2 Inleiding
2.1 Waarom deze regels?
In de gemeente Oude IJsselstreek vinden we het belangrijk dat:
•mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven;
•mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;
•mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen;
•kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar school kunnen gaan die bij hen past
Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
•Participatiewet (PW), de IOAZ en de IOAW;
•De Wet gemeentelijk schuldhulpverlening (W);
•De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);
•Wet inburgering (Wi 2021);
•De Jeugdwet;
•De Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs
•Algemene Wet bestuursrecht (Awb)
•De Gemeentewet;
•De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG 2018).
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld.
2.2 Uitgangspunten
De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten.
De regels:
-zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen (in artikel 2.1) te realiseren en knelpunten van inwoners samen op te lossen;
-zijn goed leesbaar;
-regelen niet meer dan nodig is;
-houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk;
-kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners;
-zijn onderling afgestemd op elkaar;
-respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.
2.3 Kernwaarden
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen uit de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat uit van de volgende kernwaarden:
•Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de genoemde doelen.
•Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken.
•De gemeente helpt waar het nodig is en stimuleert de inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk).
•Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te kunnen doen aan de samenleving
2.4 Artikel en wet
Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 2.1 zijn genoemd. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel. Per artikel is met icoontjes aangegeven welke wetten op dat artikel van toepassing zijn.
3 De hulpvraag
3.1 Stap 1: Melding bij de gemeente, Buurtzorg Jong, STOER of Samen Sterker Thuis
3.1.1AIndienen hulpvraag bij de gemeente
[Wmo, LLV, Wgs]
Volwassen inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. Dit geldt ook als de inwoner hulp zoekt voor vervoer naar school voor een leerling. De inwoner of een persoon namens de inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:
•online, via de contactgegevens op de website:
•https://www.oude-ijsselstreek.nl/zorg-en-gezondheid
•digitaal, via het e-mailadres: aanspreekpunt@oude-ijsselstreek.nl
•telefonisch van 08:30 tot 12:30, via telefoonnummer (0315) 292 292, keuze 2
•schriftelijk, via het postadres: Postbus 42, 7080 AA Gendringen, Toegangsteam Oude IJsselstreek
•aanmelden schuldhulpverlening online www.oude-ijsselstreek.nl/geldzaken-en-schulden
3.1.1BIndienen hulpvraag bij Buurtzorg Jong
[Jeugdwet]
Jeugdigen en/of hun ouders/verzorgers die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij Buurtzorg Jong. De jeugdige of een persoon namens de jeugdige kan deze melding op de volgende manieren doen:
•digitaal, via het e-mailadres: oude-ijsselstreek@bzjong.nl
•telefonisch, via telefoonnummer 06-307 388 34 (maandag t/m vrijdag tussen 9.00 en 17.00 uur)
3.1.1CIndienen hulpvraag bij STOER
[PW, IOAW, IOAZ, Wi, Wgs]
Inwoners die een hulpvraag hebben op het gebied van inkomen, schulden, geldzorgen en/of ondersteuning nodig hebben bij het vinden, verkrijgen of behouden van werk. De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:
•digitaal, via het e-mailadres info@stoerversterkt.nl
•online, via het contactformulier op www.stoerversterkt.nl
•telefonisch, via telefoonnummer 0315-553553, tijdens openingstijden
•fysieke inloop, tijdens openingstijden
•schriftelijk, via het postadres: Postbus 42, 7080 AA Gendringen, Ter attentie van STOER
3.1.1DIndienen hulpvraag bij Samen Sterker Thuis
[Wmo]
Inwoners van 65 en ouder die thuiswonend zijn en een hulpvraag hebben die past bij de Wmo, Wlz of Zvw. Het gaat dan om een nieuwe hulpvraag op basis van één van deze regelingen, met uitzondering van situaties waarbij sprake is van multiproblematiek . De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:
•via de mogelijkheden zoals genoemd onder 3.1.1.A en nader uit te werken werkafspraken;
•via de reguliere aanmeldprocedures van de deelnemende partners (Azora en Sensire) of
•via het e-mailadres info@samensterkerthuis.nl
3.1.2ADoel en procedure bij de gemeente
[Wmo, LLV]
Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner te onderzoeken. De medewerker van de gemeente gaat op huisbezoek en brengt de situatie in kaart.
3.1.2BDoel en procedure bij Buurtzorg Jong
[Jeugdwet]
Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner te onderzoeken. De jeugd- en gezinswerker van Buurtzorg Jong gaat op huisbezoek en brengt de situatie in kaart.
3.1.2CDoel en procedure bij STOER
[PW, IOAW, IOAZ, Wgs]
Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner in behandeling te nemen. De medewerker van STOER maakt samen met de inwoner de vraag helder en maakt vervolgafspraken.
3.1.2DDoel en procedure bij Samen Sterker Thuis
[Wmo]
Het doel van de melding binnen Samen Sterker Thuis is om de hulpvraag van de inwoner te onderzoeken. Na melding wordt er bekeken of de inwoner bij Samen Sterker Thuis op de juiste plek is en wordt er een inschatting gemaakt van de benodigde deskundigheid. Als de inwoner op de juist plek is bij Samen Sterker Thuis vindt er een gesprek plaats met een professional van het Samen Sterker Thuis team en wordt de situatie in kaart gebracht.
3.1.3Gegevens
[Jeugdwet, LLV, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs]
De gemeente of Buurtzorg Jong (BZJ) verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om noodzakelijke gegevens die de gemeente/BZJ niet zelf kan inzien, dan vraagt de gemeente/BZJ aan de inwoner om die gegevens binnen redelijke termijn te leveren.
3.2 Stap 2: Gesprek na de melding
3.2.1AUitnodiging voor gesprek
[Jeugdwet, Wmo, LLV]
Een inwoner die zich heeft gemeld, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de medewerker duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt, wie hierbij mag aansluiten en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de medewerker informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (het persoonlijk plan). Het gesprek kan, naar inschatting van de medewerker en met instemming van de hulpvrager, telefonisch plaatsvinden.
3.2.1BUitnodiging voor gesprek
[PW, Wi, IOAW, IOAZ, Wgs]
Een inwoner die zich heeft gemeld, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de medewerker duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt, wie hierbij mag aansluiten en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de medewerker informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).
3.2.2Doel en procedure gesprek
[Wmo, LLV]
Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen 2 weken na de melding. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid/mantelzorger of cliëntondersteuner) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.
3.2.3AInhoud gesprek
[Jeugdwet, LLV]
1De medewerker bespreekt met de inwoner en/of in het geval van een jeugdige met degene met het gezag over de jeugdige, welk effect de inwoner wil bereiken. In het gesprek tussen de medewerker, de inwoner en waar mogelijk de mantelzorger, familie of iemand uit het sociaal netwerk onderzoekt de medewerker:
a.de hulpvraag van de inwoner: wat is er nodig?; en welke behoefte is er?
b.de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect?
c.de mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van de hulpvraag?
d.de omgeving van de inwoner: Wie zijn van betekenis voor de inwoner? Wie willen meedenken of meehelpen bij de hulpvraag? Hoe kunnen zij bijdragen aan het gewenste effect?
e.de mogelijkheden vanuit andere organisaties: zijn er andere partijen die kunnen bijdragen aan het beantwoorden van de hulpvraag?
[Jeugdwet]
2De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de hulpvraag van de inwoner te beantwoorden en over de mogelijkheden van onafhankelijke clientondersteuning. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een Persoonsgebonden budget (Pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.
3Het is niet toegestaan dat de beoogd opdrachtnemer voor de levering van een maatwerkvoorziening bij het gesprek aanwezig is. Dit om belangenverstrengeling te voorkomen.
3.2.3BInhoud gesprek
[Wmo]
1De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek tussen de medewerker, de inwoner en waar mogelijk de mantelzorger, familie of iemand uit het sociaal netwerk onderzoekt de medewerker:
a.de hulpvraag van de inwoner; wat is er nodig en welke behoefte is er?
b.de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect?
c.de mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van de hulpvraag?
d.de omgeving van de inwoner: Wie zijn van betekenis voor de inwoner? Wie willen meedenken of meehelpen bij de hulpvraag? Hoe kunnen zij bijdragen aan het gewenste effect?
e.de mogelijkheden vanuit andere organisaties: zijn er andere partijen die kunnen bijdragen aan het beantwoorden van de hulpvraag?
2De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de hulpvraag van de inwoner te beantwoorden. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een Persoonsgebonden budget (Pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.
3Bij een melding voor het Samen Sterker Thuis traject wordt het gesprek gevoerd door een Samen Sterker Thuis professional. In dit team zitten consulenten van de gemeente maar ook medewerkers van de samenwerkingspartners. Tijdens het gesprek wordt er samen met de inwoner gekeken of dit traject passend is, wat de meerwaarde is van het traject en wat er in dit Samen Sterker Thuis traject nodig is. In het gesprek wordt onder andere gekeken vanuit herstelvermogen wat de inwoner zelf kan, dan wel opnieuw kan leren.
4Het is niet toegestaan dat de beoogd opdrachtnemer voor de levering van ondersteuning bij het gesprek aanwezig is, tenzij dit een partner is in Samen Sterker Thuis. Dit om belangenverstrengeling te voorkomen.
3.2.3CInhoud gesprek
[PW, IOAZ, IOAW, Wi]
De medewerker bespreekt de behoefte van de inwoner met betrekking tot inkomen en arbeidsinschakeling.
In het gesprek tussen de medewerker, de inwoner en waar nodig hulpverlening, familie of iemand uit het sociaal netwerk onderzoekt de medewerker:
1de hulpvraag van de inwoner: wat is er nodig en welke behoefte is er met betrekking tot inkomen en arbeidsinschakeling?
2de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor de behoefte met betrekking tot inkomen en arbeidsinschakeling?
3de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan het verbeteren van de persoonlijke situatie met betrekking tot inkomen en arbeidsinschakeling?
4de omgeving van de inwoner: wie zijn van betekenis voor de inwoner? Wie willen meedenken of meehelpen bij het verbeteren van de persoonlijke situatie met betrekking tot inkomen en arbeidsinschakeling?
5de mogelijkheden vanuit andere organisaties: zijn er andere partijen die kunnen bijdragen aan het verbeteren van de persoonlijke situatie met betrekking tot inkomen en arbeidsinschakeling?
6de mogelijkheden vanuit de gemeente: hoe kan de gemeente bijdragen aan het verbeteren van de persoonlijke situatie met betrekking tot inkomen en arbeidsinschakeling?
3.2.3DInhoud gesprek
[Wgs]
De medewerker bespreekt de behoefte van de inwoner met betrekking tot zijn financiële situatie. In het gesprek tussen de medewerker, de inwoner en waar mogelijk de mantelzorger, familie of iemand uit het sociaal netwerk onderzoekt de medewerker:
1de hulpvraag van de inwoner: wat is er nodig en welke behoefte is er met betrekking tot een duurzame en gezonde financiële huishouding.
2de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor de behoefte met betrekking tot de duurzame en gezonde financiële huishouding.
3de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan het verbeteren van de persoonlijke situatie met betrekking tot een duurzame en gezonde financiële huishouding.
4de omgeving van de inwoner: wie zijn van betekenis voor de inwoner? Wie willen meedenken of meehelpen bij het verbeteren van de persoonlijke situatie met betrekking tot een duurzame en gezonde financiële huishouding.
5de mogelijkheden vanuit andere organisaties: zijn er andere partijen die kunnen bijdragen aan het verbeteren van de persoonlijke situatie met betrekking tot een duurzame en gezonde financiële huishouding.
6de mogelijkheden vanuit de gemeente: hoe kan de gemeente bijdragen aan het verbeteren van de persoonlijke situatie met betrekking tot een duurzame en gezonde financiële huishouding.
3.2.4Ondersteuningsplan/Indicatieadvies
[Jeugdwet, Wmo, LLV]
Binnen zes weken na melding stuurt de medewerker van de gemeente de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. Dit is het ondersteuningsplan.
Binnen zes weken na melding stuurt de jeugd- en gezinswerker het indicatieadvies voor specialistische jeugdhulp naar de gemeente. De jeugd- en gezinswerker stelt samen met het gezin het indicatieadvies op dat naar de gemeente wordt gestuurd.
Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het ondersteuningsplan, waardoor het ondersteuningsplan niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover geïnformeerd.
Uit het ondersteuningsplan blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd. Als de inwoner daarvoor een maatwerkvoorziening van de gemeente nodig heeft, staat opgenomen om welke voorziening het gaat en voor welke doelen de voorziening wordt ingezet.
Als de inwoner een maatwerkvoorziening van de gemeente wil ontvangen, geeft hij dit aan door het ondersteuningsplan te ondertekenen en naar de gemeente te sturen. De gemeente ziet het ondertekende ondersteuningsplan dan als een aanvraag.
