Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels voor planologische afwijkingsmogelijkheden, januari 2024

Gemeente Renkum · geldt sinds 1 januari 2024

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Renkum;

gelet op artikel 8.0a, lid 1, jo. artikel 22.281 van de bruidsschat omgevingsplan en artikel 8.0a., lid 2, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);

gelezen het voorstel van d.d. 21 november 2023;

Besluit vast te stellen het volgende ‘Beleidsregels voor planologische afwijkingsmogelijkheden, januari 2024’.

3 Beleidsregels

Artikel 1 Algemene beleidsregels

Voor de toepassing van de beleidsregels gelden de volgende algemene regels:

a.Indien een bouwplan deels of geheel geprojecteerd is op andermans eigendom (grond) wordt niet meegewerkt aan de afwijking, tenzij de eigenaar van de betreffende grond schriftelijk toestemming geeft voor het bouwplan.

b.Gelijke gevallen worden gelijk behandeld. Dat wil zeggen, indien een verzoek om afwijking, waarvoor in de betreffende buurt in de betreffende stedenbouwkundige situatie in een identiek geval ontheffing of afwijking (of bouw- of omgevingsvergunning zonder ontheffing of afwijking) is verleend wordt in beginsel wederom medewerking verleend aan een afwijking, zelfs indien dit in strijd zou zijn met de nu opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve beleidsregels. Hierbij geldt uiteraard als voorwaarde dat de afwijking toepasbaar is. Deze algemene regel geldt niet indien de eerder verleende bouw- of omgevingsvergunning door middel van een ontheffing of afwijking is verleend op basis van medische redenen (onder andere mantelzorg).

c.Bij duidelijke omissies in het omgevingsplan dan wel in situaties waarbij strakke toepassing van de beleidsregels onevenredig beperkend is met de situatie ter plaatse, kan, mits goed gemotiveerd met een passende beoordeling, worden afgeweken van deze beleidsregels. Dit doet zich met name voor bij (uitzonderlijk) grote percelen en bij hoeksituaties waar niet altijd volledig recht doend aan de situatie ter plekke de grens tussen voorerf en achtererf is getrokken in het omgevingsplan dan wel hetgeen als voorerf en achtererf geldt op basis van deze beleidsregels.

d.De beleidsregels zijn niet van toepassing indien de gronden waarop het bouwwerk voorzien is, op grond van het omgevingsplan, een bosbestemming (zoals ‘Bos’, ‘Bos- en Natuurgebied’), natuurbestemming (zoals ‘Natuur’), waterbestemming (zoals ‘Water’, ‘Watergang’ en ‘Rivier’) of een agrarische bestemming (zoals ‘Agrarisch gebied met landschapswaarden’) heeft. In dergelijke gevallen dient een passende beoordeling gemaakt te worden.

Artikel 2 Kwalitatieve beleidsregels

Burgemeester en wethouders verlenen enkel medewerking aan een afwijking voor de op deze beleidsregels van toepassing verklaarde categorieën van bijlage II, artikel 4 van het Bor indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a.Het straat- en bebouwingsbeeld (ruimtelijke structuur van de omgeving).

b.De woonsituatie.

c.De verkeersveiligheid.

d.De sociale veiligheid.

e.De milieusituatie.

f.De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 3 Kwantitatieve beleidsregels

Voorafgaand aan de opsomming van de voorwaarden waarbij burgemeester en wethouders in principe meewerken met een afwijking van het omgevingsplan (artikel 3.3, 3.4 en 3.5), worden de belangrijkste begrippen en wijze van meten toegelicht. Voor de begripsbepalingen en wijze van meten die niet in deze beleidsregels zijn voorzien, gelden de bepalingen van het omgevingsplan. Indien hier niets in is geregeld dan gelden aanvullende bepalingen van de gemeentelijke bouwverordening.

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

3.1.1Achtererf

Het erf op 1 of meer meter achter de voorgevellijn.

3.1.2Bebouwde kom

Het bebouwde gebied (de bebouwde kom) als aangegeven op de op dat moment geldende ‘Contourenkaart bebouwde kom’ (niet zijnde de verkeerskundige bebouwde kom).

