Aanhef
De raad van de gemeente Ouder-Amstel,
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 februari ‘22, 13
BESLUIT:
In te stemmen met:
I. de nota Omgevingskwaliteit.
Voorwoord
Wij wonen in een mooie en unieke gemeente. Onder de rook van Amsterdam kun je bij ons nog genieten van het prominent aanwezige groene polderlandschap. De Amstelscheg, deze groene zone die als een vinger de stad insteekt, is recent verkozen tot het meest bijzondere landschap in Noord-Holland. Het maakt ons een gemeente waarin je kan wonen in een landelijke omgeving, maar tegelijkertijd hebben we ook wijken die niet van de stad te onderscheiden zijn. De rijke historie van onze dorpen, de diversiteit aan architectuur, de bedrijventerreinen en de aanwezigheid van stedelijke voorzieningen als trein en metro maken ons daarmee als gemeente uniek.
Tegelijkertijd staat onze openbare ruimte onder druk door ontwikkelingen die op ons af komen zoals woningbouw, klimaatadaptatie en de energietransitie. Om dit allemaal een plek te geven in onze leefomgeving is een uitdaging. We willen graag ruimte geven aan ontwikkeling, vernieuwing en verbetering. Daarbij is het belangrijk dat we dit doen terwijl onze gemeente mooi blijft en waar mogelijk nog mooier wordt. We zullen de balans moeten zoeken tussen behoud en ontwikkeling. Hoe we dat willen doen, staat in deze nota beschreven.
Onze ambitie is om inspiratie te bieden in plaats van regels te stellen. Dit sluit goed aan op de aankomende Omgevingswet. Het doel van deze wet is het bereiken van een balans tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten daarvan.
Voor het opstellen van deze nota hebben we goed geluisterd naar de samenleving. Uit een enquête en gesprekken met betrokkenen bleek dat we zelf het beleven van ons landschap, een fraaie inrichting van de openbare ruimte en zorg voor ons erfgoed belangrijk vinden. Maar ook de behoefte aan betaalbare en energiezuinige woningbouw voor iedereen, een goed vestigingsklimaat en zeggenschap over wat er gebouwd wordt.
Het uitgangspunt is dan ook; “Sturen waar het moet en loslaten waar dat kan”. Het is niet overal nodig om in dezelfde mate de ruimtelijke kwaliteit te beschermen. De gemeente bepaalt niet meer alles met in beton gegoten regels, maar biedt inspiratie en ziet er zo op toe dat de kwaliteit van de omgeving gerespecteerd blijft. Zo houden we onze gemeente Ouder-Amstel mooi en uniek en blijft het een gemeente om trots op te zijn.
Barbara de Reijke
Wethouder Ruimtelijke Ordening
3. Gebiedsgericht kwaliteitsbeleid
3.4. Uitwerking per gebiedstype
3.4.1. Dorpskern Ouderkerk aan de Amstel
De geschiedenis van Ouderkerk aan de Amstel gaat terug tot de Middeleeuwen. De ligging aan het water en de oorspronkelijke ruimtelijke structuur is nog steeds bepalend voor het huidige karakter. De dorpskern heeft een gemengde centrumfunctie met horeca, winkels en woningen. Daarbij heeft de kern vooral ook een ontmoetingsfunctie. De dorpse kleinschaligheid, publieke betekenis en toegankelijkheid van een (groene) verblijfsruimte hebben daarbij een belangrijke rol.
Kenmerkend voor het centrum van Ouderkerk aan de Amstel is, dat de bebouwing is georiënteerd op de straten en de achterkanten aan het water zijn gelegen. Op een enkele plek is een doorsteek of doorzicht naar het water. Langs de openbare weg staat een vrijwel aaneengesloten straatwand, die bestaat uit een lange rij individuele panden, vooral huizen en winkels. De meeste daarvan hebben een historische vormgeving met staande vensters en een traditionele detaillering in baksteen en hout met pannen op de daken.
Een deel van de oude dorpskern is gezien de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarde door het Rijk aangewezen als beschermd dorpsgezicht. De waarde heeft vooral betrekking op de besloten ruimtelijke dorpse structuur aan het water in samenhang met de historische bebouwing en de aanwezigheid van de Portugees-Israëlitische begraafplaats.
Kernkwaliteiten
-De Dorpsstraat, Kerkstraat, Achterdijk en Rondehoep Oost aan Bullewijk als historisch belangrijke ruimtelijke structuurdragers.
-De dorpse schaal, de middeleeuwse kern met de historische bebou-wing.
-De ligging van het dorp aan het water, waar het een historisch-functionele relatie mee heeft. Zichtbaar aan onder andere de op-haalbrug en het veerpontje.
-De verbondenheid met Amstelveen via het pontje.
-Het relatief groene karakter van een groot deel van de dorpskern, met de begraafplaats, oevers, bomen en tuinen.
-De religieuze bebouwing & Portugees-Israëlitische begraafplaats.
-De St. Urbanuskerk en de terp met daarop de Amstelkerk.
-Het open karakter van de Kerkstraat en ’t Kampje.
Regieniveau
Voor de hele dorpskern is een maatwerk regie van toepassing. Inzet is behoud van de cultuurhistorische ruimtelijke waarden, waaronder de monumenten, de ruimtelijke structuur en de dorpse karakteristieken. Het beschermen van deze kwaliteiten is basis voor eventuele ruimtelijke ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen dienen de aanwezige waarden te respecteren en waar mogelijk te versterken. Voor het centrumgebied is een plan in ontwikkeling. Hiervoor is een eigen regie van toepassing, waarbij een stedenbouwkundig plan en eventueel een beeldkwaliteitsplan leidend zullen zijn voor de ontwikkelingen.
Ligging aan het water, onde5r andere herkenbaar aan de ophaalbrug en het veerpontje.
Dorpse schaal en karakteristiek van historische bebouwing aan de Kerkstraat.
Breed en groen straatprofiel van de Rijksstraatweg met karakteristieke woningbouw (1920 tot 1940).
Afwisselende bouwstijlen uit diverse perioden van de 20ste eeuw langs de Rijksstraatweg.
3.4.2. Lintstructuren
Zowel langs het water van de Bullewijk te Ouderkerk aan de Amstel als langs de Rijksstraatweg in Duivendrecht zijn in de loop van de tijd op een organische wijze bebouwingslinten ontstaan met een wisselend beeld. Deze dorpslinten vormen belangrijke structuurdragers, waaraan de histo-rische ontwikkeling nog herkenbaar is. De linten zijn daarom van cultuur-historische, stedenbouwkundige en architectonische waarde.
Rijksstraatweg Duivendrecht, inclusief aanliggende woonblokken uit de periode 1920-1940 (Interbellum)
De dorpskern Duivendrecht is ontstaan tijdens de middeleeuwse veen-ontginning en heeft zich ontwikkeld langs de vroegere Duivendrechtsche Laan, de huidige Rijksstraatweg. De Rijksstraatweg loopt van treinstation Duivendrecht tot aan de Weesper Trekvaart. De as met een relatief breed en groen straatprofiel bepaalt als drager in sterke mate de stedenbouwkundige structuur van Duivendrecht. De verstedelijking heeft langs deze as een divers architectuurbeeld opgeleverd. De lintbebouwing was van oorsprong agrarisch van karakter en werd gedomineerd door boerderijen. Er zijn nog enkele boerderijen behouden en een paar (land)arbeidershuisjes.
Vanaf circa 1920 zorgde de bouw van forensenwoningen langs het lint voor een veranderend architectonisch beeld. Een deel is uitgevoerd als twee-onder-één-kap en een deel als rijenwoning. Deze kleinschalige planmatige woonblokken zoals aan de Kloosterstraat, Korenbloemstraat, Plataanstraat en Burgemeester Van Damstraat zorgde vanaf die tijd voor een straatbeeld met een meer traditionele bouwstijl verwant aan de Amsterdamse School.