3.2.5Samen Sterker Thuis-plan
[Wmo]
Binnen het Samen Sterker Thuis traject wordt een plan gemaakt aan de hand van positieve gezondheid. Gedurende 8 tot 12 weken werken de Samen Sterker Thuis-professional en de inwoner samen aan de gestelde doelen. Het Samen Sterker Thuis team bestaat uit medewerkers vanuit verschillende organisaties die domeinoverstijgend werken. Domeinoverstijgend werken betekent dat de professionals, uiteindelijk elke vorm van ondersteuning die nodig is, kunnen inzetten ook al is dat een vorm van ondersteuning die hun eigen organisatie normaal gesproken niet adviseert en/of aanbiedt.
Een eventuele zorgvraag waar een maatwerkvoorziening voor nodig is, die naar voren komt tijdens of na het Samen Sterker Thuis-traject, wordt door de Samen Sterker Thuis-professional geïndiceerd (Wmo maatwerkvoorziening, Wlz of Zvw). Wanneer het om een Wmo voorziening gaat geldt de procedure zoals genoemd onder 3.1. Het Samen Sterker Thuis-plan is een plan van de inwoner en wordt altijd samen met de inwoner gemaakt. De uitvoering van het plan is altijd een samenwerking tussen de Samen Sterker Thuis professional en de inwoner. Hiermee blijft de inwoner “eigenaar” van het plan en de geboden oplossing(en).
3.3 Stap 3: Aanvraag
3.3.1Aanvraag
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb]
Na de melding en het gesprek met de medewerker, kan de inwoner een aanvraag indienen. De aanvraag kan schriftelijk worden ingediend door het ondersteuningsplan of het indicatieadvies te ondertekenen en terug te sturen naar de gemeente. Bij jeugdhulp stuurt de jeugd- en gezinswerker het ondertekende indicatieadvies op naar de gemeente. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp moet inzetten en welke vorm, duur en omvang die hulp dan heeft.
3.3.2Aanvraag voor maatwerkvoorziening
[Jeugdwet, Wmo, LLV]
Vraagt de inwoner een maatwerkvoorziening, dan kent de gemeente die hulp toe in de volgende situaties:
•Als de hulp noodzakelijk is om de hulpvraag van de inwoner te beantwoorden en er geen andere oplossing voor is;
•Als de hulp voorzienbaar is, maar van de inwoner redelijkerwijs niet verwacht kan worden maatregelen te treffen die de hulpvraag overbodig maakt;
•Als de hulp nodig is om (tenminste één van) de doelen van de in 2.1 genoemde wetten te bereiken;
•De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect helemaal zelf te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisaties;
•De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner.
•De maatwerkvoorziening is voldoende in inzet en passend, zodat de inwoner het effect kan bereiken dat hij wil bereiken.
•De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de inwoner de hulpvraag had kunnen voorzien en kunnen voorkomen.
3.3.3Advisering
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb]
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt voldoende weet en kan om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker onvoldoende weet en kan, zorgt de gemeente ervoor dat een onafhankelijk persoon met de juiste kennis een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij het beoordelen van de aanvraag.
De gemeente vraagt in beginsel niet zelf het advies op. Want de inwoner is zelf als eerste aan zet om uit te leggen waarom hij hulp of ondersteuning nodig heeft. Bovendien kan de gemeente veel adviezen vanwege de privacywetgeving (AVG) alleen opvragen als de inwoner vooraf toestemming heeft gegeven en zijn er veel deskundigen die deze toestemming rechtstreeks van de inwoner willen ontvangen.
Daarom vertelt de gemeente aan de inwoner welke informatie nodig is en van welke deskundigen deze informatie gevraagd kan worden. Als dat handig is voor iedereen, geeft de gemeente de inwoner een formulier dat de deskundige kan invullen. Het formulier is opgesteld dat de inwoner de deskundige toestemming kan geven om het advies rechtstreeks aan de gemeente te sturen, of om het advies alleen aan de inwoner zelf te sturen (blokkeringsrecht).
In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente de inwoner oproepen voor een medische keuring van de inwoner, de jeugdige of de leerling. Dit doet de gemeente als een beperking of aandoening bepalend is voor het recht op de voorziening die de inwoner en de inwoner niet voldoende onderbouwing kan aanleveren.
3.3.4Beoordelen aanvraag
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb]
Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente/Buurtzorg Jong (BZJ) alle gegevens die belangrijk zijn voor de hulpvraag. Het gaat onder meer om gegevens over:
•de behoeften en hulpvraag van de inwoner;
•de persoonlijke situatie van de inwoner;
•de omgeving van de inwoner (het sociale netwerk);
•de (on)mogelijkheden van de inwoner;
•de (on)mogelijkheden van de omgeving van de inwoner (het sociale netwerk);
•de mogelijkheden van andere organisaties en de gemeente.
Om te bepalen of de gemeente hulp moet inzetten loopt de gemeente/BZJ de volgende onderdelen langs:
•De gemeente stelt vast wat de vraag om hulp van de inwoner is;
•De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om de hulpvraag te beantwoorden (eigen kracht), wel of niet met gebruikelijke hulp van een naaste, hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties.
•De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp er dan nog nodig is om de hulpvraag te beantwoorden en het gewenste effect te bereiken.
•De gemeente bepaalt of de voorziening voor lange tijd noodzakelijk is.
•De gemeente bepaalt of de inwoner niet kon zorgen dat er geen hulp nodig is;
•De gemeente bepaalt of de voorziening te verwachten was, maar van de inwoner redelijkerwijs niet verwacht kon worden dat hij maatregelen nam die de hulpvraag niet nodig maakt.
•Voor ieder onderdeel geldt, dat de gemeente/BZJ voldoende weet om dat onderdeel goed te kunnen afronden. Is er bijzondere kennis nodig, dan zet de gemeente/BZJ die in. De gemeente/BZJ stelt de inwoner op de hoogte van welke kennis er op welk moment nodig is en ingezet wordt.
3.3.5Eigen kracht
[Jeugdwet, Wmo, LLV]
Dit artikel geeft betekenis over eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouders en jeugdige/Leerling(Jeugdwet, LLV) en de inwoner (Wmo 2015) wat betreft de eigen kracht .
1In de Jeugdwet is het uitgangspunt dat de jeugdige en de ouders verantwoordelijk zijn voor het opvoeden en het veilig opgroeien van de jeugdige. Ouders met gezag zijn op basis van het Burgerlijk Wetboek verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kind. In dat kader mag het college verwachten dat ouders en jeugdige alles doen wat in hun vermogen ligt om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Ook in het kader van de Wmo 2015 gaat het college er vanuit dat op de eerste plaats gekeken moet worden wat betrokkene zelf (eigen kracht), met behulp van zijn huisgenoten (gebruikelijke en niet-gebruikelijke hulp), mantelzorg, anderen vanuit het netwerk bij kunnen dragen aan de oplossing van de problemen bij zelfredzaamheid en participatie. Pas als dat niet voldoende is komt de gemeente in beeld om een jeugdhulpvoorziening of maatwerkvoorziening te verstrekken.
2Bij het beoordelen of zowel de ouders en jeugdige of cliënt en zijn omgeving al dan niet voldoende in staat zijn via de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen het probleem zelf op te lossen toetst het college of dit voldoende is om de hulp die nodig is te bieden. Het afwegingskader hiervoor wordt gevormd door de criteria in artikel 3.3.6, lid 3
3Als de jeugdhulpvoorziening of de maatwerkvoorziening die na het volgen van het stappenplan kan worden toegekend gewenst wordt in de vorm van een pgb zal het college, los van alle voorwaarden die wettelijk gelden voor de toekenning van een pgb, uitgaan van het uitgangspunt dat een pgb niet bedoeld is als (gezins)inkomen maar om daarmee de hulp in te kopen die nodig is als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn gebleken. Het inzetten van een jeugdhulp- of maatwerkvoorziening dat verstrekt zal worden in de vorm van een pgb in en situatie van overbelasting zal gericht zij op het doel als geschetst in lid 3 van dit artikel
3.3.6Criteria voor beoordeling van de eigen kracht en gebruikelijke hulp
[Jeugdwet, Wmo, LLV]
1Voor de beoordeling van de eigen kracht van de jeugdigen, ouders, de volwassene of andere huisgenoten zodat er geen jeugdhulp of maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden, weegt het college in ieder geval de volgende belangen af:
a.De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige of de volwassene;
b.De voor de jeugdige of inwoner benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;
c.De mate van planbaarheid van de hulp;
d.De mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van de ouders of de volwassene; en
e.De manier van omgaan van ouders en volwassene met de problemen (van de jeugdige);
f.De vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);
g.Of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden
h.Welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen
i.Het belang van ouders of volwassene om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;
j.De samenstelling van de cliënt, het gezin en de woonsituatie.
k.De samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);
l.Is er een sociaal netwerk en zo ja wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige en/of zijn ouders of volwassene te ondersteunen;
m.Overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders of volwassene worden ingebracht;
2Bieden de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten aan de jeugdige of zijn ouders (Jeugdwet) of een volwassene (Wmo 2015) gebruikelijke hulp en bovendien niet-gebruikelijke hulp, dan wordt geen jeugdhulp- of een maatwerkvoorziening verstrekt als:
a.de gebruikelijke helper aanwezig is;
b.de gebruikelijke helper de hulp kan bieden;
c.de gebruikelijke helper niet overbelast is;
d.het niet gaat om professionele hulp; en
e.er geen medische contra-indicaties zijn.
3Als onderdeel van de eigen kracht onderzoekt het college ook of de jeugdige, ouders of volwassene gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en andere wetten of regelingen. Is hiervan sprake, dan wordt geen jeugdhulp- of maatwerkvoorziening verstrekt.
4Als het gaat om het begrip overbelasting, zoals genoemd in eerste lid van dit artikel zal bij twijfel een medisch advies worden ingewonnen.
5Als (al dan niet na een medisch advies) is vastgesteld dat er sprake is van dreigende overbelasting onderzoekt het college wat er gedaan kan worden om deze (dreigende) overbelasting te beëindigen. Is dat een al dan niet tijdelijke jeugdhulp- of maatwerkvoorziening, dan wordt deze verstrekt met de bedoeling om de (dreigende) overbelasting te beëindigen.
6Indien het gaat om professionele hulp, zoals genoemd in het eerste lid, onder d en de huisgenoot of naaste is een professional op het terrein waarop de professionele hulp nodig is, zal deze combinatie voor het college aanleiding zijn geen jeugdhulpvoorziening of geen maatwerkvoorziening te verstrekken die ingevuld wordt door de professional in verband met de systeemproblemen die goede professionele hulp in de weg staat
3.3.7Deskundig onderzoek, deskundige toeleiding en beoordeling.
[Jeugdwet, Wmo]
1Bij het beoordelen of en zo ja welke jeugdhulpvoorziening in welke vorm en omvang het college gaat toekennen wordt het stappenplan van CRvB gehanteerd.
2De beoordeling zoals in lid 1 genoemd vindt plaats door SKS-geregistreerde personen met specifieke deskundigheid die in het concrete geval noodzakelijk is, indien nodig in overleg of na samenspraak met de gedragswetenschapper van de gemeente.
3Ook in het kader van de Wmo 2015 draagt het college zorg voor voldoende deskundig en ervaren medewerkers.
4Bij een onafhankelijk advies dient het college zich ervan te vergewissen dat het onderzoek zorgvuldig is verricht en de conclusies logisch en concluderend zijn (vergewisplicht).
3.3.8Beslistermijn
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb]
De gemeente beslist binnen 2 weken nadat de aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening of vervoer naar school is ontvangen.
De gemeente beslist binnen 2 weken op het advies van BZJ over een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet.
De beslistermijn kan schriftelijk uitgesteld worden als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als de gemeente de aanvraag niet binnen de termijn kan behandelen.
3.4 Stap 4. Beslissing
3.4.1Inhoud besluit
[Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven om zijn vraag om hulp om hulp te beantwoorden. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven.
2Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is (gewenst effect en doelen);
b.wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;
c.hoe (en misschien ook door wie) de hulp wordt gegeven;
d.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.
3Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd.
a.waarvoor het pgb bedoeld is (gewenst effect en doelen);
b.hoe hoog het pgb is en waarom het deze hoogte heeft;
c.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb stopt;
d.hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt;
e.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.
4Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.voor welk doel het geld wordt gegeven;
b.wanneer het geld wordt betaald;
c.hoe vaak het geld wordt betaald;
d.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden.
5Besluit de gemeente geen hulp te geven, dan wordt in het besluit in ieder geval uitgelegd waarom geen hulp wordt verleend.
