Aanhef
Een goede kwaliteit van kinderopvang is essentieel vanuit het belang dat de samenleving heeft bij een gezonde en optimale ontwikkeling van haar kinderen.
Begrippen en afkortingen
De belangrijkste begrippen en afkortingen die in deze Nalevingsstrategie en het in de bijlage opgenomen afwegingskader worden gebruikt:
Afwegingskader: In het afwegingskader staat welke bestuurlijke handhavingsmiddelen het college doorgaans oplegt en welke afwegingen daarbij kunnen worden gemaakt. Per inspectiedomein staat de hersteltermijn waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld en de hoogte van financiële sancties.
Awb: Algemene wet bestuursrecht.
College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk.
Gemeente: De gemeente Ridderkerk.
GGD: Een gemeentelijke gezondheidsdienst, als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid (Wpg), in dit geval de GGD Rotterdam - Rijnmond.
Herstelaanbod: Een (landelijke) werkwijze van de GGD gericht op het opheffen van de overtreding voordat de toezichthouder een inspectierapport en handhavingsadvies uitbrengt.
Houder: De aanbieder van kinderopvang. In de Wko is de wettelijke definitie opgenomen.
Inspectieonderzoek: Een onderzoek van de GGD als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid van de Wko dat wordt afgerond met een inspectierapport aan de gemeente.
Kinderopvangvoorziening: Een in het LRK ingeschreven kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, voorziening voor gastouderopvang of gastouderbureau zoals bedoeld in de Wko.
Kwaliteitseisen: De eisen waaraan een houder van een kinderopvangvoorziening volgens de Wko moet voldoen.
LRK: Landelijk Register Kinderopvang.
Personenregister kinderopvang: In dit (landelijke) register worden gegevens verwerkt om te waarborgen dat alle personen werkzaam in de kinderopvang die op grond van de Wko over een verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken, continu worden gescreend waardoor wordt bijgedragen aan het vergroten van de veiligheid van de opgevangen kinderen.
Toezichthouder: De door de gemeente aangewezen toezichthouder zijnde de GGD. De toezichthouder kinderopvang houdt toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang, onder andere door inspectiebezoeken af te leggen, de bevindingen hiervan vast te leggen in een inspectierapport en de gemeente te adviseren over het vervolg.
Wko: Wet kinderopvang.
Belangrijke begrippen en wat daaronder wordt verstaan zijn verder (ook) opgenomen in de Wko en onderliggende regelgeving.
3. Gemeentelijke registertaak kinderopvang
3.1 Aanvraag tot exploitatie
3.1.1 De aanvraag
Een kinderopvangvoorziening mag pas starten met haar werkzaamheden als zij daarvoor toestemming heeft gekregen van het college. Deze toestemming staat in een brief (een besluit). Daarin staat ook de datum waarop de voorziening mag starten. Dit besluit heet: de toestemming tot exploitatie. Het aanvragen hiervan kan met een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier, met toevoeging van verplichte bijlagen. Deze is te vinden op www.rijksoverheid.nl en ook op www.landelijkregisterkinderopvang.nl. Als er toestemming is gegeven wordt de kinderopvangvoorziening vervolgens in het LRK geregistreerd.
Het Landelijk Register Kinderopvang (LRK)
Alle kindercentra, gastouders en gastouderbureaus staan geregistreerd in het LRK. Het LRK is openbaar en te vinden op landelijkregisterkinderopvang.nl.
Alleen als een kinderopvangvoorziening is opgenomen in het LRK, hebben ouders recht op kinderopvangtoeslag.
Een verzoek tot overname van het houderschap, adreswijziging van een bestaande kinderopvangvoorziening en wijziging van de opvangvorm worden ook behandeld als een aanvraag tot exploitatie. De verhuizing van een gastouderbureau geldt als wijzigingsverzoek (zie daarvoor onder 3.2). Het college verzoekt de GGD om een onderzoek voor registeropname uit te voeren om te beoordelen of de houder voldoet/zal gaan voldoen aan de Wko en een advies uit te brengen over de aanvraag.
3.1.2 Streng aan de poort
Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen vanaf de eerste dag van een kinderopvangvoorziening in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Het college vindt het daarom van groot belang dat een kinderopvangvoorziening al bij de start voldoet aan de kwaliteitseisen vanuit de Wko. Het college geeft dan ook alleen toestemming tot exploitatie als de toezichthouder van oordeel is dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden. Deze werkwijze staat bekend als ‘Streng aan de poort’. De GGD onderzoekt een nog niet geregistreerde opvangvoorziening intensief (het onderzoek omvat alle voorschriften die vóór aanvang van de exploitatie beoordeeld kunnen worden), waaronder de kwaliteit van het beleid, de accommodatie en het personeel. De toezichthouder betrekt de organisatie-inrichting, het interne kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering van een houder bij de beoordeling. Het is tenslotte niet alleen van belang dat de houder bij de start aan de kwaliteitseisen voldoet, maar ook dat die structureel blijft voldoen aan de kwaliteitseisen en voldoende kwaliteit kan bieden.
Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de gastouders die zij begeleidt, aan de kwaliteitseisen voldoen.
Handhaving bij een andere voorziening van de houder, kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvangvoorziening mag starten totdat alle overtredingen bij de al geregistreerde voorziening zijn hersteld.
Een kinderopvangvoorziening moet vanaf registratie voldoen aan alle kwaliteitseisen en verantwoorde opvang aanbieden.
Binnen drie maanden na registratie beoordeelt de toezichthouder of de voorziening in de praktijk ook aan de kwaliteitseisen voldoet.
Naast aan de eisen vanuit de Wko dient een houder bij de aanvraag tot exploitatie ook aan andere wetgeving te voldoen die van belang is voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. Zoals het voldoen aan alle relevante eisen met betrekking tot bouw, brandveiligheid en bestemmingen. Relevante stukken moeten aanwezig en in orde zijn. Bij een verzoek tot registratie van een nieuw kindercentrum wordt standaard een melding gedaan bij het team dat verantwoordelijk is voor de toetsing aan het bij het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Ridderkerk behorend bestemmingsplan
2Vanaf 1 januari 2032 dienen bestemmingsplannen geïntegreerd te zijn in een definitief omgevingsplan. Na deze datum wordt er niet meer gesproken over ‘bestemmingsplan’ maar over ‘omgevingsplan’.
(hierna: bestemmingsplan/omgevingsplan), de bouwregels en de vereiste brandveiligheidsvoorschriften.
Niet voldoen aan bouwtechnische- en brandveiligheidseisen kan directe gevolgen hebben voor de veiligheid van de kinderopvang. Daarnaast moet de kinderopvang ook passen in het bestemmingsplan/ omgevingsplan. Als dat niet het geval is, dan heeft dit gevolgen voor de beschikbaarheid van het gebouw en het gebruik van de binnen- en buitenruimtes.
3.1.3 Aanvraag tijdig indienen
De aanvraag tot exploitatie moet op tijd worden gedaan, want het college heeft 10 weken de tijd om een beslissing op de aanvraag te nemen. Deze termijn kan worden verlengd
3Dit kan conform de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht.
.
3.1.4 Het besluit
Het college neemt een besluit over de aanvraag tot exploitatie.
▯ In een positief besluit verleent het college de gevraagde toestemming tot exploitatie en bepaalt zij de ingangsdatum van de exploitatie. De betreffende kinderopvangvoorziening wordt geregistreerd in het LRK.
Binnen drie maanden na de beschikking tot exploitatie beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening, niet zijnde een voorziening voor gastouderopvang, in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze waarop de kinderen worden opgevangen.
▯ In een negatief besluit wijst het college de aanvraag om een kinderopvangvoorziening te mogen exploiteren af.
Als hiervan sprake is, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag te kunnen indienen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen. Bij een nieuwe aanvraag worden ook leges in rekening gebracht.
Bij de besluitvorming kan het college gemotiveerd afwijken van het advies van de GGD, bijvoorbeeld door minder kindplaatsen toe te staan dan is aangevraagd.
3.2 Wijzigingsverzoek registratiegegevens LRK
3.2.1 Wijziging houder of rechtsvorm
Een kinderopvangvoorziening die wordt overgenomen, is veelal al in exploitatie en er worden kinderen opgevangen/bemiddeld. Het is voor de continuïteit daarom van groot belang dat de oude en nieuwe eigenaar samen een overname goed regelen. Voor het overnemen van een kinderopvangvoorziening dient de nieuwe houder hiervoor vooraf toestemming te vragen aan het college. Dit geldt ook als de houder een andere rechtsvorm krijgt, ook dit is een houderwijziging. Ook als de bestuurder hetzelfde blijft. Een houderwijziging wordt ingediend middels een door de rijksoverheid vastgesteld wijzigingsformulier, met toevoeging van verplichte bijlagen.
Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. De gemeente bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder. Bij dit onderzoek zijn het college en de toezichthouder ook ‘Streng aan de poort’. Want ook als een andere houder een kinderopvangvoorziening voortzet, is het van belang dat de voorziening aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Dit betekent dat voor deze wijziging een afhandelingstermijn van 10 weken geldt. Het college houdt zo veel mogelijk rekening met het belang van de continuïteit van de opvang. Het is voor deze continuïteit van opvang van groot belang dat de houder de aanvraag tijdig indient en alle benodigde stukken zijn bijgevoegd.
3.2.2 Wijziging aantal kindplaatsen
Bij de toestemming tot exploitatie is het maximumaantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximumaantal kindplaatsen neemt de toezichthouder ook mee in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen in het domein accommodatie en groepen.
Wanneer dit aantal wijzigt is het van belang dat de houder dit als wijziging doorgeeft. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig. Het college geeft toestemming voor de wijziging als de houder daarmee aan de kwaliteitseisen blijft voldoen.
3.2.3 Wijziging extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie
Als een gastouder zich wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, dan moet dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aanvragen via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet tijdig worden gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders.
