Aanhef
Burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend,
B E S L U I T E N:
1In te stemmen met het ontwerp van de Nota Bodembeheer deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond en overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, het ontwerp van de Nota Bodembeheer deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond voor zienswijzen ter inzage te leggen;
2middels bijgevoegde brief de gemeenteraad te informeren over de procedure tot vaststelling van de Nota;
3de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart Purmerend vast te stellen.
Inhoudsopgave
1Inleiding
1.1 Aanleiding
1.2 Doelstelling
1.3 Herzien definitief2 (25 augustus 2022)
2Bodemfunctieklassenkaart
3Bodemkwaliteitskaart
3.1 Stap 1: Opstellen programma van eisen
3.2 Stappen 2 en 4: Onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden
3.3 Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensverwerking
3.3.1 Selecteren beschikbare gegevens
3.3.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters
3.3.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet
3.3.4 Het opsporen van uitbijters
3.4 Het opsporen van uitbijters
3.4.1 Aantal en spreiding meetgegevens
3.4.2 Splitsen van deelgebieden
3.4.3 Samenvoegen deelgebieden
3.5 Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie en vaststellen definitieve deelgebieden
3.6 Stap 7: Vaststellen en karakteriseren bodemkwaliteitszones
3.7 Stap 8: Bodemkwaliteitskaart
3.7.1 Inleiding
3.7.2 Kaart met uitgesloten locaties en gebieden
3.7.3 Ontgravingskaart
3.7.4 Toepassingskaart
3.8 Bijzondere omstandigheden
3.9 Evaluatie eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart
4Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Bronvermeldingen
Overzicht bijlagen
Bijlage 1
–Begrippenlijst
Bijlage 2
–Selectie dataset
Bijlage 3
–Specificatie uitbijters
Bijlage 4A
–Statistische parameters NEN 5740 per bodemkwaliteitszone (waarden standaardbodem)
Bijlage 4B
–Statistische parameters PFAS per bodemlaag (gemeten waarden)
Bijlage 5
–Gespecificeerde verdachte percelen en uitgesloten gebieden
Overzicht kaartbijlagen
Kaartbijlage B1
–Bodemfunctieklassenkaart
Kaartbijlagen B2
–Ligging bodemkwaliteitszones
Kaartbijlagen B3
–Ontgravingskaarten
Kaartbijlage B4
–Toepassingskaart (generiek kader Besluit)
3 Bodemkwaliteitskaart
3.3 Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensverwerking
3.3.1 Selecteren beschikbare gegevens
De gegevens voor deze bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken uit het bodeminformatiesystemen van de gemeente Purmerend en de Omgevingsdienst IJmond. Ook zijn door de gemeente extra representatieve bodemrapporten geleverd op 16 december 2021, 17 januari 2022 en 19 mei 2022. In bijlage 2 staat een overzicht van de selecties die zijn uitgevoerd om tot een representatieve dataset voor deze bodemkwaliteitskaart te komen en zijn de bodemonderzoeken gespecificeerd waarvan de meetgegevens zijn toegevoegd aan de dataset van de bodemkwaliteitskaart.
Om meetgegevens van PFAS-verbindingen te verkrijgen, heeft de gemeente een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd. Ook zijn nog aanvullende gegevens gebruikt van bodemonderzoeken die recentelijk beschikbaar zijn gekomen. Deze gegevens zijn voor de actualisatie van de bodemkwaliteitskaart gebruikt.
3.3.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters
De dataset voor deze bodemkwaliteitskaart bestaat uit meng- en puntmonsters met meetgegevens. De landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft onderzocht wat de invloed is van het meenemen van zowel punt- als mengmonsters op de berekening van percentielwaarden van de meetgegevens[8]. De resultaten laten zien dat percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van zowel punt- als mengmonsters, vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan daarom geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met meetgegevens, afkomstig van zowel punt- als mengmonsters. In dit project zijn de meetgegevens van de mengmonsters éénmaal meegenomen.
3.3.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet
Bij analyses komt het vaak voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in een concentratie beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyseresultaten is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen.
De opgegeven detectielimiet van een bepaalde stof verschilt van rapport tot rapport. Verhoogde detectielimieten komen voor bij verstoringen in de grond(meng)monstermatrix. Daarnaast zijn de detectielimieten in de loop der jaren lager geworden doordat nauwkeuriger analyseapparatuur beschikbaar is gekomen.
3.3.4 Het opsporen van uitbijters
Ondanks dat er representatieve meetgegevens zijn geselecteerd, kan er sprake zijn van uitschieters in de dataset: extreem hoge gehalten als gevolg van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door lokale bronnen die niet als zodanig in het bodeminformatiesysteem zijn aangegeven. Hierbij worden vaak bij meerdere stoffen in hetzelfde monster relatief hoge gehalten aangetroffen. Per deelgebied en per stof zijn met een visuele methode (scatterplots) extreme gehalten gemarkeerd.
