sanctiemiddel het doel om verdere of een nieuwe overtreding te voorkomen, of om de overtreding ongedaan te maken. Als het ingezette sanctiemiddel niet tot een van deze resultaten leidt, moet een ander/zwaarder sanctiemiddel ingezet worden om voldoende prikkel te geven. Bovendien kunnen er tijdens het handhavingstraject nieuwe feiten en omstandigheden naar voren komen (bijvoorbeeld zienswijzen) die een reden kunnen geven om bepaalde stappen uit de sanctiestrategie opnieuw te doorlopen.

Sanctiematrix:

Uitleg

De handhaver bepaalt in welk segment van de in figuur 1 opgenomen matrix (de basisinterventiematrix) hij zijn bevindingen positioneert door (1) het beoordelen van de gevolgen van de overtreding voor de fysieke leefomgeving, zoals milieu, erfgoed, natuur, water, ruimtelijke ordening, veiligheid, gezondheid e.d., en (2) het typeren van de (vermeende) overtreder. Het stappenplan wordt hieronder per stap toegelicht. Het begrip ‘handhaver’ ziet op iedere functionaris – toezichthouder, opsporingsambtenaar, handhavingsjurist – die binnen de betrokken organisatie (een of meer onderdelen van) het stappenplan doorloopt.

Mogelijke gevolgen (1 t/m 4)

De ernst van de overtreding wordt bepaald met een risicoanalyse. Het college heeft hierbij een overzicht gemaakt van categorie 1 tot 4 gevallen.

Houding overtreding (a t/m d)

Als het gedrag van de overtreder – om wat voor een reden dan ook – niet goed bepaald kan worden, wordt hiervoor categorie B (onverschillig) gekozen. Als een overtreding bestaat uit meerdere activiteiten en er wordt gekozen één integrale reactie, wordt het hokje gekozen van de activiteit waarbij de ernst van de overtreding het hoogst is.

Uitwerking sanctiematrix: Interventiematrix LHSO

Als uitwerking van de sanctiematrix houden we onderstaande interventiematrix aan uit het LHSO. In de matrix worden mogelijke bestuursrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen genoemd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.