3.2.4 Verhuizing
Artikel 3.2.4.1 Verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang
Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist moet dit in behandeling worden genomen als zijnde een nieuwe aanvraag. Zodoende worden er bij deze nieuwe aanvraag ook leges in rekening gebracht.
Bij de gemeente wordt ingediend:
▯ Voor de oude kinderopvangvoorziening een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie
(uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft.
▯ Voor de nieuwe kinderopvangvoorziening een aanvraag tot exploitatie (inschrijving).
3.2.4.2 Verhuizing van een gastouderbureau
Wanneer een gastouderbureau verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een gastouderbureau geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres van het gastouderbureau wijzigt. Bij de gemeente wordt een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres ingediend.
Bij een verhuizing van een gastouderbureau naar een andere gemeente dient de houder een wijzigingsverzoek in tot wijziging van het vestigingsadres bij de gemeente waar hij in het LRK geregistreerd staat. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK), waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.
3.2.5 Wijzigingsformulier tijdig indienen
Wijzigingen moeten worden ingediend met een wijzigingsformulier. Deze is te vinden op www.rijksoverheid.nl en ook op www.landelijkregisterkinderopvang.nl. De houder moet het wijzigingsverzoek minimaal 8 weken voor de gewenste wijzigingsdatum indienen
4Voor de houderwijziging, wijziging rechtsvorm en een verhuizing geldt een termijn van 10 weken.
. Het college beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet plaatsvinden. Het college besluit binnen 8 weken of de wijziging kan plaatsvinden en kan worden geregistreerd.
Voor sommige wijzigingen, zoals het wijzigen van een telefoonnummer of correspondentieadres, wordt geen besluit afgegeven. Het college informeert de houder als de wijziging is opgenomen in het LRK. Een gastouder moet wijzigingen bij het gastouderbureau melden. Het gastouderbureau geeft wijzigingen voor gastouderopvang door aan de gemeente.
3.2.6 Het besluit
Het college neemt een besluit op het wijzigingsverzoek.
▯ Dit besluit kan zijn dat het college de houder toestemming verleent om de verzochte wijziging (gedeeltelijk) door te voeren. In het besluit bepaalt het college de ingangsdatum van de beoogde wijziging. Deze toestemming vormt een aanpassing van de eerder verleende toestemming tot exploitatie. De wijziging wordt verwerkt in het LRK.
▯ Dit besluit kan een afwijzing zijn. Er wordt dan geen toestemming verleend en de wijziging wordt niet doorgevoerd.
Bij de besluitvorming kan het college gemotiveerd afwijken van het eventuele advies van de GGD.
3.5 Bijzondere bevoegdheden
3.5.1 Ambtshalve wijziging
Wanneer daar aanleiding toe is kan het college, zonder een daaraan voorafgaand verzoek van de houder, besluiten de gegevens van een kinderopvangvoorziening in het LRK te wijzigen, bijvoorbeeld als een houder een geregistreerde kinderopvangvoorziening niet meer exploiteert. De gemeente informeert de houder vooraf schriftelijk over het besluit om ambtshalve een wijziging in het LRK door te voeren.
3.5.2 Bestuurlijke boete
Indien een houder een registerbesluit en de daarbij komende verplichtingen zoals het tijdig doorgeven van een verhuizing niet of onvoldoende naleeft kan het college een bestuurlijke boete opleggen. Ook kan het college een boete opleggen indien een houder kinderopvang in de zin van de Wet aanbiedt, zonder dat het college daarvoor toestemming heeft verleend.
4. Toezicht
4.2 De Werkwijze
4.2.1 Dialooggericht werken
Toezichthouden is meer dan ‘controleren op basis van wetten, regels en normen’. Het gaat om de naleving van de kwaliteitseisen door de houder en de kwaliteit van opvang die wordt aangeboden. Ook de wijze waarop een organisatie is ingericht, hoe een houder het personeel inzet en aanstuurt en hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie zijn verdeeld bepalen het kwaliteitsniveau van de geboden kinderopvang. Om een goed beeld te krijgen van de organisatie gaat de toezichthouder in gesprek met de houder. Zij gaat daarbij in op de wijze waarop een houder zijn organisatie, met alles wat daarbij hoort, heeft ingericht om te kunnen nagaan of de kwaliteit van de geboden kinderopvang daadwerkelijk is gewaarborgd. Daarbij speelt ook het interne kwaliteitsbeleid van de houder een belangrijke rol.
In het belang van een goede dialoog zal de toezichthouder:
▯ zonder oordeel luisteren en observeren;
▯ open vragen stellen en doorvragen, en
▯ controleren of de toezichthouder zaken goed heeft geïnterpreteerd.
De toezichthouder zet kinderopvangorganisaties aan om (samen) te werken aan de kwaliteit en veiligheid van hun opvang en risico’s te verminderen. Daar waar nodig worden verbeterpunten besproken en zet de toezichthouder houders aan om de kwaliteit van hun opvang te verbeteren. Wanneer sprake blijkt van een tekortkoming is van belang om te weten wat de omstandigheden zijn en wat de inbreuk was op de geboden kwaliteit van opvang. Dit weegt de toezichthouder mee in zijn oordeel en advies aan het college.