De extreme gehalten die in de voorgaande bodemkwaliteitskaart al als uitbijter waren aangemerkt, zijn ook nu weer uit de dataset verwijderd. Voor de resterende uitbijteres is nagegaan of deze tot een lokale bron, type- of meetfout zijn te herleiden. In die situaties zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd of aangepast. In bijlage 3 staat een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters.
3.4 Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied
3.4.1 Aantal en spreiding meetgegevens
De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt de volgende minimale eisen aan het aantal en de spreiding van meetgegevens per deelgebied:
•Per deelgebied zijn voor alle stoffen ten minste 20 meetgegevens beschikbaar.
•De meetgegevens liggen voldoende verspreid over het deelgebied:
o Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer meetgegevens beschikbaar.
o Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 meetgegevens beschikbaar (op het grondgebied van de gemeente Purmerend (wijk 1-7) komen geen niet-aaneengesloten gebieden voor).
•Voor de PFAS-verbindingen zijn in de gemeente per bodemlaag minimaal 48 en maximaal 63 meetgegevens beschikbaar. Verspreid over het bodembeheergebied moeten minimaal 30 meetgegevens beschikbaar zijn. Deze systematiek mag conform het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond[9] ook voor PFAS-verbindingen worden gebruikt.
Na het samenstellen van de dataset voor de bodemkwaliteitskaart (§ 3.3.1),de voorbewerkingen (§ 3.3.3 en § 3.3.4), blijkt dat in het deelgebied van de bovengrond “Baanstee Noord – niet opgehoogd (klei)” onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor de stoffen barium, kobalt, molybdeen en PCB. Om de onderstaande redenen zijn de meetgegevens van deze stoffen van dit deelgebied samengevoegd met het deelgebied “Baanstee Noord – ondergrond klei onder ophooglaag”:
•De stoffen barium, kobalt, molybdeen en PCB zijn niet bepalend voor de kwaliteitsklasse van beide deelgebieden.
•Beide deelgebieden hebben dezelfde (indicatieve kwaliteitsklasse: landbouw/natuur.
•De kleilaag van de bovengrond op het niet opgehoogde deel van Baanstee-Noord en de kleilaag onder de ophooglaag zijn in feite dezelfde bodemlaag.
Na samenvoeging van de meetgegevens van de stoffen barium, kobalt, molybdeen en PCB in de deelgebieden bovengrond “Baanstee Noord – niet opgehoogd (klei)” en “Baanstee Noord – ondergrond klei onder ophooglaag” voldoen alle stoffen in alle deelgebieden ruimschoots aan het minimumaantal benodigde gegevens. Ook de ruimtelijke spreiding voor de deelgebieden voldoet.
3.4.2 Splitsen van deelgebieden
Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van Lievense bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen, minerale olie en PFAS-verbindingen een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en polychloorbifenylen (PCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering met hogere of lagere gehalten.
Het overzicht van de variatiecoëfficiënten staat in bijlage 4 (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat bij een aantal deelgebieden voor kwik en/of PAK sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt. Deze hoge variatiecoëfficiënten worden veroorzaakt door een beperkt aantal relatief hoge waarden. De locaties waar de relatief hoge waarden zijn vastgesteld vertonen binnen de deelgebieden zelf geen ruimtelijke clustering. De relatief hoge variatiecoëfficiënten geven daarmee geen aanleiding tot het splitsen van deelgebieden.
3.4.3 Samenvoegen deelgebieden
De in § 3.2 benoemde deelgebieden zijn conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten niet samengevoegd. Alle deelgebieden voldoen aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten.
3.7 Stap 8: Bodemkwaliteitskaart
3.7.1 Inleiding
De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:
1Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.
2De ontgravingskaart.
3De toepassingskaart.
In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten.
3.7.2 Kaart met uitgesloten locaties en gebieden
In § 3.1 zijn de locaties aangegeven die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Daarnaast heeft de gemeente verdachte percelen en uitgesloten gebieden aangewezen. Deze zijn gespecificeerd in bijlage 5.
De volgende uitgesloten locaties en gebieden zijn afgebeeld op de kaartbijlagen:
•Aangewezen verdachte percelen en uitgesloten gebieden (zie voor een specificatie bijlage 5).
•(Voormalige) stortplaatsen (voor wat betreft de ontgravingskaart):
Beide stortplaatsen zijn gelegen in uitgesloten gebied.
o Trimpad (Purmerend).
o Van IJssendijkstraat 186 (Purmerend).
•Waterbodems (ander bevoegd gezag en beheerorganisatie).
De ligging van de onderstaande uitgesloten locaties en gebieden zijn, soms vanwege het dynamische karakter of het relatief kleine oppervlak van het gebied, niet op de kaarten weergegeven:
•De rijkswegen, provinciale wegen inclusief wegbermen (andere beheerorganisatie).
•Spoorgebonden gronden: spoorlijnen en emplacementen, inclusief spoorbermen en terreinen in eigendom van Rail Infra Trust en NS-Vastgoed (andere beheerorganisatie).
•De wegen in beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier inclusief wegbermen (andere beheerorganisaties).
