Gemeentelijke regelgeving

Nota Parkeren en stallen Raalte 2025

Gemeente Raalte · geldt sinds 10 januari 2026

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van Raalte heeft op 16-12-2025 de volgende

nota ‘Parkeren en stallen Raalte 2025’ vastgesteld:

Nota Parkeren en stallen Raalte 2025

Bijlage 1 Begrippen

Parkeereis of stallingseis

De parkeereis of stallingseis is het (totaal) aantal parkeerplaatsen of stallingsplaatsen dat in een plangebied beschikbaar moet zijn.

Normatieve parkeerbehoefte

De totale parkeerbehoefte van een functie op basis van de parkeernormen zoals vastgelegd in deze nota. Hierbij kan sprake zijn van een onderverdeling in de totale parkeerbehoefte per gebruikersgroep, per functie. De normatieve parkeerbehoefte wordt bepaald door het aantal/de omvang van een functie te vermenigvuldigen met de parkeernorm van die functie.

Toegankelijkheidsplicht

De toegankelijkheidsplicht is het (totaal) aantal parkeer- en/of stallingsplaatsen dat in een plangebied of deelgebied openbaar toegankelijk en beschikbaar moet zijn voor dubbelgebruik.

Dubbelgebruik

Niet alle functies hebben tegelijkertijd dezelfde parkeer- of stallingsbehoefte, daarom kunnen parkeer- en stallingsplaatsen op verschillende momenten van de dag door verschillende gebruikersgroepen worden gebruikt. Door rekening te houden verschillende gebruikers wordt de beschikbare capaciteit op een efficiënte manier benut en zijn in totaliteit minder parkeerplaatsen nodig.

Bruikbaar aanbod

Parkeer- en stallingsplaatsen op eigen terrein of in de openbare ruimte die voldoen aan de in deze nota gestelde eisen worden gezien als bruikbaar parkeeraanbod. Parkeerplaatsen die niet voldoen worden niet meegerekend bij de beoordeling of het plan voldoende voorziet in de parkeer- en stallingseis.

Bruto vloeroppervlak (bvo)

Het bruto vloeroppervlak van een gebouw is het vloeroppervlakte inclusief alles, gemeten op vloerniveau, dus inclusief gevels, dragende wanden enzovoort. Een scheidende muur (muur tussen twee zelfstandige delen van een gebouw) telt voor de helft mee bij het berekenen van het bvo. In tegenstelling tot het gebruiksoppervlak (gbo) zijn hierin wel de gemeenschappelijke ruimtes inbegrepen. Het ontbrekend vloeroppervlak van een vide mag in mindering worden gebracht op het bvo, immers is daar geen vloeroppervlak aanwezig.

Werkvloeroppervlak (wvo)

Het gedeelte van de vloeroppervlakte binnen een gebouw dat gebruikt wordt voor productie, opslag, assemblage, werkplaatsen of andere werkzaamheden, gemeten in bruto vloeroppervlak tussen buitenmuren en inclusief verkeersruimten binnen de vloer zoals gangpaden, directe toegang tot werkzones enzovoort, maar exclusief algemene functies zoals kantoren, sanitaire ruimtes, lift /trapopgangen die niet direct de functie van werkvloer hebben.

Salderen

Het in mindering brengen van de bestaande parkeer- en stallingsbehoefte van een ruimtelijke functie op de parkeer- en stallingsbehoefte van de toekomstige ruimtelijke functie van een inbreidingsplan.

Toegangsweg

Een weg op een privaat perceel dat een bestemming en parkeerplaatsen verbindt met de openbare weg. Deze toegangsweg is bedoeld voor gebruik door niet-gemotoriseerd verkeer en gemotoriseerd verkeer.

Gebruiksfunctie

De gebruiksfunctie is de aanduiding voor het gebruik van een (of meerdere) bouwwerk(en) of een deel van een bouwwerk. Het bouwwerk kan zowel eenzelfde bestemming als meerdere bestemmingen hebben. De volgende gebruiksfuncties worden in deze nota onderscheiden: Wonen, Werken, Winkelen en Boodschappen, Sport, Cultuur en Ontspanning, Horeca en Verblijfsrecreatie, Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen en tot slot Onderwijs.

Functie

Alle gebruiksfuncties kennen een onderverdeling in functies. Aan de hand van de functie wordt de te hanteren parkeer- en stallingsnorm bepaald. Uitleg: de gebruiksfunctie wonen kent bijvoorbeeld de functies: ‘Vrijstaande woning’ en ‘Huurappartement’ en de gebruiksfunctie werken kent de functies: ‘kantoor’ en ‘bedrijf’.

Nevenfunctie

Een nevenfunctie, in of buiten het bouwwerk, staat ten dienste van een functie. Bijvoorbeeld de nevenfunctie ‘kantine’ in een kantoor of ‘magazijn’ in een bedrijfspand.

Bijlage 2 Toelichting functies

Wonen

Kleine eengezinswoning (koop)

Woning die specifiek is ontworpen voor één- of tweepersoonshuishoudens. De woning heeft maximaal 2 slaapkamers en maximaal een bvo van 125 m2 of een woonoppervlak van 100 m2. De zolder van een dergelijke woning wordt gezien als slaapkamer wanneer deze: bereikbaar is met een vaste trap en/of volgens ‘Besluit bouwwerken leefomgeving’ (Bbl) als woon-leef/ruimte wordt beschouwd. Als de woning niet aan deze kenmerken voldoet mag de gegeven norm niet worden toegepast.

Grondgebonden seniorenwoning (koop of huur)

Grondgebonden woning die specifiek is ontworpen voor senioren. Deze woning heeft de volgende kenmerken: drempelloos, voorzien van brede toegangsdeuren, gelijkvloers of voorzien van een traplift en de woning beschikt over een rolstoelvriendelijke entree en een rolstolvriendelijk toilet/badkamer. Kenmerkend is dat deze woning (meestal) een lage goot heeft. De woning heeft maximaal 2 slaapkamers en maximaal een bvo van 125 m2 of een woonoppervlak van 100 m2. De zolder wordt gezien als slaapkamer als deze bereikbaar is met een vaste trap en/of volgens ‘Besluit bouwwerken leefomgeving’ (Bbl) als woon-leef/ruimte wordt beschouwd. Als de woning niet aan deze kenmerken voldoet mag de gegeven norm niet worden toegepast.

