Aanhef
De raad van de gemeente Purmerend,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 maart 2024,
gelet op de artikelen 44 en 49 van het Besluit bodemkwaliteit,
B E S L U I T:
1De definitieve bodemkwaliteitskaart regio Zaanstreek-Waterland en bodemkwaliteitskaart PFAS regio Zaanstreek-Waterland vast te stellen.
2De Bodemkwaliteitskaart regio Waterland, vastgesteld op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Beemster (registratienummer 1467895) in te trekken.
2. Uitgangspunten
2.3 Technisch-inhoudelijke onderbouwing
2.3.1 Beheergebied waarvoor de kaart is opgesteld
Deze bodemkwaliteitskaart betreft het gebied dat gelijk is aan het grondgebied van gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland, Wormerland én de voormalige gemeente Beemster, nu onderdeel van gemeente Purmerend. Voor het voormalige grondgebied van de gemeente Purmerend is recentelijk de bodemkwaliteit bepaald, zie paragraaf 2.2. Gezien de fusering van de gemeenten Beemster en Purmerend en met het oog op het bieden van een compleet overzicht van de bodemkwaliteit in de regio, is de bepaalde bodemkwaliteit van de voormalige gemeente Purmerend ook in dit rapport verwerkt.
Figuur 1: Gemeenten en gebieden in regio Zaanstreek-Waterland die onderdeel zijn van deze bodemkwaliteitskaart zijn weergegeven in paars. De kwaliteit van het grondgebied van de voormalige gemeente Purmerend (gearceerd) is niet bepaald in deze bodemkwaliteitskaart, maar is voor de volledigheid wel in dit rapport beschreven.
2.3.2 Overige uitgangspunten
De overige technisch-inhoudelijke uitgangspunten zijn als volgt:
•Toetsingskader: de bodemkwaliteitskaart moet dienen enerzijds als milieuverklaring bodemkwaliteit (bewijsmiddel) van een vrijkomende partij grond uit het beheergebied en anderzijds als verklaring van de bodemkwaliteit voor de kwaliteit van de ontvangende bodem. Het toetsingskader voor het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem, de vrijkomende grond en toepassingseisen is gebaseerd op de normen de Regeling bodemkwaliteit bijlage B (zowel de huidige Regeling als de Regeling die van kracht wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet), en de bijbehorende toetsingsregels als in de Regeling genoemd.
•Trajecten: Bovengrond: 0,0-0,50 m-mv. Ondergrond: 0,50-2,50 m-mv.
•Stoffenpakket: Het gehanteerde stoffenpakket voor de bodemkwaliteitskaart bestaat uit de volgende stoffen:
o zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb, Zn)
o minerale olie
o PAK10
o PCB7
•Ouderdom gegevens: Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens uit het bodeminformatiesysteem van de deelnemende gemeenten. De definitieve datagegevens zijn in december 2022 aangeleverd. Voor het bepalen van de bodemkwaliteit is gerekend met bodemdata uit de periode 2018 tot 2023, met minimaal 20 waarnemingen per zone en 3 waarnemingen ter plaatse van ieder niet aaneengesloten gelegen deelgebied (snipper).
•Statistische kentallen: de bodemkwaliteit binnen een zone wordt conform de Regeling bodemkwaliteit en in overeenstemming met de voorgaande bodemkwaliteitskaart uit 2014, gekarakteriseerd op basis van het gemiddelde.
•Doelgroep: de kaart is bedoeld voor initiatiefnemers van grondwerkzaamheden in het beheergebied (dit kan ook de gemeente zijn in hun rol als uitvoerder) en voor de gemeenten als bevoegd gezag van grondverzet op de landbodem.
•Uitgesloten gebieden: in de technische onderbouwing dient te worden aangewezen of en voor welk deel van het beheergebied (o.a. de verdachte locaties) de bodemkwaliteitskaart niet geldig is. Om gebruik te kunnen maken van een bodemkwaliteitskaart als verklaring van de bodemkwalitiet moet de herkomstlocatie 'onverdacht' zijn ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging c.q. een bodemkwaliteit hebben die naar verwachting niet afwijkt van de lokale bodemkwaliteitsklasse. De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart:
o Rijkswegen en wegen in het beheer bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, inclusief de wegbermen (meer hierover is te vinden in de regionale Nota bodembeheer);
o Spoorgebonden gronden (spoorlijnen en emplacementen, inclusief bermen en terreinen van de betrokken beheerorganisatie. Meer hierover is te vinden in de regionale Nota bodembeheer);
o Voormalige stortplaatsen (dit geldt voor de ontgravingskaart);
o Oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater;
o Locaties waar bodemverontreiniging is aangetoond of locaties die verdacht zijn op (sterke) bodemverontreiniging;
o Locaties waar bodemsanering in uitvoering is, is uitgevoerd of sprake is van restverontreiniging na bodemsanering (dit geldt voor de ontgravingskaart);
o Locaties waar bij calamiteiten zoals lekkages of brand mogelijk bodemvreemde stoffen op of in de bodem zijn gelekt;
o Locaties die zijn opgehoogd met materiaal van onbekende aard en/of samenstelling. De bovengenoemde verdachte locaties zijn uitgesloten van het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring van de bodemkwaliteit van de vrijkomende partij. De kwaliteitsklasse van de vrijkomende grond dient in dat geval op een andere wijze aangetoond te worden.