3.1.3Bebouwingsgrens

Een op de plankaart van het omgevingsplan als zodanig aangegeven lijn die de grens vormt van een bebouwingsvlak.

3.1.4Bebouwingsvlak

Een op de plankaart van het omgevingsplan door bouwgrenzen aangegeven omsloten vlak.

3.1.4Begane grond

Een bouwlaag van een gebouw, dat met de straat, waaraan het met de hoofdtoegang is gelegen, gelijk ligt. Van een woonhuis/woning is dit meestal de bouwlaag waarop zich de entree/hal, toilet, woonkamer, keuken en berging/bijkeuken met toegang bevinden. Eronder kan zich een kruipruimte, souterrain of kelder bevinden of, bij aflopend hoogteverschil in het terrein ter plaatse, een volledige bouwlaag (zoals een woonlaag met woonverblijven). Erboven bevinden zich de verdieping(en). Deze bouwlaag kan meestal zonder trap, ladder of iets dergelijks worden betreden.

3.1.6Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; aangebouwd dan wel vrijstaand gebouw, of ander gebouw met een dak.

3.1.7Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, souterrain, kelder, of bij een aflopend hoogteverschil in het terrein ter plaatse, een volledig onder de begane grond gelegen laag (zoals een woonlaag met woonverblijven) en zolder of vliering.

3.1.8Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld is om ter plaatse te functioneren.

3.1.9Dakkapel

Een uitspringend dakvenster, bedoeld om de lichtinval te verbeteren en het woonoppervlak te vergroten, aangebracht op het hellende dakvlak en minimaal aan de onder en bovenzijde omgeven door het betreffende dakvlak. Dakvergrotingen die in de goot staan, of zelfs daaronder, of die boven de bouw uitsteken zijn dus géén dakkapellen.

3.1.10Dakopbouw

Een dakvergroting of -verhoging (niet zijnde een dakkapel) die of in de goot staat, of zelfs daaronder, en/of die boven de nok uitsteekt (doortrekken van de nok) dan wel een dakkapel die boven de bestaande nok van het hoofdgebouw uitsteekt (verhogen van de nok). Door de dakopbouw verandert het silhouet van het oorspronkelijke dak.

3.1.11Erf

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan deze die inrichting niet verbiedt.

3.1.12Erf- of terreinafscheiding

Een gebouwde voorziening van enig materiaal bedoeld om een perceel of erf, of een deel daarvan af te scheiden. Een erf- of terreinafscheiding hoeft dus in principe niet alleen geplaatst te zijn op een perceelsgrens om als zodanig te worden opgevat. Is een afscheiding bijvoorbeeld geplaatst in het midden van een tuin dan wordt deze ook beschouwd als een erf- of terreinafscheiding. Onder een erf- of terreinafscheiding wordt verder ook verstaan een rasterwerk waarlangs beplanting groeit. Een gegroeide haagbeuk wordt daarentegen niet beschouwd als een gebouwde erf- of terreinafscheiding. Een keermuur is geen erf- of terreinafscheiding.

3.1.13Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.1.14Hoofdgebouw

Een gebouw dat op een bouwperceel gelet op de bestemming, en door zijn constructie of afmetingen, als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Op een bedrijventerrein en/of agrarisch bouwperceel kan dit de bedrijfsbebouwing en/of (bedrijfs)woning zijn.

3.1.15Keermuur

Een walmuur ter vermijding van de overstort van grond of zand en dergelijke, en/of ter voorkoming van wateroverlast. De functie van een keermuur is anders dan die van een erf- of terreinafscheiding.

3.1.16Lessenaarsdak

Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.

3.1.17Mantelzorg

De langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt aangeboden aan een aantoonbare hulpbehoevende (zoals op fysiek en/of psychisch en/of psycho-sociaal vlak) door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie.

3.1.18Overkapping

Een vrijstaand dan wel aangebouwd bouwwerk met een gesloten dak op het erf van een (hoofd)gebouw of een standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het (hoofd)gebouw of de standplaats en dat minimaal twee geheel open wanden heeft en dat maximaal twee, al dan niet tot de constructie zelf behorende, wanden heeft, zoals een carport of luifel.