Geclusterd wonen (aanleunwoning/serviceflat)

Zelfstandige woning welke is bedoeld voor (zorgbehoevende) ouderen en voorzien van beperkte zorgvoorzieningen. De woning beschikt verder over dezelfde kenmerken als een grondgebonden seniorenwoning. De woning ligt in of in de directe nabijheid van een zorgcomplex. Bewoners moeten aantoonbaar permanent en eenvoudig toegang hebben tot zorg en ondersteuning van het nabijgelegen zorgcomplex. De directe relatie tussen het zorgcomplex moet onomstotelijk vast te stellen zijn.

Zorgappartement Begeleid wonen

Zelfstandige of niet zelfstandige woonruimte in een permanent wooncomplex waar bewoners met zorg- of hulpvraag zelfstandig wonen, terwijl zij begeleiding en ondersteuning krijgen. Bewoners beschikken niet over een auto omdat zij bijvoorbeeld een mobiliteitsbeperking hebben of andere beperking waardoor autorijden niet mogelijk is. Deze onderbouwing moet bij de omgevingsvergunning worden vastgelegd.

Studentenkamer (niet-zelfstandig)

Niet-zelfstandige woonruimte als onderdeel van een woongebouw met meerdere wooneenheden. Er is sprake van gedeelde voorzieningen zoals de keuken en sanitair.

Werken

Kantoor

Een bouwwerk dat is ingericht met kantoorwerkplekken bijvoorbeeld bedoeld voor administratieve en/of zakelijke dienstverlening. De werkzaamheden zijn meestal vooral intern en beperkt publiekgericht. Er is geen onderscheid tussen verschillende categorieën.

Bedrijf

Bouwwerk waar producten/goederen worden geproduceerd of opgeslagen en/of waar diensten worden geleverd. Bedrijven kunnen variëren in (onder andere) sector, grootte, productiewijze, arbeidsintensiteit en organisatiestructuur. Voor alle bedrijven geldt één norm.

Winkelen en boodschappen

Kruidenier, buurtsupermarkt of boerderijwinkel

Kleine(re) supermarkt (≤ 500 m2 wvo) met een divers maar beperkt assortiment van dagelijkse boodschappen en levensmiddelen. Meestal heeft deze winkel een duidelijk afgebakend verzorgingsgebied zoals een dorpsdeel of (kleine) dorpskern. Een dergelijke winkel kan zich ook in het centrum van Raalte of Heino bevinden.

Supermarkt

Een (reguliere) supermarkt (501 - 2.500 m2 wvo) met een divers en breed assortiment van dagelijkse boodschappen en levensmiddelen. Deze winkel heeft een lokaal en beperkt regionaal verzorgingsgebied. Zoals een dorpskern en direct omliggende dorpskernen.

Grote supermarkt (XL)

Een zeer grote supermarkt (> 2.500 m2 wvo) met een divers en zeer uitgebreid assortiment van dagelijkse boodschappen en levensmiddelen en daarnaast een uitgebreid aanbod van non-food artikelen. Deze winkel heeft vooral een regionaal verzorgingsgebied.

Winkel dorpswinkelcentrum

Het hoofdwinkelgebied van een dorpskern met een sterke, centrale clustering van centrumfuncties, horeca en detailhandel. Meestal gaat het om kleinschalige winkels met een bruto vloeroppervlak niet groter dan 500 m2. Deze functie is alleen van toepassing bij winkels in het centrum en schilgebied van Raalte. Voor winkels in andere dorpskernen of -delen, wijken of buurten geldt de norm ‘Winkel kernen en wijken’. Voor specifieke functies in een dorpswinkelcentrum zoals horeca of supermarkten geldt deze functie niet.

Winkel kernen en wijken

Winkel in een dorpskern of wijk. Hier is geen sprake van een sterke, centrale clustering van centrumfuncties, horeca en detailhandel. Voor specifieke functies in een dorpswinkelcentrum zoals horeca of supermarkten geldt deze functie niet.

Kringloopwinkel

Een winkel gericht op de verkoop van gebruikte goederen en tweedehands producten. Goederen en producten worden doorgaans ingezameld via donaties of inname en vervolgens te koop aangeboden tegen lage prijzen. Bij deze winkels is vaak sprake van volumineuze goederen. Er dient rekening te worden gehouden met het brengen en halen van die goederen.

Tuin- of Groenwinkel

Een middelgrote detailhandelsvestiging ≤ 2.500 m2 bvo in het perifeer gebied van een kern of buiten de bebouwde kom. Buitenruimte waar producten worden uitgestald, wordt gezien als verkoopruimte en daarom meegenomen in het totale bvo. Deze winkels richten zich met name op de verkoop van tuinartikelen, tuinmeubilair, planten, zaden, meststoffen, dierbenodigdheden, gereedschappen en overige producten voor tuin, dier en buitenleven. Ook worden vaak seizoenartikelen zoals kerstversiering en ander decoratiemateriaal aangeboden. Voorbeelden zijn ‘de Welkoop’ en ‘de Boerenbond’.

Tuincentrum/Groencentrum

Een (zeer) grote detailhandelsvestiging > 2.500 m2 bvo meestal gevestigd in het perifeer gebied van een kern of buiten de bebouwde kom. Buitenruimte waar producten worden uitgestald, wordt gezien als verkoopruimte en daarom meegenomen in het totale bvo. Deze winkels richten zich met name op de verkoop van tuinartikelen, tuinmeubilair, planten, zaden, meststoffen, dierbenodigdheden, gereedschappen en overige producten voor tuin, dier en buitenleven. Ook worden vaak seizoenartikelen zoals kerstversiering en ander decoratiemateriaal aangeboden. De grootte van deze vestigingen kan sterk variëren, daarom is een maatwerkonderbouwing nodig. Daarbij is de organisatie van eventuele evenementen ook van belang. Voorbeelden zijn de ‘Intratuin’ of ‘Groenrijk’.

Groothandel

Een groothandel is meestal een grootschalige detailhandelsvestiging op een industrieterrein aan de rand van een stad, waar men uitsluitend als pashouder inkopen kan doen. Een groothandel richt zich veelal op wederverkopers, zakelijke klanten of andere groothandels en niet direct op een reguliere consument. Deze functie kent verschillende typen waarvoor geen aparte norm bestaat.

