Aanhef
De raad van de gemeente Ooststellingwerf;
nr.12
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 juli 2024;
gelet op artikel 4.19 van de Omgevingswet;
Besluit
1De sneltoetscriteria vast te stellen, met de bedoeling deze onderdeel uit te laten maken van de welstandsnota op basis van artikel 4.19 van de Omgevingswet.
2Geen inspraak op basis van de inspraakverordening toe te passen, omdat de sneltoetscriteria een ondergeschikte herziening op de welstandsnota zijn.
Bijbehorende bouwwerken Aan- en uitbouwen voorzijde
Bijbehorende bouwwerken Aan- en uitbouwen zijkant
Definitie
Een bijbehorende bouwwerk is een grondgebonden gebouw in één bouwlaag met optioneel een kap. Specifiek gaat het hier om uit- en aanbouwen die op een hoekkavel komen en aan de zijkant zijn gericht op de openbare ruimte. Bij een uitbouw gaat het bijvoorbeeld om een vergroting van de woonkamer of keuken van een woning. Bij een aanbouw gaat het bijvoorbeeld om een garage of carport.
Een bijbehorend bouwerk met kap is niet wenselijk bij een plat afgedekt éénlaags hoofdgebouw.
Doel
Belangrijk is dat de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat het bijbehorende bouwwerk qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Tot slot is het wenselijk dat er gevelopeningen op de straat zijn gericht; “ogen” op de straat.
Plaatsing
•Afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot zijerfgrens minimaal 2m.
•Voor de afstand tot de voorgevelrooilijn wordt de 45°-regel gehanteerd.
•Afstand tot de achterste perceelgrens minimaal 2m.
Vormgeving
•Gevelgeleding afgestemd op de gevelgeleding van hoofdgebouw;
•Indeling en profielen van kozijnen afgestemd op die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw;
•De aan- en uitbouw heeft openingen gericht op de openbare ruimte; “ogen” op de straat;
•Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.
Afmetingen bij een plat afgedekte bijbehorend bouwerk
•Bij aan- en uitbouw aan een hoofdgebouw van één bouwlaag met een plat dak: bouwhoogte van de aan- en uitbouw 0,3m onder de dakrand of exact gelijk aan het hoofdgebouw, met een maximum van 3m;
•Bij aan- en uitbouw aan een kopgevel van een hoofdgebouw met een kap: dakrand niet hoger dan 0,3m boven de eerste verdiepingvloer van het hoofdgebouw, met een maximum van 3m;
•Bij aan- en uitbouw aan een langsgevel van een hoofdgebouw van één bouwlaag met een kap: bouwhoogte van de aan- en uitbouw 0,3m onder de goot van het hoofdgebouw, met een maximum van 3m;
•Bij aan- en uitbouw aan een langsgevel van een hoofdgebouw van twee bouwlagen met een kap: dakrand niet hoger dan 0,3m boven de eerste verdiepingvloer van het hoofdgebouw, met een maximum van 3m.
Afmetingen bij een bijbehorend bouwerk met kap
•De goothoogte gelijk of lager dan de goothoogte van het hoofdgebouw, met een maximum van 3m;
•De nokhoogte minimaal 0,5m onder de nokhoogte van het hoofdgebouw met een maximum van 5m;
•Bij gebruik van een hellende kap: kaphelling afstemmen op de oriëntatie en helling van de kap van het hoofdgebouw.
Materiaal en kleur
•Metselwerk: gelijk aan hoofdgebouw;
•Hout of gelijkwaardig: naturel vergrijzend of gedekte, donkere kleur;
•Boeidelen: afgestemd op het hoofdgebouw;
•Materiaal en kleur dakbedekking afgestemd op het hoofdgebouw.
Bijlage Begrippenlijst
A
Aanbouwen: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw.
Aangekapt: Met kap bevestigd aan dakvlak.
Achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw, zoals bedoeld in het Besluit omgevingsrecht (Bor)
Achterkant: De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar toegankelijk gebied
Adviescommissie omgevingskwaliteit: Gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet. De commissie heeft als taak de raad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.
Afdak: Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen.
