Aanhef
Besluit van de burgemeester van de gemeente Papendrecht tot vaststelling van beleidsregel[s] voor de uitvoering van artikel 13b Opiumwet.
De burgemeester van de gemeente Papendrecht;
overwegende dat,
het gewenst is om de beleidsregels in het kader van de toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet te actualiseren;
Gelet op:
-artikel 172 Gemeentewet;
-artikel 13b Opiumwet;
-artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht
-de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (lijst II) (Stcr. 2023, 22686);
-de ‘Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA’ van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (Stcr. 2025, nr. 22140);
-het Regionaal Convenant "Gezamenlijke aanpak van hennepkwekerijen";
b e s l u i t
vast te stellen de “Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) gemeente Papendrecht 2026”.
Beleidsregels artikel 13b Opiumwet
BELEIDSKADER ALGEMEEN
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
1Harddrugs: een middel als bedoeld in lijst I behorende bij de Opiumwet.
2Softdrugs: een middel als bedoeld in lijst II behorende bij de Opiumwet.
3Drugshandel: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van een middel als bedoeld in lijst I of II bij dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet.
4Handelshoeveelheid: Bij het bepalen van het feit of sprake is van een handelshoeveelheid aangetroffen verdovende middelen sluit deze beleidsregel aan bij het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. Van een handelshoeveelheid is sprake in de volgende gevallen:
a.Lijst I: een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 eenheid GHB (5 ml);
b.Lijst IA: een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram / 1 pil / 1 eenheid (5 ml), in geval van fentanyl-achtigen 2 milligram
5In de OM Richtlijn van 7 juli 2025 is opgenomen dat een gebruikershoeveelheid in geval van fentanyl-achtigen, zoals opgenomen in bovenstaande tabel, 2 milligram is. Reden hiervoor is het feit dat fentanyl-achtigen krachtiger zijn dan de meeste middelen op lijst I of substanties op lijst IA.In zaken waarin grote(re) hoeveelheden fentanyl-achtigen worden aangetroffen (meer dan een gebruikershoeveelheid) wordt dan ook de aanbeveling gedaan om dit als strafverzwaringsgrond mee te wegen bij de wijze van afdoening of in de te formuleren eis.
;
c.Lijst II:
i.een hoeveelheid softdrugs (met uitzondering van lachgas, qat en paddo's) van maximaal 5 gram gezien als hoeveelheden voor eigen gebruik (gedoogde gebruikshoeveelheid).
ii.een hoeveelheid lachgas van maximaal 1 ampul / 1 ballon;
iii.een hoeveelheid van 0,5 gram gedroogde paddo's of 5 gram verse paddo's;
iv.een hoeveelheid van 200 gram qat
d.Hennepplanten: meer dan 5 planten.
5voorbereidingshandelingen: het voorhanden zijn van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a, van de Opiumwet.
6Betrokkene: de overtreder, de eigenaar van het pand, de (hoofd)bewoner(s) of degene die anderszins als rechthebbende op de zaak waarop de last betrekking heeft kan worden aangemerkt (zie ook artikel 5:24, derde lid, van de Awb).
7lokaal: een voor het publiek toegankelijk pand met bijbehorend erf, zoals een winkel, bedrijfsmatig garage- of horecabedrijf, dan wel een niet voor publiek toegankelijk pand met bijbehorend erf, zoals een loods, magazijn of andere bedrijfsruimte. Ook kunnen bijvoorbeeld een hotelkamer, andere recreatieverblijven en een kantoor onder het begrip lokaal vallen, voor zover zij geen ‘woning’ zijn;
8woning (bewoond): een voor bewoning gebruikte ruimte. Een woning is te karakteriseren als een van de buitenwereld afgesloten plaats waar iemand - eventueel in een gemeenschappelijke huishouding met andere personen - zijn privaat huiselijk leven leidt of pleegt te leiden. Of een ruimte een woning is, wordt niet alleen bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Of ergens gewoond wordt kan onder meer blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP), de inrichting van de ruimte/het pand en het feitelijke gebruik dat van de ruimte wordt gemaakt. Het begrip woning omvat in ieder geval: woningen, woonwagens, woonschepen en bijbehorende erven. In beginsel wordt een woning in zijn geheel gesloten. Een uitzondering hierop kan zijn wanneer er sprake is van een onzelfstandige woonruimte, zoals bijvoorbeeld kamerverhuur of verblijf in een hotel of ander logiesverblijf.