•Locaties met of die verdacht zijn voor een (sterke) bodemverontreiniging, inclusief locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende
10Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen.
en verwerkende bedrijven
11Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica.
, inzet blusschuim
12Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart).
en secundaire bronnen
13Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelinstallaties (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.
).
•Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (voor wat betreft de ontgravingskaart).
•De (voormalige) stortplaats Oudelandsdijkje (Purmerend) en overige (voormalige) stortplaatsen (voor wat betreft de ontgravingskaart).
•De bodemlaag dieper dan 2 meter onder het maaiveld.
•Ook het grondwater wordt uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
Deze bodemkwaliteitskaart mag op de uitgesloten locaties en gebieden niet worden gebruikt als bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven vanuit deze gebieden. Ook mag deze bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de toepassingseis te bepalen als grond op deze locaties/gebieden wordt toegepast. In de nota bodembeheer wordt hier nader op ingegaan.
3.7.3 Ontgravingskaart
De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor de bodemkwaliteitskaart niet uitgesloten locatie/gebied. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de ontgravingslocatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. In de nota bodembeheer wordt hier nader op ingegaan. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken.
De ontgravingskwaliteit is net als de bodemkwaliteitsklasse gebaseerd op het gemiddelde gehalte van een bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4, kolom 'Gem') en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling én de toepassingsnormen die zijn benoemd in het ‘Handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’. Om het standstill-principe voor de bodemkwaliteit op gebiedsniveau te kunnen waarborgen, is de toetsing voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ voor het bepalen van de ontgravingskwaliteit strenger dan voor het bepalen van de bodemkwaliteit (zie ook § 3.6). De toetsingsmethodiek is opgenomen in bijlage 1 onder het kopje ‘Ontgravingskaart’, ter vergelijking zie ook het kopje ‘Bodemkwaliteitsklasse’.
De bodemlaag dieper dan 1 meter wordt, conform het ‘Handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, en gezien de beschikbare meetgegevens van PFAS-verbindingen in de bodemlaag 0,5-1,0 m-mv, als niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen beschouwd.
In tabel 3.2 is de te verwachten ontgravingsklasse per bodemkwaliteitszone aangegeven. De ontgravingskaart per bodemlaag is opgenomen in de kaartbijlagen B3. De kleuren in tabel 3.2 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.
Tabel 3.2 Verwachte ontgravingsklasse per bodemkwaliteitszone
Bodemkwaliteitszone
Verwachte ontgravingsklasse
Kwaliteitsklasse bepalende stof
95-percentielwaarde > interventiewaarde
Bovengrond (traject vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) #
Bovengrond Historisch bebouwd gebied Purmerend
Industrie *
Koper, lood, zink, PAK
Lood, zink
Bovengrond Baanstee Noord – niet opgehoogd (klei)
Landbouw/natuur
-
-
Bovengrond Zone Oost
Landbouw/natuur
-
-
Bovengrond Zone West
Landbouw/natuur
-
-
Tussenlaag (traject vanaf 0,5 meter tot en met 1,0 meter diepte) #
Tussenlaag Historisch bebouwd gebied Purmerend
Industrie *
Koper, kwik, lood
Lood
Tussenlaag Baanstee Noord – klei
Landbouw/natuur
-
-
Tussenlaag Zone Oost
Landbouw/natuur
-
-
Tussenlaag Zone West
Landbouw/natuur
-
-
Ondergrond (traject vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte) ##
Ondergrond Historisch bebouwd gebied Purmerend
Industrie *
Koper, kwik, lood
Lood
Ondergrond Baanstee Noord – klei
Landbouw/natuur
-
-
Ondergrond Zone Oost
Landbouw/natuur
-
-
Ondergrond Zone West
Landbouw/natuur
-
-
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte (0-1,0 m-mv) # (1,0-2,0 m-mv) ##
Baanstee Noord – ophooglaag en wegcunet (zand) **
Landbouw/natuur
-
-
* 95-percentielwaarde zink en/of lood > Interventiewaarde. In de nota bodembeheer van de gemeente wordt hier nader op ingegaan. De bodemkwaliteitskaart mag wél worden gebruikt om de veiligheidsklasse (indicatief) te bepalen bij uit te voeren graafwerkzaamheden.
** De kwaliteit van Baanstee Noord – ophooglaag en wegcunet (zand) is gebaseerd op de certificaten van het sinds 2011 toegepaste partijen zand uit dynamische wingebieden.
# De gemiddelden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit kan tot beperkingen leiden bij bepaalde toepassingen.
## Deze bodemlaag is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen.
3.7.4 Toepassingskaart
De toepassingskaart is opgesteld aan de hand van de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt voor elke bodemkwaliteitszone de toepassingseis vastgesteld (zie bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem’). Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de toepassingslocatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. In de nota bodembeheer wordt hier nader op ingegaan.
In tabel 3.3 is de toepassingseis volgens het generieke kader van het Besluit per bodemkwaliteitszone aangegeven. Op kaartbijlage B4 staat per bodemlaag aangegeven welke toepassingseis er geldt. De kleuren in tabel 3.3 komen overeen met de gebruikte kleuren op kaartbijlage B1 (bodemfunctieklassenkaart) en kaartbijlage B4 (toepassingskaart).