3. Uitvoering
3.1 Bodemkwaliteitszones en voorlopige indeling in homogene deelgebieden
3.1.1 Zone Infrastructuur
De zone Infrastructuur is een zone die niet als zodanig is aangegeven op de bodemkwaliteitskaart (zonekaart, ontgravingskaarten en toepassingskaarten). De zone Infrastructuur omvat alle wegbermen als bedoeld in de Nota bodembeheer van de deelnemende gemeenten. Het gaat om rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen en wegen, kades en keringen die in beheer zijn van het HHNK. De wegen zelf zijn geen onderdeel van de zone; het gaat uitsluitend om de wegbermen.
Voor de begrenzing van de wegbermen wordt aangesloten bij de aanwijzingen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009). Meer informatie hierover is te vinden in de Nota bodembeheer. Voor wegbermen langs dijkwegen geldt dat de wegberm bestaat uit de strook grond tussen de weg en de teen van de dijk. Voor wegen op dijken geldt dat de wegberm bestaat uit de strook grond tussen de weg en de kruin van de dijk.
Voor de zone Infrastructuur is indicatief de kwaliteitsklasse bepaald: Bij het bepalen van de kwaliteit van wegen en wegbermen is het in de praktijk vaak niet mogelijk om volledig te voldoen aan de eisen die gesteld zijn aan het aantal meetpunten in de Richtlijn en Handreiking Bodemkwaliteitskaarten. De eis dat er minimaal 3 meetpunten aanwezig moeten zijn per snipper is nagenoeg onmogelijk wanneer het gaat om wegbermen. Het zou namelijk betekenen dat voor ieder bermvak omsloten door inritten/uitritten of kruisingen/afslagen steeds minimaal 3 meetpunten aanwezig moeten zijn. Deze eis is in de praktijk nagenoeg niet haalbaar. Ook in onderhavige bodemkwaliteitskaart bleek de eis niet haalbaar. Om deze reden is de bodemkwaliteit van de zone Infrastructuur indicatief bepaald en wordt de kwaliteit door de gemeente vastgelegd. Voor de uitvoeringspraktijk i.h.k.v. omgang met vrijkomende bermgrond en toepassen in bermen wordt verwezen naar de Nota bodembeheer.
3.2 Gegevensbewerking
3.2.1 Aangeleverde en gebruikte gegevens
Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens uit het bodeminformatiesysteem van de deelnemende gemeenten. De definitieve datagegevens zijn in december 2022 aangeleverd. Voor het bepalen van de bodemkwaliteit is gerekend met bodemdata uit de periode 2018 tot 2023, met minimaal 20 waarnemingen per zone en 3 waarnemingen ter plaatse van ieder niet aaneengesloten gelegen deelgebied (snipper).
3.2.2 Controle aantal meetpunten per zone
Conform de Richtlijn en Handreiking Bodemkwaliteitskaarten dienen er minimaal 20 meetgegevens beschikbaar te zijn per deelgebied én de meetgegevens moeten voldoende spreiding hebben in het gebied. Daarnaast geldt dat voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied (een zogenaamde “snipper”) ten minste 3 meetgegevens beschikbaar moeten zijn.
In de voorgaande bodemkwaliteitskaart van Waterland en ook na het samenstellen van de dataset van onderhavige bodemkwaliteitskaart bleek dat in een aantal snippers niet wordt voldaan aan de minimumeis van 3 meetpunten. Dit is het geval voor enkele snippers in de bovengrondzones ‘Oud Volendam en Purmer’, ‘Wonen B en Oud Edam’ en ‘Industrie’ en de ondergrondzones ‘Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ en ‘Industrie’. Deze snippers missen waarnemingen voor enkele zware metalen. Het gaat om veelal dezelfde snippers met onvoldoende meetpunten als in de voorgaande bodemkwaliteitskaart.
Uit de statistische onderbouwingen van de bodemkwaliteit van de betreffende deelgebieden (zie bijlage 2) wordt, eveneens als in de voorgaande kaart, gesteld dat deze stoffen in het gehele deelgebied in ruime aantallen beschikbaar zijn, de betreffende stoffen niet kwaliteitsklasse bepalend zijn en weinig heterogeen voorkomen.