Artikel 2. Onderscheid tussen woningen en lokalen
1In deze beleidsregel wordt voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, onderscheid gemaakt tussen woningen en al dan niet voor het publiek openstaande lokalen, omdat sluiting van een woning gevolgen kan hebben die een inmenging kunnen vormen in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Laatstgenoemd recht is niet in het geding bij lokalen.
2Bij het bepalen van het sluitingsregime wordt bij de toepassing van deze beleidsregels als vertrekpunt de plek waar de hard- en/of softdrugs, dan wel de voorbereidingshandelingen worden aangetroffen. Is op een erf zowel sprake van een drugsvondst in een lokaal als in een woning, dan wordt – als uitgangspunt – het regime voor woningen als uitgangspunt genomen.
3In deze beleidsregels wordt voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, in beginsel geen onderscheid gemaakt tussen koopwoningen enerzijds en huurwoningen anderzijds.
Artikel 3. Samenhangend geheel
Worden (alleen) in een lokaal een handelshoeveelheid drugs of voorbereidingshandelingen geconstateerd, maar worden op hetzelfde erf in een woning aan drugshandel dan wel voorbereidingshandelingen gerelateerde zaken aangetroffen, dan wordt aangenomen dat sprake is van een ‘samenhangend geheel’. In dat geval wordt voor het gehele erf (inclusief de woning) het regime voor lokalen toegepast. Worden (alleen) in een woning een handelshoeveelheid drugs of voorbereidingshandelingen geconstateerd, maar in het zich op hetzelfde erf bevindende lokaal aan drugshandel/voorbereidingshandelingen gerelateerde zaken, dan is eveneens sprake van een ‘samenhangend geheel’. In dat geval wordt voor het gehele erf het regime voor woningen toegepast
6Van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke en functionele samenhang vertonen. Van ruimtelijke samenhang is sprake als zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, dezelfde eigenaar hebben, in elkaars nabijheid staan, etc. Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen of vice versa, of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn (vgl. ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193))
.
Artikel 4. Onderscheid tussen hard- en softdrugs
1In deze beleidsregels wordt voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid of voorbereidingshandelingen terzake harddrugs wordt strenger opgetreden dan bij het aantreffen van deze fenomenen op het gebied van softdrugs. De reden hiervoor is dat harddrugs in het algemeen gevaarlijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs: ten opzichte van softdrugs zijn de effecten bij harddrugs al merkbaar bij een geringere hoeveelheid
7Ook de Afdeling kwalificeert een handelshoeveelheid harddrugs als ernstiger dan een handelshoeveelheid softdrugs. Het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is tevens van belang, omdat bij de handel- en productie van harddrugs eerder dan bij softdrugs sprake is van ernstige criminaliteit, niet zelden met een grensoverschrijdende component. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben daarmee een grotere negatieve invloed op en brengen grotere (gevaars)risico’s met zich mee voor het woon- en leefklimaat. Dit laatste behoeft wel nuance omdat ook de handel in en productie van softdrugs ernstig crimineel is waarbij geweld, bedreiging en intimidatie niet worden geschuwd (denk aan ripdeals). Bovendien vormt voor drugscriminelen de handel in en/of productie van softdrugs niet zelden de opmaat voor de overstap naar de handel in en/of productie van harddrugs.
.
2Bij een cumulatie van handelshoeveelheden of voorbereidingshandelingen ter zake harddrugs en softdrugs, is bij wijze van uitgangspunt de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of kan anderszins in strengere zin worden afgeweken van de navolgende onderdelen (III en IV) van deze beleidsregels.