6Het besluit geeft aan hoe en binnen welke periode de inwoner in bezwaar kan gaan tegen dit besluit.
3.4.2Buiten behandeling stellen
[Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, IOAW, IOAZ, Wgs]
De gemeente kan een aanvraag van een inwoner buiten behandeling stellen wanneer de verstrekte gegevens en documenten onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag en dit niet op tijd hersteld is zoals genoemd in artikel 4:5 van de Awb en/of als de inwoner de gevraagde gegevens niet heeft aangeleverd.
3.4.3Verval van recht
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb]
Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij de inwoner dit tijdig meldt en dit niet de schuld van de inwoner is. Als de inwoner binnen de termijn van zes maanden doorgeeft aan de gemeente dat hij nog geen gebruik heeft gemaakt van de hulp, dan kan de gemeente de periode verlengen. Deze voorwaarde wordt ook in het hierboven genoemde besluit opgenomen.
3.5 Uitzonderingen
3.5.1Jeugdhulp via arts en anderen
[Jeugdwet, Awb]
De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, Gecertificeerde Instelling (GI) de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.
De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de jeugdartsen, de medisch specialisten, de GI’s en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen.
Op verzoek van de jeugdige of zijn ouders stuurt de gemeente over de jeugdhulp op verwijzing van de hierboven genoemde personen en organisaties een besluit per brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.
3.5.2Dringende situaties
[Jeugdwet, Wmo, LLV]
1In dringende situaties zorgt de gemeente/Buurtzorg Jong/Samen Sterker Thuis ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd. Het kan dan gaan om de volgende hulp:
a.het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;
b.het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;
c.het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning.
d.het bieden van een voorziening door Samen Sterker Thuis.
2Er is sprake van een dringende situatie als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden.
4 Gezond en veilig opgroeien
4.1 Preventieve maatregelen
[Jeugdwet, LLV]
De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk met de volgende voor iedereen (gratis) beschikbare vormen van hulp. De inwoner heeft hiervoor geen besluiten van de gemeente en ook geen verwijzing door een huisarts, jeugdarts, een medisch specialist of een Gecertificeerde Instelling (GI) nodig.
1het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang samenwerken en elkaar aanvullen;
2informatie, advies, trainingen en lichte tot gemiddelde begeleiding;
3jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau, schoolarts);
4talentonwikkeling door jeugd- en jeugdigenwerk;
5jeugd- en gezinswerk;
6generalistische basis GGZ;
7sociaal raadsliedenwerk;
8algemeen maatschappelijk werk;
9advies, hulp en ondersteuning bij (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). Veilig Thuis biedt 24 uur per dag, 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling;
10een vertrouwenspersoon.
4.2 Uitgangspunten bij het bieden van hulp
[Jeugdwet, LLV]
1Bij het bieden van hulp houdt de medewerker redelijkerwijs rekening met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders.
2Bij het bieden van hulp houdt de medewerker rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders.
3Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het kunnen oplossen van het probleem door de jeugdige, zijn ouders en hun sociale netwerk.
4De medewerker betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet.
5Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente.
6Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die voor iedereen toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het maatschappelijk werk of een praktijkondersteuner GGZ van de huisarts. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt een maatwerkvoorziening ingezet.
7Buurtzorg Jong (BZJ) zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen en/of kindermishandeling/huiselijk geweld zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt BZJ jeugdhulp op vrijwillige basis. Wanneer de rechter daar uitspraak over doet, zet de gemeente jeugdhulp in de vorm van een maatwerkvoorziening onder dwang in.
8Bij signalen van kindermishandeling kan iedere inwoner hiervan melding maken via de website: www.ikvermoedhuiselijkgeweld.nl
4.3 Maatwerkvoorziening
[Jeugdwet]
De gemeente kan de volgende maatwerkvoorzieningen aanbieden:
1ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van advies en trainingen;
2specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling;
3specialistische geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen;
4een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is;
5persoonlijke verzorging;
6dyslexiezorg bij ernstige dyslexie;
7crisishulp;
8jeugdbescherming;
9jeugdreclassering;
10integrale hoog specialistische hulp met verblijf (Essentiële functies);
11mobiele brigade;
12vervoer van de jeugdige van en naar de plek waar jeugdzorg wordt aangeboden.
Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor op basis van het advies van Buurtzorg Jong een besluit van de gemeente of verwijzing door een huisarts, een jeugdarts, een medisch specialist of een GI nodig.
[LLV]
De gemeente kan voor vervoer naar school de volgende mogelijkheden aanbieden:
-bekostiging van eigen vervoer, openbaar vervoer en/of carpoolen
-aangepast vervoer (collectief taxivervoer)
-een andere oplossing, als de kosten voor de gemeente lager zijn.
4.4 Overgang van 18- naar 18+
[Jeugdwet, Wmo]
1De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jeugdigen uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar zijn geworden. Dat wil zeggen dat Buurtzorg Jong zorgt voor een plan voor de jeugdige op alle belangrijke leefgebieden.
2De jeugdhulp kan worden verlengd als dat nodig is. Dit kan maximaal tot de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan.
3Als er sprake is van pleegzorg, dan wordt in alle gevallen onderzocht of dit langer nodig is. Pleegkinderen kunnen standaard tot 21 jaar in hun pleeggezin verblijven, tenzij het pleegkind aangeeft hier geen gebruik van te willen maken. Verlengde jeugdhulp is mogelijk tot de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt.
4.5 Afstemming met andere vormen van hulp
[Jeugdwet]
De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over:
•procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp;
•communicatie met andere organisaties en de gemeente;
•aangeven waar de grens is van taken en verantwoordelijkheden;
•wie er regie voert bij betrokkenheid van meerdere organisaties;
•aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en maatwerkvoorzieningen bij elkaar passen en op elkaar aansluiten;
•Op welke manier er verslag uitgebracht moet worden over of en hoe de hulp heeft geholpen om de afgesproken doelen te behalen.
•De afspraken worden vastgelegd in een protocol of in een andere geschikte vorm.
4.6 Bijzondere bepaling voor vervoer naar school
[LLV]
4.6.1Ouders en leerling
1De ouders zijn verantwoordelijk om te zorgen dat de leerling naar school gaat. Met “de ouders” bedoelen we degenen die met het gezag over de leerling zijn belast. Meestal zijn dat de moeder en vader, soms zijn het de voogd(en) of de verzorger(s).
2De ouders doen de aanvraag voor vervoer naar school. Als de ouders op verschillende adressen wonen en de leerling deels bij beide ouders woont, doet iedere ouder apart een aanvraag voor het vervoer van en naar het eigen adres.
3Als de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, beslist de leerling zelf. In dat geval bedoelen we in deze verordening “de leerling” op alle plekken waar wordt gesproken over “de ouder”.
4.6.2Passende school dichtbij
1De gemeente vergoedt of verstrekt vervoer naar de passende school dichtbij. Dit is de school met de kortste schoolafstand die de leerling feitelijk het onderwijs kan bieden waarop de leerling is aangewezen.
1Als de ouders voor een school kiezen op grond van godsdienst of levensbeschouwing beschouwt de gemeente dit als de passende school dichtbij.
2Als een vervoersvoorziening naar een andere school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen, kan de gemeente die voorziening verstrekken als de ouders daar vooraf schriftelijk mee instemmen.
4.6.3Passende vervoerswijze
1Kinderen jonger dan 11 jaar kunnen doorgaans niet zelfstandig naar school reizen. Het is de verantwoordelijkheid van ouders om te zorgen dat de leerling de school bezoekt.
2Van een leerling van 11 jaar of ouder wordt verwacht dat hij zelfstandig naar school kan reizen met openbaar vervoer of fiets. Voor zover de leerling dit nog niet kan, brengen en halen de ouders de leerling.
3Voor sommige leerlingen is openbaar vervoer geen optie voor het schoolgaan. Dit is van belang voor de keuze van de passende vervoerswijze en voor de vraag of er sprake is van een eigen bijdrage. Openbaar vervoer is voor een leerling geen optie:
a.vanwege de reistijd voor de leerling. Dit geldt als de enkele reistijd langer is dan 90 minuten en deze met 50% of meer kan worden ingekort met een andere voor de leerling passende vervoerswijze.
b.vanwege een beperking van de leerling. De beperking kan uitsluitend de reden hiervoor zijn als de school vanaf de woning met openbaar vervoer of de fiets bereikbaar en als: (i) de leerling 11 jaar of ouders is en als gevolg van de beperking niet zelfstandig met openbaar vervoer of de fiets naar de school kan reizen, of (ii) jonger dan 11 jaar is en als gevolg van de beperking in het geheel niet met openbaar vervoer of de fiets naar de school kan reizen, ook niet als de ouders de leerling zouden begeleiden.
4.6.4Vergoeding van kosten
Ouders betalen in beginsel zelf de kosten van het vervoer naar school.
1De gemeente vergoedt de kosten vanaf een schoolafstand van 6 kilometer. Dit geldt alleen als de leerling naar de passende school dichtbij gaat. Als de leerling naar een VO-school gaat is er helemaal geen vergoeding.
2De gemeente vergoedt ook de kosten tot maximaal 6 kilometer:
a.als het inkomen van de ouders onder het wettelijk drempelbedrag ligt. De gemeente berekent jaarlijks het actuele drempelbedrag.
b.als de leerling een school voor SBO bezoekt op een loopafstand van meer dan 6 kilometer.
c.als de leerling een school voor SO of VSO op een loopafstand van meer dan 6 kilometer.
d.als openbaar vervoer geen optie is voor het schoolgaan, vanwege een beperking van de leerling, zoals beschreven in 4.6.3.b (passende vervoerswijze). In deze situatie is er ook vergoeding voor vervoer naar een VO-school.
3Bij een vervoersvoorziening naar een BO-school komen de kosten van vervoer voorbij een schoolafstand van 20 kilometer voor rekening van de ouders. Dit geldt echter niet:
a.als het inkomen van de ouders onder een drempelbijdrage ligt. Het college stelt dit drempelbedrag jaarlijks vast.
b.als de leerling vanwege een uitzonderlijke onderwijsbehoefte is aangewezen op een specifiek onderwijsaanbod en er geen scholen met een kortere schoolafstand zijn die dit onderwijsaanbod feitelijk kunnen bieden of
c.als openbaar vervoer geen optie is voor het schoolgaan, vanwege een beperking van de leerling, zoals beschreven in 4.6.3 (passende vervoerswijze).
4.6.5Aangepast vervoer
1Voor zover de leerling niet zelfstandig naar school kan reizen én de ouders niet kunnen brengen en halen, zet het college aangepast vervoer in. De gemeente stelt aan de hand van de artikelen over eigen kracht (artikel 3.3.5 en 3.3.6) vast welke inzet redelijkerwijs van de ouders verlangd kan worden.
4.6.6Weekend- en vakantievervoer
1Als een leerling doordeweeks in een internaat of pleeggezin verblijft vanwege het bezoek van een SO- of VSO-school ver van huis, verstrekt de gemeente een vervoersvoorziening voor de reis van en naar huis voor de weekeinden en vakanties.
2De aanvraag wordt beoordeeld volgens dezelfde uitgangspunten als een aanvraag voor vervoer naar school, rekening houdend met de volgende bijzonderheden:
a.de ouders hebben doordeweeks niet de zorg voor de leerling. Dit betekent in algemene zin dat zij geacht worden de leerling zelf te vervoeren van en naar het internaat of pleeggezin;
b.een eventuele voorziening voor vervoer naar school is een zaak van de gemeente waar het internaat of het pleeggezin is gevestigd;
c.wanneer de leerling in een internaat of pleeggezin verblijft om een andere reden (bijvoorbeeld een uithuisplaatsing) is deze regeling niet van toepassing.
4.6.7Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
Als een leerling die in de gemeente Oude IJsselstreek woont door een crisissituatie tijdelijk op een ander verblijft en naar dezelfde school blijft gaan, wordt door het college gedurende maximaal zes weken:
1de school beschouwd als de passende school dichtbij, ook al woont de leerling tijdelijk dichter bij andere scholen die passend onderwijs bieden;
2met spoed een andere voorziening toegekend voor vervoer vanaf het tijdelijke adres, ook als dit in een andere gemeente is;
3de eigen kracht van leerling en ouders op dezelfde wijze getoetst als bij een gewone aanvraag, rekening houdend met de crisissituatie.
4.6.8Bijzondere situaties
De gemeente stelt beleidsregels op voor het vervoer naar school. Die beleidsregels leggen uit hoe de regels in deze verordening worden uitgelegd en toegepast in allerlei specifieke situaties. Daarbij besteedt het college in ieder geval aandacht aan:
1vervoer naar stage;
2vervoer van en naar BSO in plaats van de woning
3andere voorzieningen voor vervoer naar school
5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving
5.1 Uitgangspunten
[Wmo]
1De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren.