3.1.19Peil

a.Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg, pad of stoep grenst (dat wil zeggen dat er geen ruimte zit tussen de hoofdtoegang en de weg, het pad of de stoep): de hoogte van die weg, dat pad of die stoep ter plaatse van die hoofdtoegang.

b.Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg, pad of stoep grenst: de hoogte van het afgewerkte maaiveld ter hoogte van de hoofdtoegang na voltooiing van de bouw. Bij een aangebouwd bijbehorend bouwwerk geldt de hoofdtoegang van het hoofdgebouw.

c.Voor een bouwwerk waarbij geen sprake is van een toegang: het gemiddelde afgewerkte maaiveld ter plaatse van dat bouwwerk.

d.Voor erfafscheidingen, terreinafscheidingen, tuinhekken, (tuin)muren en keermuren: het afgewerkte terrein ter plaatse van elk gedeelte van dat bouwwerk (de voet van de erfafscheiding of terreinafscheiding enz., gemeten aan de laagste zijde). Plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van de erf- of terreinafscheiding dienen buiten beschouwing te worden gelaten. Dit geldt ook voor kunstmatig aangebrachte ophogingen van enkele tientallen centimeters breed en hoog ten behoeve van het plaatsen van een erfafscheiding.

e.Indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil).

3.1.20Voorerf

Erf dat geen onderdeel is van het achtererf.

3.1.21Voorgevellijn

Een lijn die gelijk loopt aan de naar de weg (niet zijnde een smal wandel- of fietspad zonder groenstrook tussen huizen door) of openbaar groen gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. Er is dus maar één gevel van het hoofdgebouw als voorgevel aan te merken. Als aanvullende bepaling geldt dat de afstand tussen de voorgevellijn(en) en de weg of openbaar groen nooit korter mag zijn dan de kortste afstand tussen het hoofdgebouw en die weg of openbaar groen. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer een hoofdgebouw niet haaks op een weg of twee wegen staat. In een dergelijk geval volgt loopt de voorgevellijn daar evenwijdig langs de weg of het openbaar groen aan die zijde. Ter verduidelijking is in figuur 2 aangegeven wat onder de voorgevellijn wordt verstaan. Wijkt een specifieke situatie af van de vier geschetste situaties in deze figuur, dan is het aan de gemeente om conform de bovengenoemde definitie te bepalen waar de voorgevellijn ligt.

Figuur 2 – Situaties voorgevellijn

3.1.22Zolder

Een gedeelte van een gebouw, zijnde een laag boven de begane grond en gelegen direct onder het dak, waarvan de vrije hoogte tussen de bovenkant van de vloer en de onderkant van de nokgording minder bedraagt dan 1,5 meter.

Artikel 3.2 Wijze van meten

3.2.1Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, op erf- en terreinafscheidingen geplaatste verlichting en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.2.2Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.2.3Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.2.4De oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde

De vaststelling van de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zonder buitenwerkse gevelvlakken en/of scheidingsmuren wordt de verticale projectie van het gehele bouwwerk, op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk gemeten.

3.2.5Algemene aanvullende regels voor de oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte van een bouwwerk

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, liftschachten, muurdammen, hemelwaterafvoeren, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, lichtkappen/-koepels, erkers, balkons, bordessen, trappen, traphekken, balkonhekken en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.

3.2.6Aanvullende regels voor de oppervlakte van een ondergronds bouwwerk

Bij de vaststelling van de oppervlakte van een gebouw die geheel of gedeeltelijk onder het maaiveld / onder de grond is gelegen wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, (bovenwaarts) geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het gebouw.

3.2.7Aanvullende regels voor de oppervlakte van een ondergronds bouwwerk buiten een bovengronds bouwwerk

Bij de berekening van de te bebouwen oppervlakte wordt de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken (gebouwen) mede in aanmerking genomen, voor zover deze zijn gelegen buiten de buitenwerkse gevelvlakken van de bijbehorende bovengrondse gebouwen.