In lijn met de voorgaande bodemkwaliteitskaart is daarom besloten voor deze gebieden af te wijken van de Richtlijn en Handreiking Bodemkwaliteitskaarten. De gemeenten van de regio Waterland accepteren dat in enkele niet-aaneengesloten deelgebieden minder dan 3 meetgegevens beschikbaar zijn. Daarom worden deze gebieden alsnog gezoneerd. Alle overige (niet-aaneengesloten) deelgebieden voldoen aan de eisen die de Richtlijn en Handreiking Bodemkwaliteitskaarten stelt aan het aantal meetgegevens en de spreiding van de meetgegevens.
3.2.3 Bewerkingen
In een bodeminformatiesysteem zijn de onderzoeksgegevens van diverse typen onderzoeken opgenomen, zoals verkennende en nadere onderzoeken maar ook saneringen en evaluatierapporten. Omdat de bodemkwaliteitskaart een betrouwbare en representatieve weergave moet zijn van de actuele (diffuse) bodemkwaliteit, moeten onderzoeksgegevens van bijvoorbeeld puntbronnen of verdachte percelen buiten beschouwing worden gelaten. Ook moet worden gelet op invoerfouten en abnormaal verhoogde detectielimieten. Dit betekent dat de data moet worden bewerkt zodat alleen die analysegegevens overblijven, die geschikt zijn om te worden gebruikt voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart. Hierbij wordt in het kader van betrouwbaarheid gestreefd naar een zo groot mogelijk bruikbaar gegevensbestand.
Bij de databewerking zijn, na het opschonen van de dataset zoals hierboven beschreven, conform de Regeling bodemkwaliteit de volgende stappen gevolgd:
1De meetdata zijn met behulp van de geografische koppeling aan de koppelvelden in de GIS-bestanden gekoppeld.
2Detectielimieten zijn met de voorgeschreven 0,7-factor omgerekend tot meetwaarden. Dit volgt uit de regels, opgenomen in bijlage G onderdeel I van de Regeling bodemkwaliteit.
3Per monster is de berekening naar standaardbodem verricht: de gemeten gehalten worden voor lutum en organisch stof gecorrigeerd volgens de rekenregels in bijlage G onderdeel II van de Regeling bodemkwaliteit: omrekenen naar standaardbodem met 10% organische stof en 25% lutum.
4Per homogeen deelgebied is per parameter nagegaan waar sprake is van extreme waarden. Meer hierover is opgenomen in paragraaf 3.3.3 en bijlage 1.
3.3 Karakteriseren van de bodemkwaliteit
3.3.1 Berekening statistische kentallen
Voor ieder deelgebied zijn per parameter de volgende kentallen berekend:
•Het aantal waarnemingen;
•De gemiddelde gehalten per parameter;
•De minimale en maximale gemeten gehalten;
•Diverse percentielwaarden (P5, P50, P80, P90, P95). Het vergelijken van percentielwaarden levert informatie op over de betrouwbaarheid van de bodemkwaliteit binnen een zone. Zo geeft bijvoorbeeld de P95 de waarde aan waar 95% van de waarnemingen onder ligt en 5% van de waarnemingen boven ligt;
•Boven- en ondergrens van het 80% betrouwbaarheidsinterval rond het gemiddelde;
•Variatiecoëfficiënt;
•Heterogeniteitstoets.
3.3.2 Rekensessies
In totaal zijn in de periode van juli tot en met augustus 2023 verschillende rekensessies uitgevoerd om te komen tot de bodemkwaliteitskaart. Hieronder zijn de belangrijkste rekensessies en de onderbouwing beschreven.
1erekensessie
In deze rekensessie is de data van de periode 2018 tot 2023 doorgerekend voor de zone-indeling als verwoord in paragraaf 3.1 en zijn per zone de voor de bodemkwaliteitskaart benodigde (statistische) kentallen gegenereerd. Op basis van het resultaat werd geconcludeerd dat er voldoende metingen beschikbaar waren voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart met de huidige zone-indeling.
2een 3e rekensessie
Op basis van de resultaten uit de eerste rekensessies is gestart met de extremenanalyse. Voor de extremenanalyse is de dataset meerdere keren doorgerekend, waarbij steeds de uitschieters (de zogenoemde 'extremen') worden beoordeeld die op basis van de in paragraaf 3.3.3 benoemde criteria worden uitgesloten van de volgende doorrekening.
4erekensessie
Na de extremenanalyse zijn enkele controlestappen doorlopen (zie hoofdstuk 5). Nadat de dataset de controlestappen had doorstaan, is de gehele set doorgerekend en zijn per zone de voor de bodemkwaliteitskaart definitieve (statistische) kengetallen gegenereerd.