4.2.2 Risico gestuurd toezicht
De toezichthouder houdt risico gestuurd toezicht op de geboden kwaliteit van kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen. Dat betekent dat toezichthouders minder intensief inspecteren bij locaties waar geen zorgen over bestaan en intensiever bij locaties waar wél zorgen over zijn. Kortom: minder toezicht waar mogelijk en meer toezicht waar nodig of gewenst. Om hier invulling aan te geven is voor de GGD onder meer de voorgeschiedenis met betrekking tot de naleving die blijkt uit de inspectierapporten relevant. Ook kunnen de gemeente en de GGD in overleg met elkaar bepalen dat meer toezicht nodig of wenselijk is bij bijvoorbeeld een wijziging van wet- en regelgeving. Als de GGD tijdens een onderzoek daartoe aanleiding ziet kan zij het onderzoek uitbreiden.
De toezichthouder heeft vertrouwen in een houder als deze in alle informatie kan voorzien die nodig is om een oordeel te vormen over de kinderopvangvoorziening. Een houder die niet transparant is en onbetrouwbaar blijkt, is reden tot zorg. Ook een reactieve houding, niet open staan voor zelfreflectie of het niet nemen van verbetermaatregelen is reden tot zorg.
De toezichthouder stelt voor kinderopvangvoorzieningen na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren.
Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau.
4.2.3 Flexibel toezicht
De overheid biedt de gemeente en de GGD sinds 2022 meer ruimte bij de inrichting van het toezicht door de wettelijke mogelijkheid om kindercentra (gastouderopvang niet) flexibel te inspecteren. De GGD hoeft daardoor minder verplichte onderwerpen te beoordelen, zodat de inspecties meer op maat kunnen worden uitgevoerd.
De toezichthouder beoordeelt wel altijd de volgende onderwerpen:
▯ de verklaring omtrent het gedrag (VOG);
▯ de registratie in het personenregister kinderopvang;
▯ de pedagogische kwaliteit, en
▯ (indien hiervan sprake is) de wettelijke eisen ten aanzien van voorschoolse educatie (VE).
De gemeente kan jaarlijks bepalen of en welke speerpunten er in het flexibel toezicht zijn. Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en de bepaalde speerpunten onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen.
4.2.4 Herstelaanbod
De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert aan het college. Bij overtredingen biedt de toezichthouder, onder voorwaarden, tijdens de onderzoeksperiode de mogelijkheid om aan te tonen hoe de houder deze oplost. Dit is het herstelaanbod. Uitgangspunt van de toezichthouder daarvoor is altijd dat sprake is van structureel blijvend herstel. Op een aantal overtredingen doet de GGD geen herstelaanbod aan de houder.
Het herstelaanbod is een mogelijkheid die de toezichthouder inzet voor een snel herstel van een tekortkoming. Een herstelaanbod is een aanbod van de toezichthouder dat de houder kan aanvaarden. Binnen de door de toezichthouder gestelde tijd moeten maatregelen worden genomen om de gewenste kwaliteit te bereiken en een vastgestelde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport is opgesteld.
Het herstelaanbod kan aangeboden worden bij alle type voorzieningen in het kader van een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek en een incidenteel onderzoek. Het wordt niet aangeboden bij een onderzoek voor registratie of bij een nader onderzoek. Voorafgaand aan een nader onderzoek heeft de houder in het kader van de handhaving door het college namelijk al een herstelmogelijkheid gehad.
Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij:
▯ aard en ernst van de overtreding zich niet leent voor het herstelaanbod;
▯ er te veel overtredingen zijn;
▯ de houder in de voorgaande 3 jaar al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of een vergelijkbare overtreding op te heffen;
▯ de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk acht;
▯ herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode.
Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen doorgaans niet voor een herstelaanbod in aanmerking omdat zij niet aan de criteria voldoen.
De afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt, is aan de toezichthouder. Daarmee is een herstelaanbod ook geen vooraf vastgesteld recht. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven. Dit aanbod leidt tot snelle inzet van het herstel en een betere inschatting van de nalevingsbereidheid.
De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of de overtredingen hersteld zijn en of de kwaliteit structureel verbeterd is. Na afloop van de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies aan het college. De expertise van de toezichthouder is leidend. De houder is niet verplicht om van het aanbod gebruik te maken, maar dient wel van te voren geïnformeerd te worden over de mogelijkheid van herstelaanbod.
Als er herstelaanbod heeft plaatsgevonden en de overtreding is hersteld, dan blijven de overtreding en de resultaten van de herbeoordeling zichtbaar in het inspectierapport en het LRK (GIR Handhaven). Het college heeft de mogelijkheid om niet te handhaven, omdat de overtreding na het herstelaanbod daadwerkelijk hersteld is.
4.3 Bijzondere bevoegdheden GGD
4.3.1 Schriftelijk bevel
Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding komen, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om een schriftelijk bevel te geven. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen. Als de situatie daar aanleiding toe geeft, kan de te nemen maatregel ook inhouden dat de opvang gestaakt moet worden.
Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. De GGD informeert het college over het bevel. Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, treedt het college verder op, bijvoorbeeld door het bevel te verlengen (zie onder 5.6.1.3).
4.3.2 Vorderen medewerking
De GGD is bevoegd een kinderopvangvoorziening te betreden en alle documenten in te zien of op te vragen die nodig zijn voor het onderzoek. De houder is verplicht daaraan medewerking te verlenen. Als de houder deze medewerking niet verleent, dan kan de GGD de medewerking vorderen. Geeft de houder geen gehoor aan de vordering van de GGD tot medewerking aan het onderzoek, dan neemt de GGD dit op in het inspectierapport. De gemeente kan de houder hiervoor een bestuursrechtelijke maatregel opleggen.
5. Handhaving
5.6 Handhavingsmaatregelen
5.6.1 Herstellend handhaven
Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is de kwaliteit van opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt. En kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden en verantwoorde kinderopvang krijgen.
Bij herstel gerichte handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen handhavingsmaatregelen die geen rechtsgevolg in de vorm van een besluit hebben (informeel) en handhavingsmiddelen die wel een rechtgevolg hebben. Dit zijn besluiten met rechtsgevolg waartegen bezwaar mogelijk is (formeel).
5.6.1.1 Hersteltermijn
Bij een op herstel gericht handhavingsmaatregel biedt het college de houder van een kinderopvangvoorziening een termijn om het overtreden voorschrift alsnog te gaan naleven. Deze hersteltermijn is afgestemd op een redelijke tijd die nodig is om de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. Bij de bepaling van de termijn wordt rekening gehouden met de aard en de ernst van de overtreding, waarbij het uitgangspunt is dat de overtreding zo spoedig als dat redelijkerwijs mogelijk is moet worden opgeheven. Overtredingen die direct invloed hebben op de kwaliteit van de opvang, bijvoorbeeld een onvoldoende (emotioneel) veilige en gezonde opvangomgeving, zullen over het algemeen een korte hersteltermijn toegekend krijgen. Zie het afwegingskader voor de hersteltermijnen en uitgangspunten daarbij. Het college kan na herstel een bestuurlijke boete opleggen voor de overtreding die in het verleden is begaan.
5.6.1.2 Schriftelijke waarschuwing of overleg en overreding
Het college kan een schriftelijke waarschuwing geven of overleg en overreding toepassen. In beide gevallen wordt de houder gewezen op een gedraging die in strijd is met een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wko. Het doel is de houder de gelegenheid te geven de overtreding te beëindigen zonder dat een formeel handhavingstraject wordt gestart. Bij overleg en overreding treedt de gemeente in overleg met de houder en maakt afspraken over beëindiging van de overtreding. De gemeente zorgt voor schriftelijke vastlegging van de afspraken en stuurt deze aan de houder toe. Er volgt geen nader onderzoek door de GGD.
5.6.1.3 Verlenging schriftelijk GGD-bevel
Het schriftelijk bevel van de GGD heeft een geldigheidsduur van 7 dagen (zie onder 4.3.1). Als de GGD een schriftelijk bevel heeft opgelegd en de overtreding(en) is/zijn naar het oordeel van de GGD niet of onvoldoende hersteld, dan verlengt het college het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.
5.6.1.4 Aanwijzing
Als uit het inspectierapport van de GGD blijkt dat bij een kinderopvangvoorziening de voorschriften zoals vastgelegd in de Wko niet of onvoldoende worden nageleefd, kan de houder een schriftelijke aanwijzing ontvangen. Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. Een aanwijzing benoemt de geconstateerde overtreding(en) en geeft aan welke maatregel de houder binnen de geboden hersteltermijn moet nemen om de wettelijke voorschriften na te leven. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. De aanwijzing betreft een besluit en op grond van de Wko is de houder verplicht de aanwijzing op te volgen. Na afloop van de geboden hersteltermijn voert de GGD een nader onderzoek uit om te beoordelen of de overtreding(en) daadwerkelijk is/zijn beëindigd. De hersteltermijnen zijn gerelateerd aan de ernst van de overtreding(en).
De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college kan deze aanwijzing betrekken bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar.
De aanwijzing is doorgaans de meest geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die te allen tijde aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.
5.6.1.5 Last onder dwangsom
De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheden afgeleide bevoegdheid, zoals te vinden in artikel 5:32 van de Awb. Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, legt het college in principe een last onder dwangsom op. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. De last onder dwangsom benoemt evenals de aanwijzing de geconstateerde overtreding(en) en geeft aan welke herstelmaatregel (de last) de houder binnen de geboden hersteltermijn moet nemen om de overtreding van een voorschrift te beëindigen. Het verschil met de aanwijzing is dat per op te volgen last een dwangsom wordt vastgesteld. Als uit het nader onderzoek van de GGD blijkt dat de overtreding is opgeheven en/of niet wordt herhaald, hoeft de dwangsom niet te worden betaald. Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan moet de houder de dwangsom betalen. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen worden gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag.