Afstemmen: In overeenstemming brengen met.
Asymmetrisch dak: Zadeldak met twee verschillende goothoogtes en/of dakhellingen.
Authentiek: Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.
B
Band: Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen.
Bebouwing: Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.
Beschot: Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.
Bedrijfsbebouwing: Gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.
Behouden: Handhaven, bewaren, in stand houden.
Belendende: Naastgelegen, (direct) grenzend aan.
Beschermd Stadsgezicht: Door de Minister aangewezen Beschermd Stadsgezicht op grond van de Monumentenwet.
Bijgebouwen: Grondgebonden gebouw meestal van één bouwlaag dat los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage.
Bijbehorend bouwwerk: Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk met een dak, zoals bedoeld in het Bor.
Biobased: Biobased bouwmaterialen zijn bouwmaterialen gemaakt van planten of materiaal van bacteriën, dieren of schimmels, die ecologisch verantwoord geteeld, geoogst, gebruikt en hergebruikt worden. Zie ook hergroeibaar.
Blinde wand: Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.
Bloemkozijn: Een bloemkozijn wordt geplaatst op de gevel, waardoor het kozijn buiten de gevel uitsteekt. Dit kozijn breekt daarmee de vlakke muur aan de buitenkant van de woning. Door de extra diepte ontstaat er in de woning meer ruimte voor een bredere vensterbank.
Boeiboord: Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
Boerderij: Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis.
Bor: Besluit omgevingsrecht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Borstwering: Lage dichte muur tot borsthoogte.
Bouwblok: Een geheel van geschakelde bebouwing.
Bouwen: Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.
Bouwlaag: Horizontale reeks ruimten in een gebouw.
Bouwperceel: Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
Bouwwerk: Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren
Bovenbouw: Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament.
Brink: De brink is van oorsprong de boerengebruiksruimte waar het vee werd verzameld om daarmee als kudde naar de gemeenschappelijke weidegronden te gaan. Brinken zijn veelal in de loop der tijd omgevormd tot een dorpsplein, dat vaak nog bestaat uit gras en bomen.
Bungalow: Meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.
C
Carport: Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning.
Classicisme: Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.
Conformeren: Zich voegen naar, gelijkvormig maken, aanpassen aan, afstemmen op.
Context: Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.
Contour: Ruimtelijke buitenomtrek bebouwing.
Contrasteren: Een tegenstelling vormen.
D
Dak : Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak.
Dak afdekking: Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dekking is aangebracht.
Dakhelling: De hoek van het dakvlak.
Dakkapel: (Ondergeschikte) toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten.
Daknok: Hoogste punt van een schuin dak.
Dakopbouw: Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
Dakraam: Raam in een dak.
Daktrim: Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering.
Dakvlak: Een vlak van het dak/kap.
Dakvoet: Laagste punt van een schuin dak.
Damwandprofiel: Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering.
Detail: Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.
Detaillering: Uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen
Diversiteit: Verscheidenheid, afwisseling, variatie.
E
Ensemble: Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel.
Erf: Al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze de inrichting niet verbieden.
Voorerfgebied: Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied
Achtererfgebied: Erf aan de achterkant en de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw
Eerste verdieping: Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen
Erker: Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitgevoerd in metselwerk, hout en glas.
F
Flat: Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.
G
Galerij: Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
Gebouw: Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit: Gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet. De commissie heeft als taak de raad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.
Gepotdekseld: Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).
Gevel: Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen.
(Gevel)geleding: Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.
Gevelmakelaar: Decoratieve bekroning van een geveltop.
Goot: Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.
Gootklos: Zie klossen.
Gootlijn: Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.
Grafiek: (ookwel Gevelgrafiek) Belijning binnen het gevelvlak die wordt gevormd door bijvoorbeeld kozijnen, goot- en daklijsten.
H
Hoekaanbouw: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.
Hergroeibaar: Materialen van biologische oorsprong, waarbij materiaal ingebed in geologische formaties en/of gefossiliseerd materiaal wordt uitgesloten. Natuurlijke materialen mits deze door natuurlijke ecosystemen worden aangevuld of gezuiverd op een menselijke tijdschaal (75-100 jaar). Zie ook biobased.