Artikel 5. Verlenging sluiting/nadere maatregelen
1Als sprake is van een reële vrees voor herhaling van een overtreding op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, dan kan de burgemeester in een afzonderlijk besluit beslissen de gelaste sluitingsduur van de woning of het lokaal of het daarbij behorende erf te verlengen. Bij het bepalen van de duur van de verlenging wordt bij wijze van uitgangspunt aangesloten bij de matrixen uit de artikelen 9a, 10a, 11 en 12 van deze beleidsregels en wordt tevens rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval.
2Als sprake is van een herhaalde overtreding of een reële vrees voor herhaling van een overtreding op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, dan kan de burgemeester tevens besluiten het beheer van het pand over te (doen) nemen, een en ander op grond van de artikelen 13b en 14 van de Woningwet.
Artikel 6. Verzoek om opheffen sluiting/intrekking last onder dwangsom
1De betrokkene kan de burgemeester tussentijds schriftelijk verzoeken om de sluiting op te heffen of, indien daarvoor is gekozen, een last onder dwangsom op te heffen (zie voor dit laatste geval artikel 5:34 van de Awb).
2De burgemeester neemt alleen schriftelijke verzoeken in behandeling. De burgemeester hanteert bij zijn beslissing de oorspronkelijk getroffen maatregel als uitgangpunt en zal slechts nagegaan of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen niet meer aan de orde zijn. De betrokkene dient daarom zijn verzoek te motiveren. Hij dient daartoe te onderbouwen dat sprake is van veranderde feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning, het lokaal of het daarbij behorend erf zullen worden gepleegd. Er dienen daartoe minimaal voldoende maatregelen te zijn, zulks ter beoordeling van de burgemeester.
3Bij zijn beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid neemt de burgemeester onder andere in overweging:
a.of de te realiseren doelen van de sluiting reeds zijn behaald. Deze afweging wordt (mede) gemaakt op basis van een door de politie en eventuele andere veiligheidspartners gemaakte inschatting. Zo nodig kan daartoe een bestuurlijke rapportage of advies worden opgevraagd van een of meer veiligheidspartners; en
b.de bereidheid en de bekwaamheid van de betrokkene om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van de geconstateerde overtreding(en) te voorkomen.
4Ingeval van een sluiting voor de duur van 3 maanden of minder zal de burgemeester in beginsel niet overgaan tot een tussentijdse opheffing.
5Een verzoek tot het intrekken van een last onder dwangsom dient tevens te voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 5:34 van de Awb.
Artikel 7. Bij sluiting kostenverhaal en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
1Indien de burgemeester overgaat tot sluiting van een woning, lokaal of bijbehorend erf zullen de kosten die daarmee gemoeid zijn in beginsel op de overtreder(s) worden verhaald. In het besluit tot toepassing van bestuursdwang (sluitingsbesluit) zal in dat geval het kostenverhaal worden aangezegd aan de overtreder(s). Het kostenverhaal zal achterwege blijven bij iedere ontbrekende verwijtbaarheid aan de zijde van de overtreder (zie artikel 5:25 Awb).
2De burgemeester zal overeenkomstig de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (WKBP) na bekendmaking van het sluitingsbesluit in het beperkingenregister aantekenen dat een woning, lokaal of daarbij behorende erf is gesloten. Wanneer de sluiting wordt opgeheven of wanneer de sluitingstermijn afloopt, wordt dit aangepast in het beperkingenregister.
Artikel 8. Spoedeisende bestuursdwang
Al naar gelang de omstandigheden van het geval kan gekozen worden voor toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In de artikelen 5:31 en 4:11, eerste lid, onder a, van de Awb, zijn de procedureregels opgenomen, die gevolgd moeten worden als tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang wordt overgegaan.