Weekmarkt

Een weekmarkt is een met regelmaat terugkerende openbare markt die doorgaans één of meerdere dagen per week op een vaste locatie gehouden wordt. Standplaatshouders verkopen vanuit een kraam of wagen diverse goederen (van levensmiddelen tot detailhandelsgoederen). De gegeven normen zijn inclusief één parkeerplaats voor het voertuig van de standplaatshouder. Meestal kan dat voertuig bij de standplaats worden geparkeerd. Het bezoekersdeel voor parkeren is dus de parkeernorm -1.

De omvang, ligging en bereikbaarheid van een weekmarkt kunnen de parkeer- en stallingsbehoefte sterk beïnvloeden.

Bruin- en witgoedzaak

Een grootschalige detailhandelsvestiging waar volumineuze consumentenelektronica (bruin en witgoed) wordt verkocht. Meestal gevestigd in de eerste bebouwingsschil rondom het dorpscentrum of in gebieden, die aan de rand van een dorp of stad liggen.

Woonwinkel

Een grootschalige detailhandelsvestiging met een bvo van ≤ 2.500 m2. Meestal is deze winkel gevestigd in perifeer gebied van kernen of op bedrijventerreinen. Een woonwinkel heeft een breed assortiment van volumineuze en niet-volumineuze goederen. Het assortiment is gericht op het inrichten van woningen in de breedste zin van het woord (meubels, vloerbedekking, verf en behang, accessoires, verlichting etc.). Deze functie is ook van toepassing voor gespecialiseerde woonwinkels (keukens, zonwering, bedden etc.). Voor kleinere winkels (ca 500 m2 bvo) geldt in beginsel de functie ‘Winkel dorpswinkelcentrum’ of ‘Winkel kernen en wijken’.

Woonwarenhuis

Een zeer grootschalige detailhandelsvestiging met een bvo van > 2.500 m2, met veelal een bovenregionaal verzorgingsgebied. Een woonwarenhuis heeft een breed assortiment van volumineuze en niet-volumineuze goederen. Het assortiment is gericht op het inrichten van woningen in de breedste zin van het woord (meubels, vloerbedekking, verf en behang, accessoires, verlichting etc.). Deze functie is ook van toepassing voor gespecialiseerde woonwinkels (keukens, zonwering, bedden etc.).

Bouwmarkt

Een (zeer) grootschalige detailhandelsvestiging, met een lokaal of regionaal verzorgingsgebied. Meestal is deze winkel gevestigd in perifeer gebied van kernen of op bedrijventerreinen. Het assortiment is gericht op het (ver)bouwen en bevat veelal doe-het-zelfartikelen, bouwmaterialen, gereedschappen, verf, tuinartikelen en aanverwante producten. De verkoop is gericht op particuliere klanten of op kleine zelfstandige aannemers. De grootte van deze vestigingen kan sterk variëren. Daarbij is de organisatie van eventuele evenementen ook van belang.

Sport, Cultuur en ontspanning

Filmhuis

Een filmtheater of filmhuis is een uitgaansgelegenheid (met een ideële/culturele doelstelling) waar films bekeken kunnen worden. Het betreft voornamelijk kleinschalige, artistieke films, die in het algemeen een minder groot publiek trekken dan de films in een bioscoop.

Musicaltheater

Een musicaltheater is een grootschalig theater, waar (vaak langlopende) theaterproducties gepresenteerd worden. Dagelijks zijn er een of twee voorstellingen, voornamelijk ’s avonds. De capaciteit van een voorstelling ligt vaak tussen de 1.000 en 2.000 bezoekers.

Bowlingcentrum

Een bowlingcentrum is gericht op zowel professioneel als recreatief bowlen. Het betreft dus niet de recreatieve bowlingfaciliteiten bij campings, hotels en dergelijke.

Sportschool

Relatief kleinschalige sportvoorziening met een bvo van ≤750 m2, waar bezoekers alleen gebruikmaken van fitnessapparaten. Wanneer er ook groepslessen zijn, geldt de functie ‘fitnesscentrum’ ongeacht het aantal m2 bvo.

Sportveld

Buitensportaccommodatie voor een specifieke sport zoals bijvoorbeeld voetbal of hockey. De norm is exclusief kantine, tribunes, kleedruimte, (klein) oefenveld en toiletten.

Fitnesscentrum

Grootschalige sportvoorziening met een bvo van > 750 m2, waar bezoekers gebruikmaken van fitnessapparaten en een breed pakket aan sportactiviteiten. Het gaat daarbij zowel om individueel trainen als groepslessen en diverse vormen van fitness, zoals: cardiofitness, krachttraining, spinning en aerobics. Eventueel in beperkte mate aangevuld met wellnessvoorzieningen zoals een sauna of een zonnebank. De nadruk ligt in een fitnesscentrum wel op de sportfunctie.

Wellnesscentrum

Een wellnesscentrum is de grotere zelfstandige (combinaties van) sauna’s, thermen en kuurcentra (en dus niet voorzieningen bij hotels, bungalowparken of campings). Een sauna is een publieke badinrichting, waar mensen saunabaden kunnen nemen. Kuurcentra bieden naast saunabaden ook vaak geneeskundige therapieën aan en vaak zijn faciliteiten aanwezig om te overnachten. Bij beide voorzieningen zijn in veel gevallen ook een massage-/beautysalon en horeca aanwezig (meestal een restaurant). Het verzorgingsgebied van de bedoelde wellnessvoorzieningen is (boven)regionaal en soms zelfs landelijk.

Kunstijsbaan

Bij deze norm is uitgegaan van een sobere semi-overdekte of overdekte 400 meter kunstijsbaan, gecombineerd met een baan van 30 × 60 meter (op het middenterrein bijvoorbeeld), zonder grootschalige tribunes of andere extra’s, maar wel geschikt voor wedstrijden. Er is onderscheid gemaakt in kunstijsbanen van 400 meter en in kleinere ijsbanen (voor bijvoorbeeld ijshockey en kunstrijden op de schaats).

Golfoefencentrum (pitch & put)

Al dan niet in combinatie met een golfbaan kan er sprake zijn van een golf(oefen)centrum. Een dergelijk centrum heeft bijvoorbeeld een driving range (afslagplaatsen) en een oefenbaan, eventueel gecombineerd met andere oefenfaciliteiten (zoals oefenbunkers of een putting green).