3.3.3 Extremenanalyse
Op basis van de gegevens uit de rekensessies 1 en 2 is een extremenanalyse uitgevoerd. Het is namelijk mogelijk dat er, ondanks een bewerking van de dataset, nog waarnemingen in de dataset aanwezig zijn waarvan het aannemelijk is dat deze niet tot de diffuse bodemkwaliteit behoren (zogenoemde 'extremen'). Conform de Richtlijn en Handreiking Bodemkwaliteitskaarten dient van deze gehalten te worden bepaald of ze:
1Deel uitmaken van de achtergrondgehalten;
2Afkomstig zijn van een lokale puntbron;
3Het gevolg zijn van een fout in het onderzoek of een fout bij de invoer van gegevens.
Wanneer blijkt dat het extreme gehalte wordt veroorzaakt door een geval van lokale bodemverontreiniging of het gevolg is van een invoer- of meetfout, mag het betreffende gehalte buiten beschouwing worden gelaten bij het bepalen van de diffuse bodemkwaliteit. De extremenanalyse is derhalve in drie stappen verricht:
1Monsters met hoge interventiewaarde-overschrijdingen zijn uit de dataset verwijderd aangezien hierbij wordt aangenomen dat deze geen deel uitmaken van de achtergrondgehalten;
2De verdeling van de analyseresultaten van de monsters boven de P80 is geanalyseerd. Extreme waarden waarvan mag worden aangenomen dat deze geen onderdeel uitmaken van de achtergrondgehalten zijn verwijderd;
3In de dataset is opgenomen of er bij de monstername bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen. Monsters die bodemvreemde bijmengingen in hogere mate dan ‘sporen’ bevatten, zijn verwijderd uit de dataset.
In andere gevallen moet worden geconcludeerd dat er geen directe oorzaak is aan te wijzen voor de extreme gehalten en moeten de gehalten worden meegenomen in de berekening van de diffuse bodemkwaliteit. Voor de werkwijze ten aanzien van aanwijzen van potentiële extreme waarden, zie bijlage 1. De lijst met potentiële extreme waarden is voorgelegd aan de gemeente ter controle. De extreme waarden zijn verwijderd uit de dataset.
3.3.4 Kwaliteitsbepaling
De kwaliteit van de ontvangende bodem én de kwaliteit van de vrijkomende grond is per zone bepaald aan de hand van de specifieke kwaliteitseisen als opgenomen in bijlage B bij de Regeling bodemkwaliteit. Voor het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem en van de vrijkomende grond ten behoeve van het toepassen is in de Regeling bodemkwaliteit een uitzonderingsregel bepaald. De regel wordt hieronder toegelicht.
Uitzonderingsregel voor Achtergrondwaarden/Landbouw/natuur
Om te bepalen of er sprake is van een overschrijding van de Achtergrondwaarden respectievelijk kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ zijn artikel 4.2.2 van de Regeling bodemkwaliteit (onder stelsel Wbb) respectievelijk artikelen 5.11 en 5.25 van de Regeling Bodemkwaliteit 2022 (bij inwerkingtreding van de Omgevingswet) van toepassing:
In het geval één of meer van de gemeten stoffen het rekenkundig gemiddelde gehalte de maximale kwaliteitseis voor Achtergrondwaarden dan wel ‘Landbouw/natuur’ overschrijdt, dan wordt de partij of de bodem geclassificeerd als de bovenliggende kwaliteitsklasse.
In de genoemde artikelen is hierop een uitzondering opgenomen: de ontvangende bodem ofwel een partij grond of baggerspecie valt nog in de klasse Achtergrondwaarden respectievelijk ‘Landbouw/natuur’, indien de overschrijding maximaal tweemaal de Achtergrondwaarde van de betreffende stof bedraagt én het rekenkundig gemiddelde gehalte kleiner is dan de maximale waarde voor ‘wonen’ én slechts een beperkt aantal van de onderzochte stoffen de Achtergrondwaarde overschrijdt.
De kwaliteit van grond of baggerspecie valt nog binnen de klasse Achtergrondwaarden/’Landbouw/natuur’ indien bij X aantal onderzochte stoffen het ten hoogste Y aantal stoffen het rekenkundig gemiddelde gehalte de Achtergrondwaarden overschrijdt. In tabel 3.3 zijn deze X en Y, behorende tot de toetsregel opgenomen.
Tabel 3.3: toelichting bij toetsregel Achtergrondwaarde respectievelijk ‘Landbouw/natuur’
Aantal onderzochte stoffen X
2-6
7-15
16-26
27-36
≥37
Aantal overschrijdingen Y
1
2
3
4
5
Deze toetsingsregel geldt zowel voor de toetsing van een toe te passen partij grond of baggerspecie als ook voor de toetsing van de ontvangende bodem.