III. BELEIDSKADER WONINGEN (OF DAARBIJ BEHOREND ERF)
Artikel 9a. Indicatoren ernstig geval drugshandel in een woning of daarbij behorend erf.
Bij een ernstig geval is volgens deze beleidsregels de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als aannemelijk kan worden gemaakt dat één of meer van de navolgende indicatoren van toepassing is/zijn, waarbij geen sprake is van een limitatieve opsomming:
1de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet.
a.Bij middelen, die zijn opgenomen op Lijst I is er bij de volgende hoeveelheden in ieder geval sprake van een ernstig geval: een hoeveelheid van meer dan 5 gram of 5 milliliters (of voor zover dit de 5 gram of 5 milliliter niet overschrijdt, 10 pillen, 10 ampullen, 10 bolletjes of 10 wikkels); een hoeveelheid van meer dan 50 ml GHB (of voor zover dit de 50 milliliter niet overschrijdt, meer dan: 10 eenheden);
b.Bij middelen, die zijn opgenomen op Lijst IA is er bij de volgende hoeveelheden in ieder geval sprake van een ernstig geval: een hoeveelheid van meer dan 5 gram (of voor zover dit de 5 gram of 5 milliliter niet overschrijdt, meer dan: 10 pillen, 10 ampullen, 10 bolletjes of 10 wikkels). Wanneer sprake is van fentanyl-achtigen geldt een hoeveelheid 10 milligram
8In de OM Richtlijn van 7 juli 2025 is opgenomen dat een gebruikershoeveelheid in geval van fentanyl-achtigen, zoals opgenomen in bovenstaande tabel, 2 milligram is. Reden hiervoor is het feit dat fentanyl-achtigen krachtiger zijn dan de meeste middelen op lijst I of substanties op lijst IA.In zaken waarin grote(re) hoeveelheden fentanyl-achtigen worden aangetroffen (meer dan een gebruikershoeveelheid) wordt dan ook de aanbeveling gedaan om dit als strafverzwaringsgrond mee te wegen bij de wijze van afdoening of in de te formuleren eis.Gelet op het feit dat fentanylachtigen krachtiger zijn dan de andere middelen, die zijn opgenomen op lijst I is ervoor gekozen om hierbij eerder een ernstig geval aan te nemen, dan bij de overige middelen.
;
c.Bij middelen, die zijn opgenomen op Lijst II is er bij de volgende hoeveelheden in ieder geval sprake van een ernstig geval: een hoeveelheid softdrugs (met uitzondering van lachgas, qat en paddo's) van meer dan 50 gram; een hoeveelheid lachgas van meer dan 5 ampullen/5 ballonnen; een hoeveelheid gedroogde paddo's van meer dan 5 gram of een hoeveelheid van meer dan 50 gram verse paddo's; een hoeveelheid van 2 kilo qat.
2een combinatie van een handelshoeveelheden soft- en harddrugs. Wordt er een combinatie van meer dan 2,5 gram/2,5 milliliter/ (en/of 25 ml GHB en/of 5 milligram fentanyl-achtigen) uit de lijsten opgenomen in lid 1 onder a en b én meer dan 15 gram softdrugs (of 2,5 gram gedroogde paddo's en/of 25 gram verse paddo's en/of 1 kilo qat aangetroffen, dan is sprake van een ernstig geval”;
3ongeacht de indicator genoemd onder 1 en 2, is sprake van een ernstig geval als naast handelshoeveelheden soft- en harddrugs tevens attributen worden aangetroffen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, versnijdingsmiddel, grote sommen contant geld en/of wapens;
4ongeacht de indicatoren genoemd onder 1 en 2 is sprake van een ernstig geval als aannemelijk is dat sprake is van drugshandel met betrokkenheid van minderjarigen;
5de mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. Dit kan o.a. blijken uit politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen van omwonenden of betrokkenen, (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht;
6er sprake is van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan;
7er is sprake van recidive: vaststaat of er zijn sterke aanwijzingen dat (een van) de betrokkene(n) eerder betrokkenheid heeft (of hebben) gehad bij drugshandel;