Tabel 3.3 Toepassingseisen per combinatie (voorkomende) bodemfunctie- en bodemkwaliteitsklasse conform het generieke kader van het Besluit
Bodemkwaliteitszone
Voor komende bodemfunctie
Bodemkwaliteitsklasse
Toepassingseis (generiek kader Besluit en landelijk PFAS-beleid)
Bovengrond (traject vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte)
Bovengrond Historisch bebouwd gebied Purmerend
Wonen
Industrie
Wonen
Bovengrond Baanstee Noord – niet opgehoogd (klei)
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Bovengrond Zone Oost
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Bovengrond Zone West
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Tussenlaag (traject vanaf 0,5 meter tot en met 1,0 meter diepte)
Tussenlaag Historisch bebouwd gebied Purmerend
Wonen
Industrie
Wonen
Tussenlaag Baanstee Noord – klei
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Tussenlaag Zone Oost
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Tussenlaag Zone West
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Ondergrond (traject vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte)
Ondergrond Historisch bebouwd gebied Purmerend
Wonen
Industrie
Wonen
Ondergrond Baanstee Noord – klei
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Ondergrond Zone Oost
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Ondergrond Zone West
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte
Baanstee Noord – ophooglaag en wegcunet (zand) *
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
* De kwaliteit van Baanstee Noord – ophooglaag en wegcunet (zand) is gebaseerd op de certificaten van het sinds 2011 toegepaste partijen zand uit dynamische wingebieden.
Bijlage 1 Begrippenlijst
Bagger(specie)
Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
Baggerspecie die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeente heeft voor het toepassen op of in de landbodem hiervoor strenger beleid vastgesteld.
Barium
Voor barium bestaat op dit moment geen norm. De destijds voor deze stof geldende normen zijn per 4 april 2009 (Staatscourant nr. 67, publicatie 7 april 2009) ingetrokken omdat de interventiewaarde lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Dit blijft gehandhaafd. De onderzoeksgegevens over barium moeten wel in de bodemkwaliteitskaarten worden meegenomen, aangezien barium onderdeel uitmaakt van het stoffenpakket, met dien verstande dat geen eisen worden gesteld aan het aantal waarnemingen. Deze gegevens kunnen namelijk een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.
Als verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrondwaarden worden aangetroffen als gevolg van een menselijke activiteit, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds (bij standaardbodem lutum 25%, organisch stof 10%).
Bodembeheergebied
Een aaneengesloten, door het bestuursorgaan (bijvoorbeeld een gemeente, waterschap of Rijkswaterstaat) afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer beheerders.
Bodemfunctieklassenkaart
Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’. Onder het laatstgenoemde gebruik vallen landbouw en natuur.
Bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:
1Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.
2De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast). De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken.
3De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen).
Bodemkwaliteitsklasse
In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:
•Klasse Landbouw/natuur.
•Klasse Wonen.
•Klasse Industrie.
Bij de toetsingsmethodiek voor de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen (zie onderstaand). Voor de bodemkwaliteitskaart van de gemeente is het basispakket van toepassing.
De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ is minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie het kopje ‘Ontgravingskaart’ in deze bijlage). Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie. Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied.
Tabel B1 Staffel toegestane aantal overschrijdingen.
Aantal gemeten stoffen
Aantal toegestane overschrijdingen
1-6
0
Basispakket (7-15)
2
16– 26
3
27– 36
4
37– 48
5
Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000):
•Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.
•De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen.
•De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit').
Klasse Wonen:
•Alle gehalten voldoen aan de klassegrens Wonen, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.
•De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen.
•De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Industrie bedragen.
Klasse Industrie:
•Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden (AW2000) wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie.
Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.
Bodemkwaliteitszone
Een deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Wanneer een bodemkwaliteitszone uit meerdere gebieden bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten bodemkwaliteitszone’.
Bijzondere omstandigheden
Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanuit andere wet- en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld.
Deelgebied
Deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het bodembeheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is er voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten deelgebieden’.
Diffuse chemische bodemkwaliteit
De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).
Grond
Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit bodemkwaliteit definieert grond als volgt: ‘Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.’ Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeente heeft voor het toepassen op of in de landbodem hiervoor strenger beleid vastgesteld.
Heterogeniteit
Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de bodemkwaliteitskaart in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar mening van de gemeente dan een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule:
De beoordeling van de heterogeniteitsindex is als volgt:
Index < 0,2: weinig heterogeniteit
0,2 < Index < 0,5: beperkte heterogeniteit
0,5 < Index < 0,7: er is sprake van heterogeniteit
Index > 0,7: sterke heterogeniteit
Interventiewaarde
Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).
Lokale bron
Duidelijk aanwijsbare bron voor een eventuele bodemverontreiniging zoals bijvoorbeeld een ondergrondse tank voor de opslag van olie, een ontvettingsbad of een afleverzuil voor brandstof(fen).