Golfbaan (18 holes)

Indicatief gesteld is voor de aanleg van een 18-holes golfbaan circa 60-70 hectare grond nodig. Als recreatief medegebruik plaatsvindt, is dit 25-50% meer.

Indoorspeeltuin/kinderspeelhal

Indoorspeeltuinen zijn zelfstandig functionerende speelgelegenheden voor kinderen tussen de twee en twaalf jaar die qua grootte, aard en prijs vallen tussen een wijkspeeltuin en een attractiepark. Er zijn bijvoorbeeld klimtoestellen, luchtkussens, ballenbakken en glijbanen.

De gemiddelde voorziening heeft overwegend een lokaal verzorgingsgebied. De afmetingen variëren meestal van 1.500 m2 bvo tot 3.500 m2 bvo. Er zijn echter ook voorzieningen, die beduidend groter zijn.

Horeca en verblijfsrecreatie

Camping/kampeerterrein

De parkeernorm is gebaseerd op 1 parkeerplaats voor campinggasten, 0,1 voor personeel en 0,1 voor bezoekers. Parkeerplaatsen voor personeel en bezoekers moeten op een centrale parkeerplaats zijn; plaatsen voor campinggasten kunnen centraal of op de eigen standplaats aanwezig zijn.

Een standplaats waar een auto met kampeermiddel of een camper kan staan, telt als één parkeerplaats.

Voor de tentenweide is een aparte parkeervoorziening nodig: 1 parkeerplaats per tentplaats, waarbij 1 tentplaats per 5 m² tentenweide wordt gehanteerd. Deze lagere norm is gebaseerd op een lagere bezetting en meer (motor)fietsen. Campings binnen de bebouwde kom (zoals stadscampings of camperplaatsen) vallen eveneens onder deze functie. Wanneer de camping een publiek toegankelijke voorziening heeft, zoals een restaurant, is daarvoor een maatwerkonderbouwing nodig voor de parkeer- en stallingsbehoefte.

Vakantiepark/bungalowpark

Het bezoekersaandeel betreft parkgasten. Het overige deel (10%) betreft personeel en bezoekers van gasten. Wanneer op het park een restaurant (of een andere voorziening) is die ook publiek toegankelijk is (voor externe gasten), is daarvoor een maatwerkonderbouwing nodig voor de parkeer- en stallingsbehoefte.

Budget/middenklasse hotel en Luxe hotel

Het bezoekersaandeel betreft gasten. Het overige deel betreft personeel. Een budget/middenklasse hotel heeft 1 tot 3 sterren. Het voorzieningenniveau varieert van basis tot goed. Bij deze hotels ligt de focus op slapen en eten. Een luxe hotel heeft 4 tot 5 sterren. Het voorzieningenniveau is (zeer) uitgebreid en exclusief. Bij deze hotels ligt de focus niet alleen op slapen en eten, maar ook op verblijven en ontspannen (bijvoorbeeld wellness). Wanneer bij het hotel een restaurant is dat ook toegankelijk is voor externe gasten is daarvoor een maatwerkonderbouwing nodig voor de parkeer- en stallingsbehoefte.

Café/bar klein of groot

De ligging en doelgroep van een café/bar kan sterk verschillen. Een danscafé met bovenlokale bezoekersdoelgroep trekt meer bezoekers met een auto dan een dorpscafé met vooral een lokale bezoekersdoelgroep. Verder kan ook sprake zijn van een combinatie van functies zoals bij een eetcafé. Daarom kan de parkeer- en stallingsbehoefte voor deze functie sterk verschillen en is een maatwerkonderbouwing nodig.

Bij een klein café/bar zijn vaak geen feesten, partijen of bijeenkomsten. Een klein café is ≤ 250 m2 bvo. Een groot café/bar heeft een zaal of grote ontmoetingsruimte waar wel feesten, partijen of bijeenkomsten zijn en is > 250 m2 bvo. Het auto- en fietsgebruik bij een feestzaal is sterk afhankelijk van de hoeveelheid gasten per m2 en locatiespecifieke factoren. Een terras moet worden meegerekend bij het totaal aantal m2 bvo.

Snackbar/cafetaria

Het auto- en fietsgebruik bij deze functie kan variëren op basis van afhaalgerichtheid of zitgelegenheden. Daarom is een maatwerkonderbouwing nodig. De maximale grootte van een snackbar/cafetaria is 250 m2 bvo. Daarboven is meestal sprake van een restaurant of fastfoodrestaurant. Voor die typen kan deze functie niet worden toegepast.

Restaurant

Het type restaurant en de hoeveelheid zitplaatsen kunnen een sterke invloed hebben op de parkeer- en stallingsbehoefte. Daarom is een maatwerkonderbouwing nodig.

Evenementenhal/beurs-congresgebouw

De parkeer- en stallingsbehoefte is sterk afhankelijk van de locatie en het niveau van de mobiliteitsvoorzieningen. Daarom is een maatwerkonderbouwing nodig.

Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen

Consultatiebureau

Een groepsruimte wordt gezien als een behandelkamer.

Consultatiebureau voor ouderen

Een groepsruimte wordt gezien als een behandelkamer.

Gezondheidscentrum

Een gezondheidscentrum is een locatie met meerdere zorgvoorzieningen onder één dak, waaronder bijvoorbeeld huisarts, fysiotherapeut, psycholoog, diëtist, verloskundige, apotheek of consultatiebureau.

Door variërende openingstijden en de aanwezigheid van functies met een lagere parkeerbehoefte geldt een lagere norm. Deze norm is alleen toepasbaar wanneer minstens één functie met lage parkeerdruk aanwezig is (zoals fysiotherapie of consultatiebureau); een combinatie van uitsluitend huisarts en tandarts geldt niet als gezondheidscentrum. Door de uiteenlopende openingstijden is altijd een maatwerkonderbouwing, eventueel met parkeerbalans, nodig. Bij de norm is de het parkeren en stallen voor een apotheek niet meegenomen, de parkeer- en stallingsbehoefte daarvoor moet apart worden bepaald.

Ziekenhuis

Het auto- en fietsgebruik bij ziekenhuizen kan sterk variëren. Het bepalen van de juiste parkeer- en stallingsbehoefte vereist maatwerk.

Wijkgebouw/buurthuis

Gebouw waar sociale of culturele activiteiten en kleinschalige bijeenkomsten plaatsvinden. Het gebouw is niet gericht op commerciële dienstverlening of grootschalige evenementen, maar richt zich op activiteiten en bijeenkomsten voor de lokale gemeenschap.