Toetsregel klasse Wonen (ontvangende bodem)
Om te bepalen of er sprake is van een overschrijding van de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse Wonen is in artikel 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit (stelsel Wbb) respectievelijk artikel 5.25 van de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Omgevingswet) ook een uitzonderingsregel opgenomen:
Dit artikel stelt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem nog in klasse ‘Wonen’ valt indien slechts een beperkt aantal van de onderzochte stoffen de maximale waarde voor bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ overschrijdt.
De kwaliteit van de bodem valt nog binnen de klasse ‘Wonen’ indien bij X aantal onderzochte stoffen het ten hoogste Y aantal stoffen het rekenkundig gemiddelde gehalte de maximale waarde voor ‘Wonen’ overschrijdt. In tabel 3.4 zijn deze X en Y, behorende tot de toetsregel opgenomen.
Tabel 3.4: Toelichting bij toetsregel voor klasse ‘Wonen’
Aantal onderzochte stoffen X
2-6
7-15
16-26
27-36
≥37
Aantal overschrijdingen Y
1
2
3
4
5
Deze toetsingsregel geldt uitsluitend voor de toetsing van de ontvangende bodem.
Toetsregel nikkel
Voor de stof nikkel zijn de Achtergrondwaarde en Maximale Waarde Wonen (bijna) gelijk aan elkaar. Om deze reden is in artikel 4.2.2 van de Regeling bodemkwaliteit (stelsel Wbb) respectievelijk artikelen 5.25 en 5.11 van de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Omgevingswet) gesteld dat voor nikkel er niet getoetst hoeft te worden aan de Maximale Waarde voor Wonen bij het bepalen van de kwaliteit van een vrijkomende partij.
Accreditatieschema 3000
Vanaf 1 juli 2007 is het Accreditatieschema 3000 (AS3000) in werking getreden. AS3000 bevat de kwaliteitseisen voor laboratoria voor al het milieuhygiënisch bodemonderzoek. AS3000 schrijft een monstervoorbehandeling voor, bestaande uit malen en homogeniseren. Dit verlaagt de kans op een grote spreiding van analyseresultaten waardoor resultaten betrouwbaarder worden. In de berekeningen voor deze bodemkwaliteitskaart zijn geen resultaten van voor 2007 gebruikt.
3.3.5 Definitieve indeling in homogene deelgebieden
Conform de Richtlijn en Handreiking Bodemkwaliteitskaarten dienen voor ieder homogeen deelgebied minimaal 20 waarnemingen beschikbaar te zijn om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over de kwaliteit. Uit de statistiektabellen (zie bijlage 2) blijkt dat er voldoende data beschikbaar is om de deelgebieden vast te leggen.
Er is geen aanvullend bodemonderzoek nodig (stap 6 in de Richtlijn en Handreiking Bodemkwaliteitskaarten).
De voorlopige indeling in deelgebieden is niet gewijzigd naar aanleiding van de karakterisatie van de bodemkwaliteitskaart.
3.4 Opstellen van de bodemkwaliteitskaart
3.4.1 Karakterisering van de kwaliteit
In bijlage 2 zijn per homogeen deelgebied het gemiddelde en de daaropvolgende percentielen aan de generieke normen uit de Regeling bodemkwaliteit getoetst. De kwaliteit van de bodem wordt op basis van de Regeling bodemkwaliteit bepaald aan de hand van het gemiddelde. In de Regeling bodemkwaliteit onder het stelsel van de Wbb staat dit in artikelen 4.2.2 en 4.10.2. In de Regeling bodemkwaliteit vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit beschreven in artikelen 5.11 en 7.8.
Bij het karakteriseren van de bodemkwaliteit worden twee waarden bepaald: de kwaliteit van de ontvangende bodem (ook wel: bodemkwaliteitsklasse) of de kwaliteit van vrijkomende grond (ook wel: ontgravingskwaliteit). De kwaliteit van de ontvangende bodem is bepalend bij het bepalen van de kwaliteit die toegepast kan worden op de betreffende locatie. De ontgravingskwaliteit bepaalt de kwaliteit van de vrijkomende grond.
De bodemkwaliteitsklasse en de ontgravingskwaliteit worden op verschillende wijzen bepaald. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de rekenregels als beschreven in paragraaf 3.3.4. Met het verschil tussen deze twee klassen wordt voorkomen dat een gebied op basis van de overschrijding van één parameter de bodem wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse industrie (zie paragraaf 3.3.4). Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge eisen gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarde industrie, waardoor de kwaliteit van het gebied verslechtert
6Meer informatie: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-bagger-toets/faq/zit-precies/ en https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-bagger-toets/faq/zit-toetsingsregel/
.
De resultaten van de bepaling van de kwaliteit van de ontvangende bodem (bodemkwaliteitsklasse) en de kwaliteit van vrijkomende partijen (ontgravingskwaliteit) zijn samengevat in de onderstaande tabel.
