Gemeentelijke regelgeving

Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2026

Gemeente Pekela · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De raad van de gemeente Pekela;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28-10-2025;

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

vast te stellen de volgende verordening: (Verordening riool- en waterzorgheffing 2026)

besluit:

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

•gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

•verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

•water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam riool- en waterzorgheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding

van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a.de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater,

alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b.de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde

hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige

gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel

mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

a.De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot

heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel, verder te noemen:

eigenarendeel.

b.Ingeval het perceel een onroerende zaak is, wordt als genothebbende krachtens

eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het

belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op

dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 4. Voorwerp van de belasting

1Voorwerp van de belasting is een perceel.

2Als perceel wordt aangemerkt:

a.de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende

zaken;

b.de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

c.een gedeelte van een in onderdeel bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn

indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d.een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in

onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en

die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e.het binnen de gemeentegelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende

zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d

bedoeld samenstel.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

Artikel 6 Belastingtarieven

1De belasting bedraagt € 192,00.

2In afwijking van lid 1, bedraagt de belasting voor garages, die op de voet van artikel 16,

onderdeel c van de Wet WOZ een zelfstandig object vormen € 31,00.

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.

Artikel 10 Termijnen van betaling

1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen

worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste

dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is

vermeld en elk van de volgende termijnen een maand later;

2In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door

middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat een

aanslag moet worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de

laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het

aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en tweede lid

gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van riool- en waterzorgheffing wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Overgangsrecht

De ‘Verordening rioolheffing 2025’ van 22 oktober 2024, wordt ingetrokken met ingang van 1

januari 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor

die datum hebben voorgedaan.

Artikel 13 Inwerkingtreding

1Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

2De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening riool- en waterzorgheffing 2026”.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.