Deze bouwstijl is herkenbaar aan zorgvuldig vormgegeven en afwisselend gedetailleerde gevels in donker metselwerk met kleine ramen en plastiek in de vorm van erkers en kleine uitbouwen. Door de volgroeide voortuinen en bomenrijen hebben de zijstraatjes een groene uitstraling.
Na de Tweede Wereldoorlog is met de uitbreiding van Duivendrecht en uitbreidingen aan de Rijksstraatweg een divers bebouwingsbeeld ontstaan, waarbij de continuïteit en groene inrichting van de as bepalend is gebleven. Langs de Rijksstraatweg staan nog enkele oudere gebouwen, waaronder de volgende monumentale ensembles:
-de r.k. Urbanuskerk met bijbehorende pastorie, de rijksmonumenten Antoniushoeve en Sophia’s Hoeve (Wintershoven), herberg Lotgenoten en de tegenover liggende lage huisjes,
-de Kleine Kerk, de Oude School, het schoolmeesterhuis en – enigszins verscholen – aan de overkant: het voormalige cachot en het spuithuis.
De waarde van de Rijkstraatweg bestaat uit de oorspronkelijk belangrijke route tussen Amsterdam en Utrecht, de functie van ruimtelijke struc-tuurdrager en diversiteit aan bouwstijlen en stedenbouwkundige inzich-ten uit opeenvolgende decennia.
Langs de Amstel en Bullewijk
In Ouderkerk aan de Amstel zijn dorpslinten ontstaan die organisch gegroeid zijn langs de Amstel en Bullewijk. Deze veenrivieren met aanliggende oevers en dijken vormen de belangrijkste ruimtelijke structuren van Ouderkerk aan de Amstel.
Op de rivierdijken liggen nog steeds de belangrijkste toegangswegen naar het dorp; Koningin Julianalaan, Holendrechterweg, Rondehoep Oost en een deel van de Achterdijk.
De openbare ruimte bestaat uit een relatief smal dijkprofiel met groene inrichting en oevers met een geleidelijk groen talud. De oevers zijn natuurlijk ingericht. Opvallend is dat vooral langs de Koningin Julianalaan en de Rondehoep Oost, waar de oevers in gebruik zijn als privé- en recreatieve ruimten met tuinen en aanlegsteigers.
De bebouwing is in de loop van de tijd op een organische wijze gegroeid, waardoor de linten geleidelijk zijn verdicht. Over het algemeen eenzijdig, waardoor het zicht op het water bewaard is gebleven. In een enkele geval is bebouwing aan de waterzijde gerealiseerd. Kenmerkend is dat aan de Koningin Julianalaan, de Holendrechterweg en de Rondehoep Oost een groot deel van de bebouwing lager is gelegen onder aan de dijk. Aan de Rondehoep Oost is dat vooral de rand van de nieuwbouwwijk Benning. Richting het buitengebied liggen meerdere vaste woonarken met afgeschermde tuinen richting de dijk.
De bebouwing stamt uit verschillende tijdsperioden, waardoor een afwisselend beeld met verschillende architectonische stijlen is ontstaan. Over het algemeen is sprake van kleinschalige bebouwing van 1 of 2 lagen met een kap. Grotendeels met de voorgevels georiënteerd op de weg en het water.
Rijksstraatweg Duivendrecht
Kernkwaliteiten
Rijksstraatweg
-De Rijksstraatweg als ruimtelijke structuurdrager en van oorsprong belangrijk route tussen Amsterdam en Utrecht.
-Samenhang en continuïteit in de openbare ruimte met een relatief breed en groen straatprofiel.
-De historische bebouwing van twee monumentale ensembles rond beide kerken met daartussen het rijksmonument boerderij Mijn Genoegen.
-Het groene gebied, bekend onder de naam Weitjespark, een residu van het oude veenweidegebied.
-Schaal, uitstraling en samenhang van woningbouw uit de periode 1920-1940 is bepalend voor het straatbeeld vanwege de traditionele architectuur verwant aan de Amsterdamse School.
-De bebouwing uit de gehele 20e eeuw die de architectonische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van deze periode toont.
Langs de Amstel en Bullewijk
-De rivieren en dijken vormen belangrijke ruimtelijke structuurdragers voor Ouderkerk aan de Amstel.
-Duidelijke relatie met en oriëntatie van bebouwing op het water.
-Smal eenvoudig dijkprofiel met groene natuurlijke oevers.
-Kleinschaligheid van vrijstaande bebouwing met verspringende voor-gevellijnen en groene voortuinen.
-Monumentale bebouwing aan het water:
o Huize Karma aan de Koningin Julianalaan 32, is een van de weinige, nog bestaande, bewoonde houten dijkwoningen;
o Witgepleisterde, rietgedekte boerderij Amstelbocht uit de 17e eeuw aan de Holendrechterweg 8;
o Boerderij Zorg en Hoop (ca. 1880) met lage topgevel, bijzonder gesneden houten daklijst en passend aangebouwd houten zomerhuis aan de Rondehoep Oost 13;
o Het Gezellenhuis aan de Rondehoep Oost 29 met een houten verenigingszaal (1902-1910) en een tweelaags gemetseld voorhuis (1921).
Regieniveau
Voor de lintstructuren is een maatwerkregie van toepassing. Inzet is behoud van de cultuurhistorisch waardevolle ruimtelijke structuren, ensembles en elementen. Hierbij is ruimte voor nieuwe ingrepen, zolang de kernkwaliteiten worden versterkt en in ieder geval niet worden geschaad.
3.4.3. Woongebieden
De verschillende woongebieden zijn ontstaan in verschillende perioden. In deze perioden werd verschillend gedacht over stedenbouw en architectuur, wat vaak voortkwam uit maatschappelijke ontwikkelingen en gedachten over de inrichting van de samenleving. De verschillende tijdsbeelden zijn zichtbaar in de ruimtelijke structuur, de architectonische kenmerken en de inrichting van de openbare ruimte. Het benoemen van de belangrijkste kenmerken van de verschillende tijdsbeelden geeft de mogelijkheid om in hoofdlijnen te sturen op het behoud van deze kenmerken en de samenhang en tegelijkertijd ruimte te geven in uitbreidingen of aanpassingen binnen de bestaande structuur en het ruimtelijk beeld.
1900-1940 eerste planmatige dorpsuitbreidingen (traditionalisme)
De ontwikkelingen vanaf begin 20ste eeuw bestond uit verdichting van bebouwingslinten. Rond de oorspronkelijke dorpskern vond ook kleinschalige seriematige woningbouw plaats. Hierdoor ontstond op kleine schaal samenhang op straat- en buurtniveau. Een voorbeeld hiervan is Koningin Wilhelminalaan in Ouderkerk aan de Amstel en aan de Kloosterstraat in Duivendrecht.
De gebouwen hebben over het algemeen één of twee bouwlagen met kap. De hoofdvorm van de woningen is veelal eenvoudig. De woningen hebben een typische traditionele architectuur met roodbruin gemetselde gevels, erkers, gedetailleerd vormgegeven entrees en raampartijen.
Eenvoudig wegprofiel, groene hagen en samenhangende traditionele woningbouw aan de Koningin Wilhelminalaan kenmerkend voor de eerste planmatige dorpsuitbreidingen tussen 1920 en 1940.
Veel plasticiteit (dieptewerking door goot, erkers e.d.) en symmetrie in de gevel van dubbele woning aan de Kloosterlaan te Duivendrecht.