Verpleeg- verzorgingstehuis

Woonzorgcomplex voor mensen met een intensieve zorgbehoefte. Bewoners wonen hier permanent in een (klein) appartement of kamer. Zorgpersoneel is 24 uur aanwezig.

Onderwijs

Kinderopvang

Het aantal benodigde parkeerplaatsen en stallingen bij een kinderopvang kan sterk verschillen per locatie. Daarom is een maatwerkonderbouwing vereist. De gegeven parkeer- en stallingsnorm is een indicatie voor de parkeer- en stallingsbehoefte voor personeel. Er is in principe geen sprake van een bezoekersaandeel, wel moet rekening worden gehouden met parkeer- en stallingsruimte voor ouders die kinderen brengen en halen. Ook dit aandeel is sterk situatieafhankelijk, met behulp van een maatwerkonderbouwing dient het aantal benodigde parkeer- en stallingsplaatsen voor brengen/halen te worden bepaald.

Basisonderwijs

Het aantal benodigde parkeerplaatsen en stallingen bij een basisschool kan sterk verschillen per locatie. Daarom is een maatwerkonderbouwing vereist. De gegeven parkeernorm is een indicatie voor de parkeerbehoefte voor personeel. De gegeven stallingsnorm is een indicatie voor de stallingsbehoefte voor personeel en leerlingen. Er is in principe geen sprake van een bezoekersaandeel, wel moet rekening worden gehouden met parkeer- en stallingsruimte voor ouders die kinderen brengen en halen. Ook dit aandeel is sterk situatieafhankelijk, met behulp van een maatwerkonderbouwing dient het aantal benodigde parkeer- en stallingsplaatsen voor brengen/halen te worden bepaald.

Middelbare school (voortgezet onderwijs)

Een middelbare school heeft een bovenlokaal verzorgingsgebied. Het aantal benodigde parkeer- en stallingsplaatsen varieert per locatie, daarom is een maatwerkonderbouwing vereist. De normen geven een indicatie voor personeel, leerlingen en incidentele bezoekers (zoals ouders bij korte gesprekken of incidenteel brengen/halen). Parkeerplaatsen voor bezoekers en personeel kunnen in de regel dubbelgebruikt worden. De parkeer- en stallingsbehoefte bij open dagen is niet meegenomen.

MBO/ROC

Een MBO/ROC heeft een bovenlokaal tot regionaal verzorgingsgebied. Het aantal parkeer- en stallingsplaatsen varieert per locatie, daarom is een maatwerkonderbouwing vereist. De normen geven een indicatie voor personeel, leerlingen en incidentele bezoekers (zoals ouders bij korte gesprekken). Parkeerplaatsen voor bezoekers en personeel kunnen in de regel dubbelgebruikt worden. De parkeer- en stallingsbehoefte bij open dagen is niet meegenomen.

Avondonderwijs of vrijetijdsonderwijs

Dit type onderwijs heeft relatief kleine groepen en meestal volwassen ‘studenten’, het autogebruik is daarom relatief hoog. Wel blijft het auto- en fietsgebruik sterk locatieafhankelijk. Daarom is een maatwerkonderbouwing nodig. Het gegeven bezoekersaandeel betreft studenten.

Bijlage 3 Toelichting op de nota

Een toets op het parkeren wordt uitgevoerd bij iedere ‘bouwvorm’, dit is een verzamelterm voor bouwplannen, verbouwingen of gebruikswijzigingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. De exacte bouwvorm bepaalt de rekenmethode voor parkeren en stallen. In de basis zijn er twee verschillende rekenmethoden om te bepalen of het aanbod parkeer- en stallingsplaatsen groter is dan, of gelijk is aan de parkeer- en stallingeis:

-Rekenmethode A

-Rekenmethode B

Beide rekenmethoden zijn nader uitgewerkt in voorliggende bijlage. Per bouwvorm is onderstaand beschreven welke rekenmethode van toepassing is. Voor een uitgebreide toelichting kan contact worden opgenomen met de verkeerskundige van de gemeente Raalte. De volgende bouwvormen zijn relevant voor het bepalen van een parkeereis:

-Nieuwbouw

Deze vorm behelst het bouwen op onontwikkeld terrein. Er is geen sprake van een bestaande functie waarbij gesaldeerd kan worden. Voor deze bouwvorm dient gebruik te worden gemaakt van rekenmethode A.

-Uitbreiding (optoppen, aanbouw)

Uitbreiding van een bestaand gebouw omvat een bouwactiviteit waarbij het bruto vloeroppervlak of de omvang toeneemt. Dit varieert van een aanbouw tot het toevoegen van een of meer extra bouwlagen, ook wel ‘optoppen’ genoemd. In dergelijke situaties is het niet mogelijk om te salderen, aangezien de (ver)bouw niet leidt tot een vervanging van een bestaande functie. Eventuele bestaande tekorten zijn dan irrelevant. Voor deze bouwvorm dient gebruik te worden gemaakt van rekenmethode A.

-Herbestemming en functiewijziging (transformatie, sloop/herbouw en tijdelijke functies)

Deze bouwvorm betreft het wijzigen van een bestaande functie in een gebouw ‘met behoud van casco’, of door sloop/herbouw het vervangen van een bestaand gebouw door een ander gebouw met een andere functie, binnen het plangebied. Voor het parkeren en stallen worden deze activiteiten vergelijkbaar behandeld, omdat beiden leiden tot een wijziging van de bestaande functie en daarmee de parkeer- en stallingsbehoefte. Eventuele bestaande tekorten komen niet voor rekening van initiatiefnemer en daarom is het in deze situaties mogelijk om te salderen. Bij deze berekening is de huidige bestemmings- of omgevingsplanfunctie en het huidige binnen de planfunctie passende gebruik het uitgangspunt en moet rekening worden gehouden met een leegstandstermijn van 5 jaar. Het aantal te salderen parkeer- en stallingsplaatsen dient te worden bepaald met behulp van een berekening van het maatgevend moment en een eventuele verschuiving daarvan. Voor deze bouwvorm dient gebruik te worden gemaakt van rekenmethode B.