8er is sprake van verwijtbaar gedrag van de betrokkene. Dit geldt als aannemelijk is dat de betrokkene zelf betrokken is bij de aangetroffen drugs of dat hij/zij op de hoogte is dan wel redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in de woning. Hierbij kan meewegen of sprake is van antecedenten, betrokkene relaties heeft met personen die bij de politie bekend staan als drugsdelinquenten, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit, of als de betrokkene zelf als zodanig bij de politie bekend staat. Ook speelt in dit verband mee, de mate waarin degene die een woning verhuurt of anderszins aan anderen in gebruik geeft zich in voldoende mate tot op zekere hoogte heeft geïnformeerd over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. Woningeigenaren en hoofdhuurders moeten concreet toezicht houden op het gebruik van hun pand. Zij moeten controles uitvoeren die zijn gericht op het gebruik van het pand;
9de mate van gevaarzetting of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n). Hierbij kan worden gedacht aan een buurt waarin de woning zich bevindt en de mate waarin deze kwetsbaar is voor (de gevaren die verbonden zijn aan) drugscriminaliteit omdat al langer druk op de omgeving bestaat in verband met drugsoverlast, of vanwege de vermoedelijke betrokkenheid van (georganiseerde) drugscriminaliteit en daarmee verband houdende gevaren, zoals geweldpleging, de aanwezigheid of inzet van vuurwapens/explosieven, etc.;
10de aannemelijkheid dat naast de woning of het bijbehorende erf, nog een of meer andere locaties betrokken zijn bij de geconstateerde drugshandel (dit vormt een sterke indicator dat sprake is van betrokkenheid van een drugscircuit); en/of
11bij hennepteelt of de productie van harddrugs, de inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage/-kwekerij of het drugsproductiepunt. Bijvoorbeeld illegale stroom-aftap, aanwezige hennep-/drugsresten van een productie, aanwezigheid van precursoren, preprecursoren, IBC’s en randapparatuur voor het in stand houden en onderhouden van de hennepplantage-/kwekerij of het productiepunt.
Artikel 9b. Indicatoren ernstig geval drugshandel in een woning of daarbij behorend erf.
1Bij drugshandel in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet, in een woning of een daarbij behorend erf, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1eovertreding (minder ernstig geval)
Waarschuwing/last onder dwangsom
Waarschuwing/last onder dwangsom/sluitingsperiode van maximaal 3 maanden
1eovertreding (ernstig geval)
Sluitingsperiode van 3 maanden
Sluitingsperiode van 6 maanden
2eovertreding binnen 5 jaar
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
3ee.v. overtreding binnen 5 jaar
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 18 maanden
2Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande opgelegde maatregel wordt geconstateerd. Dit geldt ook als naar aanleiding van de 1e overtreding een waarschuwing is gegeven.
3Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs (toelichting: als dus de 1e overtreding verband houdt met softdrugs maar bij de 2e overtreding sprake is van harddrugs geldt de voorgeschreven maatregel bij de 2e overtreding van harddrugs. Ook als de 1e overtreding harddrugs betrof maar de 2e overtreding softdrugs wordt bij de 2e overtreding de matrix voor harddrugs aangehouden).
4Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs, overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van deze beleidsregels.
5Bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt de hoogte van de dwangsom onder meer afgestemd op de verwachte opbrengst van de aangetroffen handelshoeveelheid. Als dwangsommodaliteit geldt als uitgangspunt de eenmalige verbeurte van een dwangsom (ineens) bij een eerstvolgende constatering van een overtreding.
Artikel 10a. Indicatoren ernstig geval voorbereidingshandelingen in een woning of daarbij behorend erf.