1940-1975 seriematige uitbreidingen (functionalisme)
De bouwopgave was na de oorlog enorm en er werd dan ook voor het eerst grootschalig buiten de dorpskernen gebouwd. Ook in Ouder-Amstel heeft in deze periode grootschalig nieuwbouw plaatsgevonden. De plan- en seriematigheid is groot door herhaling van vergelijkbare woonblokken met identieke woningen in een rij: de zogenaamde stempelverkaveling. Ook grootschalige galerijflats zijn in dit tijdsbeeld te vinden.
De wijken worden gekenmerkt door een sterk rechtlijnige opzet van lange bouwblokken met rijwoningen of galerijflats, zoals aan de Austronautenweg en Lunaweg in Duivendrecht. De openbare ruimte is ruim opgezet met een functionele en groene inrichting door de aanwezigheid van voortuinen of centrale groenvoorzieningen tussen flats. Voorbeelden van dit tijdsbeeld zijn te vinden aan de Jacob van Ruisdaelweg e.o. en Astronautenweg e.o..
Stempelverkaveling met open woonblokken en identieke rijwoningen kenmerkend voor woonwijken gerealiseerd tussen 1950 tot 1970.
Groen en water spelen een belangrijke rol in de ruimtelijke structuur en beleving van de bloemkoolwijk.
Autoluwe woonerven, (snipper)groen en weinig onderscheid tussen de voor- en achterkant van woningen is kenmerkend voor de bouwperiode tussen 1975 en 1990 waar de menselijke schaal leidend was.
1975-1990 bloemkoolwijk (structuralisme)
Waar de planmatig opgezette woonwijken uit de jaren ’50 en ’60 vooral gekenmerkt worden door een rechtlijnige opzet, wordt vanaf 1975 de opzet minder strak. De typerende bloemkoolstructuur doet zijn intrede met besloten wijken en aandacht voor een menselijke schaal, waarin bewoners zich thuis voelen. Kleinschalige en grillige structuren en aandacht voor ontmoetingsplekken waren uitgangspunten. De woningen zijn overwegend geclusterd in kleinere ruimtelijke eenheden met hofjes, pleintjes en woonerven.
Herkenbare voorbeelden van deze periode zijn te vinden in Sluisvaart en Hoofdenburg. De wijken zijn qua ontsluiting en oriëntatie in zichzelf gekeerd. Rijtjeswoningen en twee-onder-één-kap woningen zijn de meest voorkomende bebouwing in deze wijken. Rooilijnen langs woonerven hebben een verspringend verloop. Het overgrote deel van de woningbouw heeft één of twee lagen met een steile kap.
1990-2020 thematische uitbreidingen (gemengde stijlvormen, Neomodernisme, Neorationalisme en Neotraditionalisme)
De afgelopen decennia zijn woonwijken gebouwd met meer variatie in architectuurvormen, woontypologieën en stedenbouwkundige vormen (gebogen vormen, ellipsvormen en cirkels). Er is veelal sprake van een integraal ontwerp, waarbij de landschappelijke ondergrond, de stedenbouwkundige uitleg en de architectonische invulling op elkaar aansluiten en elkaar versterken. De bebouwing kenmerkt zich door een zorgvuldig afgewogen variatie met samenhang op buurtniveau of stedenbouwkundige eenheid. De woningen bestaan over het algemeen uit twee of drie lagen met kap of plat dak.
Voorbeeld van een thematische uitbreiding is de woonwijk Benning. Deze wijk is gelegen in de bocht van de Bullewijk. De wateras is de bindende factor in het plan. Deze is gericht op een kerktoren in het oude dorp. Een ander uitgangspunt van het stedenbouwkundig plan voor de wijk is het uitbuiten van de ligging aan de rivier door vanuit de zijstraten zichtlijnen uit te laten komen op de dijk. De architectuur van de gebouwen moet bijdragen aan de overzichtelijkheid van de wijk, die opgedeeld is in een aantal clusters. Per cluster is de hoofdkleur voor de gevels vastgesteld, alsook de kapvorm. De kwaliteit van deze wijk zit deels in de eenheid in architectuur.
Bij nieuwere ontwikkelingen is de revival en variatie op de traditionele jaren ’20 en ‘30 stijlvormen opvallend (Neotraditionalisme). Dit is bijvoorbeeld te zien aan de woningbouw van Tuindorp Ouderkerk-Zuid.
Complex Park Zonnehof vormt een passende inbreiding die stedenbouwkundig aansluit op de omgeving met een eigentijdse architectuur.
De centraal gelegen waterloop Eendenkooi vormt een stedenbouwkundige drager voor Benning.
Kernkwaliteiten
-Identiteit en uitstraling zijn herkenbaar aan de bouwperiode dat ze gerealiseerd zijn.
-De stedenbouwkundige opzet, inrichting openbare ruimte en architectuur zijn bepalend voor de samenhang.
-1900-1940 eerste planmatige dorpsuitbreidingen:
o kleinschaligheid;
o eenvoudige ingerichte openbare ruimte met volwaardig groene elementen;
o zorgvuldig ontworpen overgangen privé-openbaar;
o traditionele baksteenarchitectuur met soms rijk gedetailleerde gevels.
-1940-1975 seriematige uitbreidingen:
o samenhang door eenvormigheid en repetitie;
o ruim opgezette openbare ruimte met duidelijke functiescheiding;
o rechtlijnige (stempel)verkaveling;
o sobere en seriematige architectonische uitwerking.
-1975-1990 bloemkoolwijk:
o besloten compositie met geknikte straten en verkaveling met woonerven en -hofjes;
o veel groen rondom en door de wijkdelen heen;
o sobere en samenhangende architectonische uitwerking met veel samengestelde hoofdvormen en plasticiteit in de gevels.
-1990-2020 thematische uitbreidingen
o grootschalige compositie met duidelijk stedenbouwkundig patroon met hoofdstructuren, duidelijke accenten en kleinere ruimtelijke eenheden;
o architectonische samenhang per ruimtelijke eenheid (collage aan ensembles);
o bij recentere woningbouw is meer sprake van inbreidingen en herstructurering met kleinschalige composities en diversiteit in individuele architectuur binnen één ruimtelijke eenheid;
o gemengde stijlvormen en expressieve architectonische uitwerking (gevelarchitectuur).
-Grootschalige voorzieningen (scholen, verzorgingshuizen e.d.) zijn onderdeel van de structuur van de wijk, maar hebben vaak een eigen uitstraling in omvang of architectuur.
Regieniveau
Voor de woongebieden is een basis regie van toepassing. De kwaliteitszorg is gericht op het voorkomen van verrommeling en behouden van de basiskwaliteit op stedenbouwkundig niveau.
3.4.4. Gemengde voorzieningen
In Ouder-Amstel is een aantal gebieden aan te wijzen met overheersend (gemengde) maatschappelijke en/of commerciële functies zoals scholen, zorgopvang, kantoren en detailhandel. De bebouwing is groter van schaal dan de omliggende woonbebouwing. Ook de openbare ruimte is meer gericht op de aanwezige publieke functies. Er worden drier gebieden onderscheiden:
-Schoolweg Ouderkerk aan de Amstel
-Centrum Duivendrecht (Dorpsplein e.o.)
-Zorgcentrum Duivendrecht (De Bascule en De Doeven)
De inrichting van de openbare ruimte verschilt, waarbij de samenhang van de openbare ruimte bij het dorpscentrum van Duivendrecht vooral gericht is op de openbare verblijfsfunctie. Het terrein van het zorgcentrum van Duivendrecht is daarentegen meer besloten en intern gericht.
De bebouwing in deze gebieden heeft veelal een samengestelde hoofd-vorm, waardoor de maat en schaal van een groot complex visueel enigszins worden gereduceerd. De hoogte van de (delen van) bebouwing varieert, van één tot drie bouwlagen, veelal met een plat dak. De architectonische uitstraling varieert, waarbij veel aandacht is gegeven aan enkele publieke gebouwen zoals het Dorpshuis Duivendrecht.