Niet gezoneerd gebied
Gebieden kunnen worden gezoneerd wanneer er voldoende meetgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende meetgegevens beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het deelgebied niet gezoneerd. Een gebied kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de meetgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de bodemkwaliteitskaart (zie ook: Uitgesloten locaties en gebieden).
Voor niet-gezoneerde gebieden geldt het generieke kader van het Besluit, tenzij gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld. Dit betekent dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie enerzijds moet voldoen aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage B1). Anderzijds moet de kwaliteit van de ontvangende bodem worden onderzocht om vast te stellen of de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie van een betere of vergelijkbare kwaliteit is. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctieklasse en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctieklasse is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (zie ook de kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen grond' van deze bijlage).
Niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging
Een locatie waar geen lokale bron, bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank of een chemische wasserij, of een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is (geweest).
Onderscheidende gebiedskenmerken
Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een bodemkwaliteitskaart kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de huidige kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld.
Ontgravingskaart
De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de te verwachten gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De kaart doet dus alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingskwaliteit kan vallen in één van de vier onderscheiden klassen:
•Klasse Landbouw/natuur.
•Klasse Wonen.
•Klasse Industrie.
•Klasse Niet toepasbaar.
Bij de toetsingsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B1 bij 'Bodemkwaliteitsklasse') voor het aantal toegestane overschrijdingen.
Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000):
•Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.
•De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen.
•De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit').
Klasse Wonen:
•De gehalten voldoen niet aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden.
Klasse Industrie:
•De norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden.
•De norm voor klasse grens Industrie wordt niet overschreden.
Klasse Niet toepasbaar:
•De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden.
Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.
Percentiel/percentielwaarde
Waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen
(Bron: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/resultaten-pfas-onderzoek-toetsen-aanvulling/)
Tot het moment dat normwaarden voor PFAS in de Regeling bodemkwaliteit zijn opgenomen is de toetsing aan de PFAS-verbindingen een aanvullende (losse) toets ten opzichte van de toetsing op de reguliere parameters en indeling in kwaliteitsklassen. Dat betekent dat eerst de toetsing plaatsvindt op basis van de reguliere parameters en op basis daarvan een indeling in kwaliteitsklasse plaatsvindt.
Vervolgens vindt de toetsing aan de toepassingsnormen uit het ‘Handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ plaats. Aan de hand van de aanvullende toetsing stel je vervolgens vast in hoeverre beperkingen aan de toepassing gelden, bijvoorbeeld een verbod op het toepassen in oppervlaktewater. Voor PFAS zijn de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de Achtergrondwaarde of maximale waarde wonen niet van toepassing, omdat nog geen normen zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Ook tellen de gemeten PFAS niet mee als gemeten stoffen bij de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de achtergrondwaarde of maximale waarde wonen.
Bij de inbouw van het Handelingskader in de Regeling bodemkwaliteit wordt de wijze van toetsen aan normwaarden nader ingevuld.
Daarnaast zijn hieronder drie voorbeelden uitgewerkt:
Voorbeeld 1
Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Wonen, dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de toepassingsnormen uit het Handelingskader. Dit kan leiden tot de volgende drie situaties:
1Als alle PFAS-gehalten zijn aangetoond beneden de bepalingsgrens, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan en gelden geen aanvullende toepassingsvoorwaarden. De partij kan als bodemkwaliteit Wonen worden toegepast zonder aanvullende voorwaarden.
2Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de bepalingsgrens maar alle PFAS-gehalten voldoen aan de toepassingsnormen voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen (7 µg/kg ds voor PFOA en 3 µg/kg ds voor de overige PFAS), blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan, maar gelden mogelijk wel beperkingen aan de toepassing: toepassing van grond in waterwin- en grondwaterbeschermings-gebieden en in oppervlaktewater.
3Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de toepassingsnormen van 7 µg/kg ds voor PFOA en 3 µg/kg voor de overige PFAS, kan de partij niet meer ingedeeld worden in de kwaliteitsklasse Wonen maar is deze niet generiek toepasbaar. Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid.
Voorbeeld 2
Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarde), dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden (1,9 µg/kg ds voor PFAS en 1,4 µg/kg ds voor de andere PFAS) en bij overschrijding daarvan ook toetsen aan de normen voor 7 µg/kg ds voor PFOA en 3 µg/kg ds voor de overige PFAS). Dit kan leiden tot de volgende vier situaties:
1Als alle PFAS-gehalten kleiner zijn dan de bepalingsgrens, blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan en gelden geen toepassingsvoorwaarden. Kortom alle toepassingen zijn toegestaan.
2Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de bepalingsgrens (0,1 µg/kg ds) maar beneden de voorlopige landelijke achtergrondwaarden van 1,9 µg/kg ds voor PFAS en 1,4 µg/kg ds voor de andere PFAS, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan, maar gelden mogelijk wel toepassingsvoorwaarden: toepassing van grond op de landbodem in waterwin- en grondwaterbeschermings-gebieden en in oppervlaktewater.
3Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de voorlopige landelijke achtergrondwaarde (van 1,9 µg/kg ds voor PFAS en 1,4 µg/kg ds voor de andere PFAS) en onder de toepassingsnormen van 7 µg/kg ds voor PFOA en 3 µg/kg ds voor de overige PFAS, dan wordt de partij ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Wonen, of in de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur als een lokale maximale waarde is vastgesteld tussen de voorlopige achtergrondwaarde en de toepassingsnormen van 7 µg/kg ds voor PFOA en 3 µg/kg ds voor de overige PFAS.
4Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de toepassingsnormen van 7 µg/kg ds voor PFOA en 3 µg/kg ds voor de overige PFAS, kan de partij niet meer ingedeeld worden in een generieke kwaliteitsklasse voor toepasbare grond. Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid.
Voorbeeld 3
Als een partij baggerspecie op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse A, dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden bepaald. Voldoen alle PFAS-gehalten aan de bepalingsgrens (0,1 µg/kg ds), dan blijft de indeling in de bodemkwaliteitsklasse A staan en gelden geen toepassingsvoorwaarden. Worden hogere PFAS-gehalten aangetoond, dan kan het zijn dat er toepassingsbeperkingen zijn afhankelijk van de locatie van toepassing en het gekozen toepassingskader (toepassen of verspreiden, regionale of rijkswateren en vrijliggende of niet-vrijliggende plassen).
Standaarddeviatie
Ook wel ‘standaardafwijking’ genoemd. Het geeft de mate aan voor de spreiding van meetgegevens in een dataset. De berekening hiervan is als volgt:
Hierbij is n het aantal analyseresultaten, x een individueel analyseresultaat en ¯x het gemiddelde van de analyseresultaten.
Toepassingseis toe te passen grond op of in de bodem
Deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt voor elke bodemkwaliteitszone de toepassingseis vastgesteld.
Bodemfunctieklasse
Bodemkwaliteitsklasse
Toepassingseis @
Overig (Landbouw/natuur)
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Overig (Landbouw/natuur)
Wonen
Landbouw/natuur
Overig (Landbouw/natuur)
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Industrie
Wonen
Wonen
Industrie
Industrie
Industrie
@ De toepassingseis is gebaseerd op het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit en het landelijke ‘Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie’.
Toetsing toepassen grond
Om te beoordelen of het toepassen van grond is toegestaan wordt de kwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die geldt voor de ontvangende bodem. De kwaliteit van de toe te passen grond kan worden bepaald op basis van een bodemkwaliteitskaart, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis kan worden bepaald op basis van de bodemkwaliteitskaart (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet gezoneerde gebieden).
Kwaliteit toe te passen grond
Toepassingseis @
Toepassing toegestaan?
Wonen
Wonen
Ja
Industrie
Wonen
Nee
Landbouw/natuur
Wonen
Ja
Wonen
Industrie
Ja
Industrie
Industrie
Ja
Landbouw/natuur
Industrie
Ja
Wonen
Landbouw/natuur
Nee
Industrie
Landbouw/natuur
Nee
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Ja
@ De toepassingseis is gebaseerd op het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit en het landelijke ‘Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie’.
Toetsingswaarden Besluit en Regeling bodemkwaliteit en het ‘Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie’
Om een zone te karakteriseren moet een toetsing plaatsvinden aan de gestelde normen uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit en het ‘Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie’. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven.
Tabel B2 Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org.stof 10%-).
Stof
Maximale waarden Achtergrondwaarde (AW2000, Landbouw/natuur)
Maximale waarden wonen
Maximale waarden industrie
Arseen
20
27
76
Barium *
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Cadmium
0,60
1,2
4,3
Chroom
55
62
180
Kobalt
15
35
190
Koper
40
54
190
Kwik
0,15
0,83
4,8
Lood
50
210
530
Molybdeen
1,5
88
190
Nikkel *
35
39
100
Zink
140
200
720
Som PAK
1,5
6,8
40
Som PCB
0,02
0,04
0,5
Minerale olie
190
190
500
PFOA
18PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten.
0,0019
Overige PFAS-verbindingen zonder vastgestelde achtergrondwaarde
0,0014
PFOA
0,0019
0,007
Overige PFAS-verbindingen
0,0014
0,003
* De normstelling in de regeling bodemkwaliteit voor barium en nikkel zijn door het voormalige Ministerie van VROM sinds 1 april 2009 gewijzigd (Staatscourant, 7 april 2009). Voor nikkel vindt voor schone grond (klasse Landbouw/natuur) geen toetsing meer plaats aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Voor barium is besloten alle toetsingsnormen tijdelijk in te trekken als aangetoond kan worden dat er geen sprake is van een verontreiniging veroorzaakt door activiteiten van de mens. Als een verhoogd gehalte van barium is veroorzaakt door een activiteit door de mens, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds.