Tabel 3.5: Samenvatting kwaliteitsbepaling op basis van het rekenkundige gemiddelde
* de kwaliteit van de zone ‘Infrastructuur’ is indicatief bepaald, zie paragraaf 3.1.1.
3.4.2 Vergelijking met voorgaande bodemkwaliteitskaart
De zonering van het beheergebied is in de onderhavige bodemkwaliteitskaart enigszins aangepast ten opzichte van de zone-indeling van 2018. Nochtans kan de algemene kwaliteit goed met elkaar vergeleken worden, zie tabel 3.6.
Tabel 3.6: Vergelijking kwaliteit van de landbodem in 2023 t.o.v. 2018 (ontgravingskwaliteit)
Traject
Zone
Voorgaande zone(s)
Was in 2018
Is in 2023
Bovengrond
Buitengebied
Overig bebouwd gebied en buitengebied
•
Wonen
•
Wonen
Oud Volendam en Purmer
Oud Volendam en Purmer
•
Industrie
•
Wonen
Wonen B en Oud Edam
Wonen B en Oud Edam
•
Industrie
•
Wonen
Industrie
Bedrijven/industrie A
En aanvullende aangewezen industrie-locaties, voorheen in zone Overig bebouwd gebied en buitengebied
•
Landbouw/natuur en Wonen
•
Wonen
Ondergrond
Buitengebied
Overig bebouwd gebied en buitengebied A én B
•
Wonen en Landbouw/natuur
•
Wonen
Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer
Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer
•
Industrie
•
Industrie
Industrie
Zonering identiek aan bovengrondzone ‘Industrie’: Bedrijven/industrie A
En aanvullende aangewezen industrie-locaties, voorheen in zone Overig bebouwd gebied en buitengebied A én B
•
Wonen en Landbouw/natuur
•
Wonen
Ten opzichte van 2018 is de actuele kwaliteit van de bodem in beperkte mate veranderd. De belangrijkste wijzigingen zijn:
-Ter plaatse van de voormalige bovengrondzone “Bedrijven/industrie A” is de actuele kwaliteit voorheen op Landbouw/natuur is bepaald. Deze zone is in 2023 samengevoegd in bovengrondzone “Industrie”. De kwaliteitsklasse van deze nieuw gecreëerde zone is nu klasse Wonen.
-De bovengrondzones “Oud Volendam en Purmer” en “Wonen B en Oud Edam” zijn licht verbeterd ten opzichte van 2018, en vallen hierdoor in 2023 in klasse Wonen.
-In de ondergrond is de belangrijkste verandering ontstaan door het samenvoegen van verschillende locaties die voorheen in andere zones waren ondergebracht. Deze zones zijn nu samen zone “Industrie” geworden. De verandering van de kwaliteit in deze zone is niet goed te beoordelen omdat de verschillende losse deelgebiedjes voorheen in de voormalige zones “Bedrijven/industrie A” of zones “Overig bebouwd gebied en buitengebied A en B” waren gelegen. De kwaliteit van deze zones is in 2018 bepaald op wonen of landbouw/natuur. Nu is de zonekwaliteit bepaald op klasse Wonen.
Bijlage 1 Toelichting databewerking
1Type onderzoek
De eerste stap bij de selectie van de juiste onderzoeksgegevens, is de selectie van het type onderzoek en de aanleiding van het onderzoek. In de onderstaande tabellen A en B is aangegeven welke typen en aanleidingen van onderzoek relevant zijn bevonden voor de bodemkwaliteitskaart.
Tabel A: Onderzoekstypen
Omschrijving
Relevant
Verkennend onderzoek NEN 5740
Ja
Verkennend onderzoek NVN 5740
Ja
Indicatief onderzoek
Ja
Orienterend bodemonderzoek
Ja
avr (aanvullend rapport)
Ja
Nul situatieonderzoek
Ja
brf (briefrapport)
Ja
ASB - asbest onderzoek NEN 5707
Ja
Historisch onderzoek
Ja
Nader onderzoek
Nee
Bijzonder inventariserend onderzoek
Nee
Partijkeuring grond
Nee
Sanerings evaluatie
Nee
Sanerings onderzoek
Nee
(niet gevuld)
Nee
Verkennend onderzoek voor waterbodems (NVN 5720)
Nee
Meldingsformulier BUS evaluatieverslag
Nee
Bodemsanering bedrijven (BSB)
Nee
BOOT
Nee
Saneringsplan
Nee
Monitoringsrapportage
Nee
Bouwstoffenbesluit
Nee
Tabel B: Aanleiding
Omschrijving
Relevant
Bouwvergunning
Ja
Civieltechnisch
Ja
Transactie
Ja
(niet gevuld)
Ja
bestemmingswijziging, VINEX, locatieontwikkeling
Ja
Landsdekkend
Ja
Nulsituatie
Ja
ISV-programmering
Ja
Voorgaand
Nee
Vermoeden of melding verontreiniging
Nee
Onbekend
Nee
BOOT
Nee
Calamiteit
Nee
2.Periode
De onderzoeksgegevens, op basis waarvan de actuele bodemkwaliteit wordt vastgesteld, moeten voldoende recent zijn om te waarborgen dat de gegevens representatief zijn. In de Richtlijn en Handreiking Bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat gegevens daarom in principe niet ouder mogen zijn dan 5 jaar. In de huidige kaart zijn de gegevens tot 5 jaar terug gebruikt.