-Vernieuwing en vervanging

Bij vernieuwing en vervanging gaat het om het herstellen of verbeteren van bestaande bouw zonder functiewijziging of toename in omvang. Dit geldt ook voor grootschalige herstructurering. Wanneer de huidige situatie in aantal/omvang, type/vorm gelijk blijft, blijven eventuele bestaande tekorten buiten beschouwing. Voorwaarde daarbij is dat ook het huidige parkeer- en stallingsaanbod gelijk blijft. Is dat laatste niet het geval, dan moeten vervallen parkeer- en stallingsplaatsen worden gecompenseerd, tenzij aangetoond kan worden dat die parkeer- en/of stallingsplaatsen niet in gebruik zijn. Een berekening is in deze situatie niet nodig. Wanneer naast vernieuwing en vervanging sprake is van een uitbreiding, geldt de rekenmethode voor alleen die uitbreiding (zie uitbreiding).

-Verdichting van functies (bijvoorbeeld woningsplitsing)

Het verdichten van functies of splitsen van woningen betreft een toename van wooneenheden of functies zonder een fysieke verandering of uitbreiding van het m2 bvo, bijvoorbeeld het omzetten van een eengezinswoning naar meerdere kleinere appartementen. Bij verdichting (splitsing) dient eerst te worden nagegaan of reeds sprake is van bestaande tekorten. Als sprake is van bestaande tekorten, komen die niet voor rekening van de initiatiefnemer en moet de parkeer- en stallingseis worden berekend volgens rekenmethode B. Wanneer geen sprake is van bestaande tekorten dan is praktisch gezien sprake van een uitbreiding en dient te worden gerekend met rekenmethode A. Als sprake is van een bestaand overschot, dient dat te worden aangetoond. Het overschot aan parkeer- en stallingsplaatsen mag dan anders worden ingevuld. Wanneer sprake is van een functiewijziging is sprake van bouwvorm ’herbestemming en functiewijziging’.

Rekenmethode A

In onderstaand stappenplan staat een volgordelijke reken- en werkwijze. Met behulp van 18 stappen kan in beeld worden gebracht of het aanbod parkeer- en stallingsplaatsen gelijk is aan of groter is dan het aantal parkeer- en stallingsplaatsen dat volgt uit de eis.

A. Bepaal de parkeer- en stallingsbehoefte

1Bepaal de ligging van de ruimtelijke ontwikkeling.

2Bepaal afbakening plangebied en het eigen terrein.

3Bepaal deelgebieden in het plangebied op basis van de acceptabele loopafstanden.

4Bepaal ruimtelijk programma per deelgebied.

5Bepaal de te hanteren parkeer- en stallingsnormen.

6Bepaal de aanwezigheidspercentages per gebruikersgroep.

7Bereken de parkeer- en stallingsbehoefte per moment van de week, per deelgebied (parkeerbalans).

8Rond de uitkomst uit de berekening voor de parkeer- en stallingsbehoefte per deelgebied naar boven af op hele aantallen.

9Tel eventuele te compenseren parkeerplaatsen op bij de parkeer- en stallingsbehoefte per deelgebied uit stap 8.

10Bepaal aan de hand van de uitkomst uit stap 9 het drukste moment van de week per deelgebied, dit is de parkeer- en stallingseis per deelgebied. Dit aantal parkeer- en stallingsplaatsen moet in dat gebied worden gerealiseerd.

11Bepaal per deelgebied het aantal parkeer- en stallingsplaatsen dat beschikbaar moet zijn in de openbare ruimte (toegankelijkheidsplicht). Uitkomsten worden naar boven afgerond.

Het resultaat is de parkeer- en stallingseis per deelgebied en als onderdeel daarvan het aantal parkeer- en stallingsplaatsen dat per deelgebied beschikbaar moet zijn in de openbare ruimte.

B. Bepaal het beschikbaar aanbod

12Breng de totale parkeercapaciteit en stallingscapaciteit per deelgebied in beeld. Let op: eventueel te compenseren parkeerplaatsen worden niet ‘dubbel gerekend’.

13Bepaal het bruikbaar aanbod aan de hand van de gegeven eisen voor zowel parkeer- en stallingsplaatsen op openbaar terrein als eigen terrein.

14Corrigeer de uitkomst uit stap 12 (per deelgebied) met het aantal parkeer- en stallingsplaatsen die niet aan de eisen voldoen.

15Tel het aantal parkeerplaatsen op eigen opritten en bepaal eventuele correctie per deelgebied met rekenwaarden voor parkeren op opritten.

16Corrigeer de uitkomst uit stap 14 (per deelgebied) met de rekenwaarden voor opritten (stap 15).

17Rond de uitkomst uit stap 16 (per deelgebied) af naar beneden. Dit is het beschikbaar parkeeraanbod per deelgebied.

18Bepaal het aantal parkeer- en stallingsplaatsen per deelgebied dat openbaar beschikbaar en bereikbaar is.

Het resultaat is het aantal beschikbare parkeer- en stallingsplaatsen per deelgebied en als onderdeel daarvan het aantal parkeer- en stallingsplaatsen dat beschikbaar moet zijn in de openbare ruimte.

Rekenmethode B

A. Bepaal de parkeer- en stallingsbehoefte

1Bepaal de ligging van de ruimtelijke ontwikkeling.

2Bepaal afbakening plangebied en het eigen terrein.

3Bepaal (eventuele) deelgebieden in het plangebied op basis van de acceptabele loopafstanden.

4Bepaal ruimtelijk programma per deelgebied in de huidige situatie1,2.

5Bepaal de te hanteren parkeer- en stallingsnormen voor de huidige situatie.

6Bepaal (per deelgebied) de normatieve parkeer- en stallingsbehoefte per gebruikersgroep voor de huidige situatie.

7Bepaal (per deelgebied) de gebruikersgroepen en aanwezigheidspercentages voor de huidige situatie.

8Bepaal ruimtelijk programma per deelgebied in de toekomstige situatie1,2.

9Bepaal de te hanteren parkeer- en stallingsnormen voor de toekomstige situatie.

10Bepaal (per deelgebied) de normatieve parkeer- en stallingsbehoefte per gebruikersgroep voor de toekomstige situatie.

11Bepaal (per deelgebied) de gebruikersgroepen en aanwezigheidspercentages voor de toekomstige situatie.

12Bereken de parkeer- en stallingsbehoefte – per moment van de week – voor zowel de huidige als de nieuwe situatie, per deelgebied (parkeerbalans). Let op, de waarden worden nog niet afgerond.