Kernkwaliteiten
-Individuele herkenbaarheid publieke gebouwen (bijvoorbeeld het Dorpshuis Duivendrecht).
-Architectonische samenhang op complexniveau.
-Openbare ruimte bij stationsomgeving en Dorpsplein in Duivendrecht ingericht als toegankelijke en aantrekkelijke verblijfsruimte.
Regieniveau
Door de grote mate aan publieke functie zijn voor deze gebieden een maatwerkregie van toepassing. Het streven is behouden en verbeteren van de kwaliteit. Uitgangspunt versterken van de samenhang in de openbare ruimte en aandacht voor architectonische expressie bij gebouwen met een bijzondere functie.
Dorpshuis aan het Dorpsplein in Duivendrecht
3.4.5. Bedrijventerreinen
Bedrijventerreinen hebben een sterk op de functie gerichte uitstraling. Dit betekent dat er in de inrichting, indeling en bebouwing veel aandacht is besteed aan het functioneel gebruik van de ruimte. De gemeente kent naast het grote bedrijvenpark Werkstad OverAmstel ook twee kleinere bedrijventerreinen aan de Ambachtenstraat (Ouderkerk aan de Amstel) en de Industrieweg/Molenkade (Duivendrecht).
Kenmerkend voor deze terreinen is de grote diversiteit in gebruik, schaal en maat van de kavels en gebouwtype. De opzet van de openbare ruimte is functioneel met brede straten en de bebouwing bestaat uit hallen en loodsen met kantoren uit allerlei perioden. De bouwhoogte is doorgaans één tot vier lagen. Hoofdgebouwen staan aan de straatzijde. Hallen en loodsen hebben in het algemeen een eenvoudige hoofdvorm. Meer representatieve ruimtes zoals kantoren en kantines zijn gebruikt om gevels te verbijzonderen. De architectonische en stedenbouwkundige waarde van de bedrijfsterreinen is beperkt.
Water en groen spelen een belangrijke rol in de beleving van Werkstad OverAmstel.
Diverse bedrijfsmatige loodsen aan de Ambachtenstraat in Ouderkerk aan de Amstel.
Kernkwaliteiten
Op de kleinere bedrijventerreinen Ambachtenstraat en de Industrieweg/Molenkade zijn de ruimtelijke kwaliteiten beperkt vanwege de sterk op functie gerichte opzet en uitstraling. De gebieden hebben wel potentie en bieden kansen vanwege de kleine schaal en ligging nabij water (Industrieweg/Molenkade) en nabij dorpscentrum Ouderkerk aan de Amstel (Ambachtenstraat).
Voor Werkstad OverAmstel is een herontwikkeling gaande waarmee het gebied geleidelijk wordt getransformeerd tot een divers gebied met een schakering aan woon-werkmilieus: aantrekkelijker, veiliger en duurzamer. De plannen zijn vergevorderd en uiten zich in een structuurvisie, richtlijnen voor ontwikkelingen en een beeldkwaliteitsplan voor bebouwing en buitenruimte. Voor Entrada is het streven om het kantoorgebied te transformeren tot woongebied.
Regieniveau
Voor de kleine bedrijventerreinen Ambachtenstraat en de Industrieweg is een basisregie van toepassing. De kwaliteitszorg is gericht op beheer en waar mogelijk wordt het opwaarderen van de bestaande kwaliteit nagestreefd. Voor Werkstad OverAmstel en Entrada is een eigen regieniveau van toepassing met eigen beoordelingskaders zoals een beeldkwaliteitsplan.
3.4.6. Sport- en recreatiegebieden
Verspreid over de gemeente liggen verschillende sport- en (agrarische) recreatieterreinen. Sportcomplexen met vaak meerdere voorzieningen zoals sportvelden, kleedkamers en kantines. Naast de kleinere sportcomplexen is er ook het groter recreatie- en natuurgebied Ouderkerkerplas. De plas zelf is ontstaan ten gevolge van zandwinning. Langs de oevers is een natuurgebied ontstaan. Het gebied is daarnaast vooral gericht op recreatief gebruik.
•Sportcomplexen Ouderkerk-Oost incl. zwembad Amstelbad
•Sportcomplex Duivendrecht (Meidoornpad)
•Tennisclub Ouderkerk
•Recreatiegebied Ouderkerkerplas en omgeving
De sport- en recreatiegebieden die onderdeel uitmaken van de ontwikkelingen met betrekking tot De Nieuwe Kern vallen hier niet onder.
Kernkwaliteiten
-De recreatiegebieden als overgang van stad naar het buitengebied.
-Het groene karakter en landschappelijke inpassing.
-De openheid en landschappelijke structuur en opzet van Ouderkerkerplas.
-Combinatie recreatie en natuur Ouderkerkerplas.
Regieniveau
Het beleid is gericht op beheer van het groene en landschappelijke karakter. Voor de sport- en recreatiegebieden is een basisregie van toepassing met uitzondering van de gebieden die in het buitengebied liggen, zoals recreatiegebied Ouderkerkerplas. Voor dit gebied is een maatwerkregie van toepassing, waarbij de verwevenheid met het omliggende landschap leidend is voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Ouderkerkerplas gericht op recreatie en natuur, dicht bij Ouderkerk aan de Amstel
3.4.7. Buitengebied
Een belangrijk onderdeel van de identiteit van Ouder-Amstel en omstreken is het buitengebied, bestaande uit karakteristieke landschappen met elk een eigen ontstaansgeschiedenis, gebruik, karakteristiek en in het geval van de Rondehoep, een unieke uitstraling. Bijzonder is hoe het open landschap van het Groene Hart op deze plek, via de oevers van de Amstel, tot in Amsterdam reikt.
Gekeken vanuit de geschiedenis en de ruimtelijke kenmerken kan onderscheid worden gemaakt in twee landschapstypen: veenweideland-schap en droogmakerijenlandschap. Naast de polders spelen de vaarten een essentiële rol in de ruimtelijke structuur en beleving van het buitengebied.
Veenweidelandschap: Polder de Rondehoep en Duivendrechtsepolder
De Duivendrechtsepolder is ingeklemd tussen de Amstel, de N522, de A10 en de A2. Rond het jaar 1000 lag hier een onherbergzaam veenmoeras dat vanaf de Amstel werd ontgonnen en als cultuurgrond in gebruik genomen; het patroon van de sloten en de ligging van het dorp vinden hun basis nog in die veenontginning. Het gebied bestaat voornamelijk uit percelen ten behoeve van de agrarische sector. In de veenweidegebieden is met name het gebruik van de gronden als grasland van toepassing. In het gebied vindt veel extensieve recreatie plaats. In het gebied bevinden zich voornamelijk traditionele boerderijen. Langs de Amstel is de meeste bebouwing (lintbebouwing) te vinden. Hier is nog een aantal agrarische bedrijven gevestigd, maar het merendeel betreft woningen. Opvallend is molen de Zwaan die op het perceel aan de Binnenweg 2 is gelegen.
Boerderijbebouwing langs open polder de Rondehoep.
Weitjespark; het authentiek stukje veenweidegebied van Duivendrecht.
De Rondehoep ligt ten zuiden van Ouderkerk aan de Amstel. Van oudsher heeft de ontginning in het gebied plaatsgevonden vanaf de randen en hier heeft de bebouwing zich dan ook geconcentreerd. Die bebouwing bestond tot recent uit agrarische bebouwing. Het midden van de polder is nog steeds voor het grootste deel in gebruik voor veeteelt. In het hart van de Rondehoep ligt een gebied dat is aangemerkt als reservaat voor weidevogels. Vanwege deze inrichting zijn met name de randen van het gebied in gebruik voor recreatie, de rest van het gebied is niet toegankelijk.