Uitbijters
Een uitbijter is een gehalte in het gegevensbestand dat niet representatief is voor de diffuse chemische bodemkwaliteit in een deelgebied. De (potentiële) uitbijters worden met een visuele methode (scatterplots) inzichtelijk gemaakt. Het niet representatieve gehalte is het gevolg van duidelijk aantoonbare menselijke activiteiten: puntverontreinigingen, verdachte locaties, typfouten tijdens invoer.
Uitgesloten locaties en gebieden
Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de meetgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit. Ook terreinen die in het beheer zijn van andere organisaties zoals Rijkswaterstaat (rijkswegen), provinciale wegen (provincie) of de spoorwegen worden soms uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
Voor de uitgesloten locaties en gebieden geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie enerzijds moet voldoen aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage B1). Anderzijds moet de kwaliteit van de ontvangende bodem worden onderzocht om vast te stellen of de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie van een betere of vergelijkbare kwaliteit is. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctieklasse en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctieklasse is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (zie ook de kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen grond' van deze bijlage).
Variabiliteit
Mate waarin de gehalten binnen een bodemkwaliteitszone variëren.
Variatiecoëfficiënt
Maat voor de spreiding in gehalten (standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde).
Vrij grondverzet
Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het grondverzet de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld.
Wegberm
Onder de onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker- of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1.1):
•de erfgrens of;
•de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of;
•de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of;
•als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).
Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond worden toegepast.
Figuur B1.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).
Bijlage 2 Selectie dataset
De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt dat de meetgegevens niet ouder mogen zijn dan 5 jaar. Omdat naar verwachting de beschikbaar gekomen meetgegevens in de afgelopen 5 jaar niet afwijken van de meetresultaten die meer dan 5 jaar geleden beschikbaar zijn gekomen, zijn de meetgegevens van de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart (vanaf 1 januari 2007) gebruikt voor de dataset van deze bodemkwaliteitskaart. Dit geeft een nog betere onderbouwing van de te verwachten diffuse chemische bodemkwaliteit.
De gegevens zijn afkomstig van het gemeentelijke bodeminformatiesysteem Squit XO (exportdatum: 16 mei 2019). De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart voor het historisch bebouwde gebied en Baanstee Noord in Purmerend zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken uit het bodeminformatiesysteem van de gemeente Purmerend (d.d. 20 september 2021) en het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst IJmond (d.d. 24 augustus 2021).
Selectiecriteria
Om de representatieve gegevens te selecteren, zijn de aangeleverde gegevens op dezelfde wijze geselecteerd als de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart (zie de tabellen B2.1 en B2.2). De groen gemarkeerde regels zijn criteria die bij de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart niet voorkwamen.
Overige selectiecriteria
De volgende gegevens zijn niet geselecteerd:
•In overleg met de gemeente Purmerend zijn de monsters met 1 of 2 analyses op stoffen uit het standaard NEN5740 stoffenpakket verwijderd uit de dataset, omdat dit wijst op een verdachte locatie en/of omdat dit een oververtegenwoordiging tot gevolg kan hebben van het aantal analysegegevens op de betreffende locatie.
•Analysemonsters waarvan de diepte niet bekend is, of met een gemiddelde diepte >2 m-mv.
•Analysemonsters waarvan de ligging niet bekend is.
•Analysemonsters van onderzoeken zonder rapportdatum.
Specifiek voor Baanstee-Noord: Voor de beoordeling in welke bodemlaag de monsters meegenomen moeten worden, is in verband met de variabele dikte van de ophooglaag met zand het lutumgehalte mede bepalend geweest voor de indeling.
Tabel B2.1 Selectiecriteria op basis van ‘aanleiding’ onderzoek
Aanleiding onderzoek
Geschikt
bestemmingswijziging, VINEX, locatieontwikkeling
ja
BOOT
nee
Bouwvergunning
ja
Calamiteit
nee
Civieltechnisch
ja
Eindsituatie
nee
ISV-programmering
ja
Landsdekkend
ja
Nulsituatie
ja
Omgevingsvergunning
ja
Onbekend
ja
Transactie
ja
Vermoeden of melding verontreiniging
nee
Voorgaand
ja
Tabel B2.2 Selectiecriteria op basis van ‘type’ onderzoek
Type onderzoek
Geschikt
(Na)zorgrapportage
nee
ASB - asbest onderzoek NEN 5707
nee
avr (aanvullend rapport)
nee
Bijzonder inventariserend onderzoek
ja
Bodemsanering bedrijven (BSB)
nee
BOOT
nee
Bouwstoffenbesluit
nee
brf (briefrapport)
ja
fax
ja
Historisch onderzoek
nee
Indicatief onderzoek
ja
Meldingsformulier BUS evaluatieverslag
nee
Meldingsformulier BUS saneringsplan
nee
Monitoringsrapportage
nee
Nader onderzoek
nee
Nazorgplan
nee
Nul- of Eindsituatieonderzoek
ja
Orienterend bodemonderzoek
ja
Partijkeuring grond
nee
Sanerings evaluatie
nee
Sanerings onderzoek
nee
Saneringsplan
nee
Verkennend onderzoek NEN 5740
ja
Verkennend onderzoek NVN 5740
ja
Verkennend onderzoek voor waterbodems (NVN 5720)
nee
Verzamelen PFAS-meetgegevens voor actualisatie bodemkwaliteitskaart december 2019
Om meetgegevens te verzamelen voor PFAS-verbindingen en te voldoen aan de minimumeisen uit de Richtlijn heeft de gemeente aanvullende bodemonderzoek
19Bodemonderzoek PFAS-verbindingen, samenwerkende gemeenten Purmerend en Beemster, Documentcode: SOB010582.RAP.001, 28 november 2019.