Is sprake van een ernstig geval, dan is volgens deze beleidsregels in beginsel de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de hieronder staande indicatoren van toepassing is/zijn. Daarbij is geen sprake van een limitatieve opsomming én kunnen bijvoorbeeld ook elementen – voor zover hier niet al genoemd – uit artikel 9a, eerste lid van deze beleidsregels, betrokken worden:
1de aard van de stoffen of goederen. Hierbij kan gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen die niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie, handel of transport van drugs;
2de professionaliteit van de aangetroffen goederen en stoffen. Hierbij is er sprake van een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Gedacht kan worden aan de inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage-/kwekerij of productiepunt (bijvoorbeeld illegale stroom aftap, aanwezige hennep-/drugsresten van een vorige productie en randapparatuur voor het in standhouden van de hennepplantage-/kwekerij of productiepunt);
3de combinatie van aangetroffen stoffen. Hierbij kan gedacht worden aan het tegelijk verkopen, danwel aanwezig hebben van goederen die voor (grootschalige) verwerking, transport of bereiding van drugs bedoeld zijn (grammenweegschalen, drugsverpakkingen, versnijdingsmiddelen);
4de hoeveelheid aangetroffen stoffen of goederen. Ook hier kunnen de Aanwijzing Opiumwet en (artikel 1, tweede lid van) het Opiumwetbesluit worden meegewogen;
5de mate van bekendheid van de woning en het daarbij behorende erf waar dergelijke producten geproduceerd, verkocht, verhandeld of gebruikt kunnen worden;
6er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan ook gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan (recidive); en/of
7de mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden. Hierbij kan gedacht worden aan een buurt die door drugscriminaliteit reeds zwaar onder druk staat of het gevaar dat een hennepkwekerij of drugslaboratorium met zich meebrengt, zoals fluctuaties op het stroomnet en (daardoor) brandgevaar, of door het risico op de ontwikkeling van giftige dampen.
8Mate van risico of gevaar voor de volksgezondheid en/of de openbare orde en veiligheid.
Artikel 10b. Voorbereidingshandelingen in een woning of daarbij behorend erf
1Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet, in een woning een of een daarbij behorend erf, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1eovertreding (incomplete opstelling en/of minder ernstig geval)
Last onder bestuursdwang of dwangsom, strekkende tot afvoeren goederen
Last onder bestuursdwang of dwangsom strekkende tot afvoeren goederen
1eovertreding (complete opstelling en/of ernstig geval)
Sluitingsperiode van 3 maanden
Sluitingsperiode van 6 maanden
2eovertreding binnen 5 jaar
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
3ee.v. overtreding binnen 5 jaar
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 18 maanden
2Er is sprake van een incomplete opstelling als slechts een deel van de voorwerpen en/of stoffen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, dan wel een productiepunt voor harddrugs. Er is sprake van een complete opstelling als sprake is van een samenstelling en/of opstelling van voorwerpen en/of stoffen waardoor de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij, of een productiepunt voor harddrugs in principe direct kan plaatsvinden, maar waarbij de drugs nog niet daadwerkelijk zijn geproduceerd (als er drugs is geproduceerd, valt de opstelling onder artikel 9a van deze beleidsregels). Ook is sprake van een complete opstelling als met weinig handelingen de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij, of het productiepunt voor harddrugs in werking te brengen is, bijvoorbeeld omdat vrijwel alle benodigdheden daarvoor voorhanden zijn
9Vgl. ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:368 (r.o. 4.1)
(toelichting: wordt een incomplete opstelling aangetroffen, dan is het minder aannemelijk dat de woning een actuele schakel vormt in de productie of distributie van drugs, tenzij er concrete contra-indicaties zijn dat dit wel het geval is. De opstelling is daarvoor (nog) niet geschikt en er zal nog het nodige moeten gebeuren om het productieproces operationeel te hebben. Het afgeven van een signaal door middel van een sluiting ligt hierbij minder voor de hand. Dat neemt niet weg dat er goederen en stoffen aanwezig zijn die in principe geschikt zijn voor de productie van drugs. Van de betrokkene kan onder bestuursdwang of dwangsom worden gelast dat hij deze voorwerpen en stoffen afvoert naar een erkende afvalverwerker, zodat de goederen niet alsnog in het drugscircuit kunnen worden benut. Van een complete opstelling is wel aannemelijk dat deze een (actuele) schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Een sluiting is hierbij in principe passend).
3Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande opgelegde maatregel wordt geconstateerd. Dit geldt ook als bij de 1e overtreding een last onder bestuursdwang of onder dwangsom tot het afvoeren van de aangetroffen voorwerpen en/of stoffen is opgelegd of wanneer er een waarschuwing is opgelegd.
4Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van voorbereidingshandelingen ter zake harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
5Bij de 3e en volgende overtredingen wordt bij voorbereidingshandelingen in verband met softdrugs de woning of het daarbij behorende erf gesloten voor de duur van 12 maanden en bij voorbereidingshandelingen in verband met harddrugs voor de duur van 24 maanden.
6Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met voorwerpen en/of stoffen die wijzen op zowel voorbereidingshandelingen in verband met harddrugs als op voorbereidingshandelingen in verband met softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding in verband met harddrugs.
IV. BELEIDSKADER LOKALEN (OF DAARBIJ BEHOREND ERF)
Artikel 11. Drugshandel in een lokaal of een daarbij behorend erf
1Bij drugshandel in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet, in lokaal of een daarbij behorend erf, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1eovertreding
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 6 maanden
2eovertreding binnen 5 jaar
Sluitingsperiode van 9 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
3ee.v. overtreding binnen 5 jaar
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 18 maanden
2Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande opgelegde maatregel wordt geconstateerd. Dit geldt ook als bij de 1e overtreding een last onder bestuursdwang of onder dwangsom of wanneer er een waarschuwing is opgelegd.
3Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
4Bij de 3e en volgende overtredingen wordt bij softdrugs het lokaal of het daarbij behorende erf gesloten voor de duur van 12 maanden en bij harddrugs voor de duur van 18 maanden.
5Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs.
Artikel 12a. Indicatoren ernstig geval voorbereidingshandelingen in een lokaal of een daarbij behorend erf
Is sprake van een ernstig geval, dan is volgens deze beleidsregels in beginsel de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de hieronder staande indicatoren van toepassing is/zijn. Daarbij is geen sprake van een limitatieve opsomming én kunnen bijvoorbeeld ook elementen – voor zover hier niet al genoemd – uit artikel 9b, eerste lid van deze beleidsregels, betrokken worden:
1de aard van de stoffen of goederen. Hierbij kan gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen die niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie, handel of transport van drugs;
2de professionaliteit van de aangetroffen goederen en stoffen. Hierbij is er sprake van een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Gedacht kan worden aan de inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage-/kwekerij of productiepunt (bijvoorbeeld illegale stroom aftap, aanwezige hennep-/drugsresten van een vorige productie en randapparatuur voor het in standhouden van de hennepplantage-/kwekerij of productiepunt);
3de combinatie van aangetroffen stoffen. Hierbij kan gedacht worden aan het tegelijk verkopen, danwel aanwezig hebben van goederen die voor (grootschalige) verwerking, transport of bereiding van drugs bedoeld zijn (grammenweegschalen, drugsverpakkingen, versnijdingsmiddelen);
4de hoeveelheid aangetroffen stoffen of goederen. Ook hier kunnen de Aanwijzing Opiumwet en (artikel 1, tweede lid van) het Opiumwetbesluit worden meegewogen;
5de mate van bekendheid van het lokaal en het daarbij behorende erf waar dergelijke producten geproduceerd, verkocht, verhandeld of gebruikt kunnen worden;
6er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan het lokaal of en het daarbij behorende erf. Bij gerelateerde feiten kan ook gedacht worden aan het in het lokaal aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan (recidive); en/of
7de mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden. Hierbij kan gedacht worden aan een buurt die door drugscriminaliteit reeds zwaar onder druk staat of het gevaar dat een hennepkwekerij of drugslaboratorium met zich meebrengt, zoals fluctuaties op het stroomnet en (daardoor) brandgevaar, of door het risico op de ontwikkeling van giftige dampen.