Kenmerkend voor de Rondehoep is het open landschap met een landelijke uitstraling en de unieke verkaveling in ster- of veerpatroon. De oorspronkelijke verkavelingsstructuur is nog steeds herkenbaar. De polder is vanuit alle zijden vanaf de randwegen zichtbaar doormiddel van doorkijken door de bebouwing. De architectonische waarde van de bebouwing aan de randen ligt in de oorspronkelijke uitstraling van de bebouwing en de beperkte bouwhoogtes. Deze zijn beperkt tot één of twee bouwlagen en een zadeldak met een agrarische uitstraling. Tegenwoordig zijn er ook verschillende vrijstaande villa’s gebouwd.
Het zuidelijke deel van de Rondehoep ligt in het gebied van de Stelling van Amsterdam, benoemd tot Unesco Werelderfgoed. De schootsvelden (verboden kringen, Kringenwet 1853) van Fort in de Botshol en Fort Waver Amstel reikten tot op het grondgebied van Gemeente Ouder-Amstel.
Droogmakerijen: Bullewijker- en Holendrechterpolder
De Bullewijker- en Holendrechterpolder ligt ten oosten van Ouderkerk aan de Amstel. Het grondgebied van de polder wordt doorsneden door de A9 en de A2 en wordt ter plaatse van laatstgenoemde gedeeld met Amsterdam. Waar het Amsterdamse deel inmiddels is opgehoogd en een hoogstedelijke structuur kent, is het Ouder-Amstelse deel nog grotendeels open en landelijk van aard. Het is het laagste deel van Ouder-Amstel.
Hoewel de oorspronkelijke structuren aanzienlijk zijn aangetast door infrastructurele en recreatieve functies, is met name in het zuidelijk deel de oorspronkelijke weidsheid van de polder nog goed ervaarbaar. Dit deel is nog agrarisch in gebruik. Het hart van de polder wordt echter gevormd door het recreatiegebied rond de Ouderkerkplas. Naast een recreatieve functie heeft deze ook een waardevolle betekenis voor de natuur. Ook bevindt zich het zogenaamde Landje van Geijsel zich in het zuidelijke deel van de polder. Het is als reservaat voor weidevogels een waardevol natuurgebied. In de noordwestelijke hoek van de polder bevindt zich één van de nieuwe woonwijken van Ouderkerk.
De Bullewijker- en Holendrechterpolder is een in de negentiende eeuw drooggelegde plas. De dijk die werd aangelegd ten behoeve van de drooglegging, slingert nog steeds als zichtbaar element door het landschap.
Openheid Rondehoep biedt verre zichtlijnen over het landschap
Veenrivieren en dijken: de Amstel, de Waver en de Bulle-wijk/Holendrecht
Ouder-Amstel kenmerkt zich door een dicht netwerk van sloten en veen-rivieren. Dit zorgt voor een kenmerkend en herkenbaar landschap. De Amstel vormt hiervan de hoofddrager, maar deze kent ook een aantal zijtakken. De Bullewijk, loopt dwars door Ouderkerk aan de Amstel en splitst zich verder naar het zuidoosten af in de Holendrecht en de Waver. Deze laatste loopt langs de oostzijde van de Rondehoep en heeft een belangrijke rol voor de afwatering van het gebied. De waterlopen zijn in trek voor de recreatieve vaart.
Een van de kenmerken van het landschap is de hoge waterstand, een eigenschap van een veengebied. Door het eeuwenlange inklinken van de bodem zijn de veenrivieren inmiddels de hoogste plekken in het landschap, het inversielandschap.
Bij het dalen van de bodem zijn in de loop der tijd dijken langs de rivieren aangelegd. In eerste instantie om de landerijen te beschermen tegen overstromingen. Waar de waterhuishouding in het verleden door weteringen, sluizen en watermolens werd verricht, zorgen tegenwoordig gemalen en stuwen voor het op peil houden van de waterstand door het water in de veenrivieren te spuien. Historisch werden ook de boerderijen aan de oevers van deze veenrivieren gebouwd. De lintbebouwing langs deze riviertjes is nog steeds herkenbaar in het landschap. Kenmerkend zijn een aantal boerderijen en woonhuizen die deels verscholen, vlak naast de dijk staan.
Kernkwaliteiten
•De veenstromen de Amstel, Bullewijk, Waver en Holendrecht;
•De dijken met hun kenmerkende profiel, als ruimtelijk verbindend element in het gebied.
•Het open (veen)weide landschap.
•Het water en de dijken langs de oevers.
•Het agrarische landschap aan de oostzijde van de Amstel met bijbehorende historische boerderijen die lager liggen dan de dijk;
•De middeleeuwse strokenverkaveling: radiale parcelering vanaf de veenstromen.
•Elementen van ontginningsstructuur, weteringen, kaden, loopvelden, percelen.
•Zicht op de 18e-eeuwse buitens (in gemeente Amstelveen) aan de westzijde.
Regieniveau
Voor het buitengebied is een maatwerk regie van toepassing. De cultuurhistorische en landschappelijke waarde en beleving blijft van onschatbare waarde voor bewoners en bezoekers. Uitgangspunt is behouden en waar mogelijk versterken van de kernkwaliteiten.
5. Beoordelingskader voor het uiterlijk van bouwwerken
5.1. Kleine bouwplannen
5.1.1. Bijbehorende erfbebouwing
Met ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw, bijvoorbeeld aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende erfbebouwing. Er is onderscheid in:
-Aangebouwd bouwwerk: een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage, carport, overkapping e.d.
-Losstaand bouwwerk: een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentekas, e.d.
Criteria aangebouwd bouwwerk
-Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.
-Aan de voorkant vormgeven als erker, dus als onderdeel van de architectuur of vormgegeven als logische toevoeging (in lijn met) de bestaande architectuur.
-Carport of overkapping is plat afgedekt of voorzien van een licht hellende kap.
-Aanbouw is plat afgedekt of op het achtererfgebied voorzien van een kap met een hellingshoek gelijk aan of kleiner dan de kap van het hoofdgebouw.
-Gevelgeleding afstemmen op de gevels van het hoofdgebouw.
-Bij tussenwoningen voorzien van een eenvormige overgang door bijvoorbeeld een gemetselde muur op de erfgrens (muurdam) of een scheidende penant.
-Materialen, kleuren en detaillering gelijk aan of afgestemd op het hoofdgebouw.
-Op het achtererf eventueel als serre uitgevoerd.
-Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.
Bijgebouw van één bouwlaag waarbij het materiaal- en kleurgebruik is afgestemd op de woning.
Bijgebouw hoger dan één bouwlaag en met een afwijkend materiaal- en kleurgebruik.
Criteria losstaand bouwwerk
-én bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.
-Carport of overkapping is plat afgedekt of voorzien van een licht hellende kap.
-Bijgebouw is plat afgedekt of voorzien van een kap met een hellingshoek gelijk aan of kleiner dan de kap van het hoofdgebouw.
-Bescheiden detaillering met eventueel een beperkte overstek, boeiboord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw.
-Materialen en kleuren afgestemd op het hoofdgebouw, erf- of tuinkarakter.
-Op het achtererf eventueel als kas uitgevoerd.
-Bij integratie in erfafscheiding materialen en kleuren gelijk aan deze erfafscheiding.
-Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.
5.1.2. Erfafscheidingen
Een erfafscheiding is een bouwwerk op de erfgrens, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of de openbare weg. Begroeide hekwerken (en beplantingen) kunnen een meer natuurlijke en vriendelijke uitstraling hebben en genieten de voorkeur boven lange, gesloten schuttingen. Daarbij hebben begroeiing en open hekwerken ook een toegevoegde waarde voor de biodiversiteit.