3.AS3000
Vanaf 1 juli 2007 is het Accreditatieschema 3000 (AS3000) in werking getreden. AS3000 bevat de kwaliteitseisen voor laboratoria voor al het milieuhygiënisch bodemonderzoek. AS3000 schrijft een monstervoorbehandeling voor, bestaande uit malen en homogeniseren. Dit verlaagt de kans op een grote spreiding van analyseresultaten waardoor resultaten betrouwbaarder worden. In de berekeningen voor deze bodemkwaliteitskaart zijn in dit geval enkel resultaten van na 2007 gebruikt. De invoering van het AS3000 protocol heeft derhalve geen invloed op de betrouwbaarheid van de algehele dataset.
4.Bodemlagen
Om de analysemonsters te kunnen toekennen aan de boven- en ondergrond, is uitgegaan van de gemiddelde diepte van de analysemonsters. Hiermee wordt bedoeld dat:
•wanneer de gemiddelde diepte van de bemonsterde laag tussen 0,0 en 0,5 m-mv. valt, dit als bovengrond is beschouwd (bijv. in het geval van een bemonsterde laag uit het traject 0,2-0,7 m-mv.: de gemiddelde diepte is dan 0,45 m-mv.);
•voor de ondergrond geldt dat de gemiddelde diepte van het bemonsterde traject groter moet zijn dan 0,5 m-mv. en kleiner dan of gelijk aan 2,0 m-mv. (bijvoorbeeld in het geval van de laag 0,3-0,8 m-mv.; de gemiddelde diepte is 0,55 m-mv.).
5.Rapportagegrenzen en somparameters
Voor de omgang met 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden, alsmede de wijze waarop gehalten van individuele parameters moeten worden opgeteld om tot een somparameter te komen, is aangesloten bij recente wet- en regelgeving.
Zo is in de Regeling bodemkwaliteit het volgende aangegeven:
"Bij een resultaat < dan de rapportagegrenzen genoemd in tabel 1 van deze bijlage (zijnde bijlage G), mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarden.
Indien de op het analysecertificaat weergegeven < rapportagegrens hoger ligt dan de in tabel 1 vermelde rapportagegrenzen dan dient de desbetreffende < rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen rekenwaarde wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarden. Bij het berekenen van een somwaarde, het rekenkundig gemiddelde en een percentielwaarde worden voor de individuele componenten de gemeten gehalten < rapportagegrens vermenigvuldigd met 0,7. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn of geen rapportagegrens in tabel 1 is opgenomen, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Indien alle individuele waarden als onderdeel van deze berekende waarde < rapportagegrens uit tabel 1 zijn, mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarden."
Het bovenstaande is op de volgende wijze toegepast op de dataset:
•Voor de somparameter PAK 10 VROM en PCB som 7 is niet uitgegaan van het optellen van de gehalten van alle individuele componenten, zoals hierboven is beschreven, maar van het geregistreerde totaalgehalte. Dit omdat in het bodeminformatiesysteem over het algemeen niet de gehalten van de individuele parameters worden ingevuld.
•Bij het genereren van de gemiddelden gehalten en de diverse kentallen zijn voor alle parameters de 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden vermenigvuldigd met een factor 0,7. De hierbij verkregen rekenwaarde is vervolgens getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Dit betekent dat geen rekening is gehouden met de 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden die voldoen aan de voorgeschreven rapportagegrens.
6.Kwalibo
De Richtlijn en Handreiking geeft aan dat wanneer de datum van een bodemonderzoek is gelegen na 1 juli 2007, het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een erkende instantie. Dit in verband met eisen die vanuit Kwalibo aan onderzoeksgegevens worden gesteld. Bij het invoeren van onderzoeksgegevens in het bodeminformatiesysteem wordt hier vaak geen rekening mee gehouden. Derhalve is ervoor gekozen om dit niet als voorwaarde mee te nemen bij de databewerking.
Verwacht wordt echter dat dit geen noemenswaardige consequenties heeft. Kwalibo is namelijk van toepassing op alle situaties waarbij het bevoegd gezag een beslissing moet nemen. Aangezien bodemonderzoeken, die bij de gemeente worden ingediend, over het algemeen zullen zijn uitgevoerd in het kader van de aanvraag van een bouw- of milieuvergunning, worden deze onderzoeken gecontroleerd op de eisen vanuit Kwalibo.