Artikel 3.3 Afwijkingsmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen medewerking verlenen voor het bouwen/uitbreiden van een aan het hoofdgebouw gebouwd bijbehorend bouwwerk over één bouwlaag of het bouwen/uitbreiden van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, indien is voldaan aan de volgende regels:

3.3.1Bijbehorende bouwwerken in het voorerf

In het voorerf mogen uitsluitend aangebouwde bijbehorende bouwwerken worden opgericht met dien verstande dat:

a.De diepte niet meer bedraagt dan 1,5 meter, gemeten vanuit de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw.

b.De breedte niet meer bedraagt dan maximaal 2/3 deel van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw.

c.De goot- en/of bouwhoogte niet hoger mag zijn dan de aangrenzende bouwlaag (vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw) plus maximaal 0,25 meter, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 meter en de bouwhoogte van de aanbouw niet hoger is dan de bouwhoogte van de woning waaraan wordt gebouwd.

d.Voor een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan de voorgevel dat doorloopt over twee gevels (met andere woorden een aan- en/of uitbouw op een hoek van een hoofdgebouw in een voorerf) geldt dat voor de wenselijkheid, ligging, oppervlakte en diepte geen bepalingen zijn opgenomen in deze beleidsregels. Hiervoor geldt dat de aanvraag per geval beoordeeld moet worden en dat hiervoor dus een passende beoordeling noodzakelijk is. Een dergelijke aanvraag zal in beginsel alleen toegestaan worden bij grote percelen die vaak (uitzonderlijk) ver van de straat liggen en bij hoeksituaties waar sprake is van twee voorgevellijnen. De kwalitatieve beleidsregels gelden hiervoor uiteraard wel. Ook geldt de maximale hoogte zoals genoemd onder c.

e.Indien een gedeelte van het voorerf (zoals gedefinieerd in deze beleidsregels) volgens het omgevingsplan gelegen is in een (woon)bestemming waarin bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan (zoals de bestemming ‘achtererf’ of ‘woondoeleinden’ of ‘wonen’) en dus niet in een bestemming ‘voorerf’ of ‘tuin’ (waarin enkel kleine bouwwerken zoals erkers zijn toegestaan), geldt dat voor dit deel van het voorerf hetgeen genoemd onder a, b en c niet. Hier geldt dan hetgeen in artikel 3.3.2, onder a t/m i is opgenomen. Dit gedeelte van het voorerf is dus gelijk te stellen aan een achtererf (zoals gedefinieerd in deze beleidsregels).

3.3.2Bijbehorende bouwwerken in het achtererf

In het achtererf mogen bijbehorende bouwwerken worden opgericht met dien verstande dat:

a.Indien een (gedeelte) van het achtererf (zoals gedefinieerd in deze beleidsregels) volgens het omgevingsplan gelegen is in een (woon)bestemming waarin bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan, (zoals de bestemming ‘achtererf’ of ‘woondoeleinden’ of ‘wonen’, en dus niet in een bestemming ‘voorerf’ of ‘tuin’ waar enkel kleine bouwwerken zoals erkers zijn toegestaan), geldt die bestemming als ‘achtererf’, zoals bedoeld in deze definitie. Hier geldt dat een bijbehorend bouwwerk tot in de grens van deze geldende (woon)bestemming mag worden gebouwd (bijvoorbeeld ‘achtererf’ of ‘wonen’, waarin bijbehorende bouwwerken, zoals aan- en bijgebouwen, mogen worden gebouwd).

b.De goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet hoger mag zijn dan de aangrenzende bouwlaag (vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw) van hoofdgebouw plus maximaal 0,25 meter, maar niet meer mag bedragen dan 4 meter.

c.De maximale bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan 5 meter. Daarnaast mag de bouwhoogte niet hoger zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd. Dus indien de bouwhoogte van het hoofdgebouw minder bedraagt dan 5 meter, dan mag de bouwhoogte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw verkrijgen.

