Gemeentelijke regelgeving

Besluit van het college van Peel en Maas tot vaststelling van de beleidsregel Aanvraag bijstand en beoordeling van middelen gemeente Peel en Maas

Gemeente Peel en Maas · geldt sinds 27 maart 2026

Aanhef

Burgemeester en wethouders van Peel en Maas;

Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 eerste lid, Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op het bepaalde in de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

Overwegende dat het wenselijk is nieuwe beleidsregels vast te stellen op basis van de 'Participatiewet in Balans' (fase 1). Deze regels gaan over de afhandeling van aanvragen, de berekening van het vermogen en het vrijlaten van giften.

BESLUITEN:

Vast te stellen de volgende beleidsregel:

Aanvraag bijstand en beoordeling van middelen gemeente Peel en Maas

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze beleidsregel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.Belanghebbende : degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is;

b.Bijstandsnorm : de norm zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 30 van de Wet;

c.College : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas;

d.De Wet : Participatiewet;

e.Inrichting : een inrichting zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel f van de Wet;

f.IOAW : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

g.Jongere : de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

h.Gift : elke verkrijging uit vrijgevigheid van personen of organisaties – of die nu via een bankoverboeking, contant geld of in natura wordt gegeven – die leidt tot een besparing op kosten en waarvoor geen enkele tegenprestatie wordt geleverd;

i.Middelen : de vermogens- en inkomensbestanddelen zoals bedoeld in artikel 31 van de Wet;

j.Zoektermijn : de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet.

Artikel 2 Toepassingsbereik

Deze beleidsregels gelden voor de vaststelling van het recht op algemene bijstand.

Artikel 3 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

1Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:

a.dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

b.de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twee maanden na het eindigen van de algemene bijstand.

2Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

a.het hoofdverblijf;

b.de gezinssituatie; en

c.het inkomen en het vermogen.

3Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW.

Artikel 4 Verschijningsplicht

1De aanvrager van een bijstandsuitkering moet persoonlijk verschijnen op een plaats en tijd die het college bepaalt. Dit is nodig om te kunnen beoordelen of de aanvrager recht heeft op bijstand.

2Het persoonlijk verschijnen is bedoeld voor:

a.controle van de identiteit; én

b.het bekijken of de gegevens juist en compleet zijn; én

c.het krijgen van een goed beeld van de leefsituatie van de aanvrager.

3Als de aanvrager zonder geldige reden niet verschijnt, kan het college:

a.de aanvraag niet verder behandelen, óf

b.geen recht op bijstand vaststellen, omdat belangrijke informatie ontbreekt.

4Kan de aanvrager niet komen door een geldige reden, dan moet hij dit voorafgaand aan de afspraak melden. Het college maakt dan een nieuwe afspraak.

5Als de persoonlijke situatie van de aanvrager het moeilijk maakt om naar de gemeente te komen, kan het college maatwerk bieden. Dit kan bijvoorbeeld een huisbezoek, een videogesprek of een andere passende manier van verschijnen zijn.

Artikel 5 Niet toepassen 4 weken-zoektermijn voor jongeren

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand in behandeling te nemen zonder toepassing van de 4 weken-zoektermijn, als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer de jongere verblijft in een inrichting. Daarnaast kan het college altijd maatwerk bieden op grond van individuele persoonlijke omstandigheden.

Artikel 6 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

1Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet.

2Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

3Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.

Artikel 7 Vaststelling vermogen bij co-ouderschap

1De vermogensgrens van een co-ouder is het gemiddelde van de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder en de vermogensgrens voor een alleenstaande.

2Eventueel inkomen en vermogen van het ten laste komende kind worden voor x/7 toegerekend aan de betreffende co-ouder. Hierbij staat x voor het gemiddelde aantal dagen per week dat de co-ouder het kind verzorgt.

Artikel 8 Vaststelling vermogen bij verhuizing uit andere gemeente

1Bij verhuizing van een belanghebbende uit een andere gemeente wordt het vermogen opnieuw vastgesteld.

2Vermogen dat aantoonbaar tijdens een direct voorafgaande bijstandsperiode, zonder onderbreking die langer heeft geduurd dan 30 dagen, is gespaard blijft buiten beschouwing.

Artikel 9 Vrijlating van giften

1Een incidentele financiële gift voor een specifieke bestemming wordt vrijgelaten als deze dient voor kosten waarvoor de belanghebbende, zonder de gift, op een vergoeding via de bijzondere bijstand om niet of en Wmo-voorziening zou zijn aangewezen.

2Van het ontvangen van een gift als bedoeld in het eerste lid moet de belanghebbende onverwijld melding maken door middel van een wijzigingsformulier.

3Andere giften dan genoemd in het eerste lid en/of bijdragen in natura die leiden tot een besparing worden vrijgelaten tot het maximale bedrag zoals genoemd in artikel 31 tweede lid onder m van de Wet.

4Zolang de gift en/of de bijdrage als bedoeld in het derde lid niet overschrijdt hoeft hier door de belanghebbende geen melding van te worden gemaakt.

5Zodra de gift(en) en/of de bijdrage(n) als bedoeld in het derde lid meer bedragen/bedraagt, dan moet de belanghebbende onverwijld melding maken door middel van een wijzigingsformulier en wordt het meerdere aangemerkt als middel, als bedoeld in artikel 31 van de Wet.

6Verstrekkingen in de vorm van een voedselpakket van de Voedselbank Peel en Maas en ondersteuning voor onderwijs, sport en cultuur door Stichting Leergeld Peel en Maas, Jeugdfonds Sport en Cultuur en het Volwassenenfonds worden in ieder geval vrijgelaten.

Artikel 10 Citeertitel en inwerkingtreding

1Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Aanvraag bijstand en beoordeling van middelen gemeente Peel en Maas’.

2De beleidsregel treedt in werking op in werking op de dag na bekendmaking en heeft terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026.

3Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.