Criteria
-Hoogte op het voorerf niet meer dan 1.00 meter en indien geplaatst op het achtererf niet meer dan 2.00 meter.
-De erfafscheiding heeft een duurzame en degelijke uitvoering.
-Vormgeving samenhangend per erf toegepast. Voorkomen van te grote verscheidenheid aan verschillende erfafscheidingen.
-Materiaal- en kleurgebruik:
o aansluitend op aangrenzende erfafscheiding;
o overeenkomstig het hoofdgebouw, of;
o uitgevoerd in metselwerk en/of hout of biobased en circulair materiaal.
-Geen gesloten plaatmateriaal, kunststof, rietmatten of vlechtschermen.
-Kleur is naturel/materiaaleigen, afgestemd op het hoofdgebouw of geschilderd in een donkere kleur.
-Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.
5.1.3. Gevelwijzigingen
Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen van een gevel door bijvoorbeeld het verplaatsen van een kozijn, een nieuwe gevelopening of kozijninvulling. Ook kan er sprake zijn van buitenschil isolatie waardoor de gevelkarakteristiek veranderd.
Alleen gevelwijzigingen die zichtbaar zijn vanuit het openbaar toegankelijk gebied worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria.
Criteria
-De samenhang en ritmiek van gebouw, straatwand en/of bouwblok blijft behouden.
-Een individuele gevelwijziging maakt geen inbreuk op de architectonische hoofdkenmerken van de oorspronkelijke gevel.
-Bij buitenschilisolatie van het dak wordt gebruik gemaakt van een knikpan om het hoogteverschil te overbruggen of de bestaande goot wordt gebruikt, danwel integraal opgepakt met het gehele bouwblok.
-Nieuwe gevelopeningen zijn gelijnd aan bestaande openingen en afgestemd op de bestaande gevelgeleding.
-Materialen, kleuren en detaillering gelijk aan, of afgestemd op het hoofdgebouw.
-Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.
De samenhang van het hele woonblok blijft behouden.
De gevelwijziging verstoort de samenhang van het bouwblok.
5.1.4. Dakkapellen
Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de licht-toevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak.
Criteria
Plaatsing
-Maximaal twee dakkapellen aan de voorkant.
-Geen dakkapellen boven elkaar.
-Meerdere dakkapellen op een dakvlak, gebouw of bouwblok regel-matig rangschikken op een gelijke horizontale onderlijn.
-Bij individuele panden in het dakvlak centreren of geleding voorgevel aanhouden.
-Bij een mansardekap in het onderste dakvlak plaatsen en aansluiten op de knik.
-Minimaal 0.50 meter dakvlak naast, onder en boven de dakkapel.
-Maximaal 1.00 meter dakvlak onder de dakkapel (gemeten vanaf de goot).
Dakkapel met plat dak en voldoende ruimte rondom de dakkapel.
Dakkapel met puntdak, door vorm en omvang niet ondergeschikt aan het dakvlak.
Maatvoering
-Hoogte dakkapel aan de voorkant maximaal 1.50 m.
-Hoogte dakkapel aan de achterkant maximaal 1.75 m.
-Totale breedte dakkapel(len) aan de voorkant maximaal 50% van breedte dakvlak (gemeten van midden bouwmuur tot midden bouwmuur).
Vormgeving
-De dakkapel heeft een plat dak.
-Een aangekapte dakkapel alleen op dak van tenminste 45°.
-Gevelgeleding dakkapel aan de voorkant afgestemd op de gevels van het hoofdgebouw.
-Geen dichte panelen in het voorvlak waarachter zich direct een gebruiksruimte bevindt. Wel mogelijk is een verticaal paneel als sprake is van een scheidende binnenwand achter het paneel.
-Bescheiden detaillering met eventueel een beperkte overstek, boeiboord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw.
Materiaal en kleur
-Materialen en kleuren gelijk aan, of afgestemd op het hoofdgebouw;
-Zijwangen donker, wit of in de kleur van het dakvlak.
-Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.
5.1.5. Dakopbouwen
Een dakopbouw is een dominante uitbreiding van de kap of opbouw op een plat dak van een gebouw (optoppen). Een dakopbouw kan worden aangebracht op een plat dak of in een zadeldak waarbij de constructie deels boven de nok kan uitkomen (nokverhoging). Een dakopbouw kan grote gevolgen hebben voor de hoofdvorm en het profiel van het gebouw en kunnen leiden tot een onevenwichtig straatbeeld. Daarom mag bij het ophogen van panden geen sprake zijn van een negatieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de bezonningssituatie mede in relatie tot de mogelijkheid voor het plaatsen van zonnepanelen. De twee- en drielaagse (drive-in)woningen in de Kruidenbuurt in Duivendrecht zijn vanwege de schaduwinvloed uitgesloten van een extra bouwlaag.
Criteria
-Alleen dakopbouwen op een plat dak of op een zadelkap waarvan de hellingshoek gelijk is aan of kleiner is dan 35°.
-Alleen enkelzijdige nokverhogingen toepassen waarbij het dakvlak doorloopt naar de achterkant.
-Gevelgeleding dakkapel aan de voorkant afgestemd op de gevels van het hoofdgebouw.
-Dichte panelen in het voorvlak slechts beperkt toepassen.
-Bescheiden detaillering met eventueel een beperkte overstek, boei-boord en ornamenten afgestemd op het hoofdgebouw.
-Materialen en kleuren gelijk aan, of afgestemd op het hoofdgebouw.
-Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.
5.1.6. Zonnepanelen en -collectoren
Met een zonnecollector wordt warmte opgewekt, die via een warmwateropslag meestal wordt gebruikt voor het verwarmen van water voor huishoudelijk gebruik. Met een zonnepaneel wordt elektriciteit opgewekt uit daglicht voor de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk.
Criteria
-Eigen dak eerst: voor zover plaatsen op het dak geen (afdoende) oplossing biedt is het plaatsen van zonnepanelen of -collectoren als een zelfstandig bouwwerk op het erf achter het hoofdgebouw mogelijk.
-Niet op of aan bijzondere gebouwtypen zoals kerktorens (wel mogelijk op dak van het schip), molens, forten, gemalen, fabrieksschoorstenen en in cultuurhistorisch waardevol groenaanleg.
-Op het dakvlak zo veel mogelijk geplaatst in een regelmatige rangschikking zonder verspringingen.
-Op dakkapel aan de achterkant geplaatst.
-De hellingshoek van het paneel of de collector is nagenoeg hetzelfde als die van het dakvlak.
-Op platte daken ten minste net zo ver verwijderd van de dakrand als het paneel of de collector hoog is.
-Bij beschermde monumenten en in het beschermd gezicht worden zonnepanelen en -collectoren altijd voor advies voorgelegd aan de commissie. Zij zal bij de advisering rekening houden met de monumentale waarde, de gebiedskarakteristieken en kenmerken van het hoofdgebouw en de volgende criteria:
o niet direct en duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte beschouwd op ooghoogte. In uitzonderlijke gevallen zijn zonnepanelen of -collectoren ook ín het zicht mogelijk, mits het niet anders kan, er een zorgvuldig afgewogen ontwerp is opgesteld, de kleur is aangepast aan het dak, en de cultuurhistorische waarden niet worden verstoord;
o in kleur passend bij het dakvlak en zonder glimmende randen;
o zonder onherstelbare schade reversibel boven op de dakbedekking geplaatst of goed passende dakbedekking met PV-cellen in gelijke kleur en vorm als de oorspronkelijke dakbedekking;
o zorgvuldig ingepast, zonder aantasting van de monumentale waarde.