Een dwangsom kan verschillende vormen hebben: een bedrag ineens, een bedrag per tijdseenheid dat de last niet is uitgevoerd of een bedrag per overtreding van de last. Een last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd wanneer de GGD of het college vaststelt dat gevaar dreigt dat een voorschrift wordt overtreden.
Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld, kan het college doorgaans een last onder dwangsom opleggen. Ook als de kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld en er geen overtreding is vastgesteld.
Wanneer binnen 3 jaar nadat de last onder dwangsom is opgelegd geen overtreding van het betreffende voorschrift is geconstateerd, is de last onder dwangsom niet langer van kracht.
Het uitgangspunt voor de dwangsombedragen zijn de bedragen als opgenomen in het afwegingskader. Daarnaast kan het college bij het bepalen van de hoogte van de dwangsommen andere omstandigheden, die naar het oordeel van het college aanleiding geven tot het verhogen of verlagen van het dwangsombedrag, meewegen.
De last onder dwangsom is de meest geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na de aanwijzing, als sluiten van de opvang (nog) niet proportioneel is. Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom toch herhaald, dan heeft dat financiële gevolgen zonder dat de bedrijfsvoering wordt onderbroken. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen.
5.6.1.6 Last onder bestuursdwang
Een last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel waarbij het college bevoegd is zelf een maatregel uit te voeren (door feitelijk handelen) wanneer de houder in gebreke blijft. Hierbij valt te denken aan het sluiten en gesloten houden van een kinderopvangvoorziening bij overtreding van een exploitatieverbod.
De kosten van dit feitelijk handelen zijn voor de houder. De optie last onder bestuursdwang is niet opgenomen in het afwegingskader. Echter, op grond van het bestuursrecht geldt dat in die gevallen waarin een last onder dwangsom mogelijk is, ook bestuursdwang kan worden toegepast indien het college de overtreding daardoor zelf kan doen beëindigen.
5.6.1.7 (Tijdelijke) sluiting van de kinderopvang: Exploitatieverbod
Bij een exploitatieverbod verbiedt het college de houder om de kinderopvangvoorziening (tijdelijk) in exploitatie te nemen of te houden. Het college gaat over tot sluiting van de kinderopvang zodra uit een inspectierapport blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang of dat sprake is van niet gemelde oftewel illegale kinderopvang. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wko.
Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Het exploitatieverbod duurt voort totdat het college de houder toestemming geeft om de exploitatie te starten of te hervatten. Hiertoe moet de houder de opgelegde herstelmaatregelen opvolgen en het college daarover schriftelijk informeren. Daarop volgt in principe een nader onderzoek door de GGD waarbij de houder de gelegenheid krijgt om aan te tonen dat de overtredingen zijn beëindigd. Aan het uitvoeren van dit nader onderzoek kan het college voorwaarden voor de houder verbinden, bijvoorbeeld het voorafgaand aan dit onderzoek onderbouwd aangeven welke maatregelen er zijn genomen en/of toezenden van documenten.
Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor beschreven situaties is sluiting van een locatie doorgaans noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat de (emotionele) veiligheid en/of de gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is.
Als het college een kinderopvangvoorziening sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert het college of de toezichthouder ouders hierover. Dit gebeurt schriftelijk of mondeling.
Als de houder na verloop van 3 maanden nog niet heeft aangetoond dat de opgelegde herstelmaatregelen zijn genomen, kan het college besluiten tot het intrekken van de toestemming tot exploitatie. Wanneer de omstandigheden daar aanleiding toe geven, kan het college eerder hiertoe overgaan.
5.6.2 Bestraffend handhaven
Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn. Naast de handhaving gericht op herstel kan het college ook bestraffend handhaven in de vorm van het opleggen van een bestuurlijke boete.
Het opleggen van een bestuurlijke boete acht het college in ieder geval aangewezen in de volgende situaties:
▯ bij overtreding van een voorschrift met directe gevolgen voor de veiligheid, gezondheid of pedagogisch welbevinden van de kinderen in de dagelijkse opvangpraktijk;
▯ een opgelegd handhavingsmiddel is niet of niet volledig opgevolgd;
▯ een exploitatieverbod is niet of onvoldoende nageleefd;
▯ een vordering tot medewerking van de GGD is niet of niet volledig nagekomen;
▯ gelijke voorschriften of voorschriften van gelijke strekking zijn bij herhaling overtreden;
▯ het gastouderbureau draagt geen of onvoldoende zorg voor naleving van de wet door de gastouder;
▯ het gastouderbureau vervult de begeleidende en bemiddelende taken niet of onvoldoende;
▯ aan de registerverplichtingen (zie hoofdstuk 3) wordt niet of onvoldoende voldaan;
▯ het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder de vereiste toestemming.
Het college legt geen bestuurlijke boete op indien:
▯ de overtreder aannemelijk maakt dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
▯ indien de houder, zijnde een natuurlijk persoon (en geen rechtspersoon), is overleden.