8Mate van risico of gevaar voor de volksgezondheid en/of de openbare orde en veiligheid.
Artikel 12b. Voorbereidingshandelingen in een lokaal of een daarbij behorend erf
1Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet, in een lokaal of een daarbij behorend erf, wordt in beginsel het regime toegepast zoals opgenomen in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1eovertreding (incomplete opstelling en/of minder ernstig geval)
Last onder bestuursdwang of dwangsom, strekkende tot afvoeren goederen
Last onder bestuursdwang of dwangsom strekkende tot afvoeren goederen
1eovertreding (complete opstelling en/of ernstig geval)
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 6 maanden
2eovertreding binnen 5 jaar
Sluitingsperiode van 9 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
3ee.v. overtreding binnen 5 jaar
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 18 maanden
2Artikel 10b lid 2 van deze beleidsregels is van overeenkomstige toepassing.
3Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande opgelegde maatregel wordt geconstateerd. Dit geldt ook als bij de 1e overtreding een last onder bestuursdwang of onder dwangsom tot het afvoeren van de aangetroffen voorwerpen en/of stoffen is opgelegd of wanneer er een waarschuwing is opgelegd.
4Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van voorbereidingshandelingen ter zake harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
5Bij de 3e en volgende overtredingen wordt bij voorbereidingshandelingen in verband met softdrugs het lokaal of het daarbij behorende erf gesloten voor de duur van 12 maanden en bij voorbereidingshandelingen in verband met harddrugs voor de duur van 18 maanden.
6Is er sprake van een overtreding met voorwerpen en/of stoffen die wijzen op zowel voorbereidingshandelingen betreffende harddrugs als op voorbereidingshandelingen betreffende softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs.
V. AFWIJKINGSBEVOEGDHEID
Artikel 13. Afwijkingsbevoegdheid
1De in de onderdelen III en IV van deze beleidsregels uitgewerkte bevoegdheidstoepassingen gelden als uitgangspunten, waarvan de burgemeester in bijzondere situaties altijd kan afwijken. Dat betekent concreet dat de burgemeester bevoegd is op grond van de concrete feiten en omstandigheden van het geval van deze beleidsregels af te wijken, zowel in het voordeel als in het nadeel van de betrokkene. Dat kan betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten. Ook kunnen zich (zeer bijzondere) omstandigheden voordoen, waardoor juist voor een minder ingrijpende maatregel of een kortere sluitingsduur dan de beleidsregels voorschrijven wordt gekozen. Dit wordt te allen tijde per situatie beoordeeld (maatwerk). In beginsel wordt echter overeenkomstig de beleidsregels beslist.
2Voor zover er in een concreet geval van de beleidsregels wordt afgeweken, wordt in het besluit gemotiveerd welke redenen tot de afwijking aanleiding hebben gegeven.
VI. SLOTBEPALINGEN
Artikel 14. Intrekken bestaande beleidsregels
Met het vaststellen van deze beleidsregel worden de volgende beleidsregels ingetrokken:
•Beleidsregels artikel 13b Opiumwet, vastgesteld op 12 augustus 2019, gepubliceerd in het gemeenteblad (jaargang 2019, Nr. 214346.
Artikel 15. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden direct in werking op de eerste dag na de datum van bekendmaking.
Artikel 16. Overgangsbepaling
Voor zover toepassing van deze beleidsregels leidt tot een andere uitleg ten opzichte van de in artikel 14 genoemde (ingetrokken) beleidsregels, wordt voor gevallen waarvoor reeds een voornemen tot het treffen van een maatregel is geuit vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels, de uitleg gehanteerd overeenkomstig het ten tijde van het uiten van het voornemen geldende beleid.
Artikel 17. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: “BELEIDSREGELS ARTIKEL 13B OPIUMWET (DAMOCLESBELEID) GEMEENTE PAPENDRECHT 2026”