Hoek- en kilkeper: snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.
Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
I
Industriebebouwing: Bebouwing met een industriële bestemming.
Installatie: set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf
K
Kap: Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.
Kavel: Grondstuk, kadastrale eenheid.
Keper: Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.
Kern: Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad.
Klossen: Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten.
Kop: In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw.
Korrel(grootte): De Korrelgrootte is de omvang van de kenmerkende deeltjes. Binnen stedenbouw vaak gebruikt om de kenmerkende maat/schaal van bebouwing te duiden.
Kraal: Gekrulde/ ronde beëindiging van een zinken goot of afdeklijst.
L
Lak: Afwerklaag van schilderwerk.
Landschappelijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur.
Latei: Draagbalk boven gevelopening.
Lessenaarsdak: Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.
Lichtkoepel: Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel.
Lijst: Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst.
Lineair: Rechtlijnig, langgerekt.
Lint(bebouwing): Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.
Luifel: afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.
M
Maaiveld: Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om omgevingsvergunning.
Makelaar: Een makelaar heeft als bouwelement twee verschillende betekenissen, die ook wel hangstijl of gevelmakelaar heten. In de eerste betekenis is het onderdeel van een houten spantconstructie; in de tweede betekenis is het de beëindiging van het nok ter plaatse van de aansluiting op de gevel.
Mansardekap: Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak.
Markies: Opvouwbaar zonnescherm.
Massa: Zichtbaar volume van bebouwing.
Metselverband: Het zichtbare patroon van metselwerk.
Middenstijl: Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.
Monument: Aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of als bedoeld in de Erfgoedverordening.
Muurdam: Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.
N
Natuurlijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
Negge: Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.
O
Omgevingsvergunning: Vergunning als bedoeld in de WABO Ondergeschikt: Voert niet de boventoon.
Onderbouw: Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen.
Ontsluiting: De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein.
Oorspronkelijk: Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.
Oorspronkelijke gevel: Gevel behorend tot de oudste gevels van een gebouw, gevel van een gebouw in zijn oorspronkelijke staat.
Openbaar (toegankelijk) gebied: Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
Oriëntatie: De hoofdrichting van een gebouw.
Orthogonaal: Rechthoekig.
Ornament: Versiersel.
Overstek: Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
Overkapping: Bouwwerk, geen gebouw zijnde.
P
Paneel: Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.
Penant: Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen.
Pilaster: Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.
Plaatmateriaal: Materiaal van kunststof, staal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding.
Plastiek: De mate aan dieptewerking door het reliëf in de gevel.
Plint: Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.
Profiel: omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan
Profilering: aangebrachte vorm en maatvoering van profiel
Portiek: Gemeenschappelijke trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.
R
Raamdorpel: Horizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd.
Raamhout: Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/ post.
Referentiekader: Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden.
Renovatie: Vernieuwing.
Respecteren: Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen.
Rijenwoningen: Geschakelde (eengezins)woningen in een rij.
Risaliet: Gevelvoorsprong, vooruitspringende partij van een bouwlichaam, meestal in het midden of op de hoeken
Ritmiek: Regelmatige herhaling.
Rollaag: Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.
Rooilijn: Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden.
S
Schilddak: Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.
Silhouet: Ruimtelijke buitenomtrek bebouwing.
Situering: Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving.
Speklaag: Lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen.
Stijl: Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming.
Suskast: Een ventilatierooster met een verhoogde geluidwering.
T
Tactiel: Met de tastzin verbonden.
Tent-, punt of pyramidedak: Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen.
Textuur: De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).
Tympaan: Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan.
U
Uitbouw: Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is.
Uitbreiding: Aanbouw of uitbouw tegen een hoofdgebouw ter vergroting van de verblijfsruimte.
V
Verdieping: Bouwlaag.
Voorerfgebied: Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied
Voorgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.
Voorgevelrooilijn: Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening.
Voorkant: De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw, de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar het openbaar toegankelijk gebied.
W
Weg: Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Windveer: Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept.
Wolfdak/wolfeinden: Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).
Woning: Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.
Z
Zadeldak: Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel.
Zijgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.