2De gemeente stelt, daar waar de hulpvorm dit toestaat, normen vast voor het beoordelen van aanvragen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015. Deze normen moeten zijn gebaseerd op onderzoek dat door deskundigen is gedaan die niet onder invloed van iemand staan en die geen mening over de situatie hebben. De gemeente hanteert voor de maatwerkvoorziening ‘schoon en leefbaar huis’ het normenkader: Richtlijn indicatieadvisering hulp bij het huishouden (januari 2011) van de MO-zaak. De normen maken duidelijk welke concrete hulp er voor inwoners in hun situatie nodig is. De gemeente kan afwijken van deze normen als dat nodig is voor een goed niveau van wonen en leven dat goed past bij de situatie.
5.2 Zelfstandig en veilig wonen
5.2.1Geschikte woning
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De inwoner moet voldoen aan de voorwaarden genoemd bij artikel 3.3.4 ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening.
2De maatwerkvoorziening houdt in dat de woning bereikbaar en geschikt wordt gemaakt. Dit kan gebeuren door de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, berging en de gang(en), hal of overloop in de woning volgens de regels van het bouwen aan te passen of door hulpmiddelen die mogelijk verstrekt worden
3Als de woning van de inwoner niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, dan zal de gemeente van de inwoner verwachten dat hij verhuist naar een woning die (beter) bij hem past, als deze beschikbaar is. De woning waar hij al woont wordt dan niet door de gemeente aangepast. De gemeente heeft hiervoor regels vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein.
4De gemeente zorgt voor een vergoeding in de verhuis- en herinrichtingskosten als de inwoner verhuist naar een woning die (beter) bij hem past en daarbij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.3 ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. De gemeente heeft voor deze voorwaarden regels vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein.
5De maximale vergoeding voor het verhuizen en herinrichtingskosten als de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning zijn terug te vinden in het Besluit Sociaal Domein. De kosten van herinrichting zijn de kosten van vloerbedekking, gordijnen, vitrages, behang en verf.
5.2.2Een schone en leefbare woning
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als hij door een beperking zijn woning niet schoon en goed om in te leven kan houden. De inwoner moet daarbij voldoen aan de regels genoemd in artikel ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening.
2De maatwerkvoorziening houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer (de leefruimten) en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook het aanbrengen van structuur in de huishouding, het doen van boodschappen, het zorgen voor eten en drinken, en het wassen, drogen en strijken van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de maatwerkvoorziening.
3Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de maatwerkvoorziening ook bestaan uit het overnemen van de noodzakelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp (bv. kinderopvang) is door te komen. Dit beoordeelt de gemeente op basis van het normenkader uit artikel 5.1, lid 2 van deze verordening.
4Als er in het huishouden van de inwoner volwassen en jeugdige huisgenoten zijn, dan bekijkt de gemeente welke hulp van deze huisgenoten gevraagd kan worden. Dit beoordeelt de gemeente op basis van het normenkader uit artikel 5.1, lid 2 van deze verordening.
5.2.3Wmo Wonen
[Wmo]
De inwoner kan in aanmerking komen voor een vorm van beschermd wonen als:
•de inwoner een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek;
•de complexe problematiek niet voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarbij de gemeente nog geen indicatie voor beschermd wonen kan vaststellen;
•de maatwerkvoorziening(en) begeleiding of dagbesteding, al dan niet gecombineerd met ambulante diensten vanuit de Zorgverzekeringswet geen passende oplossing bieden;
•het beschermd wonen (ook) het doel heeft om de inwoner de kans te geven om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Doetinchem is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de betalingen aan de aanbieders. Voor de eigen bijdrage die door de inwoner zelf betaald moet worden gelden de regels uit de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Doetinchem.
5.2.3ABeschermd wonen
Vanwege problemen door een verstandelijke problemen door een verstandelijke en/of lichamelijke beperking of (langdurige) psychische problemen, psychosociale problemen of verslavingsproblemen is het nodig dat de inwoner in een instelling met toezicht en begeleiding gaat wonen. Het verblijf is tijdelijk en in een veilige omgeving. Het helpt de inwoner om zelfredzaam te worden, mee te doen in de samenleving, beter te functioneren, een stabieler psychiatrisch ziektebeeld te krijgen, verwaarlozing of overlast te voorkomen, en gevaar voor zichzelf of anderen af te wenden. De ondersteuning richt zich op door- en uitstroom. De begeleiding is altijd dichtbij en de inwoner kan op elk moment om hulp vragen. De begeleiding moet flexibel zijn om snel te kunnen reageren. Samenwerken met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere belangrijke partners is nodig en onderdeel van de begeleiding. De begeleiding merkt ook dingen op.
Dagbesteding of individuele begeleiding is geen onderdeel van beschermd wonen en kan apart geregeld worden. Dagbesteding kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan de woonaanbieder.
5.2.3BBeschut wonen
De inwoner kan tijdelijk niet zelfstandig wonen en heeft baat bij een veilige en gezamenlijke woonomgeving met begeleiding en 24-uurs nabijheid door bereikbaarheid. De begeleiding helpt de inwoner om zelf te kunnen beslissen, nieuwe vaardigheden te leren of verloren vaardigheden terug te krijgen. Het doel van de begeleiding is ook om de inwoner zelfredzamer te maken en stabiliteit te creëren en vast te houden waardoor de eigen regie versterkt wordt.
5.2.3CWonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+
De inwoner heeft hulp nodig om meer grip te krijgen op zijn of haar leven om zelfstandiger te worden. Dit kan gaan om een jongeren of een volwassenen die is opgegroeid in ene situatie die niet goed past bij wat hij of zij nodig heeft. De mensen om de inwoner heen kunnen hierbij niet genoeg helpen. De inwoner is klaar om de volgende stap te zetten richting volwassenheid, maar kan nog niet helemaal zelfstandig wonen. De inwoner werkt eraan zo zelfstandig mogelijk mee te doen in de samenleving en leert de vaardigheden die hiervoor nodig zijn.
5.2.4Maatschappelijke opvang
[Wmo]
Voor inwoners die een maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem door het college van de gemeente Oude IJsselstreek vastgesteld. De gemeente Doetinchem is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van maatschappelijke opvang.
5.3 Dagbesteding en begeleiding
5.3.1Een ingevulde dag hebben
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 3.3. ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening.
2De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor maximaal 9 dagdelen per week.
3De gemeente kan als dat nodig is het vervoer naar de maatwerkvoorziening organiseren.
5.3.2Veiligheid bij deelname aan de samenleving
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die hulp nodig hebben om veilig de dag door te komen, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 3.3’beoordelen aanvraag’ van deze verordening.
2De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan één-op-één of in een groep plaatsvinden. Het betekent dat de begeleider toezicht houdt op de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving te communiceren. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën,
3Soms is het nodig dat de begeleiding die één op één plaatsvindt, op tijd hulp kan bieden om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven en het weer zelfstandig kunnen wonen. De begeleiding kan dan veranderen naar een situatie waarin de persoon samen met zijn omgeving om kan gaan met de beperkingen zonder extra hulp of planbare hulp. De begeleiding is sommige situaties 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar. Als het nodig is, kan de begeleider binnen 45 minuten bij de inwoner (thuis) zijn.
5.4 Meedoen aan de samenleving
5.4.1Verplaatsen in en om de woning
[Wmo]
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet goed genoeg kunnen verplaatsen in en om de woning, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen.
De maatwerkvoorziening houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend en blijvend gebruik door de inwoner.
5.4.2Verplaatsen dichtbij huis
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking niet genoeg mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de regels die zijn genoemd in artikel 3.3. ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening.
2De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis, zodat ze mee kunnen doen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan in het aanbieden van:
a.de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer (ZOOV);
b.taxivervoer;
c.een scootmobiel, of
d.het gebruik van een ander vervoermiddel.
3Het moet gaan om:
a.het zich verplaatsen rondom de woning;
b.het zich verplaatsen over een redelijke afstand bij huis; of
c.het zich verplaatsen over reguliere verharde paden en wegen.
4Om collectief taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden kijkt de gemeente eerst of een vervoersvraag opgelost kan worden met collectief taxivervoer, voordat andere een maatwerkvoorziening voorzieningen aan de orde kunnen komen. Dit is mede afhankelijk van de vervoersbehoefte van de inwoners en de af te leggen reisafstanden.
5.5 Weigeringsgronden
[Wmo]
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als:
•de inwoner de gevraagde voorziening vóór de melding of de aanvraag zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een directe noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;
•de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van het besluit van de gemeente zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij de gemeente daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de gemeente de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
5.6 Mantelzorg
5.6.1Ondersteuning en waardering mantelzorger
[Wmo]
1Voor inwoners die mantelzorg geven, is er vrij toegankelijke advies of ondersteuning beschikbaar. De gemeente kan indien nodig ook een maatwerkvoorziening voor de hulpontvangende inwoner beschikbaar stellen waardoor de mantelzorger ontlast wordt.
2De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners die hulp nodig hebben. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om waardering uit te spreken voor hun inzet en het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.
5.6.2Voorwaarden mantelzorgwaardering
[Wmo]
1Mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door de inwoner die mantelzorg ontvangt of door de mantelzorger zelf. Dat kan in onderstaande situaties:
a.De hulpontvanger is een inwoner van de gemeente Oude IJsselstreek;
b.De mantelzorg wordt vrijwillig en zonder dat daarvoor wordt betaald verleend vanwege een tussen de personen bestaande sociale relatie (bijvoorbeeld familie, vrienden of buren).
2De gemeente maakt jaarlijks via de gemeentepagina in het huis-aan-huis-blad bekend op welke wijze mantelzorgers worden gewaardeerd, hoe de waardering aangevraagd kan worden en voor wanneer de aanvraag ingediend moet zijn.
Een mantelzorger kan één keer per jaar voor zijn hulp aan één hulpontvangende inwoner mantelzorgwaardering ontvangen.
Een mantelzorger die mantelzorg verleende aan een hulpontvangende inwoner die in de loop van het jaar is overleden, komt in datzelfde kalenderjaar nog in aanmerking voor mantelzorgwaardering.
6 De vorm van de hulp
6.1 Hulp in natura
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet]
1De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Een product wordt in de regel uitgeleend en niet geschonken.
2De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken.
3De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product zich houdt aan wat in de wet staat over de garantie.
4De leverancier informeert de inwoner over alles wat nodig is om te weten over de dienst of het product.
6.2 Hulp in geld
[Wmo, LLV, Gemeentewet, Awb]
De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald.
6.3 Persoonsgebonden budget
6.3.1Voorwaarden
[Jeugdwet, Wmo]
1In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om hulp uit de Wmo 2015 of jeugdhulp gaat. Dit kan alleen als er voldaan is aan de regels die in de Wmo 2015 en de Jeugdwet staan.
2De gemeente kent een PGB pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belang voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren.
3Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden uitgegeven. Het pgb kan niet worden uitgegeven aan:
a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers.
De uitzondering zijn de bemiddelingskosten uit artikel ‘Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk’;
b.het voeren van een pgb-administratie;
c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;
d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s);
e.kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college.
4De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties:
a.De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. De gemeente maakt een uitzondering voor acute situaties.
b.De kosten om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruik maken van collectief taxivervoer.
c.Voorzieningen waarvoor ook een vrij toegankelijke voorziening aanwezig is.
d.Uit het door de inwoner ingediende pgb-plan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is.
e.De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de persoon die dat gaat doen is dezelfde persoon als de persoon die de hulp gaat verlenen.
5De gemeente heeft in het Besluit sociaal domein nadere regels vastgelegd over de voorwaarden van het pgb.
6Een pgb kan worden teruggevorderd per datum overlijden en/of kan worden teruggevorderd in het geval een inwoner geen gebruik meer maakt van de voorziening per datum dat de voorziening niet meer wordt gebruikt.
7Een Wmo voorziening op basis van een PGB wordt voor 7 jaar verstrekt en in tussentijds kan er geen aanpassing gedaan worden als de situatie van de inwoner niet veranderd is.
6.3.2Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk
[Jeugdwet,Wmo] Het college sluit voor de hoogte van een pgb voor een persoon die hulp verleent vanuit sociaal netwerk zowel bij de Wmo 2015 als de Jeugdwet aan bij het wettelijk minimumloon. Dit op basis van recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 30-9-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1380 en CRvB 30-9-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1276).
6.3.3Pgb bij hulp door zorgaanbieder
[Jeugdwet, Wmo]
De zorgaanbieder die hulp geeft houdt zich aan de volgende regels:
De gemeente rekent voor hulp bij het huishouden een bedrag dat maximaal 100% is van het laagste bedrag per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou krijgen.
