Aanhef
De raad van de gemeente Raalte,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 7 oktober 2025
gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;
Besluit:
vast te stellen de volgende verordening:
Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2026
(Verordening rioolheffing 2026)
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a.gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; alsmede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater;
b.belastingobject:
1een roerende zaak;
2een onroerende zaak;
c.één onroerende zaak als bedoeld onder b:
1een gebouwd eigendom;
2een ongebouwd eigendom;
3een gedeelte van een onder c1 of c2 bedoeld eigendom dat afzonderlijk wordt gebruikt.
4een samenstel van twee of meer van de onder c1 of c2 bedoelde eigendommen of onder c3 bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, als één geheel worden gebruikt;
5het binnen de gemeente gelegen gedeelte van een onder c1 of c2 bedoeld eigendom, van een onder c3 bedoeld deel daarvan of van een onder c4 bedoeld samenstel;
d.verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterleidingbedrijf betrekking heeft.
e.water: drinkwater, huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater;
f.afvalwater: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater.
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a.de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b.de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht
1De belasting wordt geheven van de gebruiker van een belastingobject waarnaar direct of indirect water wordt toegevoerd én van waaruit direct of indirect afvalwater wordt afgevoerd;
2Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:
a.degene die naar de omstandigheden beoordeelt het belastingobject al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;
b.ingeval een gedeelte van een eigendom - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 1, onderdeel c3 – ten gebruike is afgestaan, degene die dat deel in gebruik heeft afgestaan;
c.ingeval sprake is van volgtijdig gebruik degene die dat belastingobject ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4. Maatstaf van heffing
1De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat direct of indirect vanuit het belastingobject via de riolering wordt afgevoerd.
2Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het belastingobject is toegevoerd of is opgepompt.
3Indien er sprake is van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 1, onderdeel c3, wordt het aantal kubieke meters afvalwater evenredig toegedeeld.
4Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.
5Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van:
a.een watermeter waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
b.een bedrijfsurenteller waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met een vaste capaciteit in bedrijf is geweest, kan worden afgelezen. De vorige volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.
6De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater via de gemeentelijke riolering is afgevoerd.
Artikel 5 Belastingtarieven
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt per jaar voor de afvoer van afvalwater in de categorie van:
A
0m³
tot en met
500m³
€ 285,00
B
501m³
tot en met
1.000 m³
€ 422,64
C
1.001 m³
tot en met
2.000 m³
€ 562,68
D
2.001 m³
tot en met
3.500 m³
€ 843,96
E
3.501 m³
tot en met
5.000 m³
€ 1.125,24
F
5.501 m³
tot en met
8.000 m³
€ 1.407,24
G
8.001 m³
tot en met
11.000 m³
€ 1.842,12
H
11.001 m³
tot en met
14.500 m³
€ 1.968,96
I
14.501 m³
tot en met
18.500 m³
€ 2.251,20
J
18.501 m³
tot en met
23.000 m³
€ 2.531,52
K
23.001 m³
tot en met
28.000 m³
€ 2.813,88
L
28.001 m³
tot en met
33.500 m³
€ 3.094,20
M
33.501 m³
tot en met
39.500 m³
€ 3.376,68
N
39.501 m³
tot en met
46.000 m³
€ 3.657,36
O
46.001 m³
en hoger
€ 3.924,60
Artikel 6 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander belastingobject waarvoor hij belastingplichtig wordt op grond van deze verordening, in gebruik neemt.
Artikel 9. Termijnen van betaling
1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag uiterlijk drie maanden na dagtekening van het aanslagbiljet betaald zijn.
2aIn afwijking van het eerste lid geldt voor een automatische betalingsincasso, mogelijk bij een aanslagbedrag vanaf € 30 tot € 5.000 het volgende. Het aantal termijnen bedraagt ten minste drie en ten hoogste tien maanden. De aanslag wordt betaald in zoveel gelijke termijnen als er nog maanden resteren in het lopende belastingjaar. De eerste termijn vervalt op de 25e dag van de maand na de dagtekening van het aanslagbiljet. Aanslagen met een dagtekening in oktober, november en december hebben een betaaltermijn van drie maanden.
2bIn afwijking van het eerste lid kan op verzoek bij een aanslagbedrag minder dan € 30 en meer dan € 5.000, betaald worden door middel van automatische betalingsincasso. Het aantal incasso termijnen is dan maximaal drie termijnen. De eerste termijn vervalt op de 25e dag van de maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand later.
3De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 10 Kwijtschelding
1Voor de belasting kan kwijtschelding worden verleend tot het maximum van het in artikel 5 genoemde bedrag in categorie A;
2Voor de belasting genoemd in de overige categorieën van artikel 5 wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel
1De “Verordening rioolheffing 2025” wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026
4Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing 2026”.