laten uitvoeren en beschikbare meetgegevens van PFAS-verbindingen verzameld
20Er zijn onderzoeken gebruikt aan de Anne franklaan, Baanstee, 2e boog Baanstee, Brug Waterlandse Morgen, Dijkgraafsingel, Driegang, Edammerweg, Etserstraat, Gedempte Singelgracht, Goudenregen, Groothuyshof, Karekietpark, Karnstraat, Klein Where, Lamoenstraat, Markthal, Papaverstraat-Maanzaadstraad, Purmersteenweg, Spinnekop, Stationstraat (parkeerplaats), Verzetslaan, Vooruitstraat, Wagenweg, Wales, Wolgalaan, Zambezilaan, Waterlandlaan, Westerweg (looproute parkeren Wherevogels).
:
•Bodemonderzoek PFAS-verbindingen, samenwerkende gemeenten Purmerend en Beemster, Documentcode: SOB010582.RAP.001, 28 november 2019.
•Er zijn onderzoeken gebruikt aan de Anne Franklaan, Baanstee, 2e boog Baanstee, Brug Waterlandse Morgen, Dijkgraafsingel, Driegang, Edammerweg, Etserstraat, Gedempte Singelgracht, Goudenregen, Groothuyshof, Karekietpark, Karnstraat, Klein Where, Lamoenstraat, Markthal, Papaverstraat-Maanzaadstraad, Purmersteenweg, Spinnekop, Stationstraat (parkeerplaats), Verzetslaan, Vooruitstraat, Wagenweg, Wales, Wolgalaan, Zambezilaan, Waterlandlaan, Westerweg (looproute parkeren Wherevogels)
Extra aangeleverde representatieve bodemrapporten
16december 2021, 17 januari 2022 en 19 mei 2022.
Door de gemeente zijn de volgende extra rapporten aangeleverd waarvan een deel van de analyseresultaten zijn toegevoegd aan de dataset van de bodemkwaliteitskaart:
•Grondonderzoek PFAS Plateau’s Wagenweg te Purmerend, rapportnummer 2019480, Landview Bodemonderzoek, 9 oktober 2019.
•Verkennend bodemonderzoek Baanstee-Noord te Purmerend, project 6923, Grondslag Milieukundig Adviesbureau B.V., 1 oktober 2002
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 1B gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-06-RAP-NVO-08 v1.0, Unihorn bv, 20 juni 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 1D gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-26-RAP-NVO-04 v1.0, Unihorn bv, 26 november 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 2B gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-06-RAP-NVO-07 v1.0, Unihorn bv, 6 juni 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 2D/2E gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2119001-01-RAP-NVO-04 v2.0, Unihorn bv, 2 mei 2019
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 2G2F gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-06-RAP-NVO-01 v1.0, Unihorn bv, 1 juni 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 3C gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-26-RAP-NVO-01 v1.0, Unihorn bv, 22 november 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 3F gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2119001-01-RAP-NVO-01 v1.0, Unihorn bv, 6 maart 2019
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 4A gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-26-RAP-NVO-03 v1.0, Unihorn bv, 26 november 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 4D gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-06-RAP-NVO-06 v1.0, Unihorn bv, 6 juni 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 4H gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-06-RAP-NVO-02 v1.0, Unihorn bv, 25 mei 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 5D gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2119001-01-RAP-NVO-03 v3.0, Unihorn bv, 2 mei 2019
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 6A gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-06-RAP-NVO-04 v1.0, Unihorn bv, 18 mei 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 6B gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-26-RAP-NVO-06 v1.0, Unihorn bv, 26 november 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 6C gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-06-RAP-NVO-03 v1.0, Unihorn bv, 18 mei 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 7D gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2119001-01-RAP-NVO-02 v2.0, Unihorn bv, 2 mei 2019
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 10B gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-06-RAP-NVO-05 v1.0, Unihorn bv, 6 juni 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 11E gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-26-RAP-NVO-04 v1.0, Unihorn bv, 28 november 2018
•Verkennend bodemonderzoek Kavel 15A gelegen op de Baanstee te Purmerend, Document 2118001-26-RAP-NVO-02 v1.0, Unihorn bv, 26 november 2018
Overzicht kaartbijlagen
Kaartbijlage B1
Bodemfunctieklassenkaart
Kaartbijlagen B2
Ligging bodemkwaliteitszones
Kaartbijlagen B3
Ontgravingskaarten
Kaartbijlage B4
Toepassingskaart (generiek kader Besluit)