Voor enkele ernstige overtredingen legt het college altijd een bestuurlijke boete op, ook als de houder maatregelen neemt om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Deze bestuurlijke boetes staan in het afwegingskader in de tabellen ‘Directe boete’. Van de bestuurlijke boete gaat naar verwachting ook een preventieve werking uit. Voor de overige overtredingen geldt dat bestraffend gehandhaafd kan worden als het college dit nodig vindt.
Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk, ook als één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden. Daarnaast kan het college een bestuurlijke boete opleggen als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed.
Een bestuurlijke boete heeft altijd financiële gevolgen voor de overtreder. De draagkracht van een overtreder speelt geen rol bij het bepalen van de hoogte van een bestuurlijke boete. Deze draagkracht is voor het college immers moeilijk vast te stellen. Een bestuurlijke boete treft niet elke overtreder even zwaar. Als de overtreder kan aantonen dat hij een bestuurlijke boete niet in één keer kan betalen zonder dat de continuïteit van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een bestuurlijke boete te matigen of van het opleggen van een bestuurlijke boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling toe te staan.
Ook het (vrijwillig) sluiten van een locatie is geen reden om van het opleggen van een bestuurlijke boete af te zien. Overtredingen van de in het afwegingskader genoemde voorschriften kunnen dusdanig ernstige gevolgen hebben dat kinderen deze levenslang met zich mee kunnen dragen. Dit zijn dan ook zeer ernstige overtredingen, in beginsel legt het college hiervoor altijd een bestuurlijke boete op.
De boetebedragen en de factoren die kunnen leiden tot een verhoging of een verlaging van het boetebedrag staan in het afwegingskader.
5.6.3 Overig: Intrekken toestemming tot exploitatie
Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een handhavingsmaatregel die in de regel wordt ingezet wanneer eerdere maatregelen, zoals een aanwijzing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben bewerkstelligd.
Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken mag niet langer opvang worden geboden of bemiddeling plaatsvinden. De registratie van de kinderopvangvoorziening in het LRK wordt verwijderd. Voortzetting of hervatting van de exploitatie is illegale opvang en leidt tot een bestuurlijke boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op grond van overtreding van de Wet op de economische delicten.
Bij een gastouder kan het college sneller overgaan tot sluiting van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder als enige professional en verbetering na herhaling van overtredingen is daarom soms niet mogelijk.
Het college kan de toestemming ook direct intrekken als bijvoorbeeld:
▯ niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;
▯ er sprake is van een overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden.
Bijlage: Afwegingskader
I. Handhaving samengevat
Het college treedt in beginsel handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt bij een kinderopvangvoorziening. Dit afwegingskader dient als leidraad voor het bepalen van de hersteltermijnen en de hoogte van boete- en dwangsombedragen.
De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel.
Het college kan bij herstellende handhaving kiezen voor de aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.
Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid.
Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvangvoorziening direct.
Blijkt na (tijdelijke) sluiting de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel hersteld dan trekt het college de toestemming tot exploitatie in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken.
Bij enkele ernstige overtredingen legt het college in beginsel altijd, naast een herstelsanctie, een bestuurlijke boete op. Voor andere overtredingen kan het college naast een herstelsanctie een bestuurlijke boete opleggen als het college het nodig acht.
De hier genoemde bedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot vier overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectiebezoek.
Voor de bedragen sluit het college aan bij de categorieën genoemd in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht. Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is met name aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen. In de tabel is het maximum sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college dit maximum. In beginsel wordt het opgelegde bedrag bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd.
II. Hersteltermijnen
Een toelichting op de hersteltermijnen staat in hoofdstuk 5 van de Nalevingsstrategie.
Als uitgangspunt gelden de volgende termijnen:
a.Maximaal twee weken voor herstel van overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang;
b.Maximaal zes weken voor herstel van overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang;
c.Maximaal drie maanden voor herstel van overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
Met deze uitgangspunten wordt de hersteltermijn per situatie aan de hand van specifieke omstandigheden bepaald. Bij meerdere overtredingen kunnen de hersteltermijnen afgestemd worden op het voorschrift met de kortste hersteltermijn. Als de omstandigheden hiertoe naar het oordeel van het college aanleiding geven kan worden besloten tot een langere hersteltermijn dan hierboven vermeld.
III. Dwangsommen
Het uitgangspunt voor de hoogte van een last onder dwangsom is in principe het bedrag als opgenomen in onderstaand kader. Gelet op de aard en het doel van de dwangsom speelt de omvang van een kinderopvangvoorziening in beginsel geen rol bij vaststelling van dit bedrag. Het dwangsombedrag kan afhankelijk van omstandigheden zoals het herstelgedrag en de ernst van de overtreding worden verhoogd. Zie ook de Nalevingsstrategie, hoofdstuk 5.