5.1.7. Installaties (airco’s, warmtepompen, antennes etc.)
Installaties horen bij gebouwen, zoals schoorstenen, airco-units e.d. Verwachting is dat ook steeds meer installaties aan gebouwen worden toegevoegd ten behoeve van duurzame energieopwekking of energiezuinigheid. Bijvoorbeeld kleine windinstallaties (KWI), warmtepompen en complete energie-units en klimaatsystemen. Om installaties te veranderen of aan te brengen, zijn meestal bouwkundige voorzieningen nodig.
Criteria
Plaatsing
-Plaatsing zoveel mogelijk inpandig, tenzij er voor de werking van de installatie redenen zijn dat deze niet (deels) inpandig geplaatst kan worden, zoals de buitenunit van een warmtepomp of airco.
-Voor monumenten en in beschermd gezicht plaatsing van installaties achter de achtergevellijn, zorgvuldig ingepast en reversibel.
-Plaatsing achter de voorgevellijn op een plek die niet storend zichtbaar is vanuit het openbaar gebied.
-Plaatsing voor de voorgevellijn in een passende kleur of in een kast die wegvalt in de omgeving, dus groen in de tuin en voor de gevel in dezelfde kleur als de gevel.
-Niet op een dakkapel of op dakvlak aan de voorkant, tenzij het zorgvuldig wordt ingepast en past bij het gebouw.
-Geen windmolens in woongebieden.
Maatvoering
-Installaties zoals airco’s en warmtepompen maximaal 1.00 meter hoog en 1.00 meter breed.
-Bij plaatsing aan gevel op minstens 1.00 meter van de dakrand.
-Schotel maximaal 1.00 meter in doorsnede en maximaal 3.00 meter hoog vanaf de voet.
-Kleine windinstallaties (KWI’s) geplaatst op een plat dak op minimaal 3.00 meter van de dakrand, en maximaal 2.00 meter hoog;
-Windmolens op de grond op het erf in het buitengebied tot maximaal 15 meter hoog.
-Bij plaatsing op een balkon bevindt de installatie zich tegen de gevel.
Vormgeving, materiaal en kleur
-Installaties en bijbehorende voorzieningen als één geheel, in samenhang met de architectuur, vormgeven.
-Neutrale kleuren zoals wit, grijs of zwart of bij plaatsing voor de voor-gevellijn in een passende kleur of in een kast die wegvalt in de omgeving, dus groen in de tuin en voor de gevel in dezelfde kleur als de gevel.
-Warmtepompen of installatie in het dakvlak voorzien van een kap.
-Geen felle of opvallend afwijkende kleuren.
5.1.8. Rolluiken
Rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen te beschermen en/of als zonwering. De gemeente streeft er naar dat rolluiken de uitstraling van het pand en de omgeving niet negatief beïnvloeden.
Criteria
-Geplaatst aan de binnenzijde van de pui voor minstens 70% uitvoeren met glasheldere doorkijkopeningen.
-Geplaatst aan de buitenzijde van de pui alleen als plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is en voor minstens 90% uitvoeren met glasheldere doorkijkopeningen.
-Geplaatst aan buitenzijde met een geïntegreerde inpassing van rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel.
-Ingetogen kleuren of kleuren die harmoniëren met de gevel.
5.1.9. Gevelreclame
Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. De criteria zijn in principe van toepassing in alle gebieden, tenzij anders vermeld.
Criteria
-Maximaal één reclame-uiting per bedrijf per gevel. Bij meerdere duidelijk gescheiden geveldelen is één uiting per geveldeel ook mogelijk.
-Twee reclame-uitingen zijn mogelijk als daarvan één loodrecht en één vlak op de gevel wordt geplaatst.
-Loodrecht op de gevel ten hoogste 0.80 meter (inclusief bevestiging) buiten het gevelvlak stekend en niet groter dan 1.00 m2.
-Vlak en evenwijdig aan de gevel niet breder dan 70% van de gevelbreedte en niet hoger dan 0.80 m.
-Geen reclame voor bedrijven, diensten of producten die niet in het pand gevestigd zijn, plaatsvinden respectievelijk worden verkocht.
-Geen reclame aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie. Uitzondering is de bovenste bouwlaag waarachter zich de technische installaties van het gebouw bevinden.
-Geen reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte ernstig belemmeren.
-In voorgevel samenhang en ritmiek van de gevel en straatwand niet verstoren.
-In voorgevel reclame-uiting als zelfstandig element vormgeven, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met de oorspronkelijke gevel.
-Geen mechanisch bewegende delen.
-Geen LED-reclame, lichtcouranten of andere lichtreclame met veranderlijk of intermitterend licht.
-Geen daglichtreflecterende reclame.
Gevelreclame op bedrijventerreinen
-Maximaal vier reclame-uitingen per gebouw en maximaal twee reclame-uitingen aan een gevel per 20 meter gevelbreedte.
-Bij bedrijfsverzamelgebouwen maximaal één reclame-uiting per bedrijf per gebouw.
-Niet boven de goot of de dakrand uitstekend.
-Vlak en evenwijdig aan de gevel niet breder dan 3.00 m. en niet hoger dan 1.00 meter.
-Loodrecht op de gevel ten hoogste 1.00 meter (inclusief bevestiging) buiten het gevelvlak stekend en niet groter dan 2.00 m2.
-Aanlichten van reclame en lichtreclames aan de gevel zijn mogelijk, als het geen hinder veroorzaakt.
-Aan randen van bedrijventerreinen geen lichtreclame.
5.3. Specifieke aanvullingen
5.3.1. Criteria beschermd dorpsgezicht Ouderkerk aan de Amstel
Doel van het beschermde dorpsgezicht is de bescherming van de besloten ruimtelijke structuur van het oude dorp aan het water en de samenhang van de historische bebouwing en de Portugees-Israëlitische begraafplaats. Inzet is het behoud van de cultuurhistorische aspecten en het kleinschalige dorpse karakter. Het beschermen van de kernkwaliteiten is basis voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, maar dient niet te leiden tot bevriezing van de bestaande toestand.
Voor een deel van het beschermde gezicht is een ontwikkeling gaande voor de transformatie van het dorpscentrum van Ouderkerk aan de Amstel (Centrumplan). Hiervoor is een eigen regie van toepassing, waarbij tevens eventuele vastgestelde plannen en beoordelingskaders als leidraad dienen.
Criteria
-De bestaande stedenbouwkundige structuur en dorpse korrel is leidend:
o voorgevel parallel aan en georiënteerd op de openbare ruimte;
o rooilijnen verspringen enigszins.
-De gebouwen zijn individueel en afwisselend:
o per erf/kavel één hoofdmassa, qua maat en schaal aanpassen aan de gebouwen rondom;
o gebouwen zijn niet hoger dan twee lagen en voorzien van een schuine kap;
o een eventuele derde laag bij nieuwbouw op stedenbouwkundig geëigende locaties is mogelijk, mits met veel zorg, precisie en kennis van de historische context aandacht wordt besteed aan de architectonische uitwerking;
o de nok staat bij smalle percelen dwars op en ligt bij bredere percelen evenwijdig aan de weg.
-De architectonische uitwerking sluit aan bij het historische bebouwingsbeeld:
o elk pand heeft een eigen karakter met veelal een horizontale gevelopbouw met verticale vensters in een regelmatig patroon;
o goothoogten, kapvormen en gevelbeëindigingen verschillen per individueel pand;
o kozijnen, dakkapellen, lijsten, erkers en dergelijke zijn zelfstandige ondergeschikte elementen en in maatvoering en architectuur afgestemd op de hoofdmassa;
o de detaillering is gevarieerd en een interpretatie van of reactie op de bestaande historische ornamentiek met aandacht voor fijne detaillering zoals in metselwerk, goten, daklijsten en belijningen.