De kans wordt dan ook zeer klein geacht dat de bodemonderzoeken, die zijn uitgevoerd na 1 juli 2007, en bij de databewerking zijn geselecteerd om te worden gebruikt voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart, niet door een erkende instantie zijn uitgevoerd.
7.Coördinaten
Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn alleen die onderzoeksgegevens gebruikt waarvan in het BIS een rapportcontour is ingetekend. Alleen in dat geval was het namelijk mogelijk om de analyseresultaten van een rapport aan één van de deelgebieden toe te wijzen.
Voor de geografische koppeling, oftewel de toewijzing van een rapport (en daarmee de analysemonsters) aan een deelgebied, is uitgegaan van de centroïde van de rapportcontour. Dit betekent dat voor die gevallen waarbij de rapportcontour gedeeltelijk in deelgebied X en gedeeltelijk in deelgebied Y ligt, alle analyseresultaten aan dat deelgebied zijn toegekend waarin de centroïde van de rapportcontour ligt.
8.Extremenanalyse
Per homogeen deelgebied zijn per stof de meetwaarden in oplopende volgorde, ofwel in volgorde van percentielen, gerangschikt. Als een grafiek wordt gemaakt waarin de meetwaarden worden afgezet tegen de percentielen ontstaat een min of meer rechte lijn. De waarnemingen binnen deze rechte lijn zijn lognormaal verdeeld en kunnen tot de diffuse kwaliteit worden gerekend. In de staart van de verdeling is bij verschillende stoffen een knik te zien: hier gaat de lijn opeens steiler omhoog. Deze waarnemingen ('extreme waarden') vallen buiten de lognormale verdeling en zijn mogelijk te relateren aan een puntbron, verdacht perceel, invoerfout of een verhoogde detectielimiet. In de onderstaande voorbeeldgrafiek is dit geïllustreerd (figuur A).
Figuur A: Voorbeeldgrafiek met meetwaarden versus percentielen. Voor grondwater is analoog aan gehalten de concentratie (µg/l) uitgezet op de y-as
Deze waarden worden opgenomen in de lijst met potentiële extreme waarden.
Wanneer blijkt dat het extreme gehalte wordt veroorzaakt door een geval van lokale bodemverontreiniging of het gevolg is van een invoer- of meetfout, mag het betreffende gehalte buiten beschouwing worden gelaten bij het bepalen van de diffuse bodemkwaliteit. De extremenanalyse is derhalve in drie stappen verricht:
1Monsters met hoge interventiewaarde-overschrijdingen zijn uit de dataset verwijderd aangezien hierbij wordt aangenomen dat deze geen deel uitmaken van de achtergrondgehalten;
2De verdeling van de analyseresultaten van de monsters boven de P80 is geanalyseerd. Extreme waarden waarvan mag worden aangenomen dat deze geen onderdeel uitmaken van de achtergrondgehalten zijn verwijderd;
3In de dataset is opgenomen of er bij de monstername bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen. Monsters die bodemvreemde bijmengingen in hogere mate dan ‘sporen’ bevatten, zijn verwijderd uit de dataset.
Bijlage 2 Statistische kentallen
I. Statistische kentallen regionale bodemkwaliteitskaart
II. Statistische kentallen bodemkwaliteitskaart voormalige gemeente Purmerend
Statistieken zijn afkomstig uit: Geactualiseerde bodemkwaliteitskaart 2022 grondgebied voormalige gemeente Purmerend, d.d. 25 augustus 2023, door WSP
Bijlage 3 Kaarten
I. Kaart met zone-indeling bovengrond (tot 0,5 m-mv.)
II. Kaart met zone-indeling ondergrond (0,5-2,5 m-mv.)
III. Ontgravingskaart bovengrond (tot 0,5 m-mv.)
IV. Ontgravingskaart ondergrond (0,5-2,5 m-mv.)
V. Generieke toepassingskaart bovengrond (tot 0,5 m-mv.)
VI. Generieke toepassingskaart ondergrond (0,5-2,5 m-mv.)
VII. Bodemfunctieklassenkaart
I.Kaart met zone-indeling bovengrond (tot 0,5 m-mv.)
II.Kaart met zone-indeling ondergrond (0,5-2,5 m-mv.)
III. Ontgravingskaart bovengrond (tot 0,5 m-mv.)
IV. Ontgravingskaart ondergrond (0,5-2,5 m-mv.)
V. Generieke toepassingskaart bovengrond (tot 0,5 m-mv.)
VI. Generieke toepassingskaart ondergrond (0,5-2,5 m-mv.)
VII. Bodemfunctieklassenkaart
Over Antea Group
Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.