Gemeentelijke regelgeving

(Geactualiseerd) Beleid en beleidsregels rondom de aanpak van ernstige woonoverlast in de gemeente Pekela 2024

Gemeente Pekela · geldt sinds 22 mei 2024

Aanhef

Datum: 22-05-2024;

Vastgesteld: vastgesteld door burgemeester J. Kuin na consultatie college op 24-05-2024;

Publicatie d.d.: 04-06-2024.

De juridische context

Artikel 151d

1De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

3Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.

De bevoegdheid van de raad zoals in het eerste lid staat vermeld, is inmiddels vertaald naar artikel

2: 69 van de APV Pekela 2024. Dit artikel luidt:

Artikel 2:69 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

1Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

3De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

a.geluid- of geurhinder;

b.hinder van dieren;

c.hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

d.overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

e.intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

De last kan een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op bij het erf als bedoeld in artikel 151d, derde lid van de Gemeentewet.

Naast gemeentewet en APV zijn in dit verband ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) relevant en de Wet tijdelijk huisverbod (Wth).

De nadere duiding: begrippen en afbakening

Ernstige en herhaaldelijke hinder

In het eerste lid van artikel 2: 69 APV wordt de zorgplicht omschreven voor degene die een woning of een bij de woning behorend erf, gebruikt of in gebruik geeft. Onder ernstige woonoverlast wordt verstaan: overlast waarvan door aard of frequentie, een zodanige dreiging uitgaat dat het welzijn, de gezondheid, de veiligheid en/of de leefbaarheid van omwonenden ernstig wordt aangetast. De overlast moet daarbij herhaaldelijk zijn en daarmee niet eenmalig.

Niet op een andere geschikte wijze worden tegengegaan

In artikel 151d Gemeentewet is daarbij in het tweede lid bepaald dat de ernstige en herhaaldelijke hinder niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Dit betekent dat de burgemeester pas overgaat tot het opleggen van een last met een gedragsaanwijzing als het niet mogelijk is gebleken om de overlast op een andere geschikte wijze tegen te gaan, waarmee wordt gedoeld op minder ingrijpende middelen (conform het subsidiariteitsbeginsel). De burgemeester komt beleidsvrijheid toe in de afweging of er geen andere geschikte wijze is om de hinder tegen te gaan. Dat kunnen ook andere middelen zijn dan de uitoefening van overheidsbevoegdheden.

Voorbeelden van andere manieren om overlast te bestrijden zijn het geven van een waarschuwing, het gebruik van mediation of buurtbemiddeling of het door het slachtoffer zelf of door de verhuurder van de woning van de overlastgever aanspannen van een civiele procedure. Pas als de burgemeester meent dat er redelijkerwijs geen andere geschikte wijze is om de ernstige hinder tegen te gaan (blijkend uit de omstandigheid dat eerdere maatregelen of acties geen of onvoldoende soelaas bieden), legt hij een last op.

Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat van onderhavig middel slechts gebruik kan worden gemaakt als ‘ultimum remedium’, indien er geen andere passende en minder ingrijpende instrumenten ter beschikking staan, tevergeefs zijn toegepast of niet toepasbaar zijn. Dit sluit aan bij de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Toepassing van dit ultimum remedium-beginsel betekent voor de gemeente dat indien anderen dan de gemeente redelijkerwijs middelen kunnen inzetten (bijvoorbeeld een ontbindingsprocedure door een verhuurder via de kantonrechter), deze eerst moet worden afgewacht alvorens de burgemeester aan zet is. Er is daarmee immers een voorliggende mogelijkheid om tot gewenst gedrag te komen. Indien evenwel een verhuurder weigert of in gebreke blijft om zijn bevoegdheden in te zetten, is de facto er geen sprake meer van een voorliggende mogelijkheid tot opheffing van de overlast en zal de burgemeester van zijn bestuursrechtelijke maatregel gebruik moeten maken. Dit kan ook leiden tot een parallelle gedragsaanwijzing gericht op de verhuurder. Door ook daar druk te leggen, kan een ongewenste situatie sneller tot een oplossing worden gebracht.

De ervaring leert dat de grotere verhuurders waaronder de corporaties zoals Acantus inmiddels zelf een adequaat werkend stelsel hebben van gedragsaanwijzingen. Dit onder de dreiging tot het gaan verzoeken bij de rechter tot ontbinding van de huurovereenkomst. Voor de private verhuurders geldt deze bereidheid in de praktijk veel minder.