De gemeente rekent voor begeleiding, persoonlijke verzorging of logeren een bedrag dat maximaal 100% is van het laagste bedrag per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou krijgen.
Als hulp wordt geboden door een professionele aanbieder, dan moet deze persoon hiervoor zijn opgeleid en moet deskundigheid bezitten op het gebied van de hulpvraag van de inwoner en/of zijn ziekte of beperking.
6.3.4Hoogte en tarief pgb
[Jeugdwet, Wmo]
1Het pgb wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (pgb-plan). Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente.
2De hoogte van het pgb wordt gebaseerd op een offerte voor de aangegeven kosten én op basis van de kosten die de gemeente gemaakt zou hebben als er hulp in natura zou zijn verstrekt. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten.
3De gemeente staat het niet toe dat een pgb als “maandloon-optie” wordt ingezet.
4De gemeente stelt het bedrag voor hulp door iemand uit het sociale netwerk vast met de informatie uit artikel 6.3.2. ‘Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk’ van deze verordening.
5Als de hulp wordt gegeven door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt dit altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien. Wordt de hulp gegeven door een ander uit het sociale netwerk die beroepsmatig als zorgaanbieder de hulp verleent, dan gelden de regels voor beroepsmatig verleende hulp.
6De gemeente rekent voor een pgb voor vervoer (inclusief rolstoelvervoer) om deel te nemen aan groepsondersteuning een vast tarief. Dit tarief is gebaseerd op het laagste toepasselijke tarief per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou rekenen.
7De gemeente kan de pgb-tarieven jaarlijks indexeren conform de indexering van de zorg in natura bedragen.
8Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
9De gemeente heeft nadere regels in het Besluit sociaal domein vastgelegd over de hoogte en het tarief van het pgb en het voorbeeld van het pgb-plan.
6.3.5Verantwoording pgb
[Jeugdwet, Wmo]
De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad.
6.4 Tegemoetkoming meerkosten persoon met beperking of chronische problemen
6.4.1Voorwaarden tegemoetkoming
[Wmo]
De gemeente kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Hierbij gelden de volgende regels:
1een inwoner kan geen gebruik maken van vrij toegankelijke hulp, een algemeen gebruikelijke of maatwerkvoorziening om de betreffende beperking te compenseren.
2er zijn extra kosten verbonden aan de ziekte of beperking.
6.4.2Mogelijke tegemoetkoming
[Wmo]
1De gemeente verstrekt een tegemoetkoming in de kosten voor taxi en rolstoeltaxi wanneer het collectief taxivervoer (ZOOV) en andere voorliggende vervoersvoorzieningen niet toereikend zijn.
a.De hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld in het Besluit Sociaal Domein.
b.Het normbedrag is van toepassing voor het gebruik van een (eigen) auto of vervoer door derden; voor het gebruik van een bruikleenauto en voor het gebruik van een (rolstoel)taxi.
c.Wanneer de tegemoetkoming wordt toegekend aan beide getrouwde of samenwonende partners dan is de tegemoetkoming 75% per persoon van het onder a genoemde bedrag.
d.De gemeente kan de tegemoetkoming voor meerkosten evenredig bijstellen als de inwoner een lagere vervoersbehoefte heeft.
e.De gemeente kan de inwoner aan wie een tegemoetkoming is toegekend, verplichten een overzicht bij te houden van de gereden kilometers in het kader van de voorziening.
2De tegemoetkoming voor:
a.het kopen en onderhouden van een sportvoorziening is niet hoger dan het in het Besluit Sociaal Domein opgenomen bedrag. Deze tegemoetkoming wordt maximaal één keer per drie jaar gegeven.
b.het bezoekbaar maken van een woning (voor een Wlz bewoner) bedraagt maximaal het in het Besluit Sociaal Domein opgenomen bedrag. Het gaat om het toegankelijk maken van de woning via de voor- of achterdeur om zo de woonkamer, badkamer en toilet te bereiken.
3De tegemoetkoming die de gemeente aan een inwoner kan verstrekken is niet altijd genoeg om alle kosten van te kunnen betalen.
6.4.3Wat is de bijdrage in de kosten?
[Wmo]
1De gemeente kan voor een aantal voorzieningen aan de inwoner een bijdrage in de kosten vragen. Dat kan bij de volgende maatwerkvoorziening:
a.het schoon en leefbaar houden van een woning (hulp in de huishouding);
b.het aanpassen van een woning (woonvoorzieningen);
c.bij een verhuiskostenregeling als verhuizen noodzakelijk en goedkoopst-adequaat blijkt te zijn;
d.het op een verantwoorde manier kunnen deelnemen aan de samenleving (begeleiding);
e.een ingevulde dag hebben (dagbesteding);
f.het wonen in een beschermde woonomgeving;
g.het zich kunnen verplaatsen dichtbij huis (niet voor een rolstoel).
2De gemeente zorgt ervoor dat de wettelijke regels voor het vaststellen van een bijdrage in de kosten worden toegepast. Een bijdrage is nooit hoger dan de wat de maatwerkvoorziening echt kost.
3De bijdrage in de kosten wordt vastgesteld volgends de regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
De inwoner die tegen Wmo-tarief gebruik maakt van het collectief taxivervoer (ZOOV) is aan de gemeente een jaarlijkse bijdrage verschuldigd. De hoogte van deze bijdrage staat in het Besluit Sociaal Domein Oude IJsselstreek
6.5 Eigen bijdrage bij vervoer naar school
[LLV]
1Als de ouders een voorziening ontvangen voor vervoer naar school en de kosten van het vervoer tot 6 kilometer voor rekening komen van ouders, brengt de gemeente hiervoor een bijdrage in rekening. Deze noemen we de “eigen bijdrage tot 6 kilometer”.
2Als de ouders een voorziening ontvangen en het vervoer over de afstand voorbij 20 kilometer voor rekening komt van ouders, brengt de gemeente een eigen bijdrage in rekening. Deze noemen we de “eigen bijdrage vanaf 20 kilometer”.
3De eigen bijdrage wordt in mindering gebracht op de vergoeding die ouders ontvangen. Als ouders een voorziening in natura ontvangen (zoals een ov-abonnement of aangepast vervoer), wordt de eigen bijdrage in rekening gebracht bij ouders.
4Beide eigen bijdragen kunnen tegelijk van toepassing zijn op een voorziening voor één leerling. Als ouders voor meerdere leerlingen voorzieningen ontvangen, worden eventuele eigen bijdragen in rekening gebracht voor ieder leerling apart.
5De eigen bijdrage tot 6 kilometer wordt als volgt bepaald:
a.de basis van de eigen bijdrage zijn de kosten die de ouders zouden maken om de leerling met de auto te vervoeren over een afstand van 6 kilometer;
b.het bedrag onder a mag niet hoger zijn (maar wel lager) dan de kosten die de ouders zouden maken voor het schoolgaan van de leerling met openbaar vervoer over een afstand van 6 kilometer, zo nodig met een begeleider;
c.het college kan bij nadere regels één bedrag vaststellen dat in alle gevallen voor de eigen bijdrage wordt gerekend.
6De hoogte van de eigen bijdrage voorbij 20 kilometer is afhankelijk van de schoolafstand en van het inkomen van de ouders. De inkomensgrenzen en bedragen worden door het college bij nadere regels vastgesteld, zo nodig op basis van het jaarlijkse advies van de VNG hierover.
7 Werk en Participatie
7.1 Voor wie
[PW, IOAZ, IOAW]
De medewerkers helpen de volgende inwoners:
1Inwoners met een gemeentelijke inkomensondersteuning.
2Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of die zijn opgenomen in het Doelgroepregister.
3Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per situatie beoordeelt de medewerker of er ondersteuning wordt gegeven.
4Jeugdigen tot 27 jaar die geen werk en/of uitkering of gemeentelijke inkomensondersteuning en/of geen diploma’s hebben. De medewerker helpt hen een passende (geschikte) opleiding, leer-werktraject of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg.
5Inwoners die vlak voor het dienstverband een gemeentelijke inkomensondersteuning ontvingen.
7.2 Inzet voorzieningen loopbaanbegeleiding
[PW, IOAZ, IOAW]
1De medewerker bekijkt per inwoner welke ondersteuning nodig is. Daar hoort de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat bij.
2De medewerker biedt professionele ondersteuning. Samen met de inwoner wordt bekeken wat nodig is, wordt de inwoner begeleid en worden extra voorzieningen ingezet als dat nodig is.
3Soms is een extra voorziening nodig. Dan beoordeelt de medewerker of en zo ja, welke voorziening ingezet wordt en voor hoe lang. Daarbij kijkt de medewerker naar verschillende dingen zoals de omstandigheden van de inwoner en zijn mogelijkheden. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met zaken zoals de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget.
4Wanneer er sprake is van een traject richting maatschappelijke participatie legt de medewerker in een activiteitenplan, in overleg met de inwoner, vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt.
5Wanneer er sprake is van een traject richting werk legt de medewerker in een werkplan, in overleg met de inwoner, vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt.
7.2.1Detacheringsbaan
1De inwoner kan via STOER of een andere organisatie werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen.
2Het doel van een detacheringsbaan is dat de inwoner na afloop in dienst komt van de werkgever.
3Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Verdringing betekent dat door de detacheringsbaan iemand anders een baan verliest. Ook moet het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met een andere organisatie.
7.2.2Wettelijke loonkostensubsidie
1De medewerker geeft de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers aan te moedigen om inwoners met een beperking in dienst te nemen. De subsidie geeft werkgevers een vergoeding voor productieverlies.
3De medewerker stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), wordt een erkende methode toegepast. De hoogte van de loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op deze loonwaarde afgestemd.
4Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de medewerker de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging.
5Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door middel van de Praktijkroute.
6De loonwaarde wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, behalve als in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend.
7De medewerker gebruikt bij het verstrekken van de wettelijke loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op http://www.normaalstezaak.nl.
7.2.3Loonkostenondersteuning
1De medewerker kan een werkgever, die een inwoner met een kleine kans op werk een arbeidsovereenkomst aanbiedt, een tijdelijke loonkostenondersteuning geven.
2Het doel van deze ondersteuning is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen. De extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden zo vergoed.
3De hoogte van de loonkostenondersteuning wordt door de medewerker in afstemming met de werkgever bepaald.
4De loonkostenondersteuning is maximaal € 500,- per maand. De loonkostenondersteuning duurt maximaal 6 maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal 6 maanden.
5Onder inwoners met een kleine kans op werk wordt verstaan: een inwoner die een periode van 12 maanden of langer aangewezen is geweest op inkomensondersteuning.
6Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
7.2.4Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1De medewerker kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een inwoner met een arbeidsbeperking, waardoor werken anders niet of niet volledig mogelijk is.
2Bij het toekennen van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden de volgende regels:
a.de inwoner behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en is minimaal achttien jaar oud, behalve als de inwoner Voortgezet Speciaal onderwijs of Praktijkonderwijs heeft gevolgd;
b.de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken;
c.de werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal 6 maanden waarin de inwoner minimaal 16 uur per week werkt;
d.het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;
e.het is geen voorziening die je kunt meenemen en standaard bij de werkgever gebruikt wordt of algemeen aanwezig is in een organisatie;
f.het is geen werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd;
g.de kosten van de voorziening(en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering minimaal net zoveel waard is als de opbrengsten.
3Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk en/of voor overige voorzieningen kan worden ingediend bij de medewerker door de inwoner of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.
4De medewerker bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
5De medewerker kan een deskundig oordeel en advies inwinnen van iemand die hier veel van af weet, als dit nodig is bij het beoordelen van een aanvraag.
6De medewerker bepaalt, in overleg met de inwoner en als dit nodig is ook met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het best helpt bij het goed uitvoeren van het werk door de inwoner.
7De medewerker onderzoekt, wanneer dat voor de situatie van de inwoner nodig is, met welke verschillende partijen binnen en buiten de organisatie samengewerkt kan worden. De inwoner wordt hiermee zo goed mogelijk geholpen op een manier waarbij de verschillende vormen van ondersteuning elkaar niet tegenwerken. Daardoor worden zijn mogelijkheden om te werken vergroot.
7.2.5Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider
1De medewerker kan een inwoner op de werkplek een externe jobcoach aanbieden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een jobcoach van STOER of een organisatie waarmee STOER een overeenkomst heeft, als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.
2De medewerker kan, als hier om gevraagd wordt, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.
3De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen. Dit hoeft niet als op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst het nog niet bekend was of kon zijn dat er ondersteuning nodig was.
4Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt, moet de werknemer weten dat er een aanvraag wordt gedaan en het eens zijn met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding.
5Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen.
6De jobcoach of interne werkbegeleiding bespreekt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever en legt dit vast in een plan van aanpak.