d.Bij een aangebouwd bijbehorend bouwwerk de achterste grens niet meer dan 10 meter is gesitueerd achter het geldende bouwvlak van het hoofdgebouw, dan wel de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw in het geval deze buiten het bouwvlak ligt. Daarnaast dient de afstand tussen het aangebouwde bijbehorende bouwwerk en de achterste perceelsgrens minimaal 2 meter bedragen.

e.De goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan 3,5 meter.

f.De bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan 5 meter. Indien de bouwhoogte van het hoofdgebouw minder bedraagt dan 5 meter dan mag de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw verkrijgen.

g.Van een bijbehorend bouwwerk, geprojecteerd in de perceelsgrens, het niet is toegestaan om de nok in de lengterichting (behoudens bij platte daken) in de perceelsgrens te situeren. Een lessenaarsdak is dus met de hoge zijde in de perceelsgrens niet toegestaan.

h.De totale oppervlakte aan bebouwing (hoofdgebouw en alle bijbehorende bouwwerken) niet meer bedraagt dan aangegeven in tabel 1, met dien verstande dat de oppervlakte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer dan 120 m2 mag bedragen en dat de oppervlakte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk buiten de bebouwde kom niet meer dan 150 m2 mag bedragen.

Perceelsopp.

Maximaal te bebouwen oppervlakte per bouwperceel

Waarbij in elk geval

< 150 m2

60% van het perceelsoppervlak

Niet van toepassing

150- 299 m2

50% van het perceelsoppervlak

90m2 bebouwd mag worden

300- 500 m2

40% van het perceelsoppervlak

150m2 bebouwd mag worden

> 500 m2

30% van het perceelsoppervlak, met een maximum van 500 m2

200m2 bebouwd mag worden

Tabel 1 – Maximaal te bebouwen oppervlakte per perceel

i.Naast hetgeen onder a t/m f en in artikel 3.3.1 voor overkappingen is bepaald, geldt dat de oppervlakte van overkappingen met een hoogte van maximaal 3 meter, een oppervlakte van maximaal 25 m2 en minimaal gelegen achter de voorgevellijn van de woning, niet meetelt bij het bepalen van de totale perceelsbebouwing. Dus per bouwperceel geldt dat maximaal 25 m2 aan dergelijke overkappingen niet meetelt bij de bepaling van de totale perceelsbebouwing. De overkapping mag maximaal 2 wanden hebben (hetzij eigen wanden, hetzij wanden van de garage of de woning).

Artikel 3.4 Afwijkingsmogelijkheden voor bouwwerken, geen gebouw zijnde

De beleidsregels gelden enkel voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijnde een schotelantenne, een vlaggenmast of erf- en terreinafscheidingen. Hier geldt dat:

3.4.1Schotelantennes

Schotelantennes qua locatie / ligging, hoogte en afmetingen alleen toegestaan zijn daar waar ze vergunningsvrij op te richten zijn (dus niet aan en voor de voorgevel of de naar de openbare ruimte, weg of groen, gekeerde gevel (zijgevel)) dan wel hetgeen ingevolge de ter plaatse geldende voorschriften van het omgevingsplan is toegestaan.

3.4.2Vlaggenmasten

Vlaggenmasten bij en ten behoeve van een woning / woonfunctie zijn toegestaan tot een hoogte van 7 meter.

3.4.3Erf- en terreinafscheidingen

Voor erf- en terreinafscheidingen op percelen met overwegend een woonbestemming geldt dat:

a.Erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevellijn zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 1 meter, met ondergeschikte elementen tot een hoogte van maximaal 2 meter. Onder ondergeschikte elementen worden in ieder geval verstaan: een poort ter breedte van de oprijlaan, kolommen, penanten, poeren, of daaraan gelijk te stellen elementen.

b.In afwijking van het onder a staande, erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevellijn tot een hoogte van maximaal 1,5 meter zijn toegestaan, mits er geen verkeersonveilige situatie wordt gecreëerd en het deel van de erf- of terreinafscheiding hoger dan 1 meter van een overwegend open, doorzichtige constructie is, waarbij in ieder geval afscheidingsmuren, schuttingen of vlechtwerk niet tot de gehele hoogte van 1,5 meter zijn toegestaan.

c.Erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 meter.