13Breng de parkeer- en stallingsbehoefte van de huidige situatie – per moment van de week – in mindering op de parkeer- en stallingsbehoefte – per moment van de week – van de toekomstige situatie. De uitkomst kan zowel positief als negatief zijn.

14Rond de resultaten uit stap 13 naar boven af op hele aantallen.

15Bepaal het aantal (eventueel) te compenseren parkeer- en stallingsplaatsen3. Dit kan zowel een positief als negatief aantal zijn.

16Verreken de uitkomst uit stap 14 met de (eventueel) te compenseren parkeerplaatsen voor elk moment van de week.

17Op basis van bovenstaande stappen is per moment van de week de parkeer- en stallingsbehoefte bepaald. Er kan sprake zijn van zowel een positief als negatief saldo. Het hoogste positieve saldo per moment van de weekdag is de parkeer- en stallingseis4.

1) Bij twijfel over het huidige gebruik of wanneer een parkeer- of stallingsnorm niet is opgenomen in deze nota is een aanvullende schriftelijke onderbouwing noodzakelijk om de parkeer- en stallingsbehoefte te motiveren.

2) Wanneer sprake is van een ‘indicatieve norm’, geldt een extra motiveringsplicht voor de parkeer- en stallingsbehoefte. Als de parkeer- en stallingsbehoefte niet redelijkerwijs kan worden gemotiveerd, kan niet gerekend worden met die (volledige) behoefte.

3) Alle parkeer- en stallingsplaatsen moeten voldoen aan de eisen om te kunnen worden geteld als volwaardige plaatsen.

4) Wanneer het drukste moment voor parkeren en stallen ongelijk is, dan geldt het hoogste aantal voor elke soort.

B. Bepaal het beschikbaar aanbod

18Breng de totale parkeercapaciteit en stallingscapaciteit in de toekomstige situatie (per deelgebied) in beeld. Let op: eventueel te compenseren parkeerplaatsen worden niet ’dubbel gerekend’.

19Bepaal het bruikbaar aanbod aan de hand van de gegeven eisen voor zowel parkeer- en stallingsplaatsen op openbaar terrein als eigen terrein.

20Corrigeer de uitkomst uit stap 18 (per deelgebied) met het aantal parkeer- en stallingsplaatsen die niet aan de eisen voldoen.

21Tel het aantal parkeerplaatsen op eigen opritten en bepaal eventuele correctie per deelgebied met rekenwaarden voor parkeren op opritten.

22Corrigeer de uitkomst uit stap 20 (per deelgebied) met de rekenwaarden voor opritten (stap 21).

23Rond de uitkomst uit stap 22 (per deelgebied) af naar beneden. Dit is het beschikbaar parkeeraanbod per deelgebied.

Het aantal beschikbare parkeer- en stallingsplaatsen wordt in beeld gebracht met behulp van de stappen 18 tot 23. De parkeer- en stallingseis die volgt uit stap 17 moet worden gerealiseerd binnen het plangebied. De eis uit stap 17 moet dus gelijk, of lager zijn aan het aanbod dat blijkt uit stap 23. Wanneer bij stap 17 sprake is van een negatief saldo, dan neemt de parkeer- en/of stallingseis niet toe als gevolg van de ontwikkeling en hoeft het parkeeraanbod daaraan verder niet worden getoetst.

Bijlage 4 Kwaliteitseisen (fiets)parkeeronderzoek

Met een (fiets)parkeeronderzoek (later parkeeronderzoek) kan het gebruik van parkeer- en stallingsvoorzieningen in een gebied in beeld worden gebracht. Een parkeeronderzoek kan verschillende doelen dienen, bijvoorbeeld:

•Aantonen dat op piekmomenten voldoende restparkeercapaciteit in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling beschikbaar is om een extra parkeervraag op te vangen.

•Aantonen dat op piekmomenten voldoende restcapaciteit in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling beschikbaar is om een extra stallingsvraag op te vangen.

•Inzicht in (fiets)parkeergebruik bij (weg)reconstructies.

•Het ontwikkelen en bijstellen van parkeerbeleid.

Onderzoeksvoorstel

Onderzoeksvoorstellen, kort en bondig, worden ingediend bij het aanspreekpunt van de gemeente Raalte. In ieder onderzoeksvoorstel is tenminste opgenomen:

•Onderzoekskaart met kader van het te onderzoeken gebied.

•Gehanteerde acceptabele loopafstanden (conform deze nota).

•Beknopte onderbouwing maatgevende onderzoeksmomenten.

•Onderzoeksmomenten met data en tijdstippen.

Kwaliteitseisen

•Op maatgevende onderzoeksmomenten (drukste momenten van de week) is voldoende (rest)capaciteit om aan de (extra) (fiets)parkeerbehoefte te voldoen.

•Het maatgevend onderzoeksmoment wordt bepaald a.d.h.v. aanwezigheidspercentages (conform deze nota) van de dominante functies in het onderzoeksgebied. Er is aandacht van mogelijke overslag door omliggende functies (bijvoorbeeld bij centrumgebieden).

•Het onderzoeksgebied wordt bepaald aan de hand van de acceptabele loopafstanden (conform deze nota) tussen een vrije openbare parkeerplaats en de hoofdtoegang van de bestemming.

•Bij het bepalen van het onderzoeksgebied wordt rekening gehouden met de barrièrewerking van gebiedsontsluitingswegen. Bij het passeren van gebiedsontsluitingswegen worden alleen daarvoor aangewezen en ingerichte oversteekplaatsen gebruikt.

•Maatgevende momenten in standaardsituaties*:

° Wonen

•Werkdag avond 20:00 uur.

•Werkdag nacht tussen 23:00 en 05:00 uur.

° Werken (kantoren en bedrijven)

•Werkdag ochtend tussen 09:00 en 10:00 uur of middag tussen14:00 en 15:00 uur.

° Winkelen

•Zaterdag tussen 10:00 en 12:00 uur en 14:00 en 16:00 uur

•Koopavond 19:00 uur tot 21:00 uur

•Woensdagmarkt

° Werkdagen zijn altijd op dinsdag of donderdag

*het bepalen van maatgevende momenten voor voorzieningen bij sport, recreatie, zorg en onderwijs is veelal maatwerk. Hiervoor zijn geen standaardsituaties gegeven. Maatgevende onderzoeksmomenten worden afgestemd met de gemeente Raalte.