7De medewerker bespreekt met de werkgever en werknemer de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven, hoe lang en hoeveel uren het moet zijn en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever.
8Het college kan nadere regels vaststellen over de eisen van het coachingsplan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt.
9Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk geeft moet voldoen aan het Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning van het UWV. Deze is te lezen op www.uwv.nl.
10Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching nodig is wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes van het UWV. Deze staan in het protocol jobcoach 2019 artikel 2.4 die is te vinden op www.uwv.nl.
11De medewerker kan van de begeleidingsregimes van het UWV afwijken en maatwerk leveren wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en situatie van de inwoner.
7.2.6Scholing
1De medewerker kan een inwoner een cursus of opleiding aanbieden, als dat nodig is om de stap te zetten naar werk dat bij hem past.
2De medewerker bepaalt in overleg met de inwoner en, als dat nodig is ook met de werkgever, welke opleiding of cursus dat is, hoe deze eruit ziet en hoelang die duurt.
7.2.7Proefplaatsing
1De medewerker kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever om te proberen hoe dit gaat. Dit kan terwijl de inwoner zijn gemeentelijke inkomensondersteuning blijft ontvangen. We noemen dat een proefplaatsing.
2Het doel van de proefplaatsing is om de werkgever en de inwoner een beeld te laten krijgen van het werk en antwoord te krijgen op de vraag of de baan geschikt is voor de inwoner.
3De duur van de proefplaatsing is twee maanden. Wanneer de doelstellingen van de proefplaatsing nog niet behaald zijn, kan deze verlengd worden met maximaal vier maanden.
4Als de werkzaamheden op de proefplaats door ziekte tijdelijk stoppen, dan wordt deze ziekteperiode voor de maximale periode niet meegeteld.
5De medewerker biedt de proefplaatsing alleen aan als:
a.de werkgever de inwoner goed begeleid;
b.de werkgever het voornemen uitspreekt om de inwoner na een geslaagde proefplaatsing een contract aan te bieden;
c.de werkzaamheden passen bij wat de inwoner kan of nog kan leren;
d.als hierdoor de organisatie of het bedrijf geen oneerlijk voordeel krijgt en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
6In een schriftelijk contract tussen de medewerker, de inwoner en de werkgever wordt in ieder geval opgeschreven:
a.het doel van de proefplaatsing;
b.de startdatum;
c.hoelang de proefplaatsing duurt;
d.het aantal uren werk per week;
e.de manier van begeleiding;
f.het voornemen van de werkgever om de inwoner een contract aan te bieden.
7Een proefplaatsing kan niet ingezet worden tegelijkertijd met een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie.
7.2.8Werkervaringsplek
1De medewerker kan een inwoner een werkervaringsplek aanbieden.
2Het doel van een werkervaringsplek is om de inwoner werkritme en werkervaring te laten krijgen. Ook leert de inwoner (weer) hoe het is om te werken en om zijn taal te verbeteren. De persoonlijke leerdoelen worden samen met de inwoner opgesteld.
3De werkervaringsplek mag alleen als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de werkervaringsplek. De werkgever zorgt ervoor dat de inwoner meer ervaring krijgt met de inhoud van het werk, kennis krijgt van het vakgebied en/of werknemersvaardigheden ontwikkelt.
4De werkervaringsplek duurt maximaal zes maanden. Dit kan één keer verlengd worden met zes maanden.
5De medewerker biedt de werkervaringsplek alleen aan als hierdoor de organisatie of het bedrijf geen oneerlijk voordeel krijgt. Ook mag er geen verdringing van vrijwilligerswerk en/of betaalde arbeid zijn.
6In een schriftelijk contract tussen de betrokken partijen wordt in ieder geval vastgelegd:
a.het doel van de werkervaringsplek;
b.hoelang de werkervaringsplek duurt;
c.de momenten waarop besproken wordt hoe het gaat;
d.de manier waarop er begeleid wordt.
7.2.9Beschut werk
1Het UWV kan vaststellen of een inwoner een aangepaste werkplek en aangepast werk nodig heeft. De medewerker biedt een inwoner vervolgens een beschutte werkplek aan. Dat is een werkplek die is aangepast aan de mogelijkheden van de medewerker. Daarbij gelden de regels die in de Participatiewet zijn genoemd.
2Het doel van beschut werk is om inwoners een veilige werkplek te bieden. Die werkplek is veilig gemaakt voor werknemers die alleen in een aangepaste omgeving kunnen werken.
3De gemeente biedt maximaal het aantal beschutte werkplekken aan, waarvoor het Rijk de gemeente opdracht geeft.
4Het kan zijn dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan gebeuren als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. Wel kan de gemeente de inwoner dan helpen om zich voor te bereiden op een beschutte werkplek.
5De medewerker biedt de volgende mogelijkheden aan, zodat een inwoner beschut kan werken:
a.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
b.duidelijke grenzen van taken;
c.aanpassingen in de werksnelheid, het aantal uren of de begeleiding bij het werk.
6De medewerker kan een inwoner die beschut werk nodig heeft hulp aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maakt. Het gaat om de volgende mogelijkheden:
a.Hulp bij het invullen van de dag;
b.Sociale activiteiten;
c.Scholing;
d.Hulp bij schulden.
7.2.10Opstartpremie
1De inwoner die betaald werk gaat verrichten, kan per arbeidscontract een opstartpremie krijgen. Deze premie is bedoeld om kosten bij de start van een nieuwe baan te betalen.
2De premie is 250 euro voor inwoners die 21 jaar of ouder zijn. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoelang het arbeidscontract duurt.
3De premie is 62,50 euro voor inwoners die 18, 19 of 20 jaar oud zijn. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoelang het arbeidscontract duurt.
4Wanneer voor een 18-, 19-, of 20-jarige de hoogte van de inkomensondersteuning is aangepast kan de premie naar rato worden betaald.
5De premie kan maximaal één keer per 12 maanden worden gegeven.
7.2.11Participatieplaats
1De medewerker kan een inwoner met gemeentelijke inkomensondersteuning die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een contract tussen de medewerker, de werkgever en de inwoner.
2In een schriftelijk contract tussen betrokken partijen wordt in ieder geval vastgelegd:
a.het doel van de participatieplaats;
b.de momenten waarop besproken wordt hoe het gaat;
c.de manier waarop begeleid wordt.
3Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan lange tijd met behoud van gemeentelijke inkomensondersteuning op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die bij de inwoner passen en speciaal voor hem zijn bedacht.
4Een participatieplaats mag niet leiden tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
5De inwoner kan na iedere zes maanden een premie van €100,00 ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De medewerker beoordeelt dit.
7.2.12Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening
1De medewerker kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan in de vorm van natura en in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
2De medewerker biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en
b.het vervoer is alleen voor het reizen van huis naar het werk, proefplaatsing of opleiding en weer terug.
3De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en is maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.
4De medewerker trekt een eventueel bedrag dat aan de medewerker verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening, af van de door de gemeente te verstrekken vervoersvoorziening.
7.2.13Ondersteuning bij een motorische handicap
De medewerker kan hulp inzetten voor mensen die moeite hebben met bewegen door middel van een voorwerp/ondersteuning die hen kan helpen deze functies te vervangen of te ondersteunen.
7.2.14Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening
1De medewerker kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.
2Er is geen lijst van voorzieningen waarvan geldt dat alleen de voorzieningen die op die lijst staan toegekend kunnen worden. In principe kan elk product hier onder vallen als duidelijk gemaakt kan worden dat het echt noodzakelijk en een pluspunt is voor het werk.
3De meeneembare voorziening wordt in principe uitgeleend. In bijzondere gevallen kan de medewerker besluiten de voorziening als bezit aan iemand te geven.
7.3 Maatschappelijke Participatie
[PW, IOAZ, IOAW]
1De inwoner kan maatschappelijk participatie zelf vormgeven, indien gewenst met hulp van de medewerker.
2De medewerker kan een inwoner activiteiten aanbieden passend bij maatschappelijk participatie.
3De medewerker houdt rekening met de wensen, de mogelijkheden, de kennis en vaardigheden van de inwoner bij het aanbieden van de activiteiten.
4Het doel van maatschappelijke participatie is de inwoner te helpen actief te blijven meedoen in de samenleving. Persoonlijke groei en eenzaamheid voorkomen zijn belangrijke doelen. Ook kan maatschappelijk participatie helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
5Maatschappelijk participatie zorgt niet voor verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en leidt ook niet tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
6Maatschappelijk participatie vormt geen belemmering voor de arbeidsinschakeling.
7De gemeente kan nadere regels stellen.
7.4 Innovatie
[PW, IOAZ, IOAW]
1De gemeente kan – waarbij ze rekening blijven houden met wat in dit hoofdstuk staat – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten.
2Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners nieuwe voorzieningen en manieren van werken te onderzoeken.
3Een experiment duurt niet langer dan vijf jaar.
4Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is.
8 Inkomen en Schulden
8.1 Inkomenstoeslag
[PW]
Voor inwoners die langdurig moeten leven van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen bestaat de inkomenstoeslag. Dat is een toeslag die jaarlijks kan worden gegeven en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke extra voorwaarden er gelden.
8.1.1Doelgroep
De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die in een periode van één jaar achter elkaar en zonder dat daarin een stop is geweest (referteperiode) een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De kostendelersnorm wordt hierbij niet toegepast.
Niet voor de inkomenstoeslag komt in aanmerking de inwoner die
een opleiding volgt als bedoeld in de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS), of een studie volgt als genoemd in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), of
in de referteperiode zo’n opleiding of studie volgde.
8.1.2Hoogte van de toeslag
De inkomenstoeslag is per kalenderjaar:
€ 465 voor een alleenstaande;
€ 595 voor een alleenstaande ouder;
€ 670 voor gehuwden of samenwonenden.
Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
De gemeente bekijkt elk jaar of de inkomenstoeslag verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna. Bij het verhogen volgt de gemeente de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.
8.2 Schuldhulpverlening
[Wgs]
De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen de gemeente om ondersteuning en hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hier worden de belangrijkste punten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
8.2.1Schuldhulpverlening en samenwerking
De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben ondersteuning en hulp bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die ondersteuning en hulp is dat inwoners een gezonde financiële huishouding krijgen en houden.
Inwoners met problematische schulden en of geldzorgen kunnen bij de gemeente terecht voor onder meer advies, coaching, en tot het komen van een duurzame oplossing voor de schulden. Het uitgangspunt is dat schuldhulpverlening makkelijk bereikbaar is.
Sinds 1 januari 2021 zijn gemeenten wettelijk verplicht om actief signalen van schulden vroegtijdig op te sporen en daarop te handelen. Dit gebeurt in samenwerking met vaste lastenpartners, zoals woningcorporaties, zorgverzekeraars, het waterbedrijf en energiebedrijven.
De gemeente werkt bij het voorkomen en tegengaan van armoede en schulden zoveel als mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente moedigt initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het voorkomen en tegengaan van schulden aan.
8.2.2Besluit
De gemeente moet in de verordening vastleggen binnen welke termijn na het eerste gesprek een besluit wordt genomen over de toegang tot schuldhulpverlening.
Van de inwoner wordt verwacht dat hij de belangrijkste documenten, waarover het college niet zelf kan beschikken, zo snel mogelijk aan de gemeente geeft om een besluit over de ondersteunings- of hulpvraag te kunnen nemen.
De gemeente is verplicht binnen een redelijke termijn te reageren op de ondersteunings- en hulpvraag. De periode waarbinnen moet worden besloten is in artikel 4a, derde lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening vastgesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is vastgesteld.
9 Inburgering
9.1 Doelgroep
Asielmigranten met een verblijfsstatus (statushouders) die door het COA gekoppeld worden aan de gemeente. Hierbij horen ook nareizende familieleden die een verblijfsstatus hebben gekregen.
Gezinsmigranten: dit zijn de mensen vanuit de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) bericht hebben gekregen dat ze verplicht zijn om in te burgeren.
9.2 Inburgeringsvoorzieningen
Om het inburgeren goed te laten verlopen zijn er in de Wet een aantal stappen vastgelegd. Sommige stappen zijn verplicht en moeten worden doorgegeven aan DUO. Het gaat om de volgende stappen:
•Leerbaarheidstoets
•Brede intake
•Persoonlijk inburgerings- en participatieplan (PIP)
•Module arbeidsparticipatie (MAP)
•Participatieverklaringstraject (PVT)
•Leerroute: B1 leerroute of zelfredzaamheidsroute (Z-route) of de Onderwijsroute.
Daarnaast hoort ook de maatschappelijke begeleiding bij het verhuizen, wonen en financiële zelfredzaamheid (hoe werkt dit allemaal In Nederland) tot de inburgeringsvoorzieningen. De gemeente werkt samen met verschillende professionele partijen om een goed aanbod te hebben.