Gebruiker van de woning

Onder degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt wordt verstaan degene die de woning feitelijk bewoond. De gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning of het erf te hebben en hoeft niet de rechtmatige gebruiker van de woning te zijn. Ook een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder dit bestanddeel.

Met woning of bij die woning behorend erf wordt bedoeld de woning, de rest van het betrokken perceel (zoals een tuin) en de gezamenlijke ruimte binnen een wooneenheid zoals het portiek, de parterretrap, de gezamenlijke buitenruimte, enzovoorts. Gelet op het bepaalde in artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet vallen ook gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, zoals gedragingen in de tuin van de buren, op het trottoir en of op straat ter hoogte van of vlakbij de woning, onder de reikwijdte van dit begrip.

Gedragingen

Met ‘gedragingen in of vanuit die woning of dat erf’ worden bedoeld gedragingen die in of rondom de woning of het erf worden gepleegd. De gedragingen kunnen worden gepleegd door de gebruiker van de woning zelf of door bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook door bijvoorbeeld diens hond of ander huisdier. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt. De gedragingen die worden gepleegd in de nabije omgeving van de woning, bijvoorbeeld in de tuin van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. In het derde lid van artikel 2: 69 APV staan categorieën van hinder waarbinnen de gedraging geplaatst kan worden. De opsomming daarbij is facultatief en daarmee niet uitputtend.

Hinder voor omwonenden in de onmiddellijke nabijheid

Het moet gaan om hinder voor bewoners of omwonenden die woonachtig zijn in de directe of onmiddellijke nabijheid van de woning c.a. van waaruit de overlast plaatsvindt. Onder onmiddellijke nabijheid wordt in ieder geval begrepen al wat plaats vindt binnen een straal van 100 meter. Hoewel deze 100 meter arbitrair is, is met deze norm bedoeld om een afbakening te verkrijgen van toe te rekenen hinder.

Last onder bestuursdwang of last onder dwangsom

Last onder bestuursdwang is een zogenaamde herstelsanctie. Het doel van een last onder bestuursdwang is om de overtreder van een wettelijk voorschrift te bewegen deze overtreding ongedaan te maken, of, als dat niet lukt, het ongedaan maken van de overtreding door de overheid. Een last onder dwangsom is de verplichting om iets te doen onder dreiging van dwangsommen. Een last onder dwangsom kan opgelegd worden om een overtreding te beëindigen of om herhaling van een overtreding te voorkomen. Een last onder dwangsom kan ook preventief opgelegd worden.

Ter bestrijding van ernstige woonoverlast is de burgemeester bevoegd tot het geven van een specifieke gedragsaanwijzing. De gedragsaanwijzing neemt in juridische zin de vorm aan van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. In deze last staat dat de overlastgever bepaalde handelingen moet doen of juist moet nalaten zodat de overlast ophoudt.

De gedragsaanwijzing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Titel 5.3 van de Awb (herstelsancties) is van toepassing. Vanwege de bevoegdheidstoedeling om een last onder bestuursdwang op te leggen, is de burgemeester op grond van artikel 5:32 van de Awb tevens bevoegd een last onder dwangsom op te leggen. Hierdoor kan de burgemeester een last onder dwangsom opleggen met de verplichting tot de betaling van een geldsom indien de last niet wordt uitgevoerd. Bij de last onder dwangsom verbeurt de betrokken bewoner een dwangsom, indien deze binnen de begunstigingstermijn niet, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet. Mocht dit onvoldoende effect hebben, dan kan de burgemeester middels een last onder bestuursdwang door feitelijk handelen de overlast tot een einde brengen. Dit met inachtneming van een begunstigingstermijn.

Tijdelijk huisverbod

In het derde lid van artikel 151d van de Gemeentewet is zelfs de bevoegdheid voor de burgemeester toegekend om een tijdelijk huisverbod op te leggen. Dit betekent dat de overlastveroorzaker voor een periode van tien dagen welke kan worden verlengd tot vier weken, niet in zijn woning mag verblijven. Ook hier geldt weer het beginsel van ‘ultimum remedium’, wat betekent dat eerst andere, minder ingrijpende middelen moeten zijn beproefd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.