Voor erf- en terreinafscheidingen op percelen met overwegend een maatschappelijke, bedrijfs-, kantoor- of daaraan gelijk te stellen bestemming geldt dat:

d.Erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevellijn van andere gebouwen (niet zijnde woningen) c.q. op die zijden van het perceel die naar de openbare weg of het openbaar groen zijn gekeerd, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 1 meter, met ondergeschikte elementen tot een hoogte van maximaal 2 meter. Onder ondergeschikte elementen worden in ieder geval verstaan: een poort ter breedte van de oprijlaan, kolommen, penanten, poeren, of daaraan gelijk te stellen elementen.

e.In afwijking van het onder d staande, zijn erf- en terreinafscheidingen tot een hoogte van maximaal 1,5 meter toegestaan, mits er geen verkeersonveilige situatie wordt gecreëerd en het deel van de erf- en terreinafscheiding hoger dan 1 meter van een overwegend open, doorzichtige constructie is, waarbij in ieder geval afscheidingsmuren, schuttingen of vlechtwerk niet tot de gehele hoogte van 1,5 meter zijn toegestaan.

f.Erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn van andere gebouwen (niet zijnde woningen) c.q. op die zijden van het perceel die niet naar de openbare weg of het openbaar groen zijn gekeerd, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 meter.

Artikel 3.5 Afwijkingsmogelijkheden voor dakkapellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreidingen van een gebouw

a.De beleidsregels gelden enkel voor dakkapellen voor zover deze niet passen in de categorie genoemd in bijlage II, artikel 2, lid 4 van het Bor (vergunningsvrij te realiseren). Hiervoor geldt dat er geen kwantitatieve eisen worden gesteld aan dakkapellen. Enkel de kwalitatieve beleidsregels zijn derhalve van toepassing. Daarnaast geldt uiteraard hetgeen beschreven is in de Welstandsnota dan wel hetgeen de welstandscommissie adviseert omtrent de gevraagde dakkapel.

b.Het is niet toegestaan om een (niet-vergunningsvrije) dakkapel te plaatsen op een vrijstaand bijbehorend bouwwerk.

4 Slotbepalingen

Artikel 6 Hardheidsclausule

Het meewerken aan een afwijking van het omgevingsplan is geen verplichting maar een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Dat wil zeggen dat burgemeester en wethouders, ook al is een bouwplan in overeenstemming met de beleidsregels, medewerking kunnen weigeren. Onder de Omgevingswet geldt overigens dat ook indien aan alle kaders voor een “gebonden” binnenplanse afwijking wordt voldaan, het college alsnog de vergunning kan weigeren (artikel 22.281 van de bruidsschat omgevingsplan). Een strikte toepassing van de beleidsregels kan in bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen hebben in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In dergelijke gevallen kan gemotiveerd van de beleidsregels worden afgeweken. Hetzelfde geldt ook ten aanzien van het meewerken aan een afwijking, ook al is het bouwplan in strijd met de beleidsregels. Zie paragraaf 1.2 voor een uitgebreide toelichting.

Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel

1Deze beleidsregels treden in werking op de dag van bekendmaking op overheid.nl, onder gelijktijdige intrekking van de “Beleidsregels voor planologische afwijkingsmogelijkheden juli 2012”.

2Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels voor planologische afwijkingsmogelijkheden, januari 2024’.

Bijlage 1 Wettekst Besluit omgevingsrecht (Bor)

Tekst geldend op 31 december 2023

Bijlage II Behorende bij de artikelen 2.3 en 2.7 van het Besluit omgevingsrecht

Aanwijzing van categorieën gevallen waarin:

-Voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de wet kan worden verleend.

Hoofdstuk IV Categorieën gevallen waarin voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de wet kan worden verleend

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

2een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m, en

b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

3een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 10 m, en

b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

4een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

5een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;

6een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

7een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

8het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

9het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;

10het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

b.de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,

c.de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en

d.de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;

11ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Hoofdstuk V Bijzondere bepalingen

Artikel 5

1Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal woningen gelijk.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.