9.3 Handhaving Wet inburgering
(Wi)
9.3.1Waarschuwing
Wanneer de inwoner die verplicht is om in te burgeren ook na een waarschuwing niet meewerkt aan de verplichte onderdelen van het inburgeringstraject dan kan hij een boete krijgen. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1 van het Besluit inburgering 2021. De gemeente legt geen boete op wanneer na onderzoek blijkt dat de inwoner niet schuldig is aan het niet meewerken aan de verplichte onderdelen en iedere verwijtbaarheid ontbreekt.
9.3.2Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet
1Wanneer een inwoner die verplicht is om in te burgeren gemeentelijke inkomensondersteuning (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het Persoonlijk inburgerings- en participatieplan (PIP), die horen bij het ontwikkelen richting werken of meedoen in de maatschappij, vindt liefst verlaging van de gemeentelijke inkomensondersteuning plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet. De gemeente legt voor dit gedrag dan geen bestuurlijke boete op grond van de Wi 2021 op.
2Wanneer een inburgeringsplichtige die gemeentelijke inkomensondersteuning ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt de gemeente liefst een boete op grond van de Wi 2021 op. De gemeente verlaagt in dat geval voor dit gedrag de gemeentelijke inkomensondersteuning niet.
3Bij de keuze tussen handhaving volgens de Participatiewet door een verlaging van de gemeentelijke inkomensondersteuning en handhaving volgens de Wet inburgering 2021 via een boete bekijkt de gemeente ook welke manier van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, volgens haar het best helpt om het inburgeringstraject met succes af te maken.
4Wanneer bepaald gedrag een overtreding van de Participatiewet is en artikel 18 of 18 b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om de gemeentelijke inkomensondersteuning niet te verlagen, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete volgens de Wet inburgering 2021.
5In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige schrijft de gemeente of er een boete volgens de Wet inburgering 2021 wordt opgelegd of dat de gemeentelijke inkomensondersteuning wordt verlaagd volgens de Participatiewet.
9.4 Verrekening boete Wi met gemeentelijke inkomensondersteuning
De gemeente kan de bestuurlijke boete die volgens de Wi 2021 aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de gemeentelijke inkomensondersteuning. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4:93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met de beslagvrije voet volgens Artikel 475.b. e.v. Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering dit is een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, met de vakantietoeslag meegerekend.
10 Afspraken tussen inwoner en gemeente
10.1 Hoe gaan we met elkaar om?
10.1.1De rol van de gemeente en Buurtzorg Jong en Samen Sterker Thuis
[Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet, Awb, Wgs]
De gemeente, Buurtzorg Jong (BZJ) of Samen Sterker Thuis zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn hulpvraag. Gemeente/BZJ/Samen Sterker Thuis (verder: de dienstverlenende organisatie) en inwoner gaan daarbij op een manier met elkaar om waarbij zij gelijk aan elkaar zijn. De dienstverlenende organisatie zorgt voor het volgende:
1Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de dienstverlenende organisatie contact met hem houdt. De dienstverlenende organisatie houdt het aantal contactpersonen zo laag mogelijk.
2De inwoner heeft, om zijn hulpvraag te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de dienstverlenende organisatie of bij de inwoner thuis.
3De dienstverlenende organisatie helpt de inwoner om zijn hulpvraag bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij deze hulpvraag een taak is voor die organisatie.
4De dienstverlenende organisatie informeert de inwoner op een manier die bij hem past over de manier van werken en zorgt ervoor dat die manier van werken zo eenvoudig mogelijk is.
5De dienstverlenende organisatie respecteert de privacy van de inwoner.
6De dienstverlenende organisatie maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de dienstverlenende organisatie aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
7De dienstverlenende organisatie wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.
10.1.2 De rol van de inwoner
[Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, Gemeentewet, Awb]
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn hulpvraag. De gemeente, BZJ of Samen Sterker Thuis (verder: de dienstverlenende organisatie) vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a.De inwoner gebruikt eerst de eigen mogelijkheden voordat hij hulp vraagt aan de dienstverlenende organisatie.
b.Als de dienstverlenende organisatie hulp verleent bij de hulpvraag dan werkt de inwoner hieraan mee.
c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van dienstverlenende organisatie niet langer duurt dan nodig is.
2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn hulpvraag zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.De inwoner informeert de dienstverlenende organisatie zo snel en zo compleet mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten.
b.De dienstverlenende organisatie ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.
c.De inwoner brengt de dienstverlenende organisatie zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de dienstverlenende organisatie.
d.De inwoner werkt mee aan onderzoek als dit nodig is om te bepalen of hij beperkingen heeft die invloed hebben op de aanspraak op een voorziening.
10.2 Beëindigen en terugvorderen maatwerkvoorziening
10.2.1Beëindiging maatwerkvoorziening
[Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, Wgs]
1De gemeente/BZJ kan een maatwerkvoorziening (in zorg in natura (ZIN), geld of persoonsgebonden budget (PGB) beëindigen als:
a.de maatwerkvoorziening niet langer bij de inwoners past of nodig is;
b.de inwoner zich niet houdt aan regels en verplichtingen die voor de maatwerkvoorziening gelden;
c.de maatwerkvoorziening is gegeven/geleverd op grond van verkeerde of niet complete gegevens van de inwoner;
d.de gemeente/BZJ niet langer kan vaststellen of een maatwerkvoorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de maatwerkvoorziening;
e.de maatwerkvoorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor die is bedoeld;
f.de inwoner niet binnen zes maanden gebruik heeft gemaakt van de maatwerkvoorziening, behalve als de inwoner dit op tijd meldt en dit de inwoner niet te verwijten valt. Als de inwoner binnen de periode van zes maanden melding maakt bij de gemeente, verlengt de gemeente bij een gegronde reden de periode.
2De maatwerkvoorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
10.2.2Terugvordering voorziening
[Wmo, Jeugdwet, PW, Burgerlijk Wetboek]
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan de wet en één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 10.2.1.
10.3 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
10.3.1Controle
[Jeugdwet, Wmo, LLV]
1De gemeente/BZJ controleert regelmatig of de inwoner de maatwerkvoorziening nog nodig heeft en of hij de juiste voorziening heeft ontvangen.
2De controle van de maatwerkvoorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.
3Bij het stoppen van de maatwerkvoorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente/BZJ wat de reden is van de stopzetting. De gemeente/BZJ gaat ook na of de maatwerkvoorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
10.3.2Voorkomen van oneigenlijk gebruik
[Jeugdwet, Wmo, LLV, PW]
De gemeente streeft ernaar om oneigenlijk gebruik te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een goed passende manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en gebruik van voorzieningen die niet volgens de regels is.
10.3.3Privacy bij controle op oneigenlijk gebruik
[Jeugdwet, Wmo, LLV, PW, IOAW, IOAZ, Wgs]
1De gemeente/BZJ/SST/Stoer werkt volgens bepaalde regels voor het afleggen van een huisbezoek bij een inwoner die gemeentelijke inkomensondersteuning/uitkering/voorziening ontvangt. Dit heet een protocol. Dit protocol zorgt ervoor dat er niet op een onjuiste manier tegen het privéleven van inwoners wordt in gegaan. De inwoner kan dit protocol inzien.
2Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente/BZJ/SST/Stoer ervoor dat er rekening wordt gehouden met persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, en dat de controle niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
10.3.4Toezichthouders
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Awb]
De gemeente heeft één of meer ambtenaren aangewezen die de taak hebben om erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
10.4 Het verlagen van gemeentelijke inkomensondersteuning
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
In dit hoofdstuk van de verordening waarin het gaat over afspraken tussen inwoner en gemeente wordt verteld over handhaving (controle) en naleving (je houden aan afspraken). De huidige Participatiewet schuurt stevig met de doelen die wij als gemeente nastreven rond werk en inkomen. En dit schuren is het meest duidelijk in het onderdeel handhaving en naleving. We gaan in onze gemeente in alle gevallen uit van vertrouwen in de inwoner tot het tegendeel bewezen wordt. Op het moment dat we iets opmerken gaan we open het gesprek aan met de inwoner om te kijken wat er aan de hand is. Hierbij houden wij duidelijk rekening met de persoonlijke situatie van een inwoner. We gaan hierbij uit van situationele gelijkheid. Dat betekent dat niet iedereen hetzelfde krijgt, maar dat iedereen krijgt wat hij nodig heeft. Daarbij kijken we zoveel mogelijk écht naar de inwoner en wat voor hem écht nodig is. Dit betekent dat we ook kijken naar het effect van de eventuele verlaging op de situatie van de inwoner en het gezin. Daarbij bekijken we of het effect van de verlaging past bij wat de inwoner heeft gedaan. Als dit zo is passen we de verlaging daarop aan. We beseffen heel goed dat het verlagen van een inkomensvoorziening een flinke ingreep/daad is. We grijpen namelijk in op het inkomen van mensen die al op het minimumbestaansniveau moeten leven en in een ongelijke situatie zitten waarin zij afhankelijk zijn van de gemeente. Dat betekent dat we vooraf heel goed kijken of we wel of niet een verlaging toepassen.
10.4.1Afzien van verlaging
1De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensondersteuning niet
a.als het gedrag van de inwoner niet zijn eigen schuld is;
b.als het gedrag meer dan één jaar voor het nemen van een besluit heeft plaatsgevonden;
c.als de gemeente binnen één jaar nadat het gedrag is opgemerkt nog geen besluit genomen heeft;
d.als de gemeente daar dringende redenen voor ziet.
2De gemeente informeert de inwoner via een brief met daarin het besluit en de uitleg.
10.4.2Zorgvuldigheid bij het besluit tot opleggen van een verlaging
1De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
a.zijn rechten en plichten;
b.wat er van hem wordt verwacht;
c.welk gedrag niet geaccepteerd wordt;
d.wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet geaccepteerd wordt; en
e.waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
2De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn reactie te geven vóórdat de gemeente beslist om vanwege niet geaccepteerd gedrag van de inwoner te handelen.
3De gemeente zorgt dat de reactie op niet geaccepteerd gedrag past bij:
a.de ernst van het gedrag;
b.of het gedrag de eigen schuld van de inwoner is; en
c.de persoonlijke omstandigheden van de inwoner.
4De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensondersteuning als:
a.dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij het gedrag van de inwoner;
b.als het gedrag van de inwoner zijn eigen schuld is; en
c.de persoonlijke omstandigheden van de inwoner geen reden zijn om niet te verlagen.
5Het beoordelen zoals bedoeld in lid 3, kan ertoe leiden dat de gemeente afwijkt van de in dit hoofdstuk genoemde standaardverlagingen.
6De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt.
7De gemeente kan op verzoek van de inwoner of na een eigen besluit de verlaging aanpassen zodra uit de houding en het gedrag van de inwoner is gebleken dat hij de niet of onvoldoende nagekomen verplichtingen alsnog nakomt.
10.4.3Vaststellen van de verlaging
1De verlaging wordt berekend over de gemeentelijke inkomensondersteuningsnorm die geldt voor de inwoner, met de vakantietoeslag meegerekend.
2Bij een zelfstandig wonende inwoner van 18, 19 of 20 jaar wordt de verlaging berekend over de daadwerkelijk ontvangen inkomensondersteuning. Dit kan de gemeentelijke inkomensondersteuningsnorm betreffen verhoogd met een aanvulling op grond van artikel 20 lid 3 van de Participatiewet en/of artikel 18 lid 1 van de Participatiewet.
3De verlaging gaat in vanaf de eerstvolgende kalendermaand waarover nog geen gemeentelijke inkomensondersteuning is uitbetaald.
4Soms wordt de gemeentelijke inkomensondersteuning beëindigd en kan de gemeente de gemeentelijke inkomensondersteuning niet verlagen. Als de inwoner dan binnen zes maanden opnieuw een gemeentelijke inkomensondersteuning gaat ontvangen, kan de gemeente besluiten de verlaging alsnog toe te passen.
5Een verlaging die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden nadat deze is ingegaan opnieuw beoordeeld.
10.4.4Niet nakomen van de wettelijke arbeidsverplichtingen
1Als een inwoner een verplichting zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de standaard verlaging 100 procent van de gemeentelijke inkomensondersteuningsnorm voor de periode van een maand.
2Ook in deze situaties past de gemeente altijd artikel 18 lid 1 Participatiewet of artikel 10.4.2 van deze verordening toe, namelijk de mogelijkheid om de verlaging te laten passen bij de persoonlijke omstandigheden van de inwoner.
3De gemeente kan daarnaast de verlaging spreiden over drie maanden na elkaar als dat door een bijzondere situatie nodig is.