-Het materiaal- en kleurgebruik is in palet divers en contrasteert niet met het historische bebouwingsbeeld:
o terughoudend in materiaal- en kleurgebruik per pand, maar wel voldoende diversiteit tussen individuele panden;
o bij bestaande bebouwing aansluiten op traditionele materialen en kleuren zoals rode baksteen, natuursteen, wit keimwerk en geschilderd hout voor gevels en gebakken pannen voor de daken;
o bij nieuwbouw is het materiaal en kleurgebruik een interpretatie van of reactie op gebruik van traditionele materialen en kleuren van omliggende bebouwing;
o geen kunststof kozijnen, rolluiken en plaatmaterialen.
-Eventuele gevelreclame is ondergeschikt en zorgvuldig ontworpen in samenhang met het historische bebouwingsbeeld en bij nieuwbouw geïntegreerd in het totaalontwerp.
Het Pontje is van cultuurhistorische waarde voor Ouderkerk aan de Amstel en de verbondenheid van de kernen Ouderkerk en Buurt over Ouderkerk.
Dorpse korrel met architectonische diversiteit tussen de individuele panden.
5.3.2. Criteria Rijksstraatweg Duivendrecht, inclusief aanliggende woningbouw uit de periode 1920-1940 (Interbellum)
De Rijksstraatweg is de as van Duivendrecht en loopt van het gelijknamige station tot aan de Weesper Trekvaart. Langs de weg en enkele zijwegen staan blokken woningbouw in een stijl verwant aan de Amsterdamse School. De as bepaalt als drager van de stedenbouwkundige structuur sterk het gezicht van de wijk. Naast de Rijksstraatweg vallen ook de Abeelstraat, de Populierstraat, de Kloosterstraat, de Korenbloemstraat en een deel van de Molenkade in het gebied. Inzet is behoud van de cultuurhistorisch waardevolle ruimtelijke structuren, ensembles en elementen. Hierbij is ruimte voor nieuwe ingrepen zolang de kernkwaliteiten worden versterkt en in ieder geval niet worden geschaad.
Criteria
-De bestaande stedenbouwkundige structuur is leidend:
o voorgevel parallel aan en georiënteerd op de openbare ruimte;
o rooilijnen verspringen licht;
o individuele positionering en uitstraling van vrijstaande panden zoals kerken, boerderijen, woon etc. als zodanig behouden. Bij aanpassingen aan bestaande vrijstaande gebouwen moet de hoofdvorm van het gebouw herkenbaar blijven;
o samenhang van een ensemble of woonblok behouden. Aanpassingen aan de voorzijde van bestaande bebouwing die onderdeel vormen van een ensemble of woonblok altijd in relatie tot het geheel ontwerpen;
o nieuwbouw voegt zich in maat en ritme naar de omliggende bebouwing.
-De architectonische uitwerking en het materiaal- en kleurgebruik van bestaande bebouwing respecteren:
o herkenbaarheid van typische architectuur uit de periode 1920-1940 die verwant is aan de Amsterdamse School behouden;
o herhalingen en gevelritmiek van een woonblok respecteren;
o detaillering en ornamentiek in maatvoering en architectuur passend bij bouwstijl hoofgebouw;
o het materiaal- en kleurgebruik aan laten sluiten op bestaande materialen en kleuren van het hoofdgebouw.
-Bij nieuwbouw is een eigentijdse architectonische uitwerking mogelijk als het een verrijking vormt van het palet aan bouwstijlen van bebouwing aan de Rijksstraatweg.
-Eventuele gevelreclame is ondergeschikt en zorgvuldig ontworpen in samenhang met het historische bebouwingsbeeld en bij nieuwbouw geïntegreerd in het totaalontwerp.
5.3.3. Criteria woningbouw in het buitengebied
Van oudsher hebben boerderijen en boerenerven een belangrijke beeldbepalende functie in het buitengebied en is er sprake van een sterke samenhang tussen de agrarische bebouwing, erven en het omringende landschap. In de loop der jaren is het belang van andere functies in het buitengebied gegroeid, waaronder ook de toename van woningen.
Om te zorgen dat het landelijke karakter behouden blijft is het belangrijk dat de nieuwbouw de aanwezige gebouwtypologieën en karakteristieken respecteert. Dit betekent niet dat de historische bouwkunst de blauwdruk vormt voor nieuwbouw. De historische bouwkunst dient te worden beschouwd als inspiratiebron voor nieuwe bebouwing, zodat de nieuwe bebouwing een bijdrage levert aan het gebiedseigen karakter.
De nieuwe woningen moeten zich voegen naar het gebiedseigene, maar kunnen tegelijk de uitdrukking zijn van een nieuwe tijdgeest. Het is de uitdaging om tussen deze twee een balans te vinden. Vaak is het voldoende om te conformeren aan de bestaande schikking van bouwvolumes op het erf en de eenvoudige hoofdvormen van de oorspronkelijke bebouwing zoals boerderijen of dijkwoningen. Bij een goede positionering en hoofdvorm die past bij het landelijk karakter ontstaat een grotere vrijheid voor een eigentijdse architectonische uitwerking van de nieuwbouw.
Eenvoudige hoofdvorm van schuurwoning met eigentijdse gevelinvulling en zorgvuldig teruggelegen gepositioneerd ten opzichte van een historische dijkwoning.
Criteria
-Situering en hoofdvorm passen bij de oorspronkelijke (boerderij)bebouwing in het buitengebied:
o gebouwen zijn vrijstaand gesitueerd op een samenhangend ingericht erf in lijn met een traditionele erfopzet;
o bijgebouwen, schuren en dergelijke staan ruim achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw;
o oriëntatie van de kopgevel op de weg of dijk;
o lange zijde evenwijdig aan de verkaveling van het landschap;
o enkelvoudige en eenduidige hoofdvorm gebaseerd op traditionele boerderijvormen met een rechthoekig plattegrond, een begane grond en een kap;
o de nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond;
o de vorm van het dak is beeldbepalend en bepaalt, van grote afstand gezien, het silhouet van het landschap. Uitgangspunt is een dakvorm die veelvuldig voorkomt in het buitengebied zoals een zadeldak.
-De architectonische uitwerking kan traditioneel of juist een eigentijdse invulling krijgen:
o nieuwbouw ter vervanging van historische bebouwing is in beginsel qua architectonische uitwerking nagenoeg identiek aan de oorspronkelijke bebouwing;
o (vervangende) nieuwbouw kan een interpretatie zijn van traditionele stijlen of een hedendaagse architectuurstijl krijgen;
o de detaillering is eenvoudig en zorgvuldig.
-Materiaal- en kleurgebruik is ingetogen en dient de gekozen architectuurstijl te ondersteunen:
o traditionele materialen en gedekte kleuren die passen bij het landelijk gebied;
o materialen bij voorkeur natuurlijk en hernieuwbaar, zoals (natuur)steen en hout;
o materiaaleigen kleuren, in ieder geval geen opvallende felle kleuren die contrasteren met de uitstraling van het buitengebied.
Nieuwe bebouwing nabij monumentale of andere karakteristieke gebouwen
Voor het toevoeging van nieuwe bebouwing op een erf waarbij sprake is van een bestaand monumentaal of karakteristiek gebouw, gelden de volgende aanvullende criteria:
-Een nieuw woongebouw dient visueel ondergeschikt te zijn aan het beelddragende gebouw (door middel van plaatsing op het erf, het hanteren van een lagere goothoogte, materiaal- en kleurgebruik of het aanbrengen van erfbeplanting).
-Bijgebouwen of bedrijfsgebouwen nemen een ondergeschikte positie in op het erf.