III.1 Kindercentrum (KDV en BSO)
ALGEMENE VOORWAARDEN KWALITEIT EN NALEVING
Registratie, wijzigingen en administratie
De derde categorie
Maatregelen aanpak A-ziekten
De derde categorie
Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
PEDAGOGISCH KLIMAAT
Pedagogisch beleid
De derde categorie
Pedagogische praktijk
De derde categorie
Voorschoolse educatie
De derde categorie
Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie
De derde categorie
Overtredingen in het domein Pedagogisch klimaat hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
PERSONEEL EN GROEPEN
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang
De derde categorie
Opleidingseisen
De derde categorie
Aantal beroepskrachten
De derde categorie
Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs
De derde categorie
Inzet pedagogisch beleidsmedewerker
De tweede categorie
Stabiliteit van de opvang voor kinderen
De tweede categorie
Voertaal
De tweede categorie
Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
VEILIGHEID EN GEZONDHEID
Veiligheids- en gezondheidsbeleid
De tweede categorie
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
De tweede categorie
Meld- overleg- en aangifteplicht
De tweede categorie
Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
ACCOMMODATIE
Eisen aan ruimtes
De tweede categorie
Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
OUDERRECHT
Informatie
De tweede categorie
Oudercommissie
De tweede categorie
Klachten en geschillen
De tweede categorie
Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
III.2 Gastouderbureau
PERSONEEL
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang
De derde categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling
Personeelsinformatie per gastouder
De tweede categorie
Overtredingen in het domein Personeel hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
VEILIGHEID EN GEZONDHEID
Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid
De tweede categorie
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
De tweede categorie
Meld- overleg- en aangifteplicht
De tweede categorie
Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
OUDERRECHT
Informatie
De tweede categorie
Oudercommissie
De tweede categorie
Klachten en geschillen
De tweede categorie
Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van opvang.
KWALITEIT GASTOUDERBUREAU EN ZORGPLICHT
Kwaliteitscriteria
De tweede categorie
Administratie gastouderbureau
De tweede categorie
Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
III.3 Gastouder
Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.
IV. Bestuurlijke boete
Voor enkele overtredingen legt het college, naast een herstelsanctie, in beginsel altijd een bestuurlijke boete op. Deze overtredingen staan in de eerste tabel: Directe bestuurlijke boete. Voor de overige overtredingen kan naast een herstelsanctie ook een bestuurlijke boete worden opgelegd. In de tabel is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximum boetebedrag.
Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en het genoten economisch voordeel als gevolg van de overtreding. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en of de overtreding reeds gedeeltelijk is beëindigd. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.
Als met één feitelijke gedraging twee of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.
IV.1 Maatstaf vaststellen omvang kinderopvangvoorziening
De maatstaf voor het vaststellen van de omvang van een kinderopvangvoorziening
5Geldt enkel voor kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang en gastouderbureau.
is als volgt:
1Groteorganisaties: meer dan 100 in de gemeente geregistreerde kindplaatsen/bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.
2Middelgrote organisaties: 51 tot en met 100 in de gemeente geregistreerde kindplaatsen/bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.
3Kleine organisaties: minder dan 51 in de gemeente geregistreerde kindplaatsen/bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.
IV.2 Bepalen hoogte bestuurlijke boete
Voor het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete gelden de volgende richtlijnen:
Grote organisaties
Volledig normbedrag zoals opgenomen in het afwegingskader.
Middelgrote organisaties
Twee derdedeel van het normbedrag zoals opgenomen in het afwegingskader.
Kleine organisaties
Eén derde deel van het normbedrag zoals opgenomen in het afwegingskader.
IV.3 Directe boete
ALGEMEEN
Kindercentrum en GOB
Gastouders
Exploitatie zonder toestemming college
De vierde categorie
De derde categorie
Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst
De derde categorie
Schenden medewerkingsplicht
De derde categorie
De tweede categorie
Niet opvolgen bevel
De vierde categorie
De derde categorie
Overtreden exploitatieverbod
De vierde categorie
De tweede categorie
Niet (tijdig) melden wijzigingen
De tweede categorie
PERSONEEL EN GROEPEN
Kindercentrum en GOB
Gastouders
Verklaring omtrent gedrag (VOG)
De tweede categorie per ontbrekende VOG
De eerste categorie per ontbrekende VOG
Personenregister kinderopvang
De tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling
Beroepskracht-kindratio (BKR)
De tweede categorie per ontbrekende beroepskracht
Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet
De helft van het bedrag genoemd bij de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht
Groepsgrote en groepssamenstelling
De eerste categorie per overtreding
Kwalificatie het benodigde diploma, certificaat, enz.
De tweede categorie per ontbrekende kwalificatie
De eerste categorie per ontbrekende kwalificatie
KWALITEIT GASTOUDERBUREAU
Pedagogische praktijk
Begeleiding en ondersteuning van de gastouder:
Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang
De tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of begeleiding tekortschiet
Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht:
De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder
De tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang: Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen
De tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling
Veiligheid en gezondheid:
Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang
De tweede categorie
IV.4 Hiervoor kan een boete worden opgelegd
OVERIGE KWALITEITSEISEN
Niet opvolgen aanwijzing
De derde categorie, voor gastouder tweede categorie
Eisen ruimtes gastouderopvang:
De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen
De tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
De tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd
Inzet pedagogisch beleidsmedewerker
De derde categorie