10.4.5Overige bepalingen rondom verplichtingen
1De inwoner is verplicht om zich te houden aan de arbeidsverplichting. Dit betekent aan het werk gaan, meewerken aan de weg naar werk of meedoen in de samenleving. Dit staat in artikel 9, eerste lid Participatiewet. Als de inwoner onvoldoende of door eigen schuld niet meewerkt, dan verlaagt de gemeente de inkomensondersteuning. Dit gebeurt alleen als er geen geldige reden is voor het gedrag. De persoonlijke situatie telt mee bij deze beslissing. Hoeveel minder inkomensondersteuning een inwoner krijgt hangt af van de soort verplichting. De regels daarvoor staan in het tweede lid van dit artikel.
2eerste categorie:
a.Te laat inschrijven als werkzoekende;
b.Het niet verschijnen of te laat verschijnen op een afspraak;
c.Het niet verschijnen op een training zonder vooraf contact op te nemen.
tweede categorie:
d.Onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een activiteitenplan of werkplan;
e.Onvoldoende proberen om werk te vinden en dit gedrag niet onder de geüniformeerde verplichting valt.
derde categorie:
f.Niet proberen werk te vinden en dit gedrag niet onder de geüniformeerde verplichting valt;
g.Door gedrag te vertonen dat de arbeidsinschakeling belemmert en dit gedrag niet onder de geüniformeerde verplichting valt.
3De verlaging bij gedragingen zoals bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld op:
a.10 procent van de inkomensondersteuning gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;
b.20 procent van de inkomensondersteuning gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;
c.50 procent van de inkomensondersteuning gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.
4De gemeente kan een schriftelijke waarschuwing geven bij de eerste keer dat de inwoner dit gedrag vertoont binnen een periode van drie jaar.
5Als gedrag kan leiden tot een boete op grond van de Wi 2021 én tot een verlaging op grond van deze verordening, dan past de gemeente deze verordening toe.
10.4.6Te weinig besef van verantwoordelijkheid
1De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensondersteuning van een inwoner die zich te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is om te zorgen dat hij voldoende geld heeft om voor zichzelf te kunnen zorgen. Door dat gedrag heeft de inwoner meer of langer gemeentelijke inkomensondersteuning nodig, dan wanneer de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente heeft daardoor een nadeel. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag).
2De gemeente kan besluiten de gemeentelijke inkomensondersteuning te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt.
3De verlaging duurt één maand en is:
a.10% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-.
b.20% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot € 2.000,-.
c.40% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-.
d.100% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000,-
e.50% van de maandelijkse inkomensondersteuningsnorm, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.
10.4.7Ontoelaatbaar gedrag
1De gemeente verlaagt de gemeentelijke inkomensondersteuning van een inwoner die zich op een manier die wij niet toestaan gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ uitvoeren.
2De gemeentelijke inkomensondersteuning wordt verlaagd met 50% voor een periode van 1 maand.
10.4.8Niet nakomen van andere verplichtingen/plichten
1De gemeente verlaagt de inkomensondersteuning van een inwoner die een opgelegde aanvullende verplichting/plicht als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt.
2De verlaging is 20% van de maandelijkse inkomensondersteuning voor de duur van 1 maand als het gaat om
a.Verplichtingen/plichten die gericht zijn op werk;
b.Verplichtingen/plichten die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van ondersteuning.
3De verlaging is 40% van de maandelijkse inkomensondersteuning voor de duur van 1 maand als het gaat om verplichtingen/plichten die zijn gericht op vermindering van de gemeentelijke inkomensondersteuning.
4De verlaging is 100% van de maandelijkse inkomensondersteuning voor de duur van 1 maand als het gaat om verplichtingen/plichten die gericht zijn op het stoppen van de gemeentelijke inkomensondersteuning.
5De gemeente kan een schriftelijke waarschuwing geven bij de eerste keer dat de inwoner dit gedrag vertoont binnen een periode van drie jaar.
10.4.9Samenloop van gedragingen
1Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan net als de periode die bij die verlaging hoort.
2Als er sprake is van meerdere gedragingen die ervoor zorgen dat één of meer verplichtingen/plichten niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden tegelijk of – als dat niet mogelijk is – na elkaar opgelegd.
3Ook in deze situaties past de gemeente altijd artikel 18 lid 1 Participatiewet of artikel 10.4.2 van de verordening toe. Dat is de mogelijkheid om bij de verlaging rekening te houden met de persoonlijke situatie van de inwoner.
10.4.10Herhaling (Recidive)
1De hoogte van de verlaging wordt verdubbeld als de inwoner zich binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit opnieuw zo gedraagt waardoor de inkomensondersteuning wordt verlaagd.
2Op basis van artikel 10.4 kan de verlaging, wanneer de persoonlijke omstandigheden daarom vragen, over meerdere maanden verdeeld worden.
3De hoogte wordt ook verdubbeld als de gemeente eerder alleen een waarschuwing heeft gegeven. Het moet dan gaan om een gedraging die kan leiden tot eenzelfde of grotere verlaging dan bij de eerdere gedraging.
4Een herhaalde verlaging kan maximaal 3 maanden duren.
11 Inspraak en inwonersparticipatie
11.1 Inspraak van de inwoners
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet, PW, WSW, Wgs]
1De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Inspraakverordening zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij:
a.opstellen/maken van beleid en regels;
b.de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert;
c.de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening);
d.de manier waarop zorgaanbieders en leveranciers hun taken uitvoeren.
2Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering.
3De gemeente kan inwoners op de volgende manier inspraak geven:
a.via de Adviesraad Sociaal Domein;
b.door vragen te stellen aan inwoners, bijvoorbeeld met enquêtes of bijeenkomsten;
c.door samen met inwoners een plan te ontwerpen.
4De gemeente kiest een vorm van inspraak die past bij het onderwerp en de groep die het betreft.
5De gemeente heeft voor de Adviesraad Sociaal Domein een regeling vastgesteld.
6Voor de inwoners met een WSW-dienstverband is er de mogelijkheid tot inspraak via de Ondernemingsraad en de Onderdelencommissie bij Laborijn. Laborijn is de uitvoerende partij voor inwoners met een WSW-dienstverband.
11.2 Hulp van de gemeente bij inspraak
[Jeugdwet, Wmo LLV, PW, Wgs]
De gemeente zorgt voor goede inspraak en doet dat op de volgende manier:
1het moment waarop inspraak kan worden gegeven, geeft inwoners voldoende mogelijkheid om invloed te hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of uitvoering daarvan.
2de inwoners worden deskundig ondersteund zodat de inspraak volwaardig is.
3de inwoners kunnen deelnemen aan overleg met de gemeenten over kernwaarden, beleid, regels en de uitvoering daarvan.
4de inwoners krijgen op tijd en voldoende informatie om goede inbreng te kunnen geven.
11.3 Inspraak bij zorgaanbieders en leveranciers
[Jeugdwet, Wmo, LLV]
1Leveranciers zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten, inspraak te geven en daarover regels te maken. De gemeente bepaalt over welke onderwerpen de inspraak gaat en welke vorm de inspraak heeft.
2De gemeente controleert of de zorgaanbieder of leverancier zich houdt aan de regels voor inspraak.
12 Niet eens met de uitvoering
12.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure
[Awb, Gemeentewet]
1De gemeente ziet een klacht als:
a.een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken;
b.een middel voor de inwoner om zijn mening kenbaar te maken;
c.een mogelijkheid om de dienstverlening aan de inwoners te verbeteren;
d.een manier om het vertrouwen te herstellen;
e.een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te repareren.
2De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, kan zijn klacht of bezwaar in een gesprek uit te leggen. Dit gebeurt niet als het voor de gemeente meer dan duidelijk is dat een uitleg in een gesprek geen enkele meerwaarde heeft.
3De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente duidelijk maken via een eenvoudige en nuttige klachten- en bezwaarprocedure.
4De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.
5De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt.
12.2 Klachtenfunctionaris gemeente
[Awb, Gemeentewet]
1De gemeente heeft een klachtenfunctionaris. De inwoner kan bij deze medewerker een klacht indienen over:
•het gedrag van medewerkers en de bejegening van de inwoner;
•de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld;
•de manier waarop de gemeente voorzieningen en diensten heeft uitgevoerd.
2De gemeente regelt in een klachtenregeling hoe een klacht kan worden ingediend en hoe de klachtenprocedure verloopt.
12.3 Klachten over andere personen of organisaties
[Awb, Wmo, Jeugdwet]
1De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld.
2De gemeente controleert of de klachtenregeling van personen of instanties die zijn ingehuurd wordt nageleefd.
3Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de ingehuurde persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente.
4De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of instanties die de gemeente heeft ingehuurd, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente regelt hoe die melding wordt behandeld.
12.4 Vertrouwenspersoon
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet]
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp van de gemeente krijgt, een onafhankelijke vertrouwenspersoon kan spreken. De inwoner kan bij deze vertrouwenspersoon terecht voor een vertrouwelijk gesprek over bijvoorbeeld ongewenste omgangsvormen, problemen, klachten en vragen in verband met de geboden hulpverlening.
2Voor de Jeugdwet geldt: de vertrouwenspersoon kan de inwoner (jeugdige, ouder of pleegouder) op verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).
12.5 Bezwaar
[Awb]
1De inwoner die het niet eens is met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening, kan daartegen bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de Algemene wet bestuursrecht. De inwoner kan hierbij ondersteuning krijgen van een onafhankelijke deskundige.
2Voordat de gemeente een besluit over een bezwaarschrift neemt, neemt een medewerker telefonisch contact op met de inwoner om het bezwaar te bespreken. De medewerker geeft uitleg over het besluit van de gemeente en informeert bij de inwoner naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door de gemeente. Het kan ertoe leiden dat de inwoner het bezwaar intrekt, het besluit beter wordt begrepen of dat de gemeente een ander besluit neemt.
13 Kwaliteit en aanbesteding
13.1 Kwaliteit
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet]
1Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn.
2De diensten en producten:
a.passen bij de behoefte van de inwoner;
b.zijn veilig, geschikt en makkelijk te gebruiken voor de inwoner;
c.voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard;
d.respecteren de rechten van de inwoner;
e.passen bij andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd;
f.worden geleverd op een bepaalde manier die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld.
3De gemeente kan zorgaanbieders en leveranciers niet mee laten doen als de zorgaanbieder geregistreerd staat bij het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ).
4De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de kwaliteitseisen worden uitgewerkt.
13.2 Kwaliteit van de dienstverlening
[PW]
1De gemeente voert regelmatig onderzoek uit naar de kwaliteit van de dienstverlening.
2In verband met het bepaalde in lid 1 wordt minimaal éénmaal per twee jaar een klanttevredenheidsonderzoek gehouden.
3Het onderzoek als bedoeld in lid 2 richt zich op:
a.de kwaliteit van het proces;
b.de kwaliteit van hoe de klant wordt behandeld;
c.de kwaliteit van het geleverde product.
13.3 Inkoop en aanbesteding
[Jeugdwet, Wmo, LLV, Gemeentewet]
1De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening een belangrijke rol speelt bij de inkoop en de aanbesteding.
2Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij:
a.diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en
b.als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht.
3De gemeente baseert de vaste prijs of de reële kostprijs op de volgende elementen:
a.de aard en omvang van het diensten- of productenpakket dat wordt geleverd;
b.de arbeidsvoorwaarden van het personeel volgens de cao die van toepassing is;
c.een redelijke toeslag voor overheadkosten;
d.personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, werkoverleg, ziekte en verlof van personeel;
e.reis- en opleidingskosten;
f.kosten door verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen;
g.het jaarlijks aanpassen van de kostprijs door stijging van de kosten.
14 Van oud naar nieuw
14.1 Uitvoeringsregels
[Gemeentewet]
De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met bepaalde dingen die zij mag doen of bepalen omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet. De gemeente heeft een nadere regeling in de vorm van een Besluit Sociaal Domein en beschikt over beleidsregels Sociaal Domein.
14.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
[Gemeentewet]
De medewerker kan met (goede) redenen afwijken van een bepaling uit deze verordening als het toepassen van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald. Er kan dan op grond van ongeschreven buitenwettelijk begunstigend beleid een besluit worden genomen ten gunste van de inwoner.
14.3 Intrekken oude verordeningen
[Gemeentewet]
De verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025, zoals vastgesteld op 20 februari 2025 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening ingaat.
14.4 Overgangsrecht
[Gemeentewet]
Een maandelijkse (maatwerk)voorziening die op grond van de ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 2026 doorlopen. Deze (maatwerk)voorziening loopt door totdat een nieuw besluit over die voorziening is genomen.
Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2026 en waarover pas later een besluit wordt genomen wordt afgehandeld volgens deze verordening.
14.5 Ingangsdatum en naam
[Gemeentewet]
1Deze verordening wordt genoemd: Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2026.
2Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en vervangt de eerdere Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2025.