•Ieder maatgevend onderzoeksmoment wordt tenminste tweemaal onderzocht. Als resultaten sterk afwijken, wordt het onderzoek opnieuw uitgevoerd.

•De bezettingsgraad blijft, na toevoeging van eventuele extra (fiets)parkeerbehoefte, onder de 90%.

•Het parkeeronderzoek mag niet worden uitgevoerd op feestdagen, in vakantieperioden, op het moment van werkzaamheden of tijdens evenementen in de omgeving. Evenementen en wegwerkzaamheden staan in ‘Melvin’.

•Standaard wordt alle capaciteit en bezetting (alle voertuigtypen) in de openbare ruimte geregistreerd en dient de bezetting op privéterrein te worden geregistreerd. Afhankelijk van de onderzoeksvraag kan worden vereist dat ook de parkeercapaciteit op privéterrein in beeld moet worden gebracht.

•Alle daarvoor aangewezen en ingerichte openbare parkeerplaatsen worden gezien als capaciteit. Bij parkeren op de rijbaan is het uitgangspunt dat de rijbaan ten minste 5,00 meter of breder is. Bij langsparkeren is een ruimtebeslag van 2,00 x 6,00 meter per voertuig het uitgangspunt.

•Alle daarvoor aangewezen en ingerichte openbare stallingsplaatsen worden gezien als capaciteit. Voor de capaciteit van stallingsplaatsen is een ruimtebeslag van 0,75 x 2,00 meter per fiets het uitgangspunt.

•Doelgroepenparkeren (elektrisch, mindervaliden, doktersauto e.d.) wordt apart geregistreerd.

•Afhankelijk van de onderzoeksvraag kan worden vereist dat kentekens worden geregistreerd. Indien van toepassing geldt kentekenregistratie voor alle voertuigen in de openbare ruimte, op eigen terrein wordt (i.v.m. privacyregels) alleen de bezetting geregistreerd.

•Onderzoekers zijn herkenbaar (oranje jas/hes) en kunnen zich legitimeren. (Nachtelijke) parkeeronderzoeken worden altijd vooraf gemeld bij de politie via 0900-8844 en bij ons klantportaal via info@raalte.nl.

Rapportage (minimaal aanwezig)

•Onderzoeksdata, tijdstippen en maatgevende onderzoeksmomenten.

•Een leesbare kaart van het onderzoeksgebied met logische deelgebieden.

•Parkeerbalans: indien relevant wordt aan de hand van aanwezigheidspercentages van bestaande en nieuwe functies aangetoond hoeveel parkeercapaciteit beschikbaar moet zijn per maatgevend onderzoeksmoment.

•Tabellen met:

° Capaciteit;

° Bezetting;

° Bezettingsgraad;

° Foutparkeren;

° (indien relevant) doelgroepenparkeren.

Bijlage 5 Uitgangspunten bereikbaarheid en maatvoering voor opritten

Om te kunnen spreken van voldoende bereikbare parkeerplaatsen op opritten van nieuwbouwwoningen moet worden voldaan aan de minimale eisen voor bereikbaarheid en maatvoering. Met onderstaande uitgangspunten zijn de minimale maatvoeringen bij opritten bepaald. Deze uitgangspunten zijn niet bedoeld om een brede(re) uitwegen/opritten of meer parkeerplaatsen op eigen oprit te vereisen. Deze maatvoering is overigens niet (altijd) van toepassing op bestaande situaties.

•Tussen de openbare weg en voor-, achter-, garage- of tuindeuren is naast de ruimte voor parkeren altijd een obstakelvrije looproute van minimaal 1,001 meter en gewenst 1,50 meter beschikbaar.

•Per parkeerplaats op eigen oprit wordt gerekend met een minimale maat van 2,50 meter breed en 5,00 meter lang. Wanneer twee parkeerplaatsen achter elkaar zijn geplaatst (lange oprit) is een ruimtetoeslag van 1,00 meter gewenst.

•Een enkele parkeerplaats op een oprit is bereikbaar via een uitweg/aansluiting op de openbare weg van minimaal 3,50 meter breed. Een eventuele maximale breedte is opgenomen in de meest actuele beleidsregels voor uitwegen.

•Een dubbele parkeerplaats op een oprit is bereikbaar via een (gecombineerde) uitweg/aansluiting op de openbare weg van minimaal 6,00 meter breed. Een eventuele maximale breedte is opgenomen in de meest actuele beleidsregels voor uitwegen.

•Voor parkeerplaatsen op eigen oprit is voldoende manoeuvreerruimte beschikbaar. Daarvan is sprake als, tussen de parkeerplaats en uitweg/aansluiting met de weg, voor enkele en dubbele parkeerplaatsen respectievelijk 3,50 meter en 6,00 meter breedte beschikbaar is en een lengte van minimaal 5,00 meter beschikbaar is. Deze lengte van 5,00 meter mag worden opgevangen op: eigen /oprit, het trottoir, de rijbaan (inclusief molgoot, exclusief het gedeelte dat voor parkeren kan worden gebruikt). Wanneer de minimale lengte van 5,00 meter niet beschikbaar is, is extra ruimte benodigd. Die extra ruimte is situatieafhankelijk. De benodigde extra ruimte, in de lengte of in de breedte, moet op eigen oprit worden opgevangen.

•Voor de bereikbaarheid van voor-, achter-, garage- of tuindeuren geldt een vrije ruimte van minimaal 1,001 meter en gewenst 1,50 meter. Deze ruimte kan niet worden benut als parkeerruimte. Deze vrije ruimte mag wel worden benut als obstakelvrije looproute.

•Ter hoogte van gevels, schuttingen, hagen en groen enzovoort, geldt een ruimte voor obstakelvrees van 0,50 meter á 1,00 meter. De invulling van deze ruimte is situatieafhankelijk. De vrije ruimte kan ook worden benut als obstakelvrije looproute.

•Bij toepassing van carports wordt aanbevolen om de benodigde ruimte voor palen of poeren bij de benodigde breedte op te tellen.

•Tussen twee parkeerplaatsen is gewenst om een ruimtetoeslag van 0,50 meter te hanteren.

1) Wanneer de woning rolstoeltoegankelijk moet zijn is de minimale